Advies Afdeling advisering Raad van State en Nader rapport
Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Bankwet 1998 en de Wet op de economische delicten ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1619 met betrekking tot kapitaalvereisten voor banken en Richtlijn (EU) 2024/2994 met betrekking tot blootstellingen op centrale tegenpartijen (Implementatiewet kapitaalvereisten 2026)
Advies Afdeling advisering Raad van State en Nader rapport
Nummer: 2026D02315, datum: 2026-01-19, bijgewerkt: 2026-01-20 19:00, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: Th.C. de Graaf, vicepresident van de Raad van State
- Mede ondertekenaar: E. Heinen, minister van Financiƫn (VVD)
Onderdeel van kamerstukdossier 36885 -4 Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Bankwet 1998 en de Wet op de economische delicten ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1619 met betrekking tot kapitaalvereisten voor banken en Richtlijn (EU) 2024/2994 met betrekking tot blootstellingen op centrale tegenpartijen (Implementatiewet kapitaalvereisten 2026) .
Onderdeel van zaak 2026Z00967:
- Indiener: E. Heinen, minister van Financiƫn
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Financiƫn
- 2026-01-29 10:00: Procedurevergadering Financiƫn (Procedurevergadering), vaste commissie voor Financiƫn
Preview document (š origineel)
| Datum | 13 januari 2026 |
|---|---|
| Betreft | Nader rapport inzake hetĀ voorstel van wet tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Bankwet 1998 en de Wet op de economische delicten ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1619 met betrekking tot kapitaalvereisten voor banken en Richtlijn (EU) 2024/2994 met betrekking tot blootstellingen op centrale tegenpartijen (Implementatiewet kapitaalvereisten 2026). |
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw Kabinet van 15 oktober 2025, nr. 2025002310, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van StateĀ haar advies inzake het bovenvermeldeĀ voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 10 december 2025, nr. W06.25.00300/III, bied ik UĀ hierbij aan.
De tekst van het advies treft u hieronder aan, voorzien van mijn reactie.
Bij kabinetsmissive van 15 oktober 2025, no.2025002310, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Financiƫn, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Bankwet 1998 en de Wet op de economische delicten ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1619 met betrekking tot kapitaalvereisten voor banken en Richtlijn (EU) 2024/2994 met betrekking tot blootstellingen op centrale tegenpartijen (Implementatiewet kapitaalvereisten 2026), met memorie van toelichting.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen
bij het voorstel en adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der
Staten-Generaal in te dienen.
De vice-president van de Raad van State
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om het wetsvoorstel en de memorie van toelichting op enkele plekken aan te passen:
De voorgestelde artikelen 3:9b en 4:10a van de Wet op het financieel toezicht (Wft), die de implementatie vormen van de bepalingen uit de richtlijn over de geschiktheid en betrouwbaarheid van medewerkers met een sleutelfunctie, verklaarden voorheen de artikelen 3:8 en 3:9, respectievelijk, 4:9 en 4:10 Wft van overeenkomstige toepassing. De voorgestelde artikelen zijn aangepast, door nu de materiƫle vereisten voor medewerkers met een sleutelfunctie uit te schrijven, in plaats van eerder genoemde bepalingen van overeenkomstige toepassing te verklaren. Hiermee wordt duidelijker welke vereisten precies gelden voor medewerkers met een sleutelfunctie, die door de ondernemingen intern getoetst moeten worden op geschiktheid en betrouwbaarheid, alsmede de hoofden van de internecontrolefuncties en financieel directeur, die ook extern door De Nederlandsche Bank (DNB) getoetst moeten worden op geschiktheid en betrouwbaarheid. Hiertoe zijn er ook twee definities toegevoegd aan artikel 1:1 Wft met betrekking tot de hoofden van de internecontrolefuncties en financieel directeur.
In artikel 3:29, eerste lid, Wft is artikel 2:106.0a Wft toegevoegd. Artikel 3:29 Wft bevat het vereiste dat een onderneming voorziet in een kennisgeving aan DNB indien er wijzigingen zijn in de gegevens die zij bij vergunningverlening heeft verstrekt. Artikel 2:106.0a bevat het vereiste dat een afwikkelonderneming in Nederland dat een bijkantoor wil openen buiten Nederland DNB moet verwittigen onder opgave van gegevens, en goedkeuring moet verkrijgen. Door opname van artikel 2:106.0a Wft in artikel 3:29, eerste lid, Wft moet een afwikkelonderneming een wijziging in aangeleverde gegevens melden aan DNB. Dit is in lijn met hoe dit voor andere ondernemingen met een buitenlands bijkantoor is geregeld in artikel 3:29 Wft. Er zijn nu geen Nederlandse afwikkelondernemingen met een bijkantoor buiten Nederland, waardoor er geen nieuwe regeldruk ontstaat voor bestaande ondernemingen.
Er is een alinea toegevoegd in de memorie van toelichting met betrekking tot de door de Nederlandsche Bank op te stellen richtlijnen en de vereiste compatibiliteit daarvan met enkele verordeningen en gedragscodes die volgen uit het Europees toezichtraamwerk en het Europees Stelsel van Centrale Banken.
Met betrekking tot de uitzonderingen voor het vestigen van een derde land bijkantoor, en specifiek de uitzondering die betrekking heeft op de dienstverlening uit hoofde van de richtlijn markten voor financiƫle instrumenten 2014, is de memorie van toelichting aangevuld. Hiermee is beoogd te duiden dat, indien een bewaarder betrokken is bij een transactie door het leveren van effecten- en bewaardiensten die van belang zijn voor het voltooien van de transactie, deze bewaarder daarmee onder de uitzondering valt, ook als zij niet rechtstreeks betrokken is bij de transactie zelf.
Het overgangsrecht bevat een uitfaseerregime (phasing out regime), waarbij reeds bestaande contracten tussen Nederlandse en derde land ondernemingen mogen blijven bestaan na 11 juli 2026, zonder dat vestiging van een bijkantoor met een vergunning op grond van artikel 2:20 Wft nodig is. In de eerdere versie van de memorie van toelichting was opgenomen dat novatie en nettering niet mogelijk was. Omdat dit in de praktijk tot problemen kan leiden, is verduidelijkt dat novatie of verrekening van verplichtingen over en weer alleen is toegestaan indien dit louter de verplichtingen die tussen partijen bestaat reduceert of beƫindigt. Als de novatie of nettering leidt tot een (andere) aanpassing van het contract waardoor er nieuwe verplichtingen, schuld of andere verbintenissen ontstaan, is dit niet toegestaan zonder vestiging van een derde land bijkantoor met bijbehorende vergunning.
Voorts zijn er enkele kleine technische en redactionele wijzigingen doorgevoerd.
Ik moge UĀ verzoeken het gewijzigde voorstel van wetĀ en deĀ gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-GeneraalĀ te zenden.
| De Minister van Financiën, | |
|---|---|
| E. Heinen |