Verslag van de commissie voor de Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven over het verzoekschrift van de heer M. inzake klachtbehandeling door de Belastingdienst
Verslagen van de commissie voor de Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven
Verslag commissie Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven
Nummer: 2026D02322, datum: 2026-01-20, bijgewerkt: 2026-01-21 10:02, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: P. van Houwelingen, Tweede Kamerlid (FVD)
- Mede ondertekenaar: B.A. Paauwe, adjunct-griffier
Onderdeel van kamerstukdossier 36615 -13 Verslagen van de commissie voor de Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven.
Onderdeel van zaak 2026Z00969:
- Voortouwcommissie: TK
- 2026-01-29 10:15: Verslagen van de commissie voor de Verzoekschriften en Burgerinitiatieven (36615, nrs. 12 en 13) (Hamerstukken), TK
Preview document (🔗 origineel)
36 615 Verslagen van de commissie voor de Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven
Nr. 13 Verslag van de commissie voor de Verzoekschriften en
de Burgerinitiatieven over het verzoekschrift van de heer M. inzake
klachtbehandeling door de Belastingdienst
Vastgesteld 20 januari 2026
Inleiding
Dit verslag bevat de behandeling door de commissie voor de
Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven (hierna: de commissie) van het
verzoekschrift van de heer M. (hierna: verzoeker) inzake de
klachtbehandeling door de Belastingdienst.
Achtereenvolgens wordt ingegaan op het verzoek en de daarbij horende
feiten, de tijdens de inlichtingenfase ontvangen informatie van de
staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane
(hierna: de staatssecretaris) en verzoeker, het oordeel van de commissie
naar aanleiding van de inlichtingenfase en tot slot het voorstel van de
commissie aan de Kamer.
Verzoek inclusief feitencomplex
Verzoeker, woonachtig in het buitenland, heeft een
verzoekschrift per brief ingediend die op 11 maart 2025 is ontvangen
door de commissie. Bij latere brief, die de commissie op 28 augustus
2025 heeft ontvangen, heeft verzoeker de gevraagde aanvullende
informatie toegestuurd. In het verzoekschrift is aangegeven dat de
Belastingdienst klachten van verzoeker niet oppakt en dat vragen niet
worden beantwoord. Verzoeker geeft aan dat de Belastingdienst de
klachten niet in behandeling neemt, omdat het gaat over een kwestie die
langer dan een jaar geleden speelde. Verzoeker zegt al heel wat brieven
aangetekend te hebben verstuurd naar de Belastingdienst, maar dat daar
geen reactie op komt.
Daarnaast geeft verzoeker aan dat hij nog steeds geen antwoord heeft
gekregen op de vraag waarom de Belastingdienst zijn onderneming heeft
uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel. Hierdoor heeft verzoeker
schade geleden. Ook de btw die verzoeker betaald heeft, is nooit van de
aanslag afgehaald. Verder heeft verzoeker steeds een ander btw-nummer
gekregen, wat niet handig is in het zakelijk verkeer.
Voorts schrijft verzoeker dat hij een betalingsregeling voor schulden
bij de Belastingdienst heeft. Verzoeker heeft een periode moeite gehad
met het voldoen aan de betalingsregeling en dit ook per brief kenbaar
gemaakt bij de Belastingdienst. De Belastingdienst heeft echter
aangegeven dat verzoeker de schuld in één keer moet terugbetalen. In het
door de Belastingdienst verstrekte schuldenoverzicht staan ook fouten,
aldus verzoeker.
Verzoeker verzoekt de Kamer om de klachtbehandeling van de
Belastingdienst in zijn kwestie te bekijken en antwoorden op de vele
vragen die hij heeft, te achterhalen.
Inlichtingenfase
Inlichtingen staatssecretaris
De commissie heeft de staatssecretaris om inlichtingen verzocht bij
brief van 2 oktober 2025. Daarin is gevraagd om slechts op het onderdeel
‘klachtbehandeling door de Belastingdienst’ uit het verzoekschrift in te
gaan. Ten aanzien van de overige punten van het verzoekschrift heeft de
commissie besloten deze niet in behandeling te nemen, omdat deze niet
ontvankelijk zijn volgens de Regeling van de commissie. Wel heeft de
commissie verzoeker betreffende deze punten gewezen op het aan kunnen
wenden van rechtsmiddelen dan wel geadviseerd anderszins in contact te
treden met de Belastingdienst.
Bij brief van 11 november 2025 zijn de inlichtingen vertrouwelijk
verstrekt door de staatssecretaris. De staatssecretaris geeft aan dat de
Belastingdienst zorgvuldiger de klachten van verzoeker had moeten
behandelen. Hij biedt daarvoor zijn excuses aan. De staatssecretaris
stelt voor om een nieuw klachtbehandelingstraject te starten met een
nieuwe klachtbehandelaar. Ter onderbouwing van deze conclusie geeft de
staatssecretaris het volgende aan.
De staatssecretaris schrijft dat verzoeker twee keer een klachtformulier
heeft ingediend bij de Belastingdienst, waarbij hij heeft aangegeven dat
hij correspondentie per e-mail wil laten verlopen. De eerste klacht van
verzoeker, d.d. 26 oktober 2024, is door een klachtbehandelaar in
behandeling genomen. Deze klachtbehandelaar heeft echter geen nadere
informatie opgevraagd bij verzoeker, wat per e-mail of brief had gekund,
en heeft ook geen contact gezocht met de ontvanger van de
Belastingdienst. Hoewel in de brief van de klachtbehandelaar van 7
november 2024 verzoeker verwezen wordt naar de ontvanger, had de
klachtbehandelaar zich behulpzamer kunnen opstellen, aldus de
staatssecretaris.
Verzoeker heeft volgens de staatssecretaris de Nationale ombudsman
ingeschakeld, omdat verzoeker de brief van de klachtbehandelaar
kennelijk niet ontvangen heeft. De klachtbehandelaar heeft desgevraagd
een kopie van de brief aan de Nationale ombudsman gestuurd.
Verzoeker heeft vervolgens een tweede klacht ingediend, d.d. 16 januari
2025. Daarbij verwijst hij naar zijn eerste klacht. Hij geeft aan nooit
een reactie op zijn eerste klacht te hebben ontvangen. Een andere
klachtbehandelaar dan die de eerste klacht behandelde, heeft op deze
tweede klacht gereageerd: deze geeft aan dat de klacht behandeld is met
de brief van 7 november 2024 en stuurt verzoeker een afschrift van deze
brief. De staatssecretaris geeft hierbij aan dat deze tweede
klachtbehandelaar de klacht dus niet in behandeling heeft genomen en
slechts verwezen heeft naar de behandeling van de eerste klacht.
Eind maart 2025 heeft de Nationale ombudsman de Belastingdienst gevraagd
of de ontvanger contact op kan nemen met verzoeker. Dat heeft de
ontvanger vervolgens gedaan, maar verzoeker weigerde mondeling contact.
Verzoeker wilde alleen per SMS corresponderen. De ontvanger heeft
aangegeven dat niet te willen. Een derde klachtbehandelaar heeft dit
doorgegeven aan de Nationale ombudsman, die het dossier vervolgens heeft
afgesloten, aldus de staatssecretaris.
De ontvanger heeft nog wel een overzicht van de te betalen en ontvangen
omzetbelasting gemaakt, maar dit overzicht is nooit verzonden naar
verzoeker, zo geeft de staatssecretaris aan.
De staatssecretaris stelt dus voor om een nieuw
klachtbehandelingstraject te voeren met een nieuwe klachtbehandelaar.
Daarnaast zal de Belastingdienst alsnog de brief met een overzicht van
de te betalen en ontvangen omzetbelasting versturen aan verzoeker.
Reactie verzoeker op ontvangen inlichtingen
De commissie heeft verzoeker gevraagd schriftelijk te reageren op
de inlichtingen van de staatssecretaris. Verzoeker heeft een reactie op
13, 19 en 24 november 2025 toegestuurd.
Verzoeker geeft aan dat hij met een nieuwe klachtbehandelaar zijn
klachten wil doorlopen en dat hij alle antwoorden krijgt op zijn vragen.
Daarnaast schrijft verzoeker dat de Belastingdienst volgens hem twee
fouten heeft gemaakt: het geven van een verkeerd EU-btw-tarief en de
uitschrijving van zijn onderneming bij de Kamer van Koophandel. Hij
vraagt of van de Belastingdienst hiervoor een tegemoetkoming wegens
geleden schade verwacht kan worden. De Belastingdienst heeft volgens
verzoeker nooit gereageerd op zijn melding dat een verkeerd btw-tarief
werd gehanteerd.
Voorts geeft verzoeker aan dat de Belastingdienst volgens hem recent
weer de fout in is gegaan. Hij moet een boete betalen aan de
Belastingdienst, terwijl de Belastingdienst eerder heeft aangegeven dat
door een fout van de Belastingdienst deze boete niet betaald hoeft te
worden. Verzoeker had een verkeerd jaartal ingevoerd, maar had dat later
zelf al gecorrigeerd. De Belastingdienst geeft nu aan dat de boete
betaald moet worden en dat verzoeker in bezwaar kan gaan tegen het
besluit inzake de boeteoplegging.
Nadere inlichtingen staatssecretaris
De commissie heeft de staatssecretaris bij brief van 25 november
2025 om nadere inlichtingen verzocht naar aanleiding van de reactie van
verzoeker. Daarbij is in het bijzonder gevraagd op welke termijn een
nieuw klachtbehandelingstraject opgestart zou kunnen worden.
Bij brief van 15 december 2025 zijn deze inlichtingen vertrouwelijk
verstrekt. De staatssecretaris geeft aan dat, nu verzoeker heeft
ingestemd met een nieuwe klachtbehandeling, deze behandeling in januari
2026 opgestart kan worden met een nieuwe klachtbehandelaar. Deze
klachtbehandelaar zal ook ingaan op hetgeen verzoeker naar voren heeft
gebracht naar aanleiding van de inlichtingen van de staatssecretaris.
Daarbij tekent de staatssecretaris wel aan dat de nieuwe
klachtbehandeling alleen gaat over gedragingen van de Belastingdienst,
conform de artikelen 9:1 en 9:2 van de Algemene wet bestuursrecht.
Na de ontvangen nadere inlichtingen van de staatssecretaris heeft het
ministerie van Financiën ambtelijk laten weten dat het nieuwe
klachtbehandelingstraject in januari 2026 van start gaat.
Oordeel van de commissie
De commissie betreurt het dat de klachtbehandeling van
verzoeker door de Belastingdienst niet de aandacht heeft gekregen die
het verdiende. De commissie is de staatssecretaris daarom erkentelijk
dat ook hij aangeeft dat deze klachtbehandeling zorgvuldiger had
gemoeten en dat hij daarvoor zijn excuses aanbiedt. De commissie is van
oordeel dat een nieuw klachtbehandelingstraject met een nieuwe
klachtbehandelaar verzoeker kan helpen bij het krijgen van antwoorden op
zijn vragen. Zij begrijpt, zoals de staatssecretaris schrijft, dat deze
nieuwe klachtbehandeling alleen over de gedragingen van de
Belastingdienst kan gaan, zoals de wet voorschrijft. Dat is immers ook
waaraan de commissie toetst bij de beoordeling van
verzoekschriften.
Voorstel aan de Kamer
Er is geen aanleiding om een voorstel aan de Kamer te doen.
De fungerend voorzitter van de commissie,
Van Houwelingen
Adjunct-griffier van de commissie,
Paauwe