Schriftelijke antwoorden op vragen gesteld tijdens de eerste termijn van de begrotingsbehandeling Economische Zaken en Nationaal Groeifonds op 21 januari 2026
Brief regering
Nummer: 2026D02703, datum: 2026-01-22, bijgewerkt: 2026-01-22 13:05, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: V.P.G. Karremans, minister van Economische Zaken
Onderdeel van zaak 2026Z01151:
- Indiener: V.P.G. Karremans, minister van Economische Zaken
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Economische Zaken
- 2026-01-22 19:15: Begroting Economische Zaken (36800-XIII) voortzetting (Plenair debat (wetgeving)), TK
- 2026-01-27 16:45: Procedurevergadering Economische Zaken (Procedurevergadering), vaste commissie voor Economische Zaken
Preview document (🔗 origineel)
Geachte Voorzitter,
Tijdens de eerste termijn van de begrotingsbehandeling Economische Zaken (EZ) en Nationaal Groeifonds (NGF) van het ministerie van Economische Zaken (EZ) hebben de leden van uw Kamer vragen gesteld. Bijgevoegd vindt u in de antwoorden op een deel van de vragen. De overige vragen zal ik in mijn eerste termijn mondeling beantwoorden.
Vincent Karremans
Minister van Economische Zaken
Antwoorden op de vragen gesteld door de D66-fractie
2
Hoe borgt de minister dat de MKB-focus niet verwatert wanneer het Nederlands Comité voor Ondernemerschap haar opdracht neerlegt, en deze wordt ondergebracht bij de Productiviteitsraad?
Antwoord
Focus op het MKB in het maken van beleid is ontzettend belangrijk, omdat (i) meer dan 99% van de bedrijven in Nederland behoort tot het MKB en (ii) zij vaak andere uitdagingen ervaren dan grootbedrijven.
Daarom staat onder andere in het instellingsbesluit van de Productiviteitsraad dat zij specifiek aandacht moet besteden aan het MKB, houdt het CBS specifieke data over het MKB bij op (o.a.) staatvanhetmkb.nl, is er zeer frequent overleg met MKB-NL en zijn er een aantal regelingen specifiek gericht op het mkb, zoals de BMKB.
3
Is de minister bereid tot een verkenning tot een renteplafond voor kleine ondernemers? Dit voorkomt dat kleine ondernemers woekerrentes betalen bij non-bancaire financiers?
Antwoord
Ik deel de zorgen die er zijn bij Kamerleden over non-bancaire financieringsverstrekking die niet transparant is over de voorwaarden en daardoor kan leiden tot excessieve rentes en als gevolg daarvan grote problemen (zowel
zakelijk als vervolgens persoonlijk) voor ondernemers. Om dit tegen te gaan worden reeds een aantal acties ondernomen, o.a. via de gedragscodes van Finankeur, die vanaf mei 2026 zullen worden geëvalueerd.
Daarbovenop wil ik, ook aangezien de Kamer meermaals aandacht voor dit onderwerp heeft gevraagd, in 2026 een meer uitgebreid onderzoek starten naar dit fenomeen in Nederland, of in welke mate dit fenomeen ook in andere
(Europese) landen plaatsheeft, wat in die landen hiertegen wordt ondernomen en welke maatregelen we in Nederland verder nog zouden kunnen nemen.
Daarbij merk ik volledigheidshalve wel nog op dat een generiek renteplafond een zeer negatief effect heeft, omdat dat dit het aantrekken van risico-dragend kapitaal voor ondernemers die bijvoorbeeld vanwege de aard van hun
onderneming geen of weinig onderpand kunnen verstrekken, bemoeilijkt.
4
Ook op het vlak van fiscale regels moeten echt stappen gezet worden: in plaats van te faciliteren, werken we start- en scale-ups op sommige punten tegen, bijvoorbeeld door de Ondernemingen in Moeilijkheden: in het debat voor het kerstreces stelde ik hier vragen over en ik hoor graag van de minister wat de voortgang is op dit dossier?
Antwoord
De problematiek rondom de definitie OIM vind ik zorgelijk. Dit hebben we ook besproken bij het commissiedebat Start- en Scale-up van 18 december. Ik ben het ook met Kamerlid Oualhadj eens dat de huidige definitie een obstakel is voor het verkrijgen van subsidies voor met name innovatieve start- en scale-ups, omdat de definitie niet aansluit bij de financiële realiteit van deze bedrijven.
De opties om iets in nationaal verband te doen zijn op dit moment erg beperkt, aangezien de definitie uit het Europees recht voortvloeit. Als een onderneming onterecht staatssteun ontvangt, is het kabinet verplicht dit terug te vorderen voor de Europese Commissie. Het risico voor onrechtmatige ontvangen staatssteun ligt dus bij de ondernemer, met alle gevolgen van dien.
Ter ondersteuning is het voor ondernemers mogelijk contact op te nemen met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) wanneer er mogelijk sprake is van Onderneming in Moeilijkheden. De RVO wijst potentiële aanvragers op manieren om deze status op te heffen.
Ik zet mij in op Europees niveau, waar nodig samen met andere Lidstaten, om de definitie zo snel mogelijk aan te passen. Ik heb concrete voorstellen gedaan bij de Europese Commissie. Dit wordt ook in hoogambtelijke gesprekken met de Commissie voortdurend onder de aandacht gebracht. Ik verwacht dat de Commissie op korte termijn (1ste kwartaal 2026) haar voorstel tot aanpassing van de definitie zal uitbrengen. Daarnaast zal ik dit onderwerp blijven bespreken op Europees niveau met mijn collega’s.
5
De begroting van het ministerie van Economische Zaken (EZ) biedt maar beperkt inzicht in de investeringen in verdienvermogen en dat lijkt onder andere te komen doordat de financiering via steeds meer kanalen loopt en elk met andere verantwoordingskanalen. Ik zou deze minister daarom willen vragen om toe te zeggen op zoek te gaan naar een wijze die wel een totaalbeeld geeft van de investeringen. Dat zou bijvoorbeeld kunnen zoals de wijze waarop alle uitgaven aan het klimaatbeleid worden weergegeven. Daarvoor bestaat namelijk een tabel in de begroting van het ministerie van KGG. Dat zou wat mij betreft een helderder beeld geven. Ik zou hem ook willen vragen een appreciatie te geven als dat totaalbeeld er is.
Antwoord
Investeringen zijn niet beperkt tot het ministerie van Economische Zaken (EZ) en worden ook gedaan door andere departementen, zoals door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) vanwege het belang van goed onderwijs voor ons verdienvermogen en door het ministerie van Infrastructuur en Waterschap (IenW) vanwege het grote belang van goede logistiek, zowel op de weg als over het water. Daarbij is het niet altijd duidelijk welke uitgaven als investeringen kwalificeren en welke niet. Dat maakt het lastig op mijn eigen begroting een totaalbeeld te geven. Het opstellen van een dergelijk overzicht voor Rijksbrede uitgaven in het kader van ‘investeringen’ soortgelijk aan het overzicht wat bij de KGG-begroting zit, is daarom lastiger vorm te geven voor EZ. Dit overzicht van het ministerie van Klimaat en Groene Groei wordt mogelijk gemaakt doordat er een Rijksbrede definitie is afgesproken wat onder ‘klimaatuitgaven’ valt. Hiernaast zijn er binnen de begrotingsregels afspraken voor het administreren van uitgaven onder deze klimaatuitgaven, zoals bijvoorbeeld de middelen uit de Klimaatfondsbegroting.
Desalniettemin zijn er verschillende overzichten van investeringen in het verdienvermogen die onder andere vanuit mijn ministerie worden gedaan beschikbaar. Zie hieronder enkele voorbeelden.
Het kabinet publiceert in het kader van het Europees semester minimaal twee keer per jaar Europese begrotingsstukken. In deze stukken rapporteert het kabinet op basis van CPB-cijfers over de overheidsfinanciën. Hierbij wordt een uitsplitsing gemaakt tussen investeringen en consumptieve uitgaven zoals sociale uitkeringen en subsidies.
Verder publiceert het Centraal Planbureau (CPB) bij het Centraal Economisch Plan over de investeringsuitgaven van de overheid, zowel terugkijkend als vooruitkijkend.
Ook in de TWIN-rapportage van het Rathenau Instituut wordt jaarlijks gerapporteerd over de totale investeringen in wetenschap en innovatie van de Rijksoverheid. Deze investeringen zijn een belangrijke afgeleide voor investeringen in ons verdienvermogen, waarbij de rapportage specifiek inzichten geeft in de voortgang op de 3% R&D-doelstelling.
Hiernaast actualiseert mijn ministerie jaarlijks de website www.bedrijvenbeleidinbeeld.nl. Hierop wordt per regeling binnen het bedrijvenbeleid informatie inzichtelijk gemaakt over de voortgang en effecten van dit beleid. Dit is inclusief regelingen en beleidsinitiatieven die bijdragen aan investeringen in het verdienvermogen.
In november heeft de minister van Financiën een brief naar de Kamer gestuurd over de publieke investeringen1. Hierin kunt u dit uitgebreid terugvinden.
Antwoorden op de vragen gesteld door de VVD-fractie
9
Er spelen belangrijke initiatieven in de EU, zoals het Franse station F en de AI Gigafabriek, zoals aangekondigd door de Europese Commissie. Hoe staat het met de Nederlandse planning voor eventuele deelname hiervoor?
Antwoord
Nederland heeft een basis gelegd voor het AI-ecosysteem, met onder meer de AI-fabriek in Groningen en het AiNed investeringsprogramma van 189 miljoen euro uit het Nationaal Groeifonds. Tegelijkertijd is er meer nodig om de Europese en Nederlandse AI-capaciteiten verder te versterken, zoals ook het Wennink Rapport en Nationaal AI Deltaplan benadrukken.
Zoals ik uw Kamer op 19 december heb geïnformeerd, verkent het kabinet de mogelijkheden voor Nederlandse betrokkenheid in het Europese AI-gigafabrieken initiatief2. Daarvoor zijn wij nog in afwachting van de exacte Europese procedures en tijdslijnen. Momenteel zijn er vanuit het Rijk geen financiële middelen gereserveerd voor dit initiatief. Zodra er meer bekend is over de Europese tijdslijnen en eventuele Nederlandse deelname, zal de Kamer hierover worden geïnformeerd. Tegelijkertijd staat mijn ministerie in nauw contact met Nederlandse initiatiefnemers over hun initiatieven. Ook buiten dit Europese initiatief kan de private sector AI-infrastructuur ontwikkelen. Het kabinet verwelkomt dergelijke initiatieven en investeringen waar zij positief bijdragen aan een evenwichtige ontwikkeling van het nationale en Europese AI-ecosysteem.
We zien een belangrijke rol voor private investeringen en initiatieven om het AI-ecosysteem in Nederland te versterken. Ik noem graag twee recente voorbeelden. Eerst het AI House dat Prosus in Amsterdam heeft geopend. Dat is gericht op het samenbrengen van AI-startups en investeerders. Daarnaast werkt Techleap, samen met private partners, aan de ontwikkeling van een AI-hub voor startups en scale-ups, met nadruk op opschaling, talent en toegang tot kapitaal.
10
Kan de minister project Beethoven en mijn aangenomen voorstellen als blauwdruk gebruiken voor bijvoorbeeld de Tech scene in Amsterdam?
Antwoord
Ja, ik heb in de Kamerbrief Industriebeleid met focus3 aangegeven dat ik de geleerde lessen van het project Beethoven voor de microchipsector wil gebruiken als voorbeeld voor andere markten en regio’s. Ik wil daarbij de economische kansen in alle regio’s benutten.
11
Kan de minister meer zeggen over de voortgang op de Nota Ruimte, ook over de mogelijke regierol ook over de gebieden van strategisch belang.
Antwoord
Ruimte voor economie zie ik als een van mijn prioriteiten4. In de Ruimtelijk Economische Visie5 en de Kamerbrief Industriebeleid met focus6 heb ik mijn kijk op de ruimte voor economie neergelegd. Deze heeft een centrale plek in de Ontwerp Nota Ruimte gekregen. Concreet heb ik ingezet op strategisch uitbreiden, beter benutten, beter beschermen en schuifruimte. In de Nota Ruimte is nu al afgesproken om strategische gebieden zoals de energie intensieve clusters en campussen aan te wijzen als van Nationaal Belang. Verder heb ik de afspraak gemaakt met provincies, gemeenten en ondernemers dit jaar tot concrete afspraken te komen over hoe we voldoende en passende ruimte en randvoorwaarden kunnen bieden voor economie. Hiermee neem ik weer regie op ruimte voor economie.
Na de zomer 2025 is de Ontwerp Nota Ruimte ter consultatie voorgelegd. Het loket voor het indienen van de zienswijzen is voor de kerst gesloten. Het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening is nu bezig om samen met de andere relevante departementen de zienswijzen te verwerken. Verdere besluitvorming hierover zal aan een nieuw kabinet zijn.
12b
Komt er vanuit dit kabinet nog reactie op de motie over een tweede jaar loondoorbetaling bij ziekte?
Antwoord
De uitvoering van deze motie is aan het nieuwe kabinet. De motie wordt betrokken bij de kabinetsreactie van het nieuwe kabinet op het recente IBO WIA (Interdepartementaal Beleidsonderzoek naar de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen).
Ondertussen werkt dit kabinet aan verschillende maatregelen om werkgevers ten aanzien van de verplichtingen tijdens de periode van loondoorbetaling bij ziekte te ontlasten. Daarbij doel ik bijvoorbeeld op het wetsvoorstel om het advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid van de zieke werknemer leidend te maken bij de toets die het UWV uitvoert op het re-integratieverslag. Hierdoor kunnen werkgevers uitgaan van het advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid en neemt het risico op een verlenging van de loondoorbetalingsperiode met maximaal 52 weken (loonsanctie) af.
Tegelijkertijd worden in het rapport-Wennink, door de Raad van State en via de motie-Dijk/Yeşilgöz verdergaande aanpassingen van de loondoorbetalingsperiode aanbevolen en gevraagd. Het opvolgen van deze signalen vergt meer fundamentele wijzigingen van het socialezekerheidsstelsel, ook gelet op de uitvoerbaarheid van het UWV. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij een volgend kabinet.
Antwoorden op de vragen gesteld door de
GroenLinks-PvdA-fractie
13
Hoe reflecteert de minister op de economische positie van Europa in de wereld, vooral ten opzichte van China en de VS?
Antwoord
We moeten onszelf niet kleiner maken dan we als Europa zijn. De EU is en blijft een aanzienlijke afzetmarkt die ons geopolitieke macht verschaft. De EU heeft daarnaast ook bloeiende bedrijven op de meest geavanceerde technologieën. Een mooi voorbeeld is de samenwerking tussen Mistral en ASML rondom semiconductors en AI die het afgelopen jaar is aangekondigd.
Het zijn echter geopolitiek onzekere tijden, en mede door economische machtspolitiek weten andere landen, zoals de VS en China, harder te groeien dan de EU. Daarom is het cruciaal dat we de EU sterker maken op die terreinen waar verbetering mogelijk is. De interne markt is hiervoor het fundament, maar functioneert niet optimaal voor consumenten en bedrijven, ook blijven investeringen en productiviteitsgroei achter ten opzichte van de VS en China.
Dankzij het Draghi-rapport hebben we de juiste handvatten om gericht te werken aan ons concurrentievermogen. De Kabinetsvisie EU-Concurrentievermogen heeft daar vervolgens een concrete aanpak voor Nederland aan gekoppeld.
Het rapport Wennink heeft op verzoek van het kabinet nog een verdere slag gemaakt. De kernpunten uit het rapport, o.a. het verbeteren van randvoorwaarden op regeldruk, infrastructuur en mainports, moeten met gezwinde spoed worden uitgewerkt. Uiteraard moeten deze bevorderende initiatieven ook goed beschermd worden tegen geopolitieke factoren van buitenaf: ook daarvoor bieden o.a. de Economische Veiligheid Toolbox en andere nationale initiatieven, zoals de herziening van de wet Vifo, een goede basis. Daarom ben ik ervan overtuigd dat we een sterke concurrentiepositie met innoverende bedrijven behouden en kan de EU de toekomst met opgeheven hoofd tegemoet treden.
Om de juiste stappen te kunnen zetten zullen we de komende tijd wel voor lastige keuzes komen te staan, die soms op sectoraal niveau gevoelig kunnen zijn, maar die bijdragen aan een sterkere, meer concurrerende EU, waar Nederland bij uitstek de vruchten van kan plukken.
15
Hoe kijkt de minister naar de aanbeveling uit het Wennink-rapport om meer te investeren via de staatsschuld?
Antwoord
Voor ons toekomstig verdienvermogen van Nederland zijn verdere investeringen noodzakelijk. Dat is nodig om onze toekomstige welvaart veilig te stellen, strategisch relevant te blijven en zo kunnen we maatschappelijke transities financieren. Tegelijkertijd zijn solide overheidsfinanciën ook van belang voor het verdienvermogen, en zijn we gebonden aan de Europese en nationale begrotingsregels. Het Wennink-rapport helpt om hierbinnen keuzes te maken. Een les die ik uit het advies haal, is dat we meer moeten inzetten op investeringen voor de lange termijn en minder op consumptieve uitgaven voor de korte termijn.
18
De overheid moet haar marktmacht meer inzetten voor groene, sociale en strategische doelen, en ook onze weerbaarheid. De overheid is geen toeschouwer maar creëert ook een markt. Jaarlijks wordt er tussen de 110 en 120 miljard euro aan diensten en producten ingekocht, 13% van het bbp. Dit gaat fors stijgen door de extra investeringen die voorliggen, bijvoorbeeld alleen al op het terrein van Defensie. Is de minister bereidt om werk te maken van eenvoudige maar doelgerichte aanbestedingen waarbij strategische, bijvoorbeeld: koop Europees, groene en sociale doelen moeten worden geformuleerd?
Antwoord
Ik ben het zeker eens dat de overheidsinkoop nog beter benut kan worden om bij te dragen aan maatschappelijke en strategische doelen. Dit kan alleen als we tegelijkertijd de regelgeving vereenvoudigen en de regeldruk voor ondernemers verminderen. Mijn inzet in Europa bij de herziening van de aanbestedingsrichtlijnen is daarom gericht op versimpeling en het creëren van meer ruimte in de regelgeving om bij te dragen aan maatschappelijke doelen.
Het kabinet stelt zich wel terughoudend op ten aanzien van de inzet van een Europees voorkeursprincipe. Per sector zullen we zorgvuldig afwegen of de baten opwegen tegen de kosten. Het voorkeursprincipe wordt in beginsel enkel ingezet om de weerbaarheid van de Unie te versterken en, wanneer minder ingrijpende maatregelen ontoereikend zijn, om strategische nieuwe markten te stimuleren.
20
Kan de minister aangeven of de Wet vifo versterkt moet worden en wil hij dat ook op Europees niveau hieraan gewerkt wordt? Graag inzicht in waar we staan en waar de minister naartoe wil. Specifiek over Nexperia: Daar wachten we nog op de uitspraak, maar heeft de minister nog gereflecteerd tijdens de Kerst of hij toch had moeten wachten met ingrijpen?
Antwoord
De Wet vifo is ontwikkeld om risicovolle investeringen in vitale sectoren en sensitieve technologieën te toetsen op risico’s voor de nationale veiligheid. Het is belangrijk dat de wet aansluiting houdt met nieuwe ontwikkelingen. Daarom werk ik op dit moment aan de uitbreiding van de Wet Vifo door de toevoeging van nieuwe technologieën (zoals AI en biotechnologie) en aan de reikwijdte van de wet ter verdere versterking van het instrument. Ik ben het er van harte mee eens dat dit ook op Europees niveau moet gebeuren. In dat kader kan ik melden dat de Europese verordening met betrekking tot screening van buitenlandse investeringen in Europa momenteel wordt herzien; het EP en de Raad hebben hier een principeakkoord op bereikt. Dit zal hoogstwaarschijnlijk resulteren in aanpassing van de Wet vifo, waaronder uitbreiding van het toepassingsbereik.
Met betrekking tot uw vraag waarom ik heb ingegrepen in Nexperia en waarom ik dit niet uitsluitend bij de Ondernemingskamer (OK) heb gelaten, geldt dat ik op het moment van het bevel er niet vanuit kon gaan dat er zeker een OK-procedure zou komen, en zo ja, welke maatregelen de OK dan zou treffen en hoe snel de OK dat zou doen. Ik kon daar, gegeven de urgentie van de signalen en aanwijzingen die mij hadden bereikt, dan ook niet op wachten. Bovendien geldt dat de OK handelt in het belang van de onderneming. Het bevel krachtens de Wet beschikbaarheid goederen beoogt iets heel anders: het veiligstellen van de productiemiddelen van de onderneming voor de productie van chips in en voor Nederland en Europa. Daarmee wordt het publiek belang van voorzienings- en leveringszekerheid gediend. Het vennootschappelijk belang en het publieke belang hoeven niet altijd samen te vallen.
21
Er zitten tekortkomingen op het sociale domein: Wil je een weerbare economie, dan moet je investeren in mensen. Ons grootste kapitaal zijn onze inwoners. De samenleving moet niet voor de economie werken, maar de economie moet voor de samenleving werken. Waarom staat er niets over laagproductieve sectoren en uitbuiting van arbeidsmigranten in Wennink? Er wordt wel gerefereerd aan sectoren als slachterijen en tuinbouw dat we daar iets mee moeten, maar wat? Wat voor consequentie trek je daaruit?
Antwoord
Ik ben de heer Wennink dankbaar voor zijn rapport. De afbakening en inhoudelijke keuzes van het rapport zijn echter door hem gemaakt.
Wel deel ik de conclusie dat misstanden moeten worden aangepakt. We moeten hierbij kritisch kijken naar de subsidies voor en fiscale stimulering van laagproductieve sectoren die van lage lonen hun verdienmodel maken, zodat arbeidsmigranten niet worden uitgebuit.
Hierover ben ik in gesprek met minister Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) om meer grip te krijgen op migratie en om de positie van deze werknemers te verbeteren. Recent is een beleidsonderzoek7 naar migratie uitgebracht. Een eerste kabinetsreactie wordt binnenkort aan uw Kamer verstuurd. Meer fundamentele keuzes zijn aan een volgend kabinet. Daarnaast verkent de minister van SZW een mogelijk in- en uitleenverbod voor de vleessector en wordt onderzocht welke aanvullende maatregelen nodig zijn om misstanden in risicosectoren, waaronder de landbouw, verder tegen te gaan.
Antwoorden op de vragen gesteld door de BBB-fractie
23
Kan de minister ingaan op waarom bij Streetwise op staatssteun wordt getoetst terwijl dit bij de Impulsaanpak Winkelgebieden niet zo is, terwijl dit in feite eenzelfde type steun is?
Antwoord
Het met subsidie ondersteunen van Streetwise en de steun die gegeven wordt aan gemeenten in het kader van de Impulsaanpak Winkelgebieden is fundamenteel verschillend van elkaar: Een uitkering op grond van de Impulsaanpak winkelgebieden aan gemeenten is geen staatssteun aangezien hiermee de
Gemeente wordt ondersteund in het uitvoeren van haar publieke taken.
Omdat de kosten voor de diensten van Streetwise niet worden doorberekend aan de ondersteunde ondernemers is feitelijk sprake van een subsidierelatie, waarmee deze onder de staatssteunregels vallen. Het is een vereiste dat de subsidieaanvraag wordt getoetst om te voorkomen dat er sprake is van ongeoorloofde staatssteun. Op die gevoeligheid voor staatssteunproblematiek is al voorafgaand aan de aanvraag gewezen door EZ, waarbij ook is gewezen op andere wegen zoals een verzoek om ondersteuning van de verspreiding van de Streetwise-methodiek vanuit de provincies. Streetwise heeft er echter bewust voor gekozen om zelf een verzoek om subsidie in te dienen, dat getoetst zal worden aan de staatssteunregels.
Antwoorden op de vragen gesteld door de PVV-fractie
25
De focus in de begroting ligt niet bij de bakker, aannemer of de 3000 familiebedrijven die al lang werk bieden in de regio. Het woord familiebedrijven komt bijna niet voor. Kan de minister het beeld bevestigen dat dit kabinet kiest voor het kleine aantal bedrijven aan de (Tech) top?
Antwoord
Nee, dit beeld kan ik niet bevestigen. Het kabinet zet in op versterken van het ondernemersklimaat voor alle bedrijven – van mkb tot grootbedrijf. Hierbij heb ik voor verschillende type bedrijven, ook familiebedrijven, specifieke aandacht. Denk bijvoorbeeld aan de BMKB of Qredits om de toegang tot financiering voor het mkb te verbeteren. Ik heb ook specifiek aandacht voor jonge, innovatieve bedrijven. Deze bedrijven jagen vernieuwing en groei aan en zijn daarmee van belang voor ons toekomstig verdienvermogen.
26
Waarom blijft Nederland vasthouden aan verplichtingen (klimaatbeleid) die onze economie schaden? Is de minister bereid om te stoppen met beleid dat onze industrie, banen en ondernemers kapot maakt?
Antwoord
Het overkoepelende doel van het kabinet is om brede welvaart in Nederland te verbeteren. Dat betekent een maatschappij met een goed werkende economie met voldoende goede banen, een goed verdienvermogen op de lange termijn en een schone leefomgeving. Daar hoort verstandig klimaat- en energiebeleid bij. Dat maakt onze leefomgeving schoner, creëert economische kansen en maakt ons onafhankelijker van landen waar we niet afhankelijk van willen zijn, bijvoorbeeld voor onze energievoorziening. Niets doen is geen optie: dan blijven we achter in de wereld. De recente, snelle internationale veranderingen maken dat het extra belangrijk is om door te gaan met de inzet op een duurzaam en onafhankelijk energiesysteem. Daarbij houdt het kabinet de lasten- en regeldruk voor ondernemers en burgers in het oog.
27
Heeft de minister kennisgenomen van het rondetafelgesprek over overlast van publieke recreatievoorziening, erkent hij de signalen die daar genoemd zijn en beseft hij dat de ondernemers die al gebukt gaan onder torenhoge lasten en extreme regeldruk, en nu ook nog de angst voor hun eigen veiligheid?
Antwoord
Ik heb kennisgenomen van het rondetafelgesprek dat de Vaste Commissie van Justitie en Veiligheid op 14 januari gevoerd heeft over de overlast van publieke recreatievoorzieningen. Hierbij was de Vaste Commissie van Economische Zaken uitgenodigd. Aanwezig waren relevante partijen zoals de politie, ondernemers, burgemeesters en enige Kamerleden. Aan bod kwam vooral de veiligheid op kermissen, bioscopen en festivals en er wordt gepleit voor structurele samenwerking van de betrokken partijen zodat gedrag van problematische jeugdgroepen effectief wordt aangepakt. Vanzelfsprekend betreur ik het ten zeerste wanneer ondernemers het slachtoffer worden van vandalisme, in welke vorm dan ook.
De aanpak van overlast en veiligheid in de openbare ruimte ligt primair bij gemeenten. De ministeries van Justitie en Veiligheid en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) zetten onder andere in op de aanpak Veilig Ontwerp en Beheer. Dit betekent een specifiek gebied zodanig ontwerpen, gebruiken en beheren dat gebruikers zich er veilig voelen en er minder incidenten, zoals criminaliteit, geweld en overlast voorkomen.
Wat betreft de financiële gevolgen hebben ondernemers een eigenstandige verantwoordelijkheid. Schade door vandalisme wordt doorgaans gedekt door de verzekering van de ondernemer. Het is primair de verantwoordelijkheid van de ondernemers om zich te verzekeren. Daarnaast zijn daders wettelijk aansprakelijk voor de schade die ze aanrichten. De overheid probeert daders ook aansprakelijk te stellen, maar deze zijn vaak onvindbaar. Het Schadefonds Geweldsmisdrijven kan op basis van specifieke omstandigheden een vangnet bieden voor onverzekerde ondernemers.
28
Beseft de minister dat de coronaschulden leiden tot banenverlies, en dat de kosten hiervan vele malen hoger zullen zijn dan deze schulden?
Antwoord
Ik ben me ervan bewust dat dit voor individuele bedrijven en hun werknemers grote impact kan hebben. Destijds zijn juist subsidies verstrekt om bedrijven te steunen en daarmee banen zoveel mogelijk te behouden. Deze subsidies zijn betaald uit belastinggeld en dat geld kan slechts één keer worden besteed. Kwijtschelding van deze schulden zou elders bezuinigingen of extra maatschappelijke kosten tot gevolg hebben. Het zou tegenover alle ondernemers die hun schuld al volledig of grotendeels hebben afbetaald ook niet eerlijk zijn om schulden van andere ondernemers kwijt te schelden.
29
Is de minister bereid naar een terugbetalingsperiode te kijken en deze te verlengen waardoor de maandelijkse lasten van deze ondernemers verlaagd worden?
Antwoord
Ik heb begrip voor de situatie van ondernemers daarom wordt er al veel flexibiliteit geboden om hen te ondersteunen. Binnen de verschillende regelingen zijn flexibele betalingsregelingen mogelijk, waarbij we zo veel mogelijk rekening houden met de situatie van de ondernemer. Ook is de maximale betalingstermijn verlengd naar vijf jaar. De uitvoeringsorganisaties bieden daarnaast hulp en ondersteuning aan ondernemers om de terugvordering en het eventueel niet nakomen van de betalingsverplichting of betaling te bespreken. Daarmee houd ik vast aan de huidige regelingen.
Antwoorden op de vragen gesteld door de CDA-fractie
31
De mijlpalenplanning t.a.v. integratie Invest-NL en Invest International, die we hierover ontvingen houdt echter niet over. Graag krijgen we een one-pager roadmap met per werkstroom (wetgeving, financiering en staatssteun) de belangrijke mijlpalen op kwartaalbasis. Hierbij overigens ook de vraag: hoe het kabinet reflecteert op de reguliere prestatie indicatoren en doelen van Invest-NL en Invest-International op het gebied van financieringen uitboeken?
Antwoord
De mijlpalenplanning uit de Kamerbrief van 11 december8 schetst het tijdspad voor de belangrijkste werkstromen. Deze werkstromen worden parallel uitgewerkt omdat er factoren zijn, zoals toegelicht in de Kamerbrief, die van invloed zijn op de totale vormgeving van een investeringsinstelling. Denk hierbij aan de (externe) kapitalisatie, staatsgarantie, toezichtsregime, sturing vanuit de departementen en de classificatie van de instelling. Voor deze processen is echter politieke besluitvorming nodig over de (verbreding van) scope en financiering van een geïntegreerde nieuwe instelling. Ook vergt het proces goedkeuring door de Europese Commissie en het parlement. Daarom valt dit nu lastig op kwartaalbasis te plotten. De inzet is een spoedige integratie (streven begin 2028) en om dit proces niet ten koste te laten gaan van de huidige werkzaamheden van Invest-NL en Invest International. Hier is momenteel ook geen sprake van. Recent heeft de Kamer ook een uitwerking van de motie-Martens-America en de Vries9 ontvangen waarin wordt uiteengezet hoe in de financieringsbehoefte van beide instellingen wordt voorzien gedurende het integratieproces.
Voor wat betreft mijn reflecties op de prestaties van Invest-NL, ben ik positief. Tot op heden is zo’n 1,3 miljard euro gecommitteerd, waarvan ongeveer 840 miljoen euro al is geïnvesteerd. Daarmee is bovendien ongeveer 3,2 miljard euro aan privaat kapitaal gemobiliseerd – een aanzienlijk hefboomeffect. We zien verder dat Invest-NL de afgelopen jaren sterk is geprofessionaliseerd, een zichtbare rol inneemt in de durfkapitaalmarkt en haar thematische focus verder uitbreidt, ook in lijn met beleidsdoelen van mijn ministerie. Gelet op de relatief korte bestaansduur van Invest-NL, het hogere risicoprofiel van de investeringen en het feit dat exits doorgaans pas op langere termijn plaatsvinden, is het verder nog te vroeg voor een gedegen prestatiebeoordeling.
Ook ten aanzien van Invest International zijn de reflecties positief. In relatief korte tijd heeft de organisatie een solide basis gelegd en een professionele structuur opgebouwd. Dat blijkt ook uit de tussentijdse evaluatie in 2024.10 Hoewel pas in kwartaal 2 van 2026 definitief gerapporteerd kan worden over de tot en met 2025 behaalde bedragen en resultaten in Nederland, zijn de cijfers tot 2025 positief. De organisatie behaalde opnieuw een positief operationeel resultaat van €6,4 miljoen (vóór belasting). Bovendien werd €1,6 miljard gecommitteerd, waarvan €604 miljoen uit het kernkapitaal. Hiermee zijn in totaal 224 Nederlandse mkb-bedrijven ondersteund. Dit volume overstijgt de verwachtingen en toont de sterke vraag naar de financieringsoplossingen van Invest International. Bovendien draagt Invest International met haar dubbele doelstelling (internationale groei en impact) bij aan het oplossen van wereldwijde uitdagingen, door o.a. het creëren van wereldwijde banen, en aan het behalen van de Sustainable Development Goals. Daarmee is de organisatie een belangrijke partner bij de uitvoering van het Nederlandse buitenlandbeleid.
32
Vallen er naar aanleiding van het toegekende geld aan ESA gaten, en zo ja welke, uit de Faciliteiten Toegepast Onderzoek waaruit 85 miljoen naar voren is gehaald? Kan de minister toezeggen om, gezien het belang van dual use en deze financiële bijdrage van defensie, een mede-opdrachtgeverschap met defensie ESA/ESTEC te verkennen?
Antwoord
Nee, er vallen geen gaten met het naar voren halen van de middelen voor Faciliteiten Toegepast Onderzoek. Deze middelen waren slechts beleidsmatig gereserveerd en worden nu ingezet voor de ESA-inschrijvingen. ESTEC bestaat ook uit onderzoeksfaciliteiten, de ESA-inschrijving draagt bij aan het behoud van ESTEC voor Nederland. Daarmee worden de middelen voor een vergelijkbaar doel worden ingezet.
Er bestaat geen opdrachtgeverschap richting ESA/ESTEC. Het ministerie van Economische Zaken is beleidsverantwoordelijk voor de inhoudelijke ESA-programma’s en de basisfaciliteiten van ESA. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is verantwoordelijk voor het wetenschapsprogramma van ESA.
Het ministerie van Defensie is verantwoordelijk voor de eigen bijdrage en bepaalt de inhoudelijke koers voor de inzet van die bijdrage. Die bijdrage doet zij onder drie voorwaarden:
Dat de bijdrage meetelt met de NAVO-norm;
Dat de bijdrage past binnen artikel 2 van de ESA-conventie, en
Dat Defensie sturing geeft aan de inzet van de middelen aan specifieke ESA-projecten die voor Defensie meerwaarde opleveren.
De governance van deze projecten wordt gezamenlijk afgestemd, waarin het ministerie van Economische zaken het coördinerend departement voor ESA in algemene zin is en het Netherlands Space Office (NSO) betrokken is voor de uitvoering van deze inzet.
33
Kan de minister met zijn collega’s van Financiën en Sociale Zaken en Werkgelegenheid onderzoeken hoe onze pensioenfondsen (naast de lopende fund-in-fund en ETCI) binnen de kaders van het pensioenakkoord meer kunnen investeren in Nederland en Europa, juist ook met oog op lange termijn koopkracht?
Antwoord
Een aanvullend onderzoek vind ik niet nodig. Op dit moment lopen er goede gesprekken vanuit mijn ministerie en Invest-NL met de pensioensector. Zowel het fonds-in-fonds initiatief van Invest-NL en een vervolg op ETCI vormen goede handvatten om meer privaat kapitaal te mobiliseren. Als overheid zetten we ons in om de randvoorwaarden te scheppen om investeringen makkelijker te maken. Dat doen we met deze initiatieven, maar ook met bredere inzet op het verbeteren van het ondernemings- en investeringsklimaat. Het nieuwe pensioenstelsel stelt pensioenfondsen in staat om meer risico te nemen voor (jonge) deelnemers, met een hoger verwacht rendement en daarmee een koopkrachtig pensioen. Hoewel er al geen formele beperkingen bestonden, geeft dit meer ruime voor risicovollere investeringen. Deze kunnen bijdragen aan financiering van (innovatieve) bedrijven in Nederland en Europa. Het pensioenfondsbestuur is echter verantwoordelijk voor het beleggingsbeleid bij een pensioenfonds. De Nederlandse overheid heeft hier geen invloed op. Voor beleggingen zijn pensioenfondsen gehouden aan de prudent person regel, deze regel stelt dat het vermogen in het belang van de deelnemers en pensioengerechtigden moet worden belegd.
35
Bij de totstandkoming van de ABRO (Algemene Beveiligingseisen voor Rijksoverheidsopdrachten) is het bedrijfsleven niet betrokken. Wij vragen ons daarom af of er vooraf een implementatietoets heeft plaatsgevonden, en zo nee waarom niet? En kan de minister erop toezien dat zijn collega van Binnenlandse Zaken het bedrijfsleven alsnog voldoende betrekt, zodat er effectief en veilig zaken kan worden gedaan?
Antwoord
Ik onderschrijf het belang van het consulteren van het bedrijfsleven bij de ABRO. Daarom heb ik eerder met de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) afgesproken dat er een MKB-toets zal worden uitgevoerd over de invoering van de ABRO. Die toets wordt op korte termijn uitgevoerd (9 februari).
Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) heeft daarnaast in 2025 diverse sessies gehouden met branche- en clusterorganisaties.
Met de invoering van de ABRO is er één set aan beveiligingseisen voor de hele Rijksdienst en de politie, waarbij één organisatie (Nationaal Bureau Industrieveiligheid NBIV) zal toezien op de naleving ervan door opdrachtnemers. Voor bedrijven betekent dit dat zij niet met verschillende beveiligingseisen per inkopende organisatie te maken krijgen, maar alleen met de ABRO.
Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en Economische Zaken (EZ) zijn in overleg over de mogelijkheden voor een subsidie voor mkb-ers die ABRO-opdrachten uitvoeren. Hierbij wordt mede gekeken naar de subsidieregeling MijnCyberweerbareZaak.
36
Hoe kijkt de minister van Economische Zaken (EZ) naar het binnen de Europese aanbestedingsregels scherper aan de wind varen om zo ons nationaal industriebelang mee te wegen?
Antwoord
Er zijn in mijn optiek genoeg mogelijkheden binnen de aanbestedingsregels om de nationale defensie-industrie te versterken, de wet biedt daartoe voldoende ruimte. In de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie hebben we al aangegeven dat Defensie de Nederlandse defensie-industrie zal versterken door vaker orders te plaatsen bij Nederlandse en Europese partijen. Bovendien heeft Defensie ook al eerder aan uw Kamer laten weten dat zij meer en sneller een beroep op uitzonderingsbepalingen doet daar waar dat kan en nodig is.11 En als Defensie toch buiten Nederland inkoopt, dan kan het Industrieel Participatiebeleid worden toepast om ervoor te zorgen dat Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen betrokken worden in de ketens van de betreffende defensiebedrijven.
37
De AVG is voor veel ondernemers ook een bron van regeldruk. Wanneer in 2026 levert de AP de lijst van verwerkingen waarvoor geen DPIA nodig is op? Is de minister het met het CDA eens dat om tempo te maken deze lijst niet meteen uitputtend hoeft te zijn?
Antwoord
Ik zie de uitdagingen die het mkb met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) ervaart. Bij de oplossing daarvan spelen de toezichthouders op de AVG een belangrijke rol. Zij hebben onder andere de taak om organisaties beter bekend te maken met de verplichtingen uit de AVG. De AP heeft laten weten bezig te zijn met een lijst van soorten verwerkingen waarvoor geen gegevensbeschermingseffectbeoordeling (DPIA’s) vereist zijn. In de non-paper over digitale wetgeving en regeldruk pleit het kabinet ook voor het belang van lijsten van verwerkingen waar geen DPIA voor nodig is. In het voorstel voor een Omnibus Digitaal wordt het Europees Comité voor Gegevensbescherming (de Europese samenwerking van AVG-toezichthouders) verplicht binnen 9 maanden na inwerkingtreding van de Omnibus Digitaal een voorstel te doen voor een lijst van verwerkingen waar geen DPIA voor nodig is. Dit verwelkom ik. Omdat de Omnibus Digitaal nog in onderhandeling is kan ik niet zeggen hoe en wanneer deze verplichting uiteindelijk zal worden vastgelegd in de wet of hoe de verplichting zal worden uitgevoerd. Daarbij is de AVG en het toezicht daarop beleidsterrein van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
38
Tijdens het startup debat hebben we al gesproken over de 'onderneming in moeilijkheden' problematiek van startups. Ziet de minister kansen om, parallel naast de ontwikkelende EU-regels, de ‘Belgische remediatie methodiek’ explicieter door RVO te laten toepassen?
Antwoord
Zoals ik ook aangeef in het antwoord op de vraag van Kamerlid Oualhadj vind ook ik de problematiek rondom de definitie OIM zorgelijk en zet ik mij in voor het vinden van een oplossing voor dit probleem.
Daarbij is uiteraard uitgebreid gekeken naar hoe andere landen binnen de EU omgaan met de regels voor Ondernemingen in Moeilijkheden (OIM). Zo is er op ambtelijk niveau intensief met de Vlaamse collega’s gesproken over hoe zij deze remediering toepassen.
Om problemen bij ondernemers te voorkomen ondersteunt de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) hen onder andere in het aanvraagproces en wijst potentiële aanvragers op manieren om de OIM-status op te heffen, remediering is hier al een van de opties. Bij het Innovatiekrediet kan een bedrijf bijvoorbeeld nieuwe cijfers aanleveren, nadat de aanvraag voor subsidie is gedaan. Als een bedrijf namelijk na een aanvraag nieuwe financiering heeft opgehaald, kan het niet meer als OIM kwalificeren. Het is aan de ondernemer om de vervolgens de afweging te maken of remediering een haalbare optie is. Bedrijven kunnen uiteraard altijd contact opnemen met RVO over mogelijkheden.
Remediering is enkel een optie voor bedrijven die op korte termijn hun eigen vermogen kunnen ophogen. Meerdere start- en scale-ups hebben een dusdanig groot negatief eigen vermogen (bijvoorbeeld van enkele miljoenen), dat remediering niet realistisch is.
Remediering is ook niet mogelijk bij de openstellingen van tenders. Het aanpassen van de tender na de sluitingsdatum is juridisch niet mogelijk, omdat het een ongelijke behandeling creëert ten opzichte van de andere aanvragers. Het Innovatiekrediet is net als betreffende Vlaamse regelingen geen tender-regeling. Hier kunnen doorlopend aanvragen voor worden ingediend.
39
Een effectieve methode om bankfraude via phishing tegen te gaan is de zogenaamde ‘line busy’ aanpak. Wanneer kunnen we hiervoor de wijziging van de Telecomwet verwachten? En zou de minister in de tussentijd het gebruik bijvoorbeeld al kunnen gedogen?
Antwoord
De hiervoor beoogde wijzing van de Telecommunicatiewet is in voorbereiding. Er is samenloop met de Europese Payment Services Regulation (EPSR), die naar verwachting op korte termijn zal worden vastgesteld. Het is belangrijk dat deze nationale wetgeving wordt afgestemd op, en in lijn is met de EPSR.
Naar verwachting kan het voorstel om de Telecommunicatiewet aan te passen in de eerste helft van 2026 geconsulteerd worden.
Een eventueel tussentijds gedoogbeleid ligt niet binnen mijn bevoegdheden maar is aan de toezichthouders. Voor verkeersgegevens is dit de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur, voor persoonsgegevens de Autoriteit Persoonsgegevens. Zodra er concreet zicht is op wat de beoogde aanpassing van de regelgeving wordt zal ik met de toezichthouders in gesprek gaan, zonder in hun onafhankelijkheid te treden, en ze vragen daar zo mogelijk rekening mee te houden in de uitoefening van hun taken.
40
Ook Wennink pleit voor meer internationaal talent. Engelstalige tracks verdwijnen op universiteiten en Nederlandse studenten verliezen de kans hun opleiding in het Engels te volgen. CDA roept op tot bezinning en vraagt het kabinet om in gesprek te gaan met UNL om negatieve effecten hiervan te mitigeren.
Antwoord
Internationaal talent is inderdaad randvoorwaardelijk voor onze economie. Om daarin balans te zoeken werkt de Minister van OCW aan het wetsvoorstel internationalisering in balans dat instellingen onder andere meer regie geeft op de instroom van internationale studenten. De universiteiten hebben in april vorig jaar zelfregieplannen gepubliceerd om gerichter te sturen op de instroom van internationale studenten. De universiteiten houden daarin regie om gericht te groeien in Engelstalige opleidingen die opleiden voor tekortsectoren. De minister van OCW is momenteel in gesprek met UNL over deze zelfregieplannen voor internationaal talent.
41
Welke rol kan de minister van Economische Zaken (EZ) spelen om, conform de aanbevelingen van Letta, de diploma-erkenningen te verbeteren en het aantal van 6000 diploma's die momenteel niet erkend worden drastisch te verlagen?
Antwoord
Ik onderschrijf het belang van vlotte erkenning van diploma's en beroepskwalificaties voor onze economie. Ook zie ik de noodzaak om concrete stappen te zetten, waartoe ook het Letta-rapport oproept. Ik merk op dat de minister van OCW primair beleidsverantwoordelijk is voor de erkenning van diploma's. De erkenning van beroepskwalificaties valt onder mijn verantwoordelijkheid. Ik onderschrijf Letta's oproep en ga met betrokken vakministeries in overleg om te zien hoe we ons daar als Nederland toe kunnen verhouden. De Europese Commissie komt dit jaar met diverse initiatieven, inclusief een herziening van de Beroepskwalificatierichtlijn. Ik ga met de vakministeries bekijken hoe we hier, aan de hand van de rapporten van Letta en Wennink, in het belang van de interne markt mee aan de slag kunnen. Verdere besluitvorming hierover is aan het nieuwe kabinet.
Antwoorden op de vragen gesteld door de FVD-fractie
48
Wat zou de verhouding van staat en markt moeten zijn? Is het de taak van de staat om te bepalen wat lucratieve investeringen zouden zijn? En als het antwoord bevestigend luidt, welke investeringen zijn dit dan?
Antwoord
In de basis werken markten, onder de juiste voorwaarden, het meest efficiënt. In de praktijk gaan deze voorwaarden niet altijd op en is er geregeld sprake van marktfalen. De overheid intervenieert dan wanneer er publieke belangen spelen, bijvoorbeeld als het gaat om toegang tot zorg of onderwijs, en eerlijke marktwerking.
In principe is het aan het bedrijfsleven om te bepalen of investeringen lucratief zijn, zij hebben daar de beste positie voor. Het kan in sommige gevallen de taak van de staat zijn om zelf te bepalen wat goede investeringen zijn. Denk aan investeringen ten behoeve van onze infrastructuur, talentontwikkeling of bij investeringen met een publiek belang waar geen privaat kapitaal voor beschikbaar is (bijv. deep-tech) of een onrendabele top speelt. In de Kamerbrief industriebeleid met focus12 zijn zes prioritaire sectoren (halfgeleiders, defensiegerelateerde toepassingen, biotechnologie, digitale diensten, machinebouw en innovatie chemie) benoemd die specifieke aandacht vereisen van overheidsbeleid omdat ze sterk bijdragen aan maatschappelijke doelen op het snijvlak van verdienvermogen, weerbaarheid en oplossingen voor maatschappelijke opgaven. Voor deze markten wordt gekeken naar welke investeringen nodig zijn en waar een bijdrage van de overheid legitiem is.
49
Er is door de FvD-fractie gevraagd naar weerbaarheid tegen geopolitieke ontwikkelingen, en de mening van de minister over het innemen van strategische aandeelhoudersposities in cruciale industrieën.
Antwoord
Het is van groot belang dat Nederland inclusief het bedrijfsleven weerbaar is tegen geopolitieke ontwikkelingen. Daarbij gaat het om zowel het versterken als beschermen van belangrijke sectoren zoals in de Kamerbrief over industriebeleid met focus13 is benoemd. Het kabinet zet in op een mix van publiek-private samenwerking, gerichte subsidies, innovatiestimulering en regelgeving. Via onder meer de Wet vifo en de Beschermingsvoorziening Economische Veiligheid worden sleuteltechnologieën en vitale sectoren beschermd tegen ongewenste zeggenschap. Daarnaast wordt via publieke-private financiering geïnvesteerd in start- en scale-ups en bedrijven van strategisch economisch belang. Dat gebeurt onder andere via Invest-NL. Ook middels het Groeifonds is in verschillende innovatieve technologieën en industrieën geïnvesteerd. Met het innemen van strategische aandeelhoudersposities rechtstreeks door de overheid moet men terughoudend zijn. Zo kan overheidsingrijpen marktverstoring veroorzaken met een rem op innovatie tot mogelijk gevolg. Ook is het op grote schaal nemen van strategische aandeelhoudersposities zeer kostbaar voor de staatskas.
Antwoorden op de vragen gesteld door de SGP-fractie
51
Geeft de minister de maritieme maakindustrie en de sectoragenda alsnog een prominente plaats in het industriebeleid?
Antwoord
Ja. De maritieme maakindustrie is een strategische sector. Met de maritieme sectoragenda “No guts, no Hollands glorie!” heeft deze sector een plek in het industriebeleid. Via het interdepartementaal Rijksregiebureau wordt, in samenwerking met andere departementen, uitvoering gegeven aan dit nationaal integraal maritiem industriebeleid.
52
Is de minister bereid de taakopdracht van het Nederlands Materialen Observatorium te verbreden zodat naast overheidsadvies het bedrijfsleven kan worden ondersteund bij onder meer substitutie en circulaire toepassingen?
Antwoord
Ik ben het eens met de SGP-fractie dat het van belang is dat bedrijven zich voorbereiden op leveringsdisrupties van kritieke grondstoffen en materialen. Dit is een prioriteit onder onze Nationale Grondstoffenstrategie.
Het Nederlands Materialen Observatorium staat in contact met bedrijven voor informatie-uitwisseling over kwetsbaarheden en versterking van waardeketens, en geeft hierover algemeen advies aan bedrijven. Daarnaast hebben we de grondstoffenscanner die bedrijven kunnen gebruiken.
Specifiek waar het gaat om circulaire oplossingen en substitutie kijkt het Nederlands Materialen Observatorium (NMO) naar het circulair potentieel van kritieke grondstoffen en hoe dit kan bijdragen aan leveringszekerheid.
Instrumentarium voor individuele bedrijven op circulariteit en substitutie in den brede, waaronder kritieke grondstoffen, wordt aangeboden onder het Nationaal Programma Circulaire Economie. Daarmee is een taakuitbreiding van het NMO niet nodig.
54
Wanneer komt er een renteplafond zoals dat voor consumptieve kredietverlening geldt? Ik hoor graag of de minister bereid is stappen te zetten richting betere regelgeving en toezicht op de markt.
Antwoord
Ik deel de zorgen die er zijn bij Kamerleden over non-bancaire financieringsverstrekking die niet transparant is over de voorwaarden en daardoor kan leiden tot excessieve rentes en als gevolg daarvan grote problemen (zowel
zakelijk als vervolgens persoonlijk) voor ondernemers. Om dit tegen te gaan worden reeds een aantal acties ondernomen, o.a. via de gedragscodes van Finankeur, die vanaf mei 2026 zullen worden geëvalueerd.
Daarbovenop wil ik, ook aangezien de Kamer meermaals aandacht voor dit onderwerp heeft gevraagd, in 2026 een meer uitgebreid onderzoek starten naar dit fenomeen in Nederland, of in welke mate dit fenomeen ook in andere
(Europese) landen plaatsheeft, wat in die landen hiertegen wordt ondernomen en welke maatregelen we in Nederland verder nog zouden kunnen nemen.
Daarbij merk ik volledigheidshalve wel nog op dat een generiek renteplafond een zeer negatief effect heeft, omdat dat dit het aantrekken van risico-dragend kapitaal voor ondernemers die bijvoorbeeld vanwege de aard van hun
onderneming geen of weinig onderpand kunnen verstrekken, bemoeilijkt. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Antwoorden op de vragen gesteld door de CU-fractie
55
Familiebedrijven worden geen enkele keer genoemd in de begroting. Hoe vaak worden familiebedrijven in de volgende begroting genoemd?
Antwoord
Familiebedrijven hebben mijn aandacht. Ongeveer 68 procent van alle bedrijven (exclusief bedrijven van ondernemingengroepen met één werkzame persoon) in Nederland is een familiebedrijf. Hoe vaak ze in de volgende begroting worden genoemd, zal volgend jaar blijken. Net als heel veel andere typen bedrijven worden ze niet apart in deze begroting genoemd. Belangrijker dan hoe vaak familiebedrijven in de begroting worden genoemd, is de aandacht die ik heb voor familiebedrijven.
56
En moeten we niet een formele definitie voor familiebedrijven in wet- en regelgeving verankeren?
Antwoord
Het CBS volgt voor de statistieken de definitie van familiebedrijven van de Europese Commissie (2009). Die bepaalt dat een familiebedrijf een bedrijf is, waarbij één familie direct of indirect een meerderheid van zeggenschap heeft (bij beursgenoteerde bedrijven 25 procent). De familie moet formeel betrokken zijn bij het bestuur en het bedrijf moet ook juridisch overdraagbaar zijn. Echter, deze groep is enorm divers, variërend van microbedrijf tot grootbedrijf. Hét familiebedrijf bestaat niet. Ik zie daarom geen meerwaarde in het vastleggen van een formele definitie in wet- en regelgeving.
57
Is het niet tijd ze beter te betrekken bij de uitvoering en totstandkoming van het beleid?
58
En is de minister bereid om inzichtelijk te maken in hoeverre instrumenten op het terrein van investeren, financiering en innovatie wel goed aansluiten bij het model van deze bedrijven? Ik zie uit naar en reactie op deze vragen… en naar de volgende begroting.
Antwoord
Er is gezien de grote diversiteit ook geen sprake van een eenduidig bedrijfsmodel. De gevraagde analyse is daarom niet uitvoerbaar. Het CBS monitort op mijn verzoek ook tweejaarlijks de gegevens over familiebedrijven in Nederland. Ik betrek ook het bedrijfsleven, waaronder familiebedrijven, bij de totstandkoming, uitvoering en evaluatie van beleid, zodat het goed aansluit op de doelen en de doelgroep, bijvoorbeeld via FBNed.
59
Veel bedrijven gebruiken chatbots en daardoor is het moeilijk of zelfs onmogelijk een echt mens te bereiken als consument. Dat leidt vaak tot frustratie. Kunnen we dat niet beter regelen minister?
Antwoord
Ik snap de vraag van de ChristenUnie rondom de inzet van chatbots. Deze AI-toepassingen kunnen effectief en efficiënt zijn om veel vragen van mensen snel op te lossen. Gelet op de snelle ontwikkeling van AI en de huidige tekorten op de arbeidsmarkt ligt het voor de hand dat het gebruik van chatbots toe zal nemen in de komende jaren.
Het moet wel mogelijk blijven om met een medewerker te spreken als de chatbot niet tot een oplossing komt. Voor marktpartijen die onder de DSA vallen, zoals online marktplaatsen, geldt al een dergelijke verplichting. Daarnaast verplicht het algemene consumentenrecht bedrijven tot effectieve en juiste communicatie met hun klanten. Deze regel blijkt voor veel bedrijven niet duidelijk genoeg te zijn. De Europese Commissie bereidt op dit moment aanpassingen in de consumentenwetgeving voor via de ‘Digital Fairness Act’. Dit moet ook meer duidelijkheid bieden voor bedrijven die niet onder de DSA vallen. Het voorstel voor de Digital Fairness Act wordt dit najaar verwacht.
60
Herkent de minister signalen dat het lastig is om voor overleden personen digitale services en andere overeenkomsten op te zeggen? Is de minister bereid om bedrijven wettelijk te verplichten het heel eenvoudig te maken voor nabestaanden om accounts of abonnementen van hun dierbare te verwijderen?
Antwoord
Ik herken signalen dat het voor consumenten vaak moeilijk wordt gemaakt om abonnementen of andere overeenkomsten op te zeggen en vind dit ook problematisch. Het kabinet heeft daarom in de non-paper over de Nederlandse positie op de Digital Fairness Act gepleit om in EU-verband een duidelijke en toegankelijke functie om abonnementen stop te zetten te introduceren. Deze verplichting zou dan ook moeten gelden voor het opzeggen van abonnementen door nabestaanden.
61
De minister heeft mogelijke aanpassingen van de Winkeltijdenwet geschetst in zijn brief hierover. Erkent de minister dat eigenlijk elke optie kleine winkeliers of uit de grote winkelstraten jaagt of méér druk legt om maar zeven dagen per week open te gaan?
Antwoord
Ik deel met de ChristenUnie dat de positie van de kleine winkelier in het winkellandschap belangrijk is. Tegelijkertijd vind ik de signalen van winkeliers die juist meer ruimte willen om op zondag open te gaan ook belangrijk. Ik heb in mijn Kamerbrief over invulling van de motie ‘direct starten evaluatie Winkeltijdenwet’ van 13 januari14 aangegeven dat de evaluatie conform motie Kisteman15 versneld uitgevoerd zal worden. Ik neem in de evaluatie van de Winkeltijdenwet expliciet de rol van de kleine winkelier mee.
Antwoorden op de vragen gesteld door de SP-fractie
63
Gaat de minister weer aan de slag om met de ACM de prijzen van de boodschappen te controleren, reguleren en indien nodig te blokkeren?
Antwoord
De ACM doet op dit moment onderzoek naar de boodschappenprijzen in Nederlandse supermarkten. Het doel is om een beter beeld te krijgen van de prijsopbouw van alledaagse consumentenproducten. De onderzoeksresultaten worden deze zomer verwacht. Ik ben niet van plan om daarnaast nog de boodschappenprijzen te reguleren en te blokkeren. Dit kan grote nadelige effecten hebben. Denk aan het ontstaan van tekorten aan artikelen. Of juist hogere boodschappenprijzen als aanbieders maximumprijzen gaan gebruiken als richtprijzen. Daarnaast kunnen Nederlandse consumenten gemiddeld goedkoper boodschappen doen dan consumenten in andere Europese lidstaten. In een eerdere beantwoording van Kamervragen16 van het lid Dijk heb ik dit uitgebreider toegelicht.
64
Is de minister bereid een kosten-batenanalyse te maken met VWS en SZW over sociale werkplaatsen en ontwikkelbedrijven? (Mensen die we met begeleiding aan het werk krijgen)?
Antwoord
Dit onderwerp valt onder de portefeuille van de staatssecretaris van Participatie en Integratie. Ik heb deze vraag aan hem doorgeleid. Een andere suggestie is dat het lid Dijk de vraag meeneemt naar het commissiedebat Participatiewet op 11 februari aanstaande.
65
Hoe staat het ervoor met de uitvoering van de motie die oproept om met een nieuwe camping wet te komen?
Antwoord
De uitvoering van de motie17 heeft mijn aandacht. Daarbij betrek ik alle relevante belangen en kijk ik zorgvuldig naar de onderliggende problematiek. Naar verwachting wordt de reactie de binnenkort aan de Kamer gestuurd.
Antwoorden op de vragen gesteld door de Volt-fractie
66
Is de minister bereid om bij de kosten en batenanalyses van overheidsaanbestedingen of investeringen financieel op korte termijn te accepteren om te kijken of we op die manier buitenlandse afhankelijkheden kunnen afbouwen?
Antwoord
Ik vind het belangrijk dat we bij overheidsaanbestedingen in strategische sectoren meewegen hoe we ongewenste buitenlandse afhankelijkheden kunnen afbouwen. Dit heeft ook volle aandacht in Europa. Zo draagt de netto nul industrie verordening (Net Zero Industry Act) bij aan het verminderen van ongewenste afhankelijkheden van landen waar de EU geen handelsrelatie mee heeft. Ik zal dit punt ook meenemen bij de verdere herziening van de aanbestedingsrichtlijnen.
68
Als de minister nu terugkijkt op de afgelopen jaren, en kijkt naar de toekomst, welke stappen vindt hij dat een volgend kabinet moet nemen om te zorgen dat we de Lissabon-norm van 3% wel gaan halen?
Antwoord
Aanvullende en doorlopende inzet is nodig om naar de 3% R&D-uitgaven van het bbp toe te werken. Het 3%-actieplan dat ik voor de zomer met de Tweede Kamer heb gedeeld, schetst een samenhangende set beleidsopties waarmee serieuze stappen richting de doelstelling gezet kunnen worden.
Met de opties uit deze brief worden de noodzakelijke instrumenten en de bijbehorende middelen verder uitgewerkt. Zoals een Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (ARPA-model voor Nederland), waarover binnenkort een nadere verkenning gedeeld zal worden, of adequate middelen voor Europese cofinanciering en deelname aan IPCEIs.
Hiernaast biedt het rapport Wennink handvatten aan een nieuw kabinet over hoe deze instrumenten ingericht kunnen worden om ons toekomstig verdienvermogen veilig te stellen.
70
Hoe kijkt de minister naar verdere implementatie van het 28ste regime in Europa, ziet hij kansen voor Benelux-landen?
Antwoord
Het kabinet verwacht medio maart een voorstel van de Europese Commissie voor een 28e regime. Hierover zal uw Kamer zoals gebruikelijk een BNC-fiche ontvangen met het kabinetsstandpunt.
Uw Kamer is op 29 september jl. geïnformeerd over de kabinetsreactie op de consultatie voor dit voorstel door de Commissie18. Naar verwachting zal dit een ondernemingsrechterlijkvoorstel zijn voor een nieuwe Europese rechtsvorm.
Het kabinet zet zich onder andere in voor een 28e regime dat betrouwbaar, flexibel en werkbaar is en daadwerkelijk tegemoetkomt aan de behoeften van stakeholders, zoals werknemers en werkgevers. Hiervoor zijn een goed impact assessment en duidelijke juridische vormgeving van belang.
De Benelux zou zich goed lenen voor het op kleinere schaal beproeven van de mogelijkheden wat betreft een grensoverschrijdend initiatief. Omdat het voorstel voor het ondernemingsrechtelijke 28e regime al in maart wordt verwacht, is het niet haalbaar om dit in gang te zetten voor de introductie van het voorstel en uitkomsten mee te nemen voor uitwerking van dit concrete voorstel.
Ik zal met België en Luxemburg nauw contact houden over dit voorstel en onze huidige en toekomstige ervaringen ook meenemen naar Brussel in het kader van de initiatieven ter versterking van de Kapitaalmarktunie.
71
Kijkt de minister in Europees verband ook naar andere opties om Europese start en scale-ups beter te betrekken bij aanbestedingsprojecten ten opzichte van grote en niet-Europese bedrijven?
Antwoord
Ja dat doe ik, want ik vind het belangrijk dat Europese start en scale-ups een goede kans krijgen bij overheidsopdrachten. Mijn inzet bij de herziening van de aanbestedingsrichtlijnen is gericht op het vereenvoudigen van de aanbestedingsregels, zodat we onnodige drempels voor start en scale-ups wegnemen en de regeldruk voor ondernemers verminderen.
Dit sluit aan bij mijn beleid voor startups en scale-ups, waarmee ik mij inzet om de groei van jonge innovatieve techbedrijven te versnellen. Ik heb uw Kamer hierover september jl. geïnformeerd met de Kamerbrief over bouwen aan de Tech kampioenen van morgen19. Hiermee zet ik onder andere in op betere toegang tot (internationale) markten voor startups en scale-ups.
72A
Deelt de minister mijn enthousiasme voor een nationale investeringsbank en bent u het eens met de conclusie dat het gefragmenteerde investeringslandschap onder deze instelling moet komen te vallen?
Antwoord
Ik deel het enthousiasme voor een nationale investeringsinstelling; daarom zet ik nu al eerste stappen in de vormgeving, samen met het ministerie van Financiën en Buitenlandse Zaken. Deze instelling zal (na uiteindelijke vormgeving) een cruciale rol spelen in het tegengaan van versnippering en inefficiënties. Een eerste stap hierin is de integratie van Invest-NL en Invest International, waarmee fragmentatie al wordt tegengegaan. Uiteindelijk is het aan een volgend kabinet om hier definitieve keuzes over te maken.
72B
Wat zijn de gedachtes van de minister over additionaliteit: in hoeverre mag de bank concurreren met private instellingen of louter dingen doen die privaat niet lukken, en hoe stellen we dat vast?
Antwoord
Het is belangrijk dat de instelling additioneel aan de markt opereert en daarmee projecten en bedrijven helpt die net niet door de bank, of andere private partijen, worden gefinancierd. Het verdringen van privaat kapitaal moet worden voorkomen. Tegelijkertijd vragen sommige opgaven om zachtere financiering of in elk geval een leidende rol voor een publieke partij, om juist privaat kapitaal over de streep te trekken.
Met een bankvergunning zou de investeringsinstelling zich aan allerlei regels moeten houden die maken dat de instelling veel minder risico kan nemen en steeds meer op een reguliere bank gaat lijken. Daarmee komt de toegevoegde waarde of additionaliteit van de organisatie onder druk te staan. Andere vormgevingsaspecten die hierbij komen kijken, zoals bijvoorbeeld de mogelijkheid om vreemd vermogen aan te trekken en de governance, moeten in samenhang met het doel van de instelling en in samenwerking met andere departementen worden uitgewerkt. Een keuze hierover is aan het volgende kabinet.
73
Hoe ziet de minister de samenhang tussen NADI en de nationale investeringsinstelling?
Antwoord
Het beoogde Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI) en een Nationale Investeringsinstelling zie ik als complementair aan elkaar. NADI versnelt innovatie, door bijvoorbeeld op te treden als zogenaamde ‘launching customer’, terwijl een nationale investeringsinstelling voorziet in passende financiering en opschaling van bedrijven.
NADI richt zich, naar het succesvolle voorbeeld van ARPA-organisaties in het buitenland, op het aanjagen van disruptieve innovaties. Het betreft een onafhankelijk organisatie waar excellente programmamanagers op afstand van de politiek via probleem-gedreven programma’s disruptieve technologische oplossingen vinden voor grote maatschappelijke problemen. Op die manier kan Nederland sleutelposities verwerven in belangrijke technologische waardeketens.
Een nationale investeringsinstelling heeft een financiële rol en richt zich op het mobiliseren en inzetten van publiek en privaat kapitaal via bijvoorbeeld leningen, garanties en participaties. Zo opereren de organisaties in elkaars verlengde.
74
Ons continent barst van de veel belovende start- en scaleups, maar zij lopen tegen verdeeldheden inefficiëntie aan. Als je het hebt over regeldruk verminderen, ligt hier dus een enorme kans. Ik ben dus ook benieuwd hoe de minister daarnaar kijkt, ook als het gaat over kennis en talent.
Antwoord
Startups en scale-ups zijn van groot belang voor ons toekomstige verdienvermogen en om maatschappelijke uitdagingen op te lossen. Daarom zet ik mij in om het ondernemingsklimaat te versterken en heb ik daarbij specifiek oog voor jonge innovatieve bedrijven. Een onderdeel hiervan is mijn inzet om de regeldruk te verminderen via het programma Actieprogramma Minder Druk Met Regels20. In september jl. een actieagenda gepresenteerd voor startups en scale-ups21. Daarin heb ik de verlenging van Techleap aangekondigd. Daarnaast heb ik maatregelen aangekondigd de toegang tot talent, kapitaal, kennis, (internationale) markten en ruimte te verbeteren, waaronder een aantrekkelijke fiscale regeling voor medewerkersparticipatie en deelname aan het European Tech Champions Initiative. Daarnaast werken we samen met de Europese commissie en andere lidstaten, zodat startups en scale-up makkelijker kunnen doorgroeien op de Europese markt. De in mei jl. door de Europese commissie gepresenteerde EU Startup and Scale-up Strategy met 26 concrete actiepunten is hiervoor een goede stap. Nederland draagt daarom actief bij aan de uitwerking van de voorstellen uit de EU Startup and Scale-up Strategy. Na de publicatie van de uitgewerkte voorstellen in 2026 en 2027 zal ik de Kamer informeren over de kabinetsinzet per actiepunt.
Antwoorden op de vragen gesteld door de Groep Markuszower-fractie
78
Gaat de minister iets doen aan de hoge belastingen?
Antwoord
Het kabinet is zich ervan bewust dat de belastingdruk voor bedrijven van invloed is op de concurrentiepositie. Dit kabinet heeft diverse maatregelen genomen om de lastendruk voor het bedrijfsleven te verlagen. Zo heeft dit kabinet de afschaffing van de inkoopfaciliteit voor eigen aandelen ongedaan gemaakt, en is renteaftrek versoepeld van 20% naar 24,5% van de gecorrigeerde winst.
Jaarlijks vindt integrale besluitvorming over de lastendruk plaats in augustus. Onderdeel van deze besluitvorming is de belastingdruk van het bedrijfsleven. Voor dit jaar zijn de uitkomsten van de besluitvorming vastgelegd in het Belastingplan 2026 dat door beide Kamers is aangenomen.
79
Kan de minister ingaan op netcongestie in relatie tot het ondernemingsklimaat?
Antwoord
Netcongestie is inderdaad een uitdaging voor onder andere ondernemers. Halverwege 2025 stonden zo’n 14.000 bedrijven en instellingen op een wachtrij voor een nieuwe of zwaardere elektriciteitsaansluiting. Het kabinet werkt aan het terugdringen van netcongestie in het Landelijk Actieprogramma Netcongestie (LAN), samen met netbeheerders, bedrijfsleven, medeoverheden en toezichthouder ACM. In april 2025 is de minister van KGG een versnellingsaanpak gestart om de doorlooptijden van netuitbreiding te verkorten. Op dit moment werkt het kabinet samen met netbeheerders, ACM en het bedrijfsleven aan een doorbraakaanpak voor betere benutting van het net, om meer aansluitingen mogelijk te maken en de wachtrij terug te dringen. De minister van KGG informeert de Kamer binnenkort over de eerste uitkomsten.
80
Hoe gaan wij de groene transitie doen als het kabinet dat wil, en hoe zorg je dat het tegelijkertijd lukt om een goed vestigingsklimaat te houden?
Antwoord
Om bedrijven te behouden voor Nederland en investeringsbeslissingen voor verduurzaming in Nederland te laten landen is het essentieel om het vestigingsklimaat te versterken. Met het pakket voor groene groei22 heeft het kabinet hierop ingezet door: 1) het verbeteren van de randvoorwaarden en 2) het verbeteren van het concurrentievermogen en gelijk speelveld. Op het gebied van randvoorwaarden is er stevig ingezet op het aanpakken van netcongestie, realisatie van CCS-infrastructuur en investeringen in waterstof. Om het concurrentievermogen te verbeteren worden de hoge elektriciteitskosten aangepakt door de IKC-regeling te verlengen tot en met 2028 en is de CO2-heffing voor de industrie effectief buiten werking gesteld. Daarmee wordt er meer ingezet op Europees beleid als basis voor verduurzaming om het gelijk speelveld niet te verstoren. In het rapport van Draghi wordt onderschreven dat verduurzaming noodzakelijk is om op de langere termijn concurrerend te blijven. Vanuit de EU wordt de komende jaren dan ook ingezet op concurrentievermogen en verduurzaming met de Clean Industrial Deal. Ook hier dient het kabinet te kijken wat de kansen zijn voor de Nederlandse industrie en hoe dit bij kan dragen aan verduurzaming in Nederland.
Kamerstuk 36 730, Nr. 3↩︎
Kamerstuk 26 643, Nr. 1451↩︎
Kamerstuk 29 825, Nr. 277↩︎
Kamerstuk 36 600-XIII, Nr. 65↩︎
Kamerstuk 34 682, Nr. 229↩︎
Kamerstuk 29 825, Nr. 277↩︎
https://open.overheid.nl/documenten/25c8f9ef-c50d-478d-8a7e-2e42c327f3f2/file↩︎
Kamerstuk 35 123, Nr. 47↩︎
Kamerstuk 35 123, Nr. 45↩︎
Tussentijdse evaluatie Invest International | Publicatie | Rijksoverheid.nl↩︎
Kamerstuk 36 600 nr. 6↩︎
Kamerstuk 29 826, Nr. 277↩︎
Kamerstuk 29 826, Nr. 277↩︎
Kamerstuk 35 522, Nr. 13↩︎
Kamerstuk 26 419, Nr. 113↩︎
Kamerstuk 3015↩︎
Kamerstuk 36 452, Nr. 13↩︎
Kamerstuk 22 112, Nr. 4181↩︎
Kamerstuk 32 637, nr. 709↩︎
Kamerstuk 32 637, Nr. 741↩︎
Kamerstuk 32 637, Nr. 709↩︎
Kamerstuk 33 043, Nr. 114↩︎