Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over de Jaarrapportage 2024 van de Wet afbreking zwangerschap van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) (Kamerstuk 30371-59) en de reactie op AVOZ-studie en beleid onbedoelde en/of ongewenste zwangerschappen vanaf 2026 (Kamerstuk 32279-268)
Evaluatie Wet afbreking zwangerschap
Inbreng verslag schriftelijk overleg
Nummer: 2026D03970, datum: 2026-01-28, bijgewerkt: 2026-01-28 16:30, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (GroenLinks-PvdA)
- Mede ondertekenaar: J.J. Meijerink, adjunct-griffier
Onderdeel van zaak 2025Z19190:
- Indiener: J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- : Medische ethiek/orgaandonatie (Commissiedebat), vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- 2025-11-12 13:50: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2025-12-03 10:15: Procedurevergadering Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Procedurevergadering), vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- 2026-01-28 14:00: Verzamel SO Zwangerschap (Inbreng schriftelijk overleg), vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Preview document (đ origineel)
30 371 Evaluatie Wet afbreking zwangerschap
32 279 Zorg rond zwangerschap en geboorte
Nr.
INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld âŠâŠâŠâŠ. 2026
In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport bestond bij enkele fracties behoefte een aantal vragen en opmerkingen voor te leggen aan de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de brief van 23 oktober 2025 inzake de Jaarrapportage 2024 van de Wet afbreking zwangerschap van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) (Kamerstuk 30371-59) en de brief van 24 november 2025 inzake Reactie op AVOZ-studie en beleid onbedoelde en/of ongewenste zwangerschappen vanaf 2026 (Kamerstuk 32279-268).
De vragen en opmerkingen zijn op 28 januari 2026 aan de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van âŠâŠâŠâŠâŠâŠ. zijn de vragen beantwoord.
De fungerend voorzitter van de commissie,
Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie,
Meijerink
Inhoudsopgave blz.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
Reactie van de staatssecretaris
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de Jaarrapportage 2024 van de Wet afbreking zwangerschap van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en Reactie op AVOZ-studie en beleid onbedoelde en/of ongewenste zwangerschappen vanaf 2026.
De leden van de D66-fractie hebben daarnaast vernomen dat nog maar weinig huisartsen de abortuspil voorschrijven, terwijl dit een belangrijke en laagdrempelige vorm van abortuszorg is. Uit recente cijfers blijkt dat slechts ongeveer 3,5% van de huisartsen de verplichte nascholing heeft gevolgd en daarmee bevoegd is om de abortuspil voor te schrijven. Deze leden vragen de staatssecretaris welke stappen worden gezet om deze vorm van zorg breder beschikbaar te maken binnen de huisartsenpraktijk. Hoe wordt ingezet op het vergroten van deelname aan de nascholing, het wegnemen van administratieve lasten en het verbeteren van samenwerking in de keten, zodat vrouwen sneller en dichterbij huis toegang krijgen tot deze zorg?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de Jaarrapportage 2024 van de Wet afbreking zwangerschap van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Zij hebben daarbij geen vragen of opmerkingen.
Daarnaast hebben de leden van de VVD-fractie kennisgenomen van de Reactie op AVOZ-studie en beleid onbedoelde en/of ongewenste zwangerschappen vanaf 2026. De leden hebben met instemming kennisgenomen dat ook de AVOZ-studie bevestigt dat âhet niet zinvol en niet passend is om de keuze voor een abortus terug te brengen tot een rijtje redenenâ. Dit sluit nadrukkelijk aan bij het standpunt dat de leden van de VVD-fractie hierover hebben ingenomen. De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap en zien in de drie beschreven pijlers een brede aanpak vanuit de staatssecretaris. Zij steunen de staatsecretaris in deze brede aanpak.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van enerzijds de jaarrapportage 2024 van de Wet afbreking zwangerschap (Wafz) van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de daar bijbehorende kabinetsreactie en anderzijds de reactie op de AVOZ-studie en beleid onbedoelde en/of ongewenste zwangerschappen vanaf 2026. Zij hebben hier nog enkele vragen en opmerkingen over.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er in 2024 659 keer een afbreking geregistreerd werd voor een vrouw met woonplaats âonbekendâ, ten opzichte van 2023 waar dit aantal 47 bedroeg. Zij lezen dat de oorzaak van deze stijging niet bekend is. Wat zouden, theoretisch gezien, mogelijke oorzaken kunnen zijn van deze stijging en valt hierin een verband te signaleren met het aantal vrouwen dat recht heeft op een vergoeding van de behandeling?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben ook kennisgenomen van de aanbevelingen uit het AVOZ-rapport en hebben in het bijzonder behoefte aan extra duiding van het kabinet over de genoemde barriĂšres wat betreft breed toegankelijke anticonceptiezorg en welke rol zij voor zichzelf hierin ziet. Zou het kabinet nadere toelichting kunnen geven op dit punt?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich ernstig zorgen over desinformatie over onbedoelde zwangerschappen en abortuszorg. Zij hebben gelezen dat op dit moment daar onderzoek naar wordt gedaan door Rutgers. Zou nader toegelicht kunnen worden wat de exacte scope is van dit onderzoek? Zou nader toegelicht kunnen worden in hoeverre dit onderzoek voldoende zal zijn om volledig inzicht te krijgen in de verspreiding van desinformatie en de geldstromen die hiermee gepaard gaan?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben enkele vragen. Zijn er cijfers beschikbaar over de toepassing van ânatuurlijke anticonceptieâ (waarbij bijvoorbeeld met temperatuurmetingen de cyclus wordt gevolgd)? Is hier een relatie met het aantal zwangerschapsafbrekingen?
Ook vragen deze leden: wat zijn de (wezenlijke) inhoudelijke verschillen tussen de oude âAanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschapâ (2023-2025) en de nieuwe? Waarom is pijler 1 âVoorkomen van een onbedoelde en/of ongewenste zwangerschapâ veranderd in âRegie op kinderwensâ?
In de âAanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschapâ (2023-2025) stond onder pijler 1: âHet voorkomen en terugdringen van het aantal onbedoelde en/of ongewenste zwangerschappen is een belangrijk doel binnen deze aanpak.â De leden van de PVV-fractie vragen op welke manier hieraan de afgelopen jaren vorm is gegeven. Is deze aanpak terug te zien in het aantal zwangerschapsafbrekingen?
Voornoemde leden vragen verder hoe wordt vormgegeven aan het tegengaan van onjuiste gezondheidsinformatie over anticonceptie.
Wat wordt bedoeld met: âom een realistischer beeld van onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap uit te dragenâ?
Hoe wordt vormgegeven aan de gespreksleidraad en e-learnings voor huisartsen over onbedoelde zwangerschap? Welke veranderingen/verbeteringen ten opzichte van de huidige praktijk worden voorzien? Is hierbij aandacht voor zowel het voorkĂłmen van als het omgaan met onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap?
Hoe vaak is het âLandelijk informatiepunt onbedoelde zwangerschapâ per jaar sinds de oprichting geraadpleegd? Hoe vaak is daarbij doorverwezen naar de âkeuzehulp bij onbedoelde zwangerschapâ?
In de âAanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschapâ (2023-2025) stond: âIn samenwerking met Fiom werken we aan het vergroten van de bekendheid van het informatiepunt.â Is dat inmiddels gebeurd? Zo ja, op welke manier, en is dat in de hierboven gevraagde cijfers over raadpleging terug te zien?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Jaarrapportage 2024 van de Wet afbreking zwangerschap van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)
De leden van de CDA-fractie maken graag van de gelegenheid gebruik om enkele aanvullende en verduidelijkende vragen te stellen over de jaarrapportage. De inspectie stelt dat het opvallend is dat abortusklinieken 659 keer âonbekendâ opgaven, als antwoord op de vraag over de woonplaats van vrouwen met een zwangerschapsafbreking. Vorige jaren was dat aanzienlijk minder vaak het geval. Kan het kabinet aangeven hoe vaak dit vorig jaar gebeurde en kan het kabinet verder duiden hoe dit komt?
Het aantal vrouwen dat niet voor een nacontrole in een abortuskliniek komt stijgt de afgelopen jaren van 5% in 2022, tot 9% in 2023 en 20% 2024. De leden van de CDA-fractie vinden dit een zorgelijke ontwikkeling. Kan het kabinet verklaren waarom het aantal vrouwen dat niet op nacontrole komt stijgt? Kan het kabinet vervolgens aangeven wat abortusklinieken kunnen doen om het aantal vrouwen dat op nacontrole komt te verhogen?
Reactie op AVOZ-studie en beleid onbedoelde en/of ongewenste zwangerschappen vanaf 2026
Uit de studie blijkt dat onbedoelde zwangerschappen juist vaker voorkomen bij mensen met een stabiele relatie, die soms al kinderen hebben. Veel mensen zijn ontevreden over anticonceptiemethoden en stellen anticonceptiekeuzes uit. Dat mensen ontevreden zijn over anticonceptiekeuzes en het uitstellen vinden de leden van de CDA-fractie een zorgelijke ontwikkeling. Komt het uitstellen van bepaalde anticonceptiekeuzes vaker voor bij bepaalde leeftijdsgroepen of ziet men dat overal terug? Kan het kabinet hier wat meer toelichting op geven?
Een belangrijk verbeterpunt is de vergroting van bekendheid van keuzehulpverlening. Dat delen deze leden en zij willen dat het kabinet alles in het werk stelt deze bekendheid te vergroten. Welke maatregel denkt het kabinet dat het meest zal bijdragen aan meer bekendheid met keuzehulpverlening?
Het kabinet stelt dat er jaarlijks 6 miljoen euro beschikbaar is en dat er een aantal activiteiten anders wordt ingericht. Het thema Gezonde Relaties en Seksualiteit wordt weer een regulier onderdeel van de Gezonde School-aanpak, in plaats van de tijdelijke stimuleringsregeling voor scholen. Daarnaast wordt de monitoring versoberd. Dat maakt het starten met nieuwe activiteiten mogelijk. De leden van de CDA-fractie kunnen zich voorstellen dat er keuzes moeten worden gemaakt maar vragen in hoeverre de monitoring wordt versoberd en wat er vervolgens wel of niet wordt geregistreerd.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de Jaarrapportage 2024 van de Wet afbreking zwangerschap van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en Reactie op AVOZ-studie en beleid onbedoelde en/of ongewenste zwangerschappen vanaf 2026. Deze leden hebben geen vragen aan de staatssecretaris.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben met zorg kennisgenomen van de Jaarrapportage 2024, de kabinetsreactie op de AVOZ-studie en het nieuwe beleid ten aanzien van onbedoelde en/of ongewenste zwangerschappen vanaf 2026. Zij hebben hierover een groot aantal vragen.
Jaarrapportage 2024 van de Wet afbreking zwangerschap van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)
Uit de Jaarrapportage van de Wet afbreking zwangerschap (Wafz) blijkt dat het aantal abortussen in 2024 op ongeveer hetzelfde, hoge niveau is gebleven als in 2023. De leden van de SGP-fractie vinden het zorgelijk dat een inhoudelijke toelichting hierop opnieuw ontbreekt. Net zoals in voorgaande jaren geeft de staatssecretaris in haar brief immers aan dat de IGJ-jaarrapportage alleen kerncijfers presenteert, maar geen duiding bij die cijfers biedt. Het is daarom volgens haar niet mogelijk om conclusies te trekken over mogelijke oorzaken van (veranderingen in) het aantal zwangerschapsafbrekingen of andere kerncijfers.
Het is geen geheim dat de leden van de SGP-fractie met het kabinet van mening verschillen over de wenselijkheid van het vastleggen van meer informatie over de factoren en/of motieven die een rol spelen bij abortus. Hoe wenselijk vindt de staatssecretaris het echter zelf dat de IGJ of zijzelf nooit in de gelegenheid zijn tot een nadere duiding van veranderingen in het aantal abortussen of ten aanzien van andere kerncijfers? Heeft zij die behoefte, en zo nee, waarom niet? Kan zij aangeven hoe de IGJ (of zijzelf) in staat zou kunnen worden gesteld om de kerncijfers wél te duiden? Welke informatie heeft de IGJ hiervoor nodig?
Kan de staatssecretaris aangeven welke kwantitatieve of kwalitatieve informatie abortusklinieken op dit moment ĂŒberhaupt registreren? Welke informatie zijn zij verplicht om te registeren en te rapporteren aan de IGJ? Welke informatie wordt door abortusartsen geregistreerd, zonder dat zij dat verplicht zijn, maar enkel vanuit het oogpunt van goede hulpverlening aan vrouwen?
De leden van de SGP-fractie maken uit âTabel C: Abortusratioâ op dat het aantal abortussen per 1.000 levendgeborenen in de afgelopen decennia fors is gestegen. In ongeveer dertig jaar tijd is dit nagenoeg verdubbeld van 110 per 1.000 levendgeborenen in 1995 naar 215 per 1.000 levendgeborenen in 2024. Wat vindt de staatssecretaris hiervan? Is zijn van mening dat dit een wenselijke ontwikkeling is? Deelt zij de zorg van de leden van de SGP-fractie over het feit dat 1 op de 6 zwangerschappen inmiddels eindigt in een abortus? Hoe verklaart zij dat slechts 1 op de 10 Nederlanders hiermee bekend is?1
De leden van de SGP-fractie hebben begrepen dat de âRichtlijn behandeling van vrouwen die een zwangerschapsafbreking ondergaanâ (Nederlands Genootschap van Abortusartsen, 2012) wordt herzien. Hoe verloopt dit proces en wanneer wordt de nieuwe richtlijn verwacht?
De leden van de SGP-fractie vragen naar de uitvoering van de aangenomen motie De Korte-Bikker (Kamerstuk 36 600 XVI, nr. 174) die verzocht om de evaluatie van de Wet afbreking zwangerschap binnen twee jaar te starten. Is de staatssecretaris voornemens om, mede gelet op het aanhoudend hoge aantal abortussen, nog dit jaar opdracht te geven tot de voorbereidingen van deze evaluatie zodat begin 2027 direct met de evaluatie gestart kan worden? Is zij bereid om de Kamer in gelegenheid te stellen om voorafgaand aan de evaluatie eventuele aandachtspunten of vragen mee te geven?
De leden van de SGP-fractie lazen in Trouw de suggestie dat het gestegen aantal abortussen te maken had met een aanpassing van de definitie van abortus.2 Volgens de IGJ was in 2023 inderdaad sprake was van een definitiewijziging, maar werden overtijdbehandelingen zowel vóór als na die wijziging meegerekend als abortussen. Deze wijziging kon volgens de Inspectie daarom geen invloed hebben op het aantal abortussen. De definitiewijziging is geen verklaring voor de stijging van het aantal abortussen. Kan de staatssecretaris dit bevestigen?
De leden van de SGP-fractie constateren dat in 2024 659 keer een abortus werd geregistreerd voor een vrouw met woonplaats âonbekendâ. In 2023 was dat aantal slechts 47. Het is volgens de staatssecretaris niet bekend wat de oorzaak van de stijging is. De leden van de SGP-fractie vragen haar om hierover in gesprek te gaan met de abortusklinieken om een nadere duiding te krijgen. Het gaat immers om een immense stijging in één jaar tijd. Kan de staatssecretaris de Kamer hierover informeren?
De leden van de SGP-fractie merken op dat het aantal herhaalabortussen onverminderd hoog blijft. Ongeveer een derde van de vrouwen heeft meerdere keren een abortus gehad. Kan de staatssecretaris toelichten welk beleid zij voert om het aantal herhaalde abortussen tegen te gaan?
De leden van de SGP-fractie constateren dat het afschaffen van de vaste beraadtermijn de abortuspraktijk in Nederland wezenlijk heeft veranderd. Sinds het afschaffen van de bedenktermijn wordt in driekwart van de gevallen bij het eerst bezoek aan de arts direct overgegaan tot abortus. In 77,2% van de gevallen geldt dus een bedenktijd van nul dagen. Zij herinneren de staatssecretaris eraan dat hierover tijdens de parlementaire behandeling van het initiatiefvoorstel om de bedenktermijn af te schaffen reeds is gesproken. Zo stelde bijvoorbeeld het lid Hijink (SP) hierover de volgende vraag: â(âŠ) Dat moment van nul minuten, de nulminutenberaadtermijn, is wat mij betreft misschien toch wel het lastigste punt in de wet van de indieners. Dat is aan de orde wanneer een vrouw binnenkomt in een kliniek en in het gesprek met de arts zegt dat ze nul minuten genoeg vindt. Ik heb ook begrepen dat de indieners zeggen: uiteindelijk is het aan de vrouw om het eindoordeel te geven over hoelang die beraadtermijn moet zijn. Wat doen we dan in die situaties waarbij er, op wat voor manier dan ook, toch sprake is van een vorm van dwang? Hoe wordt dan voorkomen dat er toch een overhaaste beslissing wordt genomen?â (Handelingen II 2021-2022, 45-6-14). De leden van de SGP-fractie vragen de staatssecretaris om hierop te reageren. Hoe weten we zeker dat bij deze ruim 77% geen sprake is van een vorm van dwang of een overhaaste beslissing?
De leden van de SGP-fractie vragen de staatssecretaris met name om een nadere duiding hoe invulling wordt gegeven aan artikel 3, eerste lid Wafz, waarin staat: âDe arts en de vrouw kunnen, met in achtneming van de eisen met betrekking tot hulpverlening en besluitvorming, bedoeld in artikel 5, in gezamenlijk overleg een termijn vaststellen die voorafgaat aan de afbreking van de zwangerschap.â
De leden van de SGP-fractie vinden het opvallend dat niet alleen de âpiekâ na vijf dagen bedenktijd is verdwenen. Het afschaffen van de verplichte bedenktermijn heeft ook geleid tot het verdwijnen van veel lange bedenktijden. Waar in 2022 nog 25,8% van de vrouwen meer dan 10 dagen bedenktijd nam, is dit in 2024 teruggelopen tot slechts 4,1%. Hoe reflecteert de staatssecretaris hierop? Wat is haar verklaring hiervoor? Hoe verklaren abortusartsen dit zelf? Vindt de staatssecretaris dit een wenselijke ontwikkeling? Hoe kijkt zij hiernaar in het licht van uitspraken van de initiatiefnemers, die gedurende de wetsbehandeling betoogden dat de lengte van de bedenktermijn iedere keer zal afhangen van de specifieke situatie van de vrouw?
Overigens vragen de leden van de SGP-fractie of de staatssecretaris de verschillen kan toelichten tussen de cijfers van 2022 in Tabel O âTijdsverloopâ in de Jaarrapportage 2024 en de cijfers van 2022 in de jaarrapportage 2022 in Tabel P âAantal dagen beraadtermijnâ. Hoewel het over dezelfde praktijk lijkt te gaan, worden er compleet andere cijfers gepresenteerd (zelfs als het onderscheid tussen overtijdbehandelingen en abortussen in acht wordt genomen). Wat is de uitleg voor de verschillen hiertussen?
De leden van de SGP-fractie vragen verder naar de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de aangenomen motie-Van Dijk c.s. over een onderzoek naar de afschaffing van de verplichte bedenktijd (Kamerstuk 36 600 XVI, nr. 168). Heeft de staatssecretaris dit onderzoek inmiddels opgepakt? Kan zij de onderzoeksopzet met de Kamer delen?
Het valt de leden van de SGP-fractie op dat het aantal instrumentele abortussen zeer sterk is toegenomen en het aantal abortussen waarbij sprake is van een combinatie van medicamenteuze en instrumentele handelingen sterk is afgenomen (Tabel P: Behandelmethode). Het aantal instrumentele abortussen is gestegen van 1.568 (4,4%) in 2022, 5.140 (13,1%) in 2023 naar 8.647 (21,9%) in 2024. Wat is de verklaring hiervoor? Ligt hier een wijziging van de abortuspraktijk door klinieken aan ten grondslag?
De leden van de SGP-fractie constateren dat het aantal complicaties ten gevolge van abortus de afgelopen jaren significant is toegenomen. Het gaat dan in het overgrote deel van de gevallen om veel bloedverlies (meer dan een halve liter) of een incomplete abortus. De leden van de SGP-fractie hebben hiervoor de cijfers van de afgelopen vijf jaar met elkaar vergeleken. In 2024 ging het om 3,6% van het aantal abortussen (1420 keer complicaties). In 2023 ongeveer betrof het 2,9% van het aantal abortussen (1143 keer), in 2022 2,6% (945 keer), in 2021 (857 keer) en in 2020 ging het om 2,7% van de gevallen (834 keer). Hoe verklaart de staatssecretaris deze stijging? Vindt zij dit een onwenselijke ontwikkeling en zo ja, wat wil zij eraan doen? Worden vrouwen voorafgaand aan hun abortus geĂŻnformeerd over het risico op complicaties?
Overigens is de registratie van complicaties niet verplicht conform de Wafz en geeft de registratie in de jaarrapportage dus geen volledig beeld. De leden van de SGP-fractie vragen of de IGJ een indruk heeft hoe accuraat de door hen gepresenteerde cijfers ten aanzien van complicaties zijn. Aangezien het aantal complicaties significant toeneemt, overweegt de staatssecretaris om regelgeving rondom registratie aan te scherpen? Waarom is het ĂŒberhaupt niet verplicht om te registreren?
Reactie op AVOZ-studie en beleid onbedoelde en/of ongewenste zwangerschappen vanaf 2026
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van deelrapporten vanuit de AVOZ-studie, de reactie van de staatssecretaris hierop en het nieuwe beleid ten aanzien van onbedoelde en/of ongewenste zwangerschappen.
De leden van de SGP-fractie benadrukken dat zij zich terdege beseffen dat het thema abortus in de maatschappij een gevoelig thema is. Het raakt aan diepe menselijke gevoelens en ervaringen. Veel vrouwen verkeren in een moeilijke situatie, als zij onbedoeld zwanger zijn. Vaak lijkt abortus de enige uitweg. Om deze reden hechten de leden van de SGP-fractie eraan om zorgvuldig te zijn in hun woordkeuze. Zij willen niemand onheus bejegenen of kwetsen. Daarbij wil de leden van de SGP-fractie niemand veroordelen, ook geen vrouwen die een abortus hebben ondergaan. Zij hebben een standpunt over abortus en niet over de vrouwen die een abortus ondergaan.
Abortus is een maatschappelijke kwestie waarover verschillend wordt gedacht. De Wet afbreking zwangerschap geeft de beschermwaardigheid van het ongeboren leven nadrukkelijk een plaats. Een abortus doodt, hoe men het wendt of keert, een ongeboren leven. Het is daarom volstrekt legitiem om vragen te stellen bij de gegroeide abortuspraktijk in Nederland en te pleiten voor het voorkomen of het verminderen van het aantal abortussen. Het doet de leden van de SGP-fractie ronduit verdriet dat deze noties in de brief van de staatssecretaris compleet ontbreken. Zij vragen de staatssecretaris om te verantwoorden waarom de bescherming van het ongeboren leven geen enkele plek meer lijkt te hebben in haar beleidsvoornemens, terwijl dit één van de pijlers van de abortuswet betreft.
Het rapport âDit is mijn verhaalâ keurt het vragen naar redenen voor abortus af en pleit voor vragen naar behoeften: âWat heb je nodigâ. De leden van de SGP-fractie betreuren het dat de staatssecretaris dit volledig omarmt. Hoe waarborgt zij dat er voldoende zicht blijft op maatschappelijke oorzaken en structurele problemen die ten grondslag liggen aan onbedoelde zwangerschap en/of abortus? Het rapport stelt dat stijgende abortuscijfers moeilijk causaal te duiden zijn. Acht de staatssecretaris dit voldoende reden om af te zien van verdiepend onderzoek naar oorzaken van de stijging van het aantal abortussen? Hoe worden de aanbevelingen uit dit rapport gewogen ten opzichte van het eerdere beleidsdoel om het aantal abortussen terug te dringen?
De leden van de SGP-fractie wijzen erop dat de onderzoekers van âDit is mijn verhaalâ ambivalent zijn over het ĂŒberhaupt onderzoeken en bevragen van de motieven of factoren die een rol spelen bij een abortus. In de conclusie van het onderzoek overwegen zij: ââUiteindelijk maakt het niet uit welke motieven men heeft, zolang iemand een eigen en weloverwogen keuze heeft kunnen maken. Het is geheel en al aan de zwangere in kwestie, welke keuze die maakt. Er is hiervoor dan ook geen verantwoording nodig.ââ (p. 12) De leden van de SGP-fractie vatten dit op als een politieke uitspraak die aantoont hoe verschillend er gedacht kan worden over de abortuspraktijk en op zân minst vragen oproept over de mate van wetenschappelijke nieuwsgierigheid waarmee het betreffende onderzoek tot stand is gekomen. Hoe kijkt de staatssecretaris hiernaar? Is zij het ermee eens dat deze uitspraak van de onderzoekers niet gestoeld is op het onderzoek dat zij hebben verricht, maar voortvloeit vanuit hun ideologische visie op de autonomie van de vrouw en de beschermwaardigheid van het ongeboren leven?
De leden van de SGP-fractie verwijzen verder naar de twee wetsevaluaties van de Wet afbreking zwangerschap, waarin verschillende âredenenâ voor een abortus worden besproken, waarbij ook aandacht wordt gegeven aan de âbelangrijkste redenâ.3 Twee voorbeelden: in de eerste wetsevaluatie wordt geconstateerd dat relatief veel vrouwen aangaven dat financiĂ«le redenen de belangrijkste reden voor een abortus was;4 en uit de tweede wetsevaluatie volgt dat in 19% van de gevallen ââMijn gezin is compleetââ de belangrijkste reden vormt voor een abortus.5 Dit maakt naar het oordeel van de leden van de SGP-fractie het uitlichten van de hoofdreden voor abortus legitiem. Is de staatssecretaris van mening dat deze informatie in de wetsevaluaties nu haar waarde heeft verloren?
De leden van de SGP-fractie wijzen er verder op dat de onderzoekers in âDit is mijn verhaalâ telkens benadrukken dat de besluitvorming rondom abortus complex is. Tegelijkertijd vermelden de onderzoekers: âMaar voor veel personen is de besluitvorming helemaal niet complex. Het besluit kan heel ongecompliceerd zijn, als absoluut duidelijk is voor de betrokkene dat de zwangerschap moet worden afgebroken. De uitdrukking âhet is complexâ (âŠ) doet géén recht aan de ervaring van alle personen. Voor velen is het namelijk direct duidelijk wat er moet gebeuren, voor hen is het niet complex (âŠ)â (p. 68) De leden van de SGP-fractie vragen de staatssecretaris hierop te reageren. Erkent zij dat praten over complexiteit ook een gemakkelijke manier kan zijn om de discussie over abortus te onderdrukken?
Het rapport âHet begint met luisterenâ spreekt over het âdestigmatiserenâ van onbedoelde zwangerschap en abortus. De staatssecretaris neemt dit nu over als beleidsdoel. De leden van de SGP-fractie vragen hoe zij wil voorkomen dat hiermee ook normvervaging optreedt rond seksualiteit, verantwoordelijkheid en gezinsvorming. In hoeverre wordt in beleid nog expliciet uitgegaan van het belang van stabiele relaties en gezinnen als beschermende factor tegen abortus? Ook vragen de leden van de SGP-fractie hoe voorkomen wordt dat door abortus te âdestigmatiserenâ de ernst en impact van het beĂ«indigen van de zwangerschap wordt gebagatelliseerd.
De leden van de SGP-fractie constateren dat de focus van het beleid door de staatssecretaris wordt verlegd naar het vergroten van de reproductieve regie en autonomie van vrouwen. Kan de staatssecretaris aangeven hoe de beschermwaardigheid van het ongeboren leven geborgd is in haar aanpak? De nadruk ligt sterk op reproductieve autonomie. Hoe wordt in het beleid het evenwicht bewaakt tussen autonomie enerzijds en verantwoordelijkheid voor nieuw leven anderzijds?
De leden van de SGP-fractie maken uit de beslisnota op dat Fiom en Rutgers jaarlijks 250.000 euro extra krijgen voor de publiekscampagne âvoor realistischer beeldvorming en destigmatisering rond onbedoelde zwangerschapâ. Kan de staatssecretaris toelichten wat deze activiteiten precies gaan behelzen? Hoe wordt voorkomen dat het kabinet aan burgers gaat voorschrijven hoe zij moeten denken over themaâs als zwangerschap, relatievorming en seksualiteit? Uit de beslisnota blijkt dat dit bedrag wordt toegevoegd aan de instellingssubsidie van Fiom en Rutgers. Kan de staatssecretaris toelichten of deze extra middelen voldoen aan de voorwaarden die gelden voor instellingssubsidies in de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS?
De staatssecretaris maakt een prioriteit van de toegang tot anticonceptie. Hoe voorkomt zij daarmee de suggestie wordt gewekt dat anticonceptie altijd probleemloos en waardenvrij is? In hoeverre wordt aandacht besteed aan natuurlijke methoden of onthouding als reële keuze? In de brief wordt gesproken over extra middelen voor een publiekscampagne over het gebruik van voorbehoedsmiddelen. Neemt het ministerie van VWS zelf het initiatief voor deze publiekscampagne of gaat een andere organisatie dit doen?
De leden van de SGP-fractie juichen het toe dat er meer oog komt voor de rol van de vader van het ongeboren kind en/of partner van de vrouw. Zij vragen de staatssecretaris in hoeverre de rol van (toekomstig) vaderschap positief en normatief benaderd wordt in beleid en zorg. Wordt overwogen om mannen nadrukkelijker te betrekken in preventiebeleid, niet alleen wat betreft de medische zorg, maar ook relationeel en moreel? Kan de staatssecretaris aangeven welke interventies er reeds beschikbaar zijn voor hulp aan mannen?
De leden van de SGP-fractie lezen dat het thema Gezonde Relaties en Seksualiteit weer een regulier onderdeel wordt van de Gezonde School-aanpak, in plaats van de tijdelijke stimuleringsregeling voor scholen. Zij vragen waarom de staatssecretaris de aangenomen de motie-Stoffer c.s. (Kamerstuk 36600 VIII, nr. 105) niet uitvoert, waarin werd verzocht om de subsidie voor relationele en seksuele vorming ook beschikbaar te stellen zonder de verplichtingen van het programma Gezonde School.
Betekent het dat de verplichting voor scholen om eerst een speciale Gezonde Schoolcoördinator aan te stellen en te laten trainen voordat zij lespakketten konden inkopen, is komen te vervallen? Betekent deze wijziging dat scholen nu verplicht worden om gebruik te gaan maken van het overige aanbod van de Gezonde School, óók als zij eigenlijk alleen maar lesmethoden op het gebied van seksualiteit en relaties wilden inkopen?
De leden van de SGP-fractie vragen waarom het budget dat nodig is voor de begeleiding door coördinatoren niet direct wordt ingezet om meer scholen de mogelijkheid te bieden een erkende methode af te nemen en hierover direct contact te hebben met de aanbieders over implementatie. Deze leden constateren dat het aantal begeleidingsuren is gehalveerd, maar dat van het stimuleringsbudget slechts een kwart overblijft. Kan de staatssecretaris aangeven waarop deze berekening berust en hoe het in het licht van de motie-Stoffer te rechtvaardigen is dat juist nog sterker in het budget van scholen wordt ingegrepen in plaats van in het aantal verplichte uren begeleiding?
Verder vragen de leden van de SGP-fractie hoe de staatssecretaris reageert op de bevinding uit het onderzoek van DUO onderwijsonderzoek uit maart 2025 dat de bekendheid van organisaties en initiatieven bij scholen sterk kan variëren (p. 20). Wat doet de staatssecretaris eraan om te bevorderen dat de verschillende initiatieven op gelijkwaardige wijze door (de coördinatoren van) de GGD onder de aandacht worden gebracht, in ieder geval wanneer deze een erkenning hebben gekregen? Is zij ermee bekend dat sommige methoden aangeven zelden tot nooit een doorverwijzing van scholen door de GGD mee te maken? Hoe bevordert zij de gelijke kansen van aanbieders?
Ook vragen de leden van de SGP-fractie in hoeverre de GGD in staat is om scholen ten aanzien van alle methoden adequaat te ondersteunen bij de implementatie in de organisatie en het toepassen van de visies waarop de verschillende methoden gebaseerd zijn. Onderkent de staatssecretaris dat het vanuit de âwhole school approachâ juist erg belangrijk kan zijn dat scholen in direct contact met de aanbieder de integrale implementatie kunnen verrichten?
Voor het overige vragen de leden van de SGP-fractie vragen de staatssecretaris welke aanbevelingen uit het AVOZ-onderzoek zij niet overneemt, en waarom.
De leden van de SGP-fractie constateren dat de staatssecretaris van plan is om de Kamer niet langer periodiek te informeren over de aanpak, maar alleen als er sprake is van relevante ontwikkelingen, aanpassingen en veranderingen binnen de Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap. Om zicht te houden op de voortgang en resultaten van de aanpak vragen de leden van de SGP-fractie of zij dit wil heroverwegen. Is zij bereid om de Kamer (op zijn minst) jaarlijks te informeren over de stand van zaken?
Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie
De leden van de ChristenUnie-fractie maken van de gelegenheid gebruik om vragen te stellen over de jaarrapportage 2024 van de Wet Afbreking zwangerschap van de IGJ en de reactie op de AVOZ-studie en beleid onbedoelde en/of ongewenste zwangerschappen vanaf 2026.
De leden van de ChristenUnie-fractie vinden het zeer verdrietig dat in 2024 39.438 keer abortus is uitgevoerd. Dat dit aantal jaar op jaar stijgt vinden deze leden zorgelijk. Hoe men ook denkt over abortus, het gaat altijd om een intens en verdrietig dilemma van de vrouw. De leden hebben al in aparte schriftelijke vragen hun vragen over de cijfers over 2024 gesteld aan de staatssecretaris. Aanvullend vragen de leden van de ChristenUnie-fractie op welke manier wél conclusies getrokken kunnen worden over causale verbanden tussen ontwikkelingen zoals gevoeligere zwangerschapstesten en veranderingen in abortuscijfers. Hoe voert de staatssecretaris in dit licht de aangenomen motie De Korte-Bikker (Kamerstuk 36600-XVI-174) uit?
Ten aanzien van de kabinetsreactie op de AVOZ-studie en het beleid onbedoelde en ongewenste zwangerschappen vanaf 2026 merken de leden van de ChristenUnie-fractie op dat de aanbeveling om mannen meer mee te nemen rond de geboorte herkenning oproept. Zij moedigen het dan ook aan dat organisaties zoals Fiom en de kraamzorg dit verder oppakken. Op welke manier houdt de staatssecretaris bij welke verbeteringen op dit vlak plaatsvinden, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de AVOZ-studie dat de keuzehulp bij een onbedoelde zwangerschap beter bekend zou moeten worden. Deze leden lezen dat deze aanbeveling wordt opgevolgd door één helder contactpunt te creëren én deze plek te promoten. Is het vergroten van de bekendheid van de keuzehulp een expliciete doelstelling bij het creëren van dit punt? Zo nee, wil de staatssecretaris dit eraan toevoegen? Zo nee, waarom niet?
Ten aanzien van het nieuwe beleid per 2026 vragen de leden van de ChristenUnie-fractie waarom de staatssecretaris ervoor heeft gekozen dit nieuwe beleid te formuleren in een demissionaire periode. Vond zij dit onderwerp niet dusdanig dat het beter bij een nieuw kabinet past om hierop nieuw beleid te ontwikkelen?
De leden van de ChristenUnie-fractie vinden het zorgelijk dat er wordt bezuinigd op de monitoring van de Aanpak. Hoe gaat die eruitzien en waarin verschilt die van de monitoring tot nu toe? De leden lezen dat de Kamer na april 2026 geen reguliere monitor van het RIVM meer ontvangt maar slechts geĂŻnformeerd wordt als er sprake is van relevante ontwikkelingen, aanpassingen en veranderingen binnen de Aanpak. Deze leden vinden dat te beperkt. Blijft het RIVM wel monitoren? Anders kan de staatssecretaris niet bijhouden of haar beleid effect heeft. En als het RIVM toch monitort, is het dan niet redelijk om de Kamer hierover te informeren? Waarom maakt de staatssecretaris deze keuze?
De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat de doelstelling van het terugdringen van het aantal abortussen zoals geformuleerd door eerdere kabinetten wordt losgelaten en wordt ingewisseld voor het vergroten van de regie op de kinderwens. Deze leden betreuren dat ten zeerste. De pijler âvoorkomen van een onbedoelde en/of ongewenste zwangerschapâ is herformuleerd naar âregie op kinderwensâ. Welke inzet wordt stopgezet met deze herformulering, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie. Deze leden erkennen dat het veroordelen en stigmatiseren van onbedoelde zwangerschappen niet bijdraagt aan een goede en zorgzame begeleiding. Dat betekent wat deze leden betreft niet dat een beleidsdoel niet kan zijn om het aantal abortussen te verminderen. Erkent de staatssecretaris dit?
Wordt er met deze aanpak nog ingezet op het vergroten van de toegang tot anticonceptie aan kwetsbare groepen, met name door financiële drempels weg te nemen, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.
Tot slot vragen de leden van de ChristenUnie-fractie aandacht voor de positie van arbeidsmigranten die onbedoeld zwanger raken. Is de staatssecretaris bekend in welke mate zij keuzevrijheid hebben om hun zwangerschap uit te dragen? Deze leden kunnen zich voorstellen dat de arbeidspositie, de huisvesting, bekendheid met het zorglandschap en de ondersteuningsmogelijkheden er niet aan bijdragen dat de vrouw zich vrij voelt en daadwerkelijk voldoende weet om de zwangerschap uit te dragen. Is de staatssecretaris bereid in beeld te brengen hoe hun positie is en hoe preventie en hulpverlening voor hen verbeterd kunnen worden, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de stukken en hebben hier nog een aantal vragen en opmerkingen over.
De leden van de SP-fractie lezen dat de staatssecretaris meerjarig wil inzetten op âhet promoten van het condoomâ. Tegelijkertijd weigert het kabinet al lange tijd om anticonceptie, waaronder condooms, gratis beschikbaar te maken. Is de staatssecretaris het ermee eens dat het gratis maken van anticonceptie één van de beste maatregelen is om deze te promoten?
De leden van de SP-fractie constateren daarnaast dat toegang tot abortuszorg slecht is geregeld voor vrouwen zonder verzekering. Abortuszorg is bijvoorbeeld uitgezonderd van de regelingen voor onverzekerden van het CAK. Is de staatssecretaris bereid om abortuszorg niet langer uit te zonderen van deze regelingen?
De leden van de SP-fractie vragen aandacht voor de crisis die momenteel bestaat in de kraamzorg. Steeds meer gezinnen krijgen niet meer de kraamzorg die zij nodig hebben, terwijl zorgverleners de sector verlaten vanwege de slechte arbeidsvoorwaarden. Ziet de staatssecretaris in dat zij moet ingrijpen om deze crisis op te lossen, omdat het onrealistisch is om te verwachten dat de zorgverzekeraars die deze hebben veroorzaakt deze ook zelf gaan oplossen? Zo ja, wat gaat de staatssecretaris hieraan doen? Zo nee, waarom denkt de staatssecretaris dat afwachten hier een goede strategie zou zijn?
Reactie van de staatssecretaris
Rd.nl, 8 november 2025, âEen op de zes zwangerschappen eindigt in abortus, veel Nederlanders denken dat dit minder isâ.â©ïž
Trouw.nl, 2 december 2025, âStijging abortussen niet met een verklaring te vangenâ.â©ïž
M.R.M. Visser e.a., Evaluatie Wet afbreking zwangerschap, Den Haag: ZonMw, 2005, p. 83; M.C. Ploem e.a., Tweede evaluatie Wet afbreking zwangerschap, Den Haag: ZonMW, 2020, p. 93.â©ïž
Visser e.a. 2005, p. 83.â©ïž
Ploem e.a. 2020, p. 93.â©ïž