[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Kunstsubsidies

Schriftelijke vragen

Nummer: 2026D04203, datum: 2026-01-29, bijgewerkt: 2026-01-29 13:33, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van zaak 2026Z01795:

Preview document (🔗 origineel)


2026Z01795

(ingezonden 29 januari 2026)

Vragen van het lid Van Duijvenvoorde (FVD) aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over kunstsubsidies

 

1.Bent u bekend met het diversiteits- en inclusiebeleid van gesubsidieerde musea, waaronder het Stedelijk Museum Amsterdam, en de wijze waarop dit beleid doorwerkt in het aankoopbeleid van museale collecties?

2.Deelt u de opvatting dat kunstsubsidies nooit mogen leiden tot (directe of indirecte) uitsluiting van kunstenaars op basis van persoonskenmerken zoals huidskleur, afkomst of seksuele geaardheid?

3.Is het u bekend dat binnen de culturele sector de perceptie bestaat dat het niet actief voeren van diversiteitsbeleid kan leiden tot een lagere subsidiebeoordeling? Acht u deze perceptie wenselijk?

4.Kunt u bevestigen, ja of nee, dat “diversiteit en inclusie” een formeel beoordelingscriterium is bij subsidies die via de Raad voor Cultuur en het Mondriaan Fonds worden toegekend?

5.Indien ja, kunt u exact aangeven welk gewicht dit criterium heeft ten opzichte van artistieke kwaliteit in de beoordelingssystematiek (bijvoorbeeld in punten, wegingsfactoren of drempelcriteria)?

6.Kunt u bevestigen, ja of nee, dat subsidieaanvragen zonder expliciete doelstellingen op het gebied van diversiteit en inclusie structureel lager worden beoordeeld dan aanvragen die deze wel bevatten?

7.Indien nee, kunt u de beoordelingsrichtlijnen overleggen waaruit dit blijkt?

6.Kunt u bevestigen, ja of nee, dat instellingen die expliciet stellen uitsluitend artistieke kwaliteit als leidend criterium te hanteren, zonder aanvullende maatschappelijke doelstellingen, geen verhoogd risico lopen op afwijzing of korting?

7.Indien u dit niet kunt bevestigen: erkent u dan dat er sprake is van indirecte beleidssturing vanuit de overheid op artistieke keuzes van musea?

8.Acht u het verenigbaar met de publieke taak van musea dat zij in hun aankoopbeleid expliciete prioriteiten communiceren die gebaseerd zijn op identiteitskenmerken van kunstenaars?

9.Acht u het verenigbaar met het gelijkheidsbeginsel dat musea in subsidieaanvragen kwantitatieve doelen formuleren voor aankopen op basis van kenmerken van kunstenaars, zoals afkomst of gender?

10.Kunt u uitsluiten, ja of nee, dat dergelijke kwantitatieve doelen in de praktijk functioneren als de facto quota, ondanks het ontbreken van die term in beleidsdocumenten?

11.Bent u bereid alle beoordelingskaders, handreikingen en interne richtlijnen die subsidiecommissies gebruiken bij de beoordeling van diversiteit en inclusie openbaar te maken?

12.Bent u bereid te onderzoeken of het huidige subsidiekader voldoende waarborgen bevat om ideologische eenzijdigheid bij gesubsidieerde culturele instellingen te voorkomen?

13.Hoe ziet u uw rol als minister in het bewaken van pluriformiteit in de kunstsector, zowel inhoudelijk als institutioneel?

14.Bent u bereid een onafhankelijke evaluatie te laten uitvoeren naar de effecten van diversiteitscriteria op artistieke vrijheid en pluriformiteit binnen de gesubsidieerde cultuursector?

15.Bent u bereid deze vragen afzonderlijk te beantwoorden?