Voortgang Nationaal Programma Vitale Regio's
Gebiedsgerichte economische perspectieven en Regionaal Economisch Beleid
Brief regering
Nummer: 2026D04610, datum: 2026-01-30, bijgewerkt: 2026-02-02 08:52, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: F. Rijkaart, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
- Stand van zaken per regio
- Beslisnota bij Kamerbrief over voortgang Nationaal Programma Vitale Regio's
- Eindrapport 'Top-down analyse financiële opgave Nationaal Programma Vitale Regio’s'
Onderdeel van kamerstukdossier 29697 -179 Gebiedsgerichte economische perspectieven en Regionaal Economisch Beleid.
Onderdeel van zaak 2026Z01995:
- Indiener: F. Rijkaart, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- 2026-02-04 00:00: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-02-12 10:30: Procedurevergadering Binnenlandse Zaken (Procedurevergadering), vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
Preview document (🔗 origineel)
Eerder hebben uw Kamer en het kabinet de conclusies van het rapport ‘Elke regio telt’ omarmd.1 In december 2024 is met het Nationaal Programma Vitale Regio’s (NPVR) en elf betrokken regio’s invulling gegeven aan de aanbeveling om regionale agenda’s op te stellen en benut het rijk signalen uit verschillende gebiedsgerichte aanpakken om de beleids- en investeringslogica door te ontwikkelen.2
Zoals ook benadrukt tijdens het debat op 2 oktober jl. is het voor deze regio’s essentieel dat de inzet en samenwerking binnen het NPVR wordt voortgezet om ervoor te zorgen dat al onze inwoners gelijkwaardige kansen hebben, ongeacht waar iemand is geboren en woont. De regio’s verschillen zodanig van elkaar dat gebiedsgerichte samenwerking cruciaal is. Dit vraagt om passende inzet van rijk en regio, anders kunnen de opgaven in deze regio’s niet effectief worden aangepakt en dreigt de ervaren grote afstand tussen de rijksoverheid en regio’s aan de randen van Nederland verder op te lopen.
Deze elf regio’s kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan grote maatschappelijke opgaven waar Nederland voor staat. Er is ruimte om te versnellen op het gebied van woningbouw, de energietransitie, de economische versterking en de weerbaarheid van ons land. De grensligging van het merendeel van deze regio’s is een kans om de samenwerking met buurlanden te verstevigen. Tegelijkertijd kennen de regio’s ook een stapeling van opgaven die vragen om een gerichte impuls. Zo is er onder meer een mismatch op de woningmarkt, gezondheidsachterstanden en (energie)armoede. Door dubbele vergrijzing en ontgroening is de druk op de arbeidsmarkt hoog en neemt de beschikbaarheid en bereikbaarheid van publieke en private voorzieningen af. In deze brief worden een aantal urgente opgaven verder toegelicht waar het rijk en de regio’s de schouders onder moeten zetten – wetende dat er in deze regio’s ook veel kracht aanwezig is.
Uw Kamer vroeg mijn ambtsvoorganger om die reden in februari 2025 in kaart te brengen hoeveel geld er nodig is om de opgaven in deze regio’s effectief aan te kunnen pakken. Idealiter zou deze raming gebaseerd zijn op de plannen voor de regio en waar mogelijk reeds op uitvoeringsagenda’s. Deze zijn er echter nog niet. Daarop kom ik verder in deze brief terug. Om toch een eerste beeld te geven in antwoord op uw vraag heeft onderzoeksbureau Rebel, gebaseerd op bestaande studies, de drie NPVR-doelstellingen3 geoperationaliseerd en gekwantificeerd. De uitkomst van het onderzoek levert een eerste indicatie op van circa € 1 miljard per jaar4 aan benodigde middelen van overheden en private partijen. Het onderliggende onderzoek is als bijlage toegevoegd. Dit eerste beeld is gebaseerd op eerdere onderzoeken en kentallen; deze eerste uitkomst is met aanzienlijke onzekerheid omgeven. Hieraan zullen we bij de verdere uitwerking van de raming aandacht aangeven als we de raming verfijnen op basis van de plannen voor de regio’s. Er kunnen dan ook nog thema’s worden toegevoegd.
Het onderzoek liet ook zien dat opgaven tussen regio’s verschillen. Gedane aannames op basis van nationale kentallen moeten dus nog vertaald worden naar de regionale praktijk. Regionale verdieping op basis van de plannen voor de regio’s in aanloop naar de uitvoeringsagenda’s is dan ook noodzakelijk om de raming te kunnen vertalen naar effectieve maatregelen. Daarbij hoeft niet alles extra geld te kosten: ook in de samenwerking, met meer ruimte om eigen afwegingen te maken en kennisdeling, is winst te behalen bij het aanpakken van de regionale opgaven.
Voor deze investeringsopgave is op dit moment geen dekking voorzien. Uit politieke besluitvorming moet blijken of en hoeveel middelen er voor de verschillende regio’s beschikbaar komen, al dan niet via herprioritering binnen bestaande middelen. Deze keuzes zijn aan het volgende kabinet en uw Kamer. Een volgende stap is om in aanloop naar de uitvoeringsagenda’s te bezien hoe zich dit verhoudt tot bestaande publieke en private geldstromen.
Leeswijzer
In deze brief ga ik dieper in op de stand van zaken van het NPVR: ik beschrijf eerst waar we staan in de samenwerking met de regio’s. Vervolgens beschrijf ik langs drie NPVR-doelstellingen de grootste uitdagingen waar de regio’s en het rijk de komende jaren mee aan de slag moeten. Dan volgt een korte toelichting op de inhoud van het onderzoek en het beeld dat daar uit volgt. Als derde ga ik in op de grensoverstijgende samenwerking met buurlanden. Ten vierde sta ik stil bij kennis en de doorontwikkeling van de beleids- en investeringslogica. Ik sluit de brief af met een vooruitblik op het komend jaar en de momenten waarop u als Kamer geïnformeerd wordt over de voortgang.
1. Stand van zaken samenwerking regio en rijk in het NPVR
Er wordt hard gewerkt aan de totstandkoming van de plannen voor de regio. De eerste vier plannen voor de regio, van de regio’s Zuidoost- Fryslân, Noard-Fryslân, Twente en Zeeuws-Vlaanderen, worden begin 2026 besproken tussen rijk en regio. Dit is gericht op het kunnen afgeven van commitment vanuit het Rijk om op basis van het plan voor de regio, met de regio gezamenlijk toe te werken naar een regionale uitvoeringsagenda. In de bijlage van deze brief is een overzicht per regio met een beknopte weergave van de stand van zaken opgenomen.
In het Kamerdebat van 2 oktober jl. werd gemaand tot een hoger tempo. Met de regio’s is afgesproken dat zij hun eigen tempo volgen, waardoor de plannen voor de regio’s niet allemaal op hetzelfde moment klaar zijn. Het tempo tussen de elf regio’s verschilt vanwege de wens om alle overheidslagen, verschillende maatschappelijke partners en een brede delegatie van departementen te betrekken. Deze brede betrokkenheid is essentieel voor het draagvlak voor de plannen. Ook verschilt de mate waarin regio’s de samenwerking al georganiseerd hadden. Afhankelijk hiervan vraagt het tijd om de samenwerking te verstevigen en een stabiele basis op te bouwen. Een derde reden is dat er in sommige regio’s verschillende programma’s tussen regio en rijk lopen, waaronder NOVEX en de Regio Deals. 5 Deze programma’s hebben een andere focus maar dragen zeker bij aan de doelstellingen van NPVR. Ze hebben echter wel andere tijdspaden en aanpak. Dit betekent ook dat het werken aan de uitvoeringsagenda’s, waarin regio en rijk de inzet voor de komende vier jaar vastleggen, op verschillende momenten zal starten.
Het betrekken van inwoners en specifiek jongeren is een belangrijk onderdeel van het NPVR. Het plan voor de regio gaat immers over hun toekomst. Iedere regio geeft daar op een eigen manier invulling aan, maar alle regio’s dragen er zorg voor dat jongeren worden betrokken bij het opstellen van doelen en ambities voor de regio. Vanuit het rijk wordt blijvend aan regio’s gevraagd om jongeren te betrekken, waarbij ook aandacht is voor uitwisseling van ervaringen tussen de regio’s. Ook zal uitwisseling tussen de regio’s worden gestimuleerd over hoe jongeren het beste betrokken kunnen worden. Verder wordt vanuit mijn ministerie samengewerkt met externe partners zoals de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur (NSOB) en Platform31 om kennis te ontwikkelen en te delen over jongeren, waarbij de onderwerpen ‘betrekken van jongeren in participatieprocessen’ en ‘behouden en aantrekken van jongeren voor deze regio’s’ centraal staan. Hier zal tijdens de volgende voortgangsbrief nader op worden ingegaan. Op deze wijze wordt uitvoering gegeven aan de motie van het lid Chakor.6 Zoals toegezegd aan het lid Chakor tijdens het afgelopen debat op 2 oktober jl. is uitgevraagd of de regio's behoefte hebben aan een inwonersregisseur. Regio’s hebben aangegeven op hun eigen manier zorg te dragen voor de betrokkenheid van inwoners. Hierover is verdere informatie opgenomen in de bijlage bij deze brief.
2. Opgaven van de regio’s
Uit de samenwerking met de regio’s volgt een eerste, maar niet uitputtend, beeld van de belangrijkste opgaven. Hieruit blijkt dat de regio’s veel opgaven gemeen hebben, maar er zijn ook verschillen vanwege regionale contexten. In de komende periode wordt deze inventarisatie verder verdiept en worden de opgaven en behoeften concreter naarmate er meer inzicht is in de plannen voor de regio’s. Dit leidt, naast inzicht in benodigde gebiedsgerichte interventies, ook tot inzicht in wat nodig is van de landelijke beleidslogica en systemen.
Ik beschrijf hierna aan de hand van de drie doelstellingen van het NPVR de belangrijkste opgaven.
Doelstelling 1: veilige en leefbare regio’s
Veel regio's hebben een verouderde woningvoorraad die niet aansluit bij huidige woonwensen. Starters, ouderen en mensen met lagere inkomens vinden moeilijk betaalbare woningen. De opgave is vooral kwalitatief: herstructurering en transformatie zijn nodig om de leefkwaliteit in steden en dorpen te verbeteren én om sociaal-maatschappelijke en sociaaleconomische problemen aan te pakken.
Het woningbestand bestaat grotendeels uit verouderde, grondgebonden woningen met een laag energielabel in particulier bezit. Veel particuliere eigenaren hebben onvoldoende middelen voor onderhoud of verduurzaming, wat leidt tot achterstallig onderhoud, energiearmoede en een verslechterende leefomgeving. Door de lage bevolkingsdichtheid zijn duurzame oplossingen, zoals warmtenetten, vaak niet rendabel.
Tegelijkertijd neemt door vergrijzing en ontgroening de druk op de woningmarkt verder toe. Voor een toekomstbestendig vestigingsklimaat is het daarom cruciaal om voldoende gezonde en energiezuinige woningen te realiseren die aantrekkelijk zijn voor zowel huidige inwoners als nieuwkomers. Daarbij moet rekening gehouden worden met een veilige inrichting van de openbare ruimte, zodat de sociale cohesie versterkt wordt en mensen zich veilig voelen in hun woonomgeving. Voldoende geschikte en betaalbare woningen, passend bij de veranderende demografische omstandigheden en de toekomstige werkgelegenheid zijn nodig. Het versterken van het regionaal economisch systeem draagt bij aan het behoud en aantrekken van inwoners en talent. Dit draagt ook bij aan het behoud van voorzieningen en de regionale arbeidsmarkt.
De uitgestrektheid en de grensligging van deze gebieden brengen ook uitdagingen met zich mee rond veiligheid en handhaving, bijvoorbeeld op het gebied van ondermijnende criminaliteit. De grote afstanden en dunbevolkte gebieden maken effectief toezicht en snelle inzet complex. Daarnaast vergroot leegstand, welke in sommige gevallen wordt veroorzaakt door de landbouwtransitie, de kwetsbaarheid voor ondermijnende criminaliteit. Ook is er vaak sprake van meer wantrouwen jegens de overheid en andere instanties. De aanpak vraagt daarom om een integrale en grensoverschrijdende samenwerking.
Veel van deze regio’s hebben een sterk landelijk karakter, met veel agrarische activiteit en natuur. Voor een langjarige houdbare aanpak is het belangrijk rekening te houden met de specifieke eigenschappen van het landelijk gebied en de volle breedte van de uitdagingen waar het landelijk gebied de komende decennia gesteld staat, waaronder het behoud en versterken van een toekomstbestendige landbouw en sociaaleconomische structuren; en het versterken van de groene waarden van het landelijk gebied.
De mate waarin de verschillende opgaven spelen, verschilt per regio. Rijk en regio zullen in de aanpak de impact en kansen per gebied meenemen.
Doelstelling 2: een duurzaam en bereikbaar voorzieningenniveau
Ontgroening, dubbele vergrijzing en lage bevolkingsdichtheid zetten de continuïteit van zorg, onderwijs en openbaar vervoer onder druk, terwijl deze juist cruciaal zijn voor de aantrekkelijkheid van de regio. Voorzieningen zoals supermarkten en scholen vervullen in dunbevolkte gebieden een belangrijke sociale rol als ontmoetingsplaats. Ook hebben deze voorzieningen vaak een dubbelrol: supermarkten als pakketpunt, scholen als multifunctionele accommodaties. De vormgeving van publieke mobiliteit is een cruciale factor om de bereikbaarheid van voorzieningen te waarborgen.
De aanwezigheid van vervolgonderwijs, mbo- en hbo-instellingen en verbindingen met universiteiten is essentieel om jong talent aan te trekken. Wanneer jongeren voor onderwijs een regio verlaten en niet terugkeren, verergert de ontgroening en wordt het voor werkgevers moeilijker om personeel te vinden. Ook is bereikbare en beschikbare zorg van groot belang voor de leefbaarheid van deze gebieden, met name vanwege de toenemende vergrijzing.
Een aantrekkelijk vestigingsklimaat vraagt om meer dan woningen: ook de aanwezigheid en toekomstbestendigheid van voorzieningen, ontwikkelkansen en een uitnodigende leefomgeving doen er toe. Het verbeteren van verbindingen ten behoeve van het dagelijks leven en het werk is noodzakelijk voor de kwaliteit van wonen en werken in deze regio’s. Ook dit draagt bij aan het behoud en aanwas van mensen en daarmee het draagvlak voor cruciale alledaagse voorzieningen. Het versterken van deze samenhangende randvoorwaarden is van levensbelang om de regio economisch en sociaal vitaal te houden.
Doelstelling 3: een gezonde en kansrijke toekomst voor inwoners in de regio’s
In verschillende regio’s is sprake van een stapeling van sociaal-maatschappelijke en sociaaleconomische problemen die vaak generatie op generatie voortduren. Kwetsbare groepen met armoede- en gezondheidsachterstanden concentreren zich in bepaalde wijken. Een deel van deze inwoners is afkomstig uit grotere steden en is vanwege de aanwezigheid van nog betaalbare woningen naar deze delen van het land verhuisd. Deze instroom vergroot echter de druk op leefbaarheid, voorzieningen en de aantrekkelijkheid van wijken en dorpen.
Economisch zijn veel regio’s kwetsbaar door hun relatief homogene structuur. De lokale economie steunt vaak op enkele grote werkgevers en veel mkb’ers. Het vertrek of faillissement van deze dragers heeft directe en ingrijpende gevolgen voor inwoners en werkgelegenheid. De arbeidsmarkt is bovendien krap, met grote tekorten in sectoren als zorg en onderwijs. Door de lage bevolkingsdichtheid is de doorwerking van vergrijzing en ontgroening in deze regio’s groter dan gemiddeld. De grensligging vormt een extra belemmering: diploma’s uit buurlanden worden niet altijd (tijdig) erkend, waardoor potentiële werknemers niet altijd inzetbaar zijn.
De zorg staat onder zware druk, terwijl juist in deze gebieden de behoefte groot is door een ouder wordende bevolking en relatief veel inwoners met gezondheidsproblemen. Het tekort aan zorgpersoneel is structureel; ziekteverzuim is hoog en de werkdruk neemt toe. Veel regio’s kampen met een huisartsentekort en soms is er nog maar één aanbieder voor thuiszorg, wat de continuïteit en kwaliteit van zorg kwetsbaar maakt. Ook geografische factoren spelen een rol: grotere afstanden vergroten reistijden voor zorgverleners, maar deze extra tijd wordt vaak niet vergoed, waardoor zorg moeilijker te organiseren is.
Door de beperkte beschikbaarheid van formele zorg groeit de afhankelijkheid van mantelzorgers en vrijwilligers. Tegelijkertijd wordt van inwoners verwacht dat zij meer gaan deelnemen aan de arbeidsmarkt vanwege de krapte. Hierdoor komen sociale structuren zoals mienskip, naoberschap en samenredzaamheid onder druk te staan. Hoewel deze gemeenschappen traditioneel veerkrachtig zijn, kunnen zij de toenemende zorg- en ondersteuningstaken niet onbeperkt blijven opvangen wanneer professionele voorzieningen tekortschieten.
3. Uitkomst van het onderzoek
Uw Kamer heeft verzocht om de investeringsopgave voor deze regio’s in kaart te brengen. Zoals aangegeven in de Kamerbrief van september jl. wordt de investeringsopgave voor de elf regio’s via twee stappen in kaart gebracht.7 Omdat de plannen voor de regio nog volop in ontwikkeling zijn, is gestart met een onderzoek naar de investeringsopgave op basis van de drie doelstellingen van het NPVR. Dit onderzoek is als bijlage met deze Kamerbrief meegestuurd.
De uitkomst van het onderzoek levert een eerste indicatie op van circa €1 miljard per jaar8 aan benodigde middelen van overheden en private partijen. Onderstaand is weergegeven welke onderdelen per doelstelling in het onderzoek zijn meegenomen en welk bedrag hiervoor is geraamd.
Voor doelstelling 1 (veilige en leefbare regio’s) is gekeken naar publieke onrendabele toppen bij nieuwbouw, de herstructurering van winkelgebieden en niet-nieuwbouw gebonden investeringen in openbare ruimte en veiligheid. De raming voor dit pakket aan opgaven bedraagt indicatief €6,5 mld. aan benodigde publieke en private investeringen voor de komende tien jaar en moet nog nader geconcretiseerd worden.9
Voor doelstelling 2 (een duurzaam en bereikbaar voorzieningenniveau) is gekeken naar de bereikbaarheid van kernvoorzieningen binnen een acceptabele reistijd. Enerzijds door naar de aanwezigheid van voorzieningen te kijken, anderzijds door investeringen in het openbaar vervoer (incl. investeringen in publieke vervoer). Ook is gekeken naar de capaciteit van deze voorzieningen in het licht van toekomstige demografische ontwikkelingen. De raming voor de genoemde opgaven circa 2,7 mld. aan benodigde publieke en private investeringen voor de komende tien jaar.
Voor de opgaven bij doelstelling 3 (een gezonde en kansrijke toekomst voor inwoners in de regio’s) is gekeken naar indicatoren op een aantal thema’s, waaronder werk en inkomen, onderwijs en hulpverlening. De raming is gebaseerd op inwoners van gemeenten die op meerdere indicatoren slecht scoren. De raming van deze opgaven bedraagt circa €1,3 mld. aan benodigde publieke en private investeringen voor de komende tien jaar.
Het onderzoek geeft een eerste beeld van de omvang, waar bij de verdere uitwerking de betrokkenheid van departementen aan rijkszijde ook verder uitgebreid zal worden om tot concrete maatregelen te komen. De volgende stap is om in aanloop naar de uitvoeringsagenda’s te bezien welke maatregelen nodig zijn, wat de feitelijke investeringsbehoefte is per regio, hoe zich dit verhoudt tot bestaande publieke en private geldstromen en de baten van de investeringen die in deze raming niet zijn meegenomen. Voor de geraamde bedragen geldt dan ook een aanzienlijke mate van onzekerheid. Ook is er nog geen dekking voorzien voor de genoemde bedragen. Waar mogelijk is in de raming wel rekening gehouden met reeds geoormerkte middelen, zoals de realisatiestimulans. Uit politieke besluitvorming moet blijken of en hoeveel middelen er voor de verschillende regio’s beschikbaar komen al dan niet via herprioritering binnen bestaande middelen. Deze keuzes zijn aan het volgende kabinet en uw Kamer.
4. Grensoverstijgende samenwerking met de buurlanden
Een groot deel van de NPVR-regio’s ligt aan de grens. Samenwerking met buurlanden is dan ook essentieel. Er wordt expliciet aandacht besteed aan het wegnemen van grensbelemmeringen die kansen in de grensregio belemmeren. Dit is voor inwoners van grensregio’s, ook buiten de NPVR-regio’s, van grote waarde voor de kwaliteit van leven, wonen en werken.
In 2024 is het Schakelpunt Grensbelemmeringen Vlaanderen-Nederland opgericht voor het testen van een nieuwe methode om grensbelemmeringen tussen Nederland en Vlaanderen effectief aan te pakken. Via de website10 wordt casuïstiek verzameld. Inmiddels worden 30 dossiers behandeld over onder meer (vergoeding van) grensoverschrijdende zorg en belemmeringen bij de aanpak van grensoverschrijdende criminaliteit/ondermijning. Dit gebeurt in intensief contact met decentrale overheden en onderwijsinstellingen in de Nederlands-Vlaamse grensregio.
Met Nedersaksen zijn gesprekken gestart om de Samenwerkingsagenda uit 2019 te herzien. Het doel is het actualiseren en bestendigen van de agenda op thema's als arbeidsmarkt, onderwijs, gezondheidszorg en milieukwaliteit die aan beide zijden van de grens als relevant worden ervaren voor de samenwerking.
Met Noordrijn-Westfalen zijn in 2025 de doelen uit de Grenslandconferentie 2024 behaald, waaronder onderwijs in buurtaal, het inrichten van contactpunten voor euregionaal onderwijs en de certificering van euregioprofielscholen en verhoogde financiering van GrensInfoPunten. Voor 2026 zijn nieuwe doelen gesteld, waaronder een werkagenda voor grensoverschrijdend ambulancevervoer en BOA-bevoegdheden over de grens. Een ander belangrijk doel uit de nieuwe grenslandagenda is grensdata, waarover meer in het volgende hoofdstuk.
De BRIDGEforEU verordening roept lidstaten op tot grensoverschrijdende coördinatiepunten om belemmeringen weg te nemen. De komende periode wordt met grensregio's en buurlanden gesproken over de praktische invulling.
Bij de aanpak van grensbelemmeringen is voorkomen beter dan genezen. De Grenseffectentoets is sinds 2021 in het Beleidskompas opgenomen als verplichte kwaliteitseis bij de totstandkoming van nieuw beleid en nieuwe wetgeving en brengt in beeld wat mogelijke grenseffecten zijn. Ook in de Handleiding Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden wordt verwezen naar de Grenseffectentoets. Uit een recente evaluatie11 van de Grenseffectentoets blijkt dat deze toets voortgezet en versterkt moet worden. Daarbij is het van belang goed te kijken naar de relatie tussen de Grenseffectentoets en andere beleids- en wetgevingstoetsen. Aan de hand van de aanbevelingen uit de evaluatie zal in de komende periode worden gewerkt aan het verder versterken van de Grenseffectentoets en de toepassing daarvan.
5. Doorontwikkeling van de beleids- en investeringslogica en kennis
Aan het begin van deze brief heb ik beschreven dat de elf regio’s meer en iets anders nodig hebben van de samenwerking tussen rijk en regio en van de inzet van het rijk. Het ontwikkelen van kennis en de doorontwikkeling ervan in de beleids- en investeringslogica van het rijk is daarom een essentieel onderdeel van de aanpak. Dit komt niet alleen ten goede aan deze elf regio’s; uiteindelijk profiteren alle regio’s van een aanpak van het rijk die beter inspeelt op regionale verschillen.
Bij verschillende departementen worden stappen gezet om beleid beter aan te laten sluiten op regionale verschillen. Zowel in visievorming als het ontwikkelen van voorstellen voor concrete beleidsaanpassingen die bijdragen aan de doelstellingen van het NPVR. Hiermee draagt het rijk bij aan de kwaliteit van wonen, werken en leven in deze elf regio’s. Ik noem hiervan een aantal voorbeelden.
De NPVR-regio’s in de Ontwerp-Nota Ruimte
De Ontwerp-Nota Ruimte12 is de integrale visie van het Rijk op de fysieke leefomgeving met bijbehorende ruimtelijke keuzes voor 2030 en 2050 met een doorkijk naar 2100. Een deel van de keuzes in de Ontwerp-Nota Ruimte heeft een relatie met het NPVR en de NPVR-regio’s. Een voorbeeld hiervan is de opgave van een gebalanceerde regionale ontwikkeling van wonen, werken en voorzieningen. In de Ontwerp-Nota Ruimte wordt dit gebiedsgericht uitgewerkt in de VISTA-strategie.13 De grote meerderheid van de NPVR-regio’s ligt liggen voor een groot deel in gebieden die in de Ontwerp-Nota Ruimte zijn benoemd tot gebieden voor versterken (van de bestaande ruimtelijk-economische structuur) of initiëren (van een schaalsprong in economie en verstedelijking).
Een deel van de keuzes uit de VISTA-strategieën draagt ook bij aan de opgaven en ambities in het NPVR. Anderzijds dragen de NPVR-opgaven en ambities bij aan de realisatie van de VISTA-strategieën. Tegelijkertijd verschillen de aanpakken van de Ontwerp-Nota Ruimte en het NPVR wel van elkaar. Daar waar de Ontwerp-Nota Ruimte en de VISTA-strategie zich richten op keuzes voor de fysieke leefomgeving, is de focus van het NPVR breder en richt zich ook op maatregelen buiten de fysieke leefomgeving. Dit komt bij elkaar in de regio. Uiteraard wordt met de plannen voor de regio’s de verbinding gelegd tussen de regionale ambities en de uitwerking van de keuzes die worden gemaakt in de Ontwerp-Nota Ruimte.
Bijdragen aan regionaal-economische vitaliteit: Defensie in de NPVR-regio’s
Defensie groeit de komende jaren en breidt haar opleidings-, oefen- en trainingscapaciteit in Nederland uit. Dit betekent niet alleen uitbreiding van kazernes, opslagplaatsen, laagvlieggebieden en oefenterreinen, maar ook een toename van personeel en investeringen in innovatie en samenwerking met de maakindustrie. Bij de ruimtelijke plannen zoekt Defensie koppelkansen met maatschappelijke opgaven en meervoudig gebruik van functies, en werkt zij deze samen met regionale partners en overheden uit. Deze activiteiten versterken de regionaal-economische vitaliteit en werkgelegenheid in diverse regio’s, waaronder die in de elf NPVR-regio’s. Dit betreft onder meer het maritieme cluster in de Kop van Noord-Holland, en de samenwerking met VDL Born en Brightlands in Limburg.
Een betere spreiding van rijkswerkgelegenheid
Het kabinet heeft, in lijn met de wens van de Kamer, de ambitie om rijkswerkgelegenheid beter over het land te spreiden. Vanuit de coördinerende verantwoordelijkheid van de minister van BZK in het kabinet voor de rijksbrede aanpak, wordt periodiek de stand opgemaakt en hierover aan uw Kamer gerapporteerd. Dit heb ik gedaan in de brief van 19 september 2025.14 Uit het gepresenteerde overzicht van casussen waaraan momenteel wordt gewerkt, blijkt dat het kabinet concrete stappen zet naar een betere spreiding van rijkswerkgelegenheid. Daaronder zijn casussen in regio’s die zijn opgenomen in het NPVR.
In het kabinet zijn afspraken gemaakt waarmee de minister van BZK een adviserende rol heeft gekregen om ministers te ondersteunen bij het toewerken naar een betere spreiding van hun organisatie. Tegelijkertijd moet er rekening worden gehouden met de grondwettelijke verhoudingen die bepalen dat iedere minister verantwoordelijk is voor de eigen organisatie. Als een nieuwe rijksdienst wordt opgericht of als een bestaande rijksdienst groeit of andere huisvesting nodig heeft, ga ik in gesprek met mijn collega-bewindspersoon over een locatie die recht doet aan zowel de regio als de betreffende rijksdienst. Daar betrek ik de regioprofielen van provincies en regio’s bij. In de afgelopen periode heb ik meerdere malen mijn adviesbevoegdheid ingezet om locatiekeuzes te beïnvloeden. De afspraken in het kabinet zijn een breuk met hoe tot nu toe locatiekeuzes door ministers werden gemaakt.
Het tot stand brengen van passende huisvestingsoplossingen en het daarmee realiseren van een andere koers voor de rijkswerkgelegenheid is een proces van langere adem. Internalisering van de rijksbrede aanpak en continuering van de samenwerking met provincies en regio’s zijn daarbij vereist.
Bereikbaarheid op Peil en publieke mobiliteit
In maart 2025 is het kabinetsstandpunt 'Bereikbaarheid op Peil' naar de Kamer gestuurd15, waarin de ambitie is beschreven om bereikbaarheid van essentiële voorzieningen en banen centraler te stellen in beleid. In gesprek met medeoverheden en maatschappelijke partijen is gebleken dat uniforme nationale bereikbaarheidsdoelen niet wenselijk zijn. Daarom is gewerkt aan het bereikbaarheidspeil: een instrument om in heel Nederland bereikbaarheid te kwantificeren, in beeld te brengen en te monitoren.
In de tweede helft van 2025 is samen met decentrale overheden een plan van aanpak opgesteld voor regionale bereikbaarheidsanalyses, dat begin dit jaar in de Bestuurlijk overleggen MIRT is vastgesteld. Per regio wordt vervolgens een bereikbaarheidsprofiel opgesteld met daarin de regionale ontwikkelstrategie. Zo wordt rekening gehouden met de diversiteit van regio's in plaats van generieke nationale doelen te stellen.
Meer concreet worden stappen gezet ten aanzien van publieke mobiliteit. Publieke mobiliteit kan bijdragen aan de verbetering van de bereikbaarheid van voorzieningen en het terugdringen van vervoersarmoede. Dit is een belangrijk thema in de elf NPVR-regio’s. Met publieke mobiliteit beogen we een integratie van openbaar vervoer en doelgroepenvervoer om te komen tot een effectiever, toegankelijker en inclusiever vervoerssysteem, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. Publieke mobiliteit is een effectief en vraagafhankelijk vervoerssysteem voor alle reizigers, waarbij slim gebruik gemaakt wordt van huidige vervoermiddelen en capaciteiten. Enkele regio’s zijn reeds betrokken, het voornemen is om de aanpak op te schalen naar alle NPVR-regio’s.
Behoud van landelijk/regionaal dekkend opleidingsaanbod
Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) waarborgt, in samenwerking met onderwijsinstellingen, dat het onderwijsaanbod passend, toegankelijk, van goede kwaliteit en arbeidsmarktrelevant is. Hierbij is extra aandacht voor regio’s waar demografische ontwikkelingen leiden tot dalende leerlingen- en studentenaantallen. Er wordt gekeken hoe een stabiele bekostiging kan worden gerealiseerd of waar -tijdelijk- aanvullende bekostiging nodig is. Ook bij de maatschappelijke rol die het onderwijs vervult, zoals voor jongeren uit kansarmere doelgroepen, is uitdrukkelijk aandacht voor de regionale vertaling van landelijke doelstellingen, bijvoorbeeld in de werkagenda-mbo.
Samen met medeoverheden wordt gewerkt aan het versterken van de culturele infrastructuur in heel Nederland. OCW doet onderzoek hoe cultuuruitingen en -middelen op dit moment gespreid zijn. Daarbij wordt ook gekeken naar praktische inzichten en handelingsperspectieven voor toekomstig beleid. Voor specifieke thema’s heeft OCW aandacht voor de regio, bijvoorbeeld door onderwijsregio’s te faciliteren in hun aanpak van het personeelstekort in het onderwijs of door bestaande en ontluikende samenwerkingsinitiatieven in regionale ecosystemen op LLO-gebied te stimuleren. Daarnaast werkt OCW op het gebied van wetenschapsbeleid ook samen met en in de regio bijvoorbeeld binnen het Delta Climate Center in Zeeland, de AI-fabriek in Groningen16 en de voorbereidingen voor de Einstein Telescope in Zuid-Limburg.
Arbeidsmarkt
Bij het realiseren van groene en digitale transitie, het versterken van weerbaarheid en in sectoren als onderwijs en zorg is het niet kunnen vinden van geschikt personeel een groot probleem. Dit terwijl er ook mensen ongewild langs de kant staan of werk doen dat niet past bij hun talenten en mogelijkheden. Zij kunnen moeilijk de juiste ondersteuning vinden om aan het werk te komen en voor het aanleren van ontbrekende skills om aan de slag te gaan. Ook in de elf regio’s is dit een grote opgave. De ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Economische Zaken en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen werken daarom aan het verbeteren van de arbeidsmarktinfrastructuur zodat de sociale opgave, de economische opgave en de ontwikkelopgave in samenhang worden opgepakt. Per 1 januari 2027 wordt dit wettelijk geregeld. In elke van de 35 arbeidsmarktregio’s worden Werkcentra geopend waar werkenden, werkzoekenden en werkgevers met hun vragen terechtkunnen. Vanuit een brede publiek-private samenwerking werken gemeenten, UWV, sociaal ontwikkelbedrijven, vakbonden, werkgeversorganisaties, SBB en scholingsorganisaties aan urgente problemen in de regio en maken hier afspraken over in meerjarenagenda. De minister van SZW informeert het eerste kwartaal van 2026 uw Kamer over de voortgang.
Kennisontwikkelingen en monitoring
Samen met de betrokken departementen en de elf regio’s ontwikkelen we een dashboard dat de ontwikkelingen over tijd zichtbaar maakt, zowel per regio als voor het programma als geheel. Het bevat zowel kwantitatieve indicatoren als kwalitatieve duiding en kan door regio’s zelf worden aangevuld en gebruikt voor hun beleidsontwikkeling.
Als rijk zetten we concrete stappen om elkaars informatie beter te benutten. In het dashboard wordt bijvoorbeeld ook de bereikbaarheid van voorzieningen in beeld gebracht. Een onderdeel hiervan volgt uit de samenwerking tussen het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) ten behoeve van de monitoring van het hiervoor genoemde programma Bereikbaarheid op Peil. Op deze manier ontstaat beter inzicht in waarom opgaven zich in bepaalde regio’s anders manifesteren dan elders en hoe gerichte oplossingen kunnen worden ontwikkeld. Deze specifieke monitor komt landsdekkend beschikbaar en kan zodoende ook door andere gebiedsgerichte programma’s en regio’s gebruikt worden.
BZK zet samen met het Centraal Bureau voor de Statistiek in op het duurzaam beschikbaar stellen van grensoverstijgende data over Nederland, België, Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen samen, om te voorkomen dat dataverzameling stopt aan de landsgrens. Het doel van dit project is om structureel 360-graden data over de grensregio beschikbaar te stellen voor beleidsmakers op nationaal, regionaal en lokaal niveau.17 Vanzelfsprekend worden deze data onderdeel van het bovengenoemde dashboard.
Tevens investeren we in gestructureerde reflectie tussen rijk en regio en binnen het rijk. Zo ontstaat een duurzaam en gedeeld fundament voor het aanpakken van maatschappelijke opgaven in alle delen van Nederland en verdiepen we de kennis over hoe beleid uitpakt in de praktijk. Dit doen we tussen de regio’s onderling, en tussen rijk en regio’s. Ook de rijksvertegenwoordigers en bestuurlijk trekkers ontmoeten elkaar jaarlijks en nemen deel aan gezamenlijke verdiepingssessies over regionale opgaven en de rol van het rijk.
Rural Review
In de vorige brief18 benoemde ik het belang van Rural Proofing, waarvoor ik samen optrek met het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN). Rural Proofing heeft als doel om te zorgen dat beleid aansluit bij de context en opgaven van het landelijke gebied. Met de Rural Policy Review zal uitwerking worden gegeven geschiktheid van beleid bij plattelandsgebieden conform motie van der Plas19 waarin het kabinet wordt verzocht dit verder te onderzoeken. De Rural Policy Review is op woensdag 24 september van start gegaan met een startbijeenkomst met stakeholders uit het landelijk gebied en mededepartementen. Momenteel vindt er een deskresearch plaats en de volgende stap zijn gesprekken met regio’s. Het onderzoekstraject loopt tot begin 2027.
Tot slot en hoe we uw kamer informeren
Zoals aan het begin van de brief gezegd, is het van essentieel belang dat de inzet en samenwerking binnen het NPVR wordt voortgezet, om ervoor te zorgen dat al onze inwoners gelijkwaardige kansen hebben, ongeacht waar iemand geboren is en woont. Het is aan een volgend kabinet om een afweging te maken over eventuele herbestemming van middelen en extra investeringen. Komend jaar zal worden doorgewerkt aan regionale verdieping en concretisering van de opgaven om tot gedragen uitvoeringsagenda’s te komen.
Uw Kamer zal eind 2026 weer worden geïnformeerd over de stand van zaken van de uitvoeringsagenda’s, daaraan gekoppelde afspraken per regio en de doorvertaling in financiële behoeften per regio.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
F. Rijkaart
Kamerstuk 29697, nr. 114 en Commissiedebat op 25 oktober 2023.↩︎
Kamerstuk 29697, nr. 158↩︎
Het NPVR heeft drie overkoepelende doelstellingen: 1. Veilige en leefbare regio’s; 2. Een duurzaam en bereikbaar voorzieningenniveau; 3. Een gezonde en kansrijke toekomst voor inwoners in de regio’s.↩︎
De raming is gemaakt voor de komende tien jaar en bedraagt cumulatief 10,5 miljard↩︎
In bijna alle regio’s loopt op dit moment een Regio Deal.↩︎
Kamerstuk 29697, nr. 167↩︎
Kamerstuk 29697, nr. 173↩︎
De raming is gemaakt voor de komende tien jaar en bedraagt cumulatief 10,5 miljard.↩︎
Een belangrijke kanttekening met betrekking tot ‘niet-nieuwbouw gevonden investeringen in openbare ruimte en veiligheid’ is dat de raming hiervan voor een belangrijk deel gebaseerd is op cijfers uit steden in het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV). De NPLV-gebieden zijn niet één-op-één vergelijkbaar met de NPVR-regio’s. Dit maakt dat de indicatieve raming voor dit onderdeel op dit moment nog onvoldoende concreet is onderbouwd en in het vervolgproces verder moet worden uitgewerkt.↩︎
www.schakelpunt.eu↩︎
Deze evaluatie wordt door het Ministerie van BZK en het Institute for Transnational and Euregional cross border cooperation and Mobility (ITEM) verricht.↩︎
Kamerstuk 29435, nr. 269↩︎
Hierin worden vijf gebiedsgerichte strategieën onderscheiden die per regio invulling geven aan de opgaven rondom woningbouw, werkgelegenheid en voorzieningen: versterken, initiëren, stimuleren, transformeren en accommoderen.↩︎
Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31490, nr. 390↩︎
Kamerstuk 31305, nr. 489↩︎
Kamerstuk 26643, nr. 1424↩︎
Deze data is open source beschikbaar op de website http://grensdata.eu en bevat de volgende thema’s: arbeid, economie, bedrijvendemografie, bevolking, grenspendel, onderwijs en wonen. De onderwerpen mobiliteit en voorzieningen worden voorzien in 2026.↩︎
Kamerstuk 29697, nr. 173↩︎
Kamerstuk 36410, nr. 121↩︎