Antwoord op vragen van de leden Wendel en Becker over het bericht dat de kinderrechter Jeugdbescherming Noord ontslaat in zaak waarbij vader van jongen (3) de moeder vermoordde
Antwoord schriftelijke vragen
Nummer: 2026D04666, datum: 2026-01-30, bijgewerkt: 2026-02-01 15:27, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: A.C.L. Rutte, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Ooit VVD kamerlid)
Onderdeel van zaak 2026Z00995:
- Gericht aan: A.C.L. Rutte, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
- Indiener: H. Wendel, Tweede Kamerlid
- Medeindiener: B. Becker, Tweede Kamerlid
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (đ origineel)
AH 995
2026Z00995
Antwoord van staatssecretaris Rutte (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 30 januari 2026)
Vraag 1
Bent u bekend met het artikel âKritische kinderrechter ontslaat Jeugdbescherming Noord in zaak waarbij vader van jongen (3) de moeder vermoorddeâ in het Dagblad van het Noorden d.d. 16 januari 2026 inzake de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (ECLI:NL:RBNNE:2026:78)?
Antwoord op vraag 1
Ja
Vraag 2
Hoe vaak is het de afgelopen vijf jaar voorgekomen dat een rechter op deze wijze de voogdij van een gecertificeerde instelling (GI) beëindigt?
Antwoord op vraag 2
Dit wordt niet landelijk bijgehouden.
Vraag 3
Hoe weegt u deze uitspraak in het licht van het verscherpte toezicht vanuit de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) op Jeugdbescherming Noord?
Antwoord op vraag 3
De rechtbank Noord-Nederland verwijst in onderhavige uitspraak zelf naar het verscherpte toezicht: âde GI staat sinds 24 juli 2025 onder verscherpt toezicht van de Inspecties Gezondheidszorg en Jeugd en Justitie en Veiligheid. Door de GI is betwist dat de organisatorische en personele problemen binnen de GI van invloed zijn geweest op deze zaak. Hoewel in deze procedure niet met zekerheid kan worden vastgesteld of en zo ja, in welke mate de algehele organisatorische en personele omstandigheden organisatie breed, direct van invloed zijn geweest op de taakuitvoering door de GI in dĂ©ze specifieke zaak, zullen deze zeker niet hebben bijgedragen aan de wijze waarop de voogdij over [minderjarige] is uitgevoerd. Hoewel er in het geval van [minderjarige] wel bij aanvang van de voogdij twee jeugdzorgwerkers beschikbaar waren om de maatregel uit te voeren, heeft dit niet er toe geleid dat er ook tijdig passende hulp is ingezet. Dit blijkt duidelijk uit het feit dat [minderjarige] pas op 14 oktober 2025, bijna anderhalf jaar na het instellen van de voogdijmaatregel, is gestart met therapie bij GGZ Drenthe. Uit de voorgaande overwegingen blijkt verder dat het in deze casus heeft ontbroken aan een grondige analyse van de problematiek en complexe verhoudingen van alle bij [minderjarige] betrokken volwassenen. Er is onvoldoende regie gevoerd op de hulpverlening aan [minderjarige] , maar ook op het contact en de samenwerking met de nabestaanden en de verhoudingen binnen het netwerk rondom [minderjarige] . Dit zijn gebreken in de taakuitoefening die wat de rechtbank betreft terug te voeren zijn op tekortkomingen weergegeven in het rapport van de Inspecties.â Ik heb daar niets aan toe te voegen.
Jeugdbescherming Noord heeft laten weten deze zaak te evalueren met hulp van externe deskundigheid. De uitkomsten van deze evaluatie zal ook worden gedeeld met andere GIâs.
Vraag 4
Hoe weegt u deze uitspraak in het licht van de kritische rapporten âAls zelfs overheidsingrijpen kinderen geen bescherming biedtâ en âKwetsbare kinderen, kwetsbaar stelselâ van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Justitie en Veiligheid? Kunt u in antwoord op deze vraag ook toelichten of en zo ja welke systeemverantwoordelijkheid u ziet wanneer een rechter ook in deze casus zo expliciet concludeert dat âgeen verantwoorde hulpâ is geleverd?
Antwoord op vraag 4
In de brief van 2 december 20251 naar aanleiding van genoemde rapporten van de inspecties zijn de staatssecretaris van Jeugd, Preventie en Sport en ik uitvoerig ingegaan op de conclusies van de inspecties. We hebben daarin aangegeven te herkennen dat de kwaliteit van de jeugdbescherming (en jeugdreclassering) een stelsel- en niet alleen een organisatievraagstuk is. Er is een fundamentele verandering van de huidige werkwijze in de jeugdbeschermingsketen en de brede jeugdzorg nodig. In de brief van 2 december 2025 zijn we nader ingegaan op wat daarvoor nodig is en hoe we daaraan werken, onder meer via de Hervormingsagenda en het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming.
Vraag 5
Deelt u de mening dat het belang van het kind bij partnerdoding altijd voorop zou moeten staan? Klopt het dat bij partnerdoding zonder strafrechtelijke vervolging (bijvoorbeeld door overlijden van de verdachte) in de praktijk soms terughoudendheid ontstaat om de feiten als uitgangspunt te nemen? Hoe voorkomt u dat kinderen hierdoor in onzekerheid blijven?
Antwoord op vraag 5
Het belang en de veiligheid van het kind moeten inderdaad altijd voorop staan. Er is geen terughoudendheid om de feiten als uitgangspunt te nemen. Bij een strafrechtelijk onderzoek staan de feiten dankzij het politieonderzoek op een rij. Wanneer er geen strafrechtelijke vervolging is kan het zijn dat het ingewikkelder is om de feiten vast te stellen. Het uitgangspunt is altijd de veiligheid en de ontwikkeling van het kind
Vraag 6
Vindt u het wenselijk dat er door een GI kan worden afgeweken van het 'Handelingsprotocol gezag, contact/omgang en hulp na partnerdoding' wanneer sprake is van partnerdoding? Zo nee, hoe gaat u voorkomen dat hier in de toekomst sprake van kan zijn?
Antwoord op vraag 6
In algemene zin is het uiteraard wenselijk dat dit handelingsprotocol wordt gevolgd door de betrokken organisaties. We weten dat kinderen die te maken krijgen met huiselijk geweld, extra kwetsbaar zijn. Dat geldt in het bijzonder als er sprake is van partnerdoding. De hulp, bescherming en begeleiding van kinderen die hiermee te maken krijgen moet beter. Het âAanpakplan Kinderen van femicideslachtoffers en femicide-overleversâ van de Federatie Nabestaanden Geweldsslachtoffers en de Blijf Groep en ook de opbrengsten van het rondetafelgesprek in uw Kamer van 22 januari jl. naar aanleiding van dit aanpakplan, bieden handvatten voor deze verbetering. Bij het verder concretiseren hiervan zal ik â in samenwerking met de betrokken organisaties â het gebruik van het Handelingsprotocol met voorrang oppakken. U wordt uiterlijk voor de zomer van 2026 geĂŻnformeerd over de voortgang van dit verbetertraject.
Vraag 7
Is er momenteel sprake van een zekere vorm van prioritering binnen de hulpverlening die wordt geboden door de GIâs, bijvoorbeeld op basis van de ernst van een casus? Zo ja, op welke wijze is dit ingericht? En leidt partnerdoding tot een prioritering van hulpverlening aan kinderen die onder voogdij geplaatst worden bij een GI?
Antwoord op vraag 7
GIâs werken met het âhandelingsperspectief en veldnorm bij onderbezettingâ. Dit houdt in dat bij onderbezetting de uitvoering van jeugdbeschermingsmaatregelen geprioriteerd wordt op basis van acute kindonveiligheid. Dit wordt gefaseerd ingericht waarbij de veiligheid en ontwikkeling van het kind centraal blijven staan. Prioritering is onderdeel van de veldnorm en vindt doorgaans plaats in geval van directe kindonveiligheid, zoals (dreiging van) geweld, misbruik of ernstige verwaarlozing. De capaciteit van een GI wordt gericht ingezet waar de risicoâs op acute onveiligheid het grootst zijn.
In onderhavige casus blijkt uit de uitspraak van de rechtbank dat er bij aanvang van de voogdij twee jeugdzorgwerkers beschikbaar waren om de maatregel uit te voeren. De GIâs hebben laten weten dat zij altijd prioriteit geven aan de hulp aan kinderen in gevallen van partnerdoding.
Vraag 8
Kunt u de Kamer informeren welke concrete maatregelen u neemt om te voorkomen dat kinderen na partnerdoding/femicide opnieuw schade oplopen door gebrek aan regie, expertise of tijdige hulp vanuit de GI of een andere instantie?
Antwoord op vraag 8
Dit wordt onderdeel van de bredere reactie op het âAanpakplan Kinderen van femicideslachtoffers en femicide-overleversâ. In de brief aan de Kamer van 19 december jl. met antwoorden op de Kamervragen over het aanpakplan is toegezegd dat deze reactie uiterlijk voor de zomer van 2026 volgt.
Vraag 9
Kunt u deze vragen individueel beantwoorden voorafgaand aan het wetgevingsoverleg Jeugd d.d. 2 februari 2026?
Antwoord op vraag 9
Ja
Kamerstukken II 2025/2026, 31839 nr 1113â©ïž