Reactie op verzoek commissie over brieven van de Waddenvereniging en de provincies Groningen en Friesland
Gaswinning
Brief regering
Nummer: 2026D06333, datum: 2026-02-10, bijgewerkt: 2026-02-10 14:15, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: S.T.M. Hermans, minister van Klimaat en Groene Groei (Ooit VVD kamerlid)
Onderdeel van kamerstukdossier 33529 -1373 Gaswinning.
Onderdeel van zaak 2026Z02815:
- Indiener: S.T.M. Hermans, minister van Klimaat en Groene Groei
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei
- 2026-02-24 17:00: Procedurevergadering Klimaat en Groene Groei (Procedurevergadering), vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei
Preview document (đ origineel)
Geachte Voorzitter,
Op 5 februari ontving het kabinet het verzoek van de commissie voor Klimaat en Groene Groei om voor het tweeminutendebat Mijnbouw dat gepland staat op dinsdag 10 februari te reageren op brieven van de Waddenvereniging en de provincies Groningen en Friesland1. In deze brief geeft het kabinet een reactie op de inhoud van deze brieven.
Waddenvereniging
De waddenvereniging doet in haar brief twee suggesties richting de Tweede Kamer:
âFracties kunnen er bij de Minister op aandringen eerst alle aanbevelingen uit een voorgaande evaluatie âhand aan de kraanâ te laten uitvoeren voordat instemmingsbesluiten worden gegeven aan nieuwe of gewijzigde winningsplannen bijvoorbeeld zoutwinning onder de Waddenzee.â
De Kamer is op 28 juni 2021 geĂŻnformeerd2 over de effectiviteit van de âhand-aan-de-kraanâ-methodiek naar aanleiding van de evaluatie. De aanleiding van de evaluatie was de gewijzigde motie van het lid Dik-Faber c.s.3, waarin werd verzocht om onafhankelijk advies te vragen aan een wetenschappelijk panel over de effectiviteit van mijnbouw met de âhand-aan-de-kraanâ-methodiek. Hiervoor is in 2020 het Adviescollege âhand aan de kraanâ-principe Waddenzee ingesteld en zijn experts benoemd tot lid. Op basis van een uitgebreide en kritische review van relevante wetenschappelijke literatuur, haar eigen expertise, en de ingebrachte informatie van partijen als de Nederlandse Unesco Commissie, de Waddenvereniging, het advies van SodM (Zeespiegelscenario 2021-2026 voor âHand aan de Kraanâ), KNMI, Deltares en de Auditcommissies gas- en zoutwinning onder de Waddenzee, heeft het Adviescollege op 8 januari 2021 haar advies uitgebracht, getiteld âDe toekomst van de Hand aan de Kraan â omgaan met onzekerhedenâ. Samengevat stelt het Adviescollege vast dat de âhand-aan-de-kraanâ-methodiek heeft voldaan. Richting de toekomst achtte het Adviescollege echter een betere analyse van onzekerheden op langere termijn wenselijk, met name waar het gaat om de verwachte zeespiegelstijging en de natuurlijke sedimentatie. Inmiddels hebben deze aanvullende analyses plaatsgevonden, uw Kamer is hierover geĂŻnformeerd op 4 september 20254.Hierover het volgende.
EĂ©n van de aanbevelingen was om te onderzoeken hoe een verbeterde, geĂŻntegreerde âhand-aan-de-kraanâ- methodiek kan worden ontwikkeld en toegepast, die rekening houdt met de niet geringe onzekerheden op de lange(re) termijn. TNO heeft hiervoor een verkenning uitgevoerd van de haalbaarheid van een zuiver probabilistische gebruiksruimtetoets. De resultaten van de haalbaarheidsstudie van TNO geven aan dat de huidige methodiek vaak eerder een overschrijding van de gebruiksruimte geeft dan methodes die rekening houden met de onzekerheden op lange termijn, uitzondering is de jaarlijkse overschrijdingskans voor de komberging Vlie. De huidige methodiek is in vergelijking met een zuiver probabilistische methode conservatiever en biedt daarmee meer zekerheid over de bescherming van de uitzonderlijke universele waarden (OUV) van de Waddenzee.
Een andere aanbeveling van de evaluatie was om het meegroeivermogen eenduidig vast te stellen inclusief onzekerheden. Deltares heeft hiervoor een studie uitgevoerd naar het meegroeivermogen van de kombergingen gerelateerd aan de kritische zeespiegelstijgingssnelheid voor verdrinking in de Nederlandse Waddenzee. Hiermee wordt een duidelijke en transparante methodiek gehanteerd om het meegroeivermogen te definiĂ«ren. De meegroeivermogens die op deze manier zijn bepaald voor de bekkens van Marsdiep, Vlie, Pinkegat en Zoutkamperlaag zijn respectievelijk 7,8 mm/jr; 7,0 mm/jr; 10,2 mm/jr en 6,8 mm/jr. Deze liggen allen boven de huidige waarden die in de âhand-aan-de-kraanâ methodiek worden gehanteerd. Ook hiermee is dus de huidige invulling van de âhand-aan-de-kraanâ-methode conservatiever.
De aanbeveling over de zeespiegelstijging is uitgevoerd door experts te vragen naar een nieuw advies over zeespiegelstijging. Dit advies is in 2024 opgeleverd en meegenomen in het gebruiksruimtebesluit, met daarin een aanscherping van de gebruiksruimte voor delfstoffenwinning in de Waddenzee, van 25 april 2024.5
Het kabinet heeft begrip voor de zorgen. Tegelijkertijd blijkt uit diverse onderzoeken dat de huidige âhand-aan-de-kraanâ- methode voldoet en op diverse punten zelfs conservatiever (veiliger) is dan eerder gedacht. Het is aan een volgend kabinet om te bepalen hoe om te gaan met deze nieuwe inzichten die meer ruimte lijken te geven voor activiteiten in de Waddenzee dan het huidige vastgestelde âhand-aan-de-kraanâ-beleid.
âFracties kunnen vragen of de Minister bereid is om op korte termijn bilaterale gesprekken op te starten met de Bondsrepubliek Duitsland met als inzet het behoud van de werelderfgoedstatus van de Waddenzee in relatie tot de winning en verwerking van zout door het Duitse bedrijf K&S uit Kassel waar ESCO/Frisia onderdeel van is.â
Het kabinet bewaakt binnen bestaande wettelijke kaders dat door (vergunde en nog te vergunnen) activiteiten in en onder de Waddenzee de natuurwaarden niet worden aangetast. Op 1 mei 2024 is een wijziging van de Mijnbouwwet in werking getreden dat bepaalt dat nieuwe winning van delfstoffen onder de Waddenzee niet langer zal worden toegestaan. Aanvragen voor (de wijziging van) winningsplannen die vóór 1 mei 2024 zijn ingediend worden volgens het in de Mijnbouwwet opgenomen overgangsrecht nog afgehandeld. Ook dat kan alleen wanneer winning - van in dit geval zout - veilig en verantwoord kan.
De bestaande winning van zout en gas was onderdeel van de aanvraag van de Unesco werelderfgoedstatus van de Waddenzee in 2009. De bestaande winning en de lopende wijzigingsaanvraag van Frisia hebben op dit moment geen invloed op die status. Sinds 1978 werken Denemarken, Duitsland en Nederland samen om de Waddenzee als een ecologische eenheid te beschermen. Daarvoor is een bestaande overlegstructuur die op gezette momenten samenkomt. Deze samenwerking is gebaseerd op de Joint Declaration on the Protection of the Wadden Sea.6 Aanvullend bilateraal overleg is daarmee niet nodig.
Reactie Provincie Friesland aanvullende afspraken gaswinning op land
In de brief van de provincie Friesland wordt namens de Friese mijnbouwtafel waardering uitgesproken dat het sectorakkoord land verder gaat dan de bestaande wet- en regelgeving. Afspraken rond het zorgvuldig betrekken van de omgeving worden op prijs gesteld evenals inzage in de mijnbouwprojecten op korte termijn. Ook de aanvullende afspraken over veiligheid rond gaswinning worden gewaardeerd.
De provincie Friesland vraagt aandacht voor vier belangrijke zaken, die naar hun oordeel onderdeel hadden moeten uitmaken van het vastgestelde akkoord. Die vier punten betreffen:
âHet afbouwpad betekent voor de provincie FryslĂąn een voortzetting van gaswinningâ. De provincie concludeert dat het afbouwpad afgevlakt is en dat onvoldoende duidelijk is waar wel en geen gas gewonnen wordt.
In reactie hierop benadrukt het kabinet dat voor de transitie naar een klimaatneutraal energiesysteem aardgas voorlopig nodig blijft. Het kabinet geeft daarbij de voorkeur aan aardgas met zo min mogelijk klimaatimpact en zo min mogelijk afhankelijkheid van andere landen. Het sectorakkoord âGaswinning in de energietransitieâ en de bijbehorende aanvullende afspraken voor gaswinning op land dragen hieraan bij. De EBN-analyse (in bijlage II van het sectorakkoord land) laat het afbouwpad zien. Daarin is onder meer te zien dat het afbouwpad van gaswinning uit kleine velden veel sneller gaat dan de binnenlandse vraag naar aardgas (van circa 16 miljard m3 gaswinning op land in 2000 naar circa 3 miljard m3 in 2024). Hierdoor neemt de importafhankelijkheid van Nederland toe. Dat wil het kabinet waar mogelijk voorkomen en daarom wordt ingezet op een verantwoorde afbouw. Onder een verantwoorde afbouw wordt verstaan het dempen ofwel tijdelijk afvlakken van de versnelde afbouw. Het gaat dus om stabilisatie van de gaswinning uit kleine velden op land voor de eerste periode ten behoeve leveringszekerheid en het verkleinen van de importafhankelijkheid van Nederland en een daling daarna. De verantwoorde afbouw van gaswinning op land dient verder bezien te worden in de context waarin al meer afspraken over afbouw gelden, zoals de in deze brief genoemde op 1 mei 2024 in werking getreden wijziging van de Mijnbouwwet dat bepaalt dat nieuwe winning van delfstoffen onder de Waddenzee niet langer zal worden toegestaan.
De wens van de provincie Friesland om op projectniveau inzage te krijgen in waar wel of geen gaswinning plaatsvindt is vanwege de bedrijfsvoering en de bedrijfsvertrouwelijkheid niet mogelijk. Daarom is â in aanvulling op de EBN-analyse in bijlage II van het sectorakkoord land â met gaswinningsbedrijven de afspraak gemaakt om op verzoek van medeoverheden periodiek inzage te geven in de lopende en de op korte- en middellange termijn voorgenomen gaswinningsprojecten. Deze afspraak draagt bij aan de gevraagde duidelijkheid op projectniveau en is uitvoerbaar voor gaswinningsbedrijven. Hiermee is invulling gegeven aan de wens van medeoverheden om meer duidelijkheid te krijgen.
âKwetsbare gebieden, zoals veenweide, worden nog niet uitgesloten van gaswinning, terwijl hier wel onherstelbare schade ontstaat.â De provincie verzoekt om op grond van het voorzorgsprincipe veenweidegebieden uit te sluiten van gaswinning totdat de resultaten van onderzoek bekend zijn.
Allereerst wil het kabinet benadrukken dat gaswinning alleen mogelijk is als het veilig en verantwoord gewonnen kan worden. Dat geldt ook voor kwetsbare gebieden, zoals veenweidegebieden. Daarin wordt niet alleen gekeken naar het hier en nu maar worden ook waarborgen opgenomen voor de nabije toekomst (30 jaar) waarop wordt gemonitord.
Ten aanzien van het voorzorgsprincipe acht dit kabinet het niet proportioneel om op voorhand slechts één activiteit uit te sluiten, namelijk gaswinning, zonder daarbij ook naar alle andere activiteiten te kijken die van invloed zijn op bodemdaling in veenweidegebieden.
Dat betekent niet dat dit kabinet geen oog heeft voor de effecten en de zorgen. Die worden geadresseerd door onderzoek te blijven doen, waarbij de Friese medeoverheden ook nauw zijn en worden betrokken. De eerste onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om nu te stoppen met gaswinning in veenweidegebieden7. Of een winningsvergunning kan worden verleend of kan worden ingestemd met een winningsplan onder veenweidegebied en onder welke voorwaarden moet project specifiek worden beoordeeld. Dat gebeurt op dit moment. De resultaten pleiten wel voor vervolgonderzoek en daar werkt het ministerie van Klimaat en Groene Groei in goede samenwerking aan met Friese medeoverheden. Zo is dit jaar gestart met een meerjarig vervolgonderzoek dat wordt uitgevoerd door TNO en Deltares. Ook heeft het Wetterskip samen met de Commissie Bodemdaling Aardgaswinning FryslĂąn (CBAF) een onderzoek uitgezet bij Arcadis om in beeld te brengen hoe de compensatie van de negatieve gevolgen van bodemdaling door onder meer aardgaswinning in veenweidegebied De Hegewarren kan worden opgepakt. Het gaat daarbij om een verkenning naar alternatieven voor schadebepaling en -herstel. Uitkomsten van deze en mogelijk ook toekomstig vervolgonderzoeken zullen te zijner tijd worden meegenomen in de besluitvorming. Daarop kan nu niet worden vooruitgelopen.
âHet voorstel tot batendeling wordt niet gedragen door de Friese overhedenâ. De provincie verzoekt een hoger percentage, namelijk 33% met daarin nadrukkelijk een bijdrage vanuit het Rijk.
Het kabinet begrijpt de wens van de Provincie Friesland om mee te delen in de gasbaten. Het kabinet heeft gekeken wat mogelijk is. Dat heeft geleid tot batendeling in de vorm van een extra bijdrage vanuit de sector aan de regio.
Omdat gaswinningsbedrijven al bijna 70% van de gasbaten afdragen aan de overheid â in de vorm van onder meer heffingen en belastingen - is een percentage van 33% onrealistisch en bovendien niet afdwingbaar. Het kabinet acht de gemaakte afspraak van 5% van de netto-opbrengsten van een gaswinning een goede uitwerking van de wens van de regio om mee te delen in de gasbaten. Aan de bijdrage vanuit het gaswinningsbedrijf in de richting van de regio betaalt de Rijksoverheid overigens indirect mee (via de deelname van EBN, benutting van de investeringsaftrek en lagere belastinginkomsten).
Het kabinet meent met deze afspraak een eerlijke en haalbare formule te hebben gevonden die de regio in de praktijk per project een paar miljoen euro kan opleveren. Dat is veel geld dat gaswinningsbedrijven vrijwillig bijdragen aan de regio. Voor een aanvullende bijdrage vanuit het Rijk waarop de Friese overheden lijken te doelen ziet dit kabinet binnen de huidige begroting en begrotingssystematiek geen ruimte.
âHet indienen van bezwaar en beroep wordt financieel afgestraftâ. De provincie verzoekt om de randvoorwaarde (die stelt dat batendeling start wanneer de vergunning onherroepelijk is) te laten vervallen.
De betreffende randvoorwaarde waar de provincie Friesland naar verwijst moet bezien worden in het samenstel van alle gemaakte afspraken en staat de rechtsgang niet in de weg. Beroep of bezwaar blijft mogelijk en de regio blijft aanspraak maken op batendeling over het gewonnen volume. De batendeling gaat alleen lopen vanaf het moment dat de instemming met het winningsplan en de andere benodigde vergunningen onherroepelijk zijn. Reden om deze randvoorwaarde op te nemen heeft te maken met het risico dat een gaswinningsbedrijf loopt tijdens een beroep- of bezwaarprocedure. Dat zorgt voor grote onzekerheid en financiĂ«le risico's voor het bedrijf en in die periode is batendeling, waartoe gaswinningsbedrijven zich vrijwillig hebben gebonden, niet passend. Een gaswinningbedrijf staat dan voor de keuze om de beroepsprocedure af te wachten of alvast te starten met alle risicoâs van dien. In beide gevallen is de verwachting dat de bedoelde randvoorwaarde geen tot slechts een beperkte uitwerking op de batendeling met de regio zal hebben omdat een gaswinningsbedrijf vaak een beroepsprocedure zal afwachten alvorens grote investeringen te doen en gaswinning waarop batendeling betrekking heeft over het algemeen pas later in of na afloop van een beroepsprocedure daadwerkelijk zal worden gestart. Omdat de batendeling wordt afgedragen op basis van daadwerkelijk gewonnen volume aardgas zal het effect van deze randvoorwaarde hierdoor gering zijn.
In aanvulling hierop is het goed om te beseffen dat mocht een gaswinningsbedrijf gebruik maken van de investeringsaftrek het genoten voordeel te allen tijde ten goede komt aan de regio. Dus ook als de winning uiteindelijk niet door zou gaan. Het Rijk zal de daadwerkelijke batendeling met de regio monitoren.
Reactie Provincie Groningen aanvullende afspraken gaswinning op land
In de brief gaat de Provincie Groningen mede namens hun overlegplatform Mijnbouwtafel Groningen in op enkele knelpunten die ze signaleren in de uitwerking van het sectorakkoord:
âStandpunt provincie Groningenâ. Het standpunt van de provincie is dat de gaswinning zo spoedig mogelijk moet worden beĂ«indigd omdat inwoners nog steeds te maken hebben met de effecten van de gaswinning. De beving in Zeerijp vorig jaar november wordt daarbij als voorbeeld genoemd.
Het kabinet betreurt het dat er nog steeds aardbevingen plaatsvinden. Het kabinet realiseert zich terdege dat door deze bevingen omwonenden opnieuw kunnen worden blootgesteld aan gevoelens van onrust en onveiligheid en in sommige gevallen ook (opnieuw) geconfronteerd worden met schade aan hun woning. De Kamer is op 9 december 20258 geĂŻnformeerd over de beving in Zeerijp en de te nemen vervolgacties. De beving in Zeerijp is niet het gevolg van gaswinning uit kleine velden maar het gevolg van natrillingen. Hoewel de impact van de beving aanzienlijk is, staat deze los van de gaswinning in kleine velden.
Het belang van gaswinning uit kleine velden in Nederland is toegenomen door de sluiting van het Groningenveld. Op dit moment wordt er uit circa 250 kleine gasvelden op land en de Noordzee gas gewonnen; waarvan ongeveer 1/3 op land. Deze winning is van cruciaal belang geworden voor de leveringszekerheid en het beperken van de importafhankelijkheid van Nederland. Alle kleine velden dragen daaraan bij. Omdat de gasvoorraden geologisch zijn bepaald is het op voorhand uitsluiten van gebieden niet wenselijk.
Gaswinning uit kleine velden op land zijn van een andere orde dan de voormalige gaswinning uit het Groningenveld. Dat heeft de maken met de omvang van de kleine gasvelden die al gauw een factor 100 â 1000 kleiner zijn dan het Groningenveld. Hetzelfde geldt voor de mogelijk consequenties van gaswinning uit kleine velden: hoewel bevingen nog steeds kunnen optreden, zijn zowel frequentie als schaal ervan niet vergelijkbaar met die van het Groningenveld.
Het kabinet heeft bovendien lering getrokken uit eerdere ervaringen en belangrijke verbeteringen doorgevoerd. Zo is bijvoorbeeld de schadeafhandeling centraal georganiseerd en wordt eventuele schade op een toegankelijke en transparante wijze afgehandeld. De geleerde lessen worden nu toegepast bij de huidige winning uit kleine velden op land.
Vanwege het belang van winning uit kleine gasvelden blijft dit kabinet graag met de provincie Groningen in gesprek over haar belangen en zorgen zodat we gezamenlijk kunnen blijven werken aan de opgave waar we voor staan: realiseren van de energietransitie. De diepe ondergrond speelt daarin een cruciale rol.
âBetrokkenheid bij de totstandkomingâ. De provincie geeft aan op 16 oktober 2025 geĂŻnformeerd te zijn over de status en conceptuele inhoud van het sectorakkoord en daar een brief over gestuurd te hebben waarvan de inhoud niet is verwerkt in het vastgestelde sectorakkoord.
Het ministerie van KGG heeft op meerdere momenten met decentrale overheden gesproken over de totstandkoming van het sectorakkoord land. Omdat gaswinning op land gevoelig kan liggen is gekozen voor een aanpak die medeoverheden de ruimte geeft om open en informeel inbreng te leveren. Vanaf de start was bekend dat de aanvullende afspraken tussen het Rijk en de sector zouden worden gesloten omdat deze onderdeel uitmaken van het op 23 april 2025 vastgestelde âSectorakkoord gaswinning in de Energietransitieâ9. Ook is meerdere keren in het traject benadrukt dat de gemaakte afspraken extraâs zijn op de bestaande waarborgen in wet- en regelgeving om tegemoet te komen aan zorgen van zowel omgeving als de sector.
Naar aanleiding van de bijeenkomst van 16 oktober jl. heeft het ministerie van Klimaat en Groene Groei alle inbreng meegenomen voor de nadere uitwerking van de aanvullende afspraken. Naar aanleiding van dat overleg en de ontvangen reacties is ook bewust gekozen voor een extra overlegmoment met medeoverheden om hen te informeren wat er met hun inbreng is gedaan.
Dat overleg heeft op 7 januari jl. plaatsgevonden en toen is uitgebreid stilgestaan bij de ontvangen reacties en aangegeven tot welke aanpassingen dat heeft geleid in het sectorakkoord land. In dat overleg is aangegeven dat het sectorakkoord land niet op zichzelf staat en dat medeoverheden ook in het kader van andere lopende trajecten inbreng kunnen blijven leveren. Voorbeelden hiervan zijn het programma Duurzaam Gebruik Diepe Ondergrond, de herziening van de Mijnbouwwet en de evaluatie Ekehaar. Dit omdat het sectorakkoord, dat gesloten is met sectorpartijen en zich specifiek richt op de gaswinning, zich niet leent om alles te regelen. Onderdelen van de inbreng van de provincie Groningen zullen in de genoemde andere trajecten worden betrokken. Tot slot is altijd ruimte geboden om in gesprek te gaan en waar nodig een extra overleg in de plannen. De Provincie Groningen heeft van die mogelijk gebruik gemaakt.
âBatendelingâ. De provincie constateert dat de batendeling zich beperkt tot nieuwe gaswinning en dat bestaande gaswinning in de provincie niet in aanmerking komt voor batendeling. De provincie verzoekt om de gasopslag Grijpskerk als nieuwe gaswinning te beschouwen zodat deze in aanmerking komt voor batendeling.
De gemaakte afspraken rond batendeling zien op nieuwe velden of uitbereiding van bestaande winning uit kleine velden op land. Het huidig gebruik van de gasopslagen valt daar niet onder. De mogelijke toekomstige winning van kussengas uit een voorkomen dat nu als gasopslag in gebruik is, waaronder de gasopslag Grijpskerk, daarentegen wel. Voor projecten die de 2 miljard kuub overschrijden worden maatwerkafspraken gemaakt. De mogelijke winning van kussengas uit voorkomens die nu als gasopslag in gebruik zijn zal naar verwachting deze grens passeren en hiervoor geldt dus dat er, als kussengaswinning aan de orde komt, maatwerkafspraken zullen worden gemaakt met betrokken medeoverheden. Mocht het dus tot winning van kussengas komen dan kan de regio rekenen op batendeling.
âGeen concreet afbouwpadâ. Volgens de provincie ontbreekt een concreet afbouwpad en is geen rekening gehouden met kwetsbare gebieden.
Het kabinet verwijst hier naar reactie op de punten 1 en 2 van de Provincie Friesland, eerder in deze brief.
âProcedureelâ. De provincie is van oordeel dat het kabinet geen instemming had moeten verlenen aan het sectorakkoord in de huidige vorm en verzoekt hierover in gesprek te gaan.
Het kabinet blijf graag in gesprek met medeoverheden over het gebruik van de diepe ondergrond voor het realiseren van de energietransitie. Dat doet het kabinet ook, onder meer met het programma Duurzaam Gebruik Diepe Ondergrond, maar ook met het omgevingsproces Zuidwending waarover in december 2025 met de provincie Groningen en de gemeenten Veendam en Pekela een intentieverklaring is getekend. Gaswinning uit kleine velden op land speelt in de energietransitie een belangrijke rol. Zoals tijdens het Commissiedebat Mijnbouw van 29 januari jl. aangegeven is het kabinet niet bereid om het sectorakkoord land ter discussie te stellen. De gemaakte afspraken dragen bij aan een verantwoorde afbouw van de gaswinning op land en zijn extraâs op de bestaande wet- en regelgeving. In overleg met betrokkenen zijn deze aanvullende afspraken gemaakt tussen het Rijk en de sector. Als betrouwbare overheid hecht dit kabinet waarde aan het nakomen van gemaakte afspraken.
Met het Programma Duurzaam Gebruik Diepe Ondergrond, de herziening van de Mijnbouwwet en de aanvullende afspraken voor gaswinning op land beoogt het kabinet te komen tot een zorgvuldig, samenhangend en toekomstbestendig kader voor het gebruik van de diepe ondergrond in Nederland. Daarbij is samenwerking met alle betrokken partijen, waaronder medeoverheden, van groot belang.
Sophie Hermans
Minister van Klimaat en Groene Groei
Uw kenmerken: 2026Z02532/2026D05656; 2026Z02554/2026D05658; 2026Z02556/2026D05659.â©ïž
Kamerstuk 29 684, nr. 2180â©ïž
Kamerstuk 33 529, nr. 739â©ïž
Kamerstuk 29684, nr. 296.â©ïž
Kamerstuk 29684, nr. 273.â©ïž
https://www.waddensea-worldheritage.org/resources/joint-declaration-protection-wadden-seaâ©ïž
Kamerstuk 32 849 nr. 296; https://www.deltares.nl/expertise/publicaties/beantwoording-adviesvragen-t-b-v-belangenafweging-bij-aanvragen-voor-gaswinning-in-friesland-in-verband-met-effecten-bodemdalingâ©ïž
Kamerstuk 33529 nr. 1347â©ïž
Kamerstuk 33529, nr. 1293.â©ïž