Voortgangsrapportage Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid
Brief regering
Nummer: 2026D07101, datum: 2026-02-12, bijgewerkt: 2026-02-12 16:43, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: J.A. Bruijn, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Mede ondertekenaar: J.F. Rummenie, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
- Mede ondertekenaar: F.M. Wiersma, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
- Kamerrapportage Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid 2022-2026
- Draaiboek zoönosen
- Leidraad gezelschapsdieren
- Definitieve overkoepelende rapportage zoönosetraject
- Beslisnota bij Kamerbrief met voortgangsrapportage van het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid
Onderdeel van zaak 2026Z03192:
- Indiener: J.A. Bruijn, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Medeindiener: J.F. Rummenie, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
- Medeindiener: F.M. Wiersma, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
- Volgcommissie: vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Preview document (🔗 origineel)
Geachte voorzitter,
Een uitbraak van een zoönose kan wereldwijd en langdurig tot ontwrichtingen leiden, waarvan de coronapandemie de bekendste is. Deze begon als zoönose en wees ons op de grote impact die een uitbraak kan hebben, en hoe belangrijk het is deze zoveel mogelijk te voorkomen. De dreiging van zoönosen is onverminderd aanwezig. Het kabinet ziet welke impact het vogelgriepvirus momenteel heeft. Met deze brief informeren wij u over het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid. Uw Kamer wordt via andere brieven zeer regelmatig op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen omtrent vogelgriep.
De impact en ontwikkelingen aangaande bijvoorbeeld vogelgriep, de ziekte van Lyme en het Westnijlvirus tonen de noodzaak om het bestaande zoönosenbeleid te versterken. Dat is belangrijk om de weerbaarheid van Nederland op dat vlak te vergroten. Daarom is in 2022 het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid (hierna: actieplan) opgesteld.1 Wij vinden het van groot belang om het risico op het ontstaan van een zoönose(uitbraak) zoveel mogelijk te verkleinen en om goed zicht te hebben op waar dat desondanks toch gebeurt. We willen weerbaar zijn om hiertegen op te treden en om de impact op de volksgezondheid, diergezondheid en de maatschappij zo klein mogelijk te maken.
Het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid in het kort In het actieplan is beschreven hoe het zoönosenbeleid verder wordt versterkt. Het actieplan strekt zich uit over de volle breedte van One Health (leefomgeving, veterinair en humaan), nationaal en internationaal, en richt zich op preventie, detectie en respons. Daarnaast wordt aandacht besteed aan twee doorsnijdende thema’s: de internationale inzet en onderzoek. Het doel van het actieplan is om risico’s op het ontstaan en de verspreiding van zoönosen in de toekomst verder te verkleinen en voorbereid te zijn op een eventuele uitbraak. Dit actieplan wordt uitgevoerd in de periode 2022-2026. Verschillende adviezen zijn benut bij de totstandkoming van het actieplan: het rapport “Zoönosen in het vizier” van de expertgroep onder leiding van dhr. Bekedam2, een evaluatie van de aanpak van SARS-CoV-2 bij nertsen, verschillende adviezen van het Deskundigenberaad Zoönosen en consultatie bij een groot aantal partners uit alle One Health domeinen. Met het actieplan zet het kabinet op alle aspecten van het zoönosenbeleid (preventie, detectie, respons, internationaal en onderzoek) een extra stap om onze aanpak te versterken. De kracht van het actieplan is dat hierin alle acties – groot en klein – samenkomen en dat het totaal van alle acties een substantiële bijdrage levert aan het versterken van het zoönosenbeleid. Volksgezondheid staat daarbij voorop; geen onnodige risico’s voor de gezondheid voor burgers. Maar ook voor veehouders en hun dieren en voor de leefomgeving als geheel is het voorkomen van en voorbereid zijn op uitbraken van zoönosen van belang. |
|---|
In deze brief wordt uw Kamer op hoofdlijnen geïnformeerd over de voortgang van het actieplan, geïllustreerd met een aantal voorbeelden. In de bijgevoegde Kamerrapportage wordt per actie de voortgang toegelicht. Deze Kamerrapportage betreft een update van de rapportage die uw Kamer begin 2025 heeft ontvangen.3
Ook informeren we u hierbij over het verschijnen van de Staat van Zoönosen 2024.4 Dit rapport wordt ieder jaar uitgebracht door het RIVM in opdracht van de NVWA en biedt inzicht in trends van zoönosen in Nederland. De Staat van Zoönosen licht daarnaast elk jaar opmerkelijke infecties uit, zoals de eerste kat met lyssavirus via een vleermuis in Nederland en vogelgriep in melkkoeien in de Verenigde Staten. Vanaf dit jaar geeft de Staat van Zoönosen ook informatie over ziekten die door teken of muggen worden overgebracht.
Belangrijkste voortgang van het versterkte zoönosenbeleid uit 2025
In 2025 zijn mooie verdere stappen gezet in het versterken van het zoönosenbeleid. Een groot aantal acties van het actieplan is afgerond en een deel is nog in uitvoering. Hieronder wordt een aantal belangrijke gerealiseerde mijlpalen uit 2025 uitgelicht.
Bioveiligheid
In de Nederlandse veehouderij is veel aandacht voor bioveiligheid. Dat is ook belangrijk, want een goede bioveiligheid helpt om infecties met dierziekten, waaronder zoönosen, buiten de deur te houden. Het is van belang om continu kritisch te blijven op de bioveiligheid op een bedrijf, en die te blijven optimaliseren. Dat kan met een bedrijfsspecifiek bioveiligheidsplan. In 2025 is het verplichte bioveiligheidsplan voor pluimveebedrijven ingevoerd. De varkenssector is vergevorderd met de implementatie van Holland Varken Quality (ketenkwaliteitssysteem), waarin eisen voor bioveiligheid een essentieel onderdeel zijn. Verder start deze sector in 2026 met de collectieve bestrijding van het PRRS-virus, waarbij het verder verbeteren van de biosecurity één van de pijlers is.
Daarnaast start in 2026 een beleidsondersteunend onderzoek op het gebied van bioveiligheid. Internationaal blijft dit ook een speerpunt, waar we als Nederland inbreng op blijven geven.
Leefomgeving
De (inrichting van de) leefomgeving is van invloed op het zoönoserisico en vraagt dus aandacht. Denk bijvoorbeeld aan het voorkomen van muggen, teken en ratten. De focus ligt op (klimaatadaptatie)maatregelen in de directe leefomgeving van mensen, bijvoorbeeld in stedelijk gebied en/of bebouwde kom. Bij dergelijke aanpassingen in de leefomgeving kunnen onder andere lokale overheden voortaan wat betreft muggen en teken expertise vanuit het door het CMV (NVWA) en het RIVM opgerichte kennisplatform vectorgebonden infectieziekten (KPVI) inwinnen.
Ook worden handreikingen opgesteld voor decentrale overheden om zoönosenrisico’s mee te kunnen wegen bij de inrichting van de leefomgeving. Wageningen University & Research (WUR) heeft daarvoor binnen het programma ERRAZE onderzoek gedaan naar veranderende zoönosenrisico’s als gevolg van menselijke activiteiten, zoals klimaat- en landgebruiksverandering, en mogelijke preventieve maatregelen om risico’s te minimaliseren. De uitkomsten van dit onderzoek helpen om een basis te creëren voor een wegingskader voor besluitvorming rondom zulke veranderingen in relatie tot zoönosenrisico's. In het verlengde hiervan hebben professionals die werken aan maatschappelijk relevante vraagstukken in het groene domein ook handelingsperspectief nodig. De uitkomsten van het WUR-onderzoek vormen inbreng voor het NWO-SIA Programma Praktijkkennis Voedsel en Groen (PPVG). Zij hebben een call gehonoreerd aan een breed onderzoeksconsortium van een aantal HBO-instellingen met bedrijven en lokale stakeholders zoals gemeenten, waterschappen en GGD’en. Deze partijen gaan praktijkgericht onderzoek uitvoeren dat bijdraagt aan de handreikingen voor professionals, bijvoorbeeld landschapsarchitecten.
Bovenregionale samenwerking
Alle 25 GGD’en krijgen in meer of mindere mate te maken met zoönosen. Er is dan ook veel expertise aanwezig en professionals bij de GGD hebben behoefte om deze expertise onderling zo goed mogelijk te benutten. Daarnaast willen GGD-professionals ook graag toegang tot actuele kennis en informatie die bij landelijke partijen beschikbaar is. Om die reden heeft het RIVM een Community of Practice opgericht, geleid door twee GGD-artsen. Zij verbinden vragen en behoeften van de ene GGD met kennis en goede praktijkervaringen bij de andere GGD, het RIVM of andere landelijke partij.
Daarnaast heeft het RIVM, in samenwerking met onder andere GGD’en en de NVWA, een tabletop oefening ontwikkeld met als doel om de samenwerking op regionaal niveau te verbeteren om op die manier de respons op uitbraken met zoönotische verwekkers te versterken. In 2025 en 2026 is en wordt de oefening in alle vijf bovenregionale GGD-regio’s georganiseerd.
Gegevensuitwisseling
Het ministerie van VWS heeft de afgelopen tijd gewerkt aan een wetsvoorstel om de Wet publieke gezondheid (WPG) te wijzigen. De inzet van deze tranche is te voorzien in nieuwe grondslagen en het verbeteren van bestaande grondslagen voor het uitwisselen van noodzakelijke gegevens bij de infectieziektebestrijding en pandemiebestrijding in het bijzonder. Dit wetsvoorstel zal in 2026 in internetconsultatie gaan. Het voorstel bevat ook een artikel over zoönosen. Het artikel behelst dat GGD’en, in geval dat de meldingsplichtige ziekte een zoönose betreft, verplicht worden om de persoonsgegevens waarover de GGD’en nu reeds beschikken vanuit de huidige meldplicht, ook te delen met de NVWA. Dit stelt de NVWA nog beter in staat om haar wettelijke taak van bron- en contactonderzoek bij dieren uit te voeren.
Het RIVM heeft in 2024 een projectgroep ingericht bestaande uit One Health partners die gegevens over ziekteverwekkers bij dieren en/of mensen genereren middels een wettelijke monitoring/surveillancetaak. Deze partijen hebben begin 2025 een verklaring getekend waarmee zij overeenkomen dat de kennisinstituten de intentie hebben om data routinematig te delen. In een raamovereenkomst tussen deze partijen worden afspraken gemaakt welke data zullen worden uitgewisseld, hoe data worden uitgewisseld, en onder welke voorwaarden dit gebeurt. De verwachting is dat de overeenkomst in het eerste kwartaal van 2026 gereed is.
Draaiboek en leidraad
Het Interdepartementaal beleidsdraaiboek Risicobeoordeling & -besluitvorming bij zoönosen stamt uit 2017 en was sterk verouderd. In de Kamerbrief over de rapportage die uw Kamer in 2023 heeft ontvangen5 bent u geïnformeerd over een gezamenlijk zoönosentraject dat is uitgevoerd onder begeleiding van Berenschot in 2022-2023. Van dit traject heeft Berenschot in september 2024 een evaluatie opgeleverd. Naar aanleiding van deze evaluatie en verschillende andere aanbevelingen die zijn voortgekomen uit de evaluatie van de SARS-CoV-2-uitbraken in nertsen is dit draaiboek herzien en bijgewerkt. Nieuw is bijvoorbeeld een duidelijke knip tussen het onderdeel risicobeoordeling en het onderdeel crisisbesluitvorming. In het deel dat gaat over risicobeoordeling komen de verschillende adviesgremia met hun doel en deelnemers aan bod. In het deel dat gaat over crisisbesluitvorming worden de verschillende crisisoverleggen nader geduid en wordt in beeld gebracht hoe de besluitvorming uiteindelijk tot stand komt.
Daarnaast is een leidraad opgesteld voor het geval dat veel voorkomende gezelschapsdieren zoals honden, katten en vogels een rol zouden spelen in de epidemiologie van een zoönotische uitbraak (bijvoorbeeld met een ziekte X). Het doel van deze leidraad is om inzicht te geven in mogelijke beleidsbeslissingen bij een besmetting en/of uitbraak van een zoönose bij gezelschapsdieren en is daarmee anders van aard dan de reguliere dierziektendraaiboeken. Een potentiële zoönotische infectieziekte bij gezelschapsdieren (net als bij andere dieren) wordt binnen de zoönosenstructuur besproken en indien nodig wordt er opgeschaald.
De evaluatie, het draaiboek en de leidraad zijn als bijlage bij deze brief gevoegd.
Afsluitend
Het is belangrijk dat Nederland goed voorbereid is op dreigingen die volksgezondheid en de samenleving kunnen verstoren, zoals het ontstaan van nieuwe (uitbraken van) zoönosen. Het actieplan draagt eraan bij Nederland op dit punt weerbaarder te maken. Er zijn in 2025, maar ook de jaren daarvoor, grote stappen gezet om het zoönosenbeleid in Nederland én internationaal te versterken. We blijven ons inzetten om uitvoering te geven aan de acties uit het actieplan, om zo bij te dragen aan het verder versterken van het zoönosenbeleid. Dat doen we in nauwe samenwerking met mede-overheden, GGD’en, artsen, dierenartsen, kennisinstituten, sectorpartijen, ngo’s, internationale organisaties, en alle andere betrokken partijen, in de volle breedte van het One Health domein.
Het actieplan loopt tot en met 2026 en voor deze periode zijn financiële middelen beschikbaar. De bezuiniging op de maatregelen pandemische paraatheid waarvan het actieplan deel uitmaakt, betekent dat de maatregelen na 2026 moeten worden afgebouwd. Om dat te voorkomen maakt de minister van VWS zich hard voor het vinden van alternatieve middelen voor weerbare zorg, waar ook de voorbereiding op een pandemische dreiging onderdeel van is. Zoals eerder toegezegd wordt uw Kamer hierover voor de zomer geïnformeerd.
Hoogachtend,
de minister van Volksgezondheid, de minister van Landbouw, Visserij,
Welzijn en Sport, Voedselzekerheid en Natuur,
Jan Anthonie Bruijn Femke Wiersma
de staatssecretaris van Landbouw, Visserij,
Voedselzekerheid en Natuur,
Jean Rummenie