Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over Side-by-Side-pakket wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2) (Kamerstuk 25087-359)
Inbreng verslag schriftelijk overleg
Nummer: 2026D07198, datum: 2026-02-13, bijgewerkt: 2026-02-13 10:53, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: T.M.T. van der Lee, voorzitter van de vaste commissie voor Financiën (GroenLinks-PvdA)
- Mede ondertekenaar: W.A. Lips, adjunct-griffier
Onderdeel van zaak 2026Z00048:
- Indiener: E.H.J. Heijnen, staatssecretaris van Financiën
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Financiën
- 2026-01-13 15:10: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-01-29 10:00: Procedurevergadering Financiën (Procedurevergadering), vaste commissie voor Financiën
- 2026-02-12 14:00: Side-by-Side-pakket wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2) (Inbreng schriftelijk overleg), vaste commissie voor Financiën
Preview document (🔗 origineel)
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2 |
| Vergaderjaar 2025-2026 | |
| 25 087 | Internationaal fiscaal (verdrags)beleid |
| Nr. | VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG |
Vastgesteld … 2026 |
|
De vaste commissie voor Financiën heeft op 13 februari 2026 een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de staatssecretaris van Financiën over zijn op 5 januari 2026 toegezonden brief inzake het Side-by-Side pakket minimumbelasting (Pijler 2) (Kamerstuk 25 087 nr. 359) De staatssecretaris van Financiën heeft deze vragen beantwoord bij brief van ….Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt. |
|
De fungerend voorzitter van de commissie,Van der Lee |
|
De adjunct-griffier van de commissie,Lips |
|
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties |
|
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief van 5 januari 2026 over het Side-by-Side pakket minimumbelasting (Pijler 2), alsmede van de op 3 februari 2026 ontvangen antwoorden op schriftelijke vragen over dat onderwerp van leden van de VVD-, JA21- en Volt-fracties1. Naar aanleiding hiervan hebben deze leden enkele vragen. Op 5 januari 2026 is er een akkoord bereikt van maatregelen waarmee bepaalde belastingstelsels onder voorwaarden kunnen worden gekwalificeerd als equivalent aan Pijler 2. De leden van de D66-fractie merken op dat dit in de praktijk neerkomt op een versoepeling van de regels voor de Verenigde Staten. Deze leden betreuren het dat de Verenigde Staten hiermee een uniforme wereldwijde systematiek voor een minimumbelastingheffing voor multinationals ondergraaft. De leden van de D66-fractie vragen tot welke voordelen dit akkoord in de praktijk leidt voor ondernemingen, die zijn gevestigd in de Verenigde Staten ten opzichte van ondernemingen, die zijn gevestigd in een land dat Pijler 2 volledig heeft geïmplementeerd. De leden van D66-fractie lezen in de beantwoording op de schriftelijke vragen dat er herhaaldelijk wordt gesproken over “robuuste” en strikte” voorwaarden. Tegelijk constateren ook deze leden dat in de criteria redelijk open normen terugkomen als “materieel risico” en “substantieel deel”. Het Inclusive Framework van de OESO spreekt bovendien van een “pragmatic assessment of the overall operation of the tax system”. De leden van de D66-fractie zijn benieuwd of de staatssecretaris nader kan toelichten en onderbouwen waarom hij de Side-by-Side veiligehavenregel (afdoende) robuust en strikt acht. De leden van de D66-fractie vragen hoe de criteria voor een kwalificerend belastingstelsel tot stand zijn gekomen. Zijn deze geformuleerd op basis van het vigerende stelsel van de Verenigde Staten of moet het stelsel van de Verenigde Staten nog worden aangepast om aan de eisen voor een kwalificerend belastingstelsel te voldoen? De leden van de D66-fractie merken op dat de staatssecretaris in de appreciatie van het akkoord veel thema’s ‘van belang’ vindt. Deze leden kunnen uit de appreciatie echter niet opmaken wat het oordeel van de staatssecretaris op deze thema’s is over het bereikte akkoord. Kan de staatssecretaris hierop nader ingaan? Voorts schrijft de staatssecretaris dat het IF bepaalt of een regime als een Qualified Side-by-Side-regime kan worden aangemerkt. Kan de staatssecretaris nader toelichten hoe deze aanmerking verloopt? Hoe wordt voorkomen dat andere grootmachten met politieke druk ervoor zorgen dat hun belastingstelsel worden erkend als equivalent voor de toepassing van de Pijler 2-regels? De leden van de D66-fractie zijn ook benieuwd naar de mate waarin het framework handhaafbaar is in een wereld met toenemende politieke omwentelingen. Zo zijn de leden benieuwd hoe sterk de staatssecretaris het Side-by-Side-systeem acht als landen na een regeringswisseling hun belastingstelsel versoepelen of minder strikt handhaven. Welke handhavingsinstrumenten bestaan er in dat geval? In dit kader zijn deze leden ook benieuwd hoe wordt gewaarborgd dat dat de binenlandse bijheffing niet alleen formeel bestaat, maar ook daadwerkelijk effectief wordt geheven en geïnd. Hoe wil de staatssecretaris dit borgen, behalve door te leunen op een toekomstige evaluatie? De leden van de D66-fractie lezen ook dat in deze evaluatie eventuele structurele concurrentieverstoringen in kaart zouden moeten worden gebracht. Deze leden constateren dat het dus jaren kan duren voordat een structurele concurrentieverstoring is geconstateerd en verholpen. Welke acties onderneemt de staatssecretaris om voorafgaand aan de evaluatie eventuele concurrentieverstoringen te monitoren en aan te kaarten? De leden van de D66-fractie hebben ook zorgen over de toenemende mondiale fricties en de gevolgen hiervan op het akkoord. Deze leden vragen of en, zo ja, hoe rekening wordt gehouden met een “revenge tax” of een dreiging daartoe als antwoord op binnenlandse bijheffingen. Deze leden lezen ook dat de staatssecretaris er belang aan hecht dat onder het Side-by-Side-systeem een prikkel blijft bestaan voor jurisdicties om een binnenlandse bijheffing te behouden dan wel in te voeren. Kan de staatssecretaris nader uiteeenzetten hoe en in hoeverre deze prikkel in het huidige akkoord wordt geborgd? Ten slotte lezen de leden van de D66-fractie dat sommige grote landen Pijler 2 niet (volledig) hebben geïmplementeerd. Deze leden vragen of de staatssecretaris een lijst kan verstrekken van landen die Pijler 2 wel hebben geïmplementeerd en welke belangrijke handelslanden niet? Kan de staatssecretaris nader uiteenzetten in hoeverre het hier gaat om dan wel landen, die net als de Verenigde Staten beogen hun belastingstelsel te laten erkennen als equivalent voor de toepassing van de Pijler 2-regels, dan wel nog voornemens zijn te implementeren, dan wel zich geheel te onthouden van deelname aan de afspraken? Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief van de staatssecretaris over het Side-by-Sidepakket. Deze leden memoreren dat zij al eerder schriftelijke vragen over dit pakket hebben gesteld. Deze leden maken zich zorgen over het gelijke speelveld voor Europese en specifiek Nederlandse bedrijven en willen vooral het belang van een sterk Nederlands vestigingsklimaat benadrukken. De leden van de VVD-fractie vragen de staatssecretaris in te gaan op het mondiale gelijke speelveld. Leidt het verschil in behandeling tussen Nederland en de VS tot een mondiaal gelijk speelveld en gelijke behandeling? Zo niet, kan de staatssecretaris toelichten wat de gevolgen hiervan zijn? Deze leden constateren dat in antwoord op vragen van de VVD-fractie de staatssecretaris aangeeft geen risico te zien op het vertrek van hoofdkantoren van (Nederlandse) bedrijven naar de Verenigde Staten. Kan de staatssecretaris dit monitoren en meenemen in de jaarlijkse monitoringsbrief? De staatssecretaris geeft daarnaast aan dat er geen reden zou zijn om een verzoek te doen voor kwalificatie van het Nederlandse stelsel voor de Side-by-Side veiligehavenregel en de UPE veiligehavenregel. Kan de staatssecretaris aangeven op welke punten de Nederlandse vennootschapsbelasting moet worden aangepast om te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor de Side-by-Side veiligehavenregel? Indien dit niet bekend is, kan dit dan verder worden uitgewerkt? Kan de staatssecretaris ook aangeven wat de budgettaire impact zou zijn van de wijzigingen in de Nederlandse vennootschapsbelasting om te kwalificeren voor de Side-by-Side veiligehaven? Kan de staatssecretaris daarnaast uitgebreid stilstaan bij de (on)houdbaarheid van de dynamische verwijzing naar OECD-soft law via artikel 32 van de Richtlijn (EU) 2022/2523? Kan de staatssecretaris, indien hij van mening is dat de dynamische verwijzing wel houdbaar is, ingaan op de door specialisten in het Europees (belasting)recht geuite kritiek, bijvoorbeeld de kritiek van 8 januari 2026 in het Kluwer International Tax Blog (‘The Pillar 2 – Side-by-Side Package: A Structural Breach of EU Tax Law’), en aangeven waarom deze kritiek onjuist is? De leden van de VVD-fractie hebben eveneens gelezen dat de staatssecretaris concludeert dat het IF bepaalt of een regime als een Qualified Side-by-Side-regime kan worden aangemerkt. Hoe werkt deze procedure? Welk deel van het IF moet instemmen met deze kwalificatie? Is unanimiteit vereist? Zijn er landen met een vetorecht? Deze leden vragen daarnaast wat de criteria van de veiligehavenregel zijn en hoe moeten deze worden geïnterpreteerd. Kan uitgebreider op dit punt worden ingegaan dan uitsluitend de tekst van de Side-by-Side veiligehavenregel te benoemen? Hoe moeten deze criteria worden toegepast op andere landen dan de Verenigde Staten? De leden van de VVD-fractie hebben daarnaast vragen over staatssteunrisico’s van de safe harbours. Heeft de Europese Commissie getoetst aan de staatssteunregels in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)? Blijkt uit de mededeling van 12 januari 2026 van de Europese Commissie dat is getoetst aan het staatssteunverbod? Zo nee, waarom is dit niet gebeurd? Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben de brief van de staatssecretaris met interesse gelezen. Deze leden hebben hierover enkele vragen. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de staatssecretaris om te reflecteren op het proces om te komen tot de BEPS-maatregelen. Hoe kijkt de staatssecretaris aan tegen het feit dat in eerste instantie louter in OESO-verband is gesproken over mondiale belastingafspraken, waarbij opkomende economieën niet zijn meegenomen? Deelt de staatssecretaris de analyse dat het OESO-proces structureel onvoldoende inclusief is geweest en dat dit de legitimiteit van mondiale belastingafspraken ondermijnt? Is de staatssecretaris bereid om zich in te zetten voor een inclusiever proces in de toekomst? De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de helft van de Afrikaanse landen geen lid zijn van het Inclusive Framework. Klopt het dat landen alleen lid kunnen worden als zij eerder BEPS-besluiten onderschrijven, terwijl zij niet mee hebben kunnen praten over deze besluiten omdat die in OESO-verband zijn genomen. Kan de staatssecretaris toelichten wat de hij hiervan vindt? Deze leden merken voorts op dat het aanvullende Side-by-Side pakket is voortgekomen uit de weigerachtige opstelling van de Verenigde Staten, die niet alleen Pijler 1 niet willen ratificeren, maar zich ook hebben verzet tegen Pijler 2 en zelfs hebben gedreigd met handelsmaatregelen tegen landen die Pijler 2 toepassen op Amerikaanse multinationals. Deze leden maken zich dan ook zorgen dat het Side-by-Side pakket Pijler 2 niet versterkt, maar uitholt doordat de minimumheffing minder effectief wordt. Deelt de staatssecretaris deze zorgen? Zo nee, waarom niet? De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de staatssecretaris om de criteria voor kwalificerende binnenlandse belastingstelsels binnen de Safe Harbour-regel verder toe te lichten. Betekent het minimale statutaire vennootschapsbelastingtarief van 20 procent, bijvoorbeeld dat Nederland niet zou kunnen kwalificeren, omdat Nederland een laag tarief van 19 procent hanteert? Hoe wordt omgegaan met stelsels met verschillende tarieven, waarvan een deel onder de 20 procent? Deze leden vragen ook wat ‘een substantieel deel van de binnenlandse winsten’ in de praktijk betekent. Klopt het dat de Verenigde Staten voor hun bijheffing een drempel hanteren van één miljard dollar wereldwijde winst, terwijl Pijler 2 wordt toegepast vanaf 750 miljoen euro omzet? Kan de staatssecretaris toelichten of deze twee maatstaven wat hem betreft equivalent zijn en waarom wel of niet? Hoe wordt het criterium ‘geen materieel risico dat de binnenlandse winsten van multinationale groepen die onder Pijler 2 zouden vallen en hun hoofdkantoor in de jurisdictie hebben, onderworpen zijn aan een effectief tarief van minder dan 15 procent’ in de praktijk toegepast? Hoe wordt bepaald wanneer sprake is van een materieel risico? De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen daarnaast of het klopt dat de Verenigde Staten naar het totaal aan buitenlandse winsten kijken, terwijl de reguliere Pijler 2-berekening per afzonderlijk land gemaakt wordt. Klopt het dat multinationals daardoor hogere belastingen in het ene land kunnen wegstrepen tegen lagere belastingen in andere landen, waardoor zij effectief nog steeds gebruik kunnen maken van gunstige regelingen in belastingparadijzen? Wat vindt de staatssecretaris ervan dat dit als ‘equivalent’ moet worden beschouwd volgens het Side-by-Side pakket? Is de staatssecretaris van mening dat Amerikaanse multinationals door de Side-by-Side afspraken een concurrentievoordeel hebben tegenover multinationals uit andere landen en vindt de staatssecretaris dat wenselijk? De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich zorgen over de mogelijkheden om op een lager effectief tarief uit te komen dan het minimum van 15 procent, bijvoorbeeld via substance carve-outs en qualified refundable tax credits. Kan de staatssecretaris toelichten hoe hij op dit moment aankijkt tegen qualified refundable tax credits? Welke adviezen heeft de staatssecretaris sinds juni 2025 gekregen over dit onderwerp? Is de staatssecretaris het ermee eens dat het aantal uitzonderingen tot een minimum beperkt zou moeten worden om te voorkomen dat het minimumtarief van 15 procent wordt ondergraven? Deze leden vragen tot slot of de staatssecretaris het ermee eens is dat het OESO-proces er tot nu toe niet volledig in is geslaagd om belastingontwijking en een race to the bottom effectief tegen te gaan. Deelt de staatssecretaris de mening dat een ambitieuzere en inclusievere aanpak nodig is en dat een VN-verdrag daarvoor het meest geschikte instrument is? Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het side-by-side pakket. Zij vinden dat een internationale minimumwinstbelasting alleen effectief kan zijn als zoveel mogelijk landen ter wereld zich daarbij aansluiten, zodat de strijd tegen belastingontwijking gezamenlijk gevoerd wordt. Deze leden vragen de staatssecretaris of de kwalificatie als ‘equivalent’ vergelijkbaar stevig is als de reguliere voorwaarden onder Pijler 2, of dat de Verenigde Staten en andere staten die pijler 2 niet hebben ondertekend, nu een competitief voordeel hebben. Zo ja, wat houdt dit voordeel dan precies in? De leden van de CDA-fractie lezen voorts dat meer ruimte wordt gegeven onder Pijler 2 aan regelingen, die echte economische activiteit stimuleren. Zij vragen of de staatssecretaris een opsomming kan geven van fiscale faciliteiten in het Nederlandse fiscale regime die onder deze nieuwe definitie zouden vallen. Indien geen regelingen zich daarvoor kwalificeren, dan vragen deze leden of de staatssecretaris voorbeelden kan geven van type regelingen die zich wel als zodanig zouden kwalificeren en ook bij het Nederlandse fiscale systeem passen. Deze leden merken op dat eerder alleen een qualified refundable tax credit werd genoemd als verenigbare fiscale faciliteit, maar dat deze in het Nederlandse systeem nog niet bestaat. Veel andere landen, waaronder de Verenigde Staten, hebben zulke tax credits al wel geïmplementeerd. Kan de staatssecretaris aangeven hoe Nederland in dit speelveld ook concurrerend kan blijven, en wat voor faciliteiten daarvoor opportuun zouden zijn? Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de brief van 5 januari 2026 inzake het Side-by-Side-pakket wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2). Naar aanleiding daarvan en ondanks de beantwoording van eerdere schriftelijke vragen, hebben deze leden nog een aantal vragen. De leden van de JA21-fractie vragen of de staatssecretaris de mening deelt dat de Substance-based Tax Incentive (SBTI) Safe Harbour het mogelijk maakt om bepaalde fiscale regelingen zo vorm te geven, dat zij een Pijler 2-bijheffing voorkomen. Verder vragen deze leden of de staatssecretaris concreet kan aangeven welke bestaande (bijvoorbeeld de WBSO en de Innovatiebox) of voorgenomen Nederlandse regelingen kwalificeren als expenditure-based of production-based tax incentives en welke expliciet buiten de SBTI Safe Harbour vallen omdat zij income-based zijn. In aanvulling hierop vragen de leden van de JA21-fractie of bij de uitbreiding van de WBSO en het behoud van de Innovatiebox expliciet getoetst is of deze regelingen (geheel of gedeeltelijk) als Qualified Tax Incentives binnen de SBTI Safe Harbour kunnen worden vormgegeven. Ten slotte vragen deze leden of het kabinet bereid is, net als andere West-Europese landen, te kiezen voor investeringsconcurrentie via SBTI-kwalificerende prikkels en deze keuze ook beleidsmatig en wetstechnisch te concretiseren in plaats van vast te houden aan terughoudendheid uit vrees voor grondslaguitholling. |
|
II Reactie van de staatssecretaris van Financiën |
|
Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, Aanhangsels nr. 1028, 1026 respectievelijk 1025.↩︎