Nota naar aanleiding van het verslag
Wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en enkele andere wetten met het oog op een integrale en gecoördineerde aanpak bij meervoudige problematiek en de daarvoor benodigde gegevensverwerking (Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein)
Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag
Nummer: 2026D07350, datum: 2026-02-18, bijgewerkt: 2026-02-19 14:55, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: N.J.F. Pouw-Verweij, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ooit BBB kamerlid)
- Aanbiedingsbrief
- Beslisnota bij Nota naar aanleiding van het verslag en Nota van wijziging inzake Wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en enkele andere wetten met het oog op een integrale en gecoördineerde aanpak bij meervoudige problematiek en de daarvoor benodigde gegevensverwerking (Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein)(Kamerstuk 36295)
Onderdeel van kamerstukdossier 36295 -8 Wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en enkele andere wetten met het oog op een integrale en gecoördineerde aanpak bij meervoudige problematiek en de daarvoor benodigde gegevensverwerking (Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein).
Onderdeel van zaak 2023Z01382:
- Indiener: M. van Ooijen, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Medeindiener: C.J. Schouten, minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen
- Volgcommissie: vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Onderdeel van zaak 2026Z03306:
- Indiener: N.J.F. Pouw-Verweij, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- 2023-01-31 15:45: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2023-02-15 10:15: Procedurevergadering VWS (Procedurevergadering), vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- 2023-03-08 14:00: Wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en enkele andere wetten met het oog op een integrale en gecoördineerde aanpak bij meervoudige problematiek en de daarvoor benodigde gegevensverwerking (Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein) (Inbreng verslag (wetsvoorstel)), vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- 2023-09-06 09:30: Extra procedurevergadering commissie VWS (groslijst controversieel verklaren) (Procedurevergadering), vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- 2023-09-12 15:05: Stemmingen (Stemmingen), TK
- 2023-12-20 16:30: Procedurevergadering VWS (Procedurevergadering), vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- 2024-09-04 10:15: Procedurevergadering VWS (Procedurevergadering), vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- 2025-06-18 16:00: Extra procedurevergadering commissie VWS (groslijst controversieel verklaren) (Procedurevergadering), vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- 2026-03-11 11:15: Procedurevergadering Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Procedurevergadering), vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Preview document (🔗 origineel)
36 295 Wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en enkele andere wetten met het oog op een integrale en gecoördineerde aanpak bij meervoudige problematiek en de daarvoor benodigde gegevensverwerking (Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein)
Nr. 8 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 18 februari 2026
INHOUDSOPGAVE
I. INLEIDING
1. Algemeen
2. Huidige praktijk rondom de integrale aanpak van meervoudige
problematiek
3. Knelpunten bij het realiseren van een integrale aanpak
4. Voorgestelde regeling met betrekking tot de gecoördineerde aanpak van
meervoudige problematiek en de verwerking van persoonsgegevens
5. OGGZ en meldpunten – aanleiding en uitgangspunten
6. Verhouding tot hoger recht en nationale regelgeving
7. Gegevensbescherming effectenbeoordeling (DPIA)
8. Regeldruk en financiële gevolgen
9. Toezicht
10. Advies Autoriteit Persoonsgegevens
11. Overige consultatiereacties
12. Inwerkingtreding
13. Artikelsgewijze toelichting
II. Bijlage lijst partijen amvb
I. INLEIDING
Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het verslag van 14 maart
2023 inzake het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet maatschappelijke
ondersteuning 2015 en enkele andere wetten met het oog op een integrale
en gecoördineerde aanpak bij meervoudige problematiek en de daarvoor
benodigde gegevensverwerking (Wet aanpak meervoudige problematiek
sociaal domein (Wams)). Dit wetsvoorstel kan een belangrijke bijdrage
leveren aan het beter en tijdiger helpen van mensen en gezinnen met
meervoudige problematiek. Dit draagt bij aan de uitvoering van het
adagium “één gezin, één plan, één regisseur”, dat tot nu toe niet altijd
goed uitvoerbaar blijkt, en het draagt bij aan betere samenwerking
tussen hulpverleners, zodat die hulp elkaar versterkt en de
(multi-)problemen van mensen eerder en beter kunnen worden gesignaleerd,
aangepakt of opgelost.
Het wetsvoorstel draagt ook bij aan de versterking van de aanpak van
verward en onbegrepen gedrag, in het bijzonder aan het verhelpen van een
deel van de knelpunten op het gebied van gegevensuitwisseling. Over de
bredere opgave op dit terrein en de daarvoor benodigde
interdepartementale aanpak1 wordt gerapporteerd in
de halfjaarlijkse voortgangsbrieven verward/onbegrepen gedrag.
In de beantwoording van uw vragen zeg ik u een invoeringstoets toe waar de effecten van het wetsvoorstel op deze aanpak onderdeel van kunnen uitmaken.
Ik dank de leden van de VVD-fractie, D66-fractie, PVV-fractie,
CDA-fractie, SP-fractie, PvdA-fractie, GroenLinks-fractie,
ChristenUnie-fractie, SGP-fractie en de BBB-fractie voor hun bijdragen.
Sindsdien is er heel wat gebeurd. Na de val van het kabinet in de zomer
van 2023, heeft de Tweede Kamer dit wetsvoorstel controversieel
verklaard. In de vergadering van de vaste Kamercommissie voor VWS van 4
september 2024, heeft de Tweede Kamer aangegeven de nota naar aanleiding
van het verslag af te wachten. Bij brief van 1 juli 20252 heb
ik de Kamer geïnformeerd over de afronding van de nota naar aanleiding
van het verslag en de vraagstukken die daarbij speelden. Ik ben verheugd
u deze nota naar aanleiding van het verslag nu aan te bieden.
De toenmalige commissie heeft aangegeven dat, onder het voorbehoud dat
de gestelde vragen voldoende zijn beantwoord, de openbare behandeling
van het wetsvoorstel voldoende voorbereid wordt geacht. Graag beantwoord
ik de door deze leden gestelde vragen en hoop dat daarmee de thans
zittende leden van uw Kamer ook voldoende zijn voorbereid om de
behandeling van dit wetsvoorstel voort te kunnen zetten.
Bij de beantwoording is de volgorde van het verslag aangehouden. De
vragen zijn in een cursief lettertype geplaatst. De beantwoording van de
vragen staat in gewone typografie.
Naar aanleiding van door de leden van de fracties van de PVV, GroenLinks, PvdA, D66, BBB, CDA, SP, en SGP gestelde vragen, bied ik tevens een nota van wijziging aan. Daarin worden ook een aantal wetstechnische omissies hersteld. De belangrijkste wijzigingen betreffen het toevoegen van een definitie van ernstige meervoudige problematiek, het aanpassen van de bepaling voor het verwerken van persoonsgegevens door professionals met een beroepsgeheim en een duidelijker afbakening in de bepalingen over verdere verwerking van gegevens voor wat betreft interventies. Een aantal fracties had vragen over de partijen die kunnen deelnemen aan een onderzoek of een gecoördineerde aanpak op grond van dit wetsvoorstel. Om u daarover te informeren is de lijst die onderdeel zal zijn van de amvb bij deze wet, als bijlage aan deze nota n.a.v. het verslag toegevoegd. De concept-amvb zelf zal naar verwachting op korte termijn gereed zijn om de internetconsultatie te starten.
1. ALGEMEEN
1. De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre de hier voorgestelde wijzigingen wel of niet doorslaggevend zullen zijn in het wegnemen van belemmeringen om te komen tot een aanpak van integrale ondersteuning?
De gemeentelijke uitvoeringspraktijk is sinds 2015 geleidelijk ingespeeld op de gedecentraliseerde wetten. Inmiddels is ook duidelijk dat de groep cliënten met (ernstige) meervoudige problematiek klein is, maar dat verhoudingsgewijs een groot deel van de uitgaven in het sociaal domein naar deze groep gaat. Dit wetsvoorstel beoogt tegemoet te komen aan knelpunten in de wetgeving rond de verwerking van gegevens, zodat gemeenten meer ruimte krijgen bij de aanpak van meervoudige problematiek en de benodigde afstemming en samenwerking met andere partijen. Hiermee wordt ook gestreefd naar het verminderen van de handelingsverlegenheid van professionals. Het wetsvoorstel geeft hiervoor de benodigde handvatten als het gaat om criteria en bevoegdheden, zodat goede afstemming tussen betrokken partijen mogelijk is om goede hulp te kunnen bieden terwijl de verwerking van persoonsgegevens daarbij duidelijk is ingekaderd. De regering verwacht dat dit wetsvoorstel een substantiële bijdrage kan leveren aan de verdere ontwikkeling van het integraal werken in het sociaal domein en het zo beter kunnen helpen van mensen met meervoudige problematiek.
2. De leden van de VVD-fractie lezen dat het wetsvoorstel niets regelt ten aanzien van vroegsignalering en vragen of de regering voornemens is hiervoor op korte termijn nog aanvullende voorstellen te doen.
De Wams kenmerkt zich door de casuïstische aanpak waarbij zoveel mogelijk in samenspraak met cliënten wordt bekeken hoe zij het beste geholpen kunnen worden in geval van meervoudige problematiek. Dit is een andere systematiek dan het verzamelen van gegevens door het koppelen van databestanden om op basis daarvan mensen actief te benaderen in het kader van vroegsignalering. Op het gebied van vroegsignalering bestaan al mogelijkheden. Gemeenten bieden op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening inwoners actief hulp naar aanleiding van signalen over betalingsachterstanden die woningverhuurders, zorgverzekeraars, CAK, energieleveranciers en drinkwaterleveranciers aan de gemeente verstrekken3.
3. De leden van de D66-fractie vragen de regering om nogmaals te onderbouwen wat het noodzakelijk maakt dat verschillende onderdelen (gecoördineerde aanpak bij meervoudige problematiek in sociaal domein én de oggz terug te brengen binnen de Wmo 2015) in één wetsvoorstel worden gevat.
Gemeenten kunnen gecoördineerde en integrale ondersteuning bij
meervoudige problematiek alleen bieden indien cliënten bereid zijn die
te aanvaarden. Er zijn kwetsbare personen die níet zelfstandig om hulp
vragen of die hulp juist mijden, terwijl hun omstandigheden daar wel om
vragen. Het benaderen en begeleiden van deze doelgroep naar de juiste
ondersteuning is openbare geestelijke gezondheidszorg (oggz). Oggz gaat
dus in sommige gevallen vooraf aan het kunnen bieden van hulp met een
gecoördineerde aanpak en is daarmee een belangrijke bouwsteen voor de
hulp aan een deel van de mensen met meervoudige problematiek.
Oggz is een onderdeel van maatschappelijke ondersteuning. In de Wmo 2015
is de oggz-taak van gemeenten, anders dan in de Wmo (2007), niet
geëxpliciteerd. Naar aanleiding van signalen van het Schakelteam
personen met verward gedrag over onduidelijkheid in de
verantwoordelijkheidsverdeling voor zorg en ondersteuning voor deze
doelgroep, heeft de Staatssecretaris van VWS, mede namens de Minister
van Justitie en Veiligheid en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten,
in reactie op de eindrapportage van het Schakelteam Personen met Verward
Gedrag, er in september 2018 op gewezen dat openbare geestelijke
gezondheidszorg en bemoeizorg nog steeds gemeentelijke taken zijn op
grond van de Wmo 20154. Toch bleven vragen hierover tijdens
het opstellen van dit wetsvoorstel terugkomen. Zo heeft GGD GHOR
Nederland aangegeven dat het ontbreken van een expliciete wettelijke
grondslag voor de oggz een belemmering vormt voor de uitvoering van hun
werkzaamheden en de daarvoor benodigde verwerking van persoonsgegevens.
De regering meent dat de belemmeringen waar door de praktijk op wordt
gewezen om mensen die zorg mijden toe te leiden naar zorg of
ondersteuning, met het weer opnemen van het begrip oggz in de wet, samen
met het stellen van regels over gegevensverwerking bij het uitvoeren van
de oggz-taak, worden ondervangen en dat het passend is dat in dit
wetsvoorstel op te nemen gelet op de samenhang met (complexe)
meervoudige problematiek. Daarbij hoort ook het expliciteren van de taak
van de meldpunten zodat AVG-conform, in het kader van de doelbinding van
de gegevensverwerking, op basis van een wettelijke grondslag
persoonsgegevens kunnen worden verwerkt door de meldpunten in het kader
van de oggz-taak.
4. In het huidige wetsvoorstel worden de aanpalende domeinen slechts in abstracte termen beschreven. De leden van de D66-fractie vragen de regering om een conceptversie van deze AMvB voorafgaand aan de wetsbehandeling met de Kamer te delen.
In de amvb zal een lijst worden opgenomen met beoogde partijen die deel kunnen nemen aan een onderzoek naar meervoudige problematiek en aan een gecoördineerde aanpak en op basis van welke wettelijke taak zij dat kunnen doen. Een concept van deze lijst voeg ik als bijlage onderaan deze nota naar aanleiding van het verslag toe. De concept-amvb die met veldpartijen, waaronder gemeenten, UVW, SVB en CIZ, is voorbereid, zal op korte termijn via een internetconsulatie openbaar worden gemaakt.
5. De leden van de D66-fractie vragen de regering waarom in het huidige voorstel een uitvoeringstoets (waarin de impact op cliënten, zorgaanbieders en hulpverleners voorafgaand aan inwerkingtreding wordt onderzocht) én een invoeringstoets (een evaluatie één jaar na de invoering) ontbreekt. Deze leden zijn ervan overtuigd dat dergelijke instrumenten noodzakelijk zijn voor een goede afweging.
De aspecten van de uitvoerbaarheid van het voorstel hebben aandacht gehad in de verschillende toetsen op de gevolgen van het wetsvoorstel. Zo heeft de VNG een impactanalyse gedaan, waarvan de uitvoerbaarheid nadrukkelijk een onderdeel is. Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft de regeldrukgevolgen voor burgers en bedrijven beoordeeld (zie paragraaf 8 van de memorie van toelichting) en er is een DPIA uitgevoerd (zie paragraaf 7 van de memorie van toelichting). In artikel IX van het wetsvoorstel is een evaluatiebepaling opgenomen die voorziet in een evaluatie na vijf jaar. Ik wil toezeggen dat een invoeringstoets na een jaar wordt uitgevoerd, met daarin specifiek aandacht voor de effecten van deze wet voor cliënten, zorgaanbieders en hulpverleners.
6. De leden van de PVV-fractie vragen waarom het begrip oggz, dat nu wordt teruggebracht in de Wmo 2015, eerder uit de wet was verwijderd?
Onder de Wmo 2007 werden concrete prestatievelden benoemd, waaronder de oggz. Die prestatievelden omschreven samen het begrip “maatschappelijke ondersteuning” en bepaalden daarmee de reikwijdte van de wet. In de aanloop naar de Wmo 2015 constateerde de regering dat deze omschrijvingen zeer ongelijksoortig waren en bij nader inzien ook niet voldoende concreet. Het systeem van de prestatievelden is vervolgens in de Wmo 2015 vervangen door de bredere categorieën zelfredzaamheid, participatie en hulp bij psychosociale problemen. Onder die brede categorieën kunnen gemeenten meer verschillende arrangementen en voorzieningen in hun gemeente aanbieden en combineren. Zo wordt huishoudelijke hulp als voorziening ook niet bij name genoemd, maar valt
die net als oggz onder maatschappelijke ondersteuning op grond van de Wmo 2015. Tijdens de parlementaire behandeling van de Wmo 2015 heeft de regering verschillende malen bevestigd en toegelicht dat met deze wijziging niet werd beoogd een wijziging in taken en verantwoordelijkheden aan te brengen en dat de oggz een gemeentelijke taak als onderdeel van maatschappelijke ondersteuning zou blijven.
7. De regering geeft aan dat dit wetsvoorstel voor een heel kleine doelgroep (4 procent) noodzakelijk is. De leden van de PVV-fractie vragen hoe groot de regering het deel van deze doelgroep acht dat geen toestemming zal verlenen voor het delen van hun privacygegevens in het kader van dit wetsvoorstel? Genoemde leden ontvangen in dit kader graag een concreet antwoord van de regering.
Voor het beantwoorden van deze vraag van de leden van de PVV-fractie
ga ik eerst graag in op het al dan niet verlenen van toestemming om
gegevens te delen. In 2016 heeft de AP al geconstateerd dat toestemming
vaak niet als grondslag voor de gegevensverwerking kan worden gebruikt
door gemeenten, omdat sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen
de gemeente en burgers met een hulpvraag, waardoor deze toestemming niet
geacht kan worden in vrijheid te zijn gegeven. Om die reden voorziet dit
wetsvoorstel in taakbepalingen die de wettelijke grondslag vormen voor
de noodzakelijke gegevensverwerking. Dit zijn de bepalingen die in het
wetsvoorstel worden voorgesteld in de nieuwe paragraaf 3a van hoofdstuk
2 van de Wmo 2015. In de bepalingen, die de Wams toevoegt aan hoofdstuk
5 van de Wmo 2015, wordt vervolgens voorzien in wettelijke bevoegdheden
om voor een onderzoek op basis van de hulpvraag en de eventueel daaruit
voortvloeiende gecoördineerde aanpak, de noodzakelijke gegevens te
verwerken.
Naar aanleiding van een hulpvraag wordt in samenspraak met de cliënt de
reikwijdte van een onderzoek naar mogelijke meervoudige problematiek
bepaald. Alleen binnen die reikwijdte mogen de noodzakelijke
gegevens worden verwerkt. Voor zover gegevens van zorgverleners met een
medisch beroepsgeheim nodig zijn, blijft het geven van expliciete
toestemming door de cliënt het leidende principe. Deze systematiek zal
voor de grootste groep van mensen met meervoudige problematiek van
toepassing zijn, namelijk de mensen die zelf met een probleem of een
hulpvraag naar de gemeente komen.
Het wetsvoorstel bevat ook de mogelijkheid om bij ernstige meervoudige
problematiek op verzoek van een betrokken professional te onderzoeken of
iemand gecoördineerde hulp kan krijgen. Het gaat dan om mensen die geen
hulp kunnen of durven vragen of bewust zorg mijden. Voor deze groep
geldt net als voor de mensen die zelf met een hulpvraag komen, dat het
wetsvoorstel voorziet in wettelijke grondslagen om de noodzakelijke
gegevens te kunnen verwerken. Ook is in het wetsvoorstel bepaald dat
deze mensen zo veel mogelijk bij het onderzoek worden betrokken, en dat
zij net als iedereen, uiteindelijk alleen een gecoördineerde aanpak
krijgen, als zij daarmee instemmen.
Voor wat betreft de cijfers het volgende.
In paragraaf 2.1 van de memorie van toelichting is een percentage
genoemd van circa 4% van de inwoners dat grotere moeilijkheden
ondervindt en gedurende kortere of langere tijd ondersteuning nodig
heeft5. Deze groep kampt met verschillende
problemen tegelijk die vaker chronisch en met elkaar verweven zijn,
en die soms intergenerationeel worden overgedragen. Volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) maakt circa 10% van de bevolking gebruik van één of meerdere voorzieningen uit het sociaal domein6. In de periode 2015-2019 is vooral een stijging te zien in het gebruik van voorzieningen op grond van de Wmo 2015 en de Jeugdzorg, zo blijkt uit de publicatie ‘Voorzieningen in 3D’ van SCP. Uit de stapelingsmonitor van het CBS blijkt dat het aantal huishoudens dat gebruik maakt van twee of meer voorzieningen in de loop van de jaren redelijk gelijk is gebleven.7 Hierbij moet worden aangetekend dat zowel het CBS als het SCP uitgaan van verschillende en overlappende categorieën van regelingen. Ook wil het feit dat van meerdere voorzieningen uit het sociaal domein gebruik wordt gemaakt niet zeggen dat er sprake is van meervoudige samenhangende problematiek, waar de Wams zich op richt. Op basis van deze cijfers fluctueert het percentage vermoedelijk binnen een bandbreedte van 1-10%.8
Het SCP zag ook een groter aandeel van huishoudens waarbinnen meerdere problemen zich opstapelen. Het gaat daarbij in de meeste gevallen om combinaties van participatievoorzieningen die mensen helpen bij het vinden en behouden van werk en maatschappelijke ondersteuning. Ook de combinatie van jeugdhulp in combinatie met bijstand bij de ouders komt regelmatig voor.
De Wams is gericht op alle cliënten met meervoudige problematiek. In het wetsvoorstel is dat gedefinieerd als meerdere samenhangende problemen van een persoon of meerdere samenhangende problemen van gezinsleden die betrekking hebben op verschillende aspecten van het sociaal domein, of op het sociaal domein en aanpalende domeinen. De ernst speelt in deze definitie geen rol. Bij het grootste deel van deze huishoudens is sprake van “gewone” meervoudige problematiek en bij slechts een klein deel is sprake van ernstige meervoudige problematiek, waarbij de cliënt niet altijd zelf met een hulpvraag komt. Vooral van deze laatste groep is de omvang onzeker, omdat het gaat om kwetsbare mensen die niet altijd in beeld zijn bij de gemeente, terwijl zij soms juist wel hulp nodig hebben.
8. De leden van de PVV-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat ook gegevens van mensen buiten de doelgroep van mensen met multiproblematiek gedeeld gaan worden?
In dit wetsvoorstel is bepaald welke verwerking van gegevens is toegestaan en welke regels daarbij gelden. Gegevensverwerking die daaraan niet voldoet, is in strijd met de wet. De regels in dit wetsvoorstel houden in dat gegevens alleen mogen worden verwerkt voor zover noodzakelijk voor een onderzoek op grond van artikel 2.3a.1 en artikel 2.3a.4 en voor de gecoördineerde aanpak als deze volgt op het onderzoek. Alleen partijen die meedoen aan de gecoördineerde aanpak kunnen gegevens ontvangen die noodzakelijk zijn voor hun specifieke bijdrage. Een casusoverleg wordt alleen gevoerd als dit voor het onderzoek of
voor het afstemmen van de gecoördineerde aanpak noodzakelijk is. Naast de cliënt (en/of diens vertegenwoordiger) worden enkel partijen betrokken van wie het college of de coördinator vaststelt dat deelname, gezien de betrokkenheid bij de problematiek van cliënt, noodzakelijk is (doelbinding). Alleen de deelnemers aan het casusoverleg ontvangen informatie die nodig is voor de uitvoering van de eigen taak en met instemming van verstrekker. Ten slotte regelt het wetsvoorstel in artikel 5.4.4 middels strikte doelbinding in welke gevallen verdere verwerking van gegevens is toegestaan.
9. De leden van de PVV-fractie vragen ook hoe burgers in een kwetsbare positie worden beschermd tegen onnodige uitwisseling van hun persoonlijke gegevens zonder hun toestemming.
De regering is het met de leden van de PVV-fractie eens dat geen onnodige gegevensuitwisseling mag plaatsvinden. Om mensen goed te kunnen helpen is het wel nodig dat de noodzakelijke gegevens verwerkt en eventueel uitgewisseld kunnen worden. Dat is wat dit wetsvoorstel regelt. Mensen verkeren doorgaans in een situatie waarin ze afhankelijk zijn van de gemeente voor hulp. Bij zo’n afhankelijkheid kan toestemming niet in vrijheid kan worden gegeven. De wet moet daarom voorzien in regels waarin is vastgelegd in welke situaties de noodzakelijke gegevens mogen worden verwerkt en welke regels daarbij gelden. De hulpvraag van de cliënt is leidend en in samenspraak met de cliënt wordt besproken welke problemen hij ervaart. Aan de hand hiervan wordt bepaald welke gegevens noodzakelijk zijn. Het betrekken van andere partijen bij het onderzoek of het eventueel houden van een casusoverleg, gebeurt ook in samenspraak met de cliënt (zie art. 2.3a.1, zevende lid). Ook bij een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek, waarbij de cliënt niet zelf om een onderzoek heeft gevraagd, is geregeld dat de cliënt of zijn vertegenwoordiger zoveel mogelijk moet worden betrokken (art. 2.3a.4, derde lid). In alle gevallen moet de gemeente ook wijzen op de beschikbaarheid van cliëntondersteuning én geldt op grond van artikel 13 van de AVG een plicht om informatie te geven over de gegevensverwerking. Als voor het onderzoek of de gecoördineerde aanpak op grond van dit wetsvoorstel gegevens over de gezondheid noodzakelijk zijn afkomstig van een partij met een beroepsgeheim, dan is en blijft het principe van het verlenen van toestemming door de cliënt leidend. Met het voorstel tot wijziging van artikel 5.4.2, tweede lid, van dit wetsvoorstel, zoals opgenomen in de nota van wijziging, wordt dit nog eens extra benadrukt.
10. De leden van de PVV-fractie vragen of de regering met het uitwisselingen van gegevens na een melding bij het meldpunt niet voorbij gaat aan het doel van deze wet enkel burgers met een hulpvraag maatwerk te bieden? Is enkel een melding van derden niet veel te kwetsbaar? Wat als die derde partij iemand wil pesten of anderszins dwarszitten? Waarom wil de regering dat dit kan zonder tussenkomst van een rechter die waarheidsvinding kan doen? Maakt de regering van mensen met een geestelijke aandoening zo geen tweederangsburgers? Hoe verhoudt dit zich tot het gegeven dat voor eventuele voorzieningen die in het kader van de integrale aanpak worden verstrekt, het noodzakelijk is dat de cliënt deze zelf aanvaardt en wat is de slagingskans van een integrale aanpak als de persoon die het betreft geen hulpvraag heeft of geen hulp accepteert?
De in dit wetsvoorstel voorgestelde regeling voor openbare
geestelijke gezondheidszorg en de meldpunten betreffen een codificatie
van de bestaande werkwijze.
Ook regelt dit voorstel het onderzoek naar meervoudige problematiek en
zo nodig daarop volgend een gecoördineerde aanpak. Het wetsvoorstel
voorziet zodoende niet in een rechtstreekse koppeling tussen een melding
bij het meldpunt en het uitvoeren van een onderzoek naar meervoudige
problematiek. Het doel van het meldpunt is niet om een gecoördineerde
aanpak te kunnen starten, het meldpunt kan hiertoe ook geen verzoek
indienen bij het college. Alleen een partij aan wie de melding is
doorgezet kan een onderbouwd verzoek doen op grond van artikel 2.3a.4
mits er sprake lijkt te zijn van ernstige meervoudige problematiek
volgens de in artikel 2.3a.4, eerste lid benoemde criteria. Het slagen
van de gecoördineerde aanpak bij (ernstige) meervoudige problematiek is
afhankelijk van de mate waarin het lukt de cliënt ervan te overtuigen
dat zijn situatie door het aanvaarden van die aanpak zal gaan
verbeteren.
De inzet van gedwongen zorg is geregeld in de Wet verplichte ggz (Wvggz)
en de Wet zorg en dwang verstandelijk gehandicapten en
psychogeriatrische cliënten (Wzd). Deze wetten voorzien in de
rechtsbescherming (rechterlijke toetsing) die nodig is bij gedwongen
zorg. Alle gemeenten beschikken inmiddels over een meldpunt niet-acuut,
veelal ondergebracht bij de GGD. De dienstverlening door deze meldpunten
past in de ruime verantwoordelijkheid voor oggz die gemeenten op grond
van de Wmo 2015 hebben. Dit wetsvoorstel voorziet in een wettelijke
regeling ten behoeve van de verwerking van persoonsgegevens door deze
meldpunten.
Een wettelijke regeling is nodig om vast te leggen dat bij het meldpunt
alleen gegevens mogen worden verwerkt die noodzakelijk zijn voor het
uitvoeren van de in artikel 2.2.5 van het wetsvoorstel bedoelde triage.
Meldpunten bieden mensen de mogelijkheid op een laagdrempelige wijze
lokaal een melding te doen als zij zien dat het niet goed gaat met
iemand. De zorgen van de leden van de PVV-fractie zijn begrijpelijk,
maar uit de al bestaande praktijk van de meldpunten blijkt, dat slechts
zelden oneigenlijke meldingen worden gedaan.
De beller heeft contact met een deskundige medewerker die een triage
uitvoert en zo beoordeelt wat de behoefte is. Om de triage te kunnen
uitvoeren, moeten gegevens worden verwerkt. Het voorgestelde artikel
5.5.1 regelt dat bij een melding aan het meldpunt persoonsgegevens van
de melder mogen worden verwerkt. Anonieme meldingen worden in beginsel
niet in behandeling genomen om te voorkomen dat het meldnummer
oneigenlijk gebruikt wordt door bijvoorbeeld personen die vijandig staan
ten opzichte van de persoon over wie zij melden of in een conflict
verwikkeld zijn met de persoon over wie zij melden. Bovendien leidt de
melding mogelijk tot opvolging waarbij het wenselijk kan zijn de melder
op een later moment te kunnen benaderen voor aanvullende informatie. De
professional bij het meldpunt kan inschatten of een eventuele anonieme
melding toch in behandeling moet worden genomen. Een melder kan wel
verzoeken om anoniem te blijven als het gaat om terugkoppeling aan
degene over wie de melding is gedaan. Professionals kunnen niet anoniem
blijven jegens degene over wie is gemeld.
De medewerkers van het meldpunt zijn professionals die beschikken over
de expertise om oneigenlijke meldingen te herkennen en daar adequaat mee
om te gaan. Ze zijn getraind om een goede triage uit te voeren en op
basis daarvan een inschatting te maken van wat nodig is, zodat iemand
waar zorgen om zijn zo nodig geholpen kan worden. Soms zal het voldoende
zijn om de melder een luisterend oor te bieden of om een beknopt advies
te geven wat hij kan doen om de persoon waarover wordt gemeld te helpen
of ondersteunen. Deze fase van toeleiding naar mogelijke hulp of
ondersteuning wordt met de voorgestelde bepalingen van de nodige
waarborgen voorzien, een rechterlijke toetsing heeft dan geen
toegevoegde waarde. Zo wordt in artikel 5.5.2 de wettelijke grondslag
geregeld om voor het uitvoeren van de triage de daarvoor noodzakelijke
gegevens te verwerken. Indien de melding daar aanleiding toe geeft,
wordt die doorgezet naar de voor de behandeling meest aangewezen partij.
Aan deze partij mogen de daarvoor noodzakelijke gegevens worden
verstrekt. Dat kan bijvoorbeeld een medewerker van het Wmo-loket binnen
de gemeente zijn, een reeds betrokken jeugdhulpverlener, de afdeling
schuldhulpverlening of een medewerker van het lokale team. Ook kan de
melding doorgeleid worden naar een partij uit een aanpalend domein zoals
de ggz. Waar mogelijk zal het meldpunt eerst proberen zelf in contact te
komen met de persoon over wie is gemeld. Dat is geregeld in artikel
2.2.5, tweede lid.
De partij aan wie de melding is doorgezet, zal contact leggen met de
persoon over wie de melding is gedaan en bespreken of en hoe hij of zij
het beste geholpen zou kunnen worden.
Als op verzoek van een professional uiteindelijk wél een onderzoek wordt
uitgevoerd, en naar aanleiding van zo’n onderzoek een gecoördineerde
aanpak wordt voorgesteld, staat het de cliënt vrij de voorgestelde
gecoördineerde aanpak en de daarin voorgestelde diensten te
aanvaarden.
11. Welke knelpunten zullen ook na invoering van dit wetsvoorstel blijven bestaan, zo vragen de leden van de PVV-fractie de regering.
Gemeenten onderschrijven het belang van integrale ondersteuning, maar ondervinden in de praktijk op hoofdlijnen drie knelpunten ten aanzien in de samenwerking. Allereerst de knelpunten in de gegevensuitwisseling (de wetten in het sociaal domein kennen verschillende doelen en uitgangspunten), in de tweede plaats knelpunten rond financiering – sommige gemeenten hanteren in de begrotingen financiële schotten tussen de verschillende voorzieningen – en ten derde kan het zijn dat de benodigde samenwerking met derden (professionals, uitvoeringsorganisaties, scholen etc.) stokt door uiteenlopende redenen. Het aantal personen met meervoudige problematiek is weliswaar relatief klein, maar vraagt in financiële en capacitaire zin veel van gemeenten. Voor het wegnemen van het eerstgenoemde knelpunt dient dit wetsvoorstel: door duidelijke regels te stellen over de aanpak van meervoudige problematiek en de daarvoor noodzakelijke verwerking van gegevens en samenwerking met partijen, wordt een belangrijke stap gezet in het bevorderen van integraal werken, samenwerking tussen betrokken partijen en het wegnemen van handelingsverlegenheid. Hierdoor biedt dit wetvoorstel ook een belangrijke bijdrage aan het wegnemen van het derde knelpunt; de verwachting is dat de samenwerking wordt verbeterd en handelingsverlegenheid van betrokken partijen wordt teruggedrongen.
In 2019 bleek uit evaluatieonderzoek dat veel gemeenten het lastig vinden om integraal werken te realiseren, ten eerste vanwege de inschatting dat afstemming met betrokken derden veel opleidings- en overlegtijd zou kosten, ten tweede omdat het accent na 2015 eerst moest worden gelegd op goede implementatie van de wetten in de eigen uitvoeringsorganisatie en ten derde omdat de wetgeving zelf integraliteit belemmerde doordat verantwoordelijkheden onvoldoende waren afgebakend. Gemeenten onderschreven in dit evaluatieonderzoek wel de meerwaarde van een integrale aanpak, maar stuitten op een weerbarstige praktijk, vooral voor wat betreft de afstemming tussen de Wmo 2015 en de Jeugdwet enerzijds en de Participatiewet anderzijds. Ongeveer een kwart van de gemeenten heeft lokale teams waarbij er sprake is van één budget voor Wmo 2015 en Jeugdwet.9 Dit om samenhang tussen de domeinen te bereiken en korte lijnen in de dienstverlening naar burgers te bewerkstelligen. Integrale financiering was nog beperkt ingevoerd: uit hetzelfde evaluatieonderzoek bleek (peiling 2018) dat niet meer dan anderhalf op de tien gemeenten een integraal budget voor het sociaal domein op de gemeentebegroting had opgenomen. Ook bleek na verloop van tijd dat landelijke kaders gewenst zijn om de nodigde afspraken in gang te zetten, of om schotten ten aanzien van financiering en gegevensuitwisseling weg te nemen. De Wams is daar een uitvloeisel van, maar ook bijvoorbeeld de wet met betrekking tot de uitbreiding en verdere uitwerking van de bekostigingsmogelijkheden met middelen vanuit het Fonds langdurige zorg, beoogt ook financiële schotten weg te nemen.10 Het doel van genoemd wetsvoorstel is om de samenwerking tussen de verschillende financiers te stimuleren zodat (zorg)geld doelmatig kan worden ingezet in het sociaal domein om zorgkosten te voorkomen. Met name zorgkantoren zouden meer ruimte hebben voor domein-overstijgende initiatieven in het sociaal domein voor niet cliëntgebonden voorzieningen. Zie in dat verband ook de Handreiking domeinoverstijgende activiteiten en aanspraken Zvw van 12 september 2023 van het Zorginstituut Nederland.11
12. Met het vastleggen van bepaalde (rand)voorwaarden voor de gecoördineerde aanpak, inclusief de benodigde gegevensverwerking, beoogt de regering te voorzien in waarborgen die passen bij de ingrijpende gegevensverwerkingen die het gevolg van dit wetsvoorstel kunnen zijn. Welke randvoorwaarden betreffen dit? Welke waarborgen zijn er voor inwoners, met en zonder hulpvraag, tegen een mogelijk te ruime gegevensverwerking?
De wettelijke grondslag voor het onderzoek naar meervoudige
problematiek bij een hulpvraag van de cliënt zelf, is opgenomen in
artikel 2.3a.1. De hulpvraag van de cliënt is leidend en in samenspraak
met de cliënt wordt besproken welke problemen hij ervaart en wordt
onderzocht of er inderdaad sprake is van meervoudige problematiek die in
aanmerking komt voor een gecoördineerde aanpak. Na het onderzoek kan dan
overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.3a.2 aan de client een
gecoördineerde aanpak worden voorgesteld. Het aanvaarden van de
gecoördineerde aanpak en de voor die aanpak voorgestelde diensten door
de cliënt of diens vertegenwoordiger is dus vrijwillig. De wettelijke
grondslag voor een onderzoek naar meervoudige problematiek als een
cliënt niet zelf om hulp vraagt, is opgenomen in artikel 2.3a.4. De
voorwaarden om zo’n onderzoek te starten zijn streng. Het uitgangspunt
is namelijk dat het al dan niet vragen van hulp een eigen keuze is. Soms
ziet een partij die betrokken is bij iemand met problemen, dat door het
mijden van hulp de problemen zich opstapelen, en dat het voor het
verbeteren van de situatie van deze persoon beter zou zijn als hij meer
en vooral ook op elkaar afgestemde hulp zou krijgen. Deze partij kan dan
op grond van artikel 2.3a.4, eerste lid, een verzoek doen aan het
college om een onderzoek te starten. Dit verzoek moet gemotiveerd worden
aan de hand van de criteria voor ernstige meervoudige problematiek zoals
die zijn benoemd in artikel 2.3.a.4, eerste lid, en het college zal aan
de hand van die criteria toetsen of een onderzoek gestart kan worden
vanwege een vermoeden van ernstige meervoudige problematiek. De
verzoekende partij zal ook moeten aangeven waarom een gecoördineerde
aanpak zal kunnen bijdragen aan het oplossen of verminderen van de
problematiek. Als een onderzoek wordt gestart wordt de cliënt daarover
geïnformeerd en zoveel als mogelijk bij het onderzoek betrokken (art.
2.3a.4, derde lid).
Het is van belang dat de verwerking van gegevens met passende waarborgen
omkleed is. Om die reden wordt in dit wetsvoorstel niet volstaan met het
vastleggen van de specifieke taken van het college, maar bevat het
wetsvoorstel ook procedurele voorschriften die de gegevensuitwisseling
ten behoeve van (het onderzoek naar) de gecoördineerde aanpak van
meervoudige problematiek kanaliseren.
Door in dit wetsvoorstel meer dan louter taakbepalingen voor de
gecoördineerde aanpak op te nemen, streeft de regering ernaar de
verwerking van gegevens met de nodige waarborgen te omkleden. Zo wordt
met de voorgeschreven procedure beoogd de gegevensverwerking niet
omvangrijker te laten zijn dan nodig. Een andere waarborg is dat de
gegevensverzameling ten behoeve van het onderzoek is losgekoppeld van de
gegevensverzameling ten behoeve van de coördinatie. De coördinator
krijgt niet automatisch alle gegevens uit het onderzoek naar meervoudige
problematiek, maar alleen die gegevens die noodzakelijk zijn om de
gecoördineerde aanpak te kunnen uitvoeren.
Ook zijn criteria opgenomen waar een situatie aan moet voldoen voordat
een onderzoek kan worden gestart, en zijn procedurele waarborgen
opgenomen voor de verwerking van gegevens in een casusoverleg en het
vastleggen en verspreiden van informatie.
Alleen partijen die worden genoemd in de amvb bij dit wetsvoorstel en die voldoen aan de daarin gestelde beveiligingseisen kunnen deelnemen aan de gecoördineerde aanpak. Hiermee wordt het college op wetsniveau concrete handvatten geboden voor het inrichten van een zorgvuldige procedure in overeenstemming met de AVG en wordt ook voor partijen en cliënten het handelingskader duidelijk. Gedurende het hele proces dient de cliënt goed te worden geïnformeerd over o.a. zijn rechtspositie, de mogelijkheid om een onafhankelijk cliëntondersteuner in te zetten, en een klacht in te dienen of de functionaris gegevensbescherming van de gemeente of de gemeentelijke ombudsman te betrekken. Ook staat voor cliënten de weg naar de AP en de nationale ombudsman open. Het vraagt om kennis van de rechtspositie van het gezin en goede gespreksvaardigheden van de professional om cliënten volledig te informeren. Diverse richtlijnen geven professionals hierbij handvatten en kaders.
13. De leden van de PVV-fractie vragen of de regering met de nota naar aanleiding van het verslag tevens een concept van de AMvB naar de Kamer kan sturen. Deze leden vragen ook waarom de partijen die betrokken kunnen worden bij de gecoördineerde aanpak in een AMvB worden opgenomen.
In de amvb zal een lijst worden opgenomen met beoogde partijen die deel kunnen nemen aan een onderzoek naar meervoudige problematiek en aan een gecoördineerde aanpak en op basis van welke wettelijke taak zij dat kunnen doen. Een concept van deze lijst voeg ik als bijlage onderaan deze nota naar aanleiding van het verslag toe. De concept-amvb die met veldpartijen, waaronder gemeenten, UVW, SVB en CIZ, is voorbereid, zal op korte termijn via een internetconsulatie openbaar worden gemaakt.
Een regeling bij amvb geeft iets meer flexibiliteit als blijkt dat
aanpassing nodig is vanwege een te ruime of te enge verwijzing naar de
taken van partijen. Daarbij is het zo dat de kernelementen, namelijk de
definitie van partij tezamen met de definitie van aanpalende domeinen,
in de wet staan, zodat de reikwijdte van het wetsvoorstel voldoende
duidelijk is en de delegatie concreet en begrensd is.
Zo is in de voorgestelde wijziging van artikel 1.1.1 is de definitie van
partij opgenomen. Het betreft alle instanties en mensen die kunnen
worden betrokken bij een onderzoek naar meervoudige problematiek en
daarna bij een gecoördineerde aanpak. Die aanpak ziet zowel op het
sociale domein als op de aanpalende domeinen. Omdat aanpalende domeinen
potentieel een groot werkterrein beslaan, is het omwille van de
rechtszekerheid van cliënten maar ook voor de potentiële partijen zelf
noodzakelijk om duidelijk af te bakenen welke partijen op grond van
welke taken betrokken kunnen worden bij het onderzoek en de
gecoördineerde aanpak. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft dit ook in
zijn advies aangegeven.
14. De leden van de CDA-fractie vragen of de regering van mening is dat de doelstelling van de Jeugdwet, één gezin, één plan en één regisseur, tot nog toe niet goed gelukt is, en of het niet zo is dat wat dit wetsvoorstel wil regelen wat betreft samenwerken en integraal werken eigenlijk al kan binnen de huidige Wmo 2015.
De regering is inderdaad van mening dat deze doelstelling nog niet
overal goed uit de verf is gekomen en dat het wetsvoorstel een
belangrijke bijdrage levert aan het realiseren hiervan. Een van de
belangrijkste doelen van de decentralisatie van verschillende taken naar
het gemeentebestuur per 2015 – en de totstandkoming van de Wmo 2015, de
Jeugdwet en de Participatiewet – was om burgers passende ondersteuning
te kunnen bieden bij het behouden en vergroten van hun zelfredzaamheid
en participatie. Dit vergt een brede blik op de persoonlijke
omstandigheden van haar inwoners en hun sociale omgeving en brengt met
zich mee dat zij integrale ondersteuning bieden indachtig het adagium
«één gezin, één-plan, één regisseur» die ten grondslag lag aan de
decentralisaties van 2015. Integrale ondersteuning betekent dat bij
diverse problematiek waar nodig verschillende domeinen worden betrokken
op het gebied van werk en inkomen, gezondheid, zorg, schulden,
veiligheid, huisvesting en onderwijs. Gaandeweg bleek dat zich toch
belangrijke knelpunten op het gebied van met name gegevensverwerking
voordoen. Als gevolg daarvan ervaren gemeenten belemmeringen in het
realiseren van een gecoördineerde aanpak en het leveren van maatwerk aan
burgers bij wie meervoudige problematiek speelt. Die komen er in het
algemeen op neer dat het huidige wettelijke kader onvoldoende basis
biedt om gegevens te kunnen verwerken om vast te stellen of eventueel
sprake is van meervoudige problematiek, dan wel de mogelijkheid
uitvoering te kunnen geven aan een daadwerkelijke gecoördineerde aanpak
daarvan. Omdat burgers in een kwetsbare positie vaak juist afhankelijk
zijn van hulp uit het sociaal domein, heeft de AP in 2016 al
geconstateerd dat toestemming in het sociaal domein geen juiste
grondslag is voor de verwerking van persoonsgegevens.12
Deze situatie heeft bijgedragen aan handelingsverlegenheid bij
organisaties en professionals om informatie te delen, ook in gevallen
waarin dit, gezien de aard van de problematiek, wel geboden is. De
regering acht de huidige situatie van onduidelijkheid over de wettelijke
grondslagen van een gecoördineerde aanpak onwenselijk en wil met dit
wetsvoorstel die duidelijkheid geven en zo betere ondersteuning van
burgers met meervoudige problematiek mogelijk maken.
15. De leden van de CDA-fractie lezen het wetsvoorstel zo dat de regering bij de aanpak van meervoudige problematiek een gecoördineerde aanpak belangrijker vindt dan gemeentelijke beleidsvrijheid, en vragen de regering hierop reflecteren. Omdat dit wetsvoorstel veel verder gaat dan het onderling (organisaties/gemeenten) kunnen verstrekken van gegevens, zo stelt ook de Afdeling, leiden deze leden hieruit af dat de regering ‘verder ingrijpen’ voor de aanpak van multiproblematiek noodzakelijk vindt.
Dit wetsvoorstel sluit aan bij de bedoeling van de wetten van het sociaal domein, namelijk het bieden van maatwerk en het integraal werken. Het oplossen van problemen staat voorop, zodat mensen in kwetsbare situaties niet tussen wal en schip vallen.
In dit wetsvoorstel is met het oog op de gedecentraliseerde verhoudingen gestreefd naar minimale inkleuring van de werkwijze van het college. Aangezien het wetsvoorstel niet alleen de grondslagen beoogt te regelen voor gegevensverwerking, maar ook inwoners waarborgen biedt tegen een mogelijk te ruime gegevensverwerking, heeft het voorstel zich niet volledig beperkt tot de ‘wat’ vraag (‘wat moet of mag het college doen’), maar richt het zich in beperkte mate, ook op de ‘hoe’ vraag mede gezien de handelingsverlegenheid bij gemeenten. Het wetsvoorstel geeft namelijk nadere invulling aan uit de AVG voortvloeiende verplichtingen inzake gegevensverwerking. Zou uitsluitend de ‘wat’ vraag zijn beantwoord, dan zouden de waarborgen van de AVG alleen in abstracte zin geboden kunnen worden. De regering beoogt met dit wetsvoorstel gemeenten, en de partners met wie zij werken, voldoende houvast te bieden bij de gecoördineerde aanpak van meervoudige problematiek én burgers het vertrouwen te bieden dat gemeenten zorgvuldig en daadkrachtig kunnen optreden. Daartoe krijgt het college op wetsniveau concrete handvatten voor het inrichten van een zorgvuldige procedure die bedoeld is te bewerkstelligen dat alleen de noodzakelijke gegevens worden verwerkt en gegevens niet onnodig verspreid worden onder partijen die betrokken zijn bij een onderzoek naar meervoudige problematiek of bij een gecoördineerde aanpak. De aandacht kan dan gaan naar de inhoud van de problematiek en de mogelijke oplossingen waarbij gemeenten binnen de gegeven kaders veel vrijheid hebben hoe ze invulling geven aan deze wet. Het gaat dus niet om het inperken van de gemeentelijke beleidsvrijheid voor de aanpak van multiproblematiek, maar om het bieden van kaders en handelingsperspectief om mensen met meervoudige problematiek beter te kunnen helpen binnen de kaders van het eigen gemeentelijke beleid.
16. De leden van de CDA-fractie constateren dat dit wetsvoorstel de administratieve lastendruk voor zowel gemeenten als zorgaanbieders zal vergroten. Dit kan gezien de aanwezigheid van een meervoudige problematiek noodzakelijk en proportioneel zijn. Kan de regering aangeven hoe zij dit weegt en toelichten hoe zij het regelen van een aanpak van onderzoek, casusoverleg en een gecoördineerde aanpak noodzakelijk vindt, zeker in relatie tot het probleem van arbeidskrapte in de zorg en de alsmaar toenemende administratieve lastendruk? Kan de regering aangeven hoe groot zij de groep verwacht die onder de reikwijdte van dit wetsvoorstel gaat vallen? Mensen met een lichamelijke beperking ervaren problemen op verschillende sociale domeinen. Is er dan sprake van een meervoudige problematiek? De leden van de CDA-fractie denken dat dit niet zo is. Deelt de regering dit standpunt?
Wat betreft de werkbaarheid van het wetsvoorstel in de praktijk
verwacht het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) dat de lasten voor
burgers afnemen en de uitvoerbaarheid voor gemeenten toeneemt, hetgeen
bijdraagt aan een efficiëntere en effectievere uitvoeringspraktijk.
Daarbij merkt ATR op dat hoewel de wettelijke basis een belangrijke
randvoorwaarde is, er nog andere inspanningen nodig zijn om de
gecoördineerde aanpak te realiseren, zoals het koppelen van
informatiesystemen, het aanpassen van logistieke processen en het
opbouwen van een vertrouwensrelatie met de burger. Dit zal tot
veranderingen in de praktijk leiden. ATR adviseert om het instrument
‘klantreis’ te gebruiken bij de inrichting en invulling van organisatie,
systemen en processen in het kader van de gecoördineerde aanpak. Tot
slot bevestigt ATR dat dit wetsvoorstel geen nieuwe verplichtingen voor
burgers creëert en dat de regeldruk voor hen zal afnemen. Vermoedelijk
geldt dit ook voor professionals in de praktijk. Het meedoen aan de
gecoördineerde aanpak en de daarvoor noodzakelijke afstemming betekent
op dat vlak wel inzet, maar is onontkoombaar en zal uiteindelijk kunnen
leiden tot betere en ook efficiëntere hulp. Hierdoor kan de werkdruk
voor professionals ook weer afnemen.
De omvang van de potentiële doelgroep waarop het wetsvoorstel betrekking
heeft, ligt naar schatting tussen de 1 en 10%.13
Exacte cijfers zijn hiervan niet bekend omdat deze cijfers gaan over het
hebben van meerdere problemen waarbij niet vaststaat of het ook om
samenhangende problemen gaat.
Binnen deze potentiële doelgroep van de Wams zal bij het grootste deel
sprake zijn van meervoudige problematiek (niet zijnde de in het
wetsvoorstel eveneens gedefinieerde ernstige meervoudige problematiek)
en vindt het onderzoek in samenspraak met de cliënt plaats. Bij een
klein deel is sprake van ernstige meervoudige problematiek, waarbij de
cliënt niet altijd zelf hulp vraagt. Het gaat daarbij in ieder geval om
een groep die kleiner is dan de genoemde 4%. Het gaat dan potentieel om
enkele tienduizenden gevallen.14
Uit de definitie van meervoudige problematiek in dit wetsvoorstel blijkt dat het moet gaan om samenhangende problemen. Zoals de leden van de CDA-fractie opmerken is het dus niet zo, dat als iemand met een lichamelijke beperking problemen heeft in verschillende sociale domeinen of aanpalende domeinen er meteen sprake is van meervoudige problematiek. Iemand met een auditieve beperking kan bijvoorbeeld gebruikmaken van tolkvoorzieningen en een Wajong uitkering krijgen, maar dat is geen meervoudige problematiek als bedoeld in dit wetsvoorstel, waarvoor een gecoördineerde aanpak nodig is.15 Natuurlijk zijn ook gevallen denkbaar waarin iemand met een lichamelijke beperking wel degelijk te kampen heeft met meervoudige problematiek. De gecoördineerde aanpak van de Wams is ten dienste van de burger om problemen te kunnen oplossen die vanwege hun samenhang van invloed zijn op elkaar. Dat wordt per geval in samenspraak met de burger onderzocht naar aanleiding van een hulpvraag.
17. De leden van de SP-fractie lezen dat de Afdeling heeft geadviseerd om ‘het voorstel te beperken tot voor de gegevensverwerking noodzakelijke grondslagen en de overige onderdelen te schrappen’. Kan de regering uiteenzetten waarom zij dit advies van de Afdeling naast zich neerlegt en toch in de wet vastlegt hoe de gecoördineerde aanpak dient te worden vormgegeven?
Dit wetsvoorstel sluit aan bij de bedoeling van de wetten van het sociaal domein, namelijk het bieden van maatwerk en het integraal werken. Het oplossen van problemen staat voorop, zodat mensen in kwetsbare situaties niet tussen wal en schip vallen. De praktijk bij gemeenten en andere betrokken partijen vraagt om een duidelijk kader dat handelingsperspectief biedt.
In dit wetsvoorstel is met het oog op de gedecentraliseerde verhoudingen gestreefd naar minimale inkleuring van de werkwijze van het college. Aangezien het wetsvoorstel niet alleen de grondslagen beoogt te regelen voor gegevensverwerking, maar ook inwoners waarborgen biedt tegen een mogelijk te ruime gegevensverwerking, heeft het voorstel zich niet volledig beperkt tot de ‘wat’ vraag (‘wat moet of mag het college doen’), maar richt het zich in beperkte mate, ook op de ‘hoe’ vraag. Het wetsvoorstel geeft namelijk nadere invulling aan uit de AVG voortvloeiende verplichtingen inzake gegevensverwerking. Zou uitsluitend de ‘wat’ vraag zijn beantwoord, dan zouden de waarborgen van de AVG alleen in abstracte zin geboden kunnen worden. De regering beoogt met dit wetsvoorstel gemeenten, en de partners met wie zij werken, voldoende houvast te bieden bij de gecoördineerde aanpak van meervoudige problematiek én burgers het vertrouwen te bieden dat gemeenten zorgvuldig en daadkrachtig kunnen optreden. Daartoe krijgt het college op wetsniveau concrete handvatten voor het inrichten van een zorgvuldige procedure die bedoeld is te bewerkstelligen dat alleen de noodzakelijke gegevens worden verwerkt en gegevens niet onnodig verspreid worden onder partijen die betrokken zijn bij een onderzoek naar meervoudige problematiek of bij een gecoördineerde aanpak. De aandacht kan dan gaan naar de inhoud van de problematiek en de mogelijke oplossingen waarbij gemeenten binnen de gegeven kaders veel vrijheid hebben hoe ze invulling geven aan deze wet. Gemeenten hebben die kaders nodig om hun werk goed te kunnen doen.
18. De leden van de SP-fractie vragen de regering welke risico’s er zijn verbonden aan het delen van gegevens van cliënten met meer partijen. Hoe worden de privacy van de cliënt en de veiligheid van diens gegevens bijvoorbeeld gewaarborgd?
Het delen van persoonsgegevens brengt altijd risico op onrechtmatig
gebruik met zich mee. Gezien de aard van dit wetsvoorstel is een
gegevensbeschermingseffect-beoordeling (DPIA) uitgevoerd op het
wetsvoorstel en op de verwachte uitvoeringspraktijk, en ook de AP heeft
advies uitgebracht.
Op verschillende manieren worden de risico’s in het wetsvoorstel
ingedamd. Zo bevat het wetsvoorstel kaders waar de gegevensverwerking
aan moet voldoen, zoals het beginsel van samenspraak met de cliënt bij
het onderzoek en het noodzakelijkheidscriterium dat zowel geldt ten
aanzien van de te betrekken partijen als ten aanzien van de gegevens die
met partijen worden gedeeld. Daarnaast levert het wetsvoorstel een
verbetering op in de rechtspositie van de cliënt doordat duidelijk wordt
vastgelegd waar de verantwoordelijkheid ligt voor de gegevensverwerking
bij een gecoördineerde aanpak waarbij meerdere partijen zijn betrokken.
Op grond van dit wetsvoorstel worden gegevens alleen verwerkt voor zover
noodzakelijk voor een onderzoek naar meervoudige problematiek. Als naar
aanleiding van dat onderzoek een gecoördineerde aanpak start, regelt het
wetsvoorstel dat ook in die fase alleen de voor die coördinatie
noodzakelijke gegevens mogen worden verwerkt. Ook is in het wetsvoorstel
vastgelegd in hoeverre en onder welke voorwaarden betrokken partijen
gegevens verstrekken voor een onderzoek naar meervoudige problematiek en
dat zij alleen gegevens mogen ontvangen die noodzakelijk kunnen zijn
voor hun bijdrage aan een onderzoek of aan de gecoördineerde aanpak. Als
het gaat om gegevens over de gezondheid die van betrokken hulpverleners
worden gevraagd, blijft expliciete toestemming van de cliënt daarbij het
leidende principe.
Op grond van de AVG zijn verwerkingsverantwoordelijken verplicht tot
het treffen van “passende technische en organisatorische maatregelen om
een op het risico afgestemd beveiligingsniveau te waarborgen”. Iedere
partij die betrokken kan zijn bij een onderzoek naar meervoudige
problematiek of bij een gecoördineerde aanpak is
verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens die
hoort bij zijn eigen taakuitoefening. Voor een rechtmatige verwerking
van persoonsgegevens is het cruciaal dat de verwerking van gegevens
plaatsvindt door middel van adequaat ingerichte ICT-systemen, conform
het vereiste van privacy by design. De ontwikkeling van de
ICT-systemen ten behoeve van de integrale en gecoördineerde aanpak bij
meervoudige problematiek wordt door de gemeenten gezamenlijk opgepakt.
Cliënten moeten kunnen vertrouwen op het zorgvuldig en veilig gebruik
van hun gegevens door de betrokken partijen. Daarom kunnen op grond van
artikel 5.4.6 bij amvb technische en organisatorische eisen worden
gesteld die zijn gericht op de beveiliging van de verwerking van
gegevens. Aan deze amvb wordt invulling gegeven. Zo worden eisen gesteld
aan betrokken partijen op het gebied van informatiebeveiliging bij onder
andere het verzenden en het opslaan van informatie. De betrokken
partijen zullen in principe ook nu al aan de gestelde eisen moeten
kunnen voldoen. De concept-amvb zal op korte termijn in
internetconsultatie gaan.
De functionaris gegevensbescherming en de Autoriteit persoonsgegevens
houden toezicht op de verwerking van gegevens door de betrokken
partijen. Tegen schendingen van de AVG staat formele rechtsbescherming
open.
19. De leden van de SP-fractie vragen de regering waarom zij ervoor kiest om in dit wetsvoorstel een grondslag te regelen voor zowel ondersteuning aan cliënten met meervoudige problematiek op verzoek van de cliënt, als voor ondersteuning in situaties waarbij dit niet op verzoek van de cliënt gebeurt. Waarom is er niet voor gekozen hiervoor twee verschillende wettelijke grondslagen te creëren?
Dit wetsvoorstel creëert voor beide situaties een afzonderlijke
wettelijke grondslag.
De wettelijke grondslag voor het onderzoek naar meervoudige problematiek
bij een hulpvraag van de cliënt zelf, is opgenomen in artikel 2.3a.1. De
hulpvraag van de cliënt is leidend en in samenspraak met de cliënt wordt
besproken welke problemen hij ervaart en wordt onderzocht of er
inderdaad sprake is van meervoudige problematiek die in aanmerking komt
voor een gecoördineerde aanpak. Na het onderzoek kan dan overeenkomstig
het bepaalde in artikel 2.3a.2 aan de client een gecoördineerde aanpak
worden voorgesteld. Het is aan de cliënt om te beslissen of hij de
gecoördineerde aanpak en de diensten die daarbij worden geboden
aanvaardt.
De wettelijke grondslag voor een onderzoek naar meervoudige problematiek
in geval een cliënt niet zelf om hulp vraagt, is opgenomen in artikel
2.3a.4. De voorwaarden om zo’n onderzoek te kunnen starten zijn streng.
De partij die om een onderzoek vraagt moet een gemotiveerd verzoek doen
over het vermoeden dat er sprake is van ernstige meervoudige
problematiek aan de hand van de criteria van artikel 2.3a.4, eerste lid.
Bij een ongemotiveerd of niet goed gemotiveerd verzoek, zal het college
geen onderzoek starten. Het college toetst daarvoor het verzoek ook aan
de criteria van artikel 2.3a.4, eerste lid. De verzoekende partij zal in
zijn motivering bijvoorbeeld moeten aangeven wat er al geprobeerd is en
waarom het nodig is om te proberen met andere partijen tot een
gecoördineerde aanpak te komen. Als een onderzoek wordt gestart wordt de
cliënt daarover geïnformeerd en zoveel als mogelijk bij het onderzoek
betrokken (art. 2.3a.4, derde lid).
Op deze manier geeft dit wetsvoorstel twee verschillende wettelijke grondslagen om een onderzoek te starten. In beide gevallen kan de uitkomst van het onderzoek zijn dat een gecoördineerde aanpak wordt voorgesteld. In beide situaties is de aanvaarding van de gecoördineerde aanpak en van de diensten die onderdeel uitmaken van die aanpak vrijwillig. Die aanpak zal bestaan uit meerdere vormen van hulp en ondersteuning, afspraken en in sommige gevallen worden ook niet vrijwillige interventies, zoals bijvoorbeeld reclassering of een kinderbeschermingsmaatregel, in de gecoördineerde aanpak betrokken. Het slagen van de gecoördineerde aanpak bij ernstige meervoudige problematiek is afhankelijk van de mate waarin het lukt de cliënt ervan te overtuigen dat zijn situatie door het aanvaarden van de hulp zal gaan verbeteren. De meerwaarde van beide wettelijke grondslagen zit daarmee in de mogelijkheid om met diverse bij de cliënt betrokken partijen tot een gezamenlijke gecoördineerde aanpak te kunnen komen zodat zinvolle hulp kan worden opgestart die elkaar niet “in de weg zit” of tegenwerkt. Gezien de duidelijke samenhang tussen de twee verschillende wettelijke grondslagen en dezelfde waarborgen die nodig zijn voor een zorgvuldige verwerking van gegevens, het houden van een casusoverleg en het bieden van een gecoördineerde aanpak, is dit samen in één wetsvoorstel geregeld.
20. De leden van de SP-fractie constateren dat het wetsvoorstel niet voorziet in de mogelijkheid om de persoonsgegevens uit het onderzoek of de coördinatie aan een andere gemeente over te dragen. Waarom is hier niet voor gekozen en wat gebeurt er als een cliënt verhuist naar een andere gemeente?
Gegevens over de lopende gecoördineerde aanpak, over eerder
verstrekte diensten uit het sociaal domein of van een lopend onderzoek
naar meervoudige problematiek kunnen worden verstrekt aan de nieuwe
gemeente bij verhuizing. Hier is geen nadere wettelijke regeling voor
nodig omdat beide colleges op grond van de wet bevoegd zijn de gegevens
te verwerken. Toch stel ik voor bij nota van wijziging hiervoor in
artikel 5.4.4 een expliciete grondslag op te nemen, omwille van de
duidelijkheid en omdat een expliciete grondslag voor de overdracht van
gegevens bij een verhuizing zal bijdragen aan snellere en betere hulp
voor cliënten die verhuizen. Artikel 2.6.1 van de Wmo 2015 bepaalt dat
de colleges met elkaar samen werken indien dat voor een doeltreffende en
doelmatige uitvoering van deze wet aangewezen is. Dat geldt dus ook voor
de regels van dit wetsvoorstel die in de Wmo 2015 zullen worden
opgenomen. Colleges zullen ook in het kader van de aanpak van
meervoudige problematiek, zoals voorgesteld in de Wams, soms moeten
samenwerken.
Bij een verhuizing kan ervoor worden gekozen om de gecoördineerde aanpak
af te maken in de nieuwe woonplaats met zo nodig andere partijen. Een en
ander hangt af van de aard van de problematiek af, of die afhankelijk is
van lokale voorzieningen of niet. Soms zal het beter zijn om bij het
college van de nieuwe gemeente opnieuw hulp te vragen.
In de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening is geregeld dat de gemeente ervoor kan kiezen in bijzondere omstandigheden schuldhulpverlening te geven aan een persoon die geen inwoner is (artikel 3, vijfde lid, Wgs). Als iemand loonkostensubsidie ontvangt op grond van de Participatiewet en verhuist, blijft de loonkostensubsidie doorlopen gedurende de dienstbetrekking (artikel 10d, tiende lid, Participatiewet).
21. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering wanneer duidelijk werd dat deze wetgeving noodzakelijk is en welke signalen daarop wezen. Deze leden vragen de regering tevens waarom deze regelgeving nu wordt voorgelegd. Zijn de problemen in gegevensuitwisseling recent toegenomen?
Dit wetsvoorstel is al een aantal jaren in voorbereiding in overleg
met gemeenten en andere betrokken organisaties binnen en buiten het
sociaal domein. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de
decentralisatiewetten constateerde het toenmalige kabinet dat de
(beoogde) wettelijke kaders voldoende ruimte zouden bieden voor de
noodzakelijke gegevensdeling en borging van de privacy; een nieuw
juridisch kader werd toen dan ook niet nodig geacht. Het kabinet sprak
ook de bereidheid uit dit standpunt opnieuw te bezien als gemeenten in
de praktijk niet met de wet- en regelgeving uit de voeten zouden kunnen.
Gaandeweg bleek dat zich inderdaad toch belangrijke knelpunten op het
gebied van gegevensverwerking voordeden. Als gevolg daarvan ervaren
gemeenten belemmeringen in het realiseren van een gecoördineerde aanpak
en het leveren van maatwerk aan burgers bij wie meervoudige problematiek
speelt. Die komen er in het algemeen op neer dat het huidige wettelijke
kader onvoldoende basis biedt om gegevens te kunnen verwerken om vast te
stellen of eventueel sprake is van meervoudige problematiek, dan wel de
mogelijkheid uitvoering te kunnen geven aan een daadwerkelijke
gecoördineerde aanpak daarvan.
Ook heeft de Autoriteit Persoonsgegevens in 2016 al geconstateerd dat
toestemming in het sociaal domein geen juiste grondslag is voor de
verwerking van persoonsgegevens. Omdat er doorgaans sprake is van
situaties waarin de betrokkenen afhankelijk zijn van de gemeente voor
hulp als zij het niet zelf of met hulp van hun omgeving redden, kan
toestemming niet in vrijheid worden gegeven.
Deze situatie heeft bijgedragen aan handelingsverlegenheid bij
organisaties, professionals en gemeenten om informatie te delen, ook in
gevallen waarin dit, gezien de aard van de problematiek, wel geboden is.
De huidige situatie van onduidelijkheid over de wettelijke grondslagen
van een gecoördineerde aanpak is onwenselijk in het licht van tijdige en
goede en beter op elkaar afgestemde hulp voor mensen met meervoudige
problematiek. Met dit wetsvoorstel wil ik die duidelijkheid geven en zo
betere ondersteuning van burgers met meervoudige problematiek mogelijk
maken. Uit onderzoek van het Sociaal Cultureel planbureau blijkt dat
circa 10% van de bevolking een stapeling van problemen heeft en te
weinig eigen kracht (hulpbronnen) om zelf deze problemen aan te
pakken.16 Dit is de groep die potentieel te
kampen heeft met meervoudige problematiek als gedefinieerd in dit
wetsvoorstel. Er is op dat vlak geen grote toe- of afname te zien. De
geconstateerde problemen op het gebied van gegevensverwerking zijn
daarbij onveranderd. De Wams is nodig om de gegevensuitwisseling te
verbeteren en duidelijk wettelijk in te kaderen, zodat het beter
mogelijk wordt om voor mensen met meervoudige problematiek te helpen om
hun problemen te verminderen of weg te nemen.
22. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering wat op dit moment de wettelijke basis is voor het overdragen van gegevens tussen gemeenten bij een zogenaamde warme overdracht van een persoon of gezin met een meervoudige hulpvraag en wat dit wetsvoorstel daarin precies verandert. In hoeverre zijn gemeenten op dit moment verplicht voor een warme overdracht te zorgen en te voorkomen dat iemand in een nieuwe gemeente weer opnieuw het hele traject van de beoordeling van de zorg/hulpvraag moet doorlopen?
Artikel 2.6.1 van de Wmo 2015 bepaalt dat de colleges met elkaar
samen werken indien dat voor een doeltreffende en doelmatige uitvoering
van deze wet aangewezen is. Dat geldt ook bij eventuele samenwerking in
het kader van de aanpak van meervoudige problematiek. Gegevens over de
lopende gecoördineerde aanpak, over eerder verstrekte diensten uit het
sociaal domein of van een lopend onderzoek naar meervoudige problematiek
kunnen worden verstrekt aan de nieuwe gemeente bij verhuizing. Hier is
geen nadere wettelijke regeling voor nodig omdat beide colleges op grond
van de wet bevoegd zijn de gegevens te verwerken. Toch stel ik voor bij
nota van wijziging hiervoor in artikel 5.4.4 een expliciete grondslag op
te nemen, omwille van de duidelijkheid en omdat een expliciete grondslag
voor de overdracht van gegevens bij een verhuizing zal bijdragen aan
snellere en betere hulp voor cliënten die verhuizen. Artikel 2.6.1 van
de Wmo 2015 bepaalt dat de colleges met elkaar samen werken indien dat
voor een doeltreffende en doelmatige uitvoering van deze wet aangewezen
is. Dat geldt dus ook voor de regels van dit wetsvoorstel als die in de
Wmo 2015 worden opgenomen. Colleges zullen ook in het kader van de
aanpak van meervoudige problematiek, zoals voorgesteld in de Wams, soms
moeten samenwerken.
Bij een verhuizing kan ervoor worden gekozen om de gecoördineerde aanpak
af te maken in de nieuwe woonplaats met zo nodig andere partijen. Een en
ander hangt af van de aard van de problematiek af, of die afhankelijk is
van lokale voorzieningen of niet. Soms zal het beter zijn om bij het
college van de nieuwe gemeente opnieuw hulp te vragen.
In de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening is geregeld dat de gemeente ervoor kan kiezen in bijzondere omstandigheden schuldhulpverlening te geven aan een persoon die geen inwoner is (artikel 3, vijfde lid, Wgs). Als iemand loonkostensubsidie ontvangt op grond van de Participatiewet en verhuist, blijft de loonkostensubsidie doorlopen gedurende de dienstbetrekking (artikel 10d, tiende lid, Participatiewet).
23. De leden van de PvdA-fractie vragen hoe groot de groep mensen is die meervoudige problematiek hebben. Zij nemen aan dat een nieuwe en meer precieze schatting voorhanden is sinds de schatting die is gebaseerd op gegevens uit 2017. Zij vragen de regering hoe deze mensen zijn verdeeld over de verschillende gemeenten. Zij vragen de regering ook of de financiële en capacitaire belasting voor de verschillende gemeenten nader kan worden toegelicht.
In paragraaf 2.1 van de memorie van toelichting is een percentage genoemd van circa 4% van de inwoners dat grotere moeilijkheden ondervindt en gedurende kortere of langere tijd ondersteuning nodig heeft17. Deze groep kampt met verschillende problemen tegelijk die vaker chronisch en met elkaar verweven zijn, en die soms intergenerationeel worden overgedragen. Volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) maakt circa 10% van de bevolking gebruik van één of meerdere voorzieningen uit het sociaal domein18. In de periode 2015-2019 is vooral een stijging te zien in het gebruik van voorzieningen op grond van de Wmo 2015 en de Jeugdzorg, zo blijkt uit de publicatie ‘Voorzieningen in 3D’ van SCP. Uit de stapelingsmonitor van het CBS19 blijkt dat het aantal huishoudens dat gebruik maakt van twee of meer voorzieningen in de loop van de jaren redelijk gelijk is gebleven. Hierbij moet worden aangetekend dat zowel het CBS als het SCP uitgaan van verschillende en overlappende categorieën van regelingen. Ook wil het feit dat van meerdere voorzieningen uit het sociaal domein gebruik wordt gemaakt niet zeggen dat er sprake is van meervoudige samenhangende problematiek, waar de Wams zich op richt. Op basis van deze cijfers fluctueert het percentage vermoedelijk binnen een bandbreedte van 1-10%.20
Het SCP zag ook een groter aandeel van huishoudens waarbinnen meerdere problemen zich opstapelen. Het gaat daarbij in de meeste gevallen om combinaties van participatievoorzieningen die mensen helpen bij het vinden en behouden van werk en maatschappelijke ondersteuning. Ook de combinatie van jeugdhulp in combinatie met bijstand bij de ouders komt regelmatig voor.
De Wams is gericht op alle cliënten met meervoudige problematiek. In
het wetsvoorstel is dat gedefinieerd als meerdere samenhangende
problemen van een persoon of meerdere samenhangende problemen van
gezinsleden die betrekking hebben op verschillende aspecten van het
sociaal domein, of op het sociaal domein en aanpalende domeinen. De
ernst speelt in deze definitie geen rol. Bij het grootste deel van deze
huishoudens is sprake van “gewone” meervoudige problematiek en bij
slechts een klein deel is sprake van ernstige meervoudige problematiek,
waarbij de cliënt niet altijd zelf met een hulpvraag komt. Vooral van
deze laatste groep is de omvang onzeker, omdat het gaat om kwetsbare
mensen die niet altijd in beeld zijn bij de gemeente, terwijl zij soms
juist wel hulp nodig hebben.
Voor de capacitaire en financiële gevolgen van dit wetsvoorstel voor
gemeenten heeft de VNG een uitvoeringstoets opgesteld. Door het
ontbreken van een wettelijke grondslag hebben gemeenten tot nu toe nog
onvoldoende vorm kunnen geven aan een integrale aanpak. Uit de
uitvoeringstoets van de VNG (de impactanalyse) blijkt dat er geen sprake
is van structurele uitvoeringskosten en dat de eenmalige
implementatiekosten zoals beschreven in de rapportage betrekking hebben
op het bredere vraagstuk van het versterken van de uitvoeringskracht van
gemeenten in het sociaal domein. Hiervoor is door het Rijk in 2021 45
miljoen voor gemeenten via het Gemeentefonds ter beschikking gesteld. De
uitvoeringstoets leidt hiermee niet tot een financiële claim van
gemeenten. Het Rijk biedt met de VNG ondersteuning zoals
regiobijeenkomsten, handreikingen, (communicatie)tools en andere
hulpmiddelen.
24. De leden van de PvdA-fractie lezen dat uit onderzoek uit 2018 blijkt dat niet meer dan anderhalf op de tien gemeenten een integraal budget voor het sociaal domein op de gemeentebegroting had. Hoe ligt dat nu, in 2023?
In de huidige vragenlijst van het periodieke 3D onderzoek begrotingen gemeenten van het Ministerie van BZK is geen vraag meer opgenomen over integraal budget sociaal domein. Er is wel een vraag opgenomen of de verwachte uitgaven voor de sociaal domein taken hoger, ongeveer gelijk of lager uitvallen dan de rijksmiddelen daarvoor. Een behoorlijke groep gemeenten (40%) geeft aan dat die vraag lastig is te beantwoorden sinds een groot deel van de middelen via Algemene Uitkeringen lopen. In de beginjaren hadden veel gemeenten het uitgangspunt van budgettaire neutraliteit (waarbij ook naar de budgetten binnen het sociaal domein werd gekeken), maar dat is nu overwegend losgelaten. Net als bij andere beleidsvelden wordt geraamd vanuit wat beleidsmatig nodig is.
25. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering waarop de verwachting dat met dit wetsvoorstel een substantiële bijdrage wordt geleverd aan de verdere ontwikkeling van integraal werken is gebaseerd. Zij vragen of kan worden aangegeven welke knelpunten wel en welke niet met dit wetsvoorstel worden opgelost in de dagelijkse praktijk.
Dit wetsvoorstel komt tegemoet aan specifieke knelpunten op het gebied van domeinoverstijgende gegevensverwerking die in de weg staan aan het kunnen doen van onderzoek naar meervoudige problematiek en het uitvoeren van een gecoördineerde aanpak. Gebleken is dat daar de belangrijkste knelpunten liggen om te komen tot een integrale aanpak bij meervoudige problematiek. Vandaar de verwachting dat dit wetsvoorstel een substantiële bijdrage zal leveren aan het integraal werken.
De meeste gemeenten onderschrijven het belang van integrale
ondersteuning, maar in de praktijk is dit nog lang niet overal
gerealiseerd. De oorzaken daarvoor zijn divers: knelpunten in de
gegevensuitwisseling, sommige gemeenten hanteren in de begrotingen
financiële schotten tussen de verschillende voorzieningen en ook kan het
zijn dat de benodigde samenwerking met derden (professionals,
uitvoeringsorganisaties, scholen etc.) stokt door uiteenlopende
redenen.
Dit wetsvoorstel biedt een duidelijk wettelijk kader over wat kan en mag
met persoonsgegevens, en geeft een kader voor samenwerking tussen de
diverse partijen binnen en het buiten het sociaal domein.
Het aantal personen met meervoudige problematiek is weliswaar
relatief klein (zie antwoord op vraag 23), maar vraagt in financiële en
capacitaire zin veel van gemeenten. Evaluatieonderzoek uit 2019 wees uit
dat veel gemeenten het lastig vinden om integraal werken te realiseren,
ten eerste vanwege de inschatting dat afstemming met betrokken derden
veel opleidings- en overlegtijd zou kosten, ten tweede omdat het accent
na 2015 eerst moest worden gelegd op goede implementatie van de wetten
in de eigen uitvoeringsorganisatie en ten derde omdat de wetgeving zelf
integraliteit belemmerde doordat verantwoordelijkheden onvoldoende waren
afgebakend. Gemeenten onderschreven in dit evaluatieonderzoek wel de
meerwaarde van een integrale aanpak, maar stuitten op een weerbarstige
praktijk, vooral voor wat betreft de afstemming tussen de Wmo 2015 en de
Jeugdwet enerzijds en de Participatiewet anderzijds. Ongeveer een kwart
van de gemeenten heeft lokale teams waarbij er sprake is van één budget
voor Wmo 2015 en Jeugdwet.21 Dit om samenhang
tussen de domeinen te bereiken en korte lijnen in de dienstverlening
naar burgers te bewerkstelligen. Integrale financiering was nog beperkt
ingevoerd: uit hetzelfde evaluatieonderzoek bleek (peiling 2018) dat
niet meer dan anderhalf op de tien gemeenten een integraal budget voor
het sociaal domein op de gemeentebegroting had opgenomen.
Na verloop van tijd bleek dat landelijke kaders gewenst zijn om de
nodigde afspraken in gang te zetten, of om schotten ten aanzien van
financiering en gegevensuitwisseling weg te nemen. De Wams is daar een
uitvloeisel van, maar ook bijvoorbeeld het de wet met betrekking tot de
uitbreiding en verdere uitwerking van de bekostigingsmogelijkheden met
middelen vanuit het Fonds langdurige zorg, beoogt ook financiële
schotten weg te nemen.22Het doel van genoemd wetsvoorstel is
om de samenwerking tussen de verschillende financiers te stimuleren
zodat (zorg)geld doelmatig kan worden ingezet in het sociaal domein om
zorgkosten te voorkomen. Met name zorgkantoren zouden meer ruimte hebben
voor domein-overstijgende initiatieven in het sociaal domein voor niet
cliëntgebonden voorzieningen. Zie in dat verband ook de “Handreiking
domeinoverstijgende activiteiten en aanspraken Zvw” van het
Zorginstituut Nederland (2023).23
26. De leden van de PvdA-fractie kunnen zich vinden in het weer opnemen van oggz in de Wmo 2015 en vragen of een overzicht kan worden gegeven worden van gemeentes die op dit moment een speciaal meldpunt oggz of meldpunt niet-acute zorg hebben en van de bestaande regionale meldpunten.
Alle gemeenten beschikken inmiddels (peiling voorjaar 2021) over een lokaal of regionaal meldpunt voor niet-acute meldingen. Gemeenten informeren inwoners via hun website bij welke verschillende meldpunten inwoners terecht kunnen. Daarnaast beschikt ook elke gemeente over de oggz-functie. Het Schakelteam Personen met Verward gedrag heeft in 2018 geadviseerd specifieke ondersteuning te bieden aan “24/7 advies- en meldpunten voor niet acute meldingen” door het openstellen van een landelijk nummer voor eenieder, burgers en professionals, die zich zorgen maakt over een ander of over zichzelf. Dit landelijk nummer is in 2020 gerealiseerd (landelijk meldpuntzorgwekkendgedrag.nl, te bereiken via 0800-1205) en draagt bij aan goede bereikbaarheid van de al bestaande gemeentelijke en regionale advies- en meldpunten.
27. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering waarom een regeling voor vroegsignalering niet ook is opgenomen in dit wetsvoorstel. Gemeenten zouden toch bij uitstek in staat moeten zijn gezinnen met meervoudige problematiek in een heel vroeg stadium op het spoor te komen, zodat erger kan worden voorkomen? Hoe zou dit alsnog in dit wetsvoorstel kunnen worden vormgegeven?
Dit wetsvoorstel is bedoeld om mensen met meervoudige problematiek
beter en eerder te kunnen helpen door het mogelijk maken van onderzoek
en het aanbieden van een gecoördineerde aanpak waarin de hulp en
ondersteuning goed op elkaar is afgestemd. Voor die taken zijn in het
wetvoorstel bepalingen opgenomen om de verwerking van de noodzakelijke
gegevens van wettelijke grondslagen te voorzien volgens het principe dat
zo min mogelijk gegevens worden verwerkt en dat de noodzakelijke
gegevens alleen met betrokken partijen worden gedeeld voor zover zij die
nodig hebben voor hun bijdrage aan de gecoördineerde aanpak.
Bij vroegsignalering worden juist op grotere schaal gegevens verzameld
en geanalyseerd om daaruit conclusies te kunnen trekken. De daarvoor
noodzakelijke koppeling van data van diverse partijen en de wettelijke
en technische waarborgen die nodig zijn, vergt hele andere wetgeving,
waarbij vooraf geanalyseerd moet worden of zo’n zware inbreuk op de
privacy in verhouding staat tot het te bereiken doel en niet onnodig
mensen zal stigmatiseren.
Er zijn in het kader van vroegsignalering wel afzonderlijke
arrangementen als het gaat om de schuldhulpverlening. Gemeenten
beschikken over de grondslag om aan inwoners actief hulp aan te bieden
naar aanleiding van signalen over betalingsachterstanden die
woningverhuurders, zorgverzekeraars, CAK, energieleveranciers en
drinkwaterleveranciers aan de gemeente verstrekken24.
28. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering wat het in de praktijk zal betekenen dat het college geen doorzettingsmacht heeft, maar dat de coördinerende taak alleen ziet op afstemming en samenhang bij planning en uitvoering van taken. In hoeverre zou dit in de praktijk tot problemen kunnen leiden en over welke problemen gaat het dan?
Het ontbreken van een mogelijkheid om bijvoorbeeld in te kunnen grijpen bij stagnatie in het proces dat moet leiden tot passende zorg en ondersteuning, is naar verwachting niet problematisch. De Wams maakt betere samenwerking mogelijk waardoor problemen in de uitvoering van de diverse bij een cliënt betrokken partijen kunnen worden voorkomen. Daarbij is het van belang dat deze partijen een verantwoordelijkheid voelen om samen te werken. De wettelijke taak voor het college om onder andere te zorgen voor coördinatie kan daaraan zeker bijdragen. Zo kan het college zorg dragen voor afstemming en samenhang bij de planning en uitvoering van taken. Als knelpunten worden ervaren in de gecoördineerde aanpak, kan de coördinator een casusoverleg beleggen, om dit met de betrokken partijen te bespreken.
29. De leden van de GroenLinks-fractie lezen op verschillende plekken in het wetsvoorstel dat het aantal personen met meervoudige problematiek relatief klein is: het gaat om 1-4 procent van de huishoudens. Kan de regering dit beeld iets meer inkleuren? Wat voor situaties spelen bij deze huishoudens? Over welke meervoudige problematiek spreken we vooral bij deze 1-4 procent huishoudens? Is de zwaarte en inhoud van deze problematiek veranderd sinds de decentralisaties van 2015?
In paragraaf 2.1 van de memorie van toelichting is een percentage genoemd van circa 4% van de inwoners dat grotere moeilijkheden ondervindt en gedurende kortere of langere tijd ondersteuning nodig heeft25. Deze groep kampt met verschillende problemen tegelijk die vaker chronisch en met elkaar verweven zijn, en die soms intergenerationeel worden overgedragen. Volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP; 2020) maakt circa 10% van de bevolking gebruik van één of meerdere voorzieningen uit het sociaal domein26. In de periode 2015-2019 is vooral een stijging te zien in het gebruik van voorzieningen op grond van de Wmo 2015 en de Jeugdzorg, zo blijkt uit de publicatie ‘Voorzieningen in 3D’ van SCP. Uit de stapelingsmonitor van het CBS blijkt dat het aantal huishoudens dat gebruik maakt van twee of meer voorzieningen in de loop van de jaren redelijk gelijk is gebleven.27 Hierbij moet worden aangetekend dat zowel het CBS als het
SCP uitgaan van verschillende en overlappende categorieën van regelingen. Ook wil het feit dat van meerdere voorzieningen uit het sociaal domein gebruik wordt gemaakt niet zeggen dat er sprake is van meervoudige samenhangende problematiek, waar de Wams zich op richt. Op basis van deze cijfers fluctueert het percentage vermoedelijk binnen een bandbreedte van 1-10%.28
Het SCP zag ook een groter aandeel van huishoudens waarbinnen meerdere problemen zich opstapelen. Het gaat daarbij in de meeste gevallen om combinaties van participatievoorzieningen die mensen helpen bij het vinden en behouden van werk en maatschappelijke ondersteuning. Ook de combinatie van jeugdhulp in combinatie met bijstand bij de ouders komt regelmatig voor.
De Wams is gericht op alle cliënten met meervoudige problematiek. In het wetsvoorstel is dat gedefinieerd als meerdere samenhangende problemen van een persoon of meerdere samenhangende problemen van gezinsleden die betrekking hebben op verschillende aspecten van het sociaal domein, of op het sociaal domein en aanpalende domeinen. De ernst speelt in deze definitie geen rol. Bij het grootste deel van deze huishoudens is sprake van “gewone” meervoudige problematiek en bij slechts een klein deel is sprake van ernstige meervoudige problematiek, waarbij de cliënt niet altijd zelf met een hulpvraag komt. Vooral van deze laatste groep is de omvang onzeker, omdat het gaat om kwetsbare mensen die niet altijd in beeld zijn bij de gemeente, terwijl zij soms juist wel hulp nodig hebben.
30. De leden van de GroenLinks-fractie vragen de regering hoe ten tijde van de invoering van de decentralisaties in 2015 over deze aanpak van meervoudige problematiek in het sociaal domein werd gedacht. Werden de verschillen in doelen en uitgangspunten van de verschillende wetten, knelpunten in gegevensuitwisseling en financiële schotten in begrotingen tussen de verschillende domeinen niet van tevoren gezien als mogelijke problemen voor een integrale aanpak van meervoudige problematiek? Zo ja, is daar destijds voldoende aandacht en tijd aan gegeven? Dit wetsvoorstel zal niet alle knelpunten oplossen, maar specifiek knelpunten in de privacywetgeving zal aanpakken. Op welke manier wil de regering de andere knelpunten aanpakken, zoals hierboven
beschreven (verschillende doelen en uitgangspunten van de wetten in het sociaal domein, financiële schotten in begrotingen tussen de verschillende voorzieningen of de benodigde samenwerking met derden)?
Met de decentralisatie van verantwoordelijkheden op de terreinen van
jeugd, maatschappelijke ondersteuning en (arbeids)participatie, namen de
mogelijkheden van gemeenten toe om voor hun inwoners tot een – op de
eventueel bredere problematiek gebaseerd – geïntegreerd aanbod te komen.
De gemeente is de spil als het gaat om wonen, werk, inkomen, hulp- en
ondersteuning. Doel van de decentralisaties was te komen tot een zo goed
mogelijk op elkaar afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte
aan ondersteuning van zelfredzaamheid en participatie, beschermd wonen
of opvang dichtbij de burger (lokaal maatwerk). Onder het adagium: één
gezin, één plan en één regisseur, was de gedachte dat de gemeente beter
kan beoordelen of het mogelijk en wenselijk is om eventueel te treffen
voorzieningen in samenhang aan te pakken, zodat de betrokkene of het
huishouden beter kan worden geholpen29. Gemeenten maken
daartoe afspraken met partijen als zorgaanbieders en zorgverzekeraars en
kunnen ook samenwerking zoeken met partijen op het gebied van de zorg,
jeugdhulp, onderwijs, wonen, welzijn, werk en inkomen. De knelpunten
werden gaandeweg duidelijk. Gemeenten hadden na de decentralisaties tijd
nodig om hun organisatie en werkwijzen in te richten en het paste de
regering om terughoudend te zijn in het opnieuw ingrijpen in het
stelsel. De Raad van State gaf dit ook aan in de Vierde periodieke
beschouwing over interbestuurlijke verhoudingen na de decentralisaties
in het sociale en fysieke domein30.
Gebleken is dat het vaak niet goed mogelijk is de samenwerking en
afstemming te realiseren die nodig is om de burger die kampt met
meervoudige problematiek integraal te ondersteunen, omdat gegevens die
in het kader van één van de sociaal domeinwetten zijn verwerkt, vanwege
de AVG-eis van de doelbinding, niet konden worden gebruikt om tot
samenwerking en afstemming met andere domeinen te komen. Ook bleek na
verloop van tijd dat landelijke kaders gewenst zijn om de nodigde
afspraken in gang te zetten, of om schotten ten aanzien van financiering
en gegevensuitwisseling weg te nemen. Dit wetsvoorstel is daar een
uitvloeisel van, maar ook bijvoorbeeld het wetsvoorstel met betrekking
tot de uitbreiding en verdere uitwerking van de
bekostigingsmogelijkheden met middelen vanuit het Fonds langdurige zorg,
dat op 16 januari 2024 bij uw Kamer is ingediend, beoogt ook financiële
schotten weg te nemen.31 Het doel van genoemd wetsvoorstel
is om de samenwerking tussen de verschillende financiers te stimuleren
zodat (zorg)geld doelmatig kan worden ingezet in het sociaal domein om
zorgkosten te voorkomen. Met name zorgkantoren zouden meer ruimte hebben
voor domein-overstijgende initiatieven in het sociaal domein voor niet
cliëntgebonden voorzieningen. Zie in dat verband ook de “Handreiking
domeinoverstijgende activiteiten en aanspraken Zvw” van het
Zorginstituut Nederland (2023).32 Ongeveer een kwart van
de gemeenten heeft lokale teams waarbij er sprake is van één budget voor
Wmo 2015 en Jeugdwet en verschillende gemeenten hebben woonzorgvisies
gemaakt.33 Zo worden steeds stappen gezet om
tot een betere integrale aanpak te komen.
Dit wetsvoorstel lost de knelpunten rond integraal werken op: door
duidelijk regels over de aanpak van meervoudige problematiek en de
daarvoor noodzakelijke verwerking van gegevens en samenwerking met
partijen, wordt een belangrijke stap gezet in de ontwikkeling van het
integraal werken.
31. De leden van de GroenLinks-fractie zijn benieuwd waarom er destijds gekozen is om oggz-zorg niet meer expliciet in de Wmo 2015 te benoemen? Zeker nu dit weer gerepareerd wordt via deze wet, doet de vraag zich voor waarom er destijds voor gekozen is en of dat zorgvuldig is gedaan.
De oggz maakt al vele jaren onderdeel uit van de gemeentelijke
verantwoordelijkheden in het kader van de maatschappelijke ondersteuning
zoals bedoeld in de Wmo (2007) en de Wmo 2015. Onder de Wmo 2007 werden
concrete prestatievelden benoemd. Deze zijn in de Wmo 2015 losgelaten
voor de bredere categorieën zelfredzaamheid en participatie. Op deze
manier werden gemeenten gestimuleerd verschillende arrangementen en
voorzieningen in hun gemeente aan te bieden en te combineren. Zo wordt
huishoudelijke hulp als voorziening ook niet expliciet in de wet
genoemd, maar valt die wel degelijk onder de Wmo 2015. Tijdens de
parlementaire behandeling van de Wmo 2015 heeft de regering
verschillende malen bevestigd en toegelicht dat met deze wijziging niet
werd beoogd een wijziging in taken en verantwoordelijkheden aan te
brengen en dat de oggz een gemeentelijke taak als onderdeel van
maatschappelijke ondersteuning zou blijven. Hoewel het niet meer
expliciet noemen van de oggz in de Wmo van 2015 dus een bewuste en
zorgvuldige keuze was, bleven hier dit in de jaren daarna vragen over
komen.
Naar aanleiding van signalen van het Schakelteam personen met verward
gedrag over onduidelijkheid in de verantwoordelijkheidsverdeling voor
zorg en ondersteuning voor deze doelgroep, heeft de regering gemeenten
er in september 2018 nogmaals op gewezen dat openbare geestelijke
gezondheidszorg en bemoeizorg nog steeds gemeentelijke taken zijn op
grond van de Wmo 2015.
De GGD GHOR Nederland heeft in aanloop naar dit wetsvoorstel aangegeven
dat het ontbreken van een expliciete wettelijke grondslag voor de oggz
een belemmering vormt voor de uitvoering van hun werkzaamheden en de
daarvoor benodigde verwerking van persoonsgegevens.
Om te voorzien in een wettelijke grondslag voor de verwerking van
gegevens die noodzakelijk is voor de oggz-taak, is het nodig die taak in
de wet te expliciteren. De gegevens die voor de oggz worden verwerkt,
zijn meestal niet van de cliënt zelf verkregen, maar bijvoorbeeld van de
politie, of de woningcorporatie, omdat het vaak mensen betreft die zorg
mijden. Met de voorgestelde regeling kan het college ook ten aanzien van
mensen met wie zij bemoeienis heeft, maar aan wie nog geen voorziening
is verstrekt, persoonsgegevens verwerken.
32. De leden van de GroenLinks-fractie lezen dat de regering constateert dat de decentralisaties in het sociaal domein nog niet alles hebben gebracht wat ervan werd gehoopt. Genoemde leden vinden dat een understatement. De regering schrijft dat de aanname dat door de verantwoordelijkheid voor zorg en ondersteuning over te dragen aan gemeenten de integrale ondersteuning goedkoper, minder complex, toegankelijker en daarmee beter zou worden, deels te optimistisch is gebleken. Ook de gewenste integrale dienstverlening komt nog onvoldoende van de grond, met name aan kwetsbare burgers. Deze leden onderschrijven deze conclusies van de regering en zijn benieuwd hoe de regering zelf terugkijkt op de invoering van de decentralisaties in 2015?
Op 1 januari 2015 vond in Nederland een omvangrijke stelselwijziging plaats in het sociaal domein. De Participatiewet, de Jeugdwet en de Wmo 2015 werden op die datum ingevoerd. Hiermee werd de uitvoering van het sociaal domein gedecentraliseerd; de verantwoordelijkheid voor het gehele domein kwam bij gemeenten te liggen. Doel van deze decentralisaties was om ondersteuning en zorg dichter bij de burger te organiseren, om zo meer maatwerk te kunnen leveren en kosten te besparen. De verwachting was dat op grond van de gedecentraliseerde wetten verbindingen gelegd konden worden tussen zorggebieden in het sociaal domein, om zo beleid effectiever te kunnen laten zijn.34
Gemeenten hebben veel werk verzet om de uitvoering van de diverse
wetten goed in hun uitvoeringsorganisatie te implementeren. Juist op het
gemeentelijk niveau komen veel zaken samen: het onderwijs, de afspraken
met woningcorporaties, jeugdhulp, de schuldhulpverlening en werk en
inkomen. Ook vindt er samenwerking plaats tussen bijvoorbeeld
zorgverzekeraars en gemeenten. Doel achter de decentralisatie was de
mogelijkheid om op deze terreinen het beleid op lokaal niveau af te
kunnen stemmen. Juridische en organisatorische schotten op het gebied
van gegevensuitwisseling en bekostiging staan daaraan soms in de weg.
Dit neemt niet weg dat partijen elkaar beter weten te vinden dan
voorheen35 en dat veel gemeenten onder andere
zijn gaan samenwerken in lokale teams. Met wetsvoorstellen zoals de
Wams, het wetsvoorstel reikwijdte Jeugdwet dat in voorbereiding is, het
wetsvoorstel tot uitbreiding en verdere uitwerking van de
bekostigingsmogelijkheden met middelen vanuit het Fonds langdurige
zorg36 en het wetsvoorstel versterking
regie volkshuisvesting37, wordt de integraliteit die was
bedoeld met de decentralisaties rond 2015, verder bevorderd.
Achteraf gezien blijkt de totale transformatie opgave meer tijd te
kosten dan Rijk en gemeenten destijds hebben ingeschat38.
Dit wetsvoorstel werkt toe naar meer integraliteit en het dichterbij
brengen van de doelen die in 2015 waren gesteld.39 ,
Hetzelfde geldt voor andere initiatieven, zoals de uitbreiding van de
bekostigingsmogelijkheden met middelen vanuit het Fonds langdurige zorg
40 en de Verzamelwet
gegevensverwerking VWS IIb, om de grondslagen voor gegevensverwerking op
het terrein van de Jeugdwet, Wlz en Wmo te verbeteren.41
Met het programma Participatiewet in Balans wil de regering vertrouwen
en de menselijke maat verankeren in de (uitvoering van de)
Participatiewet. De wijziging van de Participatiewet (Participatiewet in
Balans spoor 1) laat onder meer de ondersteuning beter aansluiten op de
mogelijkheden en omstandigheden van de betrokkenen en geeft de
uitvoerend professional meer handelingsruimte.42
De regering streeft er met gemeenten naar om de dienstverlening aan (kwetsbare) inwoners te verbeteren. De versterking van de dienstverlening is in de kabinetsreactie op de Toeslagenaffaire als volgt vormgegeven (actielijn 4): “Versterken dienstverlening bij alle onderdelen van de overheid: de overheid moet toegankelijk zijn. Het kabinet wil dat de dienstverlening eenvoudig is. Dat het makkelijk is om nadere informatie en uitleg te krijgen. En dat het helder is hoe je, indien gewenst, in bezwaar of beroep kunt gaan tegen beslissingen van de overheid.” Naast de actielijnen als genoemd in de kabinetsreactie op de toeslagenaffaire, werken het Rijk, gemeenten en andere partijen samen in verschillende programma’s aan concrete oplossingen zoals in het Programma Werk aan Uitvoering en Professionals voor Maatwerk Multiproblematiek.43
33. Is zij het met hen eens dat het bijvoorbeeld een slecht idee was om deze decentralisaties in te voeren met een bezuiniging?
In de aanloop naar de decentralisaties is in overleg met de VNG een inschatting gemaakt van de benodigde financiële middelen voor een gedecentraliseerd stelsel van jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning. Hierin werden efficiëntiewinsten verondersteld op de middellange termijn. Achteraf gezien blijkt de totale transformatie opgave meer tijd te kosten dan Rijk en gemeenten destijds hebben ingeschat. Dat neemt niet weg dat de decentralisaties destijds zorgvuldig zijn voorbereid.
34. De leden van de GroenLinks-fractie vragen in hoeverre onderdeel van het probleem is dat het sociaal domein landelijk ook onder verschillende ministeries is ondergebracht, met eigen budgetten en ambtenaren?
Nee, dat is geen gesignaleerd probleem bij de aanpak van meervoudige problematiek in het sociaal domein. De diverse betrokken ministeries werken goed samen.
35. Zou meer integraal werken ook niet landelijk moeten worden nagestreefd, in plaats van dit probleem enkel op gemeentelijk niveau neer te leggen? De leden van de GroenLinks-fractie ontvangen graag een reflectie van de regering hierop.
Juist op het gemeentelijk niveau komen veel zaken samen, het onderwijs, de afspraken met woningcorporaties, jeugdhulp, de schuldhulpverlening en werk en inkomen. Allebei is aan de orde: gemeenten en Rijk werken samen evenals ministeries onderling samenwerken en er vindt bijvoorbeeld ook samenwerking plaats tussen zorgverzekeraars en gemeenten. Het sociaal domein behelst een brede opgave, waarbij een integrale aanpak, ook vanuit het Rijk, van belang is. In de beleidsontwikkeling is het van belang dat er tussen departementen én tussen medeoverheden sprake is van zorgvuldige voorbereiding van beleid, zoals het kabinet onderschrijft in de actieagenda sterk bestuur en de Code Interbestuurlijke Verhoudingen.44 Ook bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel en de verdere implementatie is zo’n zorgvuldig proces gevolgd. Om te kunnen komen tot een integrale aanpak is afstemming een noodzakelijke voorwaarde. Daarom zijn er nu wetsvoorstellen in voorbereiding, zoals de Wams en de Wet versterking regie volkshuisvesting, die de integraliteit verder bevorderen. Daarnaast is in het IZA afgesproken dat zorg en ondersteuning voor mensen met een psychische kwetsbaarheid verbeterd en versterkt moet worden en dat dit te realiseren is als er sprake is van een goede onderlinge samenwerking is tussen het sociale domein, huisartsenzorg en ggz. In het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord45 zijn aanvullende afspraken gemaakt op het snijvlak van het sociaal en medisch domein. Zorgverzekeraars, gemeenten en aanbieders van zorg en ondersteuning hebben landelijke afspraken gemaakt over concrete ‘basisfunctionaliteiten’ (het wat) op de thema’s kansrijk opgroeien, gezonde leefstijl, mentale gezondheid, vitaal ouder worden en gezondheidsachterstanden verminderen. Basisfunctionaliteiten zijn uiterlijk in 2030 in elke regio of gemeente ingevuld en beschikbaar voor inwoners. Lokale teams kunnen hierbij verschillende vormen van dienstverlening en activiteiten vanuit het sociale domein bieden, waarmee mensen hun sociale basis kunnen versterken als zij extra hulp nodig hebben op gebied van bijvoorbeeld wonen, werk(arbeidsparticipatie), gezondheid, schulden (armoede), sociale contacten, veiligheid en dergelijke. Veel van deze taken zijn al sinds jaar en dag bij de gemeenten belegd. In het AZWA is afgesproken dat lokale teams goed aansluiten op hechte wijkverbanden en de jeugdgezondheidszorg.
36. De leden van de GroenLinks-fractie lezen dat de regering ernaar streeft om de dienstverlening aan kwetsbare inwoners te verbeteren. Is de regering het met de leden van de GroenLinks-fractie eens dat cliëntondersteuning een belangrijke rol speelt bij de toegang tot zorg en ondersteuning voor kwetsbare burgers en een coördinerende rol vervult door het zorgdragen voor afstemming en samenhang bij de planning en uitvoeren van taken? Is de regering bereid om te onderzoeken of 1 loket voor cliëntondersteuning voor zowel de Wmo 2015 als de Wet langdurige zorg (Wlz) mogelijk is, zodat de cliënt geen last heeft van de schotten in de wetgeving en domeinoverstijgend geholpen wordt in de zoektocht naar de juiste hulp? Zo ja, op welke termijn kan zo’n onderzoek plaatsvinden? Zo nee, hoe wil de regering dan domeinoverstijgend werken voor cliëntondersteuning mogelijk maken?
Domeinoverstijgend werken bij cliëntondersteuning is mogelijk. Er is een knip tussen cliëntondersteuning op grond van de Wmo 2015 en de Wet langdurige zorg en dat kan voor cliënten onwenselijk zijn. In een wijziging van de Wet langdurige zorg46 is een bepaling opgenomen die zorgkantoren de mogelijkheid biedt om voorafgaand aan het indicatiebesluit onafhankelijke cliëntondersteuning te bieden. Deze bepaling is op 1 januari 2024 in werking getreden.47 Deze mogelijkheid wordt nog niet structureel benut48. Op een aantal plekken is er sprake van een gezamenlijke inkoop van cliëntondersteuning door zorgkantoren en gemeente, waardoor de overgang makkelijker wordt. Hiernaast kan in de huidige situatie voor een belangrijk deel onafhankelijke cliëntondersteuning op grond van de Wmo 2015 al voorzien in ondersteuning voor mensen met meervoudige problematiek. De omschrijving van cliëntondersteuning is ‘levensbreed’. Artikel 1.1.1. van de Wmo 2015 definieert cliëntondersteuning als: “Onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken
van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen.”
37. De leden van de SGP-fractie vragen zich vooral af of met dit voorstel recht wordt gedaan aan de decentralisatie van het sociaal domein en of het wetsvoorstel niet te ruim is vormgegeven, waardoor onvoldoende waarborgen zijn ingebouwd om de persoonlijke levenssfeer te beschermen.
De Afdeling Advisering van de Raad van State geeft aan dat uitgangspunt bij de decentralisaties in het sociale domein moet zijn dat de wetgever in de wet de “wat”-vraag formuleert, maar niet de «hoe»-vraag. De regering onderschrijft dit uitgangspunt. Ten aanzien van dit wetsvoorstel ben ik van mening dat het vanwege de vereiste zorgvuldigheid van de gegevensverwerking en het wegnemen van handelingsverlegenheid bij betrokken professionals nodig is om duidelijke procedures in deze wet op te nemen, juist ook als waarborg ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Daarmee wordt gewaarborgd dat de verwerking van persoonsgegevens per stap in het proces beperkt wordt tot datgene wat noodzakelijk is voor het doel van de verwerking, door eisen te stellen aan de verwerkte gegevens en aan de partijen die daar een rol bij hebben. De procedures geven ook meer duidelijkheid over de wijze van samenwerken en de gegevensverwerking daarbij, waardoor handelingsverlegenheid wordt tegengegaan. Hiermee wordt voorkomen dat te weinig gegevens worden gedeeld uit angst de regels te overtreden. Met het oog op de gedecentraliseerde verhoudingen gaat dit wetsvoorstel niet om het inperken van de gemeentelijke beleidsvrijheid voor de aanpak van multiproblematiek, maar om het bieden van kaders en handelingsperspectief om mensen met meervoudige problematiek beter te kunnen helpen binnen de kaders van het eigen gemeentelijke beleid.
Als de gegevensverwerking slechts in abstracto geregeld zou worden (door de Afdeling aangeduid met het «wat») is de noodzakelijke zorgvuldigheid minder goed gewaarborgd en zou de handelingsverlegenheid onvoldoende worden weggenomen. Door meer het «hoe» te regelen wordt voor het college, betrokken partijen en ook cliënten het handelingskader duidelijk. Daarmee komt de focus te liggen op de problematiek en het verlenen van onderling afgestemde hulp en wordt juridisering van de verhoudingen met betrokkenen door onenigheden over de werkwijze vermeden. De in dit wetsvoorstel voorgestelde regels voor onderzoek naar meervoudige problematiek en uitvoering van een gecoördineerde aanpak geven gemeenten het raamwerk en de bevoegdheden om binnen het sociaal domein, te weten jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen en schuldhulpverlening, met aanpalende terreinen zoals de inburgering, zorg, onderwijs en welzijn mensen beter te kunnen helpen. Voor gemeenten biedt de voorgestelde aanpak een titel en comfort om te handelen in het kader van meervoudige problematiek en samen te werken met andere betrokken partijen.
38. De leden van de SGP-fractie lezen dat gemeenten op wetsniveau ‘concrete handvatten’ krijgt voor het inrichten van een zorgvuldige procedure. Klopt het dat deze handvatten in feite verplichtingen zijn?
Met het wetsvoorstel wordt beoogd gemeenten, en de partners met wie zij werkt, houvast te bieden bij de gecoördineerde aanpak van meervoudige problematiek én burgers het vertrouwen te bieden dat gemeenten zorgvuldig en daadkrachtig kunnen optreden. Het biedt cliënten meer rechtszekerheid. De concrete handvatten in dit wetsvoorstel, zoals het onderzoek naar meervoudige problematiek en het aanstellen van een coördinator in geval van een gecoördineerde aanpak, zijn inderdaad verplicht van aard. Dat wil zeggen: als er vermoedelijk sprake is van meervoudige problematiek, moet het onderzoek aan de genoemde eisen voldoen, als er een gecoördineerde aanpak wordt gevolgd, moet een coördinator worden aangesteld om dat in goede banen te leiden en te zorgen voor een zorgvuldige gegevensverwerking, als een casusoverleg nodig wordt geacht, moet dat – eveneens met het oog op een zorgvuldige gegevensverwerking – worden gedaan op de voorgeschreven wijze. Die verplichtingen zijn nodig op grond van de AVG.
39. De leden van de SGP-fractie lezen dat het wetsvoorstel géén regeling voor vroegsignalering treft. Hoe verhoudt zich dit tot het wettelijk verankeren van het meldpunt?
Dit wetsvoorstel verankert – naast de regels voor onderzoek bij meervoudige problematiek en een gecoördineerde aanpak bij meervoudige problematiek – de taak voor gemeenten om zorg te dragen voor een meldpunt voor inwoners en professionals die zich zorgen maken over iemand in hun omgeving.
Alle gemeenten beschikken inmiddels over een dergelijk meldpunt,
veelal is dat ondergebracht bij de GGD. De dienstverlening uit hoofde
van deze meldpunten past in de ruime verantwoordelijkheid voor oggz die
gemeenten hebben. Dit wetsvoorstel voorziet in een expliciete regeling
ten behoeve van de verwerking van persoonsgegevens door deze meldpunten.
Bij meldpunten kunnen mensen terecht die concrete signalen hebben dat
het niet goed gaat met mensen in hun omgeving. De professionals die
werkzaam zijn bij het meldpunt kunnen adviseren en indien nodig mensen
doorgeleiden naar hulp en ondersteuning. Hierbij vindt alleen de
noodzakelijke gegevensverwerking plaats. Je zou het uitten van zorgen om
mensen in je omgeving vroegsignalering kunnen noemen, maar doorgaans
wordt daar iets anders onder verstaan. Namelijk het op grotere schaal
verzamelen en analyseren van gegevens om daaruit conclusies te kunnen
trekken.
De daarvoor noodzakelijke koppeling van data van diverse partijen en de
wettelijke en technische waarborgen die nodig zijn, vergt hele andere
wetgeving, waarbij vooraf geanalyseerd moet worden of zo’n zware inbreuk
op de privacy in verhouding staat tot het te bereiken doel en niet
onnodig mensen zal stigmatiseren. Vroegsignalering van schulden is wel
al mogelijk gemaakt in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening
Gemeenten beschikken over de grondslag om aan inwoners actief hulp aan
te bieden naar aanleiding van signalen over betalingsachterstanden die
woningverhuurders, zorgverzekeraars, CAK, energieleveranciers en
drinkwaterleveranciers aan de gemeente verstrekken49.
2. HUIDIGE PRAKTIJK RONDOM DE INTEGRALE AANPAK VAN MEERVOUDIGE PROBLEMATIEK
40. De leden van de VVD-fractie lezen dat om de gegevensuitwisseling ten behoeve van de samenwerking in het Zorg- en Veiligheidshuis van een expliciete wettelijke basis te voorzien het Wetsvoorstel gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden (WGS) voorligt in de Eerste Kamer. Dit wetsvoorstel is reeds in 2020 door de Tweede Kamer aangenomen en is nog niet behandeld door de Eerste Kamer. Kan de regering toelichten wat er op dit moment niet kan nu de WGS vooralsnog niet aangenomen is en welke consequenties dit heeft?
De Eerste Kamer heeft op 18 juni 2024 ingestemd met het wetsvoorstel
gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden (WGS),waarna de wet op 1
maart 2025 in werking is getreden50.
Volledigheidshalve wil ik wijzen op artikel VIII van dit wetsvoorstel.
Daarin wordt voorzien in een samenloopregeling met de WGS bij de
inwerkingtreding van de Wams. Hierdoor kan het college zorgen voor de
nodige aansluiting tussen een onderzoek naar meervoudige problematiek en
eventuele behandeling in een Zorg- en veiligheidshuis, of voor
aanmelding bij een Zorg- en veiligheidshuis als tijdens een onderzoek op
grond van de Wams of tijdens een gecoördineerde aanpak blijkt dat dat
gelet op de problematiek passend is.
41. Gemeenten organiseren de toegang tot zorg en ondersteuning veelal in de vorm van sociale (wijk)teams. Uit onderzoek van Movisie (2020) blijkt dat 83 procent van de gemeenten met dergelijke teams werkt. De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan toelichten waarom dit getal niet 100 procent is. Zijn er ergens ‘blinde vlekken’ als het gaat om toegang tot zorg en ondersteuning in gemeenten? Weten inwoners deze teams te vinden?
Zoals vermeld in paragraaf 2.2 van de memorie van toelichting geven gemeenten op verschillende wijze vorm aan de toegang tot hulp uit het sociaal domein, onder andere in de vorm van de lokale teams (met brede of smalle taken), lokale teams gericht op jeugd of in specifieke doelgroep gerichte (casus)overleggen en samenwerkingsverbanden. Ook hebben veel gemeenten de toegangsloketten voor diverse vormen van ondersteuning geïntegreerd, zodat burgers sneller en integraler ondersteuning kan worden geboden. Sommige taken in het sociaal domein kunnen door gemeenten ook belegd worden bij andere organisaties, zoals een lokale welzijnsorganisatie. Het is de beleidsvrijheid van gemeenten hoe ze de taken in het sociaal domein goed willen organiseren. Het werken met lokale teams wordt dus niet voorgeschreven in wetgeving. De meeste gemeenten hebben lokale teams ingericht voor met name wijken en buurten waar sprake is van veel kwetsbare huishoudens die niet altijd zelf de weg vinden om passende ondersteuning te krijgen. Het werken met lokale teams kan dan helpen om sneller en beter contact te krijgen met deze kwetsbare huishoudens en passende oplossingen te vinden. Er is op landelijk niveau géén zicht op de mate waarin inwoners deze teams goed weten te bereiken, maar gemeenten geven over het algemeen aan goede ervaringen te hebben met het werken van lokale teams. Dit blijkt onder meer uit de hoge werkdruk bij lokale teams.
42. De leden van de D66-fractie constateren op basis van de geschetste huidige praktijk dat er inderdaad veel nut en noodzaak kan zijn voor een goede integrale aanpak van meervoudige problematiek. Zij wijzen daarentegen ook op de grote diversiteit die er bestaat in de mensen die te maken krijgen met deze wet. Kan de regering ingaan op de afwegingen die gemaakt zijn om de balans te zoeken tussen one-size-fits-all-regelgeving en maatwerk en welke andere keuzes daarin gemaakt hadden kunnen worden?
Inderdaad kunnen veel verschillende mensen met diverse problematiek, te maken krijgen met dit wetsvoorstel. Daarom is de Wams juist ingericht om maatwerk binnen de gegeven regels mogelijk te maken. Mede naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State is overwogen of op bepaalde punten volstaan kan worden met meer algemene regels die alleen voorzien in wettelijke taken en grondslagen voor gegevensverwerking. De regering is echter van mening dat het zowel met het oog op zorgvuldigheid bij de gegevensverwerking, als op het wegnemen van handelingsverlegenheid bij betrokken professionals nodig is om ook duidelijke procedures in deze wet op te nemen. Die procedures zijn het raamwerk om juist per persoon maatwerk te kunnen leveren. Daarmee wordt gewaarborgd dat de verwerking van persoonsgegevens per stap in het proces beperkt wordt tot datgene wat noodzakelijk is voor het doel van de verwerking, door eisen te stellen aan de verwerkte gegevens en aan de partijen die daar een rol bij hebben. De procedures geven ook meer duidelijkheid over de wijze van samenwerken en de gegevensverwerking daarbij, waardoor handelingsverlegenheid wordt tegengegaan. Door deze duidelijkheid komt de focus te liggen op de individuele problematiek en het kunnen verlenen van op elkaar afgestemde hulp. De regering verwacht hiermee te voorzien in een “fits-all”-regeling waarvan de “size” zich juist aanpast aan de burger en de problematiek waar hij mee kampt.
43. De leden van de D66-fractie vragen de regering daarnaast hoe het uitgangspunt dat deze wet geen kader biedt voor gedwongen hulpverlening zich verhoudt tot de jeugdbeschermingsketen die ook onderdeel kan vormen van de aanpak van meervoudige problematiek in een gezin. Biedt deze wet dan toch geen kader voor gedwongen hulpverlening, indien gedeelde informatie op basis van deze wet gebruikt wordt in het kader van opgelegde kinderbeschermingsmaatregelen zoals ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing? Hoe wordt voorkomen dat ouders of kinderen geen gegevens delen bij hulpverleners uit angst dat deze informatie wordt gebruikt bij onderzoek ten behoeve van kinderbeschermingsmaatregelen?
Met het uitgangspunt van vrijwilligheid wordt gedoeld op het feit dat het wetsvoorstel geen (nieuwe) mogelijkheden biedt voor het inzetten van hulpverlening zonder toestemming of instemming van betrokkenen. Terecht wijzen de leden van de D66-fractie erop dat gedwongen hulpverlening op grond van andere – reeds bestaande – wetten wel onderdeel kan vormen van de gecoördineerde aanpak. Ook interventies als een ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing op grond van de Jeugdwet, kunnen onderdeel zijn van een gecoördineerde aanpak. Voor wat betreft de jeugdbeschermingsketen geldt in de huidige situatie al dat professionals (ongeacht het domein waarin zij werkzaam zijn) die beschikken over feiten en omstandigheden met betrekking tot een onder toezicht gestelde minderjarige, diens verzorging en opvoeding of de ouder of voogd, deze informatie aan de gecertificeerde instelling kunnen verstrekken voor zover dat noodzakelijk kan worden geacht voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling (artikel 7.3.11, vierde lid, Jeugdwet). Desgevraagd zijn zij daartoe verplicht. Deze verstrekking kan zonder toestemming van het gezin plaatsvinden en indien nodig met doorbreking van een geheimhoudingsplicht. Professionals maken – gesteund door richtlijnen en werkinstructies – zelf de afweging of en in hoeverre gegevensverstrekking in de gegeven situatie noodzakelijk is. Het wetsvoorstel verruimt de bestaande mogelijkheden hierin niet, maar biedt wel een wettelijk kader voor de afstemming tussen verschillende domeinen ten behoeve van een de gecoördineerde aanpak. Bijvoorbeeld in gevallen waarin het oplossen van de schulden en het vinden van een geschikte woonruimte kan bijdragen aan het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging van kinderen in het gezin, zou een gecoördineerde aanpak kunnen worden voorgesteld waar een kinderbeschermingsmaatregel onderdeel van is. De gecoördineerde aanpak als geheel kan alleen worden uitgevoerd als de betrokkenen daarmee instemmen.
44. De leden van de D66-fractie merken op dat de werkwijze binnen de jeugdbescherming in delen van het land met proeftuinen reeds anders wordt vormgegeven om te werken aan een beter stelsel. Kan de regering aangeven welke proeftuinen overeenkomen met het geschetste beeld in de memorie van toelichting?
Eén van de uitgangspunten van het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming (hierna: Toekomstscenario) is de brede gezinsgerichte aanpak. We werken toe naar integrale ondersteuning van gezinnen en huishoudens, met een centrale rol voor stevige lokale teams om onveilige situaties te voorkomen of te bestrijden. Omdat problemen van de ouders vaak onderliggend zijn aan zorgen over de veiligheid en ontwikkelingsmogelijkheden van een kind, is een brede blik noodzakelijk wil de bescherming van en hulp aan het kind effectief zijn. Bij een brede gezinsgerichte aanpak wordt bekeken welke hulp en steun nodig is voor het gehele gezin, inclusief, of juist met nadruk op, de ouder(s). In de proeftuinen worden verschillende werkwijzen beproefd en wordt onderzocht wat er binnen de verschillende regio’s voor nodig is om dit in praktijk te brengen. Ontwikkelingen in proeftuinen zijn onder meer: Gezinnen en huishoudens voelen zich gehoord en gezien en hebben meer regie. Dit leidt tot betere samenwerking met professionals en wat nodig is om tot oplossingen te komen. Professionals ervaren meer werkplezier, kortere lijnen in de samenwerking en sneller kunnen schakelen met verschillende expertises. Dit leidt tot onder andere betere contacten met het gezin of huishouden. Vooralsnog is het met de inrichting van de huidige proeftuinen lastig om het maatschappelijk effect van de werkwijze in de proeftuinen op landelijk niveau integraal in beeld te brengen. Resultaten en effecten moeten worden beschouwd binnen zowel de landelijke als de lokale context waarbinnen de proeftuinen actief zijn. In maart 2025 heeft het Verwey Jonker Instituut een tussenrapportage51 opgeleverd met daarin een voorlopig beeld van de effecten van de werkwijzen in de proeftuinen eind 2024. Eind 2026 wordt de eindrapportage opgeleverd. Het doel is om steeds beter grip te krijgen op welke interventies daadwerkelijk bijdragen aan een effectievere aanpak van complexe problematiek voor gezinnen en huishoudens in kwetsbare situaties. De lessen vanuit de proeftuinen en de voortgang van het Toekomstscenario worden met belangstelling gevolgd.
45. In hoeverre is het wetsvoorstel gebaseerd op en toepasbaar voor de werking van het jeugdbeschermingsstelsel op basis van het toekomstscenario? En in hoeverre is het gebaseerd op en toepasbaar voor de huidige praktijk?
Het Toekomstscenario richt zich op kinderen, gezinnen en huishoudens waar sprake is van onveiligheid. Deze onveiligheid wordt veelal veroorzaakt door problematiek op diverse leefgebieden. Een structurele oplossing voor deze gezinnen en huishoudens vraagt om een integrale aanpak waarbij samenhangende hulp en steun wordt georganiseerd. Hierbij is van belang dat de inzet van partners uit de verschillende sociale domeinen op elkaar is afgestemd. De Wams zal voor het Toekomstscenario toepasbaar zijn.
Waar mogelijk is bij de uitwerking van de Wams aansluiting gezocht bij de bestaande praktijk, bijvoorbeeld in de regeling ten aanzien van het casusoverleg. Verder geldt dat de Wams ruimte laat voor verschillende varianten in de uitvoeringspraktijk. Gemeenten verschillen nu nog in de wijze waarop zij de geldende regels rond gegevensverwerking in het sociaal domein hebben geïnterpreteerd en daarmee vorm hebben gegeven aan de gegevensuitwisseling voor een gecoördineerde aanpak. Het wetsvoorstel beoogt de knelpunten in de regels over gegevensverwerking op te lossen zodat de bestaande aanpak kan worden verbeterd of beter wordt ondersteund. Voor gemeenten waar de aanpak van meervoudige problematiek nog niet of beperkt van de grond is gekomen vormt het wetsvoorstel een startpunt.
46. De leden van de D66-fractie merken daarnaast op dat de memorie van toelichting stelt dat te allen tijde voor ouders en kinderen duidelijk moet zijn of hulp in het vrijwillige kader of in het gedwongen kader wordt ingezet. Vindt de regering dat aan dit uitgangspunt wordt voldaan op dit moment en zo ja, op welke gronden? Indien niet aan dit uitgangspunt wordt voldaan, welke invloed zou dat volgens de regering moeten hebben op de afwegingen die gemaakt zijn ten behoeve van dit wetsvoorstel?
Aan dit uitgangspunt voldoet het wetsvoorstel; in diverse artikelen is vastgelegd dat cliënten worden betrokken en geïnformeerd. Professionals dienen de jeugdige en ouders volledig te informeren over in welk kader de hulp geboden wordt. Dit vraagt om adequate (gespreks)vaardigheden van de professional om jeugdigen en ouders volledig te informeren en te ondersteunen, zonder daarbij druk uit te oefenen. Diverse richtlijnen geven professionals daartoe handvatten en kaders. Het voorgaande neemt niet weg dat informatievoorziening kan worden verbeterd. Daarom wordt in samenwerking met ouders, jongeren en professionals nu gewerkt aan een eenduidige vorm van voorlichtingsmateriaal voor ouders en jongeren. Het adviesrapport: “Inhoudelijke communicatie ouders en jeugdigen versterken op het snijvlak van het vrijwillige en gedwongen kader” – dat dient als basis van dit voorlichtingsmateriaal – is in de voortgangsbrief Jeugd van 26 juni 2024 aan uw Kamer aangeboden.52 Naar verwachting zal het informatiemateriaal in de zomer van dit jaar gereed zijn. Bij het ontwikkelen van het voorlichtings- en informatiemateriaal worden ervaringsdeskundige ouders en jeugdigen betrokken, zodat het materiaal aansluit bij de behoeften van de doelgroep. Daarnaast worden ook professionals betrokken, zij hebben een belangrijke rol in de verspreiding van het voorlichtings- en informatiemateriaal.
47. De leden van de PVV-fractie zijn geen voorstander van dwang en drang om noodzakelijke begeleiding en zorg- en hulpverlening te realiseren of te ondersteunen. Deze leden vinden rechtsbescherming een belangrijk punt van aandacht, vooral in het vrijwillige kader. Hoe wordt voorkomen dat op basis van dit wetsvoorstel juist meer dwang en drang maatregelen ingezet gaan worden op mensen zonder veroordeling of rechterlijke machtiging?
Wanneer een cliënt zelf een hulpvraag bij het college neerlegt is de hulpvraag van de cliënt leidend en wordt in samenspraak met de cliënt besproken welke problemen er worden ervaren en onderzocht. Met “samenspraak” wordt bedoeld dat actieve betrokkenheid van de cliënt wordt nagestreefd. De medewerker die namens het college het gesprek voert met de cliënt, geeft uitleg en motiveert waarom hij bepaalde vragen stelt en waarom hij bepaalde partijen bij het onderzoek en de eventuele gecoördineerde aanpak wil betrekken. Als er verschil van inzicht is tussen betrokkene(n) en het college over de reikwijdte van het onderzoek, dan mag het college vanzelfsprekend aangeven wat de consequenties kunnen zijn van een beperking van de reikwijdte. De mogelijkheden om iemand met meervoudige problematiek echt goed te helpen worden dan mogelijk beperkter. Idealiter komen zij samen tot een oplossing. Lukt dat niet, dan is de wens van de cliënt leidend en wordt het onderzoek beperkt tot de hulpvraag en tot de domeinen en partijen die de cliënt in het onderzoek willen laten betrekken. Ook kan de cliënt aangeven bepaalde hulpverlening niet te willen. Op dat moment kunnen het college en de betrokken hulpverleners de cliënt proberen te motiveren voor het accepteren van hulpverlening, bijvoorbeeld door de cliënt beter te informeren, zorgen weg te nemen of het hulpaanbod bij te stellen. Gedwongen hulpverlening is alleen mogelijk indien voldaan is aan de daarvoor geldende wettelijke criteria en de daarbij geldende rechtsbescherming. In het sociaal domein kan het dan gaan om interventies als de inzet van gesloten jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering. Ook voor eventuele gedwongen zorg op grond van de Wet verplichte ggz of de Wet zorg en dwang moeten die kaders worden gevolgd. Daar doet dit wetsvoorstel niets af.
Als een professional een verzoek doet voor een onderzoek in verband
met ernstige meervoudig problematiek kan het college een onderzoek
zonder (directe) medewerking van de cliënt instellen. Daarbij moet het
college er naar streven het onderzoek en de gecoördineerde aanpak zoveel
mogelijk in overleg met de cliënt(en) tot stand te laten komen, door de
cliënt zo mogelijk bij de uitvoering van het onderzoek te betrekken. De
cliënt en zijn vertegenwoordiger of mantelzorger moeten sowieso over het
onderzoek worden geïnformeerd en moeten worden gewezen op de
mogelijkheid om cliëntondersteuning te krijgen (zie artikel 2.3a.4,
derde lid). Indien ten behoeve van dit onderzoek een casusoverleg wordt
gehouden, moeten de cliënt en zijn vertegenwoordiger worden uitgenodigd,
tenzij zwaarwegende belangen zich daartegen verzetten (zie artikel
5.4.3, eerste lid, laatste volzin). Als de conclusie van het onderzoek
is dat een gecoördineerde aanpak zou helpen om de problematiek te
verminderen of op te lossen, kan die gecoördineerde aanpak bij ernstige
meervoudige problematiek uiteindelijk alleen slagen als de cliënt het
voorstel voor hulp of zorg in het kader van die gecoördineerde aanpak
aanvaardt. De cliënt kan daartoe – behoudens de hierboven genoemde
vormen van gedwongen hulp en opgelegde interventies (bijv. reclassering)
– niet worden gedwongen.
De bedoeling van een onderzoek op grond van artikel 2.3a.4 is dat de
problemen gezamenlijk in kaart kunnen worden gebracht en het bieden van
hulp op elkaar kan worden afgestemd. Met de inzet van een gecoördineerde
aanpak kan dan worden voorkomen dat de meervoudige problematiek nog
ernstiger wordt. Om in dit wetsvoorstel beter tot uitdrukking te brengen
dat van het opleggen van een gecoördineerde aanpak echt geen sprake kan
zijn, wordt bij nota van wijziging voorgesteld in de aanhef van artikel
2.3a.2, tweede lid, expliciet te benoemen dat het college een
voorstel voor een gecoördineerde aanpak doet.
Gedurende het hele proces dient de cliënt goed te worden geïnformeerd over o.a. zijn rechtspositie, de mogelijkheid om een onafhankelijke cliëntondersteuner in te zetten en een klacht in te dienen. Het vraagt om kennis van de rechtspositie van cliënten, hun vertegenwoordigers en gezinnen, en goede gespreksvaardigheden van de professional om cliënten volledig te informeren. Diverse richtlijnen geven professionals hierbij handvatten en kaders.
48. De leden van de PVV-fractie vragen of de regering bereid is om de juridische kaders voor een vrijwillige gecoördineerde aanpak van meervoudige problematiek en bemoeizorg apart van elkaar te regelen, in nauw overleg met het veld?
Zoals toegelicht bij de vorige vraag, is een gecoördineerde aanpak op
grond van de Wams is altijd vrijwillig. Alleen als de cliënt instemt met
de gecoördineerde aanpak, gaat die van start. Om tot een voorstel voor
een gecoördineerde aanpak te komen, wordt een onderzoek gedaan. Voor het
doen van een onderzoek naar meervoudige problematiek creëert dit
wetsvoorstel twee verschillende wettelijke grondslagen, namelijk een
onderzoek na een hulpvraag van de cliënt of een onderzoek op verzoek van
een betrokken professional. Hoe dat in zijn werk gaat is bij de vorige
vraag uiteengezet.
De wettelijke grondslag voor het onderzoek naar meervoudige problematiek
bij een hulpvraag van de cliënt zelf, is opgenomen in artikel 2.3a.1. De
wettelijke grondslag voor een onderzoek naar meervoudige problematiek in
geval een cliënt niet zelf om hulp vraagt, een vorm van bemoeizorg, is
opgenomen in artikel 2.3a.4. De voorwaarden om zo’n onderzoek te kunnen
starten zijn streng. De partij die om een onderzoek vraagt moet een
gemotiveerd verzoek doen over het vermoeden dat er sprake is van
ernstige meervoudige problematiek aan de hand van de criteria van
artikel 2.3a.4, eerste lid. Bij een ongemotiveerd of niet goed
gemotiveerd verzoek, zal het college geen onderzoek starten. Het college
toetst daarvoor het verzoek ook aan de criteria van artikel 2.3a.4,
eerste lid. De verzoekende partij zal in zijn motivering bijvoorbeeld
moeten aangeven wat er al geprobeerd is en waarom het nodig is om te
proberen met andere partijen tot een gecoördineerde aanpak te
komen.
Op deze manier geeft dit wetsvoorstel twee verschillende wettelijke
grondslagen om een onderzoek te starten. Zoals hierboven gezegd is de
aanvaarding van de gecoördineerde aanpak en van de diensten die
onderdeel uitmaken van die aanpak na beide onderzoeken vrijwillig. Het
is aan de cliënt om te beslissen of hij de gecoördineerde aanpak en de
diensten die daarbij worden geboden aanvaardt. Die aanpak zal kunnen
bestaan uit meerdere vormen van hulp en ondersteuning, afspraken en in
sommige gevallen worden ook niet vrijwillige interventies, zoals
bijvoorbeeld reclassering of een kinderbeschermingsmaatregel. Het slagen
van de gecoördineerde aanpak bij ernstige meervoudige problematiek is
afhankelijk van de mate waarin het lukt de cliënt ervan te overtuigen
dat zijn situatie door het aanvaarden van de hulp zal gaan
verbeteren.
De meerwaarde van beide wettelijke grondslagen zit daarmee in de
mogelijkheid om met diverse bij de cliënt betrokken partijen tot een
gezamenlijke gecoördineerde aanpak te kunnen komen zodat zinvolle hulp
kan worden opgestart die elkaar niet “in de weg zit” of
tegenwerkt.
Gezien de duidelijke samenhang tussen de twee verschillende wettelijke
grondslagen en dezelfde waarborgen die nodig zijn voor een zorgvuldige
verwerking van gegevens, het houden van een casusoverleg en het bieden
van een gecoördineerde aanpak, is dit samen in één wetsvoorstel
geregeld.
Een andere vorm van bemoeizorg in dit wetsvoorstel is de oggz. Er zijn kwetsbare mensen die níet zelfstandig om hulp vragen of die hulp juist mijden, terwijl ze in hun omstandigheden eigenlijk wel hulp nodig hebben. Het benaderen en begeleiden van deze doelgroep naar de juiste ondersteuning valt onder openbare geestelijke gezondheidszorg. In de Wmo 2015 is de oggz-taak van gemeenten, anders dan in de Wmo (2007), niet geëxpliciteerd. Naar aanleiding van signalen van het Schakelteam personen met verward gedrag over onduidelijkheid in de verantwoordelijkheidsverdeling voor zorg en ondersteuning voor deze doelgroep, heeft de regering gemeenten er in september 2018 op gewezen dat openbare geestelijke gezondheidszorg en bemoeizorg nog steeds gemeentelijke taken zijn op grond van de Wmo 2015. Toch bleven vragen hierover tijdens het opstellen van dit wetsvoorstel terugkomen. Zo heeft GGD GHOR Nederland aangegeven dat het ontbreken van een expliciete wettelijke grondslag voor de oggz een belemmering vormt voor de uitvoering van hun werkzaamheden en de daarvoor benodigde verwerking van persoonsgegevens. De regering vindt het gelet op de samenhang met (complexe) meervoudige problematiek passend om het begrip oggz met voorliggende wetsvoorstel weer op te nemen in de wet, gekoppeld aan het stellen van regels over gegevensverwerking bij meldpunten niet-acuut. De regering meent dat de belemmeringen die in de praktijk zijn gevoeld om mensen die zorg mijden toe te leiden naar zorg of ondersteuning, met de voorgestelde wijzigingen worden ondervangen. Daarbij hoort ook het expliciteren van de taak van de meldpunten zodat AVG-conform, in het kader van de doelbinding van de gegevensverwerking, op basis van een wettelijke grondslag persoonsgegevens kunnen worden verwerkt door de meldpunten in het kader van de oggz-taak.
Een ander aspect van bemoeizorg dat in dit wetsvoorstel wordt geregeld, is de mogelijkheid een onderzoek te starten naar ernstige meervoudige problematiek om zo te kunnen komen tot een gecoördineerde aanpak met als doel nog ernstiger situaties te kunnen voorkomen. De systematiek hiervan is bij de voorgaande vraag toegelicht. De regering meent dat deze regeling alsmede het expliciteren van de oggz-taak en daarbij de passende waarborgen voor noodzakelijke en proportionele gegevensverwerking, passen in dit wetsvoorstel als onderdeel van de gemeentelijke taak van maatschappelijke ondersteuning, en met de noodzakelijke waarborgen zijn omkleed.
49. Wat voegt deze wet toe in relatie tot de WGS, vragen de leden van de PVV-fractie?
Het grote verschil met de Wams is enerzijds dat bij een aanpak door
een Zorg- en Veiligheidshuizen (ZVH), zoals geregeld in de WGS, altijd
strafrechtelijke of veiligheidsproblematiek een rol speelt en dat
daarbij niet altijd problemen op het gebied van het sociaal domein
hoeven te spelen, en anderzijds dat een ZVH een vast
samenwerkingsverband is waarbinnen gezamenlijk gegevens worden
verwerkt.
De WGS regelt verschillende samenwerkingsverbanden voor
gegevensuitwisseling, waaronder een regeling voor de Zorg- en
Veiligheidshuizen (ZVH). In een samenwerkingsverband zit een vaste groep
deelnemende partijen die gezamenlijk gegevens verwerken voor een bij of
krachtens deze wet vastgestelde doelstelling van zwaarwegend algemeen
belang. Het doel van een ZVH zoals vastgelegd in de WGS is
gegevensverwerking voor de noodzakelijke werkzaamheden van de
deelnemende partijen op het terrein van strafrechtelijke en
bestuursrechtelijke handhaving alsmede begeleiding en zorg- en
hulpverlening in het belang van het voorkomen, verminderen en bestrijden
van criminaliteit en ernstige overlast en het voorkomen en verminderen
van onveilige situaties voor personen of binnen een gebied. De Wams
richt zich op de aanpak van meervoudige problematiek die in ieder geval
(deels) moet spelen op het sociaal domein. Centraal staat een probleem
of hulpvraag waarbij mensen waarschijnlijk met hulp uit het sociaal
domein kunnen worden geholpen. In de meeste gevallen gaat het in de Wams
om cliënten of gezinnen die zelf hulp vragen en komt een onderzoek naar
meervoudige problematiek en het starten van een gecoördineerde aanpak in
samenspraak met de cliënten tot stand. Een gecoördineerde aanpak op
grond van de Wams wordt altijd ingezet vanuit het sociaal domein waarbij
zo nodig aanpalende domeinen kunnen worden betrokken. Anders dan in de
WGS wordt in de Wams per casus beoordeeld en besproken welke partijen
bij het onderzoek of de gecoördineerde aanpak worden betrokken en is per
fase in het proces afgebakend welke partijen noodzakelijke gegevens
verstrekken en welke partijen over gegevens kunnen beschikken.
De Wams voorziet ook in de mogelijkheid een onderzoek te starten bij
ernstige meervoudige problematiek, waarbij het vaak mensen betreft die
zorg mijden of maar gedeeltelijk aanvaarden. Voordat het college zo’n
onderzoek start, moet het eerst beoordelen of vermoedelijk sprake is van
ernstige meervoudige problematiek volgens de criteria van art. 2.3a.4,
eerste lid. Dan kan blijken dat al een ZVH-traject loopt, maar ook later
tijdens een onderzoek op grond van de Wams of tijdens een gecoördineerde
aanpak kan blijken dat afstemming met het ZVH nodig is. Zo is het
bijvoorbeeld mogelijk dat voor een gezin een gecoördineerde aanpak loopt
terwijl voor één van de gezinsleden ook een ZVH-traject loopt. Artikel
VIII van de Wams voorziet voor dit soort omstandigheden in een
samenloopregeling met de WGS. In sommige gevallen zal een gecoördineerde
aanpak bij ernstige meervoudige problematiek op grond van de Wams,
mogelijk kunnen voorkomen dat een ZVH-traject nodig is, omdat het lukt
problemen op het terrein van openbare orde en veiligheid te
voorkomen.
50. De leden van de PVV-fractie delen de bevinding dat het adagium één gezin, één plan, één regisseur die ten grondslag lag aan de decentralisaties van 2015 in de praktijk niet van de grond is gekomen. Na zeven jaar is de zorg niet beter, niet goedkoper en niet dichterbij de burger. Deze leden vragen zich af of er wel al sprake is van een goede implementatie van de wetten in de eigen uitvoeringsorganisatie van gemeenten na de decentralisatie in 2015 en ontvangen graag een reactie van de regering.
Gemeenten hebben veel werk verzet om de uitvoering van de diverse
wetten goed in hun uitvoeringsorganisatie te implementeren. Juist op het
gemeentelijk niveau komen veel zaken samen: het onderwijs, de afspraken
met woningcorporaties, jeugdhulp, de schuldhulpverlening en werk en
inkomen. Ook vindt er samenwerking plaats tussen bijvoorbeeld
zorgverzekeraars en gemeenten. Doel achter de decentralisatie was de
mogelijkheid om op deze terreinen het beleid op lokaal niveau af te
kunnen stemmen. Juridische en organisatorische schotten op het gebied
van gegevensuitwisseling en bekostiging staan daarbij soms in de weg.
Dit neemt niet weg dat partijen elkaar beter weten te vinden dan
voorheen53 en dat veel gemeenten onder andere
zijn gaan samenwerken in lokale teams.
Met wetsvoorstellen zoals de Wams, de wet met betrekking tot de
uitbreiding en verdere uitwerking van de bekostigingsmogelijkheden met
middelen vanuit het Fonds langdurige zorg54
en het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting55,
wordt de integraliteit die was bedoeld met de decentralisaties rond
2015, verder bevorderd.
Lokale teams kunnen hierbij verschillende vormen van dienstverlening en
activiteiten vanuit het sociale domein bieden, waarmee mensen hun
sociale basis kunnen versterken als zij extra hulp nodig hebben op
gebied van bijvoorbeeld wonen, werk (arbeidsparticipatie), gezondheid,
schulden (armoede), sociale contacten, veiligheid en dergelijke. De
integraliteit van één gezin, één plan en één regisseur is nog altijd het
leidende adagium, en met de Wams kan een belangrijke stap worden gezet
om tot een goede uitvoering daarvan te komen. In het rapport van de
Staatscommissie rechtsstaat wordt de Wams ook genoemd als voorbeeld om
invulling te geven en aan betere dienstverlening.56
Al met al is de implementatie van de wetten in de eigen
uitvoeringsorganisatie van gemeenten, uitzonderingen daargelaten zoals
het niet op orde zijn van voldoende clientondersteuning,57
redelijk goed verlopen, maar er zijn nog stappen te zetten om burgers
daadwerkelijk van goede en zo nodig integrale hulp te voorzien. Dit
wetsvoorstel zal daaraan bijdragen waarbij een goede implementatie in de
gemeentelijke organisatie van belang is. Specifiek voor de Wams zijn
middelen gereserveerd voor de uitvoering. In 2021 is hiervoor 45 miljoen
voor gemeenten via het Gemeentefonds ter beschikking gesteld. Door
middel van handreikingen en voorbeelden van werkprocessen zullen
gemeenten en aanpalende organisaties worden ondersteund in de
implementatie van de Wams.
Binnen het project Dwars door domeinen werken Divosa, gemeenten en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) aan het oplossen van knelpunten bij domeinoverstijgende dienstverlening aan kwetsbare inwoners. De opgedane kennis uit dit lerend stelsel worden in de vorm van bouwstenen voor integrale dienstverlening gedeeld met andere gemeenten.58
51. De leden van de PVV-fractie vragen of gemeenten genoeg (financiële) ruimte hebben om deze wet uit te voeren.
De verschillende toetsen op de gevolgen van het wetsvoorstel laten zien dat het wetsvoorstel voldoende uitvoerbaar wordt geacht. De uitgangspunten van de decentralisaties worden onderschreven, namelijk dat deze mede als doel hadden te kunnen komen tot een integrale en gecoördineerde aanpak. Het wetsvoorstel heeft dat doel slechts geëxpliciteerd. Daarmee is er volgens de regering geen sprake van een uitbreiding van de gemeentelijke taken. Voor de organisatorische en financiële gevolgen van dit wetsvoorstel voor gemeenten heeft de VNG een uitvoeringstoets opgesteld (de impactanalyse). Daarin stelt de VNG dat er geen sprake is van structurele uitvoeringskosten en dat de eenmalige implementatiekosten, zoals beschreven in de uitvoeringstoets betrekking hebben op het bredere vraagstuk van het versterken van de uitvoeringskracht van gemeenten in het sociaal domein. Hiervoor is tussen 2021 en 2023 door het Rijk eenmalig 45 miljoen voor gemeenten via het Gemeentefonds ter beschikking gesteld. De uitvoeringstoets leidt hiermee niet tot een financiële claim van de gemeenten.
52. De leden van de PVV-fractie constateren dat niet elke gemeente met sociale wijkteams werkt. Is het de bedoeling dat elke gemeente met de uitvoering van dit wetsvoorstel met sociale (wijk)teams gaat werken? Waarom heeft nog niet elke gemeente een sociaal (wijk)team?
Gemeenten zijn niet wettelijk verplicht om te voorzien in een lokaal team, ook wel buurtteam of sociaal (wijk)team genoemd. Dit wetsvoorstel stelt geen regels over het instellen van een lokaal team. Sinds de decentralisaties in 2015 heeft de meerderheid van de gemeenten (ruim 80%) een of meerdere lokale teams georganiseerd. Er zijn op dit moment diverse verschijningsvormen van lokale teams, waarbij de mate van deskundigheid en organisatorische afstand tot de gemeente verschilt en het takenpakket varieert.59
Gemeenten hebben zich gecommitteerd aan het realiseren van stevige lokale teams. In het richtinggevend kader “toegang, lokale teams en integrale dienstverlening”60, vastgesteld door de VNG en gemeenten, zijn de kenmerken van de lokale teams vastgelegd. Het convenant stevige lokale teams (ondertekening verwacht begin 2026) bevat afspraken met de belangrijkste partijen (ministeries, gemeenten, brancheorganisaties, beroepsverenigingen en cliëntenorganisaties) over wat er nodig is om de lokale teams te laten slagen.
Ook is het wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet in voorbereiding dat deze beweging ondersteund door voor te schrijven dat iedere gemeente beschikt over een stevig lokaal team voor het uitvoeren van een aantal taken. Het streven is dit wetsvoorstel dit voorjaar in consultatie te brengen.
53. De leden van de GroenLinks-fractie lezen in deze paragraaf hoe de sociale wijkteams tot nu toe functioneren. Genoemde leden vragen de regering hoe deze sociale wijkteams en dit wetsvoorstel zich gaan verhouden tot de afspraken uit het Integraal Zorgakkoord (IZA)? Ook in het IZA wordt namelijk gesproken van domeinoverstijgende samenwerking in het sociaal domein, door bijvoorbeeld het
opzetten van mentale gezondheidscentra in gemeenten. Kan de regering de verhouding en samenhang van dit wetsvoorstel tot het IZA uitleggen en de specifiek de plek van mentale gezondheidscentra?
In het IZA is afgesproken dat zorg en ondersteuning voor mensen met
een psychische kwetsbaarheid verbeterd en versterkt moet worden en dat
dit te realiseren is als er sprake is van een goede onderlinge
samenwerking is tussen het sociale domein, huisartsenzorg en ggz. Het
IZA focust niet zozeer op samenwerking binnen het sociaal domein, maar
vooral tussen het sociaal domein en delen van de curatieve zorg. Vanuit
het IZA wordt daarnaast ingezet op het verbeteren van de
toegankelijkheid van de ggz en het reduceren van de wachttijd. De
afgelopen jaren is ook toegewerkt naar mentale gezondheidsnetwerken
waarin door ggz-professionals (onder andere) verkennende gesprekken
worden gevoerd in samenwerking met het sociaal domein. Deze netwerken
worden ingericht op een manier die past bij de regio. Inmiddels hebben
alle regio’s een goedgekeurd transformatieplan, en kan dus ook in de
laatste regio’s een start worden gemaakt met de implementatie van deze
mentale gezondheidsnetwerken. Voorliggend wetsvoorstel staat los van
deze uitwerking. Veelal zal de huisarts verwijzen naar een verkennend
gesprek, waarbij de specifieke situatie van de cliënt centraal staat
(leefwereld, eigen netwerk relaties en herstel). Bij zo’n gesprek is een
professional uit de ggz, het sociaal domein en ervaringsdeskundige
aanwezig. Het doel is laagdrempelige mentale hulp te bieden in de wijk
vanuit een brede samenwerking met huisarts, ggz en het sociale
domein.
De ontwikkeling is opgepakt door het landelijke programma Mentale
gezondheidsnetwerken waarin 11 partijen samenwerken om de afspraken uit
het IZA verder vorm te geven61. Hoe een mentaal
gezondheidsnetwerk wordt gepositioneerd ten opzichte van een lokaal
team, hangt van de lokale en regionale situatie af. Het is aan de
gemeenten en de betrokken partijen om hier op een goede manier vorm aan
te geven. Lokale teams kunnen hierbij verschillende vormen van
dienstverlening en activiteiten vanuit het sociale domein bieden,
waarmee mensen hun sociale basis kunnen versterken als zij extra hulp
nodig hebben op gebied van bijvoorbeeld wonen,
werk(arbeidsparticipatie), gezondheid, schulden (armoede), sociale
contacten, veiligheid en dergelijke. In het Aanvullend Zorg- en
Welzijnsakkoord62 zijn aanvullende afspraken gemaakt
op het snijvlak van het sociaal en medisch domein. Zorgverzekeraars,
gemeenten en aanbieders van zorg en ondersteuning hebben landelijke
afspraken gemaakt over concrete ‘basisfunctionaliteiten’ (het wat) op de
thema’s kansrijk opgroeien, gezonde leefstijl, mentale gezondheid,
vitaal ouder worden en gezondheidsachterstanden verminderen.
Basisfunctionaliteiten zijn uiterlijk in 2030 in elke regio of gemeente
ingevuld en beschikbaar voor inwoners.
De Wams maakt het mogelijk om bij samenhangende problematiek bij een
cliënt in het zorg- en sociaal domein een gecoördineerde aanpak te
initiëren, dat geldt dus ook voor mensen met ggz-problematiek. De
laagdrempeligheid, de betrokkenheid van de gemeente en de instrumenten
die de Wams biedt, versterken de gewenste integrale aanpak van
problemen. Anderzijds is het zo dat mensen die aankloppen bij een lokaal
team omdat zij hulp zoeken niet altijd te kampen hebben met psychische
of mentale problemen. Voor de praktijk zal hier een goede en elkaar
versterkende samenwerking moeten worden ontwikkeld.
54. De leden van de GroenLinks-fractie lezen in de paragraaf over de Jeugdbeschermingstafel (JBT) dat gesproken wordt over het eventueel inzetten van preventieve (vrijwillige) jeugdbescherming. Er is veel kritiek over dit ‘drang’ kader, met name als het gaat om ‘vrijwillige uithuisplaatsingen’. Kan de regering verduidelijken wat bedoeld wordt in deze paragraaf onder vrijwillige jeugdbescherming en de kanttekeningen en risico’s hieromtrent meenemen, met name rondom de rechtsbescherming van jongeren en ouders op dit vlak?
Met vrijwillige jeugdbescherming is bedoeld dat de expertise van een medewerker van een gecertificeerde instelling (GI) wordt ingezet met instemming van de jeugdige en ouders. De rol en de positie van de GI’s in het voorkomen van kinderbeschermingsmaatregelen en uithuisplaatsingen kan verschillen per gemeente of regio al naar gelang de gemeentelijke visie en aanwezige structuren voor zorg en hulp. De inzet van de expertise van GI’s kent verschillende verschijningsvormen, bijvoorbeeld met een apart traject waarin de GI de regie voert over de hulpverlening aan gezinnen of door middel van een consulterende rol op afroep richting de lokale teams om hun kennis en expertise in te zetten.
Ouders en jongeren moeten weten wat hun rechten en plichten zijn als zij te maken hebben met jeugdzorg op het snijvlak van het vrijwillig en gedwongen kader. Een goede informatiepositie versterkt de rechtspositie. In overleg met ouders, jongeren en professionals wordt daarom gewerkt aan een eenduidige vorm van voorlichtingsmateriaal waarin wordt uitgelegd wat de rechten en plichten zijn en hoe zij deze kunnen bespreken met hun hulpverlener. Het adviesrapport – dat dient als basis van dit voorlichtingsmateriaal – is in de voortgangsbrief Jeugd van 26 juni 2024 aan uw Kamer aangeboden.63 Naar verwachting zal het informatiemateriaal in de zomer van dit jaar gereed zijn.
55. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of het wetsvoorstel slechts gericht is op mensen met een bepaalde mate van complexiteit van de meervoudige problematiek, of dat alle vormen van meervoudige problematiek, ook de weinig complexe, in aanmerking komen voor het verwerken van gegevens tussen domeinen.
Het gaat niet zozeer om de complexiteit van de meervoudige problematiek maar om de vraag of er sprake is van de samenhang van de verschillende problemen. In artikel 1.1.1. wordt meervoudige problematiek als volgt gedefinieerd: meerdere samenhangende problemen van een persoon of meerdere samenhangende problemen van gezinsleden die betrekking hebben op verschillende aspecten van het sociaal domein, of het sociaal domein en aanpalende domeinen. Het kan zijn dat een cliënt of een gezin van meerdere diensten in het sociaal domein gebruik maakt, maar de achterliggende problemen geen samenhang hebben. Bijvoorbeeld als de vader een uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet en de dochter jeugdhulp krijgt vanwege haar ADHD. Dan is er in principe geen sprake van meervoudige problematiek. Maar bij iemand die een uitkering heeft en in een sociaal isolement komt en daardoor ook moeite heeft om weer aan werk te komen, is mogelijk wel sprake van meervoudige problematiek en heeft die persoon baat bij een gecoördineerde aanpak op zowel het terrein van de Participatiewet als maatschappelijke ondersteuning.
56. De leden van de SGP-fractie maken uit de memorie van toelichting op dat dit wetsvoorstel zich richt op de 4 procent van de inwoners van gemeenten die kortere of langere tijd ondersteuning nodig heeft. Zij kampen met verschillende problemen tegelijk die vaker chronisch en met elkaar verweven zijn, en die soms intergenerationeel worden overgedragen. Welke waarborgen biedt dit wetsvoorstel dat het instrumentarium van deze wet óók gaat worden ingezet voor de veel grotere groep burgers die gebruik maakt van voorzieningen in het sociaal domein? Hoe is meervoudige problematiek afgebakend?
Deze 4% vormt niet de volledige doelgroep waarop dit wetsvoorstel zich richt. Het wetsvoorstel is gericht op cliënten met meervoudige problematiek dat in het wetsvoorstel gedefinieerd is als: meerdere samenhangende problemen van een persoon of meerdere samenhangende problemen van gezinsleden die betrekking hebben op verschillende aspecten van het sociaal domein, of op het sociaal domein en aanpalende domeinen.
In paragraaf 2.1 van de memorie van toelichting is een percentage genoemd van circa 4% van de inwoners dat grotere moeilijkheden ondervindt en gedurende kortere of langere tijd ondersteuning nodig heeft64. Deze groep kampt met verschillende problemen tegelijk die vaker chronisch en met elkaar verweven zijn, en die soms intergenerationeel worden overgedragen. Volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) maakt circa 10% van de bevolking gebruik van één of meerdere voorzieningen uit het sociaal domein65. In de periode 2015-2019 is vooral een stijging te zien in het gebruik van voorzieningen op grond van de Wmo 2015 en de Jeugdzorg, zo blijkt uit de publicatie ‘Voorzieningen in 3D’ van SCP. Uit de stapelingsmonitor van het CBS blijkt dat het aantal huishoudens dat gebruik maakt van twee of meer voorzieningen in de loop van de jaren redelijk gelijk is gebleven 66 Hierbij moet worden aangetekend dat zowel het CBS als het SCP uitgaan van verschillende en overlappende categorieën van regelingen. Ook wil het feit dat van meerdere voorzieningen uit het sociaal domein gebruik wordt gemaakt niet zeggen dat er sprake is van meervoudige samenhangende problematiek, waar de Wams zich op richt. Op basis van deze cijfers fluctueert het percentage vermoedelijk binnen een bandbreedte van 1-10%.67
Het SCP zag ook een groter aandeel van huishoudens waarbinnen meerdere problemen zich opstapelen. Het gaat daarbij in de meeste gevallen om combinaties van participatievoorzieningen die mensen helpen bij het vinden en behouden van werk en maatschappelijke ondersteuning. Ook de combinatie van jeugdhulp in combinatie met bijstand bij de ouders komt regelmatig voor.
De Wams is gericht op alle cliënten met meervoudige problematiek. In
het wetsvoorstel is dat gedefinieerd als meerdere samenhangende
problemen van een persoon of meerdere samenhangende problemen van
gezinsleden die betrekking hebben op verschillende aspecten van het
sociaal domein, of op het sociaal domein en aanpalende domeinen. De
ernst speelt in deze definitie geen rol. Bij het grootste deel van deze
huishoudens is sprake van “gewone” meervoudige problematiek en bij
slechts een klein deel is sprake van ernstige meervoudige problematiek,
waarbij de cliënt niet altijd zelf met een hulpvraag komt. Vooral van
deze laatste groep is de omvang onzeker, omdat het gaat om kwetsbare
mensen die niet altijd in beeld zijn bij de gemeente, terwijl zij soms
juist wel hulp nodig hebben.
De waarborgen voor een te brede inzet zijn vastgelegd in artikel 2.3a.1,
eerste lid. In de eerste plaats moet er blijken – uit het gesprek met de
cliënt – dat er mogelijk sprake is van meervoudige problematiek. Als
iemand met een enkelvoudige hulpvraag komt en aangeeft verder geen hulp
nodig te hebben voor andere problemen, dan dient die hulpvraag volgens
de gewone procedure van de desbetreffende wet uit het sociaal domein te
worden behandeld. Als blijkt dat er mogelijk meer samenhangende
problemen spelen, dan geldt op grond van artikel 2.3a.1 dat samenspraak
met de cliënt bepalend is voor de reikwijdte van een onderzoek naar
meervoudige problematiek. In de eerste plaats wordt in samenspraak de
hulpvraag in kaart gebracht. De medewerker die namens het college het
gesprek voert met de cliënt, geeft uitleg en motiveert waarom hij
bepaalde vragen stelt. De cliënt kan aangeven dat hij bepaalde problemen
echt niet in het onderzoek wil betrekken en de medewerker kan uitleggen
waarom het goed is de problemen in samenhang te onderzoeken. Als een
cliënt bijvoorbeeld met een hulpvraag komt vanwege zijn schulden en in
het gesprek blijkt dat hij ook kampt met een verslaving, dan mag de
medewerker aangeven wat de consequenties kunnen zijn als hij de
verslavingsproblematiek niet in het onderzoek wil betrekken.
Uiteindelijk is de wens van de cliënt leidend en wordt het onderzoek
beperkt tot de hulpvraag en tot de domeinen en partijen die de cliënt
wel in het onderzoek willen laten betrekken. Artikel 2.3a.1, vierde lid,
en artikel 2.3a.4, tweede lid, bepalen daarbij waarop het onderzoek
betrekking mag hebben. Daarbij gelden de waarborgen voor het verwerken
van gegevens op grond van het bepaalde in de artikelen 5.4.1, 5.4.2 en
5.4.3. Gegevensverwerking is alleen is toegestaan voor zover dat
noodzakelijk is voor de uitvoering van het onderzoek. Dat betekent dat
per gegeven en per partij die bij het onderzoek betrokken wordt, moet
kunnen worden onderbouwd waarom dat noodzakelijk is. Niet altijd zal de
uitkomst van het onderzoek zijn dat ook een gecoördineerde aanpak nodig
is. Artikel 2.3a.2 bepaalt in welke gevallen het college in ieder geval
een gecoördineerde aanpak moet aanbieden. Een gecoördineerde aanpak kan
alleen worden gestart als de client dat ook wil.
Gezien al deze waarborgen valt niet te verwachten dat de Wams breder
wordt ingezet.
57. De regering geeft aan dat vanwege de decentralisatie de wijze waarop gemeenten het sociaal domein vormgeven verschilt. Daarmee varieert ook de integrale aanpak van meervoudige problematiek in de praktijk. Doorkruist dit wetsvoorstel met een voorgestelde verplichtende regeling voor meervoudige problematiek niet het decentrale karakter van het sociaal domein, zo vragen de leden van de SGP-fractie de regering. In hoeverre is het verschil tussen gemeenten problematisch?
Bij decentralisatie hoort dat er verschillen kunnen zijn tussen gemeenten. Accenten in beleid, de manier waarop de gemeentelijke organisatie is ingericht, of bijvoorbeeld welke algemene voorzieningen beschikbaar zijn. Dit wetsvoorstel doorkruist dit decentralisatieprincipe niet. Het bieden van integrale ondersteuning was al een uitgangspunt van de decentralisaties in 2015. Zoals is toegelicht in paragraaf 1.2 van de memorie van toelichting, zijn sindsdien diverse knelpunten gebleken waardoor die integrale benadering vaak niet goed van de grond komt. Dit wetsvoorstel voorziet in expliciete wettelijke grondslagen voor gegevensverwerking ten behoeve van een gecoördineerde aanpak van meervoudige problematiek, een van de belangrijkste knelpunten die na de decentralisaties is gesignaleerd. Met het oog op zorgvuldigheid en het wegnemen van handelingsverlegenheid is het nodig om beginselen als noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit in deze wet uit te werken. Dit betekent dat niet enkel wordt voorzien in wettelijke taken en grondslagen voor de gegevensverwerking, maar voor zover nodig ook procedures zijn opgenomen. Daarmee wordt gewaarborgd dat per stap in het proces alleen de noodzakelijke partijen alleen de noodzakelijke informatie verwerken (dus niet te veel informatie verwerken) en wordt handelingsverlegenheid weggenomen (voorkomen dat te weinig informatie wordt gedeeld uit angst de regels te overtreden). Aan de gemeentelijke beleidsvrijheid omtrent de inrichting en organisatie van het sociaal domein, wordt met de voorgestelde regels voor de aanpak van meervoudige problematiek niets afgedaan. Het streven naar de integrale dienstverlening vraagt waarschijnlijk wel om aanpassingen op het gebied van (gemeentelijke) organisatie, competenties en de samenwerking tussen de verschillende domeinen. De dienstverlening kan alleen worden verbeterd als gemeenten, uitvoeringsorganisaties en de rijksoverheid samenwerken, samen leren van de uitvoeringspraktijk én verbeteringen doorvoeren. Het implementatietraject ondersteunt gemeenten hierbij, waarbij rekening wordt gehouden met de mate waarin gemeenten al vertrouwd zijn met de integrale aanpak. 68
KNELPUNTEN BIJ HET REALISEREN VAN EEN INTEGRALE AANPAK
58. De leden van de D66-fractie beamen dat er veel potentieel schuilt in een integrale aanpak bij meervoudige problematiek. Echter, het ontbreekt in dit wetsvoorstel aan enige begrenzing. Beslaat dit wetsvoorstel alles binnen het sociaal domein en al het aangrenzende (zoals woonoverlast, schuldenaanpak, et cetera)? En hoe verhoudt dit wetsvoorstel zich met bestaand beleid binnen de aanpalende domeinen (zoals de brede schuldenaanpak)? Wordt bij iedere aanpassing in bestaand beleid ook op doelmatigheid en proportionaliteit getoetst?
Het kunnen bieden van een integrale aanpak bij meervoudige
problematiek heeft inderdaad veel potentieel. De zorg van deze leden dat
het in dit wetsvoorstel ontbreekt aan enige begrenzing, kan de regering
wegnemen. Blijkens de definitie van meervoudige problematiek (zie
artikel 1.1.1 in het wetsvoorstel) moet er altijd problematiek op het
sociaal domein spelen. Alleen dan kan een gecoördineerde aanpak worden
overwogen. Ook zijn de aanpalende domeinen gedefinieerd. Daarnaast is
het leidende principe dat de reikwijdte van het onderzoek wordt bepaald
in gesprek met de cliënt. Bij een onderzoek naar meervoudige
problematiek gaat het – in samenspraak met de cliënt – om de problemen
die bij hem spelen. Ook deze casuïstische aanpak vormt aldus een
belangrijke begrenzing.
Verder worden de partijen die potentieel kunnen deelnemen aan een
onderzoek naar meervoudige problematiek en de gecoördineerde aanpak bij
amvb aangewezen in een limitatieve lijst. In deze lijst worden de
organisaties
opgenomen met de taak die relevant is ten aanzien van de gecoördineerde aanpak. Hierbij speelt doelmatigheid en proportionaliteit uiteraard een belangrijke rol. De conceptlijst is als bijlage onderaan deze nota naar aanleiding van het verslag toegevoegd.
De Wams biedt een procedure om tot een gecoördineerde aanpak te komen
en uit te voeren, maar tornt niet aan de bevoegdheidsuitoefening van de
daarbij betrokken partijen. Dit wetsvoorstel doet daarmee dan ook niets
af aan bestaand beleid zoals de brede schuldenaanpak. Door het kunnen
bieden van een integrale aanpak, kan de effectiviteit van bestaand
beleid juist worden verbeterd.
Voor aanpassingen op bestaand beleid moeten uiteraard de daarvoor
afgesproken toetsen worden gedaan en de nieuwe regelgeving en aanpassing
van de limitatieve lijst worden openbaar geconsulteerd.
59. De leden van de PVV-fractie vragen waarom sommige gemeente blijkbaar wel voldoende mogelijkheden hebben om een gecoördineerde aanpak van meervoudige problematiek tot stand te brengen? Welke gemeenten ondervinden geen problemen?
Momenteel is de gecoördineerde aanpak zoals die wordt voorgesteld in de Wams niet mogelijk. Het wetsvoorstel geeft de benodigde regels voor de verwerking van persoonsgegevens die nodig zijn om een onderzoek te kunnen doen naar meervoudige problematiek en daarop volgend een gecoördineerde aanpak te kunnen bieden. In die zin hebben alle gemeenten onvoldoende mogelijkheden om integraal te werken. Op basis van representatief onderzoek69 in 2019 over het sociaal domein – waarin de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening ontbrak – bleek “dat driekwart (76%) van de gemeenten het beleid op de drie terreinen van de decentralisaties ten minste deels op elkaar afstemt, hoewel dat meestal om twee van de drie terreinen (Jeugdwet, Participatiewet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015) gaat. Ruim een derde (36%) van de onderzochte gemeenten geeft aan afstemming te hebben tussen alle drie de terreinen, en bijna 40% afstemming tussen twee terreinen, waarbij afstemming tussen de Jeugdwet en de Participatiewet het minst vaak voorkomt. De afstemming in de uitvoering is volgens de helft van de gemeenten nog in ontwikkeling (36%) of ze geven aan dat het wel de wens is, maar dat het nog moet worden ontwikkeld (11%). Minder dan een derde (27%) geeft aan in de uitvoering afstemming te hebben op alle drie de terreinen van het sociaal domein. In de enquête is niet specifiek aangeven wat integraal werken in de uitvoering precies inhoudt. Uit verdiepende interviews blijkt dat gemeenten nog zoekende zijn naar hoe ze de samenhang tussen de drie domeinen het beste kunnen vormgeven. 70 Volgens de impact-analyse van de VNG, die is meegezonden naar uw Kamer, hebben de meeste gemeenten tot nu toe de juridische risico’s van gegevens delen zwaar laten wegen. Integraal werken zoals in dit wetsvoorstel wordt geregeld, komt daarom nergens echt van de grond. Voor de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zullen gemeenten organisatorische aanpassingen moeten doen om te waarborgen dat een onderzoek naar meervoudige problematiek en een gecoördineerde aanpak conform de regels voor de verwerking van persoonsgegevens, gebeurt.
Specifiek voor de Wams zijn middelen gereserveerd voor de uitvoering. In 2021 is hiervoor 45 miljoen voor gemeenten via het Gemeentefonds ter beschikking gesteld. Door middel van handreikingen en voorbeelden van werkprocessen zullen gemeenten en aanpalende organisaties worden ondersteund in de implementatie van de Wams.
Binnen het project Dwars door domeinen werken Divosa, gemeenten en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) aan het oplossen van knelpunten bij domeinoverstijgende dienstverlening aan kwetsbare inwoners. De opgedane kennis uit dit lerend stelsel worden in de vorm van bouwstenen voor integrale dienstverlening gedeeld met andere gemeenten.71
60. De leden van de PVV-fractie vragen of het gebruik van vormen van data-analyse met dit wetsvoorstel mogelijk wordt gemaakt? Kan de regering deze vraag beantwoorden met ‘ja’ of ‘nee’?
Nee, dit wetsvoorstel maakt het gebruik van vormen van data-analyse niet mogelijk.
VOORGESTELDE REGELING MET BETREKKING TOT DE GECOÖRDINEERDE AANPAK VAN MEERVOUDIGE PROBLEMATIEK EN VERWERKING VAN PERSOONSGEGEVENS
61. De leden van de VVD-fractie vragen of door de gedetailleerde beschrijving van definities, taken en proces er nog ruimte is voor de eigenstandige professionele afweging van de betreffende onderzoeker en/of hulpverlener om af te wijken van deze kaders.
Er blijft zeker ruimte voor de eigen, professionele afweging van de hulpverleners. De definities, taken en het proces geven de noodzakelijke duidelijkheid waarmee handelingsverlegenheid kan worden voorkomen. Binnen de gegeven kaders heeft de onderzoeker alle ruimte voor zijn professionele afweging op basis van de hulpvraag te maken en een voorstel te doen voor een gecoördineerde aanpak. Het wetsvoorstel beoogt de wettelijke taak van een integrale en gecoördineerde aanpak van meervoudige samenhangende problematiek op het sociaal domein en aanpalende domeinen voor gemeenten te verankeren en van de benodigde waarborgen te voorzien, in het bijzonder voor wat betreft de verwerking van persoonsgegevens. Dit moet eraan bijdragen dat inwoners die zich tot de gemeenten wenden met een ondersteuningsbehoefte beter geholpen kunnen worden, en dat professionals die al betrokken zijn bij een cliënt waar nodig kunnen komen tot een gecoördineerde aanpak. Met het oog op zorgvuldigheid en op het wegnemen van handelingsverlegenheid zijn de beginselen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit in dit wetsvoorstel uitgewerkt door niet alleen te voorzien in wettelijke taken en grondslagen voor de gegevensverwerking, maar ook bepaalde procedures te regelen. Daarmee wordt gewaarborgd dat per stap in het proces alleen de noodzakelijke partijen alleen de noodzakelijke informatie verwerken (dus niet te veel informatie verwerken) en wordt handelingsverlegenheid weggenomen (voorkomen dat te weinig informatie wordt gedeeld uit angst de regels te overtreden). Juist een duidelijke afbakening van taken en processen geeft voor betrokkenen houvast om daarbinnen de nodige eigenstandige professionele afwegingen te kunnen maken. Dit wetsvoorstel gaat niet over de inhoud van de te geven hulp en ondersteuning, maar over het proces om tot een succesvolle gezamenlijke aanpak te komen bij meervoudige problematiek. Dit maakt juist een casuïstische aanpak mogelijk, waardoor per cliënt heel goed kan worden bekeken wat voor die ene persoon of het desbetreffende gezin nodig is.
62. De leden van de VVD-fractie vragen of de situatie dat een gezinslid instemt met een onderzoek en daarmee als cliënt zal deelnemen aan het onderzoek, ook geldt in geval dat gezinslid minderjarig is.
Er is geen speciale regeling omtrent meebeslissen of zelf beslissen
door minderjarigen opgenomen. De normale regels omtrent
gezagsuitoefening bij minderjarigen zoals opgenomen in boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek zijn dus van toepassing. In de praktijk zal dit
betekenen dat in overleg met de gezinsleden en afhankelijk van de
problematiek die er speelt, wordt bepaald wie als cliënt zal deelnemen
aan het onderzoek. Dit betekent dat als een gezin om jeugdhulp vraagt en
er is aanleiding om een onderzoek naar meervoudige problematiek te
starten, dat de ouders elk hun instemming moeten geven om als cliënt te
worden betrokken in het onderzoek. Als zij dat niet willen, is in zo’n
geval een onderzoek naar meervoudige problematiek niet mogelijk.
In geval het onderzoek leidt tot voorstellen voor het verlenen van hulp
of diensten ten aanzien van de minderjarige, gelden daarbij de bestaande
wettelijke regels met betrekking tot instemming met die hulp. Als een
voorstel tot jeugdhulp wordt gedaan gelden zodoende de regels van
artikel 7.3.4 en 7.3.5 van de Jeugdwet. Dit betekent dat een kind vanaf
16 jaar zelf beslist of het jeugdhulp wil ontvangen en een kind tussen
de 12 en 16 jaar samen met zijn ouders beslist. Logischerwijs wordt in
het licht van deze wettelijke regeling bij het starten van een onderzoek
het kind vanaf die leeftijd ook betrokken bij de vraag of het deelneemt
aan het onderzoek naar meervoudige problematiek.
63. De leden van de VVD-fractie vragen naar de consequenties indien een onderzoek naar meervoudige problematiek langer duurt dan de termijn van zes weken.
Met de termijn van zes weken is aangesloten bij de termijn voor een onderzoek naar de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015. Als gedurende het onderzoek blijkt dat de casus ingewikkeld is en de termijn van zes weken vermoedelijk niet gehaald kan worden, zal het college de cliënt hierover tijdig moeten informeren. Dit staat niet in de wet maar volgt uit goede omgangsnormen. In artikel 2.3a.2 is geregeld dat het college de cliënt uiteindelijk informeert over de uitkomsten en conclusies van het onderzoek, en indien van toepassing, over de gecoördineerde aanpak. Het college moet daarbij aangeven hoe de cliënt de voorgestelde diensten uit het sociale domein kan verkrijgen. Vanaf dat moment gelden de termijn voor de te nemen beschikkingen op grond van de diverse wetten uit het sociaal domein en de mogelijkheid om tegen die beschikkingen in bezwaar te gaan. In het voorgestelde artikel 2.3.5, tweede lid, wordt geregeld dat als een maatwerkvoorziening deel uitmaakt van de voorgestelde gecoördineerde aanpak, de beschikking binnen twee weken na het informeren over de uitkomsten van het onderzoek wordt gegeven indien de cliënt instemt met het verstrekken van de maatwerkvoorziening.
64. De leden van de VVD-fractie vragen de regering hoe het vaststellen van de hulpvraag door een medewerker van de gemeente in de praktijk uit zal werken. Welke medewerkers van de gemeente zullen de intakes verrichten en worden er handleidingen, trainingen of richtlijnen samengesteld om de intake op een juiste manier uit te voeren?
Gemeenten hebben beleidsvrijheid in het sociaal domein om te bepalen welke personen hiervoor worden ingezet. Inwoners kunnen in hun gemeente veelal terecht bij de lokale teams, de lokale (jeugd)teams, de loketten Werk en Inkomen en andere loketten. Door middel van handreikingen en voorbeelden van werkprocessen zullen gemeenten en aanpalende organisaties worden ondersteund in de implementatie van de Wams.
Binnen het project Dwars door domeinen werken Divosa, gemeenten en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) aan het oplossen van knelpunten bij domeinoverstijgende dienstverlening aan kwetsbare inwoners. De opgedane kennis uit dit lerend stelsel worden in de vorm van bouwstenen voor integrale dienstverlening gedeeld met andere gemeenten.72
65. Wat wordt bedoeld met “consequenties” in het volgende citaat, vragen de leden van de VVD-fractie: ‘als er verschil van inzicht is tussen betrokkene(n) en het college over de reikwijdte van het onderzoek, dan mag het college vanzelfsprekend aangeven wat de consequenties kunnen zijn van een beperkte reikwijdte.’
Een onderzoek in samenspraak betekent dat de wens van de cliënt leidend is, maar dat degene die het onderzoek doet vanuit zijn professionaliteit wel aangeeft wat de invloed is op de effectiviteit van de te verlenen hulp en het daadwerkelijk kunnen oplossen van de problemen. Dat hoort bij goed hulpverlenerschap. Aan cliënt wordt dus uitgelegd wat de eventuele nadelen of beperkingen kunnen zijn van het niet (kunnen) onderzoeken van bepaalde problematiek. De problematiek die niet wordt meegenomen in het onderzoek, kan dan niet worden opgelost in samenhang met de problemen die de cliënt wel wil bespreken. In het uiteindelijke voorstel voor een gecoördineerde aanpak kan zodoende dan ook geen rekening worden gehouden met deze problemen. De wel geboden diensten of voorzieningen zijn dan niet afgestemd op de niet onderzochte problemen. Hoe dan ook is samenspraak het leidende principe als iemand met een hulpvraag komt: in gesprek met de cliënt wordt de reikwijdte van het onderzoek bepaald.
66. De leden van de VVD-fractie vragen of het bij ernstige problematiek ook altijd moet gaan om meervoudige problematiek.
Dat is inderdaad het geval. In het voorgestelde artikel 2.3a.4,
eerste lid, is geregeld onder welke voorwaarden een onderzoek op grond
van dat artikel gestart kan worden. In onderdeel a staat dat er een
vermoeden moet zijn dat er sprake is van voortdurende of terugkerende
meervoudige problematiek. In artikel 1.1.1, wordt gedefinieerd
wat onder meervoudige problematiek wordt verstaan.
Omdat het begrip ernstige meervoudige problematiek regelmatig in het
wetsvoorstel wordt gebruikt en het wenselijk is zoveel mogelijk
duidelijkheid te geven over wat ernstige meervoudige problematiek is,
wordt bij nota van wijziging voorgesteld om in artikel 1.1.1 een
definitie op te nemen die verwijst naar de criteria van artikel
2.3a.4, eerste lid, onderdeel a.
67. In vervolg hierop vragen genoemde leden wat wordt bedoeld met de zinsnede “zo nodig zonder dat de persoon over wie het gaat instemt met dit onderzoek”, ook in het licht van het advies van de Afdeling op dit punt.
De Afdeling wijst erop dat gelet op het ingrijpende karakter van een
onderzoek zonder toestemming, het onwenselijk zou zijn als te makkelijk
tussen de verschillende mogelijkheden om een onderzoek te starten kan
worden geschakeld. De Afdeling gaat hier in op het feit dat het niet zo
zou moeten zijn dat in geval een cliënt afhoudend staat tegenover hulp
en geen verzoek om hulp bij het college wil doen, de professional dan
maar zelf een verzoek indient.
Met een onderzoek zonder toestemming wordt gedoeld op een onderzoek naar
ernstige meervoudige problematiek. In artikel 2.3a.4, eerste lid, zijn
de voorwaarden opgenomen waaraan het college moet toetsen of na een
gemotiveerd verzoek van een partij een onderzoek zal worden gestart
zonder een hulpvraag van de desbetreffende cliënt. In het nader rapport
is toegelicht dat deze voorwaarden dermate streng zijn dat van zomaar
schakelen van een onderzoek op verzoek van een cliënt naar een onderzoek
waarmee een cliënt niet vooraf heeft ingestemd, geen sprake kan zijn. De
door de leden van de VVD-fractie aangehaalde zinsnede moet worden
gelezen in de context van toetsing aan de criteria voor ernstige
meervoudige problematiek, zoals die worden genoemd in artikel 2.3a.4,
eerste lid. Alleen als aan die voorwaarden wordt voldaan, kan een
onderzoek worden gestart zonder voorafgaande instemming. Wel gelden dan
verschillende regels over het informeren en betrekken van de
cliënt.
Zodra het college op basis van de voorwaarden van artikel 2.3a.4, eerste
lid, heeft vastgesteld dat een onderzoek wordt gestart, wordt de cliënt
en indien van toepassing diens vertegenwoordiger en mantelzorger
daarover geïnformeerd en zo mogelijk ook betrokken bij het onderzoek.
Tevens wordt gewezen op de mogelijkheid van cliëntondersteuning. Dit is
geregeld in artikel 2.3a.4, derde lid.
68. De betrokken professional die een verzoek doet voor een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek moet bij indiening elementen a en b uit artikel 2.3a.4, eerste lid, aannemelijk maken of onderbouwen, waarbij met betrekking tot bijkomende omstandigheden (sub 1 en 2) ten minste één van beide situaties aannemelijk dient te worden gemaakt. De leden van de VVD-fractie vragen of van het onderbouwen of het aannemelijk maken van elementen a en b een voorbeeldcasus kan worden omschreven? Wat moet de betrokken professional aan kunnen leveren en wie toetst of houdt toezicht op de kwaliteit van het verzoek en de onderbouwing?
De toetsing of een verzoek tot een onderzoek voldoet aan de vereisten
gebeurt door het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente
waar het verzoek aan is gedaan. Op grond van de Wmo 2015 is het toezicht
op de taakuitoefening door het college belegd bij gemeentelijke
toezichthouders op grond van hoofdstuk 6 van die wet. De betrokken
professional mag in de onderbouwing van het verzoek alleen die
informatie opnemen, die relevant en noodzakelijk is om het college in
staat te stellen de beoordeling op grond van de criteria in artikel
2.3a.4 te doen. Per criterium van artikel 2.3a.4, eerste lid, moet de
partij die een verzoek indient bij het college een onderbouwing
geven.
Het verwerken en verstrekken van de noodzakelijke gegevens ten behoeve
van een onderzoek naar (ernstige) meervoudige problematiek, is geregeld
in de artikelen 5.4.1 en 5.4.2 van het wetsvoorstel. Naar aanleiding van
deze vraag van de leden van de VVD-fractie, stel ik voor bij nota van
wijziging in deze artikelen ook duidelijke grondslagen op te nemen om
noodzakelijke gegevens te verstrekken voor het doen van een gemotiveerd
verzoek aan het college en voor het college om dit verzoek aan de hand
van de noodzakelijke gegevens te kunnen beoordelen.
Ter illustratie geef ik hier zes voorbeeldcasus waarbij sprake is van mogelijke ernstige meervoudige problematiek. De eerst vier casus voldoen aan de vereisten van artikel 2.3a.4 om te komen tot een onderzoek. De vijfde en zesde casus zijn voorbeelden van een verzoek dat niet leidt tot een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek.
Voorbeeldcasus 1 – Huiselijk geweld
Een man meldt zich bij de gemeente voor huishoudelijke hulp op
grond van de Wmo 2015. Een Wmo-consulent voert een keukentafelgesprek.
De woning is ernstig vervuild en er is stankoverlast. De cliënt geeft
aan dat de buren hierover klagen bij de woningcorporatie en hij vertelt
dat de woningcorporatie heeft gedreigd met een huisuitzetting vanwege
flinke huurachterstanden. Hij geeft aan dat zijn inkomsten komen uit een
uitkering op basis van de Participatiewet en de AOW-uitkering van zijn
inwonende vader. De vader oogt hulpbehoevend en komt niet goed uit zijn
woorden. Op de vraag of de vader hulp krijgt — mogelijk heeft hij recht
op een Wlz-indicatie voor zorg – antwoordt de man dat hij zijn vader
helpt en er verder niets nodig is. Dan komt er ook een kind binnen en de
Wmo-consulent constateert dat het kind er onverzorgd uitziet en blauwe
plekken heeft. Op de vraag waarom het kind niet op school is, komt een
ontwijkend antwoord. De cliënt zegt nu echt genoeg te hebben van het
bezoek en geeft aan echt alleen huishoudelijke hulp (Wmo 2015) te willen
vragen en géén behoefte te hebben aan verdere ondersteuning.
De Wmo-consulent doet op grond van de meldcode een melding bij Veilig
Thuis omdat hij van mening is dat sprake is van een onveilige situatie
voor zowel het kind als de vader van de betrokkene. Uit het onderzoek
van Veilig Thuis blijkt dat de vader door de betrokkene mogelijk
financieel wordt uitgebuit, vermoedelijk voor het afbetalen van
schulden. Veilig Thuis constateert verder dat het kind wordt
verwaarloosd. Dat komt mogelijk doordat de betrokkene vanwege de zorgen
om schulden en ruzie met buren onvoldoende aan het opvoeden van zijn
zoon toe komt. Op basis van deze bevindingen dient Veilig Thuis een
verzoek in bij het college op grond van artikel 2.3a.4 voor een
onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek. Het college toetst dit
verzoek aan de criteria voor ernstige meervoudige problematiek:
- Er is sprake van meervoudige problematiek (mogelijk huiselijk geweld,
aanvraag huishoudelijke hulp, inkomsten uit een uitkering op grond van
de Participatiewet, schuldenproblematiek, vervuiling, overlast voor de
buurt, het niet voldoen aan de leerplicht en mogelijk noodzaak tot het
bieden van jeugdhulp). Betrokkene accepteert geen hulp voor het oplossen
van die problematiek en een lage kwaliteit van leven en welzijn van het
gezin lijkt aan de orde.
- De omgeving van betrokkene ervaart overlast of problemen (art. 2.3a.4,
eerste lid, onderdeel a, onder 1):De buurt ervaart stankoverlast door de
woningvervuiling. De vader en het kind van de man lijken ook in de
problemen te zitten door het gedrag van de man.
- De veiligheid van personen is in het geding (art. 2.3a.4, eerste lid,
onderdeel a, onder 2): Veilig Thuis heeft vastgesteld dat in deze
situatie de veiligheid van zowel de vader als de zoon van de man in
gevaar is.
- Een gecoördineerde aanpak kan helpen bij het oplossen of verminderen
van de problematiek (art. 2.3a.4, eerste lid, onderdeel b). Veilig Thuis
heeft geconstateerd dat de uitbuiting van vader en de verwaarlozing van
zoon (waarschijnlijk) samenhangen met de schuldenproblematiek, de
woningvervuiling en de verstoorde relatie met de buurt en de
woningcorporatie.
In het onderzoek op grond van art. 2.3a.4, tweede lid, kan het college onderzoeken welke hulpverlening loopt of heeft gelopen, of de man of zijn vader bekend zijn bij schuldhulpverlening en of er eerder zorg vanuit de Wmo of de Wlz aan vader is verleend. Bij de woningcorporatie kan worden geïnformeerd over de situatie en bij de wijkagent over de overlast voor de buurt, en met de GGD kan contact worden gelegd in verband met de woningvervuiling. Jeugdhulpverlening en leerplicht kunnen worden betrokken in verband met de zorg voor het kind. Het college kan een casusoverleg beleggen met betrokken partijen om gezamenlijk tot een goed beeld te komen voor dit onderzoek en de betrokken cliënten worden daarin zoveel als mogelijk meegenomen en uitgenodigd voor het gesprek. Ook wordt cliëntondersteuning aangeboden (art. 2.3a.4, derde lid). Op basis van het onderzoek kan het college een gecoördineerde aanpak voorstellen waarin de hulp en activiteiten van de diverse partijen op elkaar zijn afgestemd. Dit biedt de mogelijkheid om toe te werken naar duurzame oplossingen voor dit gezin. De gecoördineerde aanpak en de daarin voorgestelde hulp kan alleen worden gestart als de cliënten de gecoördineerde aanpak aanvaarden. Eventuele interventies die onderdeel zijn van de voorgestelde gecoördineerde aanpak kunnen wel worden ingezet zonder instemming van de cliënt. In deze casus zou het dan kunnen gaan om verplichte jeugdhulp, inzet van de leerplichtambtenaar en Veilig Thuis en een beroep op de Wet aanpak woonoverlast (art. 151d Gemeentewet).
Voorbeeldcasus 2 – Woonoverlast
Een mevrouw woont op een galerijflat. Ze is alcoholverslaafd en
zorgt al jaren regelmatig voor veel geluidsoverlast. Ze gooit lege
flessen en vuilniszakken vanaf de galerij naar beneden of staat op de
galerij tegen buren te schreeuwen. Als mevrouw niet te dronken is, is ze
zachtaardig en behulpzaam. De buren hebben regelmatig hun zorgen geuit
en geklaagd bij de woningcorporatie en bij de wijkagent over de overlast
en onveiligheid als ze spullen naar beneden gooit. De buren willen graag
dat ze geholpen wordt. De woningcorporatie ziet regelmatig een
vertraagde huurbetaling en vermoedt schulden. Daarnaast vermoedt de
woningcorporatie op basis van de contacten met mevrouw dat er sprake is
van LVB-problematiek. De vrouw weigert pertinent op suggesties van de
woningcorporatie om meer hulp te vragen en ze geeft aan geen behoefte te
hebben aan hulp. Na aanhoudende klachten, oplopende huurachterstand en
weigeringen van mevrouw, verzoekt de woningcorporatie het college om een
onderzoek op grond van art. 2.3a.4, eerste lid. Het college toetst dit
verzoek aan de criteria voor ernstige meervoudige problematiek:
- Er is sprake van meervoudige problematiek die al langere tijd aanhoudt
(verslavingsproblematiek, vermoeden van schuldenproblematiek, vermoeden
van LVB, overlast voor de buurt).
- De vrouw accepteert geen hulp voor het oplossen van die
problematiek.
- De omgeving van de vrouw ervaart voortdurend en steeds terugkerende
overlast (art. 2.3a.4, eerste lid, onderdeel a, onder 1): de
geluidsoverlast, de vervuiling van de omgeving en het geschreeuw tegen
buren. De veiligheid van personen lijkt niet direct in het geding,
hoewel het naar beneden gooien van afval soms gevaarlijke situaties kan
opleveren. Aan het vereiste van onderdeel 2 is niet met zekerheid
voldaan, maar het is voldoende dat aan één van beide criteria wordt
voldaan.
- Een gecoördineerde aanpak kan bijdragen aan het oplossen of
verminderen van de problematiek (art. 2.3a.4, eerste lid, onderdeel b).
De inzet van schuldhulpverlening samen met de inzet van verslavingszorg
kan wellicht het alcoholgebruik van mevrouw terugdringen, waardoor
vermoedelijk ook de overlast die zij in de buurt veroorzaakt zal
afnemen.
In een onderzoek op grond van art. 2.3a.4, tweede lid, kan het college nagaan of mevrouw bekend is bij schuldhulpverlening, bij verslavingszorg of bij maatschappelijk werk (Wmo 2015). De gemeente kan de wijkagent vragen naar de overlast en wat mogelijk kan bijdragen om die overlast te beperken. Ook kan het college in overleg treden met de huisarts in verband met het vermoeden van de licht verstandelijke beperking en de vraag hoe deze mevrouw het beste benaderd kan worden om haar succesvol te kunnen helpen. Op grond van artikel 5.4.2, tweede lid, zoals dat nu in de nota van wijziging is geformuleerd, zal de huisarts alleen met toestemming van vrouw met het college overleggen. Omdat de huisarts zijn patiënt goed kent, kan hij in deze casus mogelijk bijdragen aan het aanvaarden van hulp. Op grond van artikel 5.4.3, kan het college in het kader van het onderzoek ook een casusoverleg houden waarvoor de wijkagent, een deskundige van verslavingszorg, de schuldhulpverlening en maatschappelijk werk worden uitgenodigd om te bespreken welke hulp zou kunnen worden ingezet. Ook de huisarts zou – na toestemming – kunnen deelnemen. Naar aanleiding van het onderzoek kan het college vrijwillige hulp (verslavingszorg, schuldhulpverlening, huishoudelijke hulp en begeleiding) aanbieden en een gecoördineerde aanpak organiseren zodat ook de huisarts en de wijkagent betrokken kunnen blijven en zo nodig extra hulp en ondersteuning kunnen bieden.
Voorbeeldcasus 3 – Verward en onbegrepen gedrag
Een volwassen jongeman vertoont met enige regelmaat psychotisch
gedrag. Hij heeft dan hallucinaties en wanen. Hij gebruikt regelmatig
softdrugs, die de wanen verergeren. In zijn wanen vlucht hij vaak het
nabijgelegen bos in, waar hij dan in een tent slaapt ‘om zich te
verschuilen voor zijn buren die achter hem aan zitten’. In het bos
schreeuwt hij naar wandelaars die hiervan schrikken en dit melden bij de
wijkagent. De wijkagent heeft een goede relatie met de man en kan hem
regelmatig kalmeren en weer overreden naar huis terug te gaan. De man is
in behandeling bij de GGZ en krijgt medicatie. Als hij zijn medicatie
neemt en niet blowt heeft hij minder last van zijn psychoses. De
wijkagent gaat regelmatig bij hem langs om te kijken of alles nog goed
gaat en probeert hem te bewegen meer hulp te vragen, bijvoorbeeld
individuele begeleiding of hulp voor zijn drugsverslaving. De man wil
liever geen hulp vragen omdat hij, zoals hij dat zelf zegt ‘dat niet kan
overzien’, maar zegt wel graag een andere woonplek te willen ‘om verlost
te zijn van zijn enge buren’. De man neemt geen initiatief. De man is
bij de gemeente bekend omdat hij een uitkering op grond van de
Participatiewet ontvangt. De wijkagent verzoekt het college om een
onderzoek op grond van art. 2.3a.4, eerste lid. Het college toetst dit
verzoek aan de criteria voor ernstige meervoudige problematiek:
- Er is sprake van meervoudige problematiek (GGZ-problematiek,
middelengebruik, overlast, een uitkering op grond van de
Participatiewet) en de situatie leidt tot een lage kwaliteit van leven
en welzijn van de man.
- De man vraagt geen hulp voor het oplossen van die problematiek.
- De omgeving van de man ervaart voortdurend en steeds terugkerende
overlast (art. 2.3a.4, eerste lid, onderdeel a, onder 1): de buren
ervaren overlast omdat de man hen wantrouwt en soms bedreigt, de
wandelaars in het bos ervaren overlast omdat zij schrikken van het
gedrag van de man.
- De veiligheid en gezondheid van de jongeman zelf is in gevaar. (art.
2.3a.4, eerste lid, onderdeel a, onder 2). - Een gecoördineerde aanpak
kan helpen bij het oplossen of verminderen van de problematiek (art.
2.3a.4, eerste lid, onderdeel b). De inzet van individuele begeleiding
kan de jongeman helpen om regelmatig
zijn medicatie te nemen en niet te blowen. Een nieuwe prikkelvrije woning (eventueel begeleid wonen) kan helpen in het terugdringen van de wanen en zijn angst voor de omgeving.
In het onderzoek op grond van art. 2.3a.4, tweede lid, kan het college nagaan of de jongeman bekend is bij verslavingszorg. De gemeente kan een overleg organiseren met de wijkagent en de GGZ over de beste oplossing voor de jongeman. De gemeente kan overleggen met een woningcorporatie over een passende woning of met maatschappelijke zorg over begeleid wonen.
De GGZ-hulpverlener zal op grond van toestemming van de man kunnen overleggen over de situatie en de inzet van hulp. De GGZ-hulpverlener zal dan geen informatie verstrekken over de diagnose, de behandeling of de medicatie, omdat dat voor het vinden van een passende woonruimte geen noodzakelijke gegevens zijn. De GGZ-hulpverlener kan wel een advies geven over waar een goede, prikkelvrije woonomgeving voor deze cliënt aan moet voldoen en waaraan persoonlijke begeleiding van de man moet voldoen.
Zonder toestemming kan de GGZ-hulpverlener enkel informatie delen als hij in een ‘conflict van plichten’ komt; gewetensnood als men zich aan de geheimhoudingsplicht houdt, terwijl een ander concreet belang zwaarder weegt en omdat hij met het doorbreken van de zwijgplicht een ernstig nadeel voor de patiënt of voor een andere persoon kan voorkomen73.
Voorbeeldcasus 4: Veiligheidsplan gespecialiseerd team bij Huiselijk geweld
De politie heeft bij Veilig Thuis een melding huiselijk geweld
gedaan. De buren hadden de politie gebeld naar aanleiding van het
zoveelste incident bij de man en vrouw. Er zijn eerder meldingen
geweest, die na een veiligheidsbeoordeling door Veilig Thuis in overleg
met het paar steeds niet zijn doorgezet. Zij gaven aan zelf hulp te
willen zoeken om hun problemen op te lossen en herhaling te voorkomen.
De laatste keer heeft Veilig Thuis de melding overgedragen aan het
lokale team van de gemeente met de vraag een veiligheidsplan op te
stellen. Een veiligheidsplan wordt opgesteld met de mensen die het
betreft en betrokken professionals en waar mogelijk met het informele
sociale netwerk van deze mensen en is gericht op het werken aan duurzame
veiligheid in situaties van Huiselijk Geweld, gebaseerd op de visie
‘Gefaseerd samenwerken aan veiligheid’74
van het programma Geweld hoort nergens thuis. De uitvoering van het
veiligheidsplan is vastgelopen omdat een aantal van de bij de
hulpverlening betrokken partijen geen toestemming kreeg van het paar om
gegevens te delen ten behoeve van het veiligheidsplan. Daardoor komt de
samenwerking tussen betrokken partijen om tot een verbetering van de
veiligheidssituatie te komen, niet van de grond.
Naar aanleiding van de melding door de politie is Veilig Thuis opnieuw
een onderzoek gestart. Het onderzoek van Veilig Thuis wijst uit dat er
veel meer speelt dan bij de eerdere meldingen boven kwam. Er sprake is
van problemen op meerdere gebieden, namelijk werk, schulden, psychische
problematiek, en bovenmatig drankgebruik. De problemen leiden tot stress
tussen de man en de vrouw. De frustraties lopen regelmatig hoog op. En
als beiden hebben gedronken escaleert de situatie. Er wordt gegooid met
flessen en de vrouw wordt ernstig mishandeld. Zij weigert echter
aangifte te doen. Om de eerste directe veiligheid te waarborgen stelt
Veilig Thuis veiligheidsvoorwaarden op en omdat Veilig Thuis weet dat de
man en vrouw eerdere keren geen toestemming verleenden aan zorgverleners
om informatie te delen ten behoeve van het veiligheidsplan, doet Veilig
Thuis een beroep op de bevoegdheid van het college op grond van artikel
2.3a.4 van de Wams. Veilig Thuis moet bij dit verzoek onderbouwen dat
mogelijk sprake is van ernstige meervoudige problematiek en het college
toetst het verzoek aan deze criteria:
- Er is sprake van voortdurende meervoudige problematiek (schulden,
werk, psychische problematiek, bovenmatig drankgebruik).
- Betrokken lijken steeds hulp te accepteren, maar verlenen vervolgens
geen medewerking om tot een veiligheidsplan te komen dat moet bijdragen
aan duurzame veiligheid. Dit is een terugkerend patroon.
- Er zijn geen meldingen van overlast door de buurt, maar de buren
hebben meerdere keren de politie gebeld bij incidenten tussen de man en
de vrouw.
- De veiligheid en gezondheid van met name de vrouw is in gevaar. (art.
2.3a.4, eerste lid, onderdeel a, onder 2)
- Een gecoördineerde aanpak kan helpen bij het oplossen of verminderen
van de problematiek (art. 2.3a.4, eerste lid, onderdeel b). Door de
gecoördineerde aanpak wordt het mogelijk om activiteiten van de
hulpverlening beter op elkaar af te stemmen en periodiek een
risicoanalyse te maken.
Op basis van artikel 2.3a.4, tweede lid, gaat het team complexe casuïstiek en huiselijk geweld namens het college een onderzoek doen. Een medewerker zoekt contact met het paar, informeert hen over de stappen die het team gaat zetten en welke partijen daarbij worden betrokken. Er wordt met de betrokken partijen een casusoverleg gehouden om tot een voorstel voor een gecoördineerde aanpak te komen waar het veiligheidsplan onderdeel van is. De man en vrouw worden uitgenodigd daarbij aanwezig te zijn. Het voorstel voor de gecoördineerde aanpak bevat het plan voor het op elkaar afstemmen van de betrokken hulpverlening. Ook worden afspraken gemaakt over terugvalsignalen en hoe daarbij te handelen.
Voorbeeldcasus 5 – Sociaal isolement
Een man leidt een teruggetrokken bestaan en heeft een
bijstandsuitkering. Hij is een stevige drinker. De woningcorporatie
vermoedt schulden, maar de man wil daar niets over zeggen. De huur en
het gas-water-licht worden soms iets te laat, maar uiteindelijk altijd
wel betaald. De man keert zich af van de maatschappij en wil zo min
mogelijk met de overheid te maken hebben. Er is vervuiling in het huis,
maar niet zo ernstig dat de buurt er last van heeft. Zijn volwassen
kinderen zijn erg bezorgd over hun vader, maar krijgen niet meer goed
contact met hem en hebben de woningcorporatie gevraagd om wat extra op
hem te letten. Ook mensen in de buurt hebben aangeboden hem te willen
helpen, maar de man weigert dat stelselmatig. De man bemoeit zich niet
met zijn omgeving, hij veroorzaakt geen overlast, en hij eist dat de
omgeving hem ook met rust laat. Daarom doet hij soms boos tegen mensen
die hem proberen te helpen en sommige kinderen in de buurt zijn bang van
hem. De woningcorporatie doet op basis van de zorgen over de man een
verzoek aan het college om een onderzoek te doen op grond van art.
2.3a.4, eerste lid. Het college toetst dit verzoek aan de criteria voor
ernstige meervoudige problematiek:
- Er is sprake van meervoudige problematiek (Participatiewet,
vereenzaming, alcoholgebruik, vervuiling, mogelijk schulden).
- Betrokkene accepteert geen hulp voor het oplossen van die
problematiek.
- Er is geen sprake van langdurige hinder of overlast voor de omgeving.
Aan het vereiste van art. 2.3a.4, eerste lid, onderdeel a, onder 1, is
dus niet voldaan.
- Er is ook geen direct risico voor de veiligheid van de man of zijn
omgeving. Aan het vereiste van art. art. 2.3a.4, eerste lid, onderdeel
a, onder 2, is dus ook niet voldaan. De eenzaamheid en het sociaal
isolement is door de man zelf verkozen.
- Hoewel een gecoördineerde aanpak wellicht kan helpen bij het oplossen
of verminderen van de problematiek (art. 2.3a.4, eerste lid, onderdeel
b), leidt de toetsing aan de overige criteria voor ernstige meervoudige
problematiek ertoe, dat het college na de toetsing van het verzoek van
de woningcorporatie geen grond ziet voor een onderzoek naar ernstige
meervoudige problematiek omdat aan onderdeel 1 of onderdeel 2 van art.
2.3a.4, eerste lid niet wordt voldaan.
Voorbeeldcasus 6 – Complexe gezinsproblematiek
In een gezin, waarvan de moeder is overleden, probeert een vader
naast zijn drukke baan te zorgen voor zijn twee minderjarige kinderen en
een meerderjarige zoon. Betrokken hulpverleners zien aanhoudende
problemen. De Leerplichtambtenaar is betrokken omdat er sprake is van
structureel schoolverzuim van de twee minderjarige kinderen. Voor deze
kinderen is ook jeugdhulp ingezet. Veilig Thuis is betrokken omdat er
meldingen zijn gedaan door de buren van vermoedens van
kindermishandeling. Tegen de oudste zoon loopt een politieonderzoek
vanwege mogelijke betrokkenheid bij criminele activiteiten. De vader
accepteert hulp, maar heeft wel duidelijke ideeën over welke hulp wel of
niet nodig is en is het niet altijd eens met hetgeen het lokale team
nodig acht. Hij bezoekt af en toe een psycholoog. Naar aanleiding van
een melding bij Veilig Thuis heeft de Raad voor de Kinderbescherming
onderzoek gedaan naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel.
De Raad komt tot de conclusie dat er op dit moment geen reden is om aan
te nemen dat de veiligheid van de minderjarige kinderen in het geding
is. Een van de betrokken jeugdhulpverleners maakt zich toch zorgen over
de kinderen en de thuissituatie en vindt het nodig dat er een
gecoördineerde aanpak komt. De jeugdhulpverlener doet daarom een
gemotiveerd verzoek bij het college op grond van art. 2.3a.4, eerste
lid. Het college toetst dit verzoek aan de criteria voor ernstige
meervoudige problematiek. Ondanks dat er in deze casus veel aan de hand
is, concludeert het college dat er geen grond is voor een onderzoek naar
ernstige meervoudige problematiek:
- Er is wel sprake van meervoudige problematiek (opvoedproblemen,
jeugdhulp, schoolverzuim, vermoeden van criminaliserend gedrag door de
zoon, psychische problematiek).
- De vader accepteert alleen hulp die hij zelf nodig vindt.
- Er is geen langdurige overlast of hinder voor de omgeving. Aan art.
art. 2.3a.4, eerste lid, onderdeel a, onder 1, is niet voldaan.
- De jeugdhulpverlener signaleert risico’s voor de veiligheid van de
minderjarige kinderen, maar Veilig Thuis en de Raad voor de
Kinderbescherming zijn betrokken en zien op dit moment geen reden om
verder in te grijpen. Er zijn op dit moment geen nieuwe of nog niet
geadresseerde veiligheidsrisico’s voor leden in het gezin. Aan art. art.
2.3a.4, eerste lid, onderdeel a, onder 2, is niet voldaan.
- Een gecoördineerde aanpak zou wellicht kunnen helpen om de problemen
in het gezin beter op te lossen, maar niet op basis van een onderzoek
als bedoeld in art. 2.3a.4, omdat aan art. 2.3a.4, eerste lid, onderdeel
a, onder 1 en 2 allebei niet is voldaan. Wel kan de gemeente contact
zoeken met de vader om met hem te bespreken of hij open staat voor een
gecoördineerde aanpak op grond van art. 2.3a.1. Dat onderzoek wordt dan
gedaan in samenspraak met de vader en de kinderen aan de hand van hun
eigen hulpvragen. Als de vader dit niet wil zal de in gang gezette
hulpverlening los van elkaar doorlopen. Indien er indicaties zijn dat de
situatie verslechtert, of als zich bijvoorbeeld een geweldsincident
voordoet,
kunnen Veilig Thuis en de Raad voor de Kinderbescherming opnieuw ingeschakeld worden. Zij zullen daarin de eerdere meldingen betrekken, en kunnen indien nodig alsnog een beroep doen op het college om tot een gecoördineerde aanpak te komen.
69. Kan toegelicht worden wat er gebeurt indien de cliënt niet instemt met een gecoördineerde aanpak, vragen de leden van de VVD-fractie.
In artikel 2.3a.2, eerste lid is geregeld dat de cliënt wordt
geïnformeerd over de uitkomsten van het onderzoek en de voorgestelde
gecoördineerde aanpak. Dit geldt zowel in de situatie dat een onderzoek
naar meervoudige problematiek is gedaan in samenspraak met de cliënt
(art. 2.3a.1) als in geval een onderzoek is gedaan naar ernstige
meervoudige problematiek (art. 2.3a.4) waarbij het van de situatie
afhangt in hoeverre het is gelukt om de cliënt bij het onderzoek te
betrekken.
Voor alle in de het voorstel voor een gecoördineerde aanpak voorgestelde
hulp en diensten geldt dat het de keuze van de cliënt is die al dan niet
te aanvaarden. Het kan ook zijn dat bepaalde interventies onderdeel zijn
van de gecoördineerde aanpak. Het gaat dan om op hulp gerichte maar niet
vrijwillige maatregelen als kinderbeschermingsmaatregelen,
(jeugd)reclassering, of inburgering. Als dat het geval is zal soms meer
geduld en uitleg nodig zijn waarom het goed en zinvol is voor het slagen
van de hulp, dat die interventies deel uit maken van de voorgestelde
aanpak. Als een cliënt slechts een deel van de voorgestelde aanpak
aanvaardt heeft dat uiteraard gevolgen voor de gecoördineerde aanpak.
Die kan dan niet of slechts ten dele van de grond komen. Als het
onderzoek naar de meervoudige problematiek goed in samenspraak met de
cliënt wordt uitgevoerd, zouden de conclusies van het onderzoek en het
voorstel voor de gecoördineerde aanpak geen verrassingen hoeven te
bevatten. Op verzoek van de cliënt kunnen gaandeweg aanpassingen worden
gedaan. Het zal van het gemeentelijk beleid afhangen hoe met dergelijke
situaties wordt omgegaan en tot een passend hulpaanbod wordt
gekomen.
Voor een gecoördineerde aanpak op basis van een onderzoek naar ernstige
meervoudige problematiek naar aanleiding van een verzoek van een
betrokken partij, kan aanvaarding van de voorgestelde hulp lastiger
liggen. De cliënt heeft in eerste instantie meestal niet om hulp
gevraagd. Hier zullen de betrokken professionals op basis van de
situatie en de persoon die het betreft moeten inschatten hoe en op welk
moment de cliënt bij het onderzoek wordt betrokken en hoe hij
uiteindelijk overtuigd kan worden in zijn belang de voorgestelde hulp te
aanvaarden. De conclusie van het onderzoek naar ernstige meervoudige
problematiek kan ook zijn dat, vanwege de omstandigheden van de cliënt,
het inzetten op een gecoördineerde aanpak geen kans van slagen
heeft.
70. De leden van de VVD-fractie vragen nader toe te lichten dat
in geval een van de betrokkenen bij de cliënt zorg wil dragen voor de
coördinatie er geen sprake is van een gecoördineerde aanpak waarvoor het
college verwerkingsverantwoordelijke is, en daarbij in te gaan hoe het
hulptraject er in zo’n geval in de praktijk uitziet.
In sommige situaties is de cliënt, of zijn vertegenwoordiger of
mantelzorger goed in staat zelf de coördinatie op zich te nemen. Te
denken valt dan aan ouders van een meervoudig gehandicapt kind, of de
mantelzorger van iemand die dementerend is. De cliënt en zijn naasten
zijn voldoende geholpen doordat tijdens het onderzoek de problematiek
duidelijker is geworden alsmede hoe de verschillende diensten die hij
nodig heeft op elkaar kunnen worden afgestemd.
Op grond van artikel 2.3a.3, tweede lid, kunnen een cliënt, of een vertegenwoordiger van de cliënt in zo’n geval kenbaar maken dat zij zelf of een betrokken gezinslid of mantelzorger zorg willen dragen voor de coördinatie van de diensten die naar aanleiding van het onderzoek worden voorgesteld. Als het college tot de conclusie komt dat coördinatie «onder eigen regie» kan plaatsvinden en niet zal leiden tot nieuwe problemen, dan volgt geen gecoördineerde aanpak onder verantwoordelijkheid van het college. Het college wijst in zo’n geval dan ook geen coördinator aan, zoals bepaald in artikel 2.3a.3, derde lid. De coördinatie «onder eigen regie» houdt namelijk in dat de cliënt, vertegenwoordiger of mantelzorger, zelf zorgt voor de benodigde afstemming met betrokken partijen, op basis van de op grond van artikel 2.3a.2, eerste lid, door het college verstrekte informatie. De verwerking van gegevens door de cliënt, vertegenwoordiger of mantelzorger die zelf coördineert, valt binnen het privédomein. De AVG is dan niet van toepassing. Daarom kan in zo’n geval geen sprake zijn van een gecoördineerde aanpak waarvoor het college verantwoordelijkheid draagt. De bij de hulpverlening betrokken professionals dienen uiteraard altijd te werken volgens de voor hun geldende regels voor verwerking van persoonsgegevens.
71. Bij de leden van de VVD-fractie blijven zorgen over de vertrouwelijkheid en geheimhouding in de professionele hulpverleningsrelatie. Het gaat dan met name om die beroepen (maatschappelijk werkers, sociaal werkers etc.) waarbij het beroepsgeheim niet wettelijk geregeld is, maar de plicht tot geheimhouding wel degelijk essentieel is in de verhouding met de cliënt. Hoe garandeert de regering de vertrouwelijke positie en de autonome afwegingen van deze professionals? Deze leden vragen de regering ook nadrukkelijk in te gaan op de positie van deze professionals als zij feitelijk in dienst zijn van de gemeente (‘het college’) en de belangentegenstelling en dilemma’s die hierdoor zou kunnen ontstaan.
De regering is het met de leden van de VVD-fractie eens dat de
vertrouwelijkheid en geheimhouding binnen de professionele
hulpverleningsrelatie van essentieel belang zijn.
Als het college op grond van artikel 5.4.2, eerste lid, vraagt om
gegevens te verstrekken voor een onderzoek naar meervoudige
problematiek, zal het college moeten aangeven waarom die gegevens
noodzakelijk zijn. Voor het verstrekken van gegevens die niet
noodzakelijk zijn, is sowieso geen grondslag. De verstrekkende partij
moet daarom ook zelf die noodzaak beoordelen. De uitkomst van die
beoordeling kan bijvoorbeeld zijn dat er wel noodzaak is om enige
gegevens te verstrekken, maar niet alle gegevens die het college vraagt.
Daarnaast toetst iedere partij aan wie op grond van artikel 5.4.2,
eerste lid, gegevens worden gevraagd, of er geen zwaarwegende redenen
zijn die zich tegen verstrekking verzetten. Dit kan de
vertrouwensrelatie met de cliënt zijn, bijvoorbeeld als de hulpverlener
van oordeel is dat de net opgebouwde vertrouwensrelatie met de cliënt
onder druk zou komen te staan en de hulpverlening daardoor (weer) zou
kunnen vastlopen. Dit wetsvoorstel biedt zodoende ook voldoende
waarborgen aan partijen die werken op basis van een beroepscode. Het zal
vaak voldoende zijn om de informatie te verstrekken dat de cliënt bij
een bepaalde hulpverlener komt, zonder dat iets bekend wordt gemaakt
over de inhoudelijke reden dat de cliënt deze hulpverlener bezoekt. Deze
zogenaamde “dat” informatie kan relevant zijn voor het onderzoek naar
meervoudige problematiek, terwijl meer inhoudelijk informatie
(zogenaamde “wat” informatie) vaak niet of in slechts zeer beperkte mate
noodzakelijk is.
Een ander punt dat de leden van de VVD-fractie hier opwerpen, is het zogenaamde “pettenvraagstuk”. Dat is niet nieuw naar aanleiding van de Wams maar speelt ook nu al bij de uitvoering van de wetten in het sociaal domein. Toeleiding naar zorg of ondersteuning en het verlenen van bepaalde zorg of ondersteuning is bij veel gemeenten belegd bij een lokaal team. Het vraagstuk hoe beide rollen goed en op de juiste manier van elkaar gescheiden te vervullen, wordt uiteengezet in een handreiking over het pettenvraagstuk75. Hieraan hebben beroepsorganisaties van professionals in het sociaal domein meegewerkt. Voor professionals die feitelijk in dienst zijn van gemeenten is het met name van belang dat zij weten welke rol en taak (toeleiding naar hulp namens het college of feitelijke hulpverlening) zij uitoefenen en hoe dat zich verhoudt tot een eventueel beroepsgeheim. Alleen dan kunnen zij weten wat er wel en niet kan en mag met betrekking tot het verwerken en uitwisselen van persoonsgegevens. Betrokken organisaties zoals gemeente, wijkteamorganisatie en aanbieders moeten goede afspraken maken over de taken die zij bij de professional neerleggen en de betekenis daarvan voor de gegevensverwerking. De genoemde handreiking over het “pettenvraagstuk” geeft wijkteamorganisaties inzicht in de keuzes die zij kunnen maken en de consequenties van die keuzes voor de gegevensverwerking.
72. De leden van de VVD-fractie lezen dat het in zeer beperkte gevallen niet mogelijk of wenselijk zal zijn om toestemming van een cliënt te verkrijgen terwijl het doorbreken van de geheimhoudingsplicht wel noodzakelijk is. Hiertoe is een aparte regeling opgenomen in het wetsvoorstel. De leden van de VVD-fractie vragen de regering waarom de huidige wettelijke kaders rondom geheimhoudingsplicht niet volstaan.
Het beroepsgeheim is in het kader van toegankelijkheid van zorg een groot goed. De bepalingen in de Wams over gegevensverwerking zijn zo ingericht, dat zowel de partij die bepaalde gegevens vraagt, als de partij die die gegevens verstrekt, moet kunnen onderbouwen dat het om noodzakelijke gegevens gaat.
Professionals zijn nauw betrokken bij hun cliënten en kunnen zodoende
vaak heel goed een inschatting maken van de situatie. Professionals zijn
zich ook zeer bewust van de vertrouwensband die ze met een cliënt hebben
en van de eisen die het beroepsgeheim aan hen stelt. Het college mag op
grond van artikel 5.4.2 vragen om gegevens die onder het beroepsgeheim
vallen, maar moet de noodzakelijkheid van die gegevens kunnen
onderbouwen.
Het is niet voldoende als het college vraagt gegevens te verstrekken,
omdat die nodig zijn voor een onderzoek naar meervoudige problematiek,
die vraag is veel te breed. De onderbouwing van de noodzaak moet gaan
over specifieke gegevens betrekking hebbend op een specifieke
casus.
De professional heeft de plicht om bij een verzoek om informatie een
volledig eigen afweging te maken of en zo ja welke gegevens verstrekt
zouden moeten worden. Die toets op noodzakelijkheid geldt ook als de
cliënt toestemming geeft om gegevens te verstrekken.
Het (medisch) beroepsgeheim is van groot belang voor de vrije
toegankelijkheid van zorg. Omdat de regels rond het beroepsgeheim boven
elke twijfel verheven moeten zijn, en de nu in het wetsvoorstel
opgenomen bepaling daarover te veel vragen oproept, stel ik bij nota van
wijziging een nieuw artikel 5.4.2, tweede lid, voor. De nieuwe tekst van
dit artikel is gebaseerd op artikel 2.29, tweede lid, van de Wet
gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden, die van toepassing is
voor het delen van gegevens in Zorg- en Veiligheidshuizen. In dat
artikel is wel de uitzondering opgenomen om zonder toestemming of
wettelijke plicht gegevens te verstrekken op grond van goed
hulpverlenerschap. Aangezien de Afdeling advisering van de Raad van
State in het advies over de Wams heeft geoordeeld dat dit een criterium
is dat zorgverleners onvoldoende houvast biedt, stel ik voor die
uitzonderingsgrond niet op te nemen in artikel 5.4.2, tweede lid.
Het streven is verder dat de diverse beroepsorganisaties door middel van voorlichting en het zo nodig aanpassen van richtlijnen en handreikingen aan professionals handvatten gaan bieden voor het handelen bij een verzoek om gegevens in verband met een onderzoek naar meervoudige problematiek. Daarbij moet aandacht zijn voor de mogelijkheden om beroep te doen op een vertegenwoordiger, en bij een vraag om gegevens bij ernstige meervoudige problematiek, hoe en met welke collegiale toetsing een goede inschatting kan worden gemaakt van de situatie en als gegevens worden verstrekt, op het inzetten op zo minimaal mogelijk verstrekken van gegevens. Gemeenschappelijke kaders kunnen een individuele hulpverlener helpen om in een specifieke casus tot een afweging te komen. Ditzelfde geldt voor medewerkers van een lokaal team die namens het college onderzoek doen. Ook hier kunnen gemeenschappelijke kaders helpen om tot een bij de casus passend informatieverzoek te komen.
73. Is het niet verstandig is om nu al tenminste centraal de uitwisselingsstandaard (dataset) van gegevens vast te leggen, vragen de leden van de VVD-fractie. De verplichting tot een vast format voorkomt uitwisselingsproblemen in de toekomst. Mocht een vast format al zijn vastgelegd, dan vernemen deze leden graag op welke wijze dat plaatsvindt.
Artikel 5.4.6 van het wetsvoorstel bevat een grondslag om bij of krachtens amvb regels te kunnen stellen over de technische standaarden en beveiligingseisen voor de verwerking van persoonsgegevens in het kader van het onderzoek naar meervoudige problematiek en de gecoördineerde aanpak. In de concept amvb worden op grond hiervan normen voorgeschreven. Deze concept amvb zal op korte termijn in internetconsultatie gaan. Een vast format of dataset zal hierin niet worden geregeld, en dat ligt ook niet in de rede. Kenmerkend voor de aanpak zoals die in de Wams wordt voorgesteld is de volledig casuïstische benadering. Per geval en per stap in het proces wordt vastgesteld welke gegevens noodzakelijk zijn. Een vast format kan in de praktijk gaan leiden tot een invuloefening waarbij meer gegevens worden verwerkt dan noodzakelijk. Zoals in paragraaf 4.1 van de memorie van toelichting – onder verwijzing naar het rapport van de AP over de zelfredzaamheidsmatrix – is dat nu juist niet de bedoeling.
74. Er wordt gesteld dat een college bij een melding niet direct een breed onderzoek mag starten (niet op ‘fishing expedition’). De leden van de D66-fractie constateren dat deze aanpak zich derhalve niet leent voor vroegsignalering en vragen de regering waarom hiervoor is gekozen.
Dit wetsvoorstel regelt nadrukkelijk dat alleen de voor de hulpvraag
noodzakelijke gegevens worden verwerkt en dat die verwerking
proportioneel is. Het leidende principe bij een onderzoek naar
meervoudige problematiek op basis van het voorgestelde artikel 2.3a.1,
is de samenspraak met de cliënt, en indien aan de orde ook met de
vertegenwoordiger en de mantelzorger. Het principe van samenspraak houdt
in dat alleen voor de problemen die de cliënt in het onderzoek wil
betrekken, gegevens kunnen worden verzameld. Hierop duidt de opmerking
in de memorie van toelichting dat naar aanleiding van een hulpvraag geen
“fishing expedition” kan worden gehouden, oftewel dat allerlei
gegevensbestanden worden doorgelicht die niets met de hulpvraag te maken
hebben. Voor een dergelijke ruime gegevensverwerking is geen grondslag.
Op grond van de AVG moet je je beperken tot de gegevens die noodzakelijk
zijn voor het doel. In de memorie van toelichting wordt in dit kader ook
verwezen naar het onderzoek van de Autoriteit Persoonsgegevens naar het
gebruik van zogenaamde zelfredzaamheidsmatrices en een rapport van de
gemeentelijke Ombudsman Rotterdam (p. 91 van de memorie van
toelichting).
Overigens is een zogenaamde “fishing expedition” naar aanleiding van een
hulpvraag iets anders dan vroegsignalering. Bij vroegsignalering is er
geen hulpvraag, maar wordt het bijvoorbeeld door het koppelen van
databestanden mogelijk om te constateren dat iemand misschien in de
problemen gaat komen. De Wams is gericht op het helpen van mensen met
concrete hulpvragen of hulpbehoeften en voorziet daarom niet in
grondslagen voor het koppelen van databestanden,– maar in grondslagen
voor de verwerking van gegevens voor zover dat voor de betreffende casus
noodzakelijk en proportioneel is. Overigens heeft de Wet gemeentelijke
schuldhulpverlening een vroegsignaleringsregeling voor het tijdig
signaleren van huurachterstanden76. Mensen die schulden
hebben, hebben vaak meerdere problemen. Via deze vroegsignalering kunnen
mensen worden gewezen op de mogelijkheden om hulp te vragen bij de
gemeente. Bij mogelijke meervoudige problematiek kunnen deze mensen dan
verder worden geholpen met een onderzoek naar die problematiek en een
gecoördineerde aanpak.
75. De leden van de D66-fractie vragen of proactief toezicht op deze ‘fishing expeditions’ ook wordt belegd bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP).
Zoals toegelicht bij de vorige vraag, zijn “fishing expeditions” op grond van de Wams niet toegestaan. De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) houdt hier toezicht op. De taken en bevoegdheden van de AP zijn geregeld in de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (UAVG). De toezichthoudende taak van de AP ziet zowel op toezicht op naleving van de AVG als op de naleving van
het bepaalde bij of krachtens wetten waarin de verwerking van persoonsgegevens is geregeld. Binnen de kaders van de AVG en de UAVG geeft de AP als onafhankelijke autoriteit zelf invulling aan zijn toezichthoudende taak.
76. De leden van de D66-fractie constateren dat meervoudige problematiek wel in de memorie van toelichting wordt gedefinieerd, maar ‘ernstige meervoudige problematiek’ niet verder wordt gespecificeerd en vraagt hierover duidelijkheid te verschaffen.
De regering is het met de leden van de D66-fractie eens dat het
wenselijk is om duidelijkheid te verschaffen voer het begrip “ernstige
meervoudige problematiek”.
Van het begrip “meervoudige problematiek” geeft het wetsvoorstel in
artikel 1.1.1. een definitie. Van dit begrip is goed een materiele
omschrijving te geven. Bij “ernstige” meervoudige problematiek ligt dat
anders. Of de situatie zodanig ernstig is dat een onderzoek zonder
hulpvraag van de cliënt gerechtvaardigd is, moet worden gewogen aan de
hand van de omstandigheden van het geval. In het voorgestelde artikel
2.3a.4, eerste lid, zijn daarom de voorwaarden opgenomen waaraan de
concrete omstandigheden getoetst moeten worden. Een bij de cliënt
betrokken professional kan bij het college een verzoek doen om een
onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek te starten indien hij
vermoedt:
a. dat sprake is van voortdurende of terugkerende meervoudige
problematiek waarvoor de persoon of personen die het betreft geen of
selectief hulp vragen of accepteren of de hulp die wel wordt aanvaard
niet effectief lijkt, terwijl vanwege de aard of complexiteit van de
problemen maatschappelijke teloorgang of een lage kwaliteit van leven en
welzijn dreigt of al aan de orde is, en
(1) in de omgeving van deze persoon of personen wordt gedurende langere
tijd of telkens opnieuw overlast, hinder of problemen ervaren, of
(2) de veiligheid van personen of goederen is in het geding; en
b. dat een gecoördineerde aanpak kan bijdragen aan het oplossen of
verminderen van de problematiek.
Beide elementen (a en b) moeten bij de indiening van een verzoek worden
onderbouwd, waarbij er met betrekking tot de bijkomende omstandigheden
(sub 1 en 2) ten minste één van beide situaties aannemelijk dient te
worden gemaakt. Onderdeel a bevat de elementen voor de afweging of
mogelijk sprake is van ernstige meervoudige problematiek. Het is lastig
om op basis van deze criteria een begripsomschrijving van “ernstige
meervoudige problematiek” te geven. Omdat het begrip toch regelmatig
wordt gebruikt en het wenselijk is zoveel mogelijk duidelijkheid te
geven over wat ernstige meervoudige problematiek is, wordt bij nota van
wijziging voorgesteld om in artikel 1.1.1 een definitie op te nemen die
verwijst naar de criteria van artikel 2.3a.4, eerste lid, onderdeel
a.
77. De memorie van toelichting stelt dat verzamelde gegevens kunnen worden hergebruikt (verder worden verwerkt) zolang dit noodzakelijk is. De leden van de D66-fractie twijfelen over de noodzakelijkheid hiervan en vragen de regering om dit concreter te maken en deze noodzakelijkheid te onderbouwen.
De door de leden van de D66-fractie bedoelde zinsnede staat op pagina 26 van de memorie van toelichting waar in een aantal punten kort wordt weergegeven wat de regeling voor wat betreft de verwerking van persoonsgegevens behelst. Er staat dat het wetsvoorstel de mogelijkheid biedt om persoonsgegevens waarover het college al beschikt uit hoofde van zijn sociaal domeintaken verder te verwerken indien dat noodzakelijk is, niet zolang dit noodzakelijk is. Voor de bewaartermijn van gegevens is in artikel 5.4.5 een regeling opgenomen. Verderop in de memorie van toelichting wordt de verwerking en waar nodig verdere verwerking van persoonsgegevens nader toegelicht en onderbouwd.
De regels met betrekking tot de gegevensverwerking zijn in dit wetsvoorstel zo vormgegeven dat de verwerking niet omvangrijker is dan nodig. Zo is de gegevensverwerking ten behoeve van het onderzoek losgekoppeld van de gegevensverwerking ten behoeve van de coördinatie, zijn criteria en indicatoren opgenomen waar een situatie aan moet voldoen voordat een onderzoek kan worden gestart, en zijn waarborgen opgenomen ten aanzien van het casusoverleg en het vastleggen en verspreiden van informatie. Hiermee wordt het college op wetsniveau concrete handvatten geboden voor het inrichten van een zorgvuldige procedure in overeenstemming met de AVG en wordt ook voor partijen en cliënten het handelingskader duidelijk. Op die manier wordt invulling gegeven aan de eisen die de AVG stelt aan noodzakelijkheid en proportionaliteit. In paragraaf 6.2.2 van de memorie van toelichting wordt uitvoerig ingegaan op de wijze waarop het wetsvoorstel voldoet aan de eisen die de AVG aan de verwerking van persoonsgegevens stelt en in paragraaf en 6.2.3 wordt nader onderbouwd hoe aan de proportionaliteits- en subsidiariteitseis wordt voldaan.
Voor wat betreft verdere verwerking van gegevens zijn in het wetsvoorstel een aantal bepalingen opgenomen.
Ten behoeve van onderzoek naar meervoudige problematiek is het noodzakelijk in kaart te brengen welke dienstverlening reeds op het sociaal domein of aanpalende domeinen wordt ontvangen of in het verleden is ontvangen en of, en zo ja, welke interventies uit deze domeinen ten aanzien van de cliënt of zijn gezinsleden worden ingezet of in het verleden zijn ingezet. Daarbij blijft ook voor het verder verwerken van beschikbare gegevens de noodzakelijkheidseis overeind. Het enkele feit dat een onderzoek als bedoeld in artikel 2.3a.1, vierde lid, of artikel 2.3a.4, tweede lid, wordt uitgevoerd, vormt geen grondslag om alle bij het college beschikbare gegevens ten behoeve van dit onderzoek te verwerken. Bij een onderzoek op grond van artikel 2.3a.1, eerste lid, geldt dat het onderzoek slechts zover reikt als in samenspraak met de cliënt wordt vastgesteld. Verwerking van gegevens in het kader van onderzoeken op grond van artikel 2.3a.4, is gericht op de ernstige problematiek waarvoor een oplossing wordt gezocht. Dit betekent dat in het concrete geval onderbouwd moet kunnen worden dat inzicht in bepaalde gegevens daaraan bij kan dragen.
Gegevens die het college heeft verwerkt voor een onderzoek als bedoeld in artikel 2.3a.1, vierde lid, of artikel 2.3a.4, tweede lid, kunnen op grond van artikel 5.4.4, eerste lid, ook worden verwerkt voor de verdere uitvoering van deze wet, waaronder het voorstellen van een gecoördineerde aanpak, maar ook het verstrekken van een maatwerkvoorziening. Niet in alle gevallen zal de conclusie van het onderzoek zijn dat een gecoördineerde aanpak nodig is, bijvoorbeeld omdat er in het sociaal domein bij nader inzien toch slechts sprake is van enkelvoudige problematiek en coördinatie met aanpalende terreinen niet noodzakelijk wordt bevonden, of omdat er geen sprake is van samenhang tussen de wenselijke dienstverlening op het sociaal domein die een gecoördineerde aanpak nodig maakt. In die gevallen kan het wel nodig zijn om op grond van een wet uit het sociaal domein of de WI 2021 een bepaalde dienst te verstrekken of een interventie in te zetten. Voor de uitvoering van de desbetreffende wet uit het sociale domein, kunnen dan de gegevens worden gebruikt die in eerste instantie werden verwerkt voor het onderzoek. Dit wordt zo geregeld omdat de verwerking van die gegevens noodzakelijk is om de desbetreffende dienst uit het sociaal domein te kunnen verstrekken en het voor de dienstverlening aan de cliënt wel zo prettig is als hij de daarvoor benodigde gegevens niet opnieuw hoeft te verstrekken.
78. Daarnaast vragen de leden van de D66-fractie of het met dit wetsvoorstel straks mogelijk wordt dat gegevens die zijn verzameld in het kader van een gecoördineerde aanpak worden gebruikt voor aanpalende domeinen, bijvoorbeeld voor fraudebestrijding of schuldenaanpak. Hoe wordt deze zekerheid geborgd binnen dit wetsvoorstel, en is hierbij als optie overwogen om los van de noodzakelijkheid een maximale bewaartermijn te hanteren?
Voor de beantwoording van deze vraag is het goed om eerst stil te
staan bij wat in dit wetsvoorstel wordt verstaan onder “aanpalende
domeinen” en “gecoördineerde aanpak”. In het voorgestelde artikel 1.1.1
zijn de volgende definities opgenomen:
- Gecoördineerde aanpak: een aanpak waarbij de dienstverlening
en interventies van het college en partijen in het sociaal domein en zo
nodig aanpalende domeinen, zo goed mogelijk op elkaar zijn afgestemd en
zo nodig worden bijgesteld, om zodoende de problemen van de cliënt en
betrokken gezinsleden binnen deze domeinen te verminderen of op te
lossen en hen te ondersteunen bij het verbeteren van de zelfredzaamheid
en participatie;
- Aanpalende domeinen: publieke gezondheidszorg, geneeskundige
zorg, langdurige zorg, geestelijke gezondheidszorg, onderwijs, welzijn,
wonen anders dan beschermd wonen op grond van deze wet, werk of ander
inkomen, met uitzondering van inkomen op grond van de Participatiewet,
inburgering, en openbare orde en veiligheid. Partijen die een dienst
verrichten uit een aanpalend domein mogen persoonsgegevens verwerken als
dat noodzakelijk is om bij te kunnen dragen aan het onderzoek naar
meervoudige problematiek (artikel 5.4.2, zesde lid), voor de bespreking
in en het doel van het casusoverleg (artikel 5.4.3, eerste lid), voor de
uitoefening van de eigen taken in het kader van de gecoördineerde aanpak
(artikel 5.4.3, vierde lid) en voor de bijdrage aan de gecoördineerde
aanpak (5.4.4, vijfde lid).
De leden van de D66-fractie noemen twee voorbeelden: fraudebestrijding
en schuldhulpverlening. Fraudebestrijding is geen aanpalend domein,
zoals gedefinieerd in artikel 1.1.1. Het wetsvoorstel bevat geen
grondslag om voor dat doel gegevens verder te verwerken.
Schuldhulpverlening is onderdeel van het sociaal domein zoals
gedefinieerd in artikel 1.1.1 van dit wetsvoorstel. Als
schuldhulpverlening wordt overwogen, kunnen de noodzakelijke
persoonsgegevens worden gebruikt om schulphulp te geven (artikel 2.3a.1,
zesde lid en 5.4.4, eerste lid). De Wams staat voor dat doel het verder
verwerken toe, zodat cliënten (en betrokken partijen) niet opnieuw
gegevens voor schuldhulpverlening hoeven te verstrekken. De leden van de
D66-fractie vragen verder hoe is geborgd in het wetsvoorstel dat
persoonsgegevens voor aanpalende domeinen worden gebruikt. Dat is
geborgd door in lijn met de AVG expliciet in het wetsvoorstel te regelen
welke verwerkingen van persoonsgegevens zijn toegestaan en door welke
partijen. De maximale bewaartermijn van de gegevens na een onderzoek of
na een gecoördineerde aanpak, is twee jaar na afronding. Dit is
vastgelegd in artikel 5.4.5 van het wetsvoorstel.
79. Kan de regering ook verduidelijken wat er gebeurt als een cliënt verhuist van de ene gemeente naar de andere? Er lijkt in dit wetsvoorstel geen ruimte om een onderzoek en gecoördineerde aanpak van het ene college naar het andere over te dragen. De leden van de D66-fractie vragen de regering of hiervoor bijvoorbeeld een samenloopregeling kan worden overwogen. Zeker in gevallen wanneer het ene college verantwoordelijk is voor beschermd wonen van een cliënt en een ander college voor Wmo 2015-ondersteuning is dit relevant. Kan daarbij ook nader ingegaan worden op de precieze verantwoordelijkheden indien taken belegd zijn bij (verschillende) samenwerkingsverbanden, gemeenschappelijke regelingen of centrumgemeenten? Blijven de verantwoordelijkheden dan altijd bij het college
waar de persoon woont en hoe verhoudt zich dat tot de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van andere gemeenten die betrokken zijn binnen de taakuitvoering?
Artikel 2.6.1 van de Wmo 2015 bepaalt dat de colleges met elkaar samenwerken indien dat voor een doeltreffende en doelmatige uitvoering van deze wet aangewezen is. Dat geldt dus ook voor de regels van de Wams die in de Wmo 2015 worden opgenomen.
Het college dat verantwoordelijk is voor de gecoördineerde aanpak kan bijvoorbeeld via een centrumgemeente opvang en beschermd wonen regelen, zoals ook genoemd door de leden van de D66-fractie. Deze voorzieningen hoeven niet per se in elke gemeente ter plaatse te worden geboden. Gemeenten werken hiertoe samen op grond van het eerder genoemde artikel 2.6.1 van de Wmo 2015.
Binnen de context van de Wams is dat niet anders. Gemeenten zijn op grond van de Wmo 2015 verantwoordelijk voor hun eigen ingezetenen. Artikel 1.2.1 Wmo 2015 bepaalt tevens dat elke gemeente aan daarvoor in aanmerking komende personen (die zich tot de gemeente hebben gewend en een positieve beslissing op hun aanvraag hebben gekregen) opvang en beschermd wonen moet verstrekken.
In de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening is geregeld dat de
gemeente ervoor kan kiezen in bijzondere omstandigheden
schuldhulpverlening te geven aan een persoon die geen inwoner is
(artikel 3, vijfde lid, Wgs). Als iemand loonkostensubsidie ontvangt op
grond van de Participatiewet en verhuist, blijft de loonkostensubsidie
doorlopen gedurende de dienstbetrekking (artikel 10d, tiende lid,
Participatiewet). Colleges zullen dus ook in het kader van de aanpak van
meervoudige problematiek, zoals voorgesteld in de Wams, soms moeten
samenwerken.
Een verhuizing hoeft niet te betekenen dat de gecoördineerde aanpak
vervalt. In overleg met het college van de gemeente waar naartoe wordt
verhuisd, kan worden gekozen om de gecoördineerde aanpak af te maken met
andere partijen. Een en ander hangt af van de omstandigheden, de aard
van de problematiek en of sprake is van afhankelijkheid van lokale
voorzieningen of niet. Soms zal het beter zijn om bij het college van de
nieuwe gemeente opnieuw hulp te vragen. Gegevens over de lopende
gecoördineerde aanpak of eerder verstrekte diensten uit het sociaal
domein kunnen worden verstrekt aan de nieuwe gemeente, op basis van het
feit dat beide colleges dezelfde wettelijke bevoegdheden hebben. Om te
voorkomen dat hierover onduidelijkheid zou ontstaan, stel ik naar
aanleiding van deze vraag bij nota van wijziging voor om de overdracht
van gegevens expliciet te regelen in artikel 5.4.4.
Artikel 30 van de Wet gemeenschappelijke regelingen (hierna: Wgr) biedt het college de mogelijkheid om bevoegdheden aan een gemeenschappelijke regeling over te dragen77. Artikel 8c van de Participatiewet bevat daarover een expliciete bepaling. Artikel 30 van de Wgr biedt relatief veel ruimte om bevoegdheden over te dragen; er zijn slechts enkele bevoegdheden genoemd die niet kunnen worden overgedragen (bijvoorbeeld bepaalde vormen van belastingheffing). Indien het in de praktijk wenselijk wordt gevonden om de bevoegdheden uit dit wetsvoorstel aan een gemeenschappelijke regeling over te dragen, is dit dus mogelijk. Dat vergt dan wel een actieve overdracht van de bevoegdheid. Gemeenten die werken met een gemeenschappelijke regeling voor één of meer wetten uit het sociaal domein, zullen zelf moeten beoordelen en regelen, of en hoe de regeling van de Wams hierin wordt opgenomen. Het bestuur van de gemeenschappelijke regeling wordt in de concept amvb bij de Wams aangewezen als partij die kan deelnemen aan onderzoeken naar meervoudige problematiek en de gecoördineerde aanpak.
Dit conceptlijst met partijen is als bijlage bij deze nota naar aanleiding van het verslag gevoegd. De concept amvb gaat naar verwachting binnenkort in consultatie.
80. Met dit wetsvoorstel wordt een doorbreking van het beroepsgeheim mogelijk gemaakt. In de memorie van toelichting wordt beschreven dat dit zoveel mogelijk met toestemming van de cliënt gebeurt, maar dat dit in zeer beperkte gevallen niet mogelijk zal zijn. De leden van de D66-fractie vragen de regering te reflecteren op de stelling dat het gegeven dat gegevens die nu onder het beroepsgeheim vallen straks met gemeenten of andere partijen gedeeld kunnen worden, mogelijk zorgt voor het mijden van zorg door een kwetsbare doelgroep.
Het medisch beroepsgeheim beschermt onder meer een algemeen belang,
namelijk de vrije toegang tot de gezondheidszorg. Het beroepsgeheim is
ervoor bedoeld dat iedereen de hulp van een zorgverlener kan inroepen,
zonder angst dat gevoelige informatie beschikbaar komt bij derden. Ook
heeft het beroepsgeheim tot doel dat het maatschappelijke risico op
zorgmijders en op patiënten die zorgverleners niet alle relevante
informatie durven te geven, zo klein mogelijk blijft. Het beroepsgeheim
is er dus voor individuen, maar ook voor de maatschappij in zijn geheel
en richt zich op de relatie van patiënten met individuele
beroepsbeoefenaren.
Het beroepsgeheim is niet absoluut. Hoewel grote terughoudendheid met
betrekking tot het doorbreken van het beroepsgeheim noodzakelijk is,
kunnen andere belangen soms prevaleren. Zo bestaan er diverse wettelijke
doorbrekingsgronden voor het beroepsgeheim. Bijvoorbeeld voor het melden
van bepaalde infectieziekten bij de GGD of voor het verstrekken van
gegevens aan zorgverzekeraars voor declaraties of controle. Een ander
voorbeeld is artikel 7.3.1, vierde lid, van de Jeugdwet op grond waarvan
professionals met een beroepsgeheim kortgezegd informatie over een onder
toezicht gestelde minderjarige die noodzakelijk is voor de uitvoering
van de ondertoezichtstelling aan de GI moeten verstrekken. In artikel
5.2.6 van de Wmo 2015 is geregeld dat inlichtingen, die noodzakelijk
kunnen worden geacht om een situatie van huiselijk geweld of
kindermishandeling te beëindigen of een redelijk vermoeden daarvan te
onderzoeken door professionals met een beroepsgeheim, aan Veilig Thuis
kunnen worden verstrekt.
Het is moeilijk vast te stellen of deze gronden voor de doorbreking van
het beroepsgeheim bijdragen aan zorgmijdend gedrag. Voor al deze
wettelijke verstrekkingsgronden is een zorgvuldige afweging gemaakt dat
in die situaties het beroepsgeheim niet altijd onverkort kan
gelden.
De regering is het met de leden van de D66-fractie eens dat bij iedere
doorbrekingsgrond zorgvuldig moet worden afgewogen of verstrekking
zonder toestemming van de cliënt in verhouding staat tot het risico van
extra zorgmijdend gedrag. De voorgestelde regeling van artikel 2.3a.4
voor onderzoek bij ernstige meervoudige problematiek is er juist op
gericht om deze mensen eerder en beter te kunnen helpen. Het mijden van
zorg is vaak niet een heel bewuste keuze. Vaker gaat het om mensen die
de grip zijn kwijtgeraakt, de problemen niet meer overzien en van
daaruit zich terug hebben getrokken. Om deze mensen te kunnen helpen is
een zorgvuldige benadering nodig waarbij de afweging of in de specifieke
situatie van een bepaalde persoon het noodzakelijk is om ten behoeve van
een onderzoek naar meervoudige problematiek gegevens te verstrekken, en
zo ja, welke gegevens dan noodzakelijk zijn, bij de zorgprofessional
ligt. Daarbij staat het vragen van uitdrukkelijke toestemming altijd
voorop, zo mogelijk ook in overleg met de vertegenwoordiger van een
cliënt. Zorgvuldigheid is geboden omdat juist bij mensen met ernstige
meervoudige problematiek het risico op zorg mijden groot is. Gelet op de
diverse bezwaren die zijn geuit bij de gronden in artikel 5.4.2, tweede
lid, om toch gegevens te kunnen verstrekken zonder toestemming in geval
van ernstige meervoudige problematiek, en het grote belang dat ik hecht
aan het medisch beroepsgeheim, stel ik bij nota van wijziging een nieuwe
bepaling voor. Voor deze nieuwe formulering van artikel 5.4.2, tweede
lid, is aangesloten bij de formulering zoals die is opgenomen in artikel
2.29, tweede lid, van de Wet gegevensverwerking door
samenwerkingsverbanden78, die van toepassing is voor het
delen van gegevens in Zorg- en Veiligheidshuizen. In dat artikel is wel
de uitzondering opgenomen om zonder toestemming of wettelijke plicht
gegevens te verstrekken op grond van goed hulpverlenerschap. Aangezien
de Afdeling advisering van de Raad van State in het advies over de Wams
heeft geoordeeld dat dit een criterium is dat zorgverleners onvoldoende
houvast biedt, stel ik voor die uitzonderingsgrond niet op te nemen in
artikel 5.4.2, tweede lid.
81. De leden van de D66-fractie vragen de regering of er onderbouwd kan worden waarom het huidige juridische kader voor het verstrekken van gegevens aan een derde door zorgverleners met een beroepsgeheim op dit moment niet toereikend genoeg is? In hoeverre draagt dit onderdeel (artikel 5.4.2) mee aan de rechtmatigheid en doelmatigheid van deze wet? In een eerdere versie van dit wetsvoorstel werd beargumenteerd dat verstrekking van gegevens zonder uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene als dit naar het oordeel van de verstrekkende partij noodzakelijk was uit het oogpunt van ‘goed hulpverlenerschap’. De leden van de D66-fractie vragen de regering om deze redenatie (artikel 5.4.2 lid 2) verder te expliciteren.
Het medisch beroepsgeheim is een groot goed uit het oogpunt van de
vrije toegankelijkheid van zorg. Ook in dit wetsvoorstel staat het
vragen van toestemming voor doorbreking van het beroepsgeheim centraal.
Dit moet volstrekt duidelijk zijn. In het antwoord op de vorige vraag
heb ik aangegeven bij nota van wijziging een nieuwe formulering van
artikel 5.4.2, tweede lid, voor te stellen.
In deze formulering is volstrekt duidelijk dat bij de eventuele
verstrekking van gegevens, verstrekking op basis van uitdrukkelijke
toestemming voorop staat tenzij verstrekking op basis van een wettelijk
voorschrift van toepassing is, zoals artikel 7.4.0, tweede en derde lid,
van de Jeugdwet of artikel 5.2.2 van de Wmo 2015.
Bij een onderzoek naar meervoudige problematiek, of ernstige meervoudige
problematiek, zullen noodzakelijke gegevens van een zorgverlener of
jeugdhulpverlener dus ofwel na toestemming van de cliënt kunnen worden
verstrekt, ofwel op basis van een wettelijke verstrekkingsgrond. Als de
cliënt een vertegenwoordiger heeft, kan aan de vertegenwoordiger
toestemming worden gevraagd. Als toestemming wordt gegeven, is het nog
steeds de afweging van de professional of het in het belang van de
cliënt is om gegevens te verstrekken én welke gegevens dan noodzakelijk
zijn voor het onderzoek door het college.
De casuïstische en gefaseerde aanpak van de Wams dragen samen met de bepalingen waarin de voorwaarden voor gegevensverwerking zijn opgenomen, bij aan de rechtmatigheid en doelmatigheid van dit wetsvoorstel. Artikel 5.4.2, tweede lid, is hier een klein maar belangrijk onderdeel van, omdat voor iedereen duidelijk moet zijn onder welke voorwaarden hulpverleners met een wettelijk beroepsgeheim, gegevens over hun cliënt kunnen delen. Dit vergroot zowel de rechtmatigheid als doelmatigheid om goede en gecoördineerde hulp op gang te kunnen brengen.
De Afdeling advisering van de Raad van State oordeelde in zijn advies dat enkel het criterium van goed hulpverlenerschap om te beoordelen of het beroepsgeheim zou kunnen worden doorbroken, aan hulpverleners onvoldoende houvast geeft. Het nu bij nota van wijziging voorgestelde artikel 5.4.2, tweede lid, maakt het niet mogelijk dat gegevens zonder toestemming worden verstrekt, enkel op het oordeel dat verstrekking noodzakelijk is uit het oogpunt van goed hulpverlenerschap. Vanwege het grote belang van het medisch beroepsgeheim, stel ik ook geen andere criteria voor om het beroepsgeheim te kunnen doorbreken.
82. Binnen het wetsvoorstel wordt de coördinator verschillende belangrijke taken toebedeeld, zoals het initiëren en verslagleggen van een casus-overleg. In hoeverre worden hier middelen aan gekoppeld als de coördinator niet werkzaam is binnen de gemeente?
Gemeenten hebben diverse mogelijkheden om een coördinator te faciliteren. Voor de implementatie van de Wams worden handreikingen en voorbeelden van werkprocessen aangeboden. Gemeenten kunnen de hieraan verbonden materialen aan coördinatoren beschikbaar stellen. Ook kunnen gemeenten een beveiligde ICT-omgeving bieden voor het uitoefenen van de coördinatie- taken. Bij de implementatie van het voorstel wordt bij gemeenten in meer detail hoe een en ander lokaal het beste kan worden ingericht. Specifiek voor de Wams zijn middelen gereserveerd voor de uitvoering. In 2021 is hiervoor 45 miljoen voor gemeenten via het Gemeentefonds ter beschikking gesteld. Door middel van handreikingen en voorbeelden van werkprocessen zullen gemeenten en aanpalende organisaties worden ondersteund in de implementatie van de Wams.
Binnen het project Dwars door domeinen werken Divosa, gemeenten en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) aan het oplossen van knelpunten bij domeinoverstijgende dienstverlening aan kwetsbare inwoners. De opgedane kennis uit dit lerend stelsel worden in de vorm van bouwstenen voor integrale dienstverlening gedeeld met andere gemeenten.79
83. De leden van de D66-fractie vragen of een ‘partij’ (of individu) ook mag weigeren om als coördinator te worden aangesteld?
Het college is op grond van het voorgestelde artikel 2.3a.3, eerste lid, verantwoordelijk voor het aanstellen van een coördinator die deze taak naar behoren kan vervullen. Daarbij past niet aan iemand deze taak toe te delen die er niet toe bereid is.
84. De leden van de D66-fractie vragen de regering hoe de onafhankelijkheid van de coördinator geborgd blijft wanneer de coördinator mogelijk werkzaam is bij een belanghebbende partij?
De coördinator is niet degene die bepaalt voor welke hulp en ondersteuning iemand in aanmerking komt. De optimale zorg- en hulpverlening wordt door het college met de betrokken partijen besproken bij het onderzoek naar meervoudige problematiek. De uitkomst daarvan is een voorstel voor een gecoördineerde aanpak op basis waarvan de cliënten en de betrokken partijen verder kunnen werken. Bij de start van de gecoördineerde aanpak wordt een coördinator aangewezen. De coördinator monitort de voortgang van de afgesproken diensten, hulp en eventuele interventies, stelt vast of nadere afstemming nodig is en maakt daarover zo nodig afspraken tussen betrokken partijen. Deze coördinerende taak zal niet perse beter worden vervuld door iemand die verder niet is betrokken bij de hulpverlening. Een medewerker van het lokale team of een hulpverlener die al betrokken is bij de cliënt of het gezin, kent de mensen en de problematiek goed en hebben vaak al het vertrouwen van de cliënt. Dit maakt het voor veel cliënten prettiger en overzichtelijker dan dat ze te maken krijgen met een voor hen onbekende coördinator. De coördinator oefent zijn taak uit in samenspraak met de cliënt en eventueel de vertegenwoordiger van de cliënt en handelt daarbij in het belang van goede hulpverlening aan de cliënt. Als er knelpunten zijn in de gecoördineerde aanpak, stelt de coördinator het college daarvan op de hoogte. Het kader voor het professioneel handelen van de coördinator is vastgelegd in artikel 2.3a.3, derde tot en met vijfde lid.
85. De leden van de D66-fractie constateren dat in de paragraaf 4.5 van de memorie van toelichting wordt vermeld dat de burgemeester gegevens die zijn verzameld in het kader van een onderzoek kan gebruiken voor taken in het kader van bijvoorbeeld de openbare orde, zoals wanneer er ernstig overlast wordt
gemeld door een wijkagent. Genoemde leden vragen de regering in hoeverre deze bepaling in overeenstemming is met de AVG, aangezien gegevens voor andere doeleinden worden gebruikt dan waarvoor ze zijn verzameld.
De aangehaalde paragraaf betreft een toelichting op de aanpalende
domeinen en hoe partijen uit deze domeinen betrokken kunnen zijn bij een
onderzoek naar meervoudige problematiek, hoe zij kunnen verzoeken om een
onderzoek bij mogelijk ernstige meervoudige problematiek en hoe zij deel
kunnen zijn van het verlenen van diensten of het doen van interventies
als onderdeel van een gecoördineerde aanpak. In die context wordt in de
desbetreffende paragraaf de wijkagent genoemd die zorgen of overlast
meldt bij het college naar aanleiding van herhaalde bemoeienis met een
huishouden.
De verwerking en verstrekking van persoonsgegevens wordt in
overeenstemming met het bepaalde in de AVG, in het wetsvoorstel geregeld
in hoofdstuk 5 paragraaf 4. Welke verwerking en verstrekking van
gegevens uit het onderzoek zijn toegestaan voor de fase van de
gecoördineerde aanpak of wanneer verdere verwerking is toegestaan als er
geen gecoördineerde aanpak komt, is geregeld in artikel 5.4.4.
Artikel 5.4.4, eerste lid, onderdeel a, geeft de grondslag om de
gegevens uit een onderzoek naar meervoudige problematiek verder te
verwerken voor het verstrekken van diensten uit het sociaal domein en
artikel 5.4.4, eerste lid, onderdeel b, geeft een grondslag voor het
verstrekken van de gegevens uit het onderzoek naar meervoudige
problematiek voor de uitoefening van bepaalde specifieke taken die bij
wet aan de burgemeester zijn toebedeeld.
Niet in alle gevallen zal de conclusie van het onderzoek zal zijn dat
een gecoördineerde aanpak nodig is, bijvoorbeeld omdat er in het sociaal
domein bij nader inzien toch slechts sprake is van enkelvoudige
problematiek, of omdat er geen sprake is van samenhang tussen de
wenselijke dienstverlening op het sociaal domein en eventueel aanpalende
domeinen, die een gecoördineerde aanpak nodig maakt. In die gevallen,
maar ook als het wel tot een gecoördineerde aanpak komt, is het
noodzakelijk dat het college de gegevens uit het onderzoek verder mag
verwerken om op grond van een wet uit het sociaal domein of de WI 2021
een bepaalde dienst te verstrekken, of op grond van de Jeugdwet of de WI
2021 een noodzakelijke interventie te doen. Dit is ook efficiënt en
prettig voor de cliënt die dan niet telkens op nieuw de relevante
gegevens hoeft te verstrekken.
In een enkel geval kan het ook nodig zijn dat aan de burgemeester
gegevens worden verstrekt ten behoeve van het handhaven van de openbare
orde of in het kader van een crisismaatregel op grond van de Wet
verplichte ggz of een crisisaanpak in het kader van de Wzd. Dit kan als
aanpalend domein onderdeel zijn van een gecoördineerde aanpak, maar soms
zal het gelet op de omstandigheden ook passend zijn dat de burgemeester
een bevoegdheid inzet, terwijl geen gecoördineerde aanpak tot stand
komt. Voor doelen die niet worden genoemd in artikel 5.4.4, eerste lid,
onderdeel b, mogen geen gegevens worden verstrekt.
Ook bij verdere verwerking die op grond van artikel 5.4.4 eerste lid, is
toegestaan, geldt de eis dat de verwerking van die gegevens noodzakelijk
moet zijn. Dat betekent dat het college alleen gegevens uit het
onderzoek aan de burgemeester mag verstrekken als hier de reële noodzaak
tot het nemen van een crisismaatregel of handhaving van de openbare orde
lijkt te zijn. Of de burgemeester daadwerkelijk een van zijn genoemde
bevoegdheden inzet, is ter beoordeling van de burgemeester zelf. Op
grond van artikel 6, aanhef en vierde lid, AVG is dit mogelijk ter
waarborging van een van de in artikel 23, eerste lid, AVG bedoelde
doelstellingen, in dit geval de bescherming van de betrokkene of van de
rechten en vrijheden van anderen (onderdeel i).
86. De AVG voorziet de betrokkenen van rechten (zoals het recht op inzage, recht op correctie, recht op wissing en recht op verzet). In sommige gevallen wordt besloten om de betrokkene niet op de hoogte te stellen van een onderzoek ofwel aanpak. De leden van de D66-fractie vragen de regering of deze geheimhouding het resultaat ten goede komt, als er ook een onderzoek gestart kan worden waar de betrokkene niet mee hoeft in te stemmen.
Het klopt inderdaad dat betrokkenen (cliënten) rechten hebben op
grond van de AVG en daarover geïnformeerd dienen te worden. Het
wetsvoorstel maakt een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek
mogelijk. Met dit onderzoek stemt de betrokkene inderdaad niet vooraf
in.
Maar ook bij dit onderzoek, op grond van artikel 2.3a.4, wordt de cliënt
en, indien deze er zijn, zo nodig hun vertegenwoordigers en
mantelzorgers over het uitvoeren van een onderzoek op de hoogte gesteld.
Artikel 2.3a.4, derde lid, regelt daarnaast dat de cliënt zo mogelijk
bij het uitvoeren van het onderzoek betrokken wordt. Betrokkenheid is
dus het uitgangspunt maar er zijn situaties denkbaar dat die
betrokkenheid het onderzoek niet ten goede zal komen, bijvoorbeeld als
het gaat om iemand waarvan bekend is dat hij tot dusver alle hulp
weigert, of als het iemand betreft die erg verward is. In dat laatste
geval kan mogelijk wel een vertegenwoordiger of mantelzorger worden
betrokken. Bij een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek is
dus zeker geen sprake van geheimhouding en kan een client of zijn
vertegenwoordiger de rechten die op grond van de AVG gelden, blijven
uitoefenen.
Het onderzoek naar (ernstige) meervoudige problematiek moet worden
onderscheiden van de mogelijk daarop volgende gecoördineerde aanpak. De
gecoördineerde aanpak bestaat uit op elkaar afgestemde diensten, hulp en
interventies. Een gecoördineerde aanpak kan alleen worden gestart als de
cliënt de voorgestelde aanpak met de daarin opgenomen hulp, diensten en
interventies, aanvaardt. Het belang van een onderzoek bij ernstige
meervoudige problematiek is vooral gelegen in de mogelijkheid dat
diverse bij de cliënt betrokken of nog te betrekken partijen met elkaar
tot een betere afstemming kunnen komen van hun inzet naar de cliënt toe
en voorkomen wordt dat partijen afzonderlijk van elkaar acties
ondernemen die daardoor minder effectief zijn of elkaar zelfs
tegenwerken. Partijen kunnen dan ook afspraken maken wie de cliënt als
eerste benadert en welke partijen bijvoorbeeld eerst even pas op de
plaats moeten maken. Ook kunnen de betrokken partijen een casusoverleg
voeren als blijkt dat de cliënt maar een deel van de voorgestelde hulp
aanvaard om zo verder af te stemmen wat dit betekent voor de inzet van
de verschillende partijen. Dit alles met als doel de problemen van de
cliënt te verminderen en zo mogelijk op te lossen.
87. De leden van de D66-fractie vragen de regering in hoeverre de coördinator berust is op de rol van verwerkingsverantwoordelijke en of deze verantwoordelijkheid weer terugvalt onder het college wanneer de coördinator de gecoördineerde aanpak terug overdraagt.
De regels voor verwerking van persoonsgegevens door een coördinator,
zijn vastgelegd in het voorgestelde artikel 5.4.4, tweede tot en met
vijfde lid. De partij of het college waarvoor de coördinator werkzaam
is, is verwerkingsverantwoordelijke. De verwerkingsverantwoordelijke
moet zorgen dat gegevens worden verwerkt in een systeem dat voldoet aan
de beveiligingseisen en waarin dossiers met betrekking tot de inhoud van
hulpverlening en met betrekking tot de coördinatie van elkaar gescheiden
zijn. De organisatie waar de coördinator werkzaam is – of dat nu de
gemeente is of een hulpverlenende partij – moet ook voor andere taken
dan de coördinatietaken zijn toegerust om te voldoen aan de eisen die
rusten op een verwerkingsverantwoordelijke op grond van de AVG. Iemand
die optreedt als coördinator zal dus ook al uit ander hoofde toegerust
moeten zijn op de rol van verwerkingsverantwoordelijke.
Als de gecoördineerde aanpak wordt beëindigd worden alle gegevens die
zijn verwerkt bij de uitoefening van de coördinatietaak op grond van
artikel 5.4.4, zevende lid, overgedragen aan het college. Vanaf dat
moment is het college conform de AVG weer
verwerkingsverantwoordelijke.
88. In het kader van ‘één gezin, één plan, één regisseur’, waarbij het onderzoek naar gecoördineerde aanpak zich niet alleen moet kunnen uitstrekken naar de problematiek van de cliënt, maar ook naar eventuele problemen bij diens gezinsleden, vragen de leden van de PVV-fractie de regering of elke van de gezinsleden toestemming moeten geven voor het onderzoek en het delen van gegevens.
Het is inderdaad zo dat bij meervoudige problematiek de problemen
betrekking kunnen hebben op meer dan één van de gezinsleden. De regels
voor de verwerking van persoonsgegevens in de fase van een onderzoek
naar meervoudige problematiek en in de fase van een gecoördineerde
aanpak in de Wams gelden voor alle cliënten die betrokken zijn in het
onderzoek. In de definitie van cliënt zoals die is opgenomen in dit
wetsvoorstel staat dat een gezinslid die ermee instemt dat een onderzoek
op grond van artikel 2.3a.1 ook hem betreft, als cliënt wordt
aangemerkt. Het onderzoek kan op die manier meerdere mensen binnen een
gezin betreffen, waarbij dan op elk van die personen de in dit
wetsvoorstel opgenomen regels voor de verwerking van persoonsgegevens
gelden.
Voor wat betreft minderjarigen is geen speciale regeling omtrent
meebeslissen of zelf beslissen opgenomen en gelden de normale regels
omtrent gezagsuitoefening bij minderjarigen zoals opgenomen in boek 1
van het BW. In de praktijk zal dit betekenen dat in overleg met de
gezinsleden en afhankelijk van de problematiek die er speelt, wordt
bepaald wie als cliënt zal deelnemen aan het onderzoek. Als het
onderzoek leidt tot voorstellen voor het verlenen van hulp of diensten
ten aanzien van een minderjarige, gelden daarbij de bestaande wettelijke
regels met betrekking tot instemming met die hulp. Als een voorstel tot
jeugdhulp wordt gedaan gelden zodoende de regels van artikel 7.3.4 en
7.3.5 van de Jeugdwet. Dit betekent dat een kind vanaf 16 jaar zelf
beslist of het jeugdhulp wil ontvangen en een kind tussen de 12 en 16
jaar samen met zijn ouders beslist.
89. Wat is de definitie van ernstige problematiek, vragen de leden van de PVV-fractie, en waarom is deze definitie niet in dit wetsvoorstel opgenomen?
Het is lastig om een definitie te geven van “ernstige” meervoudige
problematiek , omdat het gaat om een beoordeling op basis van de
omstandigheden. Naar aanleiding van de vraag van de leden van de
PVV-fractie, stel ik bij nota van wijziging voor toch een definitie op
te nemen waarin wordt verwezen naar de criteria voor ernstige
meervoudige problematiek die zijn opgenomen in artikel 2.3a.4, eerste
lid.
Het begrip “meervoudige problematiek” wordt in artikel 1.1.1.
gedefinieerd. Van dit begrip is goed een materiele omschrijving te
geven. Of de situatie zodanig ernstig is dat een onderzoek zonder
hulpvraag van de cliënt gerechtvaardigd is, moet worden gewogen aan de
hand van de omstandigheden van het geval. In het voorgestelde artikel
2.3a.4, eerste lid, zijn daarom de voorwaarden opgenomen waaraan de
concrete omstandigheden getoetst moeten worden. Een bij de cliënt
betrokken professional kan bij het college een verzoek doen om een
onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek te starten indien hij
vermoedt:
a. dat sprake is van voortdurende of terugkerende meervoudige
problematiek waarvoor de persoon of personen die het betreft geen of
selectief hulp vragen of accepteren of de hulp die wel wordt aanvaard
niet effectief lijkt, terwijl vanwege de aard of complexiteit van de
problemen maatschappelijke teloorgang of een lage kwaliteit van leven en
welzijn dreigt of al aan de orde is, en
(1) in de omgeving van deze persoon of personen wordt gedurende langere
tijd of telkens opnieuw overlast, hinder of problemen ervaren, of
(2) de veiligheid van personen of goederen is in het geding; en
b. dat een gecoördineerde aanpak kan bijdragen aan het oplossen of
verminderen van de problematiek.
Beide elementen (a. en b.) moeten bij een verzoek worden onderbouwd,
waarbij er met betrekking tot de bijkomende omstandigheden (sub 1 en 2)
ten minste één van beide situaties aannemelijk dient te worden gemaakt.
Op basis van onderdeel a wordt bepaald of sprake is van (waarschijnlijk)
ernstige meervoudige problematiek. Het is lastig om op basis van deze
criteria een begripsomschrijving van “ernstige meervoudige problematiek”
te geven, maar een definitie in artikel 1.1.1 die naar deze criteria
verwijst, maakt in ieder geval duidelijk dat niet “zomaar” kan worden
bepaald of meervoudige problematiek ernstig is.
90. Bij ernstige problematiek is het mogelijk een onderzoek in te stellen zonder toestemming. De leden van de PVV-fractie vragen op welke manier het delen van gegevens bij ernstige problematiek op dit moment geregeld is. Op welke manier is het delen van gegevens bij ernstige problematiek na invoering van de WGS geregeld? Op welke manier is het delen van gegevens geregeld in het gedwongen kader zoals gesloten jeugdhulp, jeugdbeschermingsmaatregelen, jeugdreclassering, verplichte ggz en zorg en dwang op dit moment geregeld?
Het verwerken en eventueel delen van gegevens bij ernstige
problematiek is op dit moment in verschillende materiewetten geregeld.
Hierdoor is het niet altijd goed mogelijk om af te stemmen met andere
partijen om zo escalatie van de problematiek te kunnen voorkomen.
De Wvggz en de Wzd bevatten de regels voor het geven van verplichte
zorg. In deze wetten is geregeld dat bij de gedwongen zorg betrokken
partijen die in beide wetten specifiek genoemd worden, zoals de
zorgverantwoordelijke en de burgemeester, elkaar limitatief opgesomde
persoonsgegevens verstrekken ter uitvoering van hun taken op grond van
die wetten. Afhankelijk van de taak kan het gaan om gegevens over de
gezondheid, politiegegevens, of strafvorderlijke en justitiële gegevens.
Ook bieden deze wetten een grondslag aan betrokken partijen om gegevens
aan elkaar te verstrekken voor zover dat strikt noodzakelijk is ter
voorkoming of beperking van ernstig nadeel en voor zover dit hoort bij
de uitoefening van ieders taak op grond van deze wetten. Verder is in
zowel de Wvggz als de Wzd opgenomen dat de zorgaanbieder eens in de zes
maanden een digitaal overzicht van registratiegegevens en een analyse
daarvan over de verleende verplichte zorg aan de IGJ ter beschikking
stelt ten behoeve van het toezicht. Ten slotte is in de Wvggz opgenomen
dat de officier van justitie, het college van burgemeester en wethouders
en de geneesheer-directeur periodiek regio-overleg voeren over het
aanbod van verplichte zorg.
In de Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden80
(WGS) wordt onder meer de gegevensdeling geregeld door Zorg- en
Veiligheidshuizen waar wordt samengewerkt tussen partijen die betrokken
zijn bij strafrechtelijke en bestuursrechtelijke handhaving, en
begeleiding en zorg- en hulpverlening. Een Zorg- en Veiligheidshuis is
gericht op het voorkomen, verminderen en bestrijden van criminaliteit en
ernstige overlast en het voorkomen en verminderen van onveilige
situaties voor personen of binnen een gebied. De WGS stelt de Zorg- en
Veiligheidshuizen in als samenwerkingsverband waarbinnen – volgens de
regels zoals de WGS die stelt – door de deelnemers gezamenlijk gegevens
worden verwerkt, om een zo compleet beeld te krijgen en tot een
multidisciplinaire aanpak te komen. In de WGS is vastgelegd wie de
deelnemers aan het samenwerkingsverband zijn.
In artikel 7.4.0 van de Jeugdwet is de verstrekking van gegevens ten
behoeve van het doen van onderzoek door de raad voor de
kinderbescherming of de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen of
jeugdreclassering geregeld. Daarbij regelt paragraaf 7.3 van de Jeugdwet
voor jeugdhulpverleners en medewerkers van gecertificeerde instellingen
(GI’s) de regels voor gegevensverwerking. In de Jeugdwet is verder
geregeld dat derden die beroepshalve beschikken over inlichtingen inzake
feiten en omstandigheden over een onder toezicht gestelde minderjarige
verplicht zijn om de inlichtingen die noodzakelijk kunnen worden geacht
voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling desgevraagd aan de GI te
verstrekken. Daarnaast hebben zij de mogelijkheid om deze inlichtingen
op eigen initiatief te verstrekken zonder toestemming en indien nodig
met doorbreking van een geheimhoudingsplicht. In de Jeugdwet is ook
geregeld dat medewerkers van GI’s inlichtingen over een jeugdige of
ouder kunnen verstrekken aan degenen die rechtstreeks zijn betrokken bij
de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of
jeugdreclassering.
Met de Wet rechtspositie gesloten jeugdhulp81
is in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet geregeld dat de jeugdhulpaanbieder
eens per zes maanden een rapportage verstrekt over de toepassing van
vrijheidsbeperkende maatregelen aan de GI indien deze ten aanzien van de
jeugdige een kinderbeschermingsmaatregel uitvoert, alsmede aan de ouders
indien de jeugdige niet onder toezicht is gesteld of aan de pleegouders.
Verder is geregeld dat de jeugdhulpaanbieder diezelfde partijen
informeert over een overplaatsing, een insluiting, de maatregel dat een
jeugdige verplicht wordt deel te nemen aan een jeugdhulpprogramma of dat
de jeugdige verplicht wordt geneeskundige behandelingen te ondergaan.
Tevens verstrekt de jeugdhulpaanbieder de afschriften van beslissingen
over vrijheidsbeperkende maatregelen die zijn genomen in verband met een
noodsituatie, voorafgaand aan de evaluatie van het hulpverleningsplan.
Voorafgaand aan het informeren is in principe de toestemming van de
jeugdige vereist indien deze ouder is dan 16 jaar, tenzij het informatie
betreft voor de GI die noodzakelijk is voor de uitvoering van de
ondertoezichtstelling.
91. De leden van de PVV-fractie vragen wat dit wetsvoorstel betekent voor de stukken die de burgemeester in de procedure van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) en Wet zorg en dwang (Wzd) heeft verkregen, zoals de medische verklaring van een onafhankelijk psychiater, en waarvoor in de Wvggz en Wzd bepalingen zijn opgenomen met betrekking tot het gebruik daarvan? Is het hergebruik van deze gegevens voor een gecoördineerde aanpak wel verenigbaar met het doel waarvoor de gegevens zijn verkregen?
In het voorgestelde artikel 5.4.2, vierde lid, is bepaald welke gegevens de burgemeester mag verstrekken aan het college ten behoeve van een onderzoek naar meervoudige problematiek of ernstige meervoudige problematiek. De in dat artikellid genoemde artikelen van de Wvggz betreffen alleen artikelen die betrekking hebben op het nemen van een crisismaatregel, een bevoegdheid van de burgemeester zelf. Voor de Wzd geldt hetzelfde, het betreft de artikelen over
opname en verblijf in crisissituaties, eveneens een bevoegdheid van
de burgemeester.
Op grond van artikel 8:34 Wvggz en artikel 18c, vierde lid, van de Wzd,
rust op de burgemeester een geheimhoudingsplicht tenzij enig ander
wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht. Het voorgestelde
artikel 5.4.2, vierde lid, betreft zo’n wettelijk voorschrift waarbij de
burgemeester beoordeelt in hoeverre die verstrekking noodzakelijk is
voor de uitvoering van het onderzoek naar meervoudige problematiek op
grond van artikel 2.3a.1 of artikel 2.3a.4. Op grond van dit artikel
5.4.2, vierde lid – en de Wams als geheel – is het dus niet toegestaan
dat de burgemeester gegevens verstrekt uit de medische verklaring van de
psychiater. De burgemeester kan in het kader van de Wams alleen iets
zeggen over een te nemen of genomen crisismaatregel.
Voor een goede uitvoering van een onderzoek naar meervoudige
problematiek, ernstige meervoudige problematiek en de gecoördineerde
aanpak, regelt he wetsvoorstel dat bepaalde in artikel 5.4.1, 5.4.2 en
5.4.4. bedoelde gegevens die eerder zijn verzameld voor een niet
verenigbaar doel kunnen worden verwerkt. Op grond van artikel 6, aanhef
en vierde lid, AVG is dit slechts mogelijk ter waarborging van een van
de in artikel 23, eerste lid, AVG bedoelde doelstellingen. In dit geval
gaat het om de bescherming van de betrokkene of van de rechten en
vrijheden van anderen (onderdeel i).
92. De leden van de PVV-fractie vragen hoe wordt
voorkomen dat professionals onder druk gezet worden om onder het mom van
het voorkomen of beperken van ernstige meervoudige problematiek van de
cliënt of zijn gezinsleden (medische) gegevens te verstrekken zonder
toestemming van de cliënt.
Het medisch beroepsgeheim is in het kader van toegankelijkheid van zorg
een groot goed. De regering begrijpt daarom de zorg van de leden van de
PVV-fractie. De bepalingen in de Wams over gegevensverwerking zijn zo
ingericht dat zowel de partij die bepaalde gegevens vraagt, als de
partij die die gegevens verstrekt, moet kunnen onderbouwen dat het om
noodzakelijke gegevens gaat. Professionals zijn nauw betrokken bij hun
cliënten en kunnen zodoende vaak heel goed een inschatting maken van de
situatie. Professionals zijn zich ook zeer bewust van de vertrouwensband
die ze met een cliënt hebben en van de eisen die het beroepsgeheim aan
hen stelt. Het college mag op grond van artikel 5.4.2 vragen om gegevens
die onder het beroepsgeheim vallen, maar moet de noodzakelijkheid van
die gegevens kunnen onderbouwen. Het is niet voldoende als het college
vraagt gegevens te verstrekken omdat die nodig zijn voor een onderzoek
naar meervoudige problematiek, die vraag is veel te breed. De
onderbouwing van de noodzaak moet gaan over specifieke gegevens in deze
specifieke casus.
Gelet op het belang van het medisch beroepsgeheim voor de vrije
toegankelijkheid van zorg, heeft de professional de plicht om bij een
verzoek om informatie een volledig eigen afweging te maken of en zo ja
welke gegevens verstrekt zouden moeten worden. Die toets op
noodzakelijkheid geldt ook als de cliënt toestemming geeft om gegevens
te verstrekken. Het (medisch) beroepsgeheim is van groot belang voor de
vrije toegankelijkheid van zorg. Omdat de regels rond het beroepsgeheim
boven elke twijfel verheven moeten zijn, en de nu in het wetsvoorstel
opgenomen bepaling daarover teveel vragen oproept, stel ik bij nota van
wijziging een nieuw artikel 5.4.2, tweede lid, voor. De nieuwe tekst van
dit artikel is gebaseerd op artikel 2.29, tweede lid, van de Wet
gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden82,
die van toepassing is voor het delen van gegevens in Zorg- en
Veiligheidshuizen. In dat artikel is wel de uitzondering opgenomen om
zonder toestemming of wettelijke plicht gegevens te verstrekken op grond
van goed hulpverlenerschap. Aangezien de Afdeling advisering van de Raad
van State in het advies over de Wams heeft geoordeeld dat dit een
criterium is dat zorgverleners onvoldoende houvast biedt, stel ik voor
die uitzonderingsgrond niet op te nemen in artikel 5.4.2, tweede
lid.
Het streven is verder dat de diverse beroepsorganisaties door middel van voorlichting en het zo nodig aanpassen van beroepscodes aan professionals handvatten gaan bieden voor het handelen bij een verzoek om gegevens in verband met een onderzoek naar meervoudige problematiek. Daarbij moet aandacht zijn voor de mogelijkheden om beroep te doen op een vertegenwoordiger, en bij een vraag om gegevens bij ernstige meervoudige problematiek, hoe en met welke collegiale toetsing een goede inschatting kan worden gemaakt van de situatie en als gegevens worden verstrekt, op het inzetten op zo minimaal mogelijk verstrekken van gegevens. Gemeenschappelijke kaders kunnen een individuele hulpverlener helpen om in een specifieke casus tot een afweging te komen. Dit zelfde geldt voor medewerkers van een lokaal team die namens het college onderzoek doen. Ook hier kunnen gemeenschappelijke kaders helpen om tot een bij de casus passend informatieverzoek te komen.
93. Is de regering bereid het wetsvoorstel zo aan te passen dat zorgverleners niet zonder toestemming van de cliënt (medische) gegevens mag verstrekken?, vragen de leden van de PVV-fractie. Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in het antwoord op de voorgaande vraag heb toegelicht, stel
ik voor de formulering van artikel 5.4.2, tweede lid, zo aan te passen
dat volstrekt duidelijk is dat het vragen van toestemming aan de cliënt
leidend is. De in artikel 5.4.2, tweede lid, genoemde beroepsgeheimen
zijn wettelijk vastgelegd om de vrije toegang tot de gezondheidszorg en
de jeugdhulp te waarborgen. Het wettelijk (medisch) beroepsgeheim
betekent dat de hulpverlener dient te zwijgen over al hetgeen hij over
de patiënt weet. Ik ben het met de leden van de PVV-fractie eens, dat
grote terughoudendheid met betrekking tot het doorbreken van het
beroepsgeheim noodzakelijk is. Daarom is de bij nota van wijziging
voorgestelde bepaling zo ingericht dat doorbreking van het beroepsgeheim
alleen mogelijk is met toestemming van de patiënt of op grond vaneen
wettelijke doorbrekingsgrond, zoals artikel 7.4.0, tweede lid, van de
Jeugdwet of artikel 5.2.2, onderdeel a, van de Wmo 2015. Op grond van
deze wettelijke bepalingen geldt in sommige gevallen voor partijen een
wettelijke plicht om bepaalde gegevens te verstrekken.
Het voorgaande betekent dat een wettelijke bepaling die énkel
verstrekking op basis van toestemming mogelijk maakt, niet past in het
stelsel van geldende wettelijke verstrekkingsgronden.
Bij een onderzoek naar meervoudige problematiek of naar ernstige
meervoudige problematiek zullen noodzakelijke gegevens van een
zorgverlener of jeugdhulpverlener dus ofwel na toestemming van de cliënt
kunnen worden verstrekt, ofwel op basis van een wettelijke
verstrekkingsgrond. Als de cliënt een vertegenwoordiger heeft, kan aan
de vertegenwoordiger toestemming worden gevraagd. Als toestemming wordt
gegeven, is het nog steeds de afweging van de professional of het in het
belang van de cliënt is om gegevens te verstrekken én welke gegevens dan
noodzakelijk zijn voor het onderzoek door het college.
94. De leden van de PVV-fractie vragen wanneer het belang dat de informatie geheim blijft precies zwaarder weegt dan het beperken van ernstige meervoudige problemen? Wie bepaalt de mate van beperken van de problematiek? Waarom voldoet het huidige juridisch kader voor het verstrekken van gegevens aan een derde, zoals het college van B&W, door zorgverleners met een beroepsgeheim niet voor de integrale aanpak?
De kern van een belangenafweging is dat die altijd afhangt van de
specifieke omstandigheden van het geval, en dat bij een verzoek om
gegevens waarop een geheimhoudingsplicht rust die belangenafweging
altijd wordt gemaakt door de hulpverlener op wie de geheimhoudingsplicht
rust. Het is dus niet in zijn algemeenheid te zeggen wanneer het belang
van het beperken van ernstige meervoudige problematiek precies zwaarder
zou wegen dan het belang dat wordt beschermd door het
beroepsgeheim.
Het doel van een onderzoek naar meervoudige problematiek of ernstige
meervoudige problematiek is de cliënt, en eventueel het betrokken gezin,
beter te kunnen helpen, zodat de problemen worden verminderd of
opgelost. Zoals toegelicht bij het antwoord op vraag 92 stel ik voor
artikel 5.4.2, tweede lid, bij nota van wijziging aan te passen zodat in
geval van een medisch beroepsgeheim bij verstrekking van gegevens het
huidige juridische kader van toepassing is. Voor de vrije toegang tot
zorg en de vertrouwensband tussen arts en patiënt, weegt het
beroepsgeheim altijd zwaar. Dat neemt niet weg dat een zorgverlener in
het belang van zijn cliënt die te kampen heeft met (ernstige)
meervoudige problematiek, zoveel mogelijk zijn medewerking aan een
onderzoek en een eventueel daarop volgende gecoördineerde aanpak, zou
moeten verlenen. Door hierover met de cliënt in gesprek te gaan, zal in
veel gevallen toestemming worden verleend om de daarvoor noodzakelijke
gegevens te verstrekken.
95. De leden van de PVV-fractie vragen waarom dit wetsvoorstel hulpverleners die op basis van een beroepscode een geheimhoudingsplicht hebben, uitsluit?
Op grond van het voorgestelde artikel 5.4.2, eerste lid, hoeft geen enkele partij “zomaar” gegevens te verstrekken. Bij ieder verzoek van het college om gegevens te verstrekken voor een onderzoek naar meervoudige problematiek, zal het college moeten aangeven waarom die gegevens noodzakelijk zijn. Er is geen grondslag voor het verstrekken van gegevens die niet noodzakelijk zijn. Iedere partij aan wie het college op grond van artikel 5.4.2, eerste lid, om informatie vraagt, moet daarom ook zelf die noodzaak beoordelen. De uitkomst van die beoordeling kan bijvoorbeeld zijn dat er wel noodzaak is om enige gegevens te verstrekken, maar niet alle gegevens die het college vraagt. Dit wetsvoorstel biedt zodoende ook voldoende waarborgen aan partijen die werken op basis van een beroepscode.
Het zal vaak voldoende zijn om de informatie te verstrekken dat de cliënt bij een bepaalde hulpverlener komt, zonder dat iets bekend wordt gemaakt over de inhoudelijke reden dat de cliënt deze hulpverlener bezoekt. Deze zogenaamde “dat” informatie kan relevant zijn voor het onderzoek naar meervoudige problematiek, terwijl meer inhoudelijk informatie uit het dossier, (zogenaamde “wat” informatie) vaak niet of in slechts zeer beperkte mate noodzakelijk is.
96. Op welke grondslag uit artikel 6 van de AVG kan een zorgverlener met een beroepsgeheim zich beroepen als hij of zij zonder toestemming van de cliënt op basis van artikel 5.4.2 (bijzondere) persoonsgegevens aan het college B&W verstrekt?
Voor verstrekking van gegevens over de gezondheid zonder toestemming van de cliënt kunnen verschillende grondslagen uit artikel 6 AVG van toepassing zijn. Zo kan de verstrekking op grond van artikel 6, eerste lid, onder b, plaatsvinden, bijvoorbeeld in het geval de zorgverlener van oordeel is dat de verstrekking nodig is in het kader van de behandelovereenkomst. Artikel 6, eerste lid, onderdeel c, AVG geldt voor zover toepassing wordt gegeven aan de wettelijke verplichting van artikel 5.4.2, eerste lid. Als er sprake is van een situatie waarin de vitale belangen van de cliënt of iemand andere moeten worden beschermd, geldt artikel 6, eerste lid, onderdeel d. Tot slot kan de verstrekking door een zorgverlener ook plaatsvinden op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel f (gerechtvaardigd belang).83
97. De leden van de PVV-fractie vragen de regering hoe duidelijk is wie de verantwoordelijkheid draagt. Dit wetsvoorstel laat immers de mogelijkheid open dat het college bepaalde taken uitbesteed, bijvoorbeeld aan een wijkteamorganisatie.
De in dit wetsvoorstel voorgestelde regels worden onderdeel van de Wmo 2015 en het college van burgemeester en wethouders draagt op grond van die wet de verantwoordelijkheid voor de uitvoering. Het valt binnen de gemeentelijke beleidsvrijheid hoe de uitvoering van de Wmo 2015 alsmede de andere wetten uit het sociaal domein binnen de gemeentelijke organisatie in de praktijk wordt geregeld. Dit wetsvoorstel brengt daar geen verandering in. Veel gemeenten werken nu ook al met lokale (wijk) teams als eerste aanspreekpunt voor mensen met hulpvragen.
98. Waarom wordt inburgering gezien als een bijzonder onderdeel van dit wetsvoorstel, zo vragen de leden van de PVV-fractie de regering. Waarom is gekozen voor een spiegelbepaling in de Wet Inburgering 2021? Wordt de groep van nieuwkomers in Nederland niet al voldoende ondersteund, daar waar er sprake is van een samenloop van hulpvragen rondom bijvoorbeeld, welzijn, wonen, werk, inkomen, zorg- en ondersteuning en inburgering?
De spiegelbepaling is niet bedoeld voor meer hulp, maar voor het kunnen afstemmen tussen betrokken partijen van in te zetten hulp. Dit is effectiever en voorkomt onnodige inzet van hulp.
Vaak is bij inburgering ook andere ondersteuning nodig. De spiegelbepaling in de Wet inburgering 2021 zorgt ervoor dat de gecoördineerde aanpak uit het wetsvoorstel wordt gevolgd bij een samenloop van hulpvragen die blijkt bij een brede intake op grond van de Wet inburgering. De spiegelbepaling verplicht het college een onderzoek te starten voor inburgeringsplichtigen en hun gezinsleden op grond van artikel 2.3a.4, tweede tot en met zevende lid, van het wetsvoorstel. Hiermee wordt de samenwerking en gegevensuitwisseling tussen hulpverleners bij inburgering gefaciliteerd.
99. Wanneer is er nu wel of niet sprake van een meervoudige problematiek, zo vragen de leden van de CDA-fractie de regering. Gaat het om gezinnen/burgers waarbij twee problemen in twee verschillende domeinen spelen of moeten genoemde leden dit anders zien? Hoe bakent de regering in dit wetsvoorstel de doelgroep af?
Het wetsvoorstel bevat een definitie van meervoudige problematiek:
meerdere samenhangende problemen van een persoon of meerdere
samenhangende problemen van gezinsleden die betrekking hebben op
verschillende aspecten van het sociaal domein, of het sociaal domein en
aanpalende domeinen. Het gaat dus inderdaad om ten minste twee
samenhangende problemen die spelen in verschillende domeinen. Dit kunnen
twee problemen op verschillende terreinen van het sociaal domein zijn,
of één probleem op het sociaal domein en daarnaast één probleem op een
aanpalend domein.
Wat tot het sociaal domein behoort en wat tot de aanpalende domeinen, is
ook opgenomen in artikel 1.1.1 van het wetsvoorstel. Deze definities
tezamen met de artikelen in de verschillende sociaal domein wetten die
toegang geven tot de in dit wetsvoorstel voorgestelde procedure voor
onderzoek naar meervoudige problematiek, bakenen de doelgroep af.
Daarbij is het inderdaad zo dat deze optelsom van problemen ook meerdere
gezinsleden kan betreffen. Per gezinslid hoeft het dan “maar” om één
probleem te gaan. Als een onderzoek naar meervoudige problematiek wordt
gestart, moet er wel een vermoeden zijn dat er samenhang is tussen
problemen die spelen. Als een kind uit het gezin bijvoorbeeld hulp in
verband met dyslexie op grond van de Jeugdwet nodig heeft en de moeder
uit het gezin een beroep doet op de Participatiewet, en de moeder geeft
daarbij aan dat er verder geen problemen spelen, dan is er op dat moment
geen aanleiding op een onderzoek naar meervoudige problematiek te
starten.
Als er wel een onderzoek wordt gedaan (omdat er aanwijzingen zijn dat
het gaat om samenhangende problemen) kan uiteindelijk uit het onderzoek
toch blijken dat er geen sprake is van samenhangende problemen. Er volgt
dan geen voorstel voor een gecoördineerde aanpak. Wel wordt aan de
cliënten vertelt welke afzonderlijke diensten of hulp ze kunnen krijgen.
Dit is geregeld in artikel 2.3a.2 van het wetsvoorstel.
100. De leden van de CDA-fractie vragen hoe bij de uitvoering van dit wetsvoorstel rekening wordt gehouden met mensen met een lichte verstandelijke beperking of mensen die laaggeletterd zijn?
De Wmo 2015 voorziet in mogelijkheden om burgers ondersteuning te
bieden in de vorm van cliëntondersteuning. Doordat dit wetsvoorstel een
wijziging van de Wmo 2015 is, zal de gratis clientondersteuning ook
beschikbaar zijn bij een onderzoek naar meervoudige problematiek. In
zowel artikel 2.3a.1, vijfde lid, als in artikel 2.3a.4, derde lid, is
geregeld dat de gratis cliëntondersteuning bij de start van het
onderzoek wordt aangeboden.
Daarnaast is in 2023 een leernetwerk “LVB-vriendelijke gemeente”
opgestart. Dit netwerk draagt bij aan meer toepasbare kennis over
effectief beleid voor mensen met LVB. Het leernetwerk is bedoeld voor
professionals van gemeenten die direct of indirect in contact staan met
inwoners met een LVB. Dit zal ook gelden voor medewerkers die met de
Wams-procedures gaan werken. Daarnaast zijn er cursussen voor het
signaleren van en omgaan met laaggeletterdheid voor lokale teams. Bij
het contact van deze doelgroepen met de overheid is extra aandacht
noodzakelijk. Dit geldt ook voor de uitvoering van de Wams.
101. De leden van de CDA-fractie vragen hoe het werkt binnen deze wet als de cliënt een verzoek doet om onderzoek te doen naar een meervoudige problematiek en in eerste instantie actief betrokken is, maar halverwege de onderzoeksfase ‘afhaakt’. Genoemde leden kunnen zich voorstellen dat dit in praktijk regelmatig voor kan komen. Maakt deze wet het dan mogelijk dat je ‘overstapt’ naar de andere optie (2), namelijk, een verzoek door een partij (organisatie)? Of moet dat gezien worden als een ‘losstaand’ verzoek? En ook dan kan de cliënt vervolgens toch hulp weigeren?
De twee manieren waarop een onderzoek naar meervoudige problematiek kan starten verschillen dusdanig van elkaar dat van zomaar schakelen tussen de twee mogelijke onderzoeken, geen sprake kan zijn. In het grootste deel van de gevallen zal een onderzoek aanvangen naar aanleiding van een hulpvraag van een cliënt. Dit is een onderzoek op grond van artikel 2.3a.1 van het wetsvoorstel. Zoals uit dit artikel en de toelichting daarop blijkt, betreft dit een onderzoek in samenspraak met de cliënt. Dit betekent dat als de cliënt aangeeft een bepaalde hulpvraag of een bepaald domein niet in het onderzoek te willen betrekken, het onderzoek daar niet over zal gaan. Degene die dit namens het college met de cliënt bespreekt, kan wel aangeven wat daarvan de eventuele nadelen of beperkingen zijn, maar de samenspraak behelst dat een onderzoek binnen de grenzen blijft die de cliënt aangeeft.
Het is natuurlijk denkbaar dat een cliënt gedurende het onderzoek
afhaakt. Deels zal dit te voorkomen te zijn door het geven van een
duidelijk uitleg over het proces en de termijnen.
In geval een cliënt toch afhaakt, kan niet zomaar worden overgeschakeld
naar een onderzoek op grond van artikel 2.3a.4 omdat de cliënt niet meer
mee wilde werken. De cliënt heeft immers zelf een verzoek om hulp
gedaan, en kan ook zelf beslissen die toch niet door te zetten.
Een onderzoek op grond van artikel 2.3a.4, kan alleen worden ingezet als
– vermoedelijk – sprake is van ernstige meervoudige problematiek.
Artikel 2.3a.4, eerste lid, stelt de voorwaarden waaraan het college het
verzoek van een partij moet toetsen, alvorens een dergelijk onderzoek te
starten. Het betreft de criteria om vast te stellen of er mogelijk
sprake is van ernstige meervoudige problematiek. Het moet concreet gaan
om:
–voortdurende of terugkerende meervoudige problematiek waarvoor de
persoon of personen die het betreft geen of selectief hulp vragen of
accepteren of de hulp die wel wordt aanvaard niet effectief lijkt,
terwijl vanwege de aard of complexiteit van de problemen
maatschappelijke teloorgang of een lage kwaliteit van leven en welzijn
dreigt of al aan de orde is,
– aanvullend daarop moet ofwel sprake zijn van de situatie dat in de
omgeving van deze persoon of personen gedurende langere tijd of telkens
opnieuw problemen, hinder of overlast wordt ervaren, ofwel dat de
veiligheid van deze persoon of andere personen of goederen in het geding
is, en
–ten slotte moet de gecoördineerde aanpak ook kunnen bijdragen aan een
oplossing of het verminderen van de problemen.
Omdat een verzoek tot een onderzoek op grond van artikel 2.3a.4 moet
voldoen aan deze criteria, wordt gewaarborgd dat niet zomaar een
onderzoek kan worden gestart op grond van artikel 2.3a.4 nadat de cliënt
heeft aangegeven zelf niet meer mee te willen werken aan een onderzoek
naar meervoudige problematiek op grond van artikel 2.3a.1. Uit de
voorwaarden van artikel 2.3a.4, eerste lid, blijkt, dat er nogal wat aan
de hand moet zijn alvorens een onderzoek wordt gestart zonder hulpvraag
van de cliënt. Van “zomaar” overstappen naar een onderzoek zonder
medewerking van de client op grond van artikel 2.3a.4 als deze cliënt
heeft aangegeven niet verder te willen met een onderzoek op grond van
artikel 2.3a.1, kan dus geen sprake zijn.
Ten slotte geldt bij beide onderzoek – dus met hulpvraag of bij ernstige
meervoudige problematiek zonder hulpvraag – dat de voorgestelde
gecoördineerde aanpak alleen kan worden gestart als de cliënt
uiteindelijk de voorgestelde hulp en diensten en de voorgestelde
gecoördineerde aanpak aanvaardt. Een cliënt mag altijd geheel of
gedeeltelijk het voorstel weigeren. Alleen interventies die ook los van
de Wams op grond van de wet mogelijk zijn, bijvoorbeeld reclassering of
verplichte jeugdhulp, of gedwongen zorg op grond van de Wvggz of de Wzd,
kunnen – volgens de bij die wetten gestelde regels – worden
opgelegd.
102. De leden van de CDA-fractie lezen de toelichting bij de wet zo dat er in meerdere gevallen sprake kan zijn van een onderzoek naar multiproblematiek. Bij de start van het traject, het zogenaamde keukentafelgesprek, en later als gaandeweg blijkt dat er meer hulp nodig is of dat er bepaalde zorgen of vermoedens zijn dat er meer aan de hand is. Klopt dat?
Er kan inderdaad in verschillende situaties een onderzoek naar
meervoudige problematiek worden gestart. Ten eerste als iemand een
verzoek doet om een dienst uit het sociaal domein en bij of naar
aanleiding van dat verzoek blijkt dat er mogelijk sprake is van
meervoudige problematiek (art. 2.3a.1, eerste lid). In samenspraak met
de cliënt wordt zo’n onderzoek gestart en wordt bepaald welke problemen
in het onderzoek worden betrokken.
Ten tweede kan een cliënt die al één of meerdere diensten uit het
sociaal domein ontvangt, en daarbij eventueel ook diensten uit
aanpalende domeinen een verzoek doen tot het uitvoeren van een onderzoek
naar meervoudige problematiek, ten behoeve van een gecoördineerde aanpak
(art. 2.3a.1, tweede lid). Hierbij gaat het om de situatie dat iemand al
hulp ontvangt, maar zijn problemen niet goed worden opgelost omdat de
verschillende diensten niet goed op elkaar zijn afgestemd. Tijdens dit
onderzoek kan ook blijken dat er meer of andere hulp nodig is dan de
cliënt tot nu toe kreeg.
Ten derde kan een professional die al bij een cliënt betrokken is en die
merkt dat er meer problemen spelen of die merkt dat de diensten die de
cliënt ontvangt niet goed op elkaar afgestemd zijn, met deze cliënt het
gesprek aangaan en de cliënt erop wijzen dat hij bij de gemeente om een
onderzoek naar meervoudige problematiek kan vragen (eveneens art.
2.3a.1, tweede lid).
Ten slotte kan een betrokken professional die constateert dat er
mogelijk sprake is van ernstige meervoudige problematiek en waarbij
gesprekken hierover met de cliënt niet tot een hulpvraag van de cliënt
hebben geleid, op grond van art. 2.3a.4, eerste lid, bij het college een
gemotiveerd verzoek doen om een onderzoek te starten naar ernstige
meervoudige problematiek. Als het college aan de hand van de in dat
artikel genoemde criteria vaststelt dat er inderdaad sprake lijkt te
zijn van ernstige meervoudige problematiek, kan vervolgens een onderzoek
worden gestart. De cliënt wordt hiervan op de hoogte gesteld en zo
mogelijk bij het onderzoek betrokken (art. 2.3a.4, derde lid).
103. In het verlengde van de vorige vraag, vragen de leden van de CDA-fractie hoe de regering wil voorkomen dat er bij ieder ‘niet pluis gevoel’ een onderzoek naar meervoudige problematiek wordt gestart? Is de regering niet bang dat uit handelingsverlegenheid van professionals snel naar dit middel wordt gegrepen?
Voor drie van de vier hierboven genoemde mogelijkheden om een
onderzoek naar meervoudige problematiek te starten geldt dat dit in
samenspraak met de cliënt gebeurt. Het ‘niet pluis gevoel’ zal de
professional dus met de cliënt moeten bespreken, hij kan niet zomaar een
onderzoek starten. Samen wordt over mogelijke problemen gesproken en de
cliënt geeft zelf aan wat hij bij het onderzoek wil betrekken. Of dat
hij geen onderzoek wil en alleen met een bepaald probleem geholpen wil
worden. Het is dus niet zo dat de professional zelf kan bepalen dat er
een onderzoek naar meervoudige problematiek wordt gedaan en hoe breed
dat onderzoek is.
Voor een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek, zal de
professional in een verzoek aan het college aan de hand van de criteria
van art. 2.3a.4, eerste lid, moeten onderbouwen dat er mogelijk sprake
is van ernstige meervoudige problematiek. Het college start alleen zo’n
onderzoek als het na toetsing van die onderbouwing ook van oordeel is
dat een onderzoek nodig is.
104. De leden van de CDA-fractie constateren dat het college kan afzien van het aanwijzen van een coördinator, als de cliënt (of als die er zijn, zijn/haar vertegenwoordigers) gezamenlijk kenbaar maken dat één van deze betrokkenen, een gezinslid of een mantelzorger zorg wil dragen voor coördinatie. Hiermee wordt invulling gegeven aan het uitgangspunt van de Wmo 2015 dat de ondersteuningsbehoefte van de cliënt centraal staat. Deze leden snappen het recht van zelfbeschikking en het centraal staan van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt, maar vragen de regering of dit bij de gecoördineerde aanpak van multiproblematiek altijd verstandig is. Het probleem is toch juist dat er meerdere problemen spelen in meerdere sociale domeinen waarbij de cliënt zelf, zijn familie en mantelzorgers in vast zijn gelopen, niet verder mee komen of niet goed in beeld hebben hoe groot de problematiek werkelijk is?
De leden van de CDA-fractie merken terecht op dat in veel gevallen van meervoudige problematiek het inderdaad verstandig zal zijn een professionele coördinator aan te wijzen. De regeling om een van de betrokkenen of een gezinslid of een mantelzorger zelf de coördinatie te laten uitvoeren is bedoeld voor situaties waarin deze mensen goed in staat zijn zelf de coördinatie op zich te nemen. De cliënt is dan voldoende geholpen doordat tijdens het onderzoek de problematiek duidelijker is geworden en duidelijker is geworden hoe de verschillende diensten die hij nodig heeft op elkaar kunnen worden afgestemd. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de ouders van een gehandicapt kind of een kind dat mantelzorger is voor zijn beginnend dementerende vader. Het gaat om een beperkte groep die geholpen is bij een onderzoek en daarop volgend de juiste afspraken om tot een goed afgestemde aanpak te komen, maar daarna prima in staat is om zelf weer de regie te pakken. Bij een verzoek om zelf te coördineren, wijst het college enkel geen coördinator aan indien het aannemelijk is dat de persoon die gaat coördineren in staat is om voor de benodigde afstemming te zorgen (art. 2.3a.3, tweede lid).
105. De leden van de CDA-fractie vragen of de regering nog eens kan toelichten waarom zij vindt dat een mantelzorger of een familielid zorg kan dragen voor de coördinatie? En hoe werkt dit dan in relatie tot het inzien en verstrekken van gegevens. Is een mantelzorger of familielid hier gemachtigd voor (uitgezonderd bij minderjarigen)? Ziet de regering het probleem dat de coördinatie door familieleden of mantelzorgers juist zorgt voor meer of andere problemen?
Zoals bij het antwoord op de voorgaande vraag is aangegeven, gaat het om uitzonderingsgevallen waarin een mantelzorger of familielid zelf de coördinatie op zich kan nemen. Of dat kan zal echt van de specifieke casus en daarbij betrokkenen afhangen. De inschatting van het college moet zijn dat coördinatie “onder eigen regie” succesvol kan zijn en naar verwachting niet zal leiden tot nieuwe problemen. Er komt in dat geval namelijk geen gecoördineerde aanpak onder verantwoordelijkheid van het college alsmede geen coördinator, met de in art. 2.3a.3, derde lid bedoelde wettelijke taken. De coördinatie “onder eigen regie” houdt namelijk in dat de cliënt, vertegenwoordiger of mantelzorger, zelf zorgt voor de benodigde afstemming met betrokken partijen, op basis van de op grond van artikel 2.3a.2, eerste lid, door het college verstrekte informatie. Voor deze informatie en het inzien of verstrekken van andere relevante gegevens geldt wat hierbij ook in andere situaties geldt: ofwel de cliënt geeft hiervoor toestemming aan de desbetreffende persoon ofwel de cliënt heeft een wettelijk vertegenwoordiger die hierover namens de cliënt beslist.
106. De regering stelt verder dat de coördinatortaken en hulpverleningstaken van elkaar gescheiden moeten worden uitgeoefend. Hoe ziet de regering dit in praktijk voor zich, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Moeten dat twee verschillende personen zijn? En zo ja, is dat bij de arbeidskrapte en werkdruk in de zorg, ook bij gemeenten, wel realistisch?
De scheiding van de coördinatortaken en hulpverleningstaken betekent niet dat deze taken niet bij één persoon belegd mogen worden. In de praktijk zal het juist vaak iemand zijn die beide taken uitoefent. De scheiding van deze taken is vooral van belang voor de gegevensverwerking. In het sociaal domein komt het nu ook al vaak voor – bijvoorbeeld in lokale teams – dat de daar werkzame professionals zowel zorgen voor de toeleiding naar zorg als voor het verlenen van zorg. In het traject Uitwisseling persoonsgegevens en privacy (UPP) als onderdeel van het programma Sociaal Domein is in de periode 2018–2021 in samenwerking met privacy officers van gemeenten een aantal handreikingen opgesteld voor gemeenten en medewerkers die werkzaam zijn in het sociaal domein of lokale teams. Een van die handreikingen gaat over het zogenaamde pettenvraagstuk waarop deze vraag doelt84. De medewerker moet zich bewust zijn van welke “pet” hij op een bepaald moment op heeft; voor verschillende rollen gelden verschillende regels als het gaat om het verwerken van persoonsgegevens. De gemeente, de bij het lokale team betrokken organisaties en andere partijen die bij de coördinatie betrokken zijn, moeten hierover afspraken met elkaar maken en zorgen dat de medewerkers hierover voldoende training krijgen. De genoemde handreiking helpt hierbij.
107. Begrijpen de leden van de CDA-fractie het goed dat bij het kunnen doorbreken van het medisch beroepsgeheim er een criterium – vanwege de onderhavige wet – is toegevoegd? Namelijk het criterium om te toetsen of de situatie noopt tot verstrekken zonder toestemming van de betrokkene om ernstige meervoudige problematiek te voorkomen of te beperken? Eigenlijk is er een afweging toegevoegd die de zorgprofessional mee moet wegen om al of niet het medisch beroepsgeheim te doorbreken.
Het doel van een onderzoek naar meervoudige problematiek of ernstige meervoudige problematiek is de cliënt, en eventueel het betrokken gezin, beter te kunnen helpen, zodat de problemen worden verminderd of opgelost. Voor de vrije toegang tot zorg en de vertrouwensband tussen arts en patiënt, weegt het beroepsgeheim altijd zwaar. Het vragen van toestemming om gegevens te delen is en blijft daarom voorop staan. Een zorgverlener zal in het belang van zijn cliënt die te kampen heeft met (ernstige) meervoudige problematiek, zoveel mogelijk zijn medewerking aan een onderzoek en een eventueel daaropvolgende gecoördineerde aanpak, moeten verlenen. Door hierover met de cliënt in gesprek te gaan, zal in veel gevallen toestemming worden verleend om de daarvoor noodzakelijke gegevens te verstrekken.
Professionals zijn zich zeer bewust van de vertrouwensband die ze met
een cliënt hebben en van de eisen die het beroepsgeheim aan hen stelt.
Het college mag op grond van artikel 5.4.2 vragen om gegevens die onder
het beroepsgeheim vallen, maar moet de noodzakelijkheid van die gegevens
kunnen onderbouwen. Het is niet voldoende als het college vraagt
gegevens te verstrekken, omdat die nodig zijn voor een onderzoek naar
meervoudige problematiek, die vraag is veel te breed. De onderbouwing
van de noodzaak moet gaan over specifieke gegevens betrekking hebbend op
een specifieke casus.
De professional heeft de plicht om bij een verzoek om informatie een
volledig eigen afweging te maken of en zo ja welke gegevens verstrekt
zouden moeten worden. Die toets op noodzakelijkheid geldt ook als de
cliënt toestemming geeft om gegevens te verstrekken.
Het (medisch) beroepsgeheim is van groot belang voor de vrije
toegankelijkheid van zorg. Omdat de regels rond het beroepsgeheim boven
elke twijfel verheven moeten zijn, en de nu in het wetsvoorstel
opgenomen criteria om eventueel gegevens te verstrekken zonder
toestemming bij ernstige meervoudige problematiek, te veel vragen
oproepen, stel ik bij nota van wijziging een nieuw artikel 5.4.2, tweede
lid, voor. De nieuwe tekst van dit artikel is gebaseerd op artikel 2.29,
tweede lid, van de Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden,
die van toepassing is voor het delen van gegevens in Zorg- en
Veiligheidshuizen. In dat artikel is wel de uitzondering opgenomen om
zonder toestemming of wettelijke plicht gegevens te verstrekken op grond
van goed hulpverlenerschap. Aangezien de Afdeling advisering van de Raad
van State in het advies over de Wams heeft geoordeeld dat dit een
criterium is dat zorgverleners onvoldoende houvast biedt, stel ik voor
die uitzonderingsgrond niet op te nemen in artikel 5.4.2, tweede
lid.
Het streven is verder dat de diverse beroepsorganisaties door middel van voorlichting en het zo nodig aanpassen van richtlijnen en handreikingen aan professionals handvatten gaan bieden voor het handelen bij een verzoek om gegevens in verband met een onderzoek naar meervoudige problematiek. Daarbij moet aandacht zijn voor de mogelijkheden om beroep te doen op een vertegenwoordiger, en bij een vraag om gegevens bij ernstige meervoudige problematiek, hoe en met welke collegiale toetsing een goede inschatting kan worden gemaakt van de situatie en als gegevens worden verstrekt, op het inzetten op zo minimaal mogelijk verstrekken van gegevens. Gemeenschappelijke kaders kunnen een individuele hulpverlener helpen om in een specifieke casus tot een afweging te komen. Ditzelfde geldt voor medewerkers van een lokaal team die namens het college onderzoek doen. Ook hier kunnen gemeenschappelijke kaders helpen om tot een bij de casus passend informatieverzoek te komen.
108. Het is misschien noodzakelijk tussentijds een casusoverleg met betrokken partijen te houden. Tijdens een casusoverleg bespreken betrokken professionals, bij voorkeur in aanwezigheid van de cliënt(en), de verschillende aspecten van de problemen van de cliënt(en). Kunnen de leden van de CDA-fractie dit vergelijken met de zogenaamde zorgplanbespreking met ouderen en mantelzorgers in het verpleeghuis?
De overeenkomst tussen een casusoverleg op grond van de Wams gedurende de gecoördineerde aanpak en een zorgplanbespreking met een cliënt en mantelzorgers in een verpleeghuis is dat de betrokken partijen en professionals met de betrokkenen om tafel gaan zitten en bespreken wat de cliënt nodig heeft en wat er aangepast moet worden in de hulp- en zorgverlening. Een verschil is dat een zorgplanbespreking waarschijnlijk veel zorginhoudelijker zal zijn, dus op het niveau van medicatie, voeding en dagbesteding. Bij een casusoverleg op grond van de Wams gaat het om de inbreng van en samenwerking tussen verschillende bij de hulpverlening betrokken partijen, waarbij die partijen ieder een eigen taak en expertise hebben. Het gaat dan vooral om de onderlinge afstemming: wie doet wat en wanneer zodat de hulp en eventuele interventies elkaar versterken in plaats van tegenwerken. Bij een casusoverleg zal over het algemeen niet over de concrete zorginhoud worden gesproken omdat dat niet noodzakelijk is voor de afstemming van de samenwerking tussen betrokken partijen.
109. Het is de leden van de CDA-fractie (nog) onduidelijk wie een casusoverleg kan initiëren. Denkt de regering niet dat dit kan leiden tot een (nog) groter ‘vergadercircus’? Dit omdat bij iedere casus onderzocht moet worden wie waarvoor verantwoordelijk is en indien noodzakelijk, de coördinatie op zich gaat nemen?
De aanpak van meervoudige problematiek op grond van de Wams, is
onderverdeeld in twee fases. In beide fases kan er een casusoverleg
worden gehouden.
De eerste fase is de fase van het onderzoek naar mogelijke meervoudige
problematiek door het college. In artikel 2.3a.1, zevende lid, en
artikel 2.3a.4, vierde lid is geregeld dat ten behoeve van dat onderzoek
door het college een casusoverleg kan worden gehouden. Het college kan
op grond van artikel 5.4.3, eerste lid, partijen uitnodigen voor dat
casusoverleg. Het gaat dan om partijen waarvan het college heeft
vastgesteld dat deelname van de desbetreffende partij noodzakelijk is
gelet op het onderzoek naar de meervoudige problematiek in die
specifieke casus.
De tweede fase is de fase van de gecoördineerde aanpak. Als er een
gecoördineerde aanpak wordt gestart, wijst het college daarvoor op grond
van artikel 2.3a.3, eerste lid, een coördinator aan. Tijdens de
gecoördineerde aanpak zorgt de coördinator voor de afstemming tussen de
cliënt of cliënten, en indien deze er is een vertegenwoordiger van een
cliënt, en bij de gecoördineerde aanpak betrokken partijen. Als de
coördinator – in samenspraak met de cliënt – van oordeel is dat het
tijdens de gecoördineerde aanpak op enig moment nodig is om voor de
afstemming tussen de betrokken partijen een casusoverleg te houden,
gelden daarvoor de regels van artikel 5.4.3. Dit zijn dezelfde regels
als voor het houden van een casusoverleg door het college in de
onderzoeksfase. Deze regels hebben betrekking op de gegevensverwerking
in het casusoverleg en eventuele verdere verwerking van gegevens uit dat
casusoverleg door betrokken partijen.
In beide fases geldt dat een casusoverleg niet verplicht is en alleen
zal worden gehouden als het college of tijdens de gecoördineerde aanpak
de coördinator – in samenspraak met de cliënt – van oordeel is dat een
casusoverleg zinvol is voor een goede afstemming tussen betrokken
partijen. Gelet op deze opzet van de Wams, verwacht ik niet dat er een
vergadercircus op gang komt.
110. De leden van de CDA-fractie vragen waarom niet in de wet is opgenomen maar bij AmvB bepaald (artikel 2.3a.5) welke partijen vanuit de aanpalende domeinen bij een onderzoek naar de mogelijke coördinatie kunnen worden betrokken en voor welke taken zij kunnen worden betrokken?
De reden is dat een regeling bij amvb iets meer flexibiliteit geeft
als blijkt dat aanpassing nodig is vanwege een te ruime of te enge
verwijzing naar partijen of de taken van partijen. Daarbij is het zo dat
de kernelementen, namelijk de definitie van partij tezamen met de
definitie van aanpalende domeinen, in de wet staan, zodat de reikwijdte
van het wetsvoorstel voldoende duidelijk is en de delegatie concreet en
begrensd is.
In de voorgestelde wijziging van artikel 1.1.1 is de definitie van
partij opgenomen. Het betreft alle instanties en mensen die kunnen
worden betrokken bij een onderzoek naar meervoudige problematiek en
daarna bij een gecoördineerde aanpak. Die aanpak ziet zowel op het
sociale domein als op de aanpalende domeinen. Omdat aanpalende domeinen
potentieel een groot werkterrein beslaan, is het omwille van de
rechtszekerheid van cliënten maar ook voor de potentiële partijen zelf
noodzakelijk om duidelijk af te bakenen welke partijen op grond van
welke taken betrokken kunnen worden bij het onderzoek en de
gecoördineerde aanpak. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft dit ook in
zijn advies aangegeven.
Bij deze nota naar aanleiding van het verslag, is als bijlage de
conceptlijst toegevoegd. De concept amvb zal op korte termijn in
internetconsultatie gaan.
111. Het college is verwerkingsverantwoordelijke indien de coördinator een gemeenteambtenaar is. Indien een organisatie of een medewerker van een organisatie coördinator is, is die partij verwerkingsverantwoordelijk. Deelt de regering het punt van de leden van de CDA-fractie dat dit in praktijk voor cliënten heel ingewikkeld kan zijn? Als aan alle meervoudige probleemburgers maatwerk geleverd moet worden, moet ieder keer bepaald worden wie er coördinator is van de gecoördineerde aanpak en verantwoordelijk is om de gegevens te verwerken. Waarom is dit niet middels de wet bij een partij neergelegd?
De regering is het met de leden van de CDA-fractie eens dat het voor mensen met meervoudige problematiek duidelijk moet zijn bij wie ze terecht kunnen. Daarom hebben deze mensen of gezinnen tijdens de gecoördineerde aanpak één aanspreekpunt, de door het college aangewezen coördinator. Het zou voor cliënten juist niet duidelijk zijn als ze met vragen over de gegevensverwerking weer ergens anders moeten zijn. Aan cliënten moet bij de start van de gecoördineerde aanpak worden uitgelegd wat zij van de coördinator kunnen verwachten, wat zijn taken en verantwoordelijkheden zijn, ook ten aanzien van gegevensverwerking én bij wie zij terecht kunnen bij vragen of klachten. Juridisch en praktisch wordt het ook ingewikkeld als het college verwerkingsverantwoordelijke zou zijn voor de verwerking van gegevens door een coördinator die bij een andere partij in dienst is.
112. Gezien het feit dat wetstechnisch geregeld is dat zowel een gemeente als een organisatie verwerkingsverantwoordelijke kan zijn, vragen deze leden de regering of dit uitvoeringstechnisch niet tot heel veel verschillende manieren van gegevenswerking kan leiden. Is de regering voornemens hier in lagere regelgeving wat over vast te leggen? Zo nee, is de regering niet bang dat dit leidt tot een administratieve chaos? Hoe moeten systemen onderling informatie uitwisselen als iedere organisatie en gemeente met andere soorten computersystemen of data-uitwisselingsystemen werken? De regering is het toch met de leden van de CDA-fractie eens dat dit de onderlinge samenwerking, afstemming en gegevensuitwisseling niet bevordert?
Door de systematiek van de Wams waarbij geen grootschalige
gegevensuitwisseling plaatsvindt, is de regering niet bang dat er een
administratieve chaos zal ontstaan. De Wams is ingericht op het goed
samenwerken van partijen die betrokken zijn bij een cliënt met
meervoudige problematiek. Daarbij is de gegevensverwerking ingericht op
het zo min mogelijk delen van gegevens en vindt geen grootschalige
uitwisseling van gegevens of het opzetten van één groot gezamenlijk
dossier plaats. Om onnodige verwerking van gegevens te beperken is de
Wams ook gefaseerd ingericht.
In de eerste fase, het onderzoek naar meervoudige problematiek, verwerkt
het college de gegevens die daarvoor nodig zijn en is dus
verwerkingsverantwoordelijke. In deze fase bepaalt het college ook voor
welke diensten uit het sociaal domein de cliënt in aanmerking
komt.
In de tweede fase, de gecoördineerde aanpak, wordt een coördinator
aangewezen. De coördinator is vanaf dat moment het aanspreekpunt voor de
cliënt en vanaf dat moment tot aan het beëindigen van de gecoördineerde
aanpak, is de organisatie waar de coördinator werkt,
verwerkingsverantwoordelijke. In art. 5.4.4, derde lid, is geregeld dat
de coördinator van het college de voor zijn taak noodzakelijke gegevens
ontvangt. Er zijn dus nooit tegelijkertijd voor dezelfde gegevens, twee
verwerkingsverantwoordelijken. Daar waar het praktische aanspreekpunt is
voor de cliënt in een bepaalde fase, ligt ook de
verwerkingsverantwoordelijkheid.
Een andere vraag is of gegevens op verschillende manieren verwerkt zullen worden. Dat kan inderdaad. Betrokken organisaties en gemeenten blijven met hun eigen systemen werken, en die kunnen verschillend zijn. De Wams regelt daar niets voor omdat het geen wetsvoorstel is dat structurele en grootschalige gegevensuitwisseling mogelijk maakt. Werkwijzen en processen op grond van diverse wetten blijven ongemoeid. De taken die in het wetsvoorstel aan de coördinator zijn toebedeeld, worden in de praktijk ook wel aangeduid als procesregie. Artikel 5.4.4 regelt dat de coördinator gegevens kan verwerken voor zover noodzakelijk voor het uitvoeren van zijn taken, dat de betrokken partijen gegevens verstrekken aan de coördinator, dat de coördinator gegevens verstrekt aan partijen voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van taken door die partij, en dat hij na afronding van de gecoördineerde aanpak alle gegevens die zijn
verwerkt ten behoeve van de coördinatietaak overdraagt aan het college. Met het beëindigen van de coördinatietaken en het overdragen van de gegevens eindigt de verwerkingsverantwoordelijkheid van de coördinerende partij.
113. De leden van de SP-fractie constateren dat het wetsvoorstel regelt dat er per AMvB moet worden vastgesteld welke instanties als partij worden aangewezen waarmee gegevens mogen worden gedeeld op basis van deze wet. Heeft de regering momenteel al een lijst met welke instanties hiervoor zouden worden aangewezen? Zo ja, zou de regering deze lijst of concept-AMvB alvast met de Kamer kunnen delen, zodat deze kan worden betrokken bij de wetsbehandeling?
De concept-lijst met beoogde partijen die deel kunnen nemen aan een onderzoek naar meervoudige problematiek en aan een gecoördineerde aanpak is gereed en als bijlage aan deze nota naar aanleiding van het verslag toegevoegd. De concept-amvb die met veldpartijen, waaronder gemeenten, UVW, SVB en CIZ, is voorbereid, zal op korte termijn via een internetconsulatie openbaar worden gemaakt.
114. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering welke eisen gesteld worden aan een coördinator en hoe ervoor gezorgd wordt dat er optimale coördinatie plaatsvindt als gekozen wordt voor een gezinslid of mantelzorger als coördinator. De taken die bij de procesregie behoren vergen bepaalde vaardigheden. Hoe wordt voorkomen dat een coördinator wordt aangesteld die onvoldoende functioneert? En heeft iedere gemeente voldoende mensen beschikbaar voor een coördinatiefunctie?
De regering is het met de leden van de PvdA-fractie eens dat het
belangrijk is dat de coördinatietaken worden belegd bij iemand die die
taken goed kan uitvoeren. In artikel 2.3a.3, derde lid, wordt bepaald
dat de coördinator zorgt draagt voor afstemming tussen de cliënt of
cliënten, en indien deze er is een vertegenwoordiger van een cliënt, en
bij de gecoördineerde aanpak betrokken partijen. Als het nodig is kan
ten behoeve van de afstemming een casusoverleg worden belegd. Inderdaad
vergt dit bepaalde vaardigheden. Over het algemeen beschikken
professionals die in lokale teams werken en hulpverleners hierover. Het
is de verantwoordelijkheid van het college om een persoon als
coördinator aan te wijzen die geschikt is voor de cliënt of gezin waar
het om gaat. Verder valt het binnen de beleidsvrijheid van de gemeente
om bepaalde functie-eisen te stellen. De coördinator heeft als taak het
monitoren van de voortgang van de uitvoering van de gecoördineerde
aanpak, het afstemmen met de bij de gecoördineerde aanpak betrokken
partijen, en zo nodig het maken van afspraken tussen betrokken partijen,
bijvoorbeeld bij signalen dat de uitvoering van de gecoördineerde aanpak
op belemmeringen stuit. Hoeveel tijd dat kost zal afhangen van de casus
en het aantal partijen dat is betrokken bij de gecoördineerde aanpak. De
regering verwacht dat er voldoende geschikte coördinatoren zullen zijn,
omdat zij die taak veelal zullen vervullen naast het werk als
hulpverlener of medewerker van het lokale team. Een coördinator is de
spin in het web bij een gecoördineerde aanpak, maar zal dat over het
algemeen goed naast het gewone werk kunnen doen.
De regeling van artikel 2.3a.3, tweede lid, maakt het ook mogelijk dat
géén coördinator wordt aangewezen. De regeling om een van de betrokkenen
of een gezinslid of een mantelzorger zelf de coördinatie te laten
uitvoeren is bedoeld voor situaties waarin deze mensen goed in staat
zijn zelf de coördinatie op zich te nemen. De cliënt is dan voldoende
geholpen doordat tijdens het onderzoek de problematiek duidelijker is
geworden en duidelijker is geworden hoe de verschillende diensten die
hij nodig heeft op elkaar kunnen worden afgestemd. Het gaat om een
beperkte groep waarbij te denken valt aan de ouders van een gehandicapt
kind of een familielid die zorgt voor zijn hulpbehoevende moeder. Het
moet voor het college aannemelijk zijn dat deze mensen dat in de gegeven
situatie inderdaad goed zelf kunnen. Anders zal het college zelf een
coördinator moeten aanwijzen (art. 2.3a.3, tweede lid).
115. De leden van de PvdA-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat de coördinatie wordt afgeschoven op de cliënt of iemand uit diens omgeving. Waarom wordt wel de mogelijkheid geboden dat iemand die als hulpverlener is betrokken tevens de coördinatiefunctie op zich neemt? Zou het in gevallen van meervoudige problematiek niet beter zijn juist voor een onafhankelijke coördinator te kiezen om te komen tot optimale zorg- en hulpverlening?
Het college is op grond van het voorgestelde artikel 2.3a.3, eerste
lid, verantwoordelijk om een coördinator aan te wijzen, die de in dit
artikel benoemde coördinatietaken naar behoren uit kan voeren. De
mogelijkheid dat een gezinslid, vertegenwoordiger of mantelzorger zelf
zal zorgdragen voor coördinatie, bestaat op grond van artikel 2.3a.3,
tweede lid, alleen als deze betrokkenen die wens gezamenlijk kenbaar
maken én het voor het college aannemelijk is dat de beoogde persoon
hiertoe in staat is, en aangeeft dit te willen doen. In veel gevallen
van meervoudige problematiek gaat het echter om kwetsbare mensen die
hulp nodig hebben en geen netwerk om zich heen hebben die hen daarbij
goed kan helpen. Voor deze mensen zal het college een coördinator moeten
aanwijzen.
Zoals bij de vorige vraag al is aangegeven zal deze coördinator vaak een
medewerker van het lokale team of een hulpverlener zijn die al betrokken
is bij de cliënt of het gezin. Zij kennen de mensen en de problematiek
goed en hebben vaak al het vertrouwen van de cliënt. Dit maakt het voor
veel cliënten prettiger en overzichtelijker. Een onafhankelijke
coördinator voegt daaraan niets toe. De optimale zorg- en hulpverlening
wordt met de betrokken partijen afgestemd op basis van de afspraken in
de gecoördineerde aanpak. De coördinator heeft daarbij de regie door het
monitoren van de voortgang van de afgesproken diensten, hulp en
eventuele interventies, vaststellen dat nadere afstemming nodig is en zo
nodig het maken van afspraken tussen betrokken partijen. Het is dan een
voordeel als de coördinator kennis heeft van de casus. Onafhankelijkheid
is geen noodzakelijkheid, omdat de coördinator een verbinder is en geen
bevoegdheden kan uitoefenen die berusten bij de betrokken partijen.
116. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering hoe ervoor gezorgd wordt dat de coördinatiefunctie alleen kan worden uitgevoerd door iemand die daartoe bereid is en of en hoe dit in het wetsvoorstel kan worden vastgelegd.
Het college is verantwoordelijk voor de gecoördineerde aanpak en zodoende ook voor het aanwijzen van een coördinator die deze taak naar behoren kan vervullen. Daarbij past niet aan iemand deze taak toe te delen die daar niet toe bereid is. Dit verder vastleggen in regels voegt gelet op deze verantwoordelijkheid niets toe.
117. Hoe wordt voorkomen dat de coördinatiefunctie en de behandelfunctie worden vermengd en een partij twee verschillende functies uitoefent in één casus, vragen de leden van de PvdA-fractie.
Het vraagstuk waar de leden van de PvdA-fractie in deze vraag op doelen, is niet nieuw. In het sociaal domein komt het vaak voor – bijvoorbeeld in lokale teams – dat de daar werkzame professionals zowel zorgen voor de toeleiding naar zorg als voor het verlenen van zorg. In het traject Uitwisseling persoonsgegevens en privacy (UPP) als onderdeel van het programma Sociaal Domein is in de periode 2018–2021 in samenwerking met privacy officers van gemeenten een aantal handreikingen opgesteld voor gemeenten en medewerkers die werkzaam zijn in het sociaal domein of lokale teams. Een van die handreikingen gaat over het zogenaamde pettenvraagstuk. De medewerker moet zich bewust zijn van welke “pet” hij op een bepaald moment op heeft; voor verschillende rollen gelden verschillende regels als het gaat om het verwerken van persoonsgegevens. De gemeente, de bij het lokale team betrokken organisaties en andere partijen die bij de coördinatie betrokken zijn, moeten hierover afspraken met elkaar maken. De genoemde handreiking helpt hierbij. Zoals bij de voorgaande vragen is toegelicht, is het voor een cliënt vaak fijn als de coördinator iemand is die ook vanuit de hulpverlening betrokken is. En professionals zijn heel goed in staat hun rollen uit elkaar te houden, en dit ook begrijpelijk te maken voor de betrokken cliënt.
118. De leden van de PvdA-fractie vragen hoe een dossier over de coördinatie van een casus wordt aangelegd en bewaard.
De regels voor verwerking van persoonsgegevens door een coördinator, zijn vastgelegd in artikel 5.4.4, tweede tot en met vijfde lid. De aangewezen coördinator krijgt van het college de gegevens die noodzakelijk zijn om de coördinatietaken uit te voeren. De partij of het college waarvoor de coördinator werkzaam is, is verwerkingsverantwoordelijke en moet zorgen voor een verwerkingssysteem dat voldoet aan de beveiligingseisen en waarin dossiers met betrekking tot de inhoud van hulpverlening en met betrekking tot de coördinatie van elkaar gescheiden zijn. Als de gecoördineerde aanpak wordt beëindigd, worden de gegevens op grond van artikel 5.4.5, tweede lid, twee jaar door het college bewaard.
119. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering verder naar de impact van het voorliggende wetsvoorstel op het beroepsgeheim en de vertrouwensrelatie tussen zorgverlener en patiënt/cliënt en vinden een uitvoeringstoets van de gevolgen bij cliënten, zorgaanbieders en hulpverleners noodzakelijk. Deze leden vragen de regering waarom er niet voor wordt gekozen een uitvoeringstoets te doen.
Bij het opstellen van het voorstel is een impact-analyse uitgevoerd door de VNG en zijn cliënten en zorgkoepels betrokken. In artikel IX van het wetsvoorstel is een evaluatiebepaling opgenomen die voorziet in een evaluatie na vijf jaar. Ik wil toezeggen dat een invoeringstoets na een jaar wordt uitgevoerd, met daarin specifiek aandacht voor de effecten van deze wet voor cliënten, zorgaanbieders en hulpverleners.
120. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering ook waarom er – ondanks de oproep van de KNMG in 2020 hiertoe – niet voor is gekozen om in het wetsvoorstel vast te leggen dat (medische) gegevens, die worden verstrekt door een zorgverlener met een beroepsgeheim worden gedeeld, alleen mogen worden verwerkt door of onder verantwoordelijkheid van iemand van de gemeente die ook een beroepsgeheim heeft. Hoe kan anders worden gewaarborgd dat de gegevens worden gebruikt door iemand die over voldoende kennis beschikt om deze juist te interpreteren?
Een onderzoek naar meervoudige problematiek heeft tot doel een goed
beeld te krijgen van de problemen die spelen en de samenhang daartussen
zodat op basis daarvan een goed voorstel voor een gecoördineerde aanpak
kan worden gedaan. De Wams geeft grondslagen voor de verwerking van
gegevens, in elke fase slechts voor zover die verwerking noodzakelijk
is. Bij gegevens over de gezondheid die noodzakelijk zijn voor het
onderzoek naar meervoudige problematiek of voor de gecoördineerde
aanpak, gaat het om beperkte gegevens. Hierbij moet bedacht worden dat
bijvoorbeeld het gegeven dat een cliënt slecht ter been is al een
medisch gegeven is dat zeer relevant kan zijn voor de aanpak van de
meervoudige problematiek van deze cliënt. De medische oorzaak daarvan is
echter geen noodzakelijk gegeven voor het onderzoek. Belangrijk is dat
in de Wams de gegevensverwerking is beperkt tot die gegevens die in een
concrete casus noodzakelijk zijn gelet op het doel van het onderzoek.
Medische gegevens uitvragen terwijl die niet relevant zijn, is niet
toegestaan. De zorgverlener die gegevens verstrekt, zal eveneens de
noodzaak van verstrekking moeten vaststellen en zo nodig de betekenis
daarvan moeten duiden. Professionals maken – gesteund door richtlijnen
en werkinstructies – zelf de afweging of en in hoeverre
informatieverstrekking noodzakelijk kan worden geacht. Veelal zullen
echter medische gegevens die alleen een verpleegkundige of een arts kan
interpreteren, zoals onderzoeksuitslagen, medicatieoverzichten, niet
relevant zijn voor het onderzoek naar meervoudige problematiek.
Ten slotte geldt voor wat betreft de vertrouwelijkheid van gegevens, dat
personen die namens het college een onderzoek naar meervoudige
problematiek doen, op grond van art. 2:5 van de Algemene wet
bestuursrecht tot geheimhouding verplicht zijn.
121. De leden van de PvdA-fractie vragen in hoeverre gemeenten vanuit de Participatiewet verplicht zijn begeleiding te bieden aan kwetsbare schoolverlaters en hoe daarop wordt toegezien.
Op grond van de Participatiewet kan het college jongeren zonder startkwalificatie ondersteunen bij leer-werktrajecten. Daarnaast hebben gemeenten op grond van de Participatiewet de taak om een verordening te maken met het beleid voor de ondersteuning van jongeren. De gemeenteraad controleert het werk van het college. De wet van school naar duurzaam werk85 voorziet in een structurele rol voor gemeenten om jongeren die dit nodig hebben te begeleiden naar werk. Hierin werken gemeenten nauw samen met onderwijsinstellingen en het Doorstroompunt (RMC), met name gericht op jongeren uit het praktijk- en voorgezet speciaal onderwijs, het mbo en voortijdig schoolverlaters. Partijen worden op verschillende manieren gestimuleerd om samen te werken en te zorgen voor doorlopende begeleiding. De gemeente heeft vooral een rol bij jongeren die, ondanks de inspanningen van onderwijsinstellingen of het Doorstroompunt (RMC), nog geen werk hebben gevonden. Vaak komt dit door de aanwezigheid van meerdere gestapelde problemen. Op grond van de Wams kan de gemeente – in samenspraak met de jongere – een onderzoek doen naar die meervoudige problematiek en eventueel een gecoördineerde aanpak starten. Op basis van signalen van bijvoorbeeld onderwijsinstellingen of het Doorstroompunt (RMC) gaan gemeenten in gesprek met jongeren en bekijken op basis van de situatie of en hoe intensief een jongere ondersteuning nodig heeft.
122. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering in hoeverre woningcorporaties hun wettelijke taak om te investeren in onder meer het realiseren van wonen met zorg voor mensen met een zorg en/of ondersteuningsbehoefte, daadwerkelijk voldoende uitvoeren. Deze leden zijn het eens met de regering dat corporaties oog moeten hebben voor minder conventionele wijzen van huisvesting als aanvulling op de reguliere woningvoorraad. Zij vragen haar daarom in hoeverre regels deze onconventionele
oplossingen in de weg staan en aan welke oplossingen dan concreet kan worden gedacht. Zij vragen de regering ook hoe woningcorporaties nu investeren in sociaal beheer in de wijken en of dat overal in voldoende mate gebeurt.
In de Nationale Prestatieafspraken (NPA) voor de volkshuisvesting86, tussen de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Aedes (koepel voor woningcorporaties), de Woonbond (koepel voor huurders) en de VNG, zijn afspraken gemaakt over de realisatie van woningen voor wonen en zorg door woningcorporaties, ter uitvoering van het ‘Programma wonen en zorg voor ouderen’. In de NPA zijn afspraken gemaakt voor het aantal te realiseren geclusterde woonvormen en voor zorggeschikte woningen voor mensen met een specifieke zorgbehoefte. Corporaties maken hun voornemens kenbaar op grond van artikel 44, eerste lid, onder a, van de Woningwet en artikel 19 (met bijlage 5) van de Regeling toegelaten instellingen volkshuisvesting (Rtiv) door middel van de Prospectieve informatie (dPi). De verantwoording maken corporaties kenbaar door middel van de Verantwoordingsinformatie (dVi) – artikel 36a, vierde lid, van de Woningwet en artikel 16 (met bijlage 3) van de Rtiv. Via de dPi en de dVi wordt inzicht verkregen of individuele woningcorporaties en tevens alle woningcorporaties gezamenlijk voldoen aan de afspraken hierover en de vraag of hiervoor mogelijk aanvullende inspanningen nodig zijn. Bij minder conventionele wijzen van huisvesting gaat het om alle vormen van tijdelijke woningen, waaronder ook het ombouwen van bestaand vastgoed dat eerder niet als woning is verhuurd. Op grond van hun volkshuisvestelijke taken, kunnen corporaties belangrijke bijdragen leveren aan de leefbaarheid in wijken en buurten met corporatiebezit. Dat hangt samen met het gegeven dat van corporaties wordt verwacht dat ze verschillende doelgroepen huisvesten. Onderdeel van de leefbaarheidstaak is dat corporaties daarom kunnen investeren in sociaal beheer door de inzet van een huismeester, naast andere investeringen. De investeringen in leefbaarheid door woningcorporaties waren tot 1 januari 2022 mogelijk tot een
gemaximeerd bedrag per woning. Sinds die datum wordt die eis niet meer gesteld en kunnen corporaties daarin een eigen afweging maken en zo nodig meer maatwerk leveren.
123. De leden van de GroenLinks-fractie lezen in deze paragraaf van de memorie van toelichting dat het ook mogelijk is voor het college om een onderzoek in te stellen wegens ‘ernstige problematiek’, zonder dat de persoon over wie het gaat instemt met dit onderzoek. Eerder in het wetsvoorstel was echter te lezen dat de wet niet gestoeld is op dwang, omdat gedwongen zorg en gedwongen hulp niet geregeld worden in deze wet. Kan de regering uitleggen hoe deze twee dingen samengaan?
Het klopt inderdaad dat het wetsvoorstel geen kader biedt voor
gedwongen hulpverlening. Indien mogelijk gedwongen zorg noodzakelijk is,
zijn de reguliere kaders aan de orde, zoals de Wvggz, de Wzd en de
regelgeving rondom kinderbeschermingsmaatregelen in het BW en de
Jeugdwet.
Dit wetsvoorstel voorziet wel in de mogelijkheid dat een professional
een gemotiveerd verzoek doet bij het college voor het instellen van een
onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek. Een onderzoek naar
ernstige meervoudige problematiek kan – binnen de voorwaarden van
artikel 2.3a.4 – worden gestart zonder dat de persoon over wie het gaat
vooraf instemt met dit onderzoek. Bij dit soort ernstige meervoudige
problematiek kan het zinvol zijn dat het college een onderzoek kan
starten om te komen tot een gecoördineerde
aanpak zonder dat de persoon of gezin die het betreft met een hulpvraag is gekomen. In artikel 2.3a.4, derde lid, is geregeld dat cliënten over het onderzoek worden geïnformeerd en zo mogelijk ook bij het onderzoek worden betrokken. Het onderzoek kan leiden tot een voorstel voor een gecoördineerde aanpak waarin de geboden en de te bieden hulp beter op elkaar is afgestemd met als doel dat de ernstige problematiek verminderd of oplost. Maar uiteindelijk zal de gecoördineerde aanpak alleen kunnen worden uitgevoerd als de cliënt daarmee instemt Bij de diensten die deel uitmaken van die gecoördineerde aanpak gaat het immers om vrijwillige hulp. Gedwongen hulpverlening kan onderdeel kan zijn van de gecoördineerde aanpak, maar alleen als die is opgelegd op grond van de hierboven genoemde wettelijke kaders. Bijvoorbeeld iemand die gedwongen zorg krijgt op grond van de Wvggz, die middels een gecoördineerde aanpak verder wordt geholpen naar begeleid wonen, schuldhulpverlening krijgt en wordt begeleid richting werk om zo meer structuur te krijgen in zijn leven om daarmee te voorkomen dat hij na afloop van de gedwongen zorg opnieuw afglijdt in een situatie van ernstige problematiek. Ook kunnen bepaalde interventies, zoals reclassering, deel zijn van een gecoördineerde aanpak.
124. De leden van de GroenLinks-fractie hebben begrepen dat het er bij het veld moeite is dat in dit wetsvoorstel mogelijkheden worden opgenomen voor toeleiding naar een gecoördineerde aanpak door de gemeente zonder de wens en/of bereidheid van de burger of zijn gezin. Het wetsvoorstel lijkt daarmee een juridisch kader te bieden voor samenwerking ten behoeve van ‘bemoeizorg’. Volgens deze verschillende veldpartijen bevinden burgers die in aanmerking komen voor bemoeizorg zich in een andere, zeer kwetsbare positie en vergt dat extra waarborgen tegen onnodige inbreuken op hun privéleven, die in overleg met het veld moeten worden vastgesteld. Hoe kijkt de regering hier tegenaan? Is de regering eventueel voornemens om de juridische kaders voor een vrijwillig gecoördineerde aanpak van meervoudige problematiek en bemoeizorg apart van elkaar te regelen, in nauw overleg met het veld?
De regering is het ermee eens dat mensen die zich in een zeer
kwetsbare positie bevinden goed moeten worden beschermd en geholpen. Dat
vergt duidelijke wettelijke kaders voor bemoeizorg én de noodzakelijke
waarborgen tegen onnodige inbreuken op hun privéleven. Zorg mijden mag,
maar kwetsbare mensen maken hierin uit onmacht, angst of onvermogen niet
altijd een weloverwogen keuze. Deze mensen verdienen hulp, en bij
voorkeur niet pas als de situatie volledig uit de hand is gelopen.
Het gaat dan om kwetsbare personen die níet zelfstandig om hulp vragen
of die hulp juist mijden, terwijl hun omstandigheden daar wel om vragen.
Het benaderen en begeleiden van deze doelgroep naar de juiste
ondersteuning is openbare geestelijke gezondheidszorg (oggz). In de Wmo
2015 is de oggz-taak van gemeenten, anders dan in de Wmo (2007), niet
geëxpliciteerd. Naar aanleiding van signalen van het Schakelteam
personen met verward gedrag over onduidelijkheid in de
verantwoordelijkheidsverdeling voor zorg en ondersteuning voor deze
doelgroep, heeft de regering gemeenten er in september 2018 op gewezen
dat oggz nog steeds een gemeentelijke taak is op grond van de Wmo 2015.
Toch bleven vragen hierover tijdens het opstellen van dit wetsvoorstel
terugkomen. Zo heeft GGD GHOR Nederland aangegeven dat het ontbreken van
een expliciete wettelijke grondslag voor de oggz een belemmering vormt
voor de uitvoering van hun werkzaamheden en de daarvoor benodigde
verwerking van persoonsgegevens, zoals bij het meldpunt niet acute
zorg.
De regering vindt het gelet op de samenhang met (complexe) meervoudige
problematiek passend om het begrip oggz met dit wetsvoorstel weer op te
nemen in de wet, gekoppeld aan het stellen van regels over de daarvoor
benodigde gegevensverwerking. De regering meent dat de belemmeringen die
in de praktijk zijn gevoeld om mensen die zorg mijden toe te leiden naar
zorg of ondersteuning, met de voorgestelde wijzigingen worden
ondervangen. Met het expliciteren van de taak van de meldpunten ontstaat
ook een duidelijke wettelijke basis voor het verwerken van
persoonsgegevens door de meldpunten in het kader van de oggz-taak.
Een ander aspect van bemoeizorg dat in dit wetsvoorstel wordt
geregeld, is toegelicht bij het antwoord op de vorige vraag, namelijk
een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek om zo te kunnen
komen tot een gecoördineerde aanpak met als doel nog ernstiger situaties
te kunnen voorkomen. Een partij die een verzoek doet voor zo’n onderzoek
biedt vaak al hulp aan de betrokkene, of probeert dat. De in artikel
2.3a.4, eerste lid opgenomen criteria om te beoordelen of er mogelijk
sprake is van ernstige meervoudige problematiek zijn zeer zwaar. Zowel
de partij die zo’n verzoek indient als het college dat het verzoek
beoordeelt, kunnen daar niet lichtvaardig mee omgaan. Hierin liggen
voldoende waarborgen dat zo’n verzoek weloverwogen wordt ingezet. Als
zo’n onderzoek uiteindelijk wordt uitgevoerd, wordt de cliënt, zijn
mantelzorger of zijn vertegenwoordiger, daar zoveel mogelijk bij
betrokken. Daarbij is ook cliëntondersteuning mogelijk. Uiteindelijk kan
het onderzoek leiden tot een voorstel voor een gecoördineerde aanpak.
Zoals is toegelicht bij de vorige vraag, kunnen de diensten die deel
uitmaken van die gecoördineerde aanpak alleen worden uitgevoerd als de
cliënt de hulp aanvaard. Gedwongen hulpverlening kan slechts onderdeel
zijn van de gecoördineerde aanpak, als die is opgelegd op grond van de
daarvoor geldende wettelijke kaders van de Wvggz, de Wzd of de Jeugdwet.
Het staat iemand verder vrij niet geholpen te willen worden, ook bij de
inzet van bemoeizorg.
Naar aanleiding van de consultatie en het advies van de AP zijn de
waarborgen van artikel 2.3a.4, eerste lid, voor het starten van een
onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek goed ingekaderd. De
regering meent dat deze regeling alsmede het expliciteren van de
oggz-taak en bij alle taken de passende waarborgen voor noodzakelijke en
proportionele gegevensverwerking, passen in dit wetsvoorstel en met de
noodzakelijke waarborgen zijn omkleed.
125. De leden van de GroenLinks-fractie lezen dat veel organisaties waaronder de KNMG, de Nederlandse ggz, het NIP, de NVO, BPSW, Valente, Sociaal Werk Nederland, VGN en ActiZ zich zeer veel zorgen maken over de impact van dit wetsvoorstel op de praktijk van zorgverleners, in het bijzonder op het beroepsgeheim en de vertrouwensrelatie tussen zorgverlener en cliënt. Zijn deze zorgen bij de regering bekend? Zo ja, op welke manier is er naar deze zorgen geluisterd en zijn deze zorgen meegenomen in het wetsvoorstel?
Deze zorgen zijn bekend en daarover zijn gesprekken gevoerd met vertegenwoordigers van genoemde organisaties alsmede met vertegenwoordigers van de VNG en de GGD GHOR. Enerzijds zijn er zorgen over gevolgen voor de vertrouwensrelatie tussen zorgverlener en cliënt bij de door de leden van de GroenLinks-fractie genoemde partijen, anderzijds zijn er zorgen over (te) laat ingrijpen en langs elkaar heen werken van zorgverleners omdat het niet lukt tot de daarvoor noodzakelijke afstemming en samenwerking te komen, bij de GGD GHOR en gemeenten.
Dit wetsvoorstel maakt het mogelijk om in het kader van meervoudige problematiek tot een betere afstemming en samenwerking te komen. Professionals zijn zich daarbij zeer bewust van de vertrouwensband die ze met een cliënt hebben en van de eisen die het beroepsgeheim aan hen stelt. Het college mag op grond van artikel 5.4.2 vragen om gegevens die onder het beroepsgeheim vallen, maar moet de noodzakelijkheid van die gegevens kunnen onderbouwen. Het is niet voldoende als het college vraagt gegevens te verstrekken, omdat die nodig zijn voor een onderzoek naar meervoudige problematiek, die vraag is veel te breed. De onderbouwing van de noodzaak moet gaan over specifieke gegevens betrekking hebbend op een specifieke casus. De professional heeft de plicht om bij een verzoek om informatie een volledig eigen afweging te maken of en zo ja welke gegevens verstrekt zouden moeten worden. Die toets op noodzakelijkheid geldt ook als de cliënt toestemming geeft om gegevens te verstrekken.
Het (medisch) beroepsgeheim is van groot belang voor de vrije toegankelijkheid van zorg. Omdat de regels rond het beroepsgeheim boven elke twijfel verheven moeten zijn, en de nu in het wetsvoorstel opgenomen bepaling – ook na de bovengenoemde gesprekken – te veel vragen oproept, stel ik bij nota van wijziging een nieuw artikel 5.4.2, tweede lid, voor. De nieuwe tekst van dit artikel is gebaseerd op artikel 2.29, tweede lid, van de Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden, die van toepassing is voor het delen van gegevens in Zorg- en Veiligheidshuizen. In artikel 2.29 WGS is wel de uitzondering opgenomen om zonder toestemming of wettelijke plicht gegevens te verstrekken op grond van goed hulpverlenerschap. Aangezien de Afdeling advisering van de Raad van State in het advies over de Wams heeft geoordeeld dat dit een criterium is dat zorgverleners onvoldoende houvast biedt, stel ik voor die uitzonderingsgrond niet op te nemen in artikel 5.4.2, tweede lid.
Het streven is verder dat de diverse beroepsorganisaties door middel van voorlichting en het zo nodig aanpassen van richtlijnen en handreikingen aan professionals handvatten gaan bieden voor het handelen bij een verzoek om gegevens in verband met een onderzoek naar meervoudige problematiek. Daarbij moet aandacht zijn voor de mogelijkheden om beroep te doen op een vertegenwoordiger, en bij een vraag om gegevens bij ernstige meervoudige problematiek, hoe en met welke collegiale toetsing een goede inschatting kan worden gemaakt van de situatie en als gegevens worden verstrekt, op het inzetten op zo minimaal mogelijk verstrekken van gegevens. Gemeenschappelijke kaders kunnen een individuele hulpverlener helpen om in een specifieke casus tot een afweging te komen. Ditzelfde geldt voor medewerkers van een lokaal team die namens het college onderzoek doen. Ook hier kunnen gemeenschappelijke kaders helpen om tot een bij de casus passend informatieverzoek te komen.
126. De leden van de GroenLinks-fractie begrijpen dat bovengenoemde organisaties het huidige juridisch kader voor het verstrekken van gegevens aan een derde, zoals het college van B&W, door zorgverleners met een beroepsgeheim toereikend is voor een meer gecoördineerde aanpak van meervoudige problematiek in het sociaal domein. Kan de regering hierop reageren en uitgebreid motiveren waarom zij hier anders over denkt en waarom het nodig is om dit kader aan te passen?
Zoals bij het antwoord op de voorgaande vraag is toegelicht, zal in het huidige juridisch kader in het grootste deel van de gevallen van een onderzoek naar meervoudige problematiek toereikend zijn. Zoals ik in het antwoord op de vorige vraag heb toegelicht, leidt het voorstel van artikel 5.4.2, tweede lid, tot veel vragen, en ben ik van mening dat de regels rond het beroepsgeheim zoals die nu gelden, boven elke twijfel verheven moeten zijn. Daarom stel ik bij nota van wijziging voor art. 5.4.2, tweede lid, aan te passen zodat het huidige wettelijk kader zonder uitzondering zal gelden.
127. Genoemde leden constateren dat dit wetsvoorstel verschillende regels over gegevensverstrekking introduceert voor hulpverleners zonder wettelijk erkend beroepsgeheim en hulpverleners met wettelijk erkend beroepsgeheim. Klopt dit? Waarom is hiervoor gekozen?
De in artikel 5.4.2, tweede lid, genoemde beroepsgeheimen zijn
wettelijk vastgelegd vanwege het grote belang om de vrije toegang tot de
gezondheidszorg en jeugdhulp te waarborgen. Daarmee zijn de wettelijk
geregelde beroepsgeheimen wezenlijk verschillend van geheimhouding op
grond van een beroepscode. Het bij nota van wijziging voorgestelde
artikel 5.4.2, tweede lid, noemt daarom, net als artikel 2.29 van de Wet
gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden, alleen de wettelijk
geregelde beroepsgeheimen. Daarmee is het niet zo dat andere partijen
die werken met een beroepsgeheim op basis van een beroepscode “zomaar”
gegevens moeten verstrekken. Bij ieder verzoek van het college op grond
van het voorgestelde artikel 5.4.2, eerste lid, om gegevens te
verstrekken voor een onderzoek naar meervoudige problematiek, zal het
college moeten aangeven waarom die gegevens noodzakelijk zijn. Er is
geen grondslag voor het verstrekken van gegevens die niet noodzakelijk
zijn. Iedere partij aan wie het college op grond van artikel 5.4.2,
eerste lid, om informatie vraagt, moet daarom ook zelf die noodzaak
beoordelen. De uitkomst van die beoordeling kan bijvoorbeeld zijn dat er
wel noodzaak is om enige gegevens te verstrekken, maar niet alle
gegevens die het college vraagt. Dit wetsvoorstel biedt zodoende ook
voldoende waarborgen aan partijen die werken op basis van een
beroepscode.
Het zal vaak voldoende zijn om de informatie te verstrekken dat de
cliënt bij een bepaalde hulpverlener komt, zonder dat iets bekend wordt
gemaakt over de inhoudelijke reden dat de cliënt deze hulpverlener
bezoekt. Deze zogenaamde “dat” informatie kan relevant zijn voor het
onderzoek naar meervoudige problematiek, terwijl meer inhoudelijk
informatie uit het dossier, (zogenaamde “wat” informatie) vaak niet of
in slechts zeer beperkte mate noodzakelijk is.
128. De leden van de GroenLinks-fractie vragen waarom de regering de term ‘ernstige meervoudige problematiek’ niet expliciet heeft opgenomen in een definitiebepaling en of deze term nader kan worden uitgelegd en opgenomen in een definitiebepaling?
Van het begrip “ernstige meervoudige problematiek” in inderdaad geen
definitie opgenomen. Het begrip “meervoudige problematiek” wordt wel in
artikel 1.1.1. gedefinieerd, omdat daarvan een goede materiële
omschrijving is te geven. Bij “ernstige” meervoudige problematiek ligt
dat anders, maar naar aanleiding van de vragen van diverse fracties over
dit begrip, stel ik bij nota van wijziging voor toch een definitie op te
nemen.
Of de situatie zodanig ernstig is dat een onderzoek zonder hulpvraag van
de cliënt gerechtvaardigd is, moet worden gewogen aan de hand van de
omstandigheden van het geval. In het voorgestelde artikel 2.3a.4, eerste
lid, zijn daarom de voorwaarden opgenomen waaraan de concrete
omstandigheden getoetst moeten worden. Een bij de cliënt betrokken
professional kan bij het college een verzoek doen om een onderzoek naar
ernstige meervoudige problematiek te starten indien hij vermoedt:
a. dat sprake is van voortdurende of terugkerende meervoudige
problematiek waarvoor de persoon of personen die het betreft geen of
selectief hulp vragen of accepteren of de hulp die wel wordt aanvaard
niet effectief lijkt, terwijl vanwege de aard of complexiteit van de
problemen maatschappelijke teloorgang of een lage kwaliteit van leven en
welzijn dreigt of al aan de orde is, en
(1) in de omgeving van deze persoon of personen gedurende langere tijd
of telkens opnieuw overlast, hinder of problemen wordt ervaren, of
(2) de veiligheid van personen of goederen in het geding is; en
b. dat een gecoördineerde aanpak kan bijdragen aan het oplossen of
verminderen van de problematiek.
Beide elementen (a. en b.) moeten bij een verzoek worden onderbouwd,
waarbij er met betrekking tot de bijkomende omstandigheden (sub 1 en 2)
ten minste één van beide situaties aannemelijk dient te worden gemaakt.
Op basis van onderdeel a wordt vastgesteld of sprake is van
(waarschijnlijk) ernstige meervoudige problematiek. De voorgestelde
definitie in artikel 1.1.1 verwijst naar de criteria van artikel 2.3a.4,
eerste lid, onderdeel a.
129. Kan de regering ook uitleggen waarom – in lijn met het advies van de Afdeling en raadpleging van het veld/experts – niet is gekozen om de voorwaarde ‘gelet op zijn plicht om goede hulp of zorg te verlenen’ te schrappen uit artikel 5.4.2 lid 2 van het wetsvoorstel?
De Afdeling advisering van de Raad van State oordeelde in zijn advies
dat enkel het criterium van goed hulpverlenerschap om te beoordelen of
het beroepsgeheim zou kunnen worden doorbroken, aan hulpverleners
onvoldoende houvast geeft, en dat in plaats daarvan doelcriteria
opgenomen zouden moeten worden. Op basis van dat advies werden in
artikel 5.4.2, tweede lid, doelcriteria opgenomen, namelijk toetsing aan
de criteria voor ernstige meervoudige problematiek. Ter aanvulling werd
daarbij in art. 5.4.2, tweede lid, het goed hulpverlenerschap als
ijkpunt genoemd.
Deze formulering van artikel 5.4.2, tweede lid, heeft tot diverse vragen
van verschillende fracties heeft geleid. Nadere gesprekken met
veldpartijen hebben daarnaast niet geleid tot het formuleren van
criteria die in de praktijk wel bruikbaar zouden zijn. Alles overziend,
stel ik bij nota van wijziging een nieuw artikel 5.4.2, tweede lid, voor
waarin de regels rond het verstrekken van informatie bij wettelijk
geregelde beroepsgeheimen, onveranderd blijven.
130. De leden van de GroenLinks-fractie begrijpen dat een zorgverlener op basis van artikel 5.4.2 nadere voorwaarden kan stellen aan de verstrekking waaraan de gemeente zou moeten voldoen. Aan welke andere door de verstrekkende partij te verstrekken voorwaarden wordt gedacht in artikel 5.4.2? Gelden deze door de zorgverlener gestelde voorwaarden ook als de gemeente de verstrekte gegevens voor haar eigen doeleinden gaat gebruiken? Welke rechtsmiddelen hebben cliënt en zorgverlener als niet aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan? Zijn deze rechtsmiddelen opgenomen in de wet? Zo niet, waarom niet?
De mogelijkheid tot het stellen van nadere voorwaarden is in het wetsvoorstel opgenomen naar aanleiding van de consultatiereactie van het openbaar ministerie en de reclasseringsorganisaties (3RO). Hierbij is met name gedacht aan de situatie dat de te verstrekken gegevens noodzakelijk zijn voor bijvoorbeeld het onderzoek naar meervoudige problematiek, maar dat de verstrekkende partij als voorwaarde stelt dat hij moet instemmen met eventuele verdere verwerking om zo zicht te houden op wat er met de gegevens gebeurt. Als het om gegevens over de gezondheid gaat, kan het voor het onderzoek en de voor te stellen gecoördineerde aanpak nodig zijn dat een zorgverlener bijvoorbeeld bevestigt dat de cliënt rolstoelafhankelijk is vanwege een progressieve ziekte – en er dus geen verbetering van de situatie meer zal zijn voor wat betreft zijn mobiliteit – maar dat de zorgverlener als voorwaarde stelt dat andere partijen die betrokken zijn alleen vernemen dat de cliënt rolstoelafhankelijk is, zodat die partijen de hulpverlening daarop kunnen afstemmen. Op zich is dit al een situatie waarbij het vermelden van de oorzaak van rolstoelafhankelijkheid voor andere betrokken partijen niet relevant en dus ook niet noodzakelijk is. Het college moet al zelf bij iedere verwerking en verdere verwerking van gegevens beargumenteren of die verwerking noodzakelijk is, maar het kan voor het college en de verstrekkende partij behulpzaam zijn om hier bij voorbaat bij stil te staan, door te bespreken wat voorwaarden voor verdere verwerking zijn.
Voorwaarden gelden voor zover een verstrekkende partij die stelt. Wanneer de gegevens in strijd met deze voorwaarden worden verwerkt kan sprake zijn van een onrechtmatige verwerking. De betrokkene kan de verwerkingsverantwoordelijke dan uiteraard verzoeken om de gegevensverwerking te staken en de gegevens te wissen voor zover er niet is voldaan aan de voorwaarden. Daarnaast is het mogelijk om een schadevergoeding te verzoeken bij de bestuursrechter (bij claims tot 25.000 euro vanwege onrechtmatige verwerking door een bestuursorgaan) of bij de civiele rechter. Verder kan er een klacht worden ingediend bij de functionaris gegevensbescherming of de Autoriteit Persoonsgegevens.
Daarbij geldt als algemeen uitgangspunt dat de gestelde schade moet worden onderbouwd. Volgens overweging 146 van de AVG moet een betrokkene volledige en daadwerkelijke vergoeding van de door hem geleden schade ontvangen en moet daarbij worden uitgegaan van een ruim schadebegrip. Dat betekent volgens jurisprudentie van de Afdeling echter niet dat schending van de AVG per definitie tot schade leidt. Schade moet “reëel en zeker” zijn geleden. De betrokkene moet
aannemelijk maken dat hij in zijn eer of goede naam of anderszins in zijn persoon is aangetast en moet de door hem geleden schade met concrete gegevens onderbouwen.
131. Genoemde leden vragen de regering ook waarom er niet gekozen is om in het wetsvoorstel vast te leggen dat alleen een zorgverlener met een beroepsgeheim (een medisch adviseur) kennis mag nemen van de verstrekte medische gegevens? Is de regering voornemens dit alsnog op te nemen in het wetsvoorstel?
Om in een onderzoek naar meervoudige problematiek een goed beeld te krijgen van de problemen die spelen en de samenhang daartussen, alsmede om op basis daarvan een goed voorstel voor een gecoördineerde aanpak te kunnen doen, is het niet werkbaar als alleen een medisch adviseur die gegevens kan verwerken. De Wams geeft grondslagen voor de verwerking van gegevens, in elke fase slechts voor zover die verwerking noodzakelijk is. De verstrekker van gegevens over de gezondheid stelt zelf die noodzakelijkheid vast, en zal daarvoor in het grootste deel van de gevallen alleen verstrekken met toestemming van de cliënt. Het gaat dan sowieso om beperkte gegevens en nooit om een heel medisch dossier. Hierbij moet bedacht worden dat bijvoorbeeld het gegeven dat een cliënt slecht ter been is al een medisch gegeven is dat zeer relevant kan zijn voor de aanpak van de meervoudige problematiek van deze cliënt, zonder dat verder iets bekend is over de medische oorzaak hiervan. Als alleen een medisch adviseur kennis zou mogen nemen van gegevens over de gezondheid, zou dit in feite betekenen dat alleen die adviseur een onderzoek naar meervoudige problematiek zou kunnen doen. Dat levert geen werkbare situatie op en schiet het doel van een onderzoek naar meervoudige problematiek voorbij. Belangrijk is dat in de Wams de gegevensverwerking is beperkt tot die gegevens die in een concrete casus noodzakelijk zijn gelet op het doel van de verwerking. Medische gegevens uitvragen terwijl die niet relevant zijn, is niet toegestaan.
132. Kan de regering ook verhelderen op welke grondslag uit artikel 6 van de AVG een zorgverlener met een beroepsgeheim zich kan beroepen als hij of zij zonder toestemming van de cliënt op basis van artikel 5.4.2 bijzondere persoonsgegevens aan het college B&W verstrekt?
Voor verstrekking van gegevens over de gezondheid zonder toestemming van de cliënt kunnen verschillende grondslagen uit artikel 6 AVG van toepassing zijn. Zo kan de verstrekking op grond van artikel 6, eerste lid, onder b plaatsvinden, bijvoorbeeld in het geval de zorgverlener van oordeel is dat de verstrekking nodig is in het kader van de behandelovereenkomst. Artikel 6, eerste lid, onderdeel c, AVG geldt voor zover toepassing wordt gegeven aan de wettelijke verplichting van artikel 5.4.2, eerste lid. Als er sprake is van een situatie waarin de vitale belangen van de cliënt of iemand andere moeten worden beschermd, geldt artikel 6, eerste lid, onderdeel d. Tot slot kan de verstrekking door een zorgverlener ook plaatsvinden op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel f (gerechtvaardigd belang).87
133. De leden van de GroenLinks-fractie lezen dat het college verwerkingsverantwoordelijke is indien de coördinator een gemeenteambtenaar is. Indien een partij of een medewerker van een partij coördinator is, is die partij verwerkingsverantwoordelijke. Over dat laatste geval hebben genoemde leden nog wat vragen. Klopt het dat een hulpverlener dus ook aangewezen kan worden als coördinator? Heeft de hulpverlener hier tijd voor en krijgt hij hiervoor financiering? Zeker gezien het feit dat er nu al veel tekorten zijn aan hulpverleners? Klopt het dat de hulpverlener dan los van het hulpverleningsdossier ook nog een coördinatiedossier moet opstellen en bewaren? Is dit een gewenste situatie? Is het een idee om een betere afbakening van de coördinatierol en inhoudelijke behandelrol van een hulpverlener op te nemen in het wetsvoorstel? Is het nodig om bepalingen op te nemen ten aanzien van het aanleggen en bewaren van het coördinatiedossier?
Inderdaad kan een hulpverlener ook worden aangewezen als coördinator.
Dat kan voor bepaalde cliënten zeker een gewenste situatie zijn, omdat
deze hulpverlener al betrokken is en deze persoon voor de cliënt een
vertrouwd aanspreekpunt is. Als de aanpak van meervoudige problematiek
hierdoor beter kan verlopen, zal dit er ook toe kunnen leiden dat de
hulpverlening efficiënter wordt en wellicht eerder kan worden afgebouwd.
De verwachting is dan ook dan de coördinatietaak goed is in te passen
naast een hulpverleningstaak. Gemeenten zullen bij de inkoop van
hulpverleningstaken ook aandacht moeten hebben voor de uitvoering van
coördinatietaken door hulpverleners. Bij de implementatie van het
wetsvoorstel zal daar aandacht voor zijn.
Het is aan het college om te bepalen welke persoon in een bepaalde casus
geschikt is als coördinator. De coördinator heeft als taak het monitoren
van de voortgang van de uitvoering van de gecoördineerde aanpak, het
afstemmen met de bij de gecoördineerde aanpak betrokken partijen, en zo
nodig het maken van afspraken tussen betrokken partijen, bijvoorbeeld
bij signalen dat de uitvoering van de gecoördineerde aanpak op
belemmeringen stuit. Hoeveel tijd dat kost zal afhangen van de casus en
het aantal partijen dat is betrokken bij de gecoördineerde aanpak.
Binnen de implementatie-aanpak van de Wams zullen gemeenten en
ketenpartners ondersteund worden bij het aanstellen van een coördinator
en het organiseren van een casusoverleg. De taken van de coördinator
zijn vastgelegd in artikel 2.3a.3, derde, vierde en vijfde lid, van het
wetsvoorstel. Daarin staat ook dat de coördinator de voortgang en
afspraken vastlegt in een coördinatiedossier.
De regels voor verwerking van persoonsgegevens door een coördinator,
zijn vastgelegd in artikel 5.4.4, tweede tot en met vijfde lid. De
partij of het college waarvoor de coördinator werkzaam is, is
verwerkingsverantwoordelijke en moet zorgen voor een systeem dat voldoet
aan de beveiligingseisen en waarin dossiers met betrekking tot de inhoud
van hulpverlening en met betrekking tot de coördinatie van elkaar
gescheiden zijn. Ook nu al moeten deze partijen en gemeenten voor de
verwerking van gegevens zijn toegerust op de noodzakelijke beveiliging
en scheiding van diverse dossiers.
Met de voorgestelde bepalingen is de taak van een coördinator zodanig
gereguleerd dat die taak duidelijk is afgebakend ten opzichte van een
eventuele rol als hulpverlener. Dat verschillende taken bij één persoon
worden belegd is overigens niet nieuw. In het sociaal domein komt het
bijvoorbeeld vaak voor – onder andere in lokale teams – dat de daar
werkzame professionals zowel zorgen voor de toeleiding naar zorg als
voor het verlenen van zorg. Ook dan moeten dossiers van elkaar zijn
gescheiden. In het traject Uitwisseling persoonsgegevens en privacy
(UPP) als onderdeel van het programma Sociaal Domein is in de periode
2018–2021 in samenwerking met privacy officers van gemeenten een aantal
handreikingen opgesteld voor gemeenten en medewerkers die werkzaam zijn
in het sociaal domein of lokale teams. Een van die handreikingen gaat
over het zogenaamde pettenvraagstuk waarop deze vraag doelt. De
medewerker moet zich bewust zijn van welke “pet” hij op een bepaald
moment op heeft; voor verschillende rollen gelden verschillende regels
als het gaat om het verwerken van persoonsgegevens. Deze verschillende
rollen met verschillende bevoegdheden zijn in de wetgeving duidelijk van
elkaar afgebakend en in de praktijk zijn professionals erop getraind om
hier bewust mee om te gaan. In artikel 5.4.4, zevende lid, wordt
geregeld dat de coördinator bij beëindiging van de gecoördineerde
aanpak, de gegevens die hij heeft verwerkt uit hoofde van zijn
coördinatietaak, overdraagt aan het college. Artikel 5.4.5, tweede lid,
regelt dat het college die gegevens vanaf dat moment twee jaar
bewaart.
134. De leden van de GroenLinks-fractie vragen of uitsluitend partijen die daartoe bereid zijn als coördinator kunnen worden benoemd? Zo ja, is dat vastgelegd in het wetsvoorstel?
Het college is op grond van het voorgestelde artikel 2.3a.3, eerste lid, verantwoordelijk voor het aanstellen van een coördinator. Bij die verantwoordelijkheid hoort dat iemand wordt aangewezen die deze taak naar behoren kan vervullen. Daarbij past logischerwijs niet dat het college deze taak aan iemand toebedeelt die er niet toe bereid is.
135. De leden van de GroenLinks-fractie vragen de regering ook wat er gebeurt als de cliënt tijdens het onderzoek of coördinatie verhuist naar een andere gemeente. Worden de persoonsgegevens dan overgedragen aan een ander college? Hoe gaat dit in zijn werk? Klopt het dat het wetsvoorstel ook niet voorziet in een samenloopbepaling voor de gecoördineerde aanpak als meerdere colleges verantwoordelijk zijn? Is een samenloopbepaling overwogen?
Artikel 2.6.1 van de Wmo 2015 bepaalt dat de colleges met elkaar samen werken indien dat voor een doeltreffende en doelmatige uitvoering van deze wet aangewezen is. Dat geldt dus ook eventuele samenwerking in het kader van de aanpak van meervoudige problematiek, zoals voorgesteld in dit wetsvoorstel, dat in onderdeel zal zijn van de Wmo 2015. Bij een verhuizing kan ervoor gekozen worden om de gecoördineerde aanpak af te maken in de nieuwe woonplaats met andere partijen. Een en ander hangt af van de aard van de problematiek af, of die afhankelijk is van lokale voorzieningen of niet. Soms zal het beter zijn om bij het college van de nieuwe gemeente opnieuw hulp te vragen. Gegevens over de lopende gecoördineerde aanpak, over eerder verstrekte diensten uit het sociaal domein of van een lopend onderzoek naar meervoudige problematiek kunnen worden verstrekt aan de nieuwe gemeente. Beide colleges zijn op grond van de wet bevoegd de gegevens te verwerken, daarom is er in principe geen aparte bepaling voor nodig. Toch stel ik voor bij nota van wijziging hiervoor in artikel 5.4.4 een expliciete grondslag op te nemen, omwille van de duidelijkheid en omdat een expliciete grondslag voor de overdracht van gegevens bij een verhuizing zal bijdragen aan snellere en betere hulp voor cliënten die verhuizen.
Verder geldt dat in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening is geregeld dat de gemeente ervoor kan kiezen in bijzondere omstandigheden schuldhulpverlening te geven aan een persoon die geen inwoner is (artikel 3, vijfde lid, Wgs). Voorts is in de Participatiewet geregeld dat als iemand loonkostensubsidie ontvangt op grond van de Participatiewet en verhuist, de loonkostensubsidie gedurende de dienstbetrekking blijft doorlopen (artikel 10d, tiende lid, Participatiewet).
136. Deze leden vragen de regering ook wat er gebeurt met de coördinator na afloop van de gecoördineerde aanpak. Blijft de coördinator na de overdracht van de gegevens verwerkingsverantwoordelijke of draagt hij de gegevens over? Zo ja aan wie, en wie is dan verantwoordelijk?
Als de gecoördineerde aanpak wordt beëindigd vervalt ook de taak van de coördinator. Hij draagt alle gegevens die zijn verwerkt bij de uitoefening van de coördinatietaak op grond van artikel 5.4.4, zevende lid, over aan het college. De overgedragen gegevens worden dan op grond van artikel 5.4.5, tweede lid, nog 2 jaar door het college bewaard. Het college heeft de gegevens vanaf het moment van overdracht weer in beheer en is zodoende verwerkingsverantwoordelijke.
137. De leden van de GroenLinks-fractie lezen dat de regering bij AMvB wil bepalen welke partijen vanuit de aanpalende domeinen bij een onderzoek naar de mogelijke coördinatie kunnen worden betrokken en voor welke taken zij kunnen worden betrokken. De regering streeft ernaar deze AMvB tegelijkertijd met het wetsvoorstel in werking te laten treden. Kan de regering met de nota naar aanleiding van het verslag tevens een concept van deze AMvB naar de Kamer sturen?
In de amvb zal een lijst worden opgenomen met beoogde partijen die deel kunnen nemen aan een onderzoek naar meervoudige problematiek en aan een gecoördineerde aanpak en op basis van welke wettelijke taak zij dat kunnen doen. Een concept van deze lijst voeg ik als bijlage onderaan deze nota naar aanleiding van het verslag toe. De concept-amvb die met veldpartijen, waaronder gemeenten, UVW, SVB en CIZ, is voorbereid, zal op korte termijn via een internetconsulatie openbaar worden gemaakt.
138. De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering heeft overwogen om de partijen die betrokken kunnen worden bij de gecoördineerde aanpak in de wet vast te leggen, eventueel met de mogelijkheid om aanvullende partijen bij AmvB toe te voegen?
In het wetsvoorstel wordt in artikel 1.1.1 de definitie van partij
opgenomen. Het betreft alle instanties en mensen die kunnen worden
betrokken bij een onderzoek naar meervoudige problematiek en daarna bij
een gecoördineerde aanpak. Die aanpak ziet zowel op het sociale domein
als op de aanpalende domeinen. Omdat aanpalende domeinen potentieel een
groot werkterrein beslaan, is het omwille van de rechtszekerheid van
cliënten maar ook voor de potentiële partijen zelf noodzakelijk om
duidelijk af te bakenen welke partijen op grond van welke taken
betrokken kunnen worden bij het onderzoek en de gecoördineerde aanpak.
De Autoriteit Persoonsgegevens heeft dit ook in zijn advies
aangegeven.
Een regeling bij amvb geeft iets meer flexibiliteit als blijkt dat
aanpassing nodig is vanwege een te ruime of te enge verwijzing naar de
taken van partijen. Zoals de leden van de GroenLinks-fractie suggereren,
zou het mogelijk zijn om een deel van de partijen wel te noemen in de
wet en bij amvb een aanvullende lijst vast te stellen. Dit komt de
toegankelijkheid van de wetgeving echter niet ten goede. De bijlage voor
de amvb zoals die nu in concept is opgesteld, geeft een duidelijk
overzicht van de partijen en de bijbehorende taakafbakening. Daarbij is
het zo dat de kernelementen, namelijk de definitie van partij tezamen
met de definitie van aanpalende domeinen, in de wet staan, zodat de
reikwijdte van het wetsvoorstel voldoende duidelijk is en de delegatie
concreet en begrensd is.
139. De leden van de Groenlinks-fractie vragen in de wet op te nemen dat gegevens die worden verwerkt in het kader van de gecoördineerde aanpak niet gebruikt mogen worden voor andere doeleinden, zoals fraudebestrijding en andere handhavingsverplichtingen.
In lijn met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) regelt
het wetsvoorstel expliciet welke verwerkingen van persoonsgegevens wel
zijn toegestaan. Hieruit volgt dat gegevensverwerking voor andere doelen
niet zijn toegestaan. De verwerking van persoonsgegevens is toegestaan
voor het onderzoek naar meervoudige problematiek, dat tot doel heeft de
problemen van cliënten en hun gezin te verminderen of weg te nemen
(artikel 2.3a.1, vierde lid en 2.3a.4, tweede lid). De persoonsgegevens
mogen verder worden verwerkt voor zover dat noodzakelijk is voor de
gecoördineerde aanpak en voor het verkrijgen van diensten uit het
sociaal domein (artikel 2.3a.2 en 5.4.4, eerste lid). Door deze
wettelijke grondslag voor verdere verwerking van noodzakelijke gegevens
hoeven cliënten en betrokken partijen de gegevens niet opnieuw te
verstrekken. Dit betekent dat voor de uitvoering van de desbetreffende
wet uit het sociale domein, de gegevens kunnen worden gebruikt die in
eerste instantie werden verwerkt voor het onderzoek, waarbij geldt dat
de verwerking van die gegevens noodzakelijk moet zijn om de
desbetreffende dienst uit het sociaal domein te kunnen
verstrekken.
Artikel 5.4.4, eerste lid, onderdeel a, geeft ook de grondslag om
gegevens verder te verwerken ten behoeve van interventies op grond van
de Jeugdwet en de Wet inburgering 2021. Het gaat dan om een verzoek tot
onderzoek bij de Raad voor de Kinderbescherming, het uitvoeren van een
kinderbeschermingsmaatregel of het voldoen aan de inburgeringsplicht.
Bij nota van wijziging wordt voorgesteld artikel 5.4.4, eerste lid,
onderdeel a, zo aan te passen dat duidelijk is dat verdere verwerking
van gegevens uit een onderzoek naar meervoudige problematiek door het
college is toegestaan ten behoeve van het verstrekken van diensten op
grond van de sociaaldomeinwetten en de Wet inburgering 2021 en daarnaast
alleen ten behoeve van de bovengenoemde interventies die ook onderdeel
kunnen zijn van een gecoördineerde aanpak.
Op grond van de AVG moet ook het verder verwerken van gegevens expliciet
bij wet worden geregeld, anders is verdere verwerking niet toegestaan.
Op grond van artikel 5.4.4, eerste lid, onderdeel b, van het
wetsvoorstel kunnen gegevens verder worden verwerkt voor enkele
bevoegdheden van de burgermeester. Het is passend dat het college deze
gegevens – voor zover de noodzaak daartoe is gebleken uit het onderzoek
als bedoeld in artikel 2.3a.1, vierde lid, of artikel 2.3a.4, tweede lid
– aan de burgemeester kan verstrekken met het oog op zijn bevoegdheden
in het kader van openbare orde en veiligheid. Als deze grondslag voor
gegevensverstrekking in de wet zou ontbreken, zou de burgemeester niet
over deze gegevens beschikken, terwijl op basis van een onderzoek naar
meervoudige problematiek is gebleken dat er mogelijk sprake is van een
situatie waarbij de veiligheid van de cliënt, zijn gezinsleden of
anderen in de directe omgeving, in het geding is. Als de situatie
escaleert omdat de burgemeester geen maatregelen nam, zou het achteraf
vreemd zijn als blijkt dat het college wel van de situatie op de hoogte
was maar wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag de
burgemeester hiervan niet op de hoogte mocht stellen.
140. Wat zijn de gevolgen als de gegevens toch gebruikt worden,
bijvoorbeeld om een uitkering in te trekken en terug te vorderen omdat
de cliënt samen blijkt te wonen? Is zo’n besluit onrechtmatig en
vernietigbaar of blijft het besluit in stand? Is er dan recht op een
schadevergoeding?
De gegevens die worden verwerkt in een onderzoek naar meervoudige problematiek, mogen verder worden verwerkt voor zover dat noodzakelijk is voor de gecoördineerde aanpak, zoals die met de cliënt wordt afgesproken. Verdere verwerking is – zoals bij de bovenstaande vraag is besproken – ook toegestaan om verdere uitvoering te geven aan diensten uit de sociaal domeinwetten of de bovengenoemde interventies. Als de Participatiewet onderdeel is van het onderzoek naar meervoudige problematiek (artikel 2.3a.1, vierde lid en artikel 2.3a.4, tweede lid), kunnen gegevens beschikbaar komen waaruit blijkt dat iemand mogelijk onterecht een uitkering ontvangt. De medewerker die het onderzoek heeft uitgevoerd informeert de cliënt over de uitkomsten van het onderzoek naar meervoudige problematiek (artikel 2.3a.2). Hierbij zal de medewerker ook het gesprek aangaan met de cliënt over een mogelijke onterechte uitkering. De gecoördineerde aanpak heeft tot doel de problemen van cliënten en hun gezin te verminderen of weg te nemen. Gelet op dit doel, wordt met de cliënt besproken hoe een rechtmatige situatie kan worden bereikt, zonder dat er nog grotere (financiële) problemen ontstaan. Gelet op dit doel, en de grondslagen voor gegevensverwerking in dit wetsvoorstel, mag het college de gegevens uit het onderzoek naar meervoudige problematiek niet gebruiken om een onterechte uitkering aan te passen. De cliënt is ook niet verplicht om de voorgestelde gecoördineerde aanpak en de daarin voorgestelde diensten te accepteren. Hij kan bijvoorbeeld niet worden verplicht bijstand aan te vragen.
Los van de in dit wetsvoorstel voorgestelde gecoördineerde aanpak bij meervoudige problematiek blijven gemeenten de Participatiewet uitvoeren en daar toezicht op houden. Die wet bevat een inlichtingenplicht (art. 17, eerste lid). Dat betekent dat de belanghebbende zelf moet melden als er feiten of omstandigheden zijn die van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Dat kunnen ook feiten of omstandigheden zijn die tijdens het onderzoek of de gecoördineerde aanpak zijn gebleken.
De Wams verandert niets aan de bestaande bepalingen en kaders die gelden voor een onrechtmatige overheidsdaad, en sluit toepassing hiervan niet uit. Dat geldt ook voor de mogelijkheid van het recht op schadevergoeding van artikel 82 van de AVG. Een betrokkene die meent dat een onrechtmatige verwerking van zijn persoonsgegevens schade heeft veroorzaakt, kan hier een beroep op doen.
141. De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering kan zorgdragen voor een regeling die proportionele gegevensdeling aan de zorg- en veiligheidshuizen toelaat.
De Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden88 (WGS) regelt de gegevensverwerking door Zorg- en Veiligheidshuizen. Zorg- en Veiligheidshuizen worden in die wet aangemerkt als samenwerkingsverband waarbinnen de aangewezen deelnemers gegevens verstrekken en gezamenlijk verwerken. Artikel VIII van het voorliggende wetsvoorstel voorziet in de benodigde samenloopregelingen. De voorgestelde bepalingen hebben tot doel om waar nodig aansluiting en afstemming mogelijk te maken, zowel in de fase van een onderzoek naar meervoudige problematiek als in de fase van de gecoördineerde aanpak, zodat dubbel onderzoek, gebrekkige afstemming en onnodige verzameling en verspreiding van gegevens kan worden voorkomen. Gegevensuitwisseling tussen beide trajecten vindt slechts plaats voor zover de inhoud van de problematiek dat noodzakelijk maakt. De samenloopbepalingen voorzien in de nodige wettelijke grondslagen voor de verwerking van gegevens in dat kader.
142. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering wat deze wetswijziging verandert voor de werkwijze van professionals. Neemt deze wetswijziging alleen de handelingsverlegenheid bij professionals weg, zodat zij gegevens over domeinen heen zullen uitwisselen, of zorgt deze wetswijziging ook voor een andere manier van toegang tot hulp bij meervoudige problematiek?
Deze wetswijziging zal vooral leiden tot beter op elkaar afgestemde en daarmee waarschijnlijk ook betere hulp voor mensen met meervoudige problematiek. Deze mensen zullen op dezelfde manier als nu met een hulpvraag bij de gemeente komen, maar als er mogelijk sprake is van meervoudige problematiek geeft dit wetsvoorstel de regels en waarborgen voor gegevensverwerking die nodig zijn om de beoogde hulp en voorzieningen goed op elkaar af te stemmen. De duidelijk regels zullen de handelingsverlegenheid van professionals kunnen verminderen omdat de Wams specifieke knelpunten op het gebied van gegevensverwerking wegneemt die nu die in de weg staan aan het kunnen doen van onderzoek naar meervoudige problematiek en het uitvoeren van een gecoördineerde aanpak.
143. Deze leden vragen bovendien of deze wetswijziging beoogt om in de praktijk deze handelswijze bij meervoudige problematiek te integreren in de standaardroute voor de Wmo 2015, of beoogt de regering dat er in de praktijk een aparte aanmeld- en ondersteuningsroute voor cliënten en gezinnen met meervoudige problematiek wordt opgezet? En als dit niet beoogd wordt, ziet de regering wel de mogelijkheid of risico’s dat gemeenten dit in de praktijk wel zo inrichten? Hoe wenselijk zou dat zijn, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie de regering.
Het wetsvoorstel bevat een nieuwe paragraaf die wordt toegevoegd aan hoofdstuk 2 van de Wmo 2015. De nieuwe paragraaf voorziet in de procedure voor een onderzoek naar meervoudige problematiek en indien nodig een gecoördineerde aanpak, en wordt ingevoegd na paragraaf 3 waarin de gewone procedure voor de aanvraag van een maatwerkvoorziening is opgenomen. Mensen kunnen met verschillende hulpvragen op het sociaal domein “binnen komen” in de route voor een onderzoek naar meervoudige problematiek. Dit kan een aanvraag zijn op grond van de Wmo 2015, maar het wetsvoorstel bevat in de artikelen II, V en VI ook zogenaamde schakelbepalingen. Deze artikelen regelen dat als iemand aanklopt met een probleemvraag op het terrein van de Jeugdwet, de Participatiewet of de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (dit zijn tezamen met de Wmo 2015 de sociaal domein wetten) en blijkt dat er mogelijk sprake is van meervoudige problematiek, een onderzoek wordt gestart. De Wams voorziet dus niet in een aparte aanmeldroute. Aan de hand van de hulpvraag en het gesprek met de cliënt zal blijken of er mogelijk sprake is van meervoudige problematiek. In zo’n geval wordt – in samenspraak met de cliënt – een onderzoek naar meervoudige problematiek gedaan, en volgt mogelijk een gecoördineerde aanpak. Het is aan gemeenten zelf hoe ze een en ander praktisch inrichten. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat een gemeente professionals in dienst heeft die meer gespecialiseerd zijn in onderzoek bij meervoudige problematiek. Een aparte aanmeldroute zou er niet toe moeten leiden dat mensen die te kampen hebben met meervoudige problematiek niet worden geholpen omdat ze zich niet op de juiste plaats hebben aangemeld. Het gesprek met de cliënt over de hulpvraag moet leidend zijn om vast te stellen wat de juiste route is.
144. Voorziet het wetsvoorstel ook in de mogelijkheid om persoonsgegevens uit het onderzoek of de coördinatie van het onderzoek aan een ander college over te dragen, als een cliënt tijdens het onderzoek of coördinatie verhuist naar een andere gemeente? De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat het wel mogelijk is om een melding over te dragen, maar zij interpreteren het wetsvoorstel nu zo dat bij verhuizing tijdens het onderzoek of de coördinatie het college van de nieuwe gemeente een nieuw onderzoek moet starten. Zij vragen wat de wenselijkheid is hiervan. Deze leden vragen de regering bovendien hoe het wetsvoorstel werkt als meerdere colleges betrokken zijn, omdat bijvoorbeeld het ene college verantwoordelijk is voor beschermd wonen en het andere voor Wmo 2015-ondersteuning. Is een samenloopbepaling overwogen?
Artikel 2.6.1 van de Wmo 2015 bepaalt dat de colleges met elkaar samen werken indien dat voor een doeltreffende en doelmatige uitvoering van deze wet aangewezen is. Dat geldt dus ook eventuele samenwerking in het kader van de aanpak van meervoudige problematiek, zoals voorgesteld in dit wetsvoorstel, dat in onderdeel zal zijn van de Wmo 2015. Bij een verhuizing kan ervoor gekozen worden om de gecoördineerde aanpak af te maken in de nieuwe woonplaats met andere partijen. Een en ander hangt af van de aard van de problematiek af, of die afhankelijk is van lokale voorzieningen of niet. Soms zal het beter zijn om bij het college van de nieuwe gemeente opnieuw hulp te vragen. Gegevens over de lopende gecoördineerde aanpak, over eerder verstrekte diensten uit het sociaal domein of van een lopend onderzoek naar meervoudige problematiek kunnen worden verstrekt aan de nieuwe gemeente. Beide colleges zijn op grond van de wet bevoegd de gegevens te verwerken, daarom is er in principe geen aparte bepaling voor nodig. Toch stel ik voor bij nota van wijziging hiervoor in artikel 5.4.4 een expliciete grondslag op te nemen, omwille van de duidelijkheid en omdat een expliciete grondslag voor de overdracht van gegevens bij een verhuizing zal bijdragen aan snellere en betere hulp voor cliënten die verhuizen.
Verder is in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening geregeld dat de gemeente ervoor kan kiezen in bijzondere omstandigheden schuldhulpverlening te geven aan een persoon die geen inwoner is (artikel 3, vijfde lid, Wgs). Voorts geldt voor de Participatiewet dat als iemand loonkostensubsidie ontvangt op grond van de Participatiewet en verhuist, de loonkostensubsidie gedurende de dienstbetrekking blijft doorlopen (artikel 10d, tiende lid, Participatiewet).
145. De leden van de ChristenUnie-fractie nemen de opmerking van de Afdeling serieus dat het om een behoorlijk privacy-bewustzijn bij medewerkers vraagt om gegevens uit het onderzoek niet voor andere doelen zoals de aanpak van fraude te gebruiken. Deze leden vragen wat de gevolgen zijn als besluiten zijn gebaseerd op onjuist of onbevoegd verwerkte gegevens. Zijn die besluiten dan onrechtmatig en vernietigbaar, of blijven deze besluiten in stand? Is er recht op schadevergoeding op grond van artikel 82 van de AVG als het besluit in stand wordt gehouden? Hoe werkt dit uit als het onderzoek aanleiding geeft voor het vorderen van meer informatie op grond van een andere bevoegdheid, bijvoorbeeld artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet, en de intrekking en terugvordering berust op de gevorderde gegevens? Hoe verhoudt de beperking van het hergebruik van gegevens zich tot verplichtingen om fraude te melden, zoals opgenomen in het voorgenomen artikel 2.3 van de Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg?
Net als de leden van de ChristenUnie-fractie, neemt de regering deze
opmerking van de Afdeling over privacy-bewustzijn serieus. Dit onderwerp
zal ook de nodige aandacht krijgen bij implementatie van de Wams.
Overigens neemt dit niet weg, dat dit ook onder de huidige wetgeving
speelt. Een medewerker moet zich bewust zijn welke taak hij heeft:
toeleiding naar hulp, hulpverlener of toezichthouder, en of gegevens
vanuit die taak rechtmatig zijn verwerkt.
Het onderzoek naar meervoudige problematiek heeft tot doel de problemen
van cliënten en hun gezin te verminderen of weg te nemen. Het onderzoek
wordt in samenspraak met de cliënt gedaan als de aanleiding een verzoek
van de cliënt is (artikel 2.3a.1). Als het onderzoek naar aanleiding van
een verzoek van een partij wordt gedaan (alleen in geval van ernstige
meervoudige problematiek), wordt de cliënt geïnformeerd en zo mogelijk
betrokken (artikel 2.3a.4). Mensen zijn niet verplicht om
dienstverlening te accepteren die naar aanleiding van het onderzoek naar
meervoudige problematiek wordt voorgesteld.
Het wetsvoorstel verandert niets aan de voorwaarden voor
inkomensondersteuning in de Participatiewet en het toezicht daarop.
Omdat hulpverlening en handhaving verschillende taken zijn, zou de in de
vraag geschetste situatie, dat het onderzoek naar meervoudige
problematiek aanleiding geeft tot het vorderen van meer informatie op
grond van artikel 17 van de Participatiewet, zich niet voor moeten doen.
Wat wel kan, is dat uit de gecoördineerde aanpak feiten of
omstandigheden blijken die de belanghebbende zelf moet melden op grond
van artikel 17 van de Participatiewet (inlichtingenplicht). Dat is aan
de orde als er feiten of omstandigheden zijn die van invloed kunnen zijn
op het recht op bijstand.
De Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg (Wbsrz)89 regelt twee instrumenten: het waarschuwingsregister zorgfraude en het Informatieknooppunt Zorgfraude (IKZ). Bij verstrekking aan het waarschuwingsregister moet er sprake zijn van een gerechtvaardigde overtuiging van fraude. Dan bevindt een gemeente zich feitelijk aan het einde van haar fraudeonderzoek en kan zij vaststellen dat er daadwerkelijk sprake is van fraude en zal zij in de regel daar ook aangifte van doen.
Wat betreft het IKZ (artikel 2.4 Wbsrz) hebben instanties de verplichting om signalen over een vermoeden van fraude aan het IKZ te verstrekken. Dit is informatie uit de reguliere toezichts- en handhavingstaak en niet uit het onderzoek naar meervoudige problematiek die het wetsvoorstel mogelijk maakt. De Wbsrz heeft in principe een eigenstandige werking, maar het IKZ ‘draait’ natuurlijk op de signalen die instanties bij hun reguliere taakuitoefening opdoen. Overigens is in de Besluit bevorderen samenwerkingen rechtmatige zorg (Bbsrz) ook vrij uitvoerig beschreven welke gegevens een gemeente daarvoor dient te verstrekken.
146. De leden van de ChristenUnie-fractie zien nog wel meer terreinen waar verwerken van persoonsgegevens tussen domeinen behulpzaam kan zijn voor goede hulpverlening aan cliënten, bijvoorbeeld het niet-gebruik van regelingen beperken. In hoeverre kan deze wetswijziging gebruikt worden om niet-gebruik tegen te gaan?
Met de leden van de ChristenUnie-fractie ben ik het eens dat het van belang is dat niet-gebruik wordt tegengegaan. Dit wetsvoorstel kan daar zeker aan bijdragen. Als een cliënt bij de gemeente aanklopt met een hulpvraag op één van de sociaal domeinwetten, kan blijken dat er meer aan de hand is en in samenspraak met de cliënt een onderzoek naar meervoudige problematiek worden gestart. Uit dit onderzoek kan naar voren komen dat de cliënt inderdaad met meer geholpen kan worden dan alleen met de hulp die hij aanvankelijk vroeg. Ook een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek op grond van artikel 2.3a.4 kan bijdragen aan het tegengaan van niet-gebruik. Als de cliënt die niet zelf met een
hulpvraag kwam uiteindelijk bereid wordt gevonden de hulp van de geboden gecoördineerde aanpak te aanvaarden, draagt dat bij aan het tegengaan van niet-gebruik.
147. De leden van de SGP-fractie constateren dat in deze paragraaf van de memorie van toelichting gedetailleerd de procedure wordt toegelicht die wettelijk wordt verankerd. Zij vragen de regering het advies van de Afdeling te heroverwegen om dit uit het wetsvoorstel te schrappen, omdat dit geen recht doet aan de gedecentraliseerde verhoudingen.
Het advies van de Afdeling is aanleiding geweest om nog eens goed te kijken naar de noodzaak van bepaalde procedurele regels. De Afdeling stelde daarbij de vooral regels met betrekking tot de werkwijze van de coördinator, het casusoverleg en het meldpunt ter discussie. Omdat het wetsvoorstel niet alleen de grondslagen voor gegevensverwerking beoogt te regelen, maar ook beoogt inwoners waarborgen te bieden tegen een mogelijk te ruime gegevensverwerking, is het niet goed mogelijk het voorstel volledig te beperken tot de ‘wat’ vraag (‘wat moet of mag het college doen’), maar richt het zich in beperkte mate, ook op de ‘hoe’ vraag, mede gezien de handelingsverlegenheid bij gemeenten. Het wetsvoorstel geeft namelijk nadere invulling aan uit de AVG voortvloeiende verplichtingen inzake gegevensverwerking. Zou uitsluitend de ‘wat’ vraag zijn beantwoord, dan zouden de waarborgen van de AVG alleen in abstracte zin geboden kunnen worden. De regering beoogt met dit wetsvoorstel gemeenten, en de partners met wie zij werken, voldoende houvast te bieden bij de gecoördineerde aanpak van meervoudige problematiek én burgers het vertrouwen te bieden dat gemeenten zorgvuldig en daadkrachtig kunnen optreden. Daartoe krijgt het college op wetsniveau concrete handvatten voor het inrichten van een zorgvuldige procedure die bedoeld is te bewerkstelligen dat alleen de noodzakelijke gegevens worden verwerkt en gegevens niet onnodig verspreid worden onder partijen die betrokken zijn bij een onderzoek naar meervoudige problematiek of bij een gecoördineerde aanpak. Deze procedurele “kapstok” biedt de haakjes die nodig zijn om de verwerking van gegevens duidelijk in te kaderen tot wat noodzakelijk is per stap in het proces. Door duidelijkheid te bieden over bepaalde processtappen, kan de aandacht gaan naar de inhoud van de problematiek en de mogelijke oplossingen waarbij gemeenten binnen de gegeven kaders de vrijheid hebben hoe ze invulling geven aan deze wet. Het gaat met dit wetsvoorstel dus niet om het inperken van de gemeentelijke beleidsvrijheid voor de aanpak van meervoudige problematiek,
maar om het bieden van kaders en handelingsperspectief om mensen met meervoudige problematiek beter te kunnen helpen binnen de kaders van het eigen gemeentelijke beleid.
De regering meent op deze manier met het wetsvoorstel enerzijds recht te doen aan de decentrale verhoudingen en anderzijds gemeenten en betrokken partijen houvast te geven zodat handelingsverlegenheid wordt voorkomen en de mensen met meervoudige problematiek beter kunnen worden geholpen.
148. Belangrijke elementen van het voorstel worden bij AmvB, zoals welke instanties als ‘partij’ als bedoeld in de voorgestelde wijziging van artikel 1.1.1. Wmo 2015 zullen worden aangewezen. De leden van de SGP-fractie vragen of de regering met de nota naar aanleiding van het verslag tevens een concept van deze AmvB naar de Kamer kan sturen.
In de amvb zal inderdaad een lijst worden opgenomen met beoogde partijen die deel kunnen nemen aan een onderzoek naar meervoudige problematiek en aan een gecoördineerde aanpak en op basis van welke wettelijke taak zij dat kunnen doen. Een concept van deze lijst voeg ik als bijlage onderaan deze nota naar aanleiding van het verslag toe. De concept-amvb die met veldpartijen, waaronder gemeenten, UVW, SVB en CIZ, is voorbereid, zal op korte termijn via een internetconsulatie openbaar worden gemaakt.
149. De leden van de SGP-fractie vragen of de regering, mede gelet op de leesbaarheid van de wet en het belang van het primaat van de wetgever, overwogen om de partijen die betrokken kunnen worden bij de gecoördineerde aanpak in de wet vast te leggen, eventueel met de mogelijkheid om aanvullende partijen bij AmvB toe te voegen?
In de voorgestelde wijziging van artikel 1.1.1 is de definitie van
partij opgenomen. Het betreft alle instanties en mensen die kunnen
worden betrokken bij een onderzoek naar meervoudige problematiek en
daarna zo nodig bij een gecoördineerde aanpak. Zowel het onderzoek als
de gecoördineerde aanpak kunnen betrekken hebben op het sociale domein
en op de aanpalende domeinen. Omdat aanpalende domeinen potentieel een
groot werkterrein beslaan, is het omwille van de rechtszekerheid van
cliënten maar ook voor de potentiële partijen zelf noodzakelijk om
duidelijk af te bakenen welke partijen op grond van welke taken
betrokken kunnen worden bij het onderzoek en de gecoördineerde aanpak.
De Autoriteit Persoonsgegevens heeft dit ook in zijn advies
aangegeven.
Een regeling bij amvb geeft iets meer flexibiliteit als blijkt dat
aanpassing nodig is vanwege een te ruime of te enge verwijzing naar de
taken van partijen. Zoals de leden van de SGP-fractie suggereren, zou
het mogelijk zijn om een deel van de partijen wel te noemen in de wet en
bij amvb een aanvullende lijst vast te stellen. Het is echter de vraag
of dit de toegankelijkheid van de wetgeving ten goede komt. Om
duidelijkheid te krijgen welke partijen betrokken kunnen worden, moet
dan immers zowel de wet als de amvb worden geraadpleegd.
De bijlage voor de amvb zoals die nu in concept is opgesteld, geeft een
duidelijk overzicht van de partijen en de bijbehorende taakafbakening.
Daarbij is het zo dat de kernelementen, namelijk de definitie van partij
tezamen met de definitie van aanpalende domeinen, op wetsniveau worden
geregeld. Ik ben van mening dat, gelet op het primaat van de wetgever,
de reikwijdte van het wetsvoorstel voldoende duidelijk is en de
delegatie concreet en begrensd is.
150. De leden van de SGP-fractie constateren dat het college en betrokken partijen de persoonsgegevens uit het onderzoek niet voor een ander doel dan de gecoördineerde aanpak verder mogen verwerken, bijvoorbeeld ter bestrijding van fraude. Zoals de Afdeling heeft opgemerkt vergt dat bepaalde kennis en expertise van medewerkers. Hoe wordt zuiver handelen in deze gewaarborgd en gecontroleerd? De leden van de SGP-fractie vragen de regering wat de gevolgen zijn als de gegevens toch gebruikt worden, bijvoorbeeld om (met terugwerkende kracht) een uitkering in te trekken en terug te vorderen omdat de cliënt samen blijkt te wonen of verborgen vermogen heeft? Zijn deze besluiten onrechtmatig en vernietigbaar, of blijven deze besluiten in stand? Bij dit laatste, is er dan recht op schadevergoeding op grond van artikel 82 van de AVG? Hoe werkt dit uit als het onderzoek aanleiding geeft voor het vorderen van meer informatie op grond van een andere bevoegdheid, bijvoorbeeld artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet en de intrekking en terugvordering berust op de gevorderde gegevens?
In lijn met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) regelt
het wetsvoorstel expliciet welke verwerkingen van persoonsgegevens wel
zijn toegestaan. Hieruit volgt dat gegevensverwerking voor andere doelen
niet zijn toegestaan. De verwerking van persoonsgegevens is toegestaan
voor het onderzoek naar meervoudige problematiek, dat tot doel heeft de
problemen van cliënten en hun gezin te verminderen of weg te nemen
(artikel 2.3a.1, vierde lid en 2.3a.4, tweede lid). Het wetsvoorstel
geeft grondslagen zodat de persoonsgegevens verder mogen worden verwerkt
voor de gecoördineerde aanpak en om diensten in het sociaal domein te
verkrijgen (artikel 2.3a.2 en 5.4.4, eerste lid). Het belang van deze
verdere verwerking van gegevens is dat cliënten (en betrokken partijen)
de gegevens niet opnieuw hoeven te verstrekken. De gegevens mogen ook
verder worden verwerkt voor enkele bevoegdheden van de burgermeester en
specifieke interventies die ingezet worden als de veiligheid van een
cliënt of personen in de omgeving in het geding zijn (artikel 5.4.4,
eerste lid). Artikel 5.4.4, eerste lid, onderdeel a, geeft ook de
grondslag om gegevens verder te verwerken ten behoeve van interventies
op grond van de Jeugdwet en de Wet inburgering 2021. Het gaat dan om een
verzoek tot onderzoek bij de raad voor de kinderbescherming, het
uitvoeren van een kinderbeschermingsmaatregel of het voldoen aan de
inburgeringsplicht. Bij nota van wijziging wordt voorgesteld artikel
5.4.4, eerste lid, onderdeel a, zo aan te passen dat duidelijk is dat
verdere verwerking van gegevens uit een onderzoek naar meervoudige
problematiek door het college is toegestaan ten behoeve van het
verstrekken van diensten op grond van de sociaaldomeinwetten en de Wet
inburgering 2021 en daarnaast alleen ten behoeve van de bovengenoemde
interventies die ook onderdeel kunnen zijn van een gecoördineerde
aanpak.
Op grond van de AVG moet ook het verder verwerken van gegevens expliciet
bij wet worden geregeld, anders is verdere verwerking niet toegestaan.
Op grond van artikel 5.4.4, eerste lid, onderdeel b, van het
wetsvoorstel kunnen gegevens verder worden verwerkt voor enkele
bevoegdheden van de burgermeester. Het is passend dat het college deze
gegevens – voor zover de noodzaak daartoe is gebleken uit het onderzoek
als bedoeld in artikel 2.3a.1, vierde lid, of artikel 2.3a.4, tweede lid
– aan de burgemeester kan verstrekken met het oog op zijn bevoegdheden
in het kader van openbare orde en veiligheid.
Gemeenten en de andere betrokken partijen zijn gehouden volgens de privacyregels te werken. Gemeenten moeten daarvoor beleid hebben over het omgaan met de verschillende taken van toeleiding naar hulp, hulpverlener en toezichthouder en wat te doen als deze taken conflicteren. Hiervoor is ook landelijke ondersteuning beschikbaar. In het sociaal domein komt het vaak voor – bijvoorbeeld in lokale teams – dat de daar werkzame professionals zowel zorgen voor de toeleiding naar zorg als voor het verlenen van zorg. In het traject Uitwisseling persoonsgegevens en privacy (UPP) als onderdeel van het programma Sociaal Domein is in de periode 2018–2021 in samenwerking met privacy officers van gemeenten een aantal handreikingen opgesteld voor gemeenten en medewerkers die werkzaam zijn in het sociaal domein of lokale teams. Een van die handreikingen gaat over het zogenaamde pettenvraagstuk. De medewerker moet zich bewust zijn van welke “pet” hij op een bepaald moment op heeft; voor verschillende rollen gelden verschillende regels als het gaat om het verwerken van persoonsgegevens. De gemeente, de bij het lokale team betrokken organisaties en andere partijen die bij de coördinatie betrokken zijn, moeten hierover afspraken met elkaar maken. De genoemde handreiking helpt hierbij.
Om vast te stellen of een gecoördineerde aanpak behulpzaam kan zijn om de problemen te verminderen of op te lossen, wordt onderzoek naar meervoudige problematiek gedaan (artikel 2.3a.1, vierde lid en 2.3a.4, tweede lid). Dat onderzoek heeft tot doel de problemen van cliënten en hun gezin te verminderen of weg te nemen. Als de Participatiewet onderdeel is van het onderzoek naar meervoudige problematiek kunnen gegevens beschikbaar komen waaruit blijkt dat iemand mogelijk onterecht een uitkering ontvangt. De medewerker die het onderzoek heeft uitgevoerd informeert de cliënt over de uitkomsten van het onderzoek naar meervoudige problematiek (artikel 2.3a.2). Hierbij zal de medewerker ook het gesprek aangaan met de cliënt over een mogelijke onterechte uitkering. Zij bespreken op welke manier een rechtmatige situatie kan worden bereikt op een manier die bijdraagt aan het verminderen of wegnemen van de problemen van de cliënt. Dit is passend bij het doel van de aanpak van meervoudige problematiek. Het college mag de gegevens uit het onderzoek naar meervoudige problematiek niet gebruiken om de onterechte uitkering aan te passen.
De Wams verandert niets aan de bestaande bepalingen en kaders die gelden voor een onrechtmatige overheidsdaad, en sluit toepassing hiervan niet uit. Dat geldt ook voor de mogelijkheid van het recht op schadevergoeding van artikel 82 van de AVG. Een betrokkene die meent dat een onrechtmatige verwerking van zijn persoonsgegevens schade heeft veroorzaakt, kan hier een beroep op doen.
Het onderzoek naar meervoudige problematiek wordt in samenspraak met de cliënt gedaan als de aanleiding een verzoek van de cliënt is (artikel 2.3a.1). Als het onderzoek naar aanleiding van een verzoek van een partij wordt gedaan, wordt de cliënt geïnformeerd en zo mogelijk betrokken (artikel 2.3a.4). Mensen zijn niet verplicht de dienstverlening vanuit de Participatiewet, die op basis van het onderzoek naar meervoudige problematiek eventueel wordt voorgesteld, te accepteren. Het wetsvoorstel verandert niets aan de voorwaarden voor inkomensondersteuning in de Participatiewet en het toezicht daarop. Wat wel kan, is dat uit de gecoördineerde aanpak feiten of omstandigheden blijken die de belanghebbende zelf moet melden op grond van artikel 17 van de Participatiewet (inlichtingenplicht). Dat is aan de orde als er feiten of omstandigheden zijn die van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.
151. De leden van de SGP-fractie vragen de regering tevens hoe de
beperking van het hergebruik van gegevens zich verhoudt tot
verplichtingen om fraude te melden zoals opgenomen in het voorgenomen
artikel 2.3 van de Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige
zorg?
Op grond van artikel 2.4 Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg (Wbsrz)90 (voorheen artikel 2.3) hebben de daar genoemde instanties de verplichting om signalen over een vermoeden van fraude aan het Informatieknooppunt Zorgfraude (IKZ) te verstrekken. Dit is informatie uit de reguliere toezichts- en handhavingstaak en niet uit de gecoördineerde aanpak die het wetsvoorstel mogelijk maakt. De Wbsrz heeft in principe een eigenstandige werking, maar het IKZ functioneert op basis van de signalen die instanties bij hun reguliere taakuitoefening opdoen. In het Besluit bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg is uitvoering beschreven welke gegevens een gemeente dient te verstrekken.
152. Het college kan gegevens aan de burgemeester verstrekken in verband met zijn taken op het gebied van de openbare orde, waaronder de sluitingsbevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De verstrekking van deze gegevens en de aanwending van de openbare-orde-bevoegdheden door de burgemeester zijn niet geclausuleerd in artikel 5.4.4, en hoeft dus niet gericht
te zijn op de gecoördineerde aanpak. De leden van de SGP-fractie vragen of de regering onderkent dat dit mogelijk nadelig aanpakt voor de cliënt? Wordt in het kader van de ‘samenspraak’ dit risico medegedeeld?
Het doel van een gecoördineerde aanpak is de problemen van de cliënt en betrokken gezinsleden binnen het sociaal domein en eventuele aanpalende domeinen te verminderen of op te lossen en hen te ondersteunen bij het verbeteren van de zelfredzaamheid en participatie. Als iemand zelf met een hulpvraag aanklopt, wordt in samenspraak met de cliënt gesproken over de reikwijdte van de hulpvraag. Het college is op grond van artikel 5.4.1 bevoegd tot het verwerken van persoonsgegevens van de cliënt voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een onderzoek naar meervoudige problematiek. Er is geen grondslag voor het verwerken van gegevens die niets te maken hebben met de reikwijdte van de hulpvraag en het onderzoek. Uiteraard moet aan de cliënt vooraf worden uitgelegd dat ten behoeve van het onderzoek de noodzakelijke gegevens worden verwerkt en welke gegevens dat kunnen zijn. Dit geldt ook voor een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek als bedoeld in artikel 2.3a.4, tweede lid, dat kan worden gestart op verzoek van een bij de cliënt betrokken partij. Het derde lid van dat artikel bepaalt dat het college de cliënt of cliënten en, indien deze er zijn, zo nodig hun vertegenwoordigers en mantelzorgers informeert over het uitvoeren van een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek en hen zo mogelijk betrekt bij het uitvoeren van het onderzoek. Met name bij een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek is voorstelbaar dat er problemen en gegevens naar voren komen die raken aan de openbare orde en veiligheid. Het kan dan – juist ook in het kader van het oplossen of verminderen van de problemen – gewenst zijn dat de burgemeester een van de in artikel 5.4.4 genoemde bevoegdheden inzet. Als deze grondslag voor gegevensverstrekking in de wet zou ontbreken, zou de burgemeester niet over deze gegevens beschikken, terwijl op basis van een onderzoek naar meervoudige problematiek is gebleken dat er mogelijk sprake is van een situatie waarbij de veiligheid van de cliënt, zijn gezinsleden of anderen in de directe omgeving, in het geding is. Als de situatie escaleert omdat de burgemeester geen maatregelen nam, zou het achteraf vreemd zijn als blijkt dat het college wel van de situatie op de hoogte was maar wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag de burgemeester hiervan niet op de hoogte mocht stellen.
Aangezien het om discretionaire bevoegdheden van de burgemeester gaat, is de mogelijkheid tot het inzetten van die bevoegdheden verder niet geclausuleerd. Ook wordt niet geclausuleerd dat de bevoegdheden alleen in het kader van een gecoördineerde aanpak mogen worden ingezet. Het kan voorkomen dat een onderzoek naar meervoudige problematiek uiteindelijk niet leidt tot een gecoördineerde aanpak. Zeker bij ernstige meervoudige problematiek zal het niet altijd lukken de cliënt te overtuigen daaraan mee te werken. De regering is van mening dat een burgemeester in dit soort situaties overeenkomstig zijn bevoegdheden de afweging moet kunnen maken, dat het ter bescherming van de openbare orde of de veiligheid in de omgeving noodzakelijk is een in artikel 5.4.4 genoemde bevoegdheid in te zetten. Hierbij weegt de burgemeester de mogelijk nadelige gevolgen voor de persoon die de maatregel betreft af tegen de nadelige gevolgen voor zijn omgeving.
153. Het mogelijk maken om tegen de wil van de cliënt de geheimhoudingsplicht te doorbreken, weegt voor de leden van de SGP-fractie zwaar. De leden van de SGP-fractie constateren dat in de memorie van toelichting gesproken wordt van ‘ernstige meervoudige problematiek dan wel het voorkomen en beperken van de negatieve gevolgen daarvan’. Hoe verhoudt ‘ernstige meervoudige problematiek’ zich tot ‘meervoudige problematiek’ zoals gedefinieerd in dit wetsvoorstel? Waarom is ‘ernstige meervoudige problematiek’ niet gedefinieerd in de wetstekst? Waar komt de omschrijving van ernstige meervoudige problematiek’ vandaan in de toelichting?
Het begrip “meervoudige problematiek” wordt in artikel 1.1.1.
gedefinieerd. Van dit begrip is goed een materiële omschrijving te
geven. Bij “ernstige” meervoudige problematiek ligt dat anders. Of de
situatie zodanig ernstig is dat een onderzoek zonder hulpvraag van de
cliënt gerechtvaardigd is, moet worden gewogen aan de hand van de
omstandigheden van het geval. In het voorgestelde artikel 2.3a.4, eerste
lid, zijn daarom de voorwaarden opgenomen waaraan de concrete
omstandigheden getoetst moeten worden. Een bij de cliënt betrokken
professional kan bij het college een verzoek doen om een onderzoek naar
ernstige meervoudige problematiek te starten indien hij vermoedt:
a. dat sprake is van voortdurende of terugkerende meervoudige
problematiek waarvoor de persoon of personen die het betreft geen of
selectief hulp vragen of accepteren of de hulp die wel wordt aanvaard
niet effectief lijkt, terwijl vanwege de aard of complexiteit van de
problemen maatschappelijke teloorgang of een lage kwaliteit van leven en
welzijn dreigt of al aan de orde is, en
(1) in de omgeving van deze persoon of personen gedurende langere tijd
of telkens opnieuw overlast, hinder of problemen wordt ervaren, of
(2) de veiligheid van personen of goederen in het geding is; en
b. dat een gecoördineerde aanpak kan bijdragen aan het oplossen of
verminderen van de problematiek.
Beide elementen (a en b) moeten bij een verzoek worden onderbouwd,
waarbij er met betrekking tot de bijkomende omstandigheden (sub 1 en 2)
ten minste één van beide situaties aannemelijk dient te worden gemaakt.
Op basis van onderdeel a wordt bepaald of sprake is van (waarschijnlijk)
ernstige meervoudige problematiek.
Het is lastig om op basis van deze criteria een begripsomschrijving van
“ernstige meervoudige problematiek” te geven, maar omdat het begrip toch
regelmatig wordt gebruikt, stel ik bij nota van wijziging voor om in
artikel 1.1.1 een definitie op te nemen die verwijst naar de criteria
van artikel 2.3a.4, eerste lid, onderdeel a.
154. In het wetsvoorstel wordt aangegeven dat een gemeente zelf een onderzoek kan starten in het kader van de gecoördineerde aanpak, ook als de persoon zelf niet om hulp vraagt. Echter gaat dit wetsvoorstel niet over gedwongen hulp en moet het voorstel dan ook wegblijven van bepalingen die daar een grondslag voor vormen. Burgers die in aanmerking komen voor bemoeizorg zijn zeer kwetsbaar en dat vergt juist extra waarborgen tegen onnodige inbreuken op hun privéleven. Het lid van de BBB-fractie verzoekt dan ook om hiervoor, indien de regering dit noodzakelijk acht, een apart traject te starten en dit apart te behandelen.
Het wetsvoorstel biedt inderdaad geen kader voor gedwongen
hulpverlening. Indien mogelijk gedwongen zorg noodzakelijk is, zijn de
daarvoor toepasselijke wettelijke kaders aan de orde, zoals de Wvggz en
de Wzd. Ook kunnen kinderbeschermingsmaatregelen op grond van het BW en
de Jeugdwet worden genomen.
Dit wetsvoorstel voorziet alleen in de mogelijkheid om juist bij
kwetsbare mensen die hulp mijden, het bieden van zorg en hulp beter af
te stemmen met behulp van een gecoördineerde aanpak, zodat deze mensen
beter geholpen kunnen worden. Daar staat tegenover dat zolang het niet
gaat om de bovengenoemde gedwongen zorg kaders, het iemand vrij staat
niet geholpen te willen worden. Een onderzoek naar ernstige meervoudige
problematiek kan dan ook niet zomaar worden gestart, artikel 2.3a.4
bevat daartoe de nodige waarborgen. Op grond van artikel 2.3a.4, eerste
lid, kan een bij de cliënt betrokken professional bij het college een
verzoek doen om een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek te
starten indien hij vermoedt:
a. dat sprake is van voortdurende of terugkerende meervoudige
problematiek waarvoor de persoon of personen die het betreft geen of
selectief hulp vragen of accepteren of de hulp die wel wordt aanvaard
niet effectief lijkt, terwijl vanwege de aard of complexiteit van de
problemen maatschappelijke teloorgang of een lage kwaliteit van leven en
welzijn dreigt of al aan de orde is, en
(1) in de omgeving van deze persoon of personen gedurende langere tijd
of telkens opnieuw overlast, hinder of problemen worden ervaren,
of
(2) de veiligheid van personen of goederen in het geding is; en
b. dat een gecoördineerde aanpak kan bijdragen aan het oplossen of
verminderen van de problematiek.
Beide elementen (a en b) moeten bij een verzoek worden onderbouwd,
waarbij er met betrekking tot de bijkomende omstandigheden (sub 1 en 2)
ten minste één van beide situaties aannemelijk dient te worden gemaakt.
Uit deze voorwaarden blijkt dat de enkele situatie dat iemand zorg mijdt
geen reden kan en mag zijn om zonder zijn instemming een onderzoek naar
meervoudige problematiek te starten. Het gaat om situaties met groot
risico op verergering of escalatie van de problemen met mogelijk
ernstige gevolgen voor de gezondheid en/of veiligheid van de betrokkene
en/of zijn omgeving wanneer passende ondersteuning (waaronder de
noodzakelijke afstemming en samenwerking) niet of niet tijdig tot stand
komt. Als het college na toetsing aan bovengenoemde criteria tot de
conclusie komt een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek te
starten, regelt artikel 2.3a.4, derde lid, dat cliënten en hun
mantelzorger of vertegenwoordiger over het onderzoek worden geïnformeerd
en zo mogelijk ook bij het onderzoek worden betrokken.
Als de uitkomst van het onderzoek is dat een gecoördineerde aanpak wordt
voorgesteld, gelden daarbij precies dezelfde regels als na een onderzoek
naar meervoudige problematiek waarbij de cliënt zelf om hulp heeft
gevraagd. Dit betekent dat alleen een gecoördineerde aanpak wordt
gestart als de cliënt daarmee instemt. De diensten die deel uitmaken van
die gecoördineerde aanpak
worden immers alleen uitgevoerd als de hulp wordt aanvaard. Gedwongen
hulpverlening zou alleen onderdeel kunnen zijn van de gecoördineerde
aanpak, als die is opgelegd op grond van de hierboven genoemde
wettelijke kaders. Bijvoorbeeld iemand die gedwongen zorg krijgt op
grond van de Wvggz, die middels een gecoördineerde aanpak verder wordt
geholpen naar begeleid wonen, schuldhulpverlening krijgt en wordt
begeleid richting werk om zo meer structuur te krijgen in zijn leven om
daarmee te voorkomen dat hij na afloop van de gedwongen zorg opnieuw
afglijdt in een situatie van ernstige problematiek.
Naar aanleiding van de consultatie en het advies van de AP zijn de
waarborgen van artikel 2.3a.4, eerste lid, voor het starten van een
onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek verder ingekaderd. De
regering is van mening dat deze regeling past bij het doel van dit
wetsvoorstel om mensen met meervoudige problematiek beter te kunnen
helpen, en dat daarbij ook de regeling voor onderzoek bij ernstige
meervoudige problematiek met voldoende waarborgen is omkleed.
Professionals krijgen hiermee een duidelijk kader waarmee zij kwetsbare
mensen eerder en beter kunnen helpen om zo erger te voorkomen.
5. OGGZ EN MELDPUNTEN – AANLEIDING EN UITGANGSPUNTEN
155. De leden van de VVD-fractie vragen de regering hoe het weer in de wet opnemen van de oggz met inachtneming van de AVG in de praktijk gaat.
Zoals in de inleiding van de memorie van toelichting onder 1.2 is toegelicht behoort de openbare geestelijke gezondheidszorg (oggz) al vele jaren tot de gemeentelijke taken. In de Wmo (2007) was deze taak opgenomen in een apart prestatieveld voor gemeenten. In de Wmo 2015 is deze taak niet geëxpliciteerd. Aanhoudende vragen hierover, in de aanloop naar dit wetsvoorstel, hebben de regering ertoe gebracht om voor te stellen het begrip oggz weer op te nemen in de wet, gekoppeld aan het stellen van regels over gegevensverwerking door de meldpunten niet-acuut, een onderdeel van de oggz. Er verandert daarom niets aan de huidige taken van gemeenten voor de oggz en zij krijgen er ook géén nieuwe taak bij. Wel geeft het wetsvoorstel voor een juiste toepassing van de AVG, duidelijkheid over de regels bij gegevensverwerking in het geval er een melding plaatsvindt bij een meldpunt. Bij de implementatie van de Wams zal de wijze zal aandacht zijn voor de aanpak van deze gegevensverwerking in de praktijk.
156. Ook vragen deze leden de regering wat de recente ervaringen zijn met het landelijk meldpunt Zorgwekkend gedrag dat in 2020 ingesteld is. Hoe wordt dit meldpunt gemonitord? Het landelijk meldpunt spreekt over niet acute zaken. Is ook duidelijk hoe dit meldpunt acute zaken voorkomt? En hoe wordt in dit kader omgegaan met acute zaken vallend onder de Wvggz?
Het landelijk meldpunt is sinds juli 2020 live en is in oktober 2020 officieel gelanceerd. Sinds het voorjaar van 2021 zijn alle Nederlandse gemeenten aangesloten op het meldpunt, via een lokaal (gemeentelijk) of regionaal (bijvoorbeeld via GGD) meldpunt niet-acuut.
GGD GHOR Nederland heeft vanaf 2018 tot februari 2023 alle lokale en regionale meldpunten ondersteund, in opdracht van ZonMw en het ministerie van VWS. De ondersteuning bestond onder andere uit het faciliteren van kennisuitwisseling door het organiseren van bijeenkomsten waarin landelijke ontwikkelingen zijn besproken en het onderlinge leren centraal stond. Ook heeft de GGD GHOR Nederland een aantal handreikingen ontwikkeld en een kwaliteits- en ontwikkelinstrument.
Vanaf 1 februari 2023 heeft een nieuwe externe partij het beheer van het Landelijk Meldpunt Zorgwekkend gedrag overgenomen, als ook de ondersteunende rol voorde meldpunten en het monitoren. Deze partij heeft, naast het technisch beheer van het landelijke Meldpunt Zorgwekkend Gedrag, de opdracht om kennisdeling en kwaliteitsverbetering van het functioneren van de lokale- en regionale meldpunten niet-acuut te faciliteren en monitoren. Deze inzichten worden gebruikt voor het bevorderen van efficiëntie en effectiviteit van de keten van het meldpunt. Dit moet ertoe leiden dat ieder meldpunt doeltreffend kan handelen op basis van een melding.
De meldpunten niet-acuut zijn er voor eenieder met zorgen over zichzelf of over een ander: een (psychisch) kwetsbaar persoon, zoals een buurman of familielid, iemand die in de war lijkt of niet (meer) goed voor zichzelf zorgt. Een meldpunt niet-acuut kan advies geven over wat diegene zelf kan doen of zorgen dat de juiste zorg of ondersteuning tot stand komt. De meldpunten niet-acuut dragen op deze manier bij aan het tijdig signaleren en het voorkomen van escalatie van problematiek.
Het meldpunt niet-acuut is niet bedoeld voor een acute crisissituatie. Familie of omstanders kunnen in een acute crisissituatie de huisarts, de hulpverlener als de persoon al zorg krijgt, of 112 bellen. In de praktijk komt het ook voor dat een melding die aanvankelijk in behandeling is genomen als ‘melding niet-acuut’ gaandeweg beschouwd moet worden als een melding in het kader van de Wvggz. De uitkomst van het meldproces ‘niet acuut’ is dan dat de vervolgactie moet worden opgepakt in het kader van de Wvggz. Juridisch gezien wordt de melding dan doorgeleid naar het meldpunt Wvggz, dat dan alsnog een verkennend onderzoek kan starten.
157. De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat triage bij dit meldpunt van essentieel belang is. Hoe is de opleiding voor medewerkers hier werkzaam ingericht?
Het landelijk meldpunt schakelt het inkomende gesprek op basis van woonplaats door naar een lokaal (gemeentelijk) of regionaal (bijvoorbeeld via GGD) meldpunt niet-acuut. De eisen die worden gesteld aan het functieniveau en de benodigde competenties zijn afhankelijk van de inrichting van het lokale- of regionale meldpunt niet-acuut. Het is aan de meldpunten zelf – onder verantwoordelijkheid van het college – om opleidingen aan te bieden aan medewerkers. In het kwaliteits- en ontwikkelinstrument91 staan competenties die passend zijn bij medewerkers van een meldpunt, zoals kennis van gesprekstechnieken, de sociale kaart en triageren.
158. De leden van de VVD-fractie vragen of er bij het maken van deze wet en het inrichten van het landelijk meldpunt specifiek aandacht is besteed aan geweld tegen vrouwen? Is hier bijvoorbeeld contact over geweest met Femmes For Freedom?
Het landelijk meldpunt heeft een generieke functie, iedereen die zich zorgen maakt over zichzelf of over een ander: een (psychisch) kwetsbaar persoon, zoals een buurman of familielid, iemand die in de war lijkt of niet (meer) goed voor zichzelf zorgt kan het nummer bellen. Hierbij zijn specifieke doelgroepen of specifieke thema’s, zoals geweld tegen vrouwen, niet in het bijzonder uitgelicht. Veilig Thuis is het adviespunt en meldpunt voor huiselijk geweld en kindermishandeling.
159. Genoemde leden lezen dat bij een melding bij het meldpunt in dit wetsvoorstel in beginsel de persoon derhalve wordt geïnformeerd over het feit dat er een melding is gedaan. Hoe wordt de persoon geïnformeerd en wat betekent ‘in beginsel derhalve’ in dit geval?
Bedoeld wordt dat de persoon waar de melding over gaat (de gemelde)
in beginsel wordt geïnformeerd, waarbij “derhalve” betrekking heeft op
de voorgaande zin dat het in contact komen met de gemelde doorgaans de
eerste stap zal zijn. Dit contact kan telefonisch zijn of door middel
van een huisbezoek.
In het voorgestelde artikel 2.2.5, tweede lid, onderdeel c, staat dat de
persoon ten aanzien van wie de melding is gedaan, of diens ouders of
wettelijke vertegenwoordigers, van de melding op de hoogte worden
gesteld, tenzij hierdoor de hulpverlening aan deze persoon belemmerd
wordt of zou kunnen worden. “In beginsel” heeft betrekking op die
laatste zinsnede. Er zijn uitzonderingsgronden om af te zien van het
informeren. Op grond van artikel 41, eerste lid van de UAVG mag het
informeren bijvoorbeeld achterwege blijven als dit nodig is ter
bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van
anderen. In de praktijk kan worden gedacht aan een gemelde met
zorgwekkend gedrag met bijvoorbeeld een ernstige psychose gevoeligheid,
suïcidaal gedrag of een ernstig agressie regulatie probleem waarbij het
in eerste instantie ter bescherming van de betrokkene of de omgeving,
beter is om het informeren uit te stellen. In een dergelijk geval moet
wel bepaald worden wanneer betrokkene wel geïnformeerd wordt. Het is aan
het meldpunt om in haar beleid inzichtelijk te maken in welke situaties
ze gebruik maakt van de uitzonderingsgronden en om eventueel afspraken
met vaste partners te maken over wie de gemelde op welke wijze
informeert. Ook dient ieder meldpunt te zorgen voor begrijpelijke
informatie op de website en eventueel in een folder.
160. Via dit wetsvoorstel wordt een nieuw meldpunt opgericht. Hoe worden inwoners van gemeenten op de hoogte gebracht van de verschillende meldpunten en waar zij voor welke melding naar toe kunnen bellen? De leden van de VVD-fractie menen dat het voor de overzichtelijkheid beter is indien het meldpunt zoals voorgesteld in dit wetsvoorstel zoveel mogelijk aansluit bij hetgeen regionaal al is geregeld. Deelt de regering deze mening en hoe kan dit zoveel mogelijk bewerkstelligd worden?
Er wordt in het voorliggend wetsvoorstel geen nieuw meldpunt
opgericht. Alle gemeenten beschikken inmiddels (peiling voorjaar 2021)
over een lokaal of regionaal meldpunt voor niet-acute meldingen.
Gemeenten informeren inwoners via hun website bij welke verschillende
meldpunten inwoners terecht kunnen. Gemeenten kunnen het landelijke
nummer (0800-1205) noemen waarmee mensen die bellen automatisch bij het
lokale of regionale meldpunt uitkomen of verwijzen naar de directe
contactgegevens van het eigen lokale of regionale meldpunt. Naar
aanleiding van een advies van het Schakelteam Personen met verward
gedrag om een landelijk meldnummer in te richten voor personen met
verward gedrag, is in juli 2020 is het landelijk Meldpunt Zorgwekkend
Gedrag van start gegaan, met bovengenoemd telefoonnummer. Inmiddels zijn
alle gemeenten met een lokaal- of regionaal meldpunt aangesloten op het
landelijke nummer.
In dit wetsvoorstel wordt de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor een
‘meldpunt niet acuut’ wettelijk verankerd en worden de regels voor de
verwerking van persoonsgegevens geëxpliciteerd. Een landelijk dekkend
netwerk en de wettelijke verankering zorgen voor een landelijke
structuur die aansluit bij de regionale meldpunten.
161. Gemeenten die voor de meldingen in het kader van de Wvggz organisatorisch wensen aan te haken bij een meldpunt niet-acuut, of andersom, moeten zorgdragen voor een gescheiden informatiehuishouding in verband met de eisen die uit de verschillende juridische regimes voor gegevensverwerking voortvloeien. Hoe wordt erop toegezien dat deze informatiehuishouding ook daadwerkelijk gescheiden wordt?
Gemeenten hanteren net als andere overheidsorganisaties de Baseline
Informatiebeveiliging Overheid (BIO). De BIO beschrijft het basisniveau
voor informatiebeveiliging. Daarnaast zijn alle overheidsorganisaties
verplicht om een functionaris gegevensbescherming te hebben.
Dit is iemand die binnen de organisatie toezicht houdt op de toepassing
en naleving van de privacyregels, ook wat betreft informatiehuishouding
van deze twee meldpunten.
162. Het wetsvoorstel stelt een meldpunt voor zorgwekkend gedrag voor. Binnen het huidige voorstel staat dat, wanneer de inschatting is gemaakt dat dit de hulpverlening belemmert, ervan af kan worden gezien om de betrokkene te informeren over de melding. De leden van de D66-fractie vragen de regering een
verheldering in welke gevallen dit leidt tot een betere uitkomst voor de betrokkene. En is er een overkoepelende handhaving die controleert of deze ruimte slechts wordt benut wanneer dit noodzakelijk is?
Op grond van artikel 41, eerste lid, van de UAVG mag het informeren achterwege blijven als dit nodig is in uitzonderlijke gevallen waarbij het ter bescherming van de betrokkene of zijn omgeving beter is om het informeren uit te stellen. Het is niet zo dat van informeren van de betrokkene kan worden afgezien. Wel kan informeren onder omstandigheden worden uitgesteld, bijvoorbeeld bij mensen met zorgwekkend gedrag zoals een ernstige psychose gevoeligheid, suïcidaal gedrag of een ernstig agressie regulatie probleem. In dergelijke gevallen kan de professional van het meldpunt op basis van de omstandigheden de inschatting maken dat het beter is voor de betrokkene, of mogelijk voor anderen, zoals gezinsleden van de betrokkene, dat hij op een later moment wordt geïnformeerd over de melding. In de geschetste situaties zal het er dan vooral ook om gaan wie dat informeren het beste kan doen en in welke setting. Het is aan de meldpunten zelf om hier zorgvuldig mee om te gaan en daarbij de privacyregels na te leven. De functionaris gegevensbescherming die iedere gemeente op grond van de AVG moet hebben houdt hier toezicht op. De AP is de overkoepelende toezichthouder.
163. Heeft de regering bij dit wetsvoorstel de verwijsindex overwogen als of in plaats van een meldpunt voor professionals, zo vragen de leden van de PVV-fractie aan de regering. Het doel van de verwijsindex is namelijk ook vroegtijdig signaleren en escalaties voorkomen, bovendien is er in de verwijsindex een soort van alarmfunctie bij meerdere meldingen door verschillende professionals/derden.
Nee, dat is niet overwogen. De verwijsindex is, zoals de leden van de PVV-fractie ook constateren, een instrument voor vroegsignalering door professionals. Bij de meldpunten niet-acuut kan iedereen terecht die zich zorgen maakt over iemand in zijn omgeving. De taak van het meldpunt is – kort gezegd – het beoordelen van meldingen, de melder handelingsperspectief bieden, bijvoorbeeld door een advies te geven, en mensen die zorg of ondersteuning nodig lijken te hebben, door te geleiden naar een instantie die passende ondersteuning kan bieden. De meldpunten bestaan ook al, de Wams voorziet ze alleen van expliciete wettelijke kaders voor de verwerking van gegevens.
Op dit moment is in de Jeugdwet de verwijsindex risicojongeren opgenomen. In de Kamerbrief van 28 september 202292 is aangekondigd dat wordt gewerkt aan het schrappen van de verwijsindex als wettelijke verplichting, in reactie op de aangenomen motie van de leden Westerveld (GL) en Peters (CDA)93.
164. Hoe wordt een melding afgehandeld, zo vragen de leden van de PVV-fractie de regering verder. Hoe wordt een melding bewaard? Wordt elke melding of advies bewaard? Hoeveel meldingen zijn er de afgelopen vijf jaar binnengekomen bij respectievelijk de lokale en/of regionale meldpunten? Hoe vaak is er naar aanleiding van een melding bij het meldpunt een onderzoek gestart? Hoe vaak was dit met of zonder toestemming van de cliënt? Hoeveel gemeenten hebben een eigen meldnummer?
Ieder meldpunt maakt met samenwerkingspartners zelf afspraken over de manier waarop zij opvolging geven aan meldingen. Uit een inventarisatie van GGD GHOR Nederland in 202094 naar de aanwezigheid van een meldpunt en de werkwijze, komt naar voren dat aan twee derde van de meldingen een vervolg wordt gegeven en een derde van de meldingen meteen wordt afgehandeld omdat het geven van bijvoorbeeld een advies aan de melder hierin voldoende was. Bij het vervolg geven aan een melding gaat het vaak om iemand toe leiden naar passende zorg zoals een lokaal team, welzijnsorganisatie, schuldhulpverlening, verslavingszorg of een ggz-aanbieder. Indien toe leiden naar zorg niet (meteen) lukt, proberen oggz-professionals mensen die uit zichzelf geen hulp vragen of accepteren, toe te leiden naar hulp.
Alle gemeenten in Nederland zijn aangesloten op een lokaal of
regionaal meldpunt niet-acute zorg. Deze lokale en/of regionale
meldpunten hebben een eigen meldnummer. Het landelijk meldpunt schakelt
automatisch door naar deze lokale en/of regionale meldpunten. Er is
zicht op hoe vaak er via het landelijk meldpunt naar de lokale/regionale
meldpunten doorgeschakeld is. Tussen 1 juli 2020 en 1 januari 2026 zijn
bijna 56.500 telefoongesprekken doorgezet naar een lokaal of regionaal
meldpunt niet-acuut. Inwoners of professionals kunnen ook rechtstreeks
contact opnemen met een lokaal en/of regionaal meldpunt. Het is aan de
lokale en regionale meldpunten om hun eigen registratie passend in te
richten. Er is daarom geen overzicht van het totaal aantal meldingen dat
afgelopen vijf jaar bij alle lokale en/of regionale meldpunten
binnengekomen is, en hoe de verschillende meldpunten vervolg heeft
gegeven aan de meldingen die zij hebben ontvangen.
Het bewaren van een melddossier zal op grond van de AVG altijd een
specifiek doel moeten dienen. Op dit moment werken de meldpunten met de
handreiking ‘Handvatten voor de inrichting van een zorgvuldige en
rechtmatige gegevensverwerking’ waarin stappen staan om tot een beleid
te komen rond het bewaren van melddossiers in overeenstemming met de
AVG.
Dit wetsvoorstel voorziet in duidelijke wettelijke grondslagen voor de
noodzakelijke gegevensverwerking door de meldpunten. In hoofdstuk 5,
paragraaf 5 van het wetsvoorstel wordt geregeld welke persoonsgegevens
verwerkt mogen worden ten behoeve van de uitvoering van de taken van het
meldpunt. Het college mag zowel van de melder als van degene over wie
wordt gemeld, persoonsgegevens verwerken, dat wil zeggen, voor zover
meldingen in behandeling worden genomen voor het uitvoeren van een
triage. Gegevens die al eerder zijn verwerkt, bijvoorbeeld bij een
eerdere melding voor de aanvraag van een voorziening op grond van de Wmo
2015 of bij de uitvoering van een van de andere wetten in het sociaal
domein, mag het college verder verwerken bij het uitvoeren van de
triage. Hiermee wordt onnodige regeldruk voor cliënten zoveel mogelijk
tegengegaan. Als de melding wordt doorgezet naar een andere partij, dan
mag het college de noodzakelijke gegevens verstrekken aan die partij;
die heeft immers informatie nodig om de hulp of ondersteuning te kunnen
gaan bieden. In art. 5.5.4, van het wetsvoorstel wordt geregeld dat het
college een beschrijving van de melding en de uitkomst van de triage in
een melddossier bewaart gedurende ten minste zes maanden en niet langer
dan een jaar vanaf de dag van melding. Deze bewaartermijn maakt het
mogelijk eventuele patronen in herhaalde meldingen te herkennen zonder
dat gegevens vervolgens onnodig lang bewaard worden.
Is de gemelde een ingezetene van een andere gemeente, dan wordt de
melder doorverwezen en worden geen gegevens verwerkt.
165. De leden van de PVV-fractie vragen wat er gebeurt als de cliënt tijdens het onderzoek of coördinatie verhuist naar een andere gemeente. Anders dan voor meldingen bij het meldpunt lijkt het voorstel niet in de mogelijkheid te voorzien om de persoonsgegevens uit het onderzoek of de coördinatie aan een ander college over te dragen. Het wetsvoorstel voorziet niet in een samenloopbepaling voor het gecoördineerde aanpak als er meerdere colleges verantwoordelijk zijn, bijvoorbeeld het ene college voor beschermd wonen en het andere voor de overige Wmo 2015-ondersteuning. Meerdere colleges kunnen onderzoek starten en de gecoördineerde aanpak ter hand nemen. Is een samenloopbepaling overwogen?
Gegevens over de lopende gecoördineerde aanpak, over eerder
verstrekte diensten uit het sociaal domein of van een lopend onderzoek
naar meervoudige problematiek kunnen worden verstrekt aan de nieuwe
gemeente bij verhuizing. Omdat beide colleges op grond van de wet
bevoegd zijn de gegevens te verwerken, is hier in principe geen
wettelijke regeling voor nodig. Toch stel ik voor bij nota van wijziging
in artikel 5.4.4 een expliciete grondslag op te nemen, omwille van de
duidelijkheid en omdat een expliciete grondslag voor de overdracht van
gegevens bij een verhuizing zal bijdragen aan snellere en betere hulp
voor cliënten die verhuizen.
Artikel 2.6.1 van de Wmo 2015 bepaalt nu al dat de colleges met elkaar
samen werken indien dat voor een doeltreffende en doelmatige uitvoering
van deze wet aangewezen is. Dat geldt dus ook voor de regels van dit
wetsvoorstel als die in de Wmo 2015 worden opgenomen. Colleges zullen
ook in het kader van de aanpak van meervoudige problematiek, zoals
voorgesteld in de Wams, soms moeten samenwerken. Bij een verhuizing kan
ervoor worden gekozen om de gecoördineerde aanpak af te maken in de
nieuwe woonplaats met andere partijen. Een en ander hangt af van de aard
van de problematiek af, of die afhankelijk is van lokale voorzieningen
of niet. Soms zal het beter zijn om bij het college van de nieuwe
gemeente opnieuw hulp te vragen.
166. In sommige gevallen is de uitvoering van een sociaaldomeinwet (volledig) overgedragen aan een gemeenschappelijke regeling (zie bijvoorbeeld artikel 8c van de Participatiewet). Kan het Algemeen Bestuur van de gemeenschappelijke regeling in die gevallen de bevoegdheden uit de gecoördineerde aanpak aanwenden?
Het onderzoek naar meervoudige problematiek en de mogelijk daarop volgende gecoördineerde aanpak zoals voorgesteld in de Wams, is een regeling die wordt opgenomen in de Wmo 2015. Artikel 30 van de Wet gemeenschappelijke regelingen (hierna: Wgr) biedt het college de mogelijkheid om bevoegdheden aan een gemeenschappelijke regeling over te dragen95. Artikel 8c van de Participatiewet bevat daarover een expliciete bepaling. Artikel 30 van de Wgr biedt relatief veel ruimte om bevoegdheden over te dragen; er zijn slechts enkele bevoegdheden genoemd die niet kunnen worden overgedragen (bijvoorbeeld bepaalde vormen van belastingheffing). Indien het in de praktijk wenselijk wordt gevonden om de bevoegdheden uit de gecoördineerde aanpak aan een gemeenschappelijke regeling over te dragen, is dit dus mogelijk. Dat vergt dan wel een actieve overdracht van de bevoegdheid. Gemeenten die werken met een gemeenschappelijke regeling voor één of meer wetten uit het sociaal domein, zullen zelf moeten beoordelen en regelen, of en hoe de regeling van de Wams hierin wordt opgenomen.
167. De leden van de PPV-fractie vragen of de regering kan aangegeven of gemeenten gegevens die bekend zijn uit autonome taken, zoals het lokale minimabeleid, hergebruikt kunnen worden.
In artikel 5.4.1, derde lid, van het wetsvoorstel wordt bepaald welke gegevens kunnen worden hergebruikt voor een onderzoek naar meervoudige problematiek. Als het minimabeleid gaat om ondersteuning bij werk en inkomen, zoals eens stadspas of kindpakket, mag een gemeente de gegevens hergebruiken omdat die gegevens verwerkt zijn ter uitvoering van de Participatiewet of de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.
168. Kan de regering aangeven waarom er in artikel 5.4.1 naar de vervallen Wet op het voortgezet onderwijs wordt verwezen en niet naar de Wet voortgezet onderwijs 2020?
De verwijzing in artikel 5.4.1 naar de vervallen Wet op het voortgezet onderwijs is onjuist en is bij nota van wijziging vervangen door een juiste verwijzing naar de Wet voortgezet onderwijs 2020.
169. De leden van de CDA-fractie zijn positief gestemd dat de oggz weer expliciet in de Wmo 2015 opgenomen gaat worden. Kan de regering toelichten waarom zij dit voornemens is?
In de Wmo 2015 is de oggz-taak van gemeenten, anders dan in de Wmo (2007), niet geëxpliciteerd. Naar aanleiding van signalen van het Schakelteam personen met verward gedrag over onduidelijkheid in de verantwoordelijkheidsverdeling voor zorg en ondersteuning voor deze doelgroep, heeft de regering gemeenten er in september 2018 op gewezen dat openbare geestelijke gezondheidszorg en bemoeizorg nog steeds gemeentelijke taken zijn op grond van de Wmo 2015. Toch bleven vragen hierover tijdens het opstellen van dit wetsvoorstel terugkomen. Zo heeft GGD GHOR Nederland aangegeven dat het ontbreken van een expliciete wettelijke grondslag voor de oggz een belemmering vormt voor de uitvoering van hun werkzaamheden en de daarvoor benodigde verwerking van persoonsgegevens. De regering vindt het gelet op de samenhang met (complexe) meervoudige problematiek passend om voor te stellen het begrip oggz weer op te nemen in de wet, gekoppeld aan het stellen van regels over gegevensverwerking. De regering meent dat de belemmeringen die in de praktijk zijn gevoeld om mensen die zorg mijden toe te leiden naar zorg of ondersteuning, met de voorgestelde wijzigingen worden ondervangen. Daarbij hoort ook het expliciteren van de taak van de meldpunten zodat AVG-conform, in het kader van de
doelbinding van de gegevensverwerking, op basis van een expliciete wettelijke grondslag persoonsgegevens kunnen worden verwerkt door de meldpunten in het kader van de oggz-taak.
170. De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan aangeven hoe vaak er via het landelijke meldpunt Zorgwekkend gedrag wordt gebeld.
Tussen 1 juli 2020 en 1 januari 2026 zijn er bijna 56.500 telefoongesprekken succesvol vanuit het telefoonnummer van het landelijk meldpunt Zorgwekkend gedrag doorgezet naar een lokaal of regionaal meldpunt niet-acuut.
171. Leidt het hebben van een meldpunt vervolgens ook tot bemoeizorg bij zorgmijdende of overlast gevende zorgmijders?
Gemeenten geven op verschillende manieren invulling aan bemoeizorg taken. Er zijn daarom geen uniforme landelijke data over bemoeizorg, alsook geen informatie of het hebben van een meldpunt tot bemoeizorg bij zorgmijdende en/of overlast gevende personen leidt. Aannemelijk is dat als er meer gebruik gemaakt wordt van het meldpunt dit ook tot meer bemoeizorg bij zorgmijders leidt.
172. De leden van de CDA-fractie gaan ervan uit dat gemeenten deze meldpunten ook gezamenlijk – regionaal – kunnen oppakken.
Ja, gemeenten kunnen de meldpunten ook regionaal organiseren. Veel gemeenten hebben de meldpunten bijvoorbeeld ondergebracht bij de GGD, hetgeen veelal een regionale organisatie is op basis van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
173. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering in hoeverre er nu sprake van is dat in voorliggend wetsvoorstel zowel vrijwillige gecoördineerde zorgverlening als gedwongen zorg worden geregeld. Gemeenten krijgen immers wel de mogelijkheid om een onderzoek te doen zonder dat daar een hulpvraag van de burger aan ten grondslag ligt. De eerdergenoemde partijen in de zorg wijzen erop dat het wetsvoorstel óók een (juridisch) kader lijkt te bieden voor samenwerking ten behoeve van de zogenoemde ‘bemoeizorg’ en menen dat voor het scheppen van een (juridisch) kader voor het uitwisselen van gegevens in het kader van bemoeizorg in overleg met het veld een aparte regeling getroffen moet worden. Deze leden vragen de regering om een uitgebreide reactie en argumentatie waarom niet wordt gekozen voor aparte juridische kaders voor een vrijwillige gecoördineerde aanpak van meervoudige problematiek en voor bemoeizorg.
Een gecoördineerde aanpak op grond van de Wams is altijd vrijwillig.
Alleen als de cliënt instemt met de gecoördineerde aanpak, gaat die van
start. Om tot een voorstel voor een gecoördineerde aanpak te komen,
wordt een onderzoek gedaan. Voor het doen van een onderzoek naar
meervoudige problematiek creëert dit wetsvoorstel twee verschillende
wettelijke grondslagen, namelijk een onderzoek na een hulpvraag van de
cliënt of een onderzoek op verzoek van een betrokken professional.
De wettelijke grondslag voor het onderzoek naar meervoudige problematiek
bij een hulpvraag van de cliënt zelf, is opgenomen in artikel 2.3a.1. De
wettelijke grondslag voor een onderzoek naar meervoudige problematiek in
geval een cliënt niet zelf om hulp vraagt, een vorm van bemoeizorg, is
opgenomen in artikel 2.3a.4. De voorwaarden om zo’n onderzoek te kunnen
starten zijn streng. De partij die om een onderzoek vraagt moet een
gemotiveerd verzoek doen over het vermoeden dat er sprake is van
ernstige meervoudige problematiek aan de hand van de criteria van
artikel 2.3a.4, eerste lid. Bij een ongemotiveerd of niet goed
gemotiveerd verzoek, zal het college geen onderzoek starten. Het college
toetst daarvoor het verzoek ook aan de criteria van artikel 2.3a.4,
eerste lid.
Het wetsvoorstel geeft dus twee verschillende wettelijke grondslagen om
een onderzoek te starten bij meervoudige problematiek.
Zoals hierboven gezegd is de aanvaarding van de gecoördineerde aanpak en
van de diensten die onderdeel uitmaken van die aanpak na beide
onderzoeken vrijwillig. Het is aan de cliënt om te beslissen of hij de
gecoördineerde aanpak en de diensten die daarbij worden geboden
aanvaardt. Die aanpak zal kunnen bestaan uit meerdere vormen van hulp en
ondersteuning, afspraken en in sommige gevallen worden ook niet
vrijwillige interventies, zoals bijvoorbeeld reclassering of een
kinderbeschermingsmaatregel. Het slagen van de gecoördineerde aanpak bij
ernstige meervoudige problematiek is afhankelijk van de mate waarin het
lukt de cliënt ervan te overtuigen dat zijn situatie door het aanvaarden
van de hulp zal gaan verbeteren.
De meerwaarde van beide wettelijke grondslagen zit daarmee in de
mogelijkheid om met diverse bij de cliënt betrokken partijen tot een
gezamenlijke gecoördineerde aanpak te kunnen komen zodat zinvolle hulp
kan worden opgestart die elkaar niet “in de weg zit” of
tegenwerkt.
Gezien de duidelijke samenhang tussen de twee verschillende wettelijke
grondslagen en dezelfde waarborgen die nodig zijn voor een zorgvuldige
verwerking van gegevens, het houden van een casusoverleg en het bieden
van een gecoördineerde aanpak, is dit samen in één wetsvoorstel
geregeld.
Een andere vorm van bemoeizorg in dit wetsvoorstel is de oggz. Er
zijn kwetsbare mensen die níet zelfstandig om hulp vragen of die hulp
juist mijden, terwijl ze in hun omstandigheden eigenlijk wel hulp nodig
hebben. Het benaderen en begeleiden van deze doelgroep naar de juiste
ondersteuning valt onder openbare geestelijke gezondheidszorg. In de Wmo
2015 is de oggz-taak van gemeenten, anders dan in de Wmo (2007), niet
geëxpliciteerd. Naar aanleiding van signalen van het Schakelteam
personen met verward gedrag over onduidelijkheid in de
verantwoordelijkheidsverdeling voor zorg en ondersteuning voor deze
doelgroep, heeft de regering gemeenten er in september 2018 op gewezen
dat openbare geestelijke gezondheidszorg en bemoeizorg nog steeds
gemeentelijke taken zijn op grond van de Wmo 2015. Toch bleven vragen
hierover tijdens het opstellen van dit wetsvoorstel terugkomen. Zo heeft
GGD GHOR Nederland aangegeven dat het ontbreken van een expliciete
wettelijke grondslag voor de oggz een belemmering vormt voor de
uitvoering van hun werkzaamheden en de daarvoor benodigde verwerking van
persoonsgegevens. De regering vindt het gelet op de samenhang met
(complexe) meervoudige problematiek passend om het begrip oggz met
voorliggende wetsvoorstel weer op te nemen in de wet, gekoppeld aan het
stellen van regels over gegevensverwerking bij meldpunten niet-acuut. De
regering meent dat de belemmeringen die in de praktijk zijn gevoeld om
mensen die zorg mijden toe te leiden naar zorg of ondersteuning, met de
voorgestelde wijzigingen worden ondervangen. Daarbij hoort ook het
expliciteren van de taak van de meldpunten zodat AVG-conform, in het
kader van de doelbinding van de gegevensverwerking, op basis van een
wettelijke grondslag persoonsgegevens kunnen worden verwerkt door de
meldpunten in het kader van de oggz-taak.
Het staat iemand uiteindelijk vrij niet geholpen te willen worden, ook
bij de inzet van bemoeizorg.
Gedwongen hulpverlening kan slechts onderdeel zijn van de gecoördineerde
aanpak, als die is opgelegd op grond van de daarvoor geldende wettelijke
kaders van de Wvggz of de Wzd. Ook kunnen kinderbeschermingsmaatregelen
op grond van het Burgerlijk Wetboek en de Jeugdwet worden genomen. Naar
aanleiding
van de consultatie en het advies van de AP zijn de waarborgen van artikel 2.3a.4, eerste lid, voor het starten van een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek verder ingekaderd.
De regering meent dat zowel de regeling voor een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek zonder hulpvraag van de cliënt als het expliciteren van de oggz-taak en daarbij de passende waarborgen voor noodzakelijke en proportionele gegevensverwerking, passen in dit wetsvoorstel als onderdeel van de gemeentelijke taak van maatschappelijke ondersteuning, en met de noodzakelijke waarborgen zijn omkleed.
174. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering ook wanneer wordt gestart met het landelijke netwerk van laagdrempelige steunpunten en wat in dit verband de in het IZA opgenomen zin ‘Ook in zorg- en ondersteuningstrajecten blijft de eigen regie van de inwoner uitgangspunt.’ Betekent in relatie tot de eerdere uitspraak in het IZA : ‘Door een betere samenwerking tussen huisarts, ggz en sociaal domein ervaart de cliënt dat zijn/haar hulpvraag sneller op de juiste plek opgepakt en wordt onnodige instroom in de ggz voorkomen.’ Wat wordt precies verstaan onder eigen regie van de inwoner, juist op het moment dat deze het risico loopt die eigen regie even niet te kunnen nemen? En welke rol heeft de gemeente precies hierbij?
Omdat mensen met psychische klachten niet altijd de juiste ondersteuning en hulp krijgen, is met ondertekening van het IZA in september 2022 onder andere ingezet op het verbeteren van de samenwerking tussen sociaal domein, huisartsenzorg en ggz. Eén van de afspraken is dat de komende vijf jaar wordt toegewerkt naar een landelijk dekkend netwerk van laagdrempelige steunpunten voor mensen met psychische klachten en digitale lotgenotengroepen (e-communities). 96 Een eerste verkennend onderzoek liet zien dat er in het najaar van 2024 ongeveer 278 laagdrempelige steunpunten zijn97. Met het afsluiten van het AZWA zijn er aanvullende afspraken gemaakt over laagdrempelige steunpunten. In dit akkoord zijn de laagdrempelige steunpunten opgenomen als één van de basisfunctionaliteiten rondom mentale gezondheid. Dat betekent dat is afgesproken dat uiterlijk in 2030 deze functionaliteit in elke regio of gemeente beschikbaar moet zijn voor inwoners. Hiervoor is structurele financiering beschikbaar.
Met de eigen regie van de inwoner wordt bedoeld dat samen met iemand wordt gekeken wat zijn of haar hulpvraag is. Gekeken wordt wat iemand zelf kan doen, wat een mogelijk netwerk kan bijdragen en welke ondersteuning of eventueel zorg er daarnaast nodig is. Ook is het juist in een kwetsbare positie belangrijk om invloed te hebben op je zorg- of ondersteuningstraject. Iemand moet een keuze hebben in wat voor hem of haar passende ondersteuning of zorg is. In een laagdrempelig steunpunt is ruimte voor maatschappelijk en persoonlijk herstel op je eigen tempo en in wederkerigheid met anderen.
Op grond van de Wmo 2015 hebben gemeenten de opdracht om de zelfredzaamheid en participatie van onder andere mensen met psychische of psychosociale problemen te ondersteunen en daarbij gebruik te maken van hun eigen kracht. De Wams regelt in lijn daarmee dat een eventueel onderzoek naar meervoudige problematiek en zo mogelijk daarop volgend een gecoördineerde aanpak, in samenspraak met de cliënt wordt gedaan. Alleen in de uitzonderlijke situatie van zorg mijden en bij vermoedelijke ernstige meervoudige problematiek, voorziet de Wams in de met de noodzakelijke waarborgen omklede procedures om iemand naar zorg toe te kunnen leiden. Ook dan blijft gelden dat de cliënt daar zoveel mogelijk bij wordt betrokken.
175. Wat is de verhouding tussen het in voorliggend wetsvoorstel beschreven meldpunt voor signalen over gezondheid, welzijn, zelfredzaamheid of participatie van een inwoner van een gemeente en de laagdrempelige steunpunten?
De leden van de PvdA-fractie vragen de regering verder hoe en wanneer de regionale samenwerkingsafspraken tot stand zullen komen, bijvoorbeeld ten aanzien van de mentale gezondheidscentra, hoe de voortgang wordt bewaakt en welke rol het voorliggende wetsvoorstel hierin speelt. Hoe wordt gemonitord of alle gemeenten voldoen aan de verplichting voor een laagdrempelig meldpunt en hoe wordt gevolgd hoe effectief deze meldpunten werken?
De meldpunten niet-acuut zijn er voor eenieder met zorgen over zichzelf of over een ander: een (psychisch) kwetsbaar persoon, zoals een buurman of familielid, iemand die in de war lijkt of niet (meer) goed voor zichzelf zorgt. De laagdrempelige steunpunten zijn er voor de inwoners met psychische klachten, mensen kunnen daar bijvoorbeeld binnen lopen voor een kop koffie en herstelgerichte activiteiten. Deze initiatieven passen in de opdracht die gemeenten hebben vanuit de Wmo 2015 om zelfredzaamheid en participatie van mensen met een beperking te ondersteunen en daarbij gebruik te maken van hun eigen kracht.
Een van de afspraken uit het IZA is in de samenwerking tussen het
sociaal domein, huisartsen en de ggz te komen tot een landelijk dekkend
netwerk van laagdrempelige steunpunten voor mensen met psychische
klachten, waaronder ook mensen met ernstige psychische aandoeningen
(EPA). In het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord98
zijn aanvullende afspraken gemaakt op het snijvlak van het sociaal en
medisch domein. Zorgverzekeraars, gemeenten en aanbieders van zorg en
ondersteuning hebben landelijke afspraken gemaakt over concrete
‘basisfunctionaliteiten’ (het wat) op de thema’s kansrijk opgroeien,
gezonde leefstijl, mentale gezondheid, vitaal ouder worden en
gezondheidsachterstanden verminderen. Met het afsluiten van het
Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord zijn er aanvullende afspraken gemaakt
over laagdrempelige steunpunten. In dit akkoord zijn de laagdrempelige
steunpunten opgenomen als één van de basisfunctionaliteiten rondom
mentale gezondheid. Dat betekent dat is afgesproken dat uiterlijk in
2030 deze functionaliteit in elke regio of gemeente beschikbaar moet
zijn voor inwoners. Hiermee is ook structurele financiering beschikbaar
gekomen.
Sinds de afsluiten van het IZA is er, onder leiding van de VNG, een
werkgroep mee aan de slag gegaan waar ook ZN, de Nederlandse ggz,
Valente, Sociaal Werk Nederland, de landelijke vereniging van zelfregie-
en herstel en het ministerie van VWS aan deelnemen. Partijen koppelen
periodiek – in samenhang met de monitoring van de uitkomstdoelen in het
IZA – de voortgang van de uitvoering van de afspraken terug in het
Bestuurlijk Overleg IZA. Door middel van deze terugkoppeling wordt zicht
gehouden of het partijen lukt om bovengenoemde afspraken tijdig te
realiseren. Voor het AZWA wordt de monitoring nog ingericht.
De afgelopen jaren is ook toegewerkt naar mentale gezondheidsnetwerken waarin door ggz-professionals (onder andere) verkennende gesprekken worden gevoerd in samenwerking met het sociaal domein. Deze netwerken worden ingericht op een manier die past bij de regio. Inmiddels hebben alle regio’s een goedgekeurd transformatieplan, en kan dus ook in de laatste regio’s een start worden gemaakt met de implementatie van deze mentale gezondheidsnetwerken. Voorliggend wetsvoorstel staat los van deze uitwerking. Alle gemeenten in Nederland zijn inmiddels met een lokaal of regionaal meldpunt niet-acute zorg aangesloten op het landelijk meldpunt. De verantwoordelijkheid voor het monitoren is toegekend aan een externe partij. Deze partij heeft per 1 februari 2023, naast het technisch beheer van het landelijke Meldpunt Zorgwekkend Gedrag, de opdracht om kennisdeling en kwaliteitsverbetering van het functioneren van de lokale- en regionale meldpunten niet-acuut te faciliteren en monitoren. Dit draagt bij aan het bevorderen van de efficiëntie en effectiviteit van de keten van het meldpunt.
176. Dit wetsvoorstel verankert de taak voor gemeenten om zorg te dragen voor een meldpunt voor inwoners en professionals die zich zorgen maken over iemand in hun omgeving.
De leden van de SGP-fractie maken uit de memorie van toelichting op dat alle gemeenten inmiddels beschikken over een dergelijk meldpunt, veelal is dat ondergebracht bij de GGD.
De leden van de SGP-fractie vragen de regering waarom het dan nog nodig is dit meldpunt wettelijk te verankeren? Wat zijn de ervaringen met deze meldpunten tot nu toe? Hoe functioneert dit in de praktijk? Hoe vaak worden er meldingen gedaan en hoe vaak leidt dit tot vervolgonderzoek of –acties? Wordt er ook weleens oneigenlijk gebruik gemaakt van deze meldpunten en hoe wordt hiermee omgegaan?
Met het opnemen in de wet van de regionale meldpunten niet-acute zorg wordt een expliciete wettelijke basis voor de benodigde gegevensverwerking door de meldpunten geregeld. Het voorgestelde artikel 5.5.1 regelt dat het college bij een melding aan het meldpunt persoonsgegevens van de melder mag verwerken en artikelen 5.5.2 en 5.5.3 regelen de verwerking van gegevens die noodzakelijk zijn om naar aanleiding van de melding triage te doen en de melding door te kunnen geleiden naar een partij de cliënt mogelijk kan helpen. Artikel 5.5.4 regelt de bewaartermijn van voor de melding verwerkte gegevens.
Meldpunten registreren meldingen op verschillende manieren. Er is
daarom geen zicht op het totaal aantal meldingen dat afgelopen vijf jaar
bij alle lokale of regionale meldpunten binnengekomen is. Ieder meldpunt
maakt met samenwerkingspartners zelf afspraken over de manier waarop zij
opvolging geven aan meldingen. Het landelijk meldpunt zorgwekkend gedrag
ontving in 2025 bijna 22.271 meldingen waarvan er 14.395 doorgezet naar
een lokaal of regionaal meldpunt niet-acuut.
Het landelijk nummer schakelt mensen namelijk door naar het lokale of
regionale meldpunt. De GGD GHOR Nederland heeft in 2020 vlak voor de
lancering van het landelijke meldpunt een inventarisatie gedaan onder
gemeenten naar de aanwezigheid van een meldpunt en de werkwijze.99 Uit deze inventarisatie komt naar
voren dat aan twee derde van de meldingen een vervolg wordt gegeven en
één derde van de meldingen meteen wordt afgehandeld, omdat het geven van
bijvoorbeeld een advies aan de melder voldoende was. Bij het vervolg
gaat het vaak om iemand toe te leiden naar passende zorg zoals een
lokaal team, welzijnsorganisatie, schuldhulpverlening, verslavingszorg
of een ggz-aanbieder. Indien dit niet meteen lukt, proberen
oggz-professionals mensen die uit zichzelf geen hulp vragen of
accepteren, toe te leiden naar hulp.
De medewerkers van het meldpunt beschikken over de expertise om adequaat om te gaan met eventuele oneigenlijke meldingen. Desgevraagd100 geven de beheerders van het landelijk meldpunt aan dat de lokale meldpunten geen signalen afgeven van oneigenlijk gebruik. Hetgeen niet uitsluit dat het niet voor kan komen. De medewerkers zijn getraind om een goede triage uit te voeren en op basis daarvan een inschatting te maken van wat nodig is. Het is daarnaast lastig om te bepalen wat een onterechte melding is. In de praktijk komt het bijvoorbeeld voor dat een persoon zich zorgen maakt over iemand, terwijl een professional van mening is dat de situatie niet zorgelijk (genoeg) is om
professionele hulp op te starten. Het is aan de meldpunten zelf om hier beleid op te maken en te bepalen hoe hiermee wordt omgegaan, maar vooralsnog zijn er geen signalen dat er oneigenlijk gebruik gemaakt wordt van het meldnummer.
Het meldpunt is een laagdrempelige voorziening: de beller heeft contact met een medewerker die beoordeelt wat de behoefte is. Soms is een telefonisch advies voldoende, waarna de beller zich gesterkt kan voelen in het benaderen van de persoon over wie hij zich zorgen maakt. Is dat niet het geval, dan wordt voor passende opvolging gezorgd door de melding naar de juiste partij door te geleiden. Anonieme meldingen worden niet in behandeling genomen om te voorkomen dat het meldnummer oneigenlijk gebruikt kan worden door bijvoorbeeld personen die vijandig staan ten opzichte van de persoon over wie zij melden of in een conflict verwikkeld zijn met de persoon over wie zij melden. Bovendien leidt de melding mogelijk tot opvolging waarbij het wenselijk kan zijn de melder op een later moment te kunnen benaderen voor aanvullende informatie. Een melder kan wel verzoeken om anoniem te blijven als het gaat om terugkoppeling aan degene over wie de melding is gedaan. Professionals kunnen niet anoniem blijven jegens degene over wie is gemeld.
177. Kan de regering een overzicht geven van alle reeds bestaande meldpunten op het gebied van zorg en veiligheid? Zijn dat alleen Veilig Thuis en Meldingen in het kader van de Wvggz? Kan de regering aangeven hoe deze meldpunten functioneren? Worden deze weleens geëvalueerd? Zijn deze meldpunten ook allemaal wettelijk voorgeschreven?
Gemeenten hebben de vrijheid om de meldpunten regionaal of lokaal in te richten op een manier die in die regio het meest passend is binnen de structuren in het zorglandschap. Hiervan is geen actueel overzicht. De 25 meldpunten Veilig Thuis zijn wettelijk voorgeschreven. De Wvggz verplicht niet tot een meldpunt, maar tot een meldfunctie. Het staat de gemeente vrij hoe dit wordt georganiseerd (al dan niet in combinatie met een ander meldpunt). Bij de evaluatie van de Wvggz is gekeken naar de meldfunctie. Dit heeft niet geleid tot aanbevelingen over de meldfunctie in het eindrapport. Wel is er een drietal aanbevelingen gedaan over het verkennend onderzoek (nummers 52, 53 en 54) dat na een melding kan volgen. Op deze aanbevelingen is gereageerd in de beleidsreactie op de wetsevaluatie.101 Het landelijk meldpunt niet-acuut is sinds juli 2020 live en is in oktober 2020 officieel gelanceerd. Sinds het voorjaar van 2021 zijn alle Nederlandse gemeenten aangesloten op het meldpunt, via een lokaal (gemeentelijk) of regionaal (bijvoorbeeld via GGD) meldpunt niet-acuut.
GGD GHOR Nederland heeft vanaf 2018 tot februari 2023 alle lokale en regionale meldpunten ondersteund, in opdracht van ZonMw en het ministerie van VWS. De ondersteuning bestond onder andere uit het faciliteren van kennisuitwisseling door het organiseren van bijeenkomsten waarin landelijke ontwikkelingen zijn besproken en het onderlinge leren centraal stond. Ook heeft de GGD GHOR Nederland een aantal handreikingen ontwikkeld en een kwaliteits- en ontwikkelinstrument.
Sinds 1 februari 2023 heeft een nieuwe externe partij het beheer van het Landelijk Meldpunt Zorgwekkend gedrag overgenomen en daarmee ook de ondersteunende rol richting de meldpunten. Het monitoren is ook meegenomen in de opdracht die is toegekend aan deze externe partij. Deze partij heeft, naast het technisch beheer van het landelijke Meldpunt Zorgwekkend Gedrag, de opdracht om kennisdeling en kwaliteitsverbetering van het functioneren van de lokale- en regionale meldpunten niet-acuut te faciliteren en monitoren. Deze inzichten worden gebruikt voor het bevorderen van efficiëntie en effectiviteit van de keten van het meldpunt. Dit moet er toe leiden dat ieder meldpunt doeltreffend kan handelen op basis van een melding.
VERHOUDING TOT HOGER RECHT EN NATIONALE REGELGEVING
178. In de paragraaf over transparantie en rechten van betrokkenen staat in de memorie van toelichting wat cliënten kunnen doen indien er meer informatie wordt verwerkt dan nodig, of indien een verwerking onrechtmatig is omdat bijvoorbeeld niet is voldaan aan de criteria voor onderzoek naar een situatie waarin ‘ernstige problematiek’ speelt. De leden van de VVD-fractie vragen de regering wie toezicht houdt op het goed opvolgen van criteria en welke veiligheidskleppen er ingebouwd zijn tegen het verwerken van meer informatie dan nodig.
Dit wetsvoorstel biedt een kader om te zorgen dat gegevens van mensen
worden gebruikt voor de doeleinden waarvoor deze zijn bedoeld. Gegevens
worden alleen verwerkt voor zover noodzakelijk voor een onderzoek naar
meervoudige problematiek. Als naar aanleiding van dat onderzoek een
gecoördineerde aanpak start, regelt het wetsvoorstel dat ook in die fase
alleen de voor die coördinatie noodzakelijke gegevens mogen worden
verwerkt.
Een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek op grond van
artikel 2.3a.4 kan worden gestart zonder dat de cliënt met een hulpvraag
is gekomen, maar ook deze cliënt wordt zoveel als mogelijk bij het
onderzoek betrokken. Voor beide typen onderzoek geldt dat alleen
noodzakelijke gegevens mogen worden verwerkt en dat alleen partijen die
meedoen in de op het onderzoek volgende gecoördineerde aanpak gegevens
kunnen ontvangen die noodzakelijk zijn voor hun specifieke bijdrage. Dit
zijn dus wettelijk vastgelegde “veiligheidskleppen”.
Er zijn vervolgens verschillende manieren waarop een betrokkene onder de
aandacht kan brengen dat er meer gegevens worden verwerkt dan nodig. Zo
kan diegene een klacht indienen bij de gemeente op grond van de Algemene
wet bestuursrecht of een klacht indienen bij de toezichthouders op het
gebied van de verwerking van gegevens: de functionaris
gegevensbescherming en de AP. Verder is er een formele rechtsingang op
grond van de AVG. Op grond daarvan kan de betrokkene het college
verzoeken om bovenmatige gegevensverwerking te staken en de gegevens te
wissen voor zover er niet is voldaan aan de in dit wetsvoorstel gestelde
voorwaarden. Tegen een besluit naar aanleiding van een dergelijk verzoek
aan het college staat bezwaar en beroep open.
GEGEVENSBESCHERMING EFFECTENBEOORDELING (DPIA)
179. De leden van de D66-fractie vragen de regering of er ook aspecten naar voren kwamen uit de DPIA die hun weg níet hebben teruggevonden in de huidige wettekst en of de regering die keuze kan onderbouwen.
Het onderhavige wetsvoorstel is voor wat betreft gegevensverwerking vrij algemeen van aard, omdat de gecoördineerde aanpak betrekking heeft op gedecentraliseerde taken waarbij sprake is van maatwerk in de uitvoering en waarbij het college ruimte heeft om eigen keuzes te maken bij de inrichting van de gecoördineerde aanpak. Dit betekent dat volgens de DPIA op de wetgeving de meeste risico’s omtrent de verwerking van persoonsgegevens in de uitvoering liggen. De uit de DPIA voortvloeiende maatregelen zijn daarop gericht. Met name is gewezen op de noodzaak dat medewerkers beschikken over de juiste kennis en vaardigheden om op passende wijze uitvoering te geven aan de noodzakelijke gegevensverwerking. Om deze risico’s verder in kaart te brengen is tevens bij een aantal gemeenten een DPIA uitgevoerd op de risico’s in de verwachte uitvoeringspraktijk van de gecoördineerde aanpak als onderdeel van de impactanalyse van de VNG. De DPIA op deze uitvoeringspraktijk heeft geen aanvullende of meer concrete risico’s ten opzichte van de DPIA op de wetgeving aan het licht gebracht. Het voornaamste risico is dat onduidelijkheid over de privacyregels in de sociaal domeinwetten en de AVG ertoe kan leiden dat medewerkers te weinig of juist te veel persoonsgegevens verwerken. Door een hoog verloop van personeel is de kennis van (nieuwe medewerkers) op het gebied van privacyregels vaak onvoldoende. Tevens is er door de (te) hoge werkdruk weinig tijd om te investeren in kennis op het gebied van privacyregelgeving. De te hoge werkdruk wordt betrokken bij de actielijnen versterken dienstverlening. Uit de DPIA’s blijkt de behoefte aan duidelijke communicatie over het wetsvoorstel en ondersteuning (bijvoorbeeld in de vorm van handreikingen of klantreizen) voor gemeenten, de betrokken partijen en cliënten en een actieve rol hierbij van Rijk, VNG en andere betrokken partijen. Een concept Handreiking over de centrale begrippen meervoudige problematiek en ernstige meervoudige problematiek is al opgesteld door een werkgroep van gemeenten en andere betrokken partijen. De regering draagt uiteraard zorg voor de landelijke implementatie van de Wams door middel van communicatie, duidelijkheid over de kaders, randvoorwaarden en waarborgen bij de toepassing van de Wams.
Overigens is ook op de bestaande uitvoeringspraktijk van de meldpunten een DPIA uitgevoerd op basis van de werkwijzen van een tiental meldpunten die betrokken waren bij de handreiking “Meldpunten niet-acuut”. De uitkomsten van deze DPIA zijn verwoord in hoofdstuk 4 van die handreiking en geven inzicht in privacy-risico’s bij verschillende werkwijzen en organisatiewijzen en schetst de maatregelen die door colleges genomen kunnen worden om de kans op het optreden van die risico’s te verkleinen.
180. De leden van de PVV-fractie lezen dat het college en betrokken partijen de persoonsgegevens uit het onderzoek niet voor een ander doel dan de gecoördineerde aanpak verder mogen verwerken, bijvoorbeeld ter bestrijding van fraude. Zoals de Afdeling heeft opgemerkt vergt dat bepaalde kennis en expertise van medewerkers. Wat zijn de gevolgen als de gegevens toch gebruikt worden, bijvoorbeeld om (met terugwerkende kracht) een uitkering in te trekken en terug te vorderen, omdat de cliënt samen blijkt te wonen of verborgen vermogen heeft? Zijn deze besluiten onrechtmatig en vernietigbaar, of blijven deze besluiten in stand? Bij dit laatste, is er dan recht op schadevergoeding op grond van artikel 82 van de AVG? Hoe werkt dit als het onderzoek aanleiding geeft voor het vorderen van meer informatie op grond van een andere bevoegdheid, bijvoorbeeld artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet en de intrekking en terugvordering berust op de gevorderde gegevens? Maakt het uit of het besluit ziet op uit het verleden of toekomstige verstrekkingen? Immers, het beëindigen van fraude kan op termijn juist ook voordelen voor de burger hebben. Hoe verhoudt de beperking van het hergebruik van gegevens zich tot verplichtingen om fraude te melden, zoals opgenomen in het voorgenomen artikel 2.3 van de Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg?
Het onderzoek naar meervoudige problematiek (artikel 2.3a.1, vierde
lid en 2.3a.4, tweede lid) heeft tot doel de problemen van cliënten en
hun gezin te verminderen of weg te nemen. Als de Participatiewet
onderdeel uitmaakt van het onderzoek naar meervoudige problematiek
kunnen gegevens beschikbaar komen waaruit blijkt dat iemand mogelijk
onterecht een uitkering ontvangt. De medewerker die het onderzoek heeft
uitgevoerd informeert de cliënt over de uitkomsten van het onderzoek
naar meervoudige problematiek (artikel 2.3a.2). Hierbij zal de
medewerker ook het gesprek aangaan met de cliënt over een mogelijke
onterechte uitkering. Zij bespreken op welke manier een rechtmatige
situatie kan worden bereikt en zoeken naar een oplossing die bijdraagt
aan het verminderen of wegnemen van de problemen van de cliënt. Daarbij
merken de leden van de PVV-fractie terecht op dat beëindiging van fraude
op termijn juist voordelen kan hebben voor de burger.
Het college mag de gegevens uit het onderzoek naar meervoudige
problematiek niet gebruiken om de onterechte uitkering aan te
passen.
De cliënt is niet verplicht om de gecoördineerde aanpak en de daarin voorgestelde diensten te accepteren. Hij kan bijvoorbeeld niet worden verplicht bijstand aan te vragen. Los van de in dit wetsvoorstel voorgestelde gecoördineerde aanpak bij meervoudige problematiek blijven gemeenten de Participatiewet uitvoeren en daar toezicht op houden. Die wet bevat een inlichtingenplicht (artikel 17, eerste lid). Dat betekent dat de belanghebbende zelf moet melden als er feiten of omstandigheden zijn die van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Dat kunnen ook feiten of omstandigheden zijn die tijdens de gecoördineerde aanpak zijn gebleken.
De Wams verandert niets aan de bestaande bepalingen en kaders die gelden voor een onrechtmatige overheidsdaad, en sluit toepassing hiervan niet uit. Dat geldt ook voor de mogelijkheid van het recht op schadevergoeding van artikel 82 van de AVG. Een betrokkene die meent dat een onrechtmatige verwerking van zijn persoonsgegevens schade heeft veroorzaakt, kan hier een beroep op doen.
Het wetsvoorstel verandert niets aan de voorwaarden voor inkomensondersteuning in de Participatiewet en het toezicht daarop. Deze worden heroverwogen in het wetsvoorstel Participatiewet in balans.102 De leden van de PVV-fractie merken terecht op dat dit kennis en expertise van medewerkers vraagt. Gemeenten hebben daarom beleid over hoe om te gaan met de verschillende rollen van toeleiding naar hulp, hulpverlener en toezichthouder en wat te doen bij een conflict van plichten. Hiervoor zijn ook landelijke handreikingen beschikbaar.
De Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg (Wbsrz)103 regelt twee instrumenten: het waarschuwingsregister zorgfraude en het Informatieknooppunt Zorgfraude (IKZ). Bij verstrekking aan het waarschuwingsregister moet er sprake zijn van een gerechtvaardigde overtuiging van fraude. Dan bevindt een gemeente zich feitelijk aan het einde van haar fraudeonderzoek en kan zij vaststellen dat er daadwerkelijk sprake is van fraude en zal zij in de regel daar ook aangifte van doen.
Wat betreft het IKZ (artikel 2.4 Wbsrz) hebben instanties de verplichting om signalen over een vermoeden van fraude aan het IKZ te verstrekken. Dit is informatie uit de reguliere toezichts- en handhavingstaak en niet uit de gecoördineerde aanpak die het wetsvoorstel mogelijk maakt. De Wbsrz heeft in principe een eigenstandige werking, maar het IKZ ‘draait’ natuurlijk op de signalen die instanties bij hun reguliere taakuitoefening opdoen. Overigens is in de Besluit bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg (Bbsrz) vrij uitvoering beschreven welke gegevens een gemeente dient te verstrekken.
181. De leden van de PVV-fractie vragen wie er kan worden aangesproken op onrechtmatige (verdere) verwerking als de coördinator een ‘partij’ is, en het college dus niet verwerkingsverantwoordelijk is?
In artikel 5.4.4, zesde lid, wordt inderdaad geregeld dat indien de coördinator een partij is of een medewerker van een partij, die partij de verwerkingsverantwoordelijke is. Dat is niet alleen logisch omdat de coördinator tijdens de gecoördineerde aanpak degene is die de gegevens daarover verwerkt, maar het is ook duidelijk voor de cliënt. Tijdens de gecoördineerde aanpak is de coördinator het aanspreekpunt voor de cliënt, niet alleen over de aanpak zelf, maar ook over de verwerking van gegevens. Deze partij kan dus ook worden aangesproken op onrechtmatige (verdere) verwerking.
182. Het college kan gegevens aan de burgemeester verstrekken in verband met zijn taken op het gebied van de openbare orde, waaronder de sluitingsbevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De verstrekking van deze gegevens en de aanwending van de openbare-orde-bevoegdheden door de burgemeester zijn niet geclausuleerd in artikel 5.4.4, en hoeft dus niet gericht te zijn op de gecoördineerde aanpak. Onderkent de regering dat dit mogelijk nadelig aanpakt voor de cliënt? Wordt in het kader van de ‘samenspraak’ dit risico medegedeeld?
Het doel van een gecoördineerde aanpak is de problemen van de cliënt
en betrokken gezinsleden binnen het sociaal domein en eventuele
aanpalende domeinen te verminderen of op te lossen en hen te
ondersteunen bij het verbeteren van de zelfredzaamheid en participatie.
Als iemand zelf met een hulpvraag aanklopt, wordt in samenspraak met de
cliënt gesproken over de reikwijdte van de hulpvraag. Het college is op
grond van artikel 5.4.1 bevoegd tot het verwerken van persoonsgegevens
van de cliënt voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor de
uitvoering van een onderzoek naar meervoudige problematiek. Er is dan
ook geen grondslag voor het verwerken van gegevens die niets te maken
hebben met de reikwijdte van de hulpvraag en het onderzoek.
Uiteraard moet aan de cliënt vooraf worden uitgelegd dat ten behoeve van
het onderzoek de noodzakelijke gegevens worden verwerkt en welke
gegevens dat kunnen zijn. Dit geldt ook voor een onderzoek naar ernstige
meervoudige problematiek als bedoeld in artikel 2.3a.4, tweede lid, dat
kan worden gestart op verzoek van een bij de cliënt betrokken partij.
Het derde lid van dat artikel bepaalt dat het college de cliënt of
cliënten en, indien deze er zijn, zo nodig hun vertegenwoordigers en
mantelzorgers informeert over het uitvoeren van een onderzoek naar
ernstige meervoudige problematiek en hen zo mogelijk betrekt bij het
uitvoeren van het onderzoek. Vooral bij een onderzoek naar ernstige
meervoudige problematiek is voorstelbaar dat er problemen en gegevens
naar voren komen die raken aan de openbare orde en veiligheid. Het kan
dan – juist ook in het kader van het oplossen of verminderen van de
problemen – gewenst zijn dat de burgemeester één van de in artikel 5.4.4
genoemde bevoegdheden inzet. Aangezien het om discretionaire
bevoegdheden van de burgemeester gaat, is de mogelijkheid tot het
inzetten van die bevoegdheden verder niet geclausuleerd. Ook wordt niet
geclausuleerd dat de bevoegdheden alleen in het kader van een
gecoördineerde aanpak mogen worden ingezet. Het kan voorkomen dat een
onderzoek naar meervoudige problematiek uiteindelijk niet leidt tot een
gecoördineerde aanpak. Zeker bij ernstige meervoudige problematiek zal
het niet altijd lukken de cliënt te overtuigen daaraan mee te werken. De
regering is van mening dat een burgemeester in dit soort situaties
overeenkomstig zijn bevoegdheden de afweging moet kunnen maken, dat het
ter bescherming van de openbare orde of de veiligheid in de omgeving
noodzakelijk is de in artikel 5.4.4 genoemde bevoegdheden in te zetten.
Hierbij weegt de burgemeester de mogelijk nadelige gevolgen voor de
persoon die de maatregel betreft en diens naasten af tegen de nadelige
gevolgen voor zijn omgeving.
183. De DPIA stelt dat ten aanzien van deze wet de meeste risico’s liggen omtrent de verwerking van persoonsgegevens en de daarbij passende maatregelen in de uitvoering, zo lezen de leden van de CDA-fractie. Er is met name gewezen op de noodzaak dat medewerkers beschikken over de juiste kennis en vaardigheden om op passende wijze uitvoering te geven aan de noodzakelijke gegevensverwerking. Dit delen de leden van het CDA-fractie, juist omdat het uitwisselen van privacygevoelige gegevens – in deze wet – algemeen is geformuleerd. De gecoördineerde aanpak heeft betrekking op gedecentraliseerde taken waarbij sprake is van maatwerk in de uitvoering en waarbij het college ruimte heeft om eigen keuzes te maken bij de inrichting van de gecoördineerde aanpak. Omdat deze wet qua gegevensuitwisseling in verband met coördinatie bij meervoudige problematiek breed toegepast kan worden, vragen genoemde leden de regering, gezien de arbeidskrapte, werkdruk en het verloop van medewerkers, hoe medewerkers goed en tijdig op de hoogte zijn van de uitvoering van deze wet. Ziet de regering het probleem dat de DPIA hier schetst? Voorziet zij geen problemen bij de uitvoering van diverse deelnemers/organisaties aangaande informatiedeling, want dit kunnen bij meervoudige problematiek wel een tiental organisaties zijn?
In de ondersteuning van gemeenten bij de implementatie zal hier aandacht aan worden besteed met onder andere handreikingen en training. Er wordt ondersteuning geboden vanuit verschillende programma’s waarin Rijk, gemeenten en andere partijen samenwerken om knelpunten in de dienstverlening aan kwetsbare inwoners aan te pakken. Zo wordt reeds op diverse plekken invulling gegeven aan het verbeteren van de kennis en deskundigheid ten aanzien van privacy en gegevensverwerking bij samenwerking rond meervoudige problematiek. Dit heeft onder andere geresulteerd in diverse trainingen, handreikingen en modelconvenanten voor de omgang met persoonsgegevens bij meervoudige problematiek.
Voor de voorbereiding op de implementatie van dit wetsvoorstel zal worden aangesloten bij de eigen verantwoordelijkheden van organisaties en de bestaande ondersteuning, om deze waar nodig te stimuleren, om onderlinge verbindingen te leggen en om dubbel werk te voorkomen. Gezien de diversiteit aan initiatieven wordt mede verkend hoe de huidige netwerken versterkt kunnen worden en de opgeleverde producten vindbaar blijven, door middel van een kennis- en expertise platform.
Gelet op deze investeringen in het borgen van privacy in de werkprocessen en in het versterken van de kennis en vaardigheden van professionals, verwacht de regering dat de risico’s zoals benoemd in de DPIA voldoende worden beperkt en dat de betrokken partijen tijdig en adequaat zullen zijn toegerust om op zorgvuldige wijze uitvoering te geven aan de Wams.
184. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering op welke manier structureel aandacht zal worden besteed aan de wijze waarop de Wams zo goed mogelijk kan worden ingezet ten behoeve van dienstverlening voor de inwoners. Hoe wordt controle hierop vormgegeven?
In de eerste plaats heeft de gemeenteraad de taak om te controleren of het college de in de Wmo 2015 en de andere wetten van het sociaal domein opgenomen taken, voldoende uitvoert en naleeft. Daarnaast heeft het college toezichthoudende ambtenaren aangewezen (artikel 6.1 Wmo 2015). Zij houden toezicht op de naleving van de Wmo 2015, waaronder de kwaliteit van de verleende ondersteuning. Ik ben als staatssecretaris verantwoordelijk voor het functioneren van het stelsel. Indien gemeenten onvoldoende uitvoering geven aan hun taak, dan kan ik hen daarop aanspreken in het kader van het interbestuurlijk toezicht.
185. De leden van de PvdA-fractie vragen ook in hoeverre dit wetsvoorstel er aan gaat bijdragen dat jongeren die niet werken of naar school gaan, een zorgvraag hebben of een strafbaar feit hebben gepleegd, beter in beeld zijn en effectiever geholpen worden. Hoe draagt dit wetsvoorstel bij aan een effectiever jeugdbeleid, zowel preventief als repressief?
Dit wetsvoorstel draagt op verschillende manieren bij aan een
effectiever jeugdbeleid. Met het wetsvoorstel wordt de gelijktijdige
inzet van hulp uit andere domeinen in geval van (ernstige) meervoudige
problematiek in de context van het kind en gezin bevorderd. Het
wetsvoorstel maakt het beter mogelijk om te onderzoeken of parallel aan
jeugdhulp ook hulp vanuit andere domeinen moet worden aangeboden
(Participatiewet, Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en domein wonen
alsmede (volwassenen)zorg op basis van de Wmo 2015, Zvw of Wlz) om de
problemen gelijktijdig, integraal en bij de bron aan te pakken. Verder
draagt het voorstel bij aan de overgang van jeugdhulp naar de
volwassenzorg op 18-jarige leeftijd. Voor de groep jongeren die
jeugdhulp krijgen en 18 worden geldt dat deze de jeugdhulp (veelal) moet
verlaten. Het vroegtijdig aangaan van het gesprek over de toekomst, het
zorgen voor een woning, voor werk of opleiding, voor inkomen, voor
verdere begeleiding en zorg als dit nodig en gewenst is, maakt dat een
jongere mét een toekomstperspectief de jeugdzorg kan verlaten. Hierbij
kan in samenspraak met de jongere worden ingezet op een gecoördineerde
aanpak. Dit voorkomt dat jongeren onnodig lang in de jeugdhulp blijven
of dat ze dak- en thuisloos raken als gevolg van een gat in opvang en
begeleiding.
Omdat problemen van de ouders vaak onderliggend zijn aan zorgen over de
veiligheid en ontwikkelingsmogelijkheden van een kind, is bovendien een
brede blik noodzakelijk wil de bescherming van en hulp aan het kind
effectief zijn. Bij een brede gezinsgerichte aanpak wordt bekeken welke
hulp en steun nodig is voor het gehele gezin, inclusief, of juist met
nadruk op, de ouders. Een onderzoek naar meervoudige problematiek en een
gecoördineerde aanpak, zoals de Wams regelt, is daar bij uitstek
geschikt voor.
Verder is onderwijs vaak een eerste plaats waar problemen met jongeren
worden gesignaleerd. Betrokken professionals kunnen worden
geconfronteerd met casuïstiek waarbij zij aanleiding hebben om te
vermoeden dat er sprake is van meervoudige problematiek. De problemen op
school kunnen samenhangen met problemen in de thuissituatie. Ook
denkbaar is het opstarten van een gecoördineerde aanpak vanuit de
Jeugdwet bij een thuiszitter. Binnen het onderwijsdomein zijn
verschillende partijen betrokken. Op basis van de Leerplichtwet 1969 is
het toezicht op de naleving van deze wet opgedragen aan de
leerplichtambtenaar van de gemeenten (het college). Ook voeren
(contact)gemeenten op grond van de Wet educatie en beroepsonderwijs, Wet
op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra de regionale
meld- en coördinatiefunctie (RMC) uit ten behoeve van het voorkomen en
bestrijden van voortijdig schoolverlaten. Deze partijen kunnen een
verzoek doen bij een vermoeden van ernstige meervoudige problematiek en
als partij deelnemen aan een gecoördineerde aanpak.
186. Het lid van de BBB-fractie vraagt de regering te waarborgen dat gegevens die worden verzameld in het kader van de gecoördineerde aanpak niet worden gebruikt voor andere doeleinden, zoals fraudebestrijding.
Alleen de verwerking van persoonsgegevens die het wetsvoorstel expliciet regelt is toegestaan. Hieruit volgt dat gegevensverwerking voor andere doelen niet is toegestaan. De verwerking van persoonsgegevens wordt toegestaan voor het onderzoek naar meervoudige problematiek, dat tot doel heeft de problemen van cliënten en hun gezin te verminderen of weg te nemen (artikel 2.3a.1, vierde lid en 2.3a.4, tweede lid). De persoonsgegevens mogen verder worden verwerkt voor de gecoördineerde aanpak en om diensten in het sociaal domein te verkrijgen (artikel 2.3a.2 en 5.4.4, eerste lid). Het belang van deze verdere verwerking is dat cliënten (en betrokken partijen) de gegevens niet opnieuw hoeven te verstrekken. Artikel 5.4.4, eerste lid, onderdeel a, geeft ook de grondslag om gegevens verder te verwerken ten behoeve van interventies op grond van de Jeugdwet en de Wet inburgering 2021. Het gaat dan om een verzoek tot onderzoek bij de raad voor de kinderbescherming, het uitvoeren van een kinderbeschermingsmaatregel of het voldoen aan de inburgeringsplicht. Bij nota van wijziging stel ik voor om artikel 5.4.4, eerste lid, onderdeel a, zo aan te passen dat duidelijk is dat verdere verwerking van gegevens uit een onderzoek naar meervoudige problematiek door het college is toegestaan ten behoeve van het verstrekken van diensten op grond van de sociaaldomeinwetten en de Wet inburgering 2021 en daarnaast alleen ten behoeve van de bovengenoemde interventies die ook onderdeel kunnen zijn van een gecoördineerde aanpak. De gegevens mogen ook verder worden verwerkt voor enkele bevoegdheden van de burgermeester en specifieke interventies die ingezet worden als de veiligheid van een cliënt of personen in de omgeving in het geding zijn (artikel 5.4.4, eerste lid). Het gebruiken van gegevens van de gecoördineerde aanpak voor fraudeopsporing is niet toegestaan op grond van het wetsvoorstel.
REGELDRUK EN FINANCIËLE GEVOLGEN
187. Bij de meeste gemeenten is nog aanzienlijke inspanningen nodig om tot de gewenste integrale dienstverlening te komen. De leden van de VVD-fractie vragen hoe er nu al voor wordt gezorgd dat deze gemeenten snel een been bijtrekken als het om de integrale dienstverlening gaat.
Sommige gemeenten zijn al beter voorbereid op de Wams dan andere.104 Bij de implementatie wordt aandacht besteed aan de manier waarop de Wams zo goed mogelijk kan worden ingezet ten behoeve van dienstverlening voor de inwoner. Het streven naar integrale dienstverlening vraagt om aanpassingen op het gebied van (gemeentelijke) organisatie, competenties en de samenwerking tussen de verschillende domeinen. De dienstverlening kan alleen worden verbeterd als gemeenten, uitvoeringsorganisaties en de Rijksoverheid samenwerken, samen leren van de uitvoeringspraktijk én verbeteringen doorvoeren. Zoals vermeld in paragraaf 2.2. van de memorie van toelichting geven gemeenten op verschillende wijze vorm aan integraal werken; onder andere in de vorm van lokale teams (met brede of smalle taken), teams voor Werk en Inkomen, of op een specifieke doelgroep gerichte (casus)overleggen en samenwerkingsverbanden.
188. In de paragraaf over de gevolgen van regeldruk voor burgers lezen genoemde leden dat de cijfers van het SCP uit 2017 worden genoemd. De leden van de VVD-fractie constateren dat op pagina tien van de memorie van toelichting cijfers uit 2018 worden gebruikt. Kan de regering toelichten waarom verschillende jaren zijn gebruikt?
Dat heeft een praktische reden. De cijfers zijn afkomstig uit twee verschillende SCP rapporten. De regeldruktoets is in 2020/2021 uitgevoerd. Daarvoor is geput uit de overall rapportage sociaal domein 2017 ‘Wisselend bewolkt’105. Vlak voor oplevering van de regeldruktoets is het rapport ‘Voorzieningen in 3D’106 gepubliceerd. De cijfers in die rapportage konden niet meer worden meegenomen in de regeldruktoets, maar zijn waar mogelijk wel gebruikt om het meest actuele beeld weer te geven in de memorie van toelichting.
189. In de paragraaf regeldruk voor professionals staat dat in het kader van regeldruk als uitgangspunt geldt dat partijen die gerekend worden tot de overheid, zoals gemeenten en uitvoeringsorganisaties, hierbuiten vallen. Betekent dit dat de regeldruk voor bijvoorbeeld GGD’en niet is berekend?
Het onderzoek ziet met name op het in kaart brengen van de impact voor burgers en bedrijven. De impact voor gemeenten en uitvoeringsorganisaties is via uitvoeringstoetsen in kaart gebracht. De term uitvoeringstoetsen werd hier gebruikt om uitvoeringsorganisaties van de Rijksoverheid aan te duiden. In hoofdstuk 8 van de memorie van toelichting worden deze organisaties bij name genoemd. Bij de berekening van de regeldruk voor professionals zijn de GGD’en meegenomen. In de CBS-cijfers die zijn gebruikt voor de analyse van SIRA-consulting worden de professionals die werken bij een GGD ook meegenomen.107
190. De leden van de PVV-fractie vragen of de regering kan garanderen dat dit wetsvoorstel niet zal zorgen voor een toename van administratielasten en regeldruk?
De gecoördineerde aanpak van de Wams maakt dat de burger minder vaak zijn verhaal hoeft te doen, minder vaak dezelfde persoonsgegevens hoeft te delen en dat oplossingen voor problemen integraal worden afgestemd. Professionals die zijn betrokken bij de gecoördineerde aanpak hebben meer duidelijkheid over de vraag welke persoonsgegevens zij kunnen verstrekken en welke zij tijdens het casusoverleg kunnen delen. Het wordt voor hen duidelijker welke andere professionals betrokken zijn bij hun cliënt en wat hun rol en inzet is; deze omstandigheden dragen eraan bij dat handelingsverlegenheid en de administratielast kunnen afnemen.
De berekening van de regeldrukkosten is indicatief en gebaseerd op literatuuronderzoek en de standaardtijdsbestedingen in het Handboek Meting Regeldrukkosten van het ministerie van EZK (2018). De conclusie die kan worden getrokken is dat het wetsvoorstel na invoering een lastenverlichting betekent (de voorzichtige raming komt uit op een bedrag lastenverlichting van ongeveer € 455.000,- per jaar voor burgers en ongeveer € 566.137,60 voor professionals).
191. De leden van de PVV-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat dit wetsvoorstel uitmondt in een vergadercircus. Is de regering bereid een uitvoeringstoets uit te voeren naar de gevolgen bij cliënten, zorgaanbieder en hulpverleners?
Het college kan ten behoeve van een onderzoek naar meervoudige
problematiek een casusoverleg houden. Dat is dus niet de standaard
procedure en de toegevoegde waarde zal afhangen van de specifieke casus.
Op grond van artikel 5.4.3, eerste lid, kan het college partijen
uitnodigen voor dat casusoverleg. Het gaat dan om partijen waarvan het
college heeft vastgesteld dat deelname van de desbetreffende partij
noodzakelijk is gelet voor het onderzoek naar de meervoudige
problematiek in die specifieke casus. De Wams regelt dus nadrukkelijk
niet dat voor ieder onderzoek een casusoverleg moet worden gehouden en
ook niet dat bij ieder casusoverleg standaard dezelfde partijen worden
uitgenodigd.
De tweede fase is de fase van de gecoördineerde aanpak. Als er een
gecoördineerde aanpak wordt gestart, wijst het college daarvoor op grond
van artikel 2.3a.3, eerste lid, een coördinator aan. Tijdens de
gecoördineerde aanpak zorgt de coördinator voor de afstemming tussen de
cliënt of cliënten, en indien deze er is een vertegenwoordiger van een
cliënt, en bij de gecoördineerde aanpak betrokken partijen. Als de
coördinator – in samenspraak met de client – van oordeel is dat het
tijdens de gecoördineerde aanpak op enig moment nodig is om voor de
afstemming tussen de betrokken partijen een casusoverleg te houden, dan
kan dat. Hiervoor gelden dezelfde regels als voor het houden van een
casusoverleg door het college in de onderzoeksfase. Deze regels hebben
betrekking op de gegevensverwerking in het casusoverleg en eventuele
verdere verwerking van gegevens uit dat casusoverleg door betrokken
partijen.
In alle twee de fases geldt dat een casusoverleg niet verplicht is en
alleen zal worden gehouden als het college of tijdens de gecoördineerde
aanpak de coördinator – in samenspraak met de client – van oordeel is
dat een casusoverleg zinvol is voor een goede afstemming tussen
betrokken partijen. De regering is daarom niet bang voor een
vergadercircus. Betere afstemming tussen betrokken partijen zal er toe
bijdragen dat problemen van cliënten eerder en beter kunnen worden
opgelost.
Ik wil toezeggen dat een invoeringstoets na een jaar wordt uitgevoerd, met daarin specifiek aandacht voor de effecten van deze wet voor cliënten, zorgaanbieders en hulpverleners.
192. De leden van de CDA-fractie begrijpen de uitvoeringstoetsen zo dat de diverse onderzoeksbureaus en praktijkonderzoek aangeven dat extra kosten of extra administratieve lasten erg samenhangt met hoe gemeenten dit nu georganiseerd hebben. Als er veel wordt samengewerkt, overlegd wordt en er coördinatie is op de uitvoering van hulp bij meervoudige problemen wordt deze wet gemakkelijk ingevoerd. En als de gevolgen van dit wetsvoorstel groot zijn bij gemeenten waarbij integraal werken niet goed van de grond komt, dan zal dit wetsvoorstel veel meer impact (administratieve lasten en financiële gevolgen) hebben. Klopt dit, zo vragen de leden van de CDA-fractie de regering. Denkt de regering ook niet dat dit wetsvoorstel meer financiële gevolgen heeft in kleinere gemeenten of bij gemeenten die regionaal samenwerken op het terrein van de Wmo 2015? En dat hier de efficiencywinst waar de regering over spreekt, zeer gering is?
Het klopt dat gemeenten verschillend georganiseerd zijn en daarmee hangt inderdaad samen wat nodig is om dit wetsvoorstel te implementeren. Uit de uitvoeringstoets (de impactanalyse van de VNG) blijkt dat er geen sprake is van structurele uitvoeringskosten en dat de eenmalige implementatiekosten zoals beschreven in de rapportage betrekking hebben op het bredere vraagstuk van het Voor de implementatie van de wet is in 2021 45 miljoen voor gemeenten via het Gemeentefonds ter beschikking gesteld. Ook blijkt dat alle gemeenten een opgave hebben bij het aanpassen van de organisatie en de ICT-omgeving. Er is wel meer kans dat grotere gemeenten zich makkelijker aanpassen.
193. En ziet de regering het gevaar van veel meer vergaderen, zo vragen de leden van de CDA-fractie.
Het college kan ten behoeve van een onderzoek naar meervoudige
problematiek een casusoverleg houden. Dat is dus niet de standaard
procedure en de toegevoegde waarde zal afhangen van de specifieke casus.
Op grond van artikel 5.4.3, eerste lid, kan het college partijen
uitnodigen voor dat casusoverleg. Het gaat dan om partijen waarvan het
college heeft vastgesteld dat deelname van de desbetreffende partij
noodzakelijk is gelet voor het onderzoek naar de meervoudige
problematiek in die specifieke casus. De Wams regelt dus nadrukkelijk
niet dat voor ieder onderzoek een casusoverleg moet worden gehouden en
ook niet dat bij ieder casusoverleg standaard dezelfde partijen worden
uitgenodigd.
De tweede fase is de fase van de gecoördineerde aanpak. Als er een
gecoördineerde aanpak wordt gestart, wijst het college daarvoor op grond
van artikel 2.3a.3, eerste lid, een coördinator aan. Tijdens de
gecoördineerde aanpak zorgt de coördinator voor de afstemming tussen de
cliënt of cliënten, en indien deze er is een vertegenwoordiger van een
cliënt, en bij de gecoördineerde aanpak betrokken partijen. Als de
coördinator – in samenspraak met de client – van oordeel is dat het
tijdens de gecoördineerde aanpak op enig moment nodig is om voor de
afstemming tussen de betrokken partijen een casusoverleg te houden, dan
kan dat. Hiervoor gelden dezelfde regels als voor het houden van een
casusoverleg door het college in de onderzoeksfase.
In alle twee de fases geldt dat een casusoverleg niet verplicht is en
alleen zal worden gehouden als het college of tijdens de gecoördineerde
aanpak de coördinator – in samenspraak met de client – van oordeel is
dat een casusoverleg zinvol is voor een goede afstemming tussen
betrokken partijen. De regering is daarom niet bang voor een
vergadercircus. Betere afstemming tussen betrokken partijen zal er toe
bijdragen dat problemen van cliënten eerder en beter kunnen worden
opgelost.
194. De leden van de GroenLinks-fractie merken op dat in het wetsvoorstel niet is geregeld hoe de partijen die betrokken worden bij de gecoördineerde aanpak worden gefinancierd. Klopt dit? Betekent dit dat deze partijen de financiële last zelf moeten dragen? Is dit bij betrokken gemeenteambtenaren ook zo? Zo niet, is het eerlijk om het bij de een wel te regelen bij de ander niet? Is de regering voornemens om de noodzakelijke financiering voor de uitvoering van dit wetsvoorstel te regelen? De leden van de GroenLinks-fractie zijn ook benieuwd in hoeverre de financiële administratieve druk verhoogd wordt voor partijen door dit wetsvoorstel. Levert dit niet weer opnieuw meer administratie op voor partijen, bovenop alle regeldruk die er al is?
Het voorstel regelt de aanpak bij meervoudige problematiek door gemeenten. Hiervoor hebben gemeenten middelen nodig voor de invoering, want de implementatie en invoering vraagt wat van de gemeentelijke organisatie. Het gaat niet om structurele middelen, omdat de hulpvraag juist kan afnemen door de gecoördineerde aanpak, doordat problemen eerder gesignaleerd kunnen worden voordat ze ontsporen en betere samenwerking tussen betrokken partijen mogelijk is. Dit geeft de VNG ook aan in haar impactanalyse. Partijen die bij het onderzoek en de gecoördineerde aanpak kunnen worden betrokken, doen mee vanuit hun eigen taak en expertise. Door aan de voorkant de hulpverlening beter op elkaar af te stemmen, zal de hulpverlening effectiever kunnen zijn en eerder afgebouwd kunnen worden Om een duidelijker beeld te krijgen van de gevolgen van het wetsvoorstel voor de regeldruk van professionele hulpverleners, heeft de regering onderzoek laten instellen door Sira Consulting. In haar verkenning constateert Sira Consulting dat het wetsvoorstel na invoering een lastenverlichting met zich meebrengt van circa €566.137,60 per jaar voor professionals. Deze berekening is indicatief en gebaseerd op literatuuronderzoek en de standaardtijdsbestedingen in het Handboek Meting Regeldrukkosten.
195. De leden van de SGP-fractie kunnen zich eigenlijk niet voorstellen dat dit wetsvoorstel niet zal leiden tot een stijging van de uitgaven in het sociaal domein. Kan de regering toezeggen dat gemeenten volledig gecompenseerd worden, indien er sprake is van een (tijdelijke) stijging van de uitgaven ten gevolge voor de extra verplichtingen die zij met dit wetsvoorstel opgelegd krijgen? Kan de regering toezeggen dat gemeenten ten gevolge van dit wetsvoorstel in ieder geval niet gekort zullen worden op het budget voor het sociaal domein?
Onderzoek leidt tot de conclusie dat dit wetsvoorstel aan de ene kant zal leiden tot een beperkte stijging van de uitvoeringskosten vanwege de verschillende taken die expliciet (wettelijk) – en dus niet langer vrijblijvend – worden geregeld waardoor wordt verwacht dat meervoudige problematiek vaker zal worden herkend met als gevolg dat inwoners meer hulpverlening zullen ontvangen van de gemeenten.108 Aan de andere kant wordt ook verwacht dat de uitvoering door de integrale dienstverlening efficiënter kan worden, waardoor de uitvoeringskosten uiteindelijk lager uit zullen vallen. Volgens de onderzoekers geeft de impactanalyse per saldo het beeld dat er geen extra structurele middelen nodig zijn voor de uitvoering van de Wams. De onderzoekers plaatsen enkele kanttekeningen bij de inschatting van de uitvoeringskosten (saldo baten en kosten). Vanwege grote verschillen tussen gemeenten is het volgens de onderzoekers niet goed mogelijk om hiervan een algemeen beeld te schetsen. Sommige gevolgen laten zich lastig vangen in een financiële berekening, zoals het «substantiële voordeel» dat de Wams tot meer duidelijkheid en daardoor in de praktijk tot minder discussie tussen professionals leidt. Of potentiële baten laten zich niet goed vertalen naar financieel tastbare baten. Zo zal de integrale werkwijze leiden tot additionele baten voor de cliënt, voor de gemeente en voor de maatschappij, maar positieve effecten treden vaak pas later in de toekomst op en hebben het karakter van vermeden kostenposten. Er is geen sprake van een voornemen tot het korten van gemeenten ten gevolge van dit wetsvoorstel. In de evaluatie zal de aanname worden getoetst dat dit wetsvoorstel niet zal leidden tot structurele uitvoeringskosten.
TOEZICHT
196. Op 30 januari 2023 ontving de Kamer de antwoorden109 op de vragen van de VVD-fractie inzake het ‘Rapport Wmo 2015-toezicht 2021’. De leden van de VVD-fractie vragen de regering in hoeverre de voorgenomen verbeteringen gerealiseerd zijn voordat deze uitbreiding van het toezicht aan de orde is?
In de brief aan uw Kamer van 8 mei 2023110 bent u geïnformeerd over het beleidskader kwaliteitstoezicht Wmo 2015 waaraan samen met gemeenten, de VNG, de GGD GHOR, de IGJ en Toezicht Sociaal Domein (TSD) is gewerkt. In het beleidskader zijn verbetervoorstellen gedaan voor de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de Wmo-toezichthouder en gemeenten. Deze verbetermaatregelen zijn enerzijds geland in een voorgenomen wijziging van de Wmo 2015, en anderzijds in een stimuleringsprogramma waarmee gemeenten vooruitlopend op de wetswijziging al extra stappen in de goede richting kunnen zetten en daarbij worden ondersteund. Zoals uw Kamer in een brief van 7 oktober 2025111 is geïnformeerd, wordt de voorgenomen wetswijziging momenteel ambtelijk voorbereid. De ontwikkeling en implementatie van het stimuleringsprogramma is gestart in januari 2025 en loopt tot en met december 2026.
Daarnaast staat de praktijk ook niet stil: onder regie van de VNG vinden er periodiek landelijke bijeenkomsten plaats voor Wmo-toezichthouders, waarin ruimte is voor kennisdeling en intervisie.
197. Met onderhavig wetsvoorstel zijn naast de Wmo 2015 ook enkele andere wetten gemoeid. Het toezicht bij deze wetten is op verschillende manieren belegd. Hoe wordt geborgd dat eventuele signalen goed opgepakt worden door de desbetreffende toezichthouder en dat signalen ook tussen toezichthouders goed gedeeld worden indien nodig?
Het wetsvoorstel wijzigt niets ten aanzien van de bestaande wijze waarop het toezicht in het sociaal domein is georganiseerd en de mogelijkheden voor toezichthouders om elkaar te voorzien van informatie.
198. Wat betreft het toezicht op de Wmo 2015 zijn de leden van de CDA-fractie teleurgesteld hoe de regering uiteenzet hoe het toezicht op de Wmo 2015 wetstechnisch georganiseerd is. Deze leden zijn op de hoogte hiervan, maar het probleem bij het toezicht op de Wmo 2015 is dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), maar ook de regering en de Tweede Kamer, al meerdere jaren moet concluderen dat het toezicht in heel veel gemeenten niet op orde is. De leden van het CDA-fractie willen dan graag ook een reflectie van de regering op deze nieuwe wet, in relatie tot de stand van zaken betreffende het verbeteren van het Wmo 2015-toezicht.
Bij de inwerkingtreding van de Wmo 2015 is door de wetgever de bewuste keuze gemaakt om gemeenten zelf het toezicht te laten organiseren. Dit decentrale toezicht op de kwaliteit past bij de beleidsruimte die individuele gemeenten hebben om zelf keuzes te maken in de uitvoering van de Wmo 2015. De IGJ heeft de afgelopen jaren in haar jaarlijkse rapportages geconstateerd dat het Wmo-toezicht zich niet overal voldoende heeft ontwikkeld en dat de kwaliteit van het toezicht over het geheel genomen niet voldoende is. Significant heeft daarop, in opdracht van VWS, een aantal aanbevelingen gedaan voor het Wmo-toezicht. Van daaruit heeft VWS samen met gemeenten, de VNG, de IGJ, GGD GHOR en Toezicht Sociaal Domein gewerkt aan een visie op goed toezicht in de Wmo 2015 dat is vervat in een beleidskader. Hierover is uw Kamer in een brief op 8 mei 2023112 geïnformeerd. De voorgestelde verbetermaatregelen uit dat beleidskader worden uitgewerkt in enerzijds een wetswijziging en anderzijds een stimuleringsprogramma. Zoals uw Kamer in een brief van 7 oktober 2025113 is geïnformeerd, wordt de voorgenomen wetswijziging momenteel ambtelijk voorbereid. De ontwikkeling en implementatie van het stimuleringsprogramma is gestart in januari 2025 en loopt tot en met december 2026.
ADVIES AUTORITEIT PERSOONSGEGEVENS
199. De leden van de SP-fractie lezen dat het onderhavige wetsvoorstel redelijk wat wijzigingen heeft ondergaan sinds deze aan de AP is voorgelegd. Heeft de regering nog aanvullend contact gehad met de AP over de huidige versie?
Ja, de AP is via een informeel overleg in september 2022 op de hoogte gesteld over onder andere de waarborgen die in het wetsvoorstel zijn opgenomen naar aanleiding van het advies van de AP en de verwerking van het advies van de Raad van State. Zo is naar aanleiding van het advies van de AP in het wetsvoorstel gespecificeerd onder welke omstandigheden een partij het college een gemotiveerd verzoek kan doen voor het instellen van een onderzoek wegens “ernstige problematiek” en is nader ingekaderd onder welke voorwaarden het medisch beroepsgeheim doorbroken kan worden. Daarnaast is op advies van de AP geregeld een grondslag opgenomen om bij amvb limitatief vast te stellen welke partijen bij de gecoördineerde aanpak betrokken kunnen zijn.
200. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of de AP advies heeft gegeven over de versie van het wetsvoorstel dat nu voorligt. Wat was dit advies? En als er geen advies is uitgebracht of na het advies uit augustus 2020 geen overleg is geweest: waarom is dit niet gebeurd? Ziet de regering nog aanleiding om alsnog advies te vragen?
De AP heeft op het gebruikelijke moment bij het tot stand komen van nieuwe wetgeving geadviseerd, namelijk op het moment dat het voorstel ook is aangeboden voor internetconsultatie. De AP is niet gevraagd om een advies over de versie van het wetsvoorstel dat nu voorligt. Wel is de AP via een informeel overleg in september 2022 op de hoogte gesteld over onder andere de waarborgen die in het wetsvoorstel zijn opgenomen naar aanleiding van het advies van de AP en de verwerking van het advies van de Raad van State. Zo is naar aanleiding van het advies van de AP in het wetsvoorstel gespecificeerd onder welke omstandigheden een partij het college een gemotiveerd verzoek kan doen voor het instellen van een onderzoek wegens “ernstige problematiek” en is nader ingekaderd onder welke voorwaarden het medisch beroepsgeheim doorbroken kan worden. Voor dit laatste onderwerp stel ik nu bij nota van wijziging een nieuwe bepaling voor. Daarnaast is op advies van de AP geregeld een grondslag opgenomen om bij amvb limitatief vast te stellen welke partijen bij de gecoördineerde aanpak betrokken kunnen zijn. Een concept van deze lijst is als bijlage onderaan deze nota naar aanleiding van het verslag toegevoegd. De regering ziet geen aanleiding om daarnaast opnieuw advies te vragen, omdat het wetsvoorstel aan het advies van de AP is aangepast.
201. Daarnaast adviseert de AP om de bevoegdheid om partijen bij AMvB toe te voegen dwingend te formuleren. De leden van de SGP-fractie merken op dat de AP adviseert om de bevoegdheid om partijen bij AMvB toe te voegen dwingend te formuleren en dat de regering de AP op dit punt niet is gevolgd.
De AP heeft advies uitgebracht op de consultatieversie van de Wams. De delegatiebepaling om bij amvb te bepalen welke partijen bij het onderzoek betrokken kunnen worden, en op grond van welke taak zij betrokken worden, stond in die versie van het wetsvoorstel in artikel 2.3a.1, derde lid, respectievelijk artikel 2.3a.4, derde lid. In het huidige wetsvoorstel is de delegatiebepaling opgenomen in artikel 2.3a.5, en deze is conform het advies van de AP dwingend geformuleerd.
202. De leden van de SGP-fractie merken op dat het advies van de AP dateert uit augustus 2020. Het wetsvoorstel is sindsdien aanzienlijk veranderd. Het is op basis van de memorie van toelichting niet duidelijk of hierbij overleg met de AP is gevoerd of dat de regering aanvullend advies heeft overwogen. Kan de regering hier nader op ingaan, zo vragen de leden van de SGP-fractie.
De AP heeft op het gebruikelijke moment bij het tot stand komen van nieuwe wetgeving geadviseerd, namelijk op het moment dat het voorstel ook is aangeboden voor internetconsultatie. De AP is niet gevraagd om een advies over de versie van het wetsvoorstel dat nu voorligt. De AP is wel via een informeel overleg in september 2022 op de hoogte gesteld over onder andere de waarborgen die in het wetsvoorstel zijn opgenomen naar aanleiding van het advies van de AP en de verwerking van het advies van de Raad van State. Zo is naar aanleiding van het advies van de AP in het wetsvoorstel gespecificeerd onder welke omstandigheden een partij het college een gemotiveerd verzoek kan doen voor het instellen van een onderzoek wegens “ernstige problematiek” en de condities waaronder het medisch beroepsgeheim doorbroken kan worden. Daarnaast is op advies van de AP een grondslag opgenomen om bij amvb limitatief vast te stellen welke partijen bij de gecoördineerde aanpak betrokken kunnen zijn. De regering ziet geen aanleiding om daarnaast opnieuw advies te vragen, omdat het wetsvoorstel aan het advies van de AP is aanpast.
OVERIGE CONSULTATIEREACTIES
203. In de paragraaf positie woningcorporaties in relatie tot domein wonen lezen de leden van de VVD-fractie over de informele consultatie en de naar aanleiding daarvan opgenomen paragraaf over het domein wonen. De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering het belang van de wederzijdse gegevensuitwisseling nadrukkelijk onderkend. Als het belang van (wederzijdse) gegevensuitwisseling met woningcorporaties zo duidelijk onderkend wordt, wat gaat de regering dan doen om de uitwisseling met en verwerking van gegevens door woningcorporaties te verbeteren? Is de regering bereid om hiervoor een wettelijke basis te creëren?
Het vraagstuk rondom gegevensverwerking en -deling door woningcorporaties is belangrijk, zodat woningcorporaties hun volkshuisvestelijke taken effectiever kunnen vervullen. Er wordt gewerkt aan een wetsvoorstel om hiervoor een expliciete grondslag te bieden in de Woningwet, zodat voor alle betrokkenen in de woningcorporatiesector duidelijkheid wordt verschaft welke gegevens mogen worden verwerkt en welke gegevens mogen worden gedeeld met andere (maatschappelijke) organisaties. De beleidsvoornemens hiervoor zijn beschreven in een brief aan de Tweede Kamer van 10 november 2021.114 Tevens is in het kader van de voortgang van het programma ‘Een thuis voor iedereen’ de stand van zaken rond gegevensdeling weergegeven.115 Het concept wetsvoorstel gegevensdeling is in consultatie gebracht116.
204. De leden van de PVV-fractie vragen de regering waarom zij er niet voor gekozen heeft om in het wetsvoorstel vast te leggen dat (medische) gegevens, verstrekt door een zorgverlener met een beroepsgeheim, alleen mogen worden verwerkt door of onder verantwoordelijkheid van een medisch adviseur van de gemeente, of iemand met een beroepsgeheim.
Om in een onderzoek naar meervoudige problematiek een goed beeld te
krijgen van de problemen die spelen en de samenhang daartussen alsmede
om op basis daarvan een goed voorstel voor een gecoördineerde aanpak te
kunnen doen, is het niet werkbaar als alleen iemand met medische kennis
die gegevens kan verwerken. De Wams geeft grondslagen voor de verwerking
van gegevens, in elke fase slechts voor zover die verwerking
noodzakelijk is. Het college dat om gegevens verzoekt, zal die
noodzakelijkheid moeten onderbouwen en de verstrekkende zorgverlener zal
zelf ook moeten beoordelen of de gevraagde gegevens noodzakelijk zijn.
Dit geldt altijd, ook indien de cliënt toestemming geeft om gegevens te
verstrekken. Het gaat zodoende bij een onderzoek naar meervoudige
problematieke om beperkte gegevens en nooit om een heel medisch dossier.
Hierbij moet bedacht worden dat bijvoorbeeld het gegeven dat een cliënt
slecht ter been is op grond van de AVG al een gegeven over de gezondheid
is. Dat gegeven kan zeer relevant zijn voor de aanpak van de meervoudige
problematiek van deze cliënt, terwijl kennis over de medische oorzaak
hiervan niet relevant is.
Het onderzoek naar en de aanpak van meervoudige problematiek zou in veel
gevallen niet mogelijk zijn als alleen iemand die medisch onderlegd is
kennis zou mogen nemen van gegevens over de gezondheid. Belangrijk is
dat in de Wams de gegevensverwerking is beperkt tot die gegevens die in
een concrete casus noodzakelijk zijn gelet op het doel van de
verwerking. Medische gegevens uitvragen terwijl die niet relevant zijn,
is niet toegestaan. De zorgverlener die gegevens verstrekt, zal eveneens
de noodzaak van verstrekking moeten vaststellen en zo nodig de betekenis
daarvan moeten duiden. Professionals maken – gesteund door richtlijnen
en werkinstructies – zelf de afweging of en in hoeverre
informatieverstrekking noodzakelijk kan worden geacht. Veelal zullen
echter medische gegevens die alleen een verpleegkundige of een arts kan
interpreteren, zoals onderzoeksuitslagen, medicatieoverzichten of
diagnoses, niet relevant zijn voor het onderzoek naar meervoudige
problematiek.
205. De leden van de PvdA-fractie lezen dat de regering meent dat van de in het wetsvoorstel voorgestelde maatregelen een zekere preventieve werking zal uitgaan. Kan dit nader worden toegelicht?
Van de in dit wetsvoorstel voorgestelde maatregelen zal een zekere preventieve werking uitgaan, in die zin dat bij een vermoeden van meervoudige problematiek een onderzoek kan worden ingesteld en een gecoördineerde aanpak kan worden ingezet, waardoor eventuele problemen tijdig kunnen worden opgelost en eventuele verergering van problemen kan worden voorkomen. Escalatie van problemen, met bijvoorbeeld voortijdig schoolverlaten, een huisuitzetting of inzet van gedwongen zorg, kunnen zo mogelijk voorkomen worden.
Ook bij een vermoeden van ernstige meervoudige problematiek kunnen professionals de gemeente verzoeken een onderzoek in te stellen dat kan leiden tot een gecoördineerde aanpak. In deze gevallen kan mogelijk ook worden voorkomen dat de problemen nog erger worden. Dit alles draagt bij aan preventie.
206. Deze leden vragen waarom niet gekozen is om in dit wetsvoorstel ook een algemene regeling voor vroegsignalering voor het sociaal domein en aanpalende domeinen op te nemen. Waarom kiest de regering voor specifieke wetgeving? Welke specifieke wetgeving in deze is er dan al en hoe verhouden verschillende regelingen zich tot elkaar?
Vroegsignalering wordt in dit wetsvoorstel inderdaad niet geregeld in
de zin van het koppelen van databestanden en het actief benaderen van
mensen op basis van die verzamelde gegevens. De Wams kenmerkt zich juist
door de casuïstische aanpak waarbij zoveel mogelijk in samenspraak met
cliënten wordt bekeken hoe zij het beste geholpen kunnen worden in geval
van vermoedelijke meervoudige problematiek. Op 1 januari 2021 een
wijziging van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening in werking
getreden, die wel voorziet in vroegsignalering. Gemeenten beschikken nu
over de grondslag om aan inwoners actief hulp aan te bieden naar
aanleiding van signalen over betalingsachterstanden die
woningverhuurders, zorgverzekeraars, CAK, energieleveranciers en
drinkwaterleveranciers aan de gemeente verstrekken117. Ook lopen experimenten met de
vroegsignalering van schulden op basis van signalen over gemeentelijke
belastingschulden, hypotheekachterstanden en studieschulden118. Over de resultaten is de Kamer
geïnformeerd in het kader van de Aanpak geldzorgen, armoede en schulden
van de minister voor Armoede, Participatie en Pensioenen119.
De bovengenoemde regelingen voor vroegsignalering zijn vooral gericht op
(het voorkomen van) schulden. Schulden gaan vaak samen met andere
problemen of leiden tot andere problemen als de schulden zich
opstapelen. De Wams is bij (het voorkomen van) deze meervoudige
problematiek een belangrijk instrument waarbij niet de focus ligt op het
oplossen van één probleem, maar op het zo nodig bieden van een
gecoördineerde aanpak die eraan kan bijdragen dat de cliënt weer ‘op de
rit komt’.
207. Hoe wordt voorkomen, vragen de leden van de PvdA-fractie, dat iemand tussen de verschillende regelingen valt en er geen gecoördineerde aanpak tot stand komt?
De regeling van de Wams is bij uitstek bedoeld om mensen niet tussen
verschillende regelingen te laten vallen. Als mensen bij de gemeente
aankloppen met een probleem op het sociaal domein zal in samenspraak
worden besproken of er misschien nog andere problemen spelen en of
daarbij een dienst uit het sociaal domein of van aanpalende domeinen
behulpzaam zou kunnen zijn. Ook voor mensen met ernstige meervoudige
problematiek die zorg (deels) mijden en waarvan betrokken professionals
het idee hebben dat deze mensen met gecoördineerde hulp en hulp die ze
tot dan toe niet kregen, beter geholpen zouden kunnen worden, voorziet
de Wams in een regeling.
Ook het meldpunt niet-acute zorg dat in de Wams een wettelijke basis
krijgt, kan bijdragen aan het krijgen van de juiste hulp. Door middel
van het actieonderzoek bemoeizorg van het ministerie van VWS wordt meer
zicht verkregen op welke wijze het zorg-, sociaal en veiligheidsdomein
op lokaal niveau met elkaar samenwerken en opvolging geven aan
bemoeizorgtaken naar aanleiding van een melding.120
Aannemelijk is dat als er meer gebruik gemaakt wordt van het meldpunt
dit ook tot meer bemoeizorg leidt en er vaker actief hulp wordt
aangeboden.
208. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering waarom dit wetsvoorstel geen grondslag biedt voor ruimere gegevensverwerking op het gebied van fraudebestrijding in de zorg. Waarom is voor aparte wetgeving gekozen? Hoe verhoudt voorliggend wetsvoorstel zich tot het wetsvoorstel dat beoogt fraude in de zorg aan te pakken? Kan hiervan een overzicht gegeven worden?
Bij het doel van dit wetsvoorstel om mensen met meervoudige problematiek beter te kunnen helpen om zodoende hun problemen te verminderen of weg te nemen, past niet dat die wet tegelijk is bedoeld voor fraudebestrijding in de zorg. Mensen moeten erop kunnen vertrouwen dat als zij hulp zoeken bij meervoudige problematiek, zij ook daadwerkelijk geholpen zullen worden om hun problemen te verminderen of op te lossen. Een beeld dat gegevens in hun nadeel kunnen worden gebruikt, zou mensen wellicht afhouden van het vragen of accepteren van hulp of het wantrouwen aanwakkeren als handhaving en hulpverlening samen komen.
Om fraude in de zorg te bestrijden worden andere instrumenten ingezet, geregeld in de Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg: het waarschuwingsregister zorgfraude en het Informatieknooppunt Zorgfraude (IKZ). Bij verstrekking aan het waarschuwingsregister moet er sprake zijn van een gerechtvaardigde overtuiging van fraude. Dan bevindt een gemeente zich feitelijk aan het einde van haar fraudeonderzoek en kan zij vaststellen dat er daadwerkelijk sprake is van fraude en zal zij in de regel daar ook aangifte van doen. Dat is van een geheel andere aard dan de casusgerichte aanpak van de Wams gericht op het verminderen of wegnemen van problemen van cliënten.
INWERKINGTREDING
209. Is de regering voornemens een invoeringstoets te doen bij de Wams, zo vragen de leden van de PVV-fractie.
De regering wil graag na een jaar een invoeringstoets uitvoeren om een beeld te krijgen bij de werking van de wet. In de invoeringstoets wordt specifiek aandacht geschonken aan de effecten van deze wet voor cliënten, zorgaanbieders en hulpverleners.
210. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering voornemens is een invoeringstoets te doen bij dit wetsvoorstel.
De regering wil graag na een jaar een invoeringstoets invoeren om een beeld te krijgen bij de werking van de wet. In de invoeringstoets wordt specifiek aandacht geschonken aan de effecten van deze wet voor cliënten, zorgaanbieders en hulpverleners.
211. De leden van de SGP-fractie zijn van oordeel dat gelet op de complexiteit van het voorstel en de eventuele risico’s op het gebied bescherming van de persoonlijke levenssfeer, een invoeringstoets verstandig lijkt. Zij vragen of de regering kan toezeggen om een invoeringstoets te doen bij dit wetsvoorstel.
De regering wil graag na een jaar een invoeringstoets invoeren om een beeld te krijgen bij de werking van de wet. In de invoeringstoets wordt specifiek aandacht geschonken aan de effecten van deze wet voor cliënten, zorgaanbieders en hulpverleners.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
212. Gezien de complexiteit van deze wet vragen de leden van de
D66-fractie of de regering nogmaals kort en bondig kan samenvatten in
welke gevallen (persoons)gegevens tegen de wil van de betrokkene gedeeld
kunnen worden en aan welke voorwaarden dan precies voldaan moeten
worden.
Dit wetsvoorstel regelt het onderzoek naar meervoudige problematiek in
samenspraak met de cliënt (art. 2.3a.1) en het onderzoek naar ernstige
meervoudige problematiek naar aanleiding van een verzoek van een
betrokken professional (art. 2.3a.4). Naar aanleiding van beide typen
onderzoek kan een gecoördineerde aanpak worden voorgesteld. De
gecoördineerde aanpak start in beide situaties alleen als de cliënt
daarmee instemt. Voor beide soorten onderzoek en voor de fase van de
gecoördineerde aanpak, bevat het wetsvoorstel wettelijke grondslagen
voor de verwerking van gegevens. Daarbij geldt steeds het principe dat
alleen noodzakelijke gegevens mogen worden verwerkt.
Een onderzoek naar meervoudige problematiek op grond van artikel 2.3a.1,
gebeurt in samenspraak met de cliënt of zijn vertegenwoordiger. Omdat in
samenspraak met de cliënt de reikwijdte van het onderzoek wordt bepaald,
valt de verwerking van de noodzakelijke gegevens ook binnen die
reikwijdte. Voor zover gegevens van zorgverleners met een beroepsgeheim
nodig zijn, kan die zorgverlener op grond van artikel 5.4.2, tweede lid,
bij dit onderzoek in samenspraak met de cliënt alleen gegevens
verstrekken met toestemming van de cliënt. Daarbij geldt dat als
toestemming wordt gegeven, de professional nog steeds zelf moet afwegen
of het in het belang van de cliënt is om gegevens te verstrekken én
welke gegevens dan noodzakelijk zijn voor het onderzoek door het
college.
Een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek op grond van
artikel 2.3a.4 kan worden gestart na een verzoek van een betrokken
partij bij een vermoeden van ernstige meervoudige problematiek. Het
genoemde artikel regelt wat nodig is om zo’n vermoeden te onderbouwen.
Het college kan dan een onderzoek starten terwijl de cliënt niet zelf om
hulp heeft gevraagd. De cliënt wordt wel zo snel en zoveel mogelijk
betrokken en zo mogelijk wordt hierbij een beroep gedaan op de
vertegenwoordiger van de cliënt (art. 2.3a.4, derde lid). Omdat de
betrokkene niet zelf om het onderzoek heeft gevraagd, kan de verwerking
van de noodzakelijke gegevens ook tegen de wil van de betrokkene zijn.
Bij een verzoek voor het starten van een onderzoek naar ernstige
meervoudige problematiek en bij het onderzoek zelf, worden gegevens
verwerkt op basis van de wettelijke grondslagen van artikel 5.4.1, 5.4.2
en 5.4.3 van het wetsvoorstel.
De professional die het verzoek doet moet onderbouwen waarom er mogelijk
sprake is van ernstige meervoudige problematiek. De criteria om vast te
stellen of daar mogelijk sprake van is, staan in artikel 2.3a.4, eerste
lid. Als het college op basis van dit verzoek een onderzoek start, kan
het op grond van artikel 5.4.1, derde lid, nagaan of op grond van de
daar genoemde wettelijke taken al eerder diensten zijn verleend of
interventies zijn uitgevoerd. Op grond van artikel 5.4.2, kan het
college aan andere partijen gegevens vragen die noodzakelijk zijn voor
het onderzoek. Soms kunnen ook gegevens nodig zijn van hulpverleners met
een beroepsgeheim. Ook bij een onderzoek naar ernstige meervoudige
problematiek, dat niet op initiatief van de betrokkene wordt gestart, is
het vragen van toestemming het uitgangspunt. De eerder opgenomen
mogelijkheid om zonder toestemming het beroepsgeheim te doorbreken op
basis van een professionele afweging is met de nota van wijziging komen
te vervallen. Voor een toelichting op het aangepaste artikel 5.4.2,
tweede lid, wordt verwezen naar onderdeel J van de toelichting bij de
nota van wijziging.
Als het onderzoek is afgerond wordt de cliënt en indien die er is, zijn
vertegenwoordiger geïnformeerd over de uitkomsten en conclusies en wordt
zo nodig een voorstel voor een gecoördineerde aanpak gedaan. De gegevens
van het onderzoek worden op grond van artikel 5.4.5, eerste lid, nog
twee jaar bewaard, ook in geval de cliënt aangeeft geen enkele hulp te
aanvaarden. De reden hiervan is, dat als de cliënt na een tijdje van
gedachten veranderd en toch hulp wil, niet het hele onderzoek opnieuw
hoeft te worden gedaan.
Het is mogelijk dat het onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek
heeft uitgewezen dat de openbare orde of veiligheid mogelijk in het
geding is. Het college is bevoegd op grond van artikel 5.4.4, eerste
lid, onderdeel b, gegevens hierover aan de burgemeester te verstrekken.
De burgemeester kan dan beoordelen of hij op grond van de daar genoemde
bevoegdheden moet handelen.
Zowel in de fase van een onderzoek naar meervoudige problematiek of
ernstige meervoudige problematiek, als in de fase van de gecoördineerde
aanpak, kan voor de afstemming tussen betrokken partijen een
casusoverleg worden gehouden. Artikel 5.4.3 geeft de regels voor
gegevensverwerking bij een casusoverleg en zijn gericht op het zo
beperkt mogelijk delen van gegevens. Bij een onderzoek in samenspraak
met de cliënt en tijdens de gecoördineerde aanpak, wordt een
casusoverleg altijd gehouden in overleg met de cliënt (art. 2.3a.1,
zevende lid en art. 2.3a.3, derde lid), en kunnen de cliënt en zijn
vertegenwoordiger bij het overleg aanwezig zijn (art. 5.4.3, eerste
lid).
Ten slotte regelt het wetsvoorstel ook de grondslagen voor gegevensverwerking door meldpunten niet-acuut in het kader van de oggz-taak van gemeenten. Ook die grondslagen zijn gericht op het zo beperkt mogelijk verwerken van gegevens van de persoon over wie de melding gaat. Deze gegevens worden opgenomen in een melddossier waarvan de bewaartermijn tussen de 6 maanden en één jaar is vastgesteld (art. 5.5.4). Deze termijn is vastgesteld omdat na 1 jaar de informatie in veel gevallen niet meer relevant is. Binnen het jaar kan de informatie wel relevant zijn, bijvoorbeeld omdat ten aanzien van dezelfde persoon in korte tijd door verschillende mensen een melding wordt gedaan, of ten aanzien van een bepaalde persoon verschillende type meldingen binnenkomen.
213. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom de regering ervoor kiest om bij AMvB te regelen welke instanties of personen als ‘partij’ worden aangemerkt. Heeft de regering nog overwogen om een aantal instanties, zoals het UWV, CAK en woningbouwcorporaties, al wel in de wet vast te leggen? En heeft de regering overwogen bij AmvB de mogelijkheid te bieden aanvullende partijen toe te voegen? Aangezien genoemde instanties al in de memorie van toelichting worden genoemd, lijkt het deze leden terecht om ze al in de wet op te nemen.
Zoals de leden van de ChristenUnie-fractie suggereren, zou het mogelijk zijn om een deel van de partijen wel te noemen in de wet en bij amvb een aanvullende lijst vast te stellen. Dit komt de toegankelijkheid van de wetgeving echter niet ten goede. De bijlage van de concept amvb, waarvan een concept onderaan deze nota naar aanleiding van het verslag is toegevoegd, geeft een duidelijk overzicht van de partijen en de bijbehorende taakafbakening. Daarbij is het zo dat de kernelementen, namelijk de definitie van partij tezamen met de definitie van aanpalende domeinen, in de wet staan. Zo is de reikwijdte van het wetsvoorstel voldoende duidelijk en is de delegatie concreet en begrensd.
214. Artikel 5.4.1 biedt een grondslag voor verwerking van gegevens voor diverse wettelijke kaders. Waarom zijn hierbij niet de volgende wetten opgenomen, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), bepalingen uit de Gemeentewet inzake kwijtschelding van belastingen, Afdeling 2.7 van de Wet hersteloperatie toeslagen, de bepalingen over urgentie en bijzondere groepen uit de Huisvestingswet 2014?
De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen (IOAZ) zijn niet opgenomen in artikel 5.4.1, omdat de Participatiewet de gegevensverwerking voor uitvoering van deze wetten al mogelijk maakt (onder meer artikel 7 Participatiewet). Ook voor kwijtschelding van gemeentebelasting zijn voor de aanpak van meervoudige problematiek geen aanvullende mogelijkheden nodig voor gegevensverwerking. Gemeenten informeren hun inwoners over de mogelijkheid van kwijtschelding van gemeentebelastingen en bieden dat aan inwoners aan met wie zij contact hebben bij uitvoering van de Participatiewet en de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Gemeenten mogen al gegevens verwerken om te toetsen of iemand recht heeft op kwijtschelding.
In artikel 5.4.1 zijn geen nieuwe grondslagen opgenomen voor het college om persoonsgegevens van de Dienst Toeslagen te verwerken voor de uitvoering van de Wet hersteloperatie toeslagen, omdat de bestaande regelgeving voor het sociaal domein voldoende mogelijkheden voor gegevensuitwisseling bevat, bijvoorbeeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Op basis van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening is overigens ook onder andere een huurachterstand al een ingang voor vroegsignalering van schulden en hulp vanuit de gemeente (Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening). Dit kan een aanleiding voor een onderzoek naar meervoudige problematiek.
Bij alle in artikel 5.4.1, derde lid, genoemde wetten, betreft het bepalingen op grond waarvan het college over gegevens zou kunnen beschikken die betrekking hebben op de cliënt. Omdat het college op basis van de Huisvestingswet niet beschikt over gegevens van cliënten, wordt deze wet niet genoemd in artikel 5.4.1 (de voor het onderzoek te verwerken gegevens. Wonen is een aanpalend domein in de Wams. Een urgentieverklaring voor een (corporatie)woning is veelal gekoppeld aan een hulpvraag die ligt binnen het sociaal domein. Denk aan beschermd wonen of zaken die spelen rondom werk en inkomen (schulden), jeugdhulp en afhankelijkheid van maatschappelijke ondersteuning om zelfstandig te kunnen wonen. Woningcorporaties kunnen als partij deelnemen aan een onderzoek naar meervoudige problematiek. In die hoedanigheid kunnen corporaties noodzakelijke gegevens verstrekken. Als eenmaal een gecoördineerde aanpak is gestart, kunnen woningcorporaties worden betrokken bij de uitvoering en kunnen zij vanuit hun bevoegdheden bijdragen aan het verminderen of wegnemen van de geconstateerde problemen.
215. Deze leden menen dat de regering per abuis in dit artikel verwijst naar de vervallen Wet op het voortgezet onderwijs, in plaats van naar de Wet voortgezet onderwijs 2020.
Die verwijzing is inderdaad niet correct en wordt bij nota van wijziging aangepast.
216. De leden van de CDA-fractie vragen de regering of zij goed begrijpen dat hulpverleners zonder wettelijk erkend beroepsgeheim uitgesloten worden van de uitzondering als bedoeld artikel 5.4.2 lid 2, alsmede artikel 5.4.3 lid 2 van de Wams? En dat dit ook geldt voor hulpverleners die bijvoorbeeld op basis van een beroepscode een geheimhoudingsplicht hebben? Kan de regering uitleggen waarom hier voor gekozen is?
De in artikel 5.4.2, tweede lid, genoemde beroepsgeheimen zijn
wettelijk vastgelegd om de vrije toegang tot de gezondheidszorg en
jeugdhulp te waarborgen. Het betreft artsen en hulpverleners waarop de
WGBO en de Wet BIG van toepassing zijn en hulpverleners waarop de
Jeugdwet van toepassing is. Deze wettelijke kaders zijn niet van
toepassing op andere beroepsgroepen die een vertrouwelijke relatie met
hun cliënten kunnen hebben, zoals maatschappelijk werkers. Daarmee zijn
de wettelijk geregelde beroepsgeheimen wezenlijk verschillend van
geheimhouding op grond van een beroepscode. De regeling van artikel
5.4.2, tweede lid, maakt duidelijk dat deze wettelijke kaders onverkort
van toepassing zijn bij een onderzoek naar meervoudige
problematiek.
Toch hoeven ook partijen die werken op basis van een beroepscode nooit
“zomaar” gegevens te verstrekken. Bij ieder verzoek van het college om
gegevens te verstrekken voor een onderzoek naar meervoudige
problematiek, zal het college moeten aangeven waarom die gegevens
noodzakelijk zijn. Er is geen grondslag voor het verstrekken van
gegevens die niet noodzakelijk zijn. Iedere partij aan wie het college
op grond van artikel 5.4.2, eerste lid, om informatie vraagt, moet
daarom ook zelf die noodzaak beoordelen. Dat kan er toe leiden dat na
overleg met het college minder gegevens worden verstrekt dan initieel
werden gevraagd. Dit wetsvoorstel biedt zodoende ook voldoende
waarborgen aan partijen die werken op basis van een beroepscode.
Het zal vaak voldoende zijn om de informatie te verstrekken dat de
cliënt bij een bepaalde hulpverlener komt, zonder dat iets bekend wordt
gemaakt over de inhoudelijke reden dat de cliënt deze hulpverlener
bezoekt. Deze zogenaamde “dat” informatie kan relevant zijn voor het
onderzoek naar meervoudige problematiek, terwijl meer inhoudelijk
informatie uit het dossier, (zogenaamde “wat” informatie) vaak niet of
in slechts zeer beperkte mate noodzakelijk is.
217. De leden van de CDA-fractie vragen of het klopt dat hulpverleners die op basis van een beroepscode werken over vergelijkbare gegevens kunnen beschikken als een hulpverlener met een wettelijk erkend beroepsgeheim? En leidt dit ertoe dat er voor vergelijkbare gegevens verschillende regels voor gegevensverstrekking geïntroduceerd worden?
De overeenkomst is dat het gaat om vertrouwelijke gegevens, maar zoals toegelicht bij de vorige vraag, is er een reden waarom sommige beroepsgeheimen wettelijk zijn geregeld. De in artikel 5.4.2, tweede lid, genoemde beroepsgeheimen zijn wettelijk vastgelegd om de vrije toegang tot de gezondheidszorg en jeugdhulp te waarborgen. Deze zorgverleners en hulpverleners werken anders dan hulpverleners met een beroepscode, binnen de wettelijke kaders van de WGBO, de Wet BIG of de Jeugdwet. Zoals ook is toegelicht bij de vorige vraag geldt voor iedere gegevensverstrekking dat alleen noodzakelijke gegevens mogen worden verstrekt, en kan en moet een partij die verstrekt op grond van artikel 5.4.1, eerste lid, ook de afweging maken of er geen zwaarwegende belangen aan verstrekking in de weg staan.
218. De leden van de SP-fractie vragen de regering waarom de
uitzondering op de verstrekkingsplicht in artikel 5.4.2 lid 2 enkel
geldt voor hulpverleners met een wettelijk erkend beroepsgeheim. Waarom
worden hulpverleners met een beroepsgeheim dat niet wettelijk is
vastgelegd, maar wel is vastgelegd in beroepscodes, hier niet ook van
uitgezonderd?
De in artikel 5.4.2, tweede lid, genoemde beroepsgeheimen zijn
wettelijk vastgelegd om de vrije toegang tot de gezondheidszorg en
jeugdhulp te waarborgen. Het betreft artsen en hulpverleners waarop de
WGBO en de Wet BIG van toepassing zijn en hulpverleners waarop de
Jeugdwet van toepassing is. Deze wettelijke kaders zijn niet van
toepassing op andere beroepsgroepen die een vertrouwelijke relatie met
hun cliënten kunnen hebben, zoals maatschappelijk werkers. Daarmee zijn
de wettelijk geregelde beroepsgeheimen wezenlijk verschillend van
geheimhouding op grond van een beroepscode. De regeling van artikel
5.4.2, tweede lid, zoals nu voorgesteld bij nota van wijziging, maakt
duidelijk dat deze wettelijke kaders onverkort van toepassing zijn bij
een onderzoek naar meervoudige problematiek.
Toch hoeven ook partijen die werken op basis van een beroepscode nooit
“zomaar” gegevens te verstrekken. Bij ieder verzoek van het college om
gegevens te verstrekken voor een onderzoek naar meervoudige
problematiek, zal het college moeten aangeven waarom die gegevens
noodzakelijk zijn. Er is geen grondslag voor het verstrekken van
gegevens die niet noodzakelijk zijn. Iedere partij aan wie het college
op grond van artikel 5.4.2, eerste lid, om informatie vraagt, moet
daarom ook zelf die noodzaak beoordelen. Dat kan er toe leiden dat na
overleg met het college minder gegevens worden verstrekt dan initieel
werden gevraagd. Dit wetsvoorstel biedt zodoende ook voldoende
waarborgen aan partijen die werken op basis van een beroepscode.
Het zal vaak voldoende zijn om de informatie te verstrekken dat de
cliënt bij een bepaalde hulpverlener komt, zonder dat iets bekend wordt
gemaakt over de inhoudelijke reden dat de cliënt deze hulpverlener
bezoekt. Deze zogenaamde “dat” informatie kan relevant zijn voor het
onderzoek naar meervoudige problematiek, terwijl meer inhoudelijk
informatie uit het dossier, (zogenaamde “wat” informatie) vaak niet of
in slechts zeer beperkte mate noodzakelijk is.
219. De leden van de SP-fractie lezen dat het ‘expliciet niet [is] toegestaan om de gegevens uit het onderzoek te gebruiken voor andere doelen zoals de aanpak van fraude’. Zij vragen de regering hoe dit in praktijk zal gaan werken, op het moment dat gemeenteambtenaren in het kader van de ondersteuning van een cliënt met meervoudige problematiek er bijvoorbeeld achter komen dat deze samenwoont, maar de kostendelersnorm in de Participatiewet omzeilt.
Om vast te stellen of een gecoördineerde aanpak behulpzaam kan zijn om de problemen te verminderen of op te lossen, kan een onderzoek naar meervoudige problematiek worden gedaan (artikel 2.3a.1, vierde lid en 2.3a.4, tweede lid). Dat onderzoek heeft tot doel de problemen van cliënten en hun gezin te verminderen of weg te nemen. Als de Participatiewet onderdeel is van het onderzoek naar meervoudige problematiek kunnen gegevens beschikbaar komen waaruit blijkt dat iemand mogelijk onterecht een uitkering ontvangt. De medewerker die het onderzoek heeft uitgevoerd informeert de cliënt over de uitkomsten van het onderzoek naar meervoudige problematiek (artikel 2.3a.2). Hierbij zal de medewerker ook het gesprek aangaan met de cliënt over een mogelijke onterechte uitkering. Zij bespreken op welke manier een rechtmatige situatie kan worden bereikt, om te komen tot een oplossing die bijdraagt aan het verminderen of wegnemen van de problemen van de cliënt. Het college mag de gegevens uit het onderzoek naar meervoudige problematiek niet gebruiken om de onterechte uitkering aan te passen.
De cliënt is niet verplicht de dienstverlening, die naar aanleiding van het onderzoek naar meervoudige problematiek wordt voorgesteld, te accepteren. Iemand is bijvoorbeeld niet verplicht bijstand aan te vragen. Los van de in dit wetsvoorstel voorgestelde gecoördineerde aanpak bij meervoudige problematiek blijven gemeenten de Participatiewet uitvoeren en daar toezicht op houden. Die wet bevat een inlichtingenplicht (art. 17, eerste lid). Dat betekent dat de belanghebbende zelf moet melden als er feiten of omstandigheden zijn die van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Dat kunnen ook feiten of omstandigheden zijn die tijdens de gecoördineerde aanpak zijn gebleken.
In lijn met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) regelt
het wetsvoorstel expliciet welke verwerkingen van persoonsgegevens wel
zijn toegestaan. Hieruit volgt dat gegevensverwerking voor andere doelen
niet zijn toegestaan. De persoonsgegevens uit het onderzoek mogen verder
worden verwerkt voor zover dat noodzakelijk is voor de gecoördineerde
aanpak en voor het verkrijgen van diensten uit het sociaal domein
(artikel 2.3a.2 en 5.4.4, eerste lid). Door deze wettelijke grondslag
voor verdere verwerking van noodzakelijke gegevens hoeven cliënten en
betrokken partijen de gegevens niet opnieuw te verstrekken. Dit betekent
dat voor de uitvoering van de desbetreffende wet uit het sociale domein,
de gegevens kunnen worden gebruikt die in eerste instantie werden
verwerkt voor het onderzoek, waarbij geldt dat de verwerking van die
gegevens noodzakelijk moet zijn om de desbetreffende dienst uit het
sociaal domein te kunnen verstrekken.
Artikel 5.4.4, eerste lid, onderdeel a, geeft ook de grondslag om
gegevens verder te verwerken ten behoeve van interventies op grond van
de Jeugdwet en de Wet inburgering 2021. Het gaat dan om een verzoek tot
onderzoek bij de raad voor de kinderbescherming, het uitvoeren van een
kinderbeschermingsmaatregel of het voldoen aan de
inburgeringsplicht.
Bij nota van wijziging wordt voorgesteld artikel 5.4.4, eerste lid,
onderdeel a, zo aan te passen dat duidelijk is dat verdere verwerking
van gegevens uit een onderzoek naar meervoudige problematiek door het
college is toegestaan ten behoeve van het verstrekken van diensten op
grond van de sociaaldomeinwetten en de Wet inburgering 2021 en daarnaast
alleen ten behoeve van de bovengenoemde interventies die ook onderdeel
kunnen zijn van een gecoördineerde aanpak.
Op grond van de AVG moet ook het verder verwerken van gegevens expliciet bij wet worden geregeld, anders is verdere verwerking niet toegestaan.
220. De leden van de SP-fractie constateren dat dit wetsvoorstel ook de mogelijkheid creëert voor het college om gegevens aan de burgemeester te verstrekken in verband met zijn taken op het gebied van de openbare orde, maar dat dit niet per se gericht hoeft te zijn op de gecoördineerde aanpak. Waarom is gegevensdeling met de burgemeester niet beperkt tot situaties waarin dit noodzakelijk is voor de ondersteuning van de cliënt in verband met diens meervoudige problematiek?
Artikel 5.4.4, eerste lid, onderdeel b, geeft een grondslag voor het
verstrekken van de gegevens uit het onderzoek naar meervoudige
problematiek voor de uitoefening van bepaalde specifieke taken die bij
wet aan de burgemeester zijn toebedeeld.
Het college is op grond van artikel 5.4.1 bevoegd tot het verwerken van
persoonsgegevens van de cliënt voor zover die gegevens noodzakelijk zijn
voor de uitvoering van een onderzoek naar meervoudige problematiek. Er
is geen grondslag voor het verwerken van gegevens die niets te maken
hebben met de reikwijdte van de hulpvraag en het onderzoek.
Vooral bij een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek is
voorstelbaar dat er problemen en gegevens naar voren komen die raken aan
de openbare orde en veiligheid. Het kan dan – juist ook in het kader van
het oplossen of verminderen van de problemen – gewenst zijn dat de
burgemeester één van de in artikel 5.4.4 genoemde bevoegdheden inzet.
Aangezien het om discretionaire bevoegdheden van de burgemeester gaat,
is de mogelijkheid tot het inzetten van die bevoegdheden verder niet
geclausuleerd. Ook wordt niet geclausuleerd dat de bevoegdheden alleen
in het kader van een gecoördineerde aanpak mogen worden ingezet. Het kan
voorkomen dat een onderzoek naar meervoudige problematiek uiteindelijk
niet leidt tot een gecoördineerde aanpak. Zeker bij ernstige meervoudige
problematiek zal het niet altijd lukken de cliënt te overtuigen daaraan
mee te werken. De regering is van mening dat een burgemeester in dit
soort situaties overeenkomstig zijn bevoegdheden de afweging moet kunnen
maken, dat het ter bescherming van de openbare orde of de veiligheid in
de omgeving noodzakelijk is de in artikel 5.4.4 genoemde bevoegdheden in
te zetten. Hierbij weegt de burgemeester de mogelijk nadelige gevolgen
voor de persoon die de maatregel betreft af tegen de nadelige gevolgen
voor zijn omgeving. Als deze grondslag voor gegevensverstrekking in de
wet zou ontbreken, zou de burgemeester niet over deze gegevens
beschikken, terwijl op basis van een onderzoek naar meervoudige
problematiek is gebleken dat er mogelijk sprake is van een situatie
waarbij de veiligheid van de cliënt, zijn gezinsleden of anderen in de
directe omgeving, in het geding is. Als de situatie escaleert omdat de
burgemeester geen maatregelen nam, zou het achteraf vreemd zijn als
blijkt dat het college wel van de situatie op de hoogte was maar wegens
het ontbreken van een wettelijke grondslag de burgemeester hiervan niet
op de hoogte mocht stellen.
221. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering wat de artikelen 5.4.2 en 5.4.3 toevoegen aan het al bestaande juridisch kader, zoals dat geldt voor het door zorgverleners verstrekken van gegevens aan derden voor een gecoördineerde aanpak van meervoudige problematiek in het sociaal domein. Op welke wijze kan duidelijker worden opgenomen dat zorgverleners met een
beroepsgeheim alleen gegevens mogen delen als de cliënt daarvoor toestemming heeft gegeven? Kunnen zorgverleners zonder beroepsgeheim, maar met een beroepscode, ook een beroep doen op de uitzondering van artikel 5.4.2 lid 2?
Het (medisch) beroepsgeheim is een groot goed uit het oogpunt van de
vrije toegankelijkheid van zorg. Ook in dit wetsvoorstel staat het
vragen van toestemming voor doorbreking van het beroepsgeheim centraal.
Dit moet volstrekt duidelijk zijn. Ik stel bij nota van wijziging een
nieuwe formulering van artikel 5.4.2, tweede lid, voor die duidelijk
maakt dat bij de eventuele verstrekking van gegevens, verstrekking op
basis van uitdrukkelijke toestemming voorop staat tenzij een wettelijk
voorschrift voor verstrekking van toepassing is, zoals artikel 7.4.0,
tweede en derde lid, van de Jeugdwet of artikel 5.2.2 van de Wmo 2015.
Dit is in overeenstemming met het huidige wettelijk kader rond het
verstrekken van gegevens waarop een medisch beroepsgeheim rust.
Bij een onderzoek naar meervoudige problematiek, of ernstige meervoudige
problematiek, zullen noodzakelijke gegevens van een zorgverlener of
jeugdhulpverlener dus ofwel na toestemming van de cliënt kunnen worden
verstrekt, ofwel op basis van een wettelijke verstrekkingsgrond. Als de
cliënt een vertegenwoordiger heeft, kan aan de vertegenwoordiger
toestemming worden gevraagd. Als toestemming wordt gegeven, is het nog
steeds de afweging van de professional of het in het belang van de
cliënt is om gegevens te verstrekken én welke gegevens dan noodzakelijk
zijn voor het onderzoek door het college.
De Afdeling advisering van de Raad van State oordeelde in zijn advies
dat enkel het criterium van goed hulpverlenerschap om te beoordelen of
het beroepsgeheim zou kunnen worden doorbroken, aan hulpverleners
onvoldoende houvast geeft. Het nu bij nota van wijziging voorgestelde
artikel 5.4.2, tweede lid, maakt het niet mogelijk dat gegevens zonder
toestemming worden verstrekt, enkel op het oordeel dat verstrekking
noodzakelijk is uit het oogpunt van goed hulpverlenerschap. Vanwege het
grote belang van het (medisch) beroepsgeheim, stel ik ook geen andere
criteria voor om het beroepsgeheim te kunnen doorbreken. Uit alle vragen
is gebleken dat nieuwe criteria om het beroepsgeheim eventueel zonder
toestemming te doorbreken, leiden tot discussie, terwijl ik van mening
ben dat de regels rond de wettelijk geregelde beroepsgeheimen, boven
elke twijfel verheven moeten zijn.
Een zorgverlener zal in het belang van zijn cliënt die te kampen heeft met (ernstige) meervoudige problematiek, zoveel mogelijk zijn medewerking aan een onderzoek en een eventueel daaropvolgende gecoördineerde aanpak, moeten verlenen. Door hierover met de cliënt in gesprek te gaan, zal in veel gevallen toestemming worden verleend om de daarvoor noodzakelijke gegevens te verstrekken.
Professionals zijn zich zeer bewust van de vertrouwensband die ze met een cliënt hebben en van de eisen die het beroepsgeheim aan hen stelt. Het college mag op grond van artikel 5.4.2 vragen om gegevens die onder het beroepsgeheim vallen, maar moet de noodzakelijkheid van die gegevens kunnen onderbouwen. Het is niet voldoende als het college vraagt gegevens te verstrekken, omdat die nodig zijn voor een onderzoek naar meervoudige problematiek, die vraag is veel te breed. De onderbouwing van de noodzaak moet gaan over specifieke gegevens betrekking hebbend op een specifieke casus. De professional heeft de plicht om bij een verzoek om informatie een volledig eigen afweging te maken of en zo ja welke gegevens verstrekt zouden moeten worden. Die toets op noodzakelijkheid geldt ook als de cliënt toestemming geeft om gegevens te verstrekken.
De in artikel 5.4.2, tweede lid, genoemde beroepsgeheimen zijn
wettelijk vastgelegd om de vrije toegang tot de gezondheidszorg en
jeugdhulp te waarborgen. Het betreft artsen en hulpverleners waarop de
WGBO en de Wet BIG van toepassing zijn en hulpverleners waarop de
Jeugdwet van toepassing is. Deze wettelijke kaders zijn niet van
toepassing op andere beroepsgroepen die een vertrouwelijke relatie met
hun cliënten kunnen hebben, zoals maatschappelijk werkers. Daarmee zijn
de wettelijk geregelde beroepsgeheimen wezenlijk verschillend van
geheimhouding op grond van een beroepscode. De regeling van artikel
5.4.2, tweede lid, maakt duidelijk dat deze wettelijke kaders onverkort
van toepassing zijn bij een onderzoek naar meervoudige
problematiek.
Op grond van het voorgestelde artikel 5.4.2, eerste lid, hoeven ook
partijen zonder wettelijk geregeld beroepsgeheim niet “zomaar” gegevens
te verstrekken. Bij ieder verzoek van het college om gegevens te
verstrekken voor een onderzoek naar meervoudige problematiek, zal het
college moeten aangeven waarom die gegevens noodzakelijk zijn. Er is
geen grondslag voor het verstrekken van gegevens die niet noodzakelijk
zijn. Iedere partij aan wie het college op grond van artikel 5.4.2,
eerste lid, om informatie vraagt, moet daarom ook zelf die noodzaak
beoordelen. Dat kan er toe leiden dat na overleg met het college minder
gegevens worden verstrekt dan initieel werden gevraagd. Dit wetsvoorstel
biedt zodoende ook voldoende waarborgen aan partijen die werken op basis
van een beroepscode.
Het zal vaak voldoende zijn om de informatie te verstrekken dat de
cliënt bij een bepaalde hulpverlener komt, zonder dat iets bekend wordt
gemaakt over de
inhoudelijke reden dat de cliënt deze hulpverlener bezoekt. Deze
zogenaamde “dat” informatie kan relevant zijn voor het onderzoek naar
meervoudige problematiek, terwijl meer inhoudelijk informatie uit het
dossier, (zogenaamde “wat” informatie) vaak niet of in slechts zeer
beperkte mate noodzakelijk is.
Het streven is verder dat de diverse beroepsorganisaties door middel van
voorlichting en het zo nodig aanpassen van richtlijnen en handreikingen
aan professionals handvatten gaan bieden voor het handelen bij een
verzoek om gegevens in verband met een onderzoek naar meervoudige
problematiek. Daarbij moet aandacht zijn voor de mogelijkheden om beroep
te doen op een vertegenwoordiger, en bij een vraag om gegevens bij
ernstige meervoudige problematiek, hoe en met welke collegiale toetsing
een goede inschatting kan worden gemaakt van de situatie en als gegevens
worden verstrekt, op het inzetten op zo minimaal mogelijk verstrekken
van gegevens. Gemeenschappelijke kaders kunnen een individuele
hulpverlener helpen om in een specifieke casus tot een afweging te
komen. Ditzelfde geldt voor medewerkers van een lokaal team die namens
het college onderzoek doen. Ook hier kunnen gemeenschappelijke kaders
helpen om tot een bij de casus passend informatieverzoek te komen.
222. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering in hoeverre het feit dat een zorgverlener het beroepsgeheim onder voorwaarden mag doorbreken door een eigen afweging te maken ertoe kan leiden dat mensen die zorg hard nodig hebben zich hieraan om deze reden toch zullen onttrekken. Kan aangegeven worden waarom wordt gemeend dat een wettelijk vastgelegde bevoegdheid noodzakelijk is en de bestaande doorbrekingsgrond van het ‘conflict van plichten’ onvoldoende is?
Het medisch beroepsgeheim beschermt een algemeen belang, namelijk de
vrije toegang tot de gezondheidszorg. Het beroepsgeheim is niet
absoluut, maar juist om die vrije toegang te waarborgen, is een grote
terughoudendheid met betrekking tot het doorbreken van het beroepsgeheim
noodzakelijk. Soms kunnen echter andere belangen prevaleren waarvoor
wettelijk vastgelegde doorbrekingsgronden bestaan. Bijvoorbeeld artikel
7.3.1, vierde lid, van de Jeugdwet op grond waarvan professionals met
een beroepsgeheim kortgezegd informatie over een onder toezicht gestelde
minderjarige die noodzakelijk is voor de uitvoering van de
ondertoezichtstelling aan de gecertificeerde instelling moeten
verstrekken en artikel 5.2.6 van de Wmo 2015, waarin is geregeld dat
professionals met een beroepsgeheim inlichtingen die noodzakelijk kunnen
worden geacht om een situatie van huiselijk geweld of kindermishandeling
te beëindigen of een redelijk vermoeden daarvan te onderzoeken, aan
Veilig Thuis kunnen verstrekken.
Ik ben het ermee eens dat bij iedere doorbrekingsgrond zorgvuldig moet
worden afgewogen of verstrekking zonder toestemming van de cliënt in
verhouding staat tot het risico van extra zorgmijdend gedrag. De
voorgestelde regeling van artikel 2.3a.4 voor onderzoek bij ernstige
meervoudige problematiek is er juist op gericht om deze mensen eerder en
beter te kunnen helpen. Het mijden van zorg is vaak niet een heel
bewuste keuze. Vaker gaat het om mensen die de grip zijn kwijtgeraakt,
de problemen niet meer overzien en van daaruit zich terug hebben
getrokken. Om deze mensen te kunnen helpen is een zorgvuldige benadering
nodig waarbij de afweging of in de specifieke situatie van een bepaalde
persoon het noodzakelijk is om ten behoeve van een onderzoek naar
meervoudige problematiek gegevens te verstrekken, en zo ja, welke
gegevens dan noodzakelijk zijn, bij de zorgprofessional ligt. Daarbij
staat het vragen van uitdrukkelijke toestemming altijd voorop, zo
mogelijk ook in overleg met de vertegenwoordiger van een cliënt.
Zorgvuldigheid is geboden omdat juist bij mensen met ernstige
meervoudige problematiek het risico op zorg mijden groot is. Gelet op de
diverse bezwaren die zijn geuit bij de gronden in artikel 5.4.2, tweede
lid, om toch gegevens te kunnen verstrekken zonder toestemming in geval
van ernstige meervoudige problematiek, en het grote belang dat ik hecht
aan het medisch beroepsgeheim, stel ik bij nota van wijziging een nieuwe
bepaling voor. Voor deze nieuwe formulering van artikel 5.4.2, tweede
lid, is aangesloten bij de formulering zoals die is opgenomen in artikel
2.29, tweede lid, van de Wet gegevensverwerking door
samenwerkingsverbanden121, die van toepassing
is voor het delen van gegevens in Zorg- en Veiligheidshuizen. In dat
artikel is wel de uitzondering opgenomen om zonder toestemming of
wettelijke plicht gegevens te verstrekken op grond van goed
hulpverlenerschap. Aangezien de Afdeling advisering van de Raad van
State in het advies over de Wams heeft geoordeeld dat dit een criterium
is dat zorgverleners onvoldoende houvast biedt, stel ik voor die
uitzonderingsgrond niet op te nemen in artikel 5.4.2, tweede lid.
Een hulpverlener zou in een uiterst geval een beroep kunnen doen op het niet wettelijk geregelde leerstuk van conflict van plichten. Dit is echter alleen toepasbaar in situaties waarin er sprake is van een reëel risico op ernstig gevaar voor de cliënt of een ander. Het doel van een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek op grond van de Wams is juist om met betrokken partijen te komen tot een aanpak om dat soort situaties van ernstig gevaar te voorkomen door iemand eerder en beter te kunnen helpen.
223. De leden van de PvdA-fractie vragen wanneer sprake is van ‘ernstige meervoudige problematiek’ en hoe zorgverleners hier een eenduidige invulling van kunnen hebben als de wettekst daarvoor geen toelichting biedt. Waarom wordt deze term niet opgenomen in de definitiebepalingen?
Het begrip “meervoudige problematiek” wordt in artikel 1.1.1.
gedefinieerd. Van dit begrip is goed een materiële omschrijving te
geven. Bij “ernstige” meervoudige problematiek ligt dat anders. Of de
situatie zodanig ernstig is dat een onderzoek zonder hulpvraag van de
cliënt gerechtvaardigd is, moet worden gewogen aan de hand van de
omstandigheden van het geval. In het voorgestelde artikel 2.3a.4, eerste
lid, zijn daarom de voorwaarden opgenomen waaraan de concrete
omstandigheden getoetst moeten worden. Een bij de cliënt betrokken
professional kan bij het college een verzoek doen om een onderzoek naar
ernstige meervoudige problematiek te starten indien hij vermoedt:
a. dat sprake is van voortdurende of terugkerende meervoudige
problematiek waarvoor de persoon of personen die het betreft geen of
selectief hulp vragen of accepteren of de hulp die wel wordt aanvaard
niet effectief lijkt, terwijl vanwege de aard of complexiteit van de
problemen maatschappelijke teloorgang of een lage kwaliteit van leven en
welzijn dreigt of al aan de orde is, en
(1) in de omgeving van deze persoon of personen wordt gedurende langere
tijd of telkens opnieuw overlast, hinder of problemen ervaren, of
(2) de veiligheid van personen of goederen is in het geding; en
b. dat een gecoördineerde aanpak kan bijdragen aan het oplossen of
verminderen van de problematiek.
Beide elementen (a. en b.) moeten bij een verzoek worden onderbouwd,
waarbij er met betrekking tot de bijkomende omstandigheden (sub 1 en 2)
ten minste één van beide situaties aannemelijk dient te worden gemaakt.
Op basis van onderdeel a wordt bepaald of sprake is van (waarschijnlijk)
ernstige meervoudige problematiek. Het is lastig om op basis van deze
criteria een begripsomschrijving van “ernstige meervoudige problematiek”
te geven, maar omdat het begrip toch
regelmatig wordt gebruikt, stel ik voor om bij nota van wijziging in artikel 1.1.1 een definitie op te nemen die verwijst naar de criteria van artikel 2.3a.4, eerste lid, onderdeel a.
224. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering tevens hoe geregeld is dat de aan een gemeente verstrekte gegevens niet verder mogen worden verwerkt. Welke voorwaarden kan een zorgverlener stellen ingevolge artikel 5.4.2 en wat gebeurt er als aan die voorwaarden niet wordt voldaan?
De Wams creëert een bevoegdheid voor het college om persoonsgegevens
die aan het college zijn verstrekt ten behoeve van het onderzoek door
het college verder te kunnen verwerken voor zover dat noodzakelijk is
voor het verstrekken van diensten of interventies uit de vier sociaal
domein wetten en de WI 2021 (art. 5.4.4, eerste lid, onder a). Het
college is daarnaast ook bevoegd de noodzakelijke gegevens te
verstrekken aan de coördinator, voor zover hij die gegevens nodig heeft
voor het uitoefenen van zijn coördinatietaak (art. 5.4.4, derde lid) en
aan de burgemeester voor de uitoefening door de burgemeester van de
genoemde taken (art. 5.4.4, eerste lid, onder b). Hierbuiten is verdere
verwerking niet toegestaan.
Indien gegevens worden verstrekt tijdens een casusoverleg gelden
specifieke regels. Deelnemers aan het casusoverleg mogen slechts
persoonsgegevens uit dit overleg verder verwerken indien deze gegevens
noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de eigen taken van deze partij
in het kader van de gecoördineerde aanpak die voorkomt uit of onderwerp
was van het casusoverleg. Daarbij geldt dat partijen aan het eind van
het casusoverleg afspraken maken wie welke gegevens verwerkt en met welk
doel en dat de partij die gegevens heeft ingebracht moet instemmen met
deze eventuele verdere verwerking, om zo zicht te houden op wat er met
de gegevens gebeurt (art. 5.4.3, derde lid). De coördinator legt
uitsluitend de afspraken vast die in het casusoverleg worden gemaakt
(wie doet wat en een beknopte toelichting). Deze afspraken worden niet
automatisch verspreid onder de partijen die aan het casusoverleg hebben
deelgenomen (artikel 5.4.3, vierde lid).
De mogelijkheid tot het stellen van nadere voorwaarden als gegevens worden verstrekt, is in het wetsvoorstel opgenomen naar aanleiding van de consultatiereactie van het OM en 3RO. Hierbij is met name gedacht aan de situatie dat de te verstrekken gegevens noodzakelijk zijn voor bijvoorbeeld het onderzoek naar meervoudige problematiek, maar dat de verstrekkende partij als voorwaarde stelt dat hij moet instemmen met eventuele verdere verwerking om zo zicht te houden op wat er met de gegevens gebeurt. Als het om gegevens over de gezondheid gaat, kan het voor het onderzoek en de voor te stellen gecoördineerde aanpak nodig zijn dat een zorgverlener bijvoorbeeld bevestigt dat de cliënt rolstoelafhankelijk is vanwege een progressieve ziekte – en er dus geen verbetering van de situatie meer zal zijn voor wat betreft zijn mobiliteit – maar dat de zorgverlener als voorwaarde stelt dat andere partijen die betrokken zijn alleen vernemen dat de cliënt rolstoelafhankelijk is. Op zich is dit al een situatie waarbij het vermelden van de oorzaak van rolstoelafhankelijkheid voor andere betrokken partijen waarschijnlijk niet relevant en dus ook niet noodzakelijk is. Het college moet al zelf bij iedere verwerking en verdere verwerking van gegevens beargumenteren of die verwerking noodzakelijk is, maar het kan voor het college en de verstrekkende partij behulpzaam zijn om hier bij voorbaat bij stil te staan, door te bespreken wat voorwaarden voor verdere verwerking zijn.
Voorwaarden gelden voor zover een verstrekkende partij die stelt. Wanneer de gegevens in strijd met deze voorwaarden worden verwerkt kan sprake zijn van een onrechtmatige verwerking. De betrokkene kan de verwerkingsverantwoordelijke dan uiteraard verzoeken om de gegevensverwerking te staken en de gegevens te wissen voor zover er niet is voldaan aan de voorwaarden. Daarnaast is het mogelijk om een schadevergoeding te verzoeken bij de bestuursrechter (bij claims tot 25.000 euro vanwege onrechtmatige verwerking door een bestuursorgaan) of bij de civiele rechter. Verder kan er een klacht worden ingediend bij de functionaris gegevensbescherming of de Autoriteit Persoonsgegevens.
Daarbij geldt als algemeen uitgangspunt dat de gestelde schade moet worden onderbouwd. Volgens overweging 146 van de AVG moet een betrokkene volledige en daadwerkelijke vergoeding van de door hem geleden schade ontvangen en moet daarbij worden uitgegaan van een ruim schadebegrip. Dat betekent volgens jurisprudentie van de Afdeling echter niet dat schending van de AVG per definitie tot schade leidt. Schade moet “reëel en zeker” zijn geleden. De betrokkene moet aannemelijk maken dat hij in zijn eer of goede naam of anderszins in zijn persoon is aangetast en moet de door hem geleden schade met concrete gegevens onderbouwen.
225. Kunnen door een zorgverlener aangeleverde gegevens ook worden gebruikt voor andere doeleinden, zoals bijvoorbeeld fraudeopsporing? Zo ja, waarom wordt het gebruik niet beperkt tot alleen de gecoördineerde zorg?
Nee, dat mag niet. In lijn met de AVG regelt het wetsvoorstel
expliciet welke verwerkingen van persoonsgegevens wel zijn toegestaan.
Hieruit volgt dat gegevensverwerking voor andere doelen op grond van dit
wetsvoorstel niet zijn toegestaan. De verwerking van persoonsgegevens is
toegestaan voor het onderzoek naar meervoudige problematiek, dat tot
doel heeft de problemen van cliënten en hun gezin te verminderen of weg
te nemen (artikel 2.3a.1, vierde lid en 2.3a.4, tweede lid). De
persoonsgegevens mogen verder worden verwerkt voor de gecoördineerde
aanpak en om diensten uit het sociaal domein te verkrijgen (artikel
2.3a.2 en 5.4.4, eerste lid). Het belang van deze wettelijke bevoegdheid
tot verdere verwerking van gegevens uit het onderzoek is dat cliënten
(en betrokken partijen) de gegevens niet opnieuw hoeven te verstrekken.
Artikel 5.4.4, eerste lid, onderdeel a, geeft ook de grondslag om
gegevens verder te verwerken ten behoeve van interventies op grond van
de Jeugdwet en de Wet inburgering 2021. Het gaat dan om een verzoek tot
onderzoek bij de raad voor de kinderbescherming, het uitvoeren van een
kinderbeschermingsmaatregel of het voldoen aan de inburgeringsplicht.
Bij nota van wijziging wordt voorgesteld artikel 5.4.4, eerste lid,
onderdeel a, zo aan te passen dat duidelijk is dat verdere verwerking
van gegevens uit een onderzoek naar meervoudige problematiek door het
college is toegestaan ten behoeve van het verstrekken van diensten op
grond van de sociaaldomeinwetten en de Wet inburgering 2021 en daarnaast
alleen ten behoeve van de bovengenoemde interventies die ook onderdeel
kunnen zijn van een gecoördineerde aanpak.
De gegevens mogen ook verder worden verwerkt voor enkele bevoegdheden
van de burgermeester en specifieke interventies die ingezet worden als
de veiligheid van een cliënt of personen in de omgeving in het geding
zijn (artikel 5.4.4, eerste lid, onderdeel b). Het gebruiken van
gegevens voor fraudeopsporing is niet toegestaan op grond van het
wetsvoorstel.
226. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering op welke
grondslag uit artikel 6 van de AVG een zorgverlener met een
beroepsgeheim zich kan beroepen als hij of zij zonder toestemming van de
cliënt op basis van artikel 5.4.2 (bijzondere) persoonsgegevens aan het
college van B&W verstrekt.
Voor verstrekking van gegevens over de gezondheid zonder toestemming van de cliënt kunnen verschillende grondslagen uit artikel 6 AVG van toepassing zijn. Zo kan de verstrekking op grond van artikel 6, eerste lid, onder b plaatsvinden, bijvoorbeeld in het geval de zorgverlener van oordeel is dat de verstrekking nodig is in het kader van de behandelovereenkomst. Artikel 6, eerste lid, onderdeel c, AVG geldt voor zover toepassing wordt gegeven aan de wettelijke verplichting van artikel 5.4.2, eerste lid. Als er sprake is van een situatie waarin de vitale belangen van de cliënt of iemand anders moeten worden beschermd, geldt artikel 6, eerste lid, onderdeel d. Tot slot kan de verstrekking door een zorgverlener als bedoeld in artikel 5.4.2, tweede lid, ook plaatsvinden op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel f (gerechtvaardigd belang)122.
227. De leden van de GroenLinks-fractie lezen in artikel 5.4.2 dat is bepaald dat gegevens die aan de burgemeester zijn verstrekt in het kader van de Wvggz en de Wzd kunnen worden hergebruikt. Wat betekent dit wetsvoorstel voor de stukken die de burgemeester in de procedure van de Wvggz en de Wzd heeft verkregen, zoals de medische verklaring van een onafhankelijk psychiater en waarvoor de in de Wvggz en de Wzd bepalingen zijn opgenomen met betrekking tot het gebruik daarvan? Is het hergebruik van desbetreffende gegevens voor een gecoördineerde aanpak wel verenigbaar met het doel waarvoor de gegevens zijn verkregen?
In artikel 5.4.2, vierde lid, is bepaald welke gegevens de burgemeester mag verstrekken aan het college ten behoeve van een onderzoek naar meervoudige problematiek of ernstige meervoudige problematiek. De in dat artikellid genoemde artikelen van de Wvggz betreffen alleen artikelen die betrekking hebben op het nemen van een crisismaatregel, een bevoegdheid van de burgemeester zelf. Voor de Wzd geldt hetzelfde, het betreft de artikelen over opname en verblijf in crisissituaties.
Op grond van artikel 8:34 Wvggz en artikel 18c, vierde lid van
de Wzd, rust op de burgemeester een geheimhoudingsplicht tenzij enig
ander wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht. Dit artikel
5.4.2, vierde lid, van het wetsvoorstel betreft zo’n wettelijk
voorschrift waarbij de burgemeester beoordeelt in hoeverre die
verstrekking noodzakelijk is voor de uitvoering van het onderzoek naar
meervoudige problematiek op grond van artikel 2.3a.1 of artikel 2.3a.4.
Op grond van dit vierde lid – en de Wams als geheel – is het dus niet
toegestaan dat de burgemeester gegevens verstrekt uit de medische
verklaring van de psychiater. De burgemeester kan in het kader van de
Wams alleen iets zeggen over een te nemen of genomen
crisismaatregel.
Voor een goede uitvoering van een onderzoek naar meervoudige
problematiek, ernstige meervoudige problematiek en de gecoördineerde
aanpak, regelt he wetsvoorstel dat bepaalde in artikel 5.4.1, 5.4.2 en
5.4.4. bedoelde gegevens die eerder zijn verzameld voor een niet
verenigbaar doel kunnen worden verwerkt. Op grond van artikel 6, aanhef
en vierde lid, AVG is dit slechts mogelijk ter waarborging van een van
de in artikel 23, eerste lid, AVG bedoelde doelstellingen. In dit geval
gaat het om de bescherming van de betrokkene of van de rechten en
vrijheden van anderen (onderdeel i).
228. Het lid van de BBB-fractie heeft moeite met de uitzonderingspositie rondom het begrip ‘geheimhouding’. Het principe van geheimhouding voor met name medische beroepen is van groot belang voor de relatie tussen patiënt en zorgverlener. Hieraan tornen brengt deze vertrouwelijkheid in gevaar. Een patiënt moet alles in vertrouwen kunnen zeggen tegen een zorgverlener. Het lid van de BBB-fractie is dan ook van mening dat alleen met toestemming van de patiënt
deze geheimhouding geschonden kan worden. Is de regering bereid om dit artikel zodanig aan te passen dat enkel bij toestemming van de betrokkene zelf de geheimhoudingsplicht geschonden kan worden?
Ik ben het met de BBB-fractie eens dat het vragen van toestemming is voor doorbreking van het beroepsgeheim altijd het uitgangspunt moet zijn. Ik stel voor de formulering van artikel 5.4.2, tweede lid, bij nota van wijziging zo aan te passen dat volstrekt duidelijk is dat het vragen van toestemming aan de cliënt leidend is. De in artikel 5.4.2, tweede lid, genoemde beroepsgeheimen zijn wettelijk vastgelegd om de vrije toegang tot de gezondheidszorg en de jeugdhulp te waarborgen. Het wettelijk (medisch) beroepsgeheim betekent dat de hulpverlener dient te zwijgen over al hetgeen hij over de patiënt weet. Ik ben van mening dat grote terughoudendheid met betrekking tot het doorbreken van het beroepsgeheim noodzakelijk is. Daarom is de bij nota van wijziging voorgestelde bepaling zo ingericht dat doorbreking van het beroepsgeheim alleen mogelijk is met toestemming van de patiënt of op grond van een wettelijke doorbrekingsgrond. Bijvoorbeeld de verstrekkingsplicht uit artikel 7.4.0, tweede lid, van de Jeugdwet. Dit artikellid bevat een verstrekkingsplicht aan het college voor de in artikel 7.4.0, eerste lid, van de Jeugdwet genoemde doelen. Met name onderdeel a (de toeleiding naar, advisering over, bepaling van of het inzetten van een voorziening op het gebied van de jeugdhulp) kan onderdeel zijn van een onderzoek op grond van de Wams. Deze wettelijke verstrekkingsplicht uit artikel 7.4.0, tweede lid, is ook van toepassing is wanneer de taken als genoemd in onderdeel a onderdeel zijn van een onderzoek als bedoeld in artikel 2.3a.1 of 2.3a.4.
Het voorgaande betekent dat een wettelijke bepaling die énkel verstrekking op
basis van toestemming mogelijk maakt, niet past in het stelsel van geldende wettelijke verstrekkingsgronden. Bij een onderzoek naar meervoudige problematiek of naar ernstige meervoudige problematiek zullen noodzakelijke gegevens van een zorgverlener of jeugdhulpverlener dus ofwel na toestemming van de cliënt kunnen worden verstrekt, ofwel op basis van een wettelijke verstrekkingsplicht of recht tot verstrekking. Als de cliënt een vertegenwoordiger heeft, kan aan de vertegenwoordiger toestemming worden gevraagd. Als toestemming wordt gegeven, is het nog steeds de afweging van de professional of het in het belang van de cliënt is om gegevens te verstrekken én welke gegevens dan noodzakelijk zijn voor het onderzoek door het college.
229. Tenslotte doet de vraag zich voor welke afweging een hulpverlener kan maken die niet onder een wettelijke geheimhoudingsplicht valt. Het is immers best mogelijk dat er redenen zijn waarom men bepaalde informatie niet wil delen, zelfs in het belang van de patiënt. Welke mogelijkheden zijn daarvoor?
Voor professionals die werken op basis van een beroepscode geldt dat bij een verzoek van het college om gegevens te verstrekken op grond van artikel 5.4.2, eerste lid, beoordeeld moet worden of en in hoeverre de gevraagde gegevens noodzakelijk zijn voor het onderzoek. Die afweging moet de professional altijd zelf maken. Veel professionals werken met richtlijnen of beroepscodes die ondersteuning geven bij de omgang met dit soort vraagstukken, zoals bijvoorbeeld een collegiale toetsing. In artikel 5.4.2, eerste lid, is ook vastgelegd dat een de partij die verstrekt op grond van artikel 5.4.1, eerste lid, van het college een informatieverzoek heeft gekregen de afweging kan maken of er geen zwaarwegende belangen aan verstrekking in de weg staan. Ten slotte is het zo dat het vaak voldoende zal zijn om de informatie te verstrekken dat de cliënt bij een bepaalde hulpverlener komt, zonder dat iets bekend wordt gemaakt over de inhoudelijke reden dat de cliënt deze hulpverlener bezoekt. Deze zogenaamde “dat” informatie kan relevant zijn voor het onderzoek naar meervoudige problematiek, terwijl meer inhoudelijk informatie uit het dossier, (zogenaamde “wat” informatie) vaak niet of in slechts zeer beperkte mate noodzakelijk is.
230. In artikel 5.4.2. lid 2 sub a gaat het over de plicht op goede hulp of zorg. Het lid van de BBB-fractie constateert dat de Afdeling hier eerder over heeft gezegd dat de norm van goed hulpverlenerschap onvoldoende begrenzing kent. Het lid van de BBB-fractie acht dit wel noodzakelijk. Kan de regering dit toelichten?
De Afdeling advisering van de Raad van State oordeelde in zijn advies
dat enkel het criterium van goed hulpverlenerschap om te beoordelen of
het beroepsgeheim zou kunnen worden doorbroken, aan hulpverleners
onvoldoende houvast geeft, en dat in plaats daarvan doelcriteria
opgenomen zouden moeten worden. Op basis van dat advies zijn in artikel
5.4.2, tweede lid, doelcriteria opgenomen waarbij het goed
hulpverlenerschap enkel als ijkpunt wordt genoemd.
Deze formulering van artikel 5.4.2, tweede lid, heeft tot diverse vragen
van verschillende fracties heeft geleid. Nadere gesprekken met
veldpartijen hebben daarnaast niet geleid tot het formuleren van
criteria die in de praktijk wel bruikbaar zouden zijn. Alles overziend,
stel ik bij nota van wijziging een nieuw artikel 5.4.2, tweede lid, voor
waarin de regels rond het verstrekken van informatie bij wettelijk
geregelde beroepsgeheimen, onveranderd blijven.
231. Het lid van de BBB-fractie vraagt de regering verder of aan artikel 5.4.2 een bepaling toegevoegd kan worden die waarborgt dat gegevens bij de gemeente alleen verwerkt mogen worden door of onder verantwoordelijkheid van iemand met een eigen beroepsgeheim. Voorts is het lid van de BBB-fractie ook van mening dat degene die de gegevens bij de gemeente ontvangt in staat moet zijn om deze juist te beoordelen. Kan de regering toelichten hoe dit geregeld is?
Om in een onderzoek naar meervoudige problematiek een goed beeld te krijgen van de problemen die spelen en de samenhang daartussen alsmede om op basis daarvan een goed voorstel voor een gecoördineerde aanpak te kunnen doen, is het niet werkbaar als alleen iemand met medische kennis die gegevens kan verwerken. De Wams geeft grondslagen voor de verwerking van gegevens, in elke fase slechts voor zover die verwerking noodzakelijk is. Het college dat om gegevens verzoekt, zal die noodzakelijkheid moeten onderbouwen en de verstrekkende zorgverlener zal zelf ook moeten beoordelen of de gevraagde gegevens noodzakelijk zijn. Dit geldt altijd, ook indien de cliënt toestemming geeft om gegevens te verstrekken. Het gaat zodoende om beperkte gegevens en nooit om een heel medisch dossier. Hierbij moet bedacht worden dat bijvoorbeeld het gegeven dat een cliënt slecht ter been is al een medisch gegeven is dat zeer relevant kan zijn voor de aanpak van de meervoudige problematiek van deze cliënt, zonder dat verder iets bekend is over de medische oorzaak hiervan. Het onderzoek naar en de aanpak van meervoudige problematiek zou in veel gevallen niet mogelijk zijn als alleen iemand die medisch onderlegd is kennis zou mogen nemen van gegevens over de gezondheid. Belangrijk is dat in de Wams de gegevensverwerking is beperkt tot die gegevens die in een concrete casus noodzakelijk zijn gelet op het doel van de verwerking. Medische gegevens uitvragen terwijl die niet relevant zijn, is niet toegestaan. De zorgverlener die gegevens verstrekt, zal eveneens de noodzaak van verstrekking moeten vaststellen en zo nodig de betekenis daarvan moeten duiden. Professionals maken – gesteund door richtlijnen en werkinstructies – zelf de afweging of en in hoeverre informatieverstrekking noodzakelijk kan worden geacht. Doorgaans zullen medische gegevens die alleen een verpleegkundige of een arts kan interpreteren, zoals onderzoeksuitslagen, medicatieoverzichten, niet relevant zijn voor het onderzoek naar meervoudige problematiek en ook niet voor een gecoördineerde aanpak.
Overigens geldt voor een ieder die is betrokken bij de uitvoering van de taak van een bestuursorgaan (zoals de uitvoering van een onderzoek op grond van artikel 2.3a.1 of 2.3a.4) en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden een verplichting tot geheimhouding van die gegevens. Deze verplichting geldt behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit (artikel 2:5 Awb). De verplichting geldt ook voor de coördinator. Ook de persoon die deze rol uitvoert is immers betrokken bij de uitvoering van een taak van een bestuursorgaan: namelijk het zorgdragen voor een gecoördineerde aanpak.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
N.J.F. Pouw-Verweij
II. Bijlage
Lijst partijen die kunnen worden betrokken bij een onderzoek als
bedoeld in artikel 2.3a.1, vierde lid, dan wel artikel 2.3a.4, tweede
lid, of bij een gecoördineerde aanpak als bedoeld in artikel 2.3a.3 van
de Wet aanpak meervoudige problematiek in het sociaal domein op grond
van hun in deze bijlage genoemde taken en bevoegdheden.
| Partijen | De uitvoering van de taken of bevoegdheden |
|---|---|
| De burgemeester | Op het terrein van de handhaving van de openbare orde op grond van de artikelen 151d, 172, 172a, 172b, 174a en 176a van de Gemeentewet, artikel 13b van de Opiumwet of een gemeentelijke verordening, bij of krachtens de uitvoering van de Wet tijdelijk huisverbod, artikelen 7:1, 7:2, 8:16, vierde lid, 8:18, tiende lid, 8:19, negende lid, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en de artikelen 29 tot en met 31 van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten |
| Het college van burgemeester en wethouders | Op grond van artikel 2.2.5, van de wet, de artikelen 5:1, 5:2, eerste en tweede lid, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, de artikelen 2 tot en met 4 van de Wet sociale werkvoorziening, hoofdstuk 5 van de Wet inburgering 2021, artikel 16 van de Leerplichtwet 1969, artikel 8.22 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, artikel 147 van de Wet op de expertisecentra en artikel 8.3.2. van de Wet educatie en beroepsonderwijs |
| De gemeentelijke gezondheidsdienst (GGD) genoemd in artikel 14, eerste en tweede lid, van de Wet publieke gezondheid of een ander dan de GGD, als bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Wet publieke gezondheid | Op grond van de artikelen 2, tweede lid, onder h en i, 5, tweede lid, onder c en d, 5a, 14, eerste en tweede lid, van de Wet publieke gezondheid, en de artikelen 3 tot en met 7 van het Besluit publieke gezondheid. |
| Een beroepsbeoefenaar die in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, staat ingeschreven | Op het terrein van de individuele gezondheidszorg die op grond van hoofdstuk III van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg wordt gerekend tot diens gebied van deskundigheid |
| Een zorgverantwoordelijke als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onderdeel aa, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg | Op grond van de artikelen 5:13, derde lid, onderdeel c, en 5:14, eerste lid, onderdeel h, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg |
| Een geneesheer-directeur als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onderdeel i, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg | Op grond van de artikelen 5:17, vierde lid, onderdeel g, 8:17, achtste lid, en 8:18, derde en elfde lid, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg |
| Een zorgverantwoordelijke als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten | Op grond van de artikelen 5, tweede lid, 10, tweede lid, en 11a van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten |
| Een Wzd-functionaris als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel m, van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten | Op grond van de artikelen 11a, tweede, derde en vijfde lid, 47, derde lid, en 48, zesde lid, van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten |
| Een zorgaanbieder als bedoeld in artikel 1 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg | Op het terrein van kraamzorg, als bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit zorgverzekering |
| Een aanbieder als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 | Het leveren van een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet |
| Een jeugdhulpaanbieder als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet | Het verlenen van jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet |
| Een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet | Op grond van de artikelen 3.2, eerste lid, en 3.5, eerste lid, van de Jeugdwet |
| Een aanbieder van preventie als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet | Op grond van artikel 1.1 van de Jeugdwet voor zover die aanbieder dit doet ter uitvoering van het gemeentelijk beleid als bedoeld in artikel 2.1 van de Jeugdwet |
| Een Veilig Thuis-organisatie als bedoeld in artikel 4.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 | Op grond van artikel 4.1.1 van de wet |
| Een zorgverzekeraar als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet | Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet. |
| Een zorgkantoor als bedoeld in artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg | Op grond van de artikelen 4.2.1 en 4.2.2 van de Wet langdurige zorg |
| Het CIZ genoemd in artikel 7.1.1 van de Wet langdurige zorg | Op grond van artikel 7.1.2 van de Wet langdurige zorg |
| Het CAK genoemd in artikel 6.1.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg | Op grond van artikel 6.1.2, onderdelen a, b, e en h, van de Wet langdurige zorg |
| Een andere instantie als bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid, Wmo 2015 | Op grond van artikel 2.1.4b, tweede lid, van de wet |
| De SVB genoemd in artikel 3 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen | Op grond van artikel 2.6.2, eerste lid, van de wet, artikel 3.3.3, zevende lid, van de Wet langdurige zorg, artikel 8.1.8, eerste lid, van de Jeugdwet, artikel 6a.2, eerste lid, van de Regeling zorgverzekering, artikel 34, eerste lid, onderdeel a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, artikel 47a van de Participatiewet en taken en bevoegdheden op grond van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW |
| Het UWV genoemd in artikel 2 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen | Op grond van artikel 3a.1.1 van de wet, artikel 11 van de Wet sociale werkvoorziening en hoofdstuk 5, paragraaf 5.1, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen |
| Toegelaten instellingen als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Woningwet | Op grond van artikel 45 van de Woningwet |
| Het COA genoemd in artikel 2 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers | Op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel d, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers |
| Het Openbaar Ministerie | Op grond van artikel 124 van de Wet op de rechterlijke organisatie, de artikelen 5:3, 5:16, 5:17, eerste lid, 5:18, 5:19, 7:7, eerste lid, 8:1, eerste en derde lid, 8:17, zevende lid, 8:18 derde en tiende lid, 8:19, derde lid, aanhef, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, de artikelen 28a, derde lid, aanhef, 28b, eerste lid, van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten en artikel 2.3 van de Wet forensische zorg |
| De politie | Op grond van artikel 3 van de Politiewet 2012, de artikelen 5:3, 7:3, 8:1, vijfde lid, 8:2, 8:10 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, de artikelen 28b, tweede lid, en 33, derde tot en met zesde lid, van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten |
| De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) | Op grond van artikel 2 van de Penitentiaire Beginselenwet, artikel 2 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, artikel 2 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, artikel 2.2, tweede lid, jo. artikel 1.1 van de Wet forensische zorg en artikel 2:7 van het Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen |
| Een erkende reclasseringsinstelling als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Reclasseringsregeling 1995 | Op grond van hoofdstuk 3 van de Reclasseringsregeling 1995 en artikel 2:7 van het Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen |
| De Raad voor de Kinderbescherming genoemd in artikel 238 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek | Op grond van artikel 3.1, eerste en tweede lid, van de Jeugdwet, artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 2:7 van het Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen en de artikelen 5, eerste lid, 6, 10 en 25 van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie |
| Halt genoemd in artikel 1 van de Regeling Halt 2022 | Op grond van artikel 77e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht |
| Slachtofferhulp Nederland | Op grond van artikel 51aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering |
| Het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra of artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs | De verantwoordelijkheid voor het onderwijs op grond van de Wet op het primair onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020, de Wet op de expertisecentra of de Wet educatie en beroepsonderwijs |
| Een samenwerkingsverband als bedoeld in de artikelen 1 en 18a, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs, de artikelen 1.1 en 2.47, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of artikel 1 van de Wet op de expertisecentra | Op grond van artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs, artikel 2.47 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 28a van de Wet op de expertisecentra |
Zoals verwoord in de voortgangsbrief aanpak verward en onbegrepen gedrag december 2025, Kamerstukken II 2025/26, 25424, 772↩︎
Kamerstukken 2024/25, 36295, nr. 6↩︎
Kamerstukken II 2024/25, 24515, nr. 812↩︎
Kamerstukken II 2018/19, 25424, nr. 424↩︎
Sociaal domein op koers? Verwachtingen en resultaten van vijf jaar decentraal beleid, Sociaal Cultureel Planbureau, november 2020, p 48↩︎
Roelof Schellingerhout, Evelien Eggink, Jeroen Boelhouwer &Ingrid, Ooms Voorzieningen in 3D: Gebruik van voorzieningen in het sociaal domein 2015-2019 vanuit verschillende perspectieven: personen, huishoudens, regio’s en trends, Sociaal en Cultureel Planbureau, mei 2021, SCP (2023). Zicht op zorgen Kerncijfers over de problemen, hulpbronnen, leefsituatie en ondersteuning van mensen in het sociaal domein↩︎
https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2025/09/stapeling-en--multi--problematiek-in-het-sociale-domein-2017-2023↩︎
Zie ook Kamerstukken II 2021/22, 34 477, nr. 81, p. 1 en de Regeldrukverkenning Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein (Wams), Onderzoek naar de gevolgen voor de regeldruk van burgers en professionele hulpverleners, SIRA-consulting, juli 2023, p. 23↩︎
Budget en kosten voor jeugdzorg, Onderzoek over 2020, 2021 en 2022, 8 december 2023 van Improven en Andersson Elffers Felix (AEF) voor het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport↩︎
Wet van 23 april 2025 tot wijziging van de Wet langdurige zorg, de Wet financiering sociale verzekeringen, de Wet marktordening gezondheidszorg en de Algemene wet bestuursrecht, in verband met de uitbreiding en verdere uitwerking van de bekostigingsmogelijkheden met middelen vanuit het Fonds langdurige zorg (Stb. 2025, nr. 123). In werking getreden op 1 januari 2026 (Stb. 2025, nr. 266)↩︎
https://www.zorginstituutnederland.nl/documenten/2023/09/12/handreiking-domeinoverstijgende-activiteiten-vanuit-de-zvw↩︎
Zie ook Kamerstukken II 2019/20, 34477, nr. 66↩︎
Zie ook Kamerstukken II 2021/22, 34477, nr. 81, p. 1 en de Regeldrukverkenning Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein (Wams), Onderzoek naar de gevolgen voor de regeldruk van burgers en professionele hulpverleners, SIRA-consulting, juli 2021, p. 23↩︎
Regeldrukverkenning Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein↩︎
Uit het onderzoek (Sociaal domein op koers? Verwachtingen en resultaten van vijf jaar decentraal beleid, Sociaal Cultureel Planbureau, november 2020, p 48) blijkt dat 76% van de gemeenten het beleid van de sociaaldomeinwetten in meer of mindere mate afstemt. Het gaat dan met name om de Jeugdwet en Wmo 2015 en in mindere mate de Participatiewet↩︎
Sociaal domein op koers? Verwachtingen en resultaten van vijf jaar decentraal beleid, Sociaal Cultureel Planbureau, november 2020, p 48. Roelof Schellingerhout, Evelien Eggink, Jeroen Boelhouwer &Ingrid, Ooms Voorzieningen in 3D: Gebruik van voorzieningen in het sociaal domein 2015-2019 vanuit verschillende perspectieven: personen, huishoudens, regio’s en trends, Sociaal en Cultureel Planbureau, mei 2021, SCP (2023). Zicht op zorgen Kerncijfers over de problemen, hulpbronnen, leefsituatie en ondersteuning van mensen in het sociaal domein↩︎
Sociaal domein op koers? Verwachtingen en resultaten van vijf jaar decentraal beleid, Sociaal Cultureel Planbureau, november 2020, p 48↩︎
Roelof Schellingerhout, Evelien Eggink, Jeroen Boelhouwer &Ingrid, Ooms Voorzieningen in 3D: Gebruik van voorzieningen in het sociaal domein 2015-2019 vanuit verschillende perspectieven: personen, huishoudens, regio’s en trends, Sociaal en Cultureel Planbureau, mei 2021, SCP (2023). Zicht op zorgen Kerncijfers over de problemen, hulpbronnen, leefsituatie en ondersteuning van mensen in het sociaal domein↩︎
https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2025/09/stapeling-en--multi--problematiek-in-het-sociale-domein-2017-2023↩︎
Zie ook Kamerstukken II 2021/22, 34 477, nr. 81, p. 1 en de Regeldrukverkenning Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein (Wams), Onderzoek naar de gevolgen voor de regeldruk van burgers en professionele hulpverleners, SIRA-consulting, juli 2023, p. 23↩︎
Budget en kosten voor jeugdzorg, Onderzoek over 2020, 2021 en 2022, 8 december 2023 van Improven en Andersson Elffers Felix (AEF) voor het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport↩︎
Wet van 23 april 2025 tot wijziging van de Wet langdurige zorg, de Wet financiering sociale verzekeringen, de Wet marktordening gezondheidszorg en de Algemene wet bestuursrecht, in verband met de uitbreiding en verdere uitwerking van de bekostigingsmogelijkheden met middelen vanuit het Fonds langdurige zorg (Stb. 2025, nr. 123). In werking getreden op 1 januari 2026 (Stb. 2025, nr. 266)↩︎
https://www.zorginstituutnederland.nl/documenten/2023/09/12/handreiking-domeinoverstijgende-activiteiten-vanuit-de-zvw↩︎
Kamerstukken II 2024/25, 24515, nr. 812↩︎
Sociaal domein op koers? Verwachtingen en resultaten van vijf jaar decentraal beleid, Sociaal Cultureel Planbureau, november 2020, p 48↩︎
Roelof Schellingerhout, Evelien Eggink, Jeroen Boelhouwer &Ingrid, Ooms Voorzieningen in 3D: Gebruik van voorzieningen in het sociaal domein 2015-2019 vanuit verschillende perspectieven: personen, huishoudens, regio’s en trends, Sociaal en Cultureel Planbureau, mei 2021, SCP (2023). Zicht op zorgen Kerncijfers over de problemen, hulpbronnen, leefsituatie en ondersteuning van mensen in het sociaal domein.↩︎
https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2025/09/stapeling-en--multi--problematiek-in-het-sociale-domein-2017-2023↩︎
Zie ook Kamerstukken II 2021/22, 34 477, nr. 81, p. 1 en de Regeldrukverkenning Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein (Wams), Onderzoek naar de gevolgen voor de regeldruk van burgers en professionele hulpverleners, SIRA-consulting, juli 2023, p. 23↩︎
Zie Kamerstukken II 2013/14 33841, nr. 3↩︎
W04.15.0367/I; Bijlage bij Kamerstukken II 2016/17 34550-VII, nr. 12↩︎
Het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet langdurige zorg, de Wet financiering sociale verzekeringen, de Wet marktordening gezondheidszorg en de Algemene wet bestuursrecht, in verband met de uitbreiding en verdere uitwerking van de bekostigingsmogelijkheden met middelen vanuit het Fonds langdurige zorg, Kamerstukken II 2023/24, 36486, nr. 2↩︎
https://www.zorginstituutnederland.nl/documenten/2023/09/12/handreiking-domeinoverstijgende-activiteiten-vanuit-de-zvw↩︎
Budget en kosten voor jeugdzorg, Onderzoek over 2020, 2021 en 2022, 8 december 2023 van Improven en Andersson Elffers Felix (AEF) voor het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en zie ook de publicatie “Hulpmiddel opstellen gemeentelijke woonzorgvisies”↩︎
Sociaal Cultureel Planbureau. Eindevaluatie van de Participatiewet. Den Haag, november 2019, p. 87↩︎
Kamerstukken II 2024/25 34 477, nr. 90. Bijlage: terugblik meerjarenprogramma 2021-2024↩︎
Kamerstukken II 2023/24, 36486, nr. 2↩︎
Kamerstukken I 2024/24, 36512, nr. C. Bij brief 19 december 2025 over de voortgang is een novelle aangekondigd (Kamerstukken I, 2025/26, nr. H, Kamerstukken II, 2025/26, nr. 104)↩︎
Verslag van een schriftelijk overleg over «Onderzoek structureel benodigd budget jeugdzorg» (Kamerstukken II 31839, nr. 782)↩︎
Zie ook https://internetconsultatie.nl/domeinoverstijgendesamenwerking↩︎
Wet van 23 april 2025 tot wijziging van de Wet langdurige zorg, de Wet financiering sociale verzekeringen, de Wet marktordening gezondheidszorg en de Algemene wet bestuursrecht, in verband met de uitbreiding en verdere uitwerking van de bekostigingsmogelijkheden met middelen vanuit het Fonds langdurige zorg (Stb. 2025, nr. 123). In werking getreden op 1 januari 2026 (Stb. 2025, nr. 266)↩︎
Kamerstukken II 2024/25, 36621, nr. 2↩︎
Stb. 2025, 312↩︎
Kamerstukken II, 2024/25, 34477, nr. 91↩︎
Kamerstukken II 2023/24, 33047, nr. 25↩︎
Kamerstukken II, 2024/25, 31765, nr. 943 en Kamerstukken II, 2024/25, 25 424, nr. 767↩︎
Stb. 2022, 510↩︎
Stb. 2023, 126↩︎
Zorgverzekeraars Nederland. Samenwerken aan passende cliëntondersteuning. Inkoopbeleid onafhankelijke cliëntondersteuning 2024-2025 https://www.zn.nl/app/uploads/2023/06/2023_06_29-ZN-inkoopbeleid.pdf↩︎
Kamerstukken II 2024/25, 24515, nr. 812↩︎
Stb. 2024, 198↩︎
https://www.verwey-jonker.nl/wp-content/uploads/2025/03/223170_223030_Op-weg-naar-verbetering.pdf↩︎
Kamerstukken II 2023/24 31839, nr. 1024↩︎
Kamerstukken II 2024/25 34 477, nr. 90. Bijlage: terugblik meerjarenprogramma 2021-2024↩︎
Wet van 23 april 2025 tot wijziging van de Wet langdurige zorg, de Wet financiering sociale verzekeringen, de Wet marktordening gezondheidszorg en de Algemene wet bestuursrecht, in verband met de uitbreiding en verdere uitwerking van de bekostigingsmogelijkheden met middelen vanuit het Fonds langdurige zorg (Stb. 2025, nr. 123). In werking getreden op 1 januari 2026 (Stb. 2025, nr. 266)↩︎
Kamerstukken I 2023/24, 36512, nr. C. Bij brief 19 december 2025 over de voortgang is een novelle aangekondigd (Kamerstukken I, 2025/26, nr. H, Kamerstukken II, 2025/26, nr. 104)↩︎
De gebroken belofte van de rechtsstaat: Tien verbetervoorstellen met oog voor de burger (p. 54), Kamerstukken II 2023/24, 29279, nr. 869↩︎
Rapport nationale Ombudsman, rapport ‘Burger in Zicht!’, Rapportnummer 2023/041↩︎
Voor meer informatie, zie de webpagina: https://www.divosa.nl/projecten/dwars-door-domeinen↩︎
Zie o.a. de evaluatie van de Jeugdwet (ZonMw 2018), peilingen sociale (wijk)teams van Movisie, IGJ (Rapport ‘de centrale rol van lokale teams in de jeugdhulpketen’, Utrecht 2023), een overzichtsstudie van het NJI↩︎
Op 28 maart 2024 is het richtinggevend kader voor toegang, lokale teams en integrale dienstverlening in het sociaal domein vastgesteld. Zie daarvoor: https/vng.nl/nieuws/richtinggevend-kader-voor-toegang-sociaal-domein-vastgesteld↩︎
https://www.mentalegezondheidsnetwerken.nl↩︎
Kamerstukken II, 2024/25, 31765, nr. 943 en Kamerstukken II, 2024/25, 25424, nr. 767↩︎
Kamerstukken II, 31839, nr. AL↩︎
Sociaal domein op koers? Verwachtingen en resultaten van vijf jaar decentraal beleid, Sociaal Cultureel Planbureau, november 2020, p 48↩︎
Roelof Schellingerhout, Evelien Eggink, Jeroen Boelhouwer &Ingrid, Ooms Voorzieningen in 3D: Gebruik van voorzieningen in het sociaal domein 2015-2019 vanuit verschillende perspectieven: personen, huishoudens, regio’s en trends, Sociaal en Cultureel Planbureau, mei 2021, SCP (2023). Zicht op zorgen Kerncijfers over de problemen, hulpbronnen, leefsituatie en ondersteuning van mensen in het sociaal domein↩︎
https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2025/09/stapeling-en--multi--problematiek-in-het-sociale-domein-2017-2023↩︎
Zie ook Kamerstukken II 2021/22, 34 477, nr. 81, p. 1 en de Regeldrukverkenning Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein (Wams), Onderzoek naar de gevolgen voor de regeldruk van burgers en professionele hulpverleners, SIRA-consulting, juli 2023, p. 23↩︎
Mariska Kromhout, Patricia van Echtelt, Peteke Feijten, Sociaal domein op koers? Verwachtingen en resultaten van vijf jaar decentraal beleid, Sociaal Cultureel Planbureau, november 2020., p.48↩︎
Sociaal domein op koers? Verwachtingen en resultaten van vijf jaar decentraal beleid, Sociaal Cultureel Planbureau, november 2020, p 48↩︎
Sociaal domein op koers? Verwachtingen en resultaten van vijf jaar decentraal beleid, Sociaal Cultureel Planbureau, november 2020, p 48↩︎
Voor meer informatie, zie de webpagina: https://www.divosa.nl/projecten/dwars-door-domeinen↩︎
Voor meer informatie, zie de webpagina: https://www.divosa.nl/projecten/dwars-door-domeinen↩︎
KNMG-richtlijn Omgaan met medische gegevens↩︎
https://vng.nl/sites/default/files/2021-02/visie_gefaseerd_samenwerken_aan_veiligheid_januari2021.pdf↩︎
https://www.programmasociaaldomein.nl/documenten/publicaties/2020/12/16/wijkteams-en-het-pettenvraagstuk↩︎
Stb. 2020, 239↩︎
De meest voorkomende vorm van een gemeenschappelijke regeling is het openbaar lichaam, dat bestaat uit een algemeen bestuur en dagelijks bestuur↩︎
Stb. 2024, 198↩︎
Voor meer informatie, zie de webpagina: https://www.divosa.nl/projecten/dwars-door-domeinen↩︎
Stb. 2024, 198↩︎
Stb. 2023, 182↩︎
Stb. 2024, nr. 198↩︎
normuitleg_gerechtvaardigd_belang.pdf (autoriteitpersoonsgegevens.nl)↩︎
https://www.programmasociaaldomein.nl/documenten/publicaties/2020/12/16/wijkteams-en-het-pettenvraagstuk↩︎
Stb. 2025, 210↩︎
Kamerstukken II, 2024/25, 29453, nr. 574↩︎
normuitleg_gerechtvaardigd_belang.pdf (autoriteitpersoonsgegevens.nl)↩︎
Stb. 2024, 198↩︎
Staatsblad 2023, 285↩︎
Staatsblad 2023, 285↩︎
Kwaliteits- en ontwikkelinstrument meldpunt zorgwekkend gedrag. GGD GHOR (2022)↩︎
Kamerstuk 28345 nr. 259↩︎
Kamerstukken II, 2021/22,35925 XVI, nr. 128, aangenomen (Handelingen II 2021/22, nr. 31, item 6)↩︎
https://ggdghor.nl/wp-content/uploads/2021/03/Infographic-Meldpunten-zorgwekkend-gedrag-febr-2021.pdf↩︎
De meest voorkomende vorm van een gemeenschappelijke regeling is het openbaar lichaam, dat bestaat uit een algemeen bestuur en dagelijks bestuur↩︎
IZA, bijlage F, vanaf pag. 70↩︎
Kamerstukken II 2024/25, 29538, nr. 365↩︎
Kamerstukken II, 2024/25, 31765, nr. 943 en Kamerstukken II, 2024/25, 25424, nr. 767↩︎
Infographic Meldpunten zorgwekkend gedrag. Publicatie GGD GHOR (2021)↩︎
Juni 2024↩︎
Eindrapport: Kamerstukken II 2022/23, 25424, nr. 622,
Beleidsreactie: Kamerstukken II 2022/23, 25424, nr. 648↩︎Kamerstukken II 2023/24, nr. 36582↩︎
Staatsblad 2023, 285↩︎
Mariska Kromhout, Patricia van Echtelt, Peteke Feijten, Sociaal domein op koers? Verwachtingen en resultaten van vijf jaar decentraal beleid, Sociaal Cultureel Planbureau, november 2020, p 48 e.v.↩︎
Overall rapportage sociaal domein 2017 ‘Wisselend bewolkt’, Sociaal en Cultureel Planbureau december 2018↩︎
‘Voorzieningen in 3D’, Sociaal en Cultureel Planbureau juli 2021↩︎
Kamerstukken II 2022/23, 36295, nr. 3, p. 66 en de verkenning van SIRA, p. 55 waarbij GGD’en vallen onder “overige zorg en welzijn, sbi-code 86923” in de CBS-data↩︎
VNG Realisatie, Impactanalyse Wetsvoorstel aanpak meervoudige problematiek sociaal
domein (Wams), april 2021↩︎
Documentnummer 2023D03176↩︎
Kamerstukken II, 2022/23, 29538, nr. 350↩︎
Kamerstukken II, 2024/25,29538, nr. 371↩︎
Kamerstukken II, 2022/23, 29538, nr. 350↩︎
Kamerstukken II, 2024/25, 29538, nr. 371↩︎
Kamerstukken II 2021/22, 29453, nr. 543↩︎
Kamerstukken II 2022/23, 32847, nr. 1044, bijlage bij de Kamerbrief, p.9, onder actielijn 4 ‘Preventie’ en het kopje ‘Benutten kansen gegevensdeling’↩︎
https/:wetgevingskalender.overheid.nl/Regeling/WGK026886 (Wijziging Woningwet i.v.m. bijzondere gegevensuitwisseling)↩︎
Stb. 2020, 239 en 240↩︎
Stct. 2021, 45719 en Stct. 2023, 12768↩︎
Kamerstukken II, 2022/23, 24515, nrs. 643 en 698↩︎
Kamerstukken II, 2023/24, 29325, nr. 159↩︎
Stb. 2024, 198↩︎
normuitleg_gerechtvaardigd_belang.pdf (autoriteitpersoonsgegevens.nl)↩︎