[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Openstelling SDE++ 2026

Stimulering duurzame energieproductie

Brief regering

Nummer: 2026D07356, datum: 2026-02-13, bijgewerkt: 2026-02-17 15:55, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 31239 -444 Stimulering duurzame energieproductie .

Onderdeel van zaak 2026Z03309:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Geachte Voorzitter, 

Met deze brief informeert het kabinet de Kamer over de aankomende openstellingsronde van de SDE++. De SDE++ levert een belangrijke bijdrage aan de voortgang van de energietransitie, de verbetering van de energieonafhankelijkheid en de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen op een kosteneffectieve manier. De vormgeving van categorieën voor de SDE++ in 2026, evenals de hoogte van de basisbedragen, is gebaseerd op het advies van het Planbureau voor de Leefomgeving (hierna: PBL).

In deze brief wordt ten eerste ingegaan op de hoogte van het openstellingsbudget, waarover in het Pakket voor Groene Groei van april 2025 afspraken zijn gemaakt, de openstellingsdata en de hoogte van de hekjes. De hekjes hebben als doel om technieken beter aan bod te laten komen die een hogere subsidie-intensiteit hebben, maar die van belang zijn voor een kosteneffectieve energietransitie op de langere termijn. Daarna volgt een toelichting op de categorieën die in 2026 worden beoogd om open te stellen. Dit advies is als bijlage bij deze brief gevoegd. Tot slot volgt een toelichting op overige aandachtspunten voor en ontwikkelingen van de SDE++. 

In de bijlage van deze brief staat een nadere (technische) toelichting op de belangrijkste wijzigingen en aandachtspunten voor de openstellingsronde van 2026. Partijen die geïnteresseerd zijn in de SDE++ kunnen aan de hand van deze informatie zich voorbereiden op een subsidieaanvraag, wat kan bijdragen aan een voorspoedig verloop van de subsidieverlening. Het streven is de definitieve voorwaarden, waaraan subsidieaanvragen in 2026 moeten voldoen, voor de zomer in de SDE++-regelingen vast te leggen en vervolgens worden deze door RVO gecommuniceerd. 

Openstellingsbudget en -data

Het openstellingsbudget voor de komende openstellingsronde is € 8 miljard. Zoals gebruikelijk wordt voor het bepalen van het openstellingsbudget rekening gehouden met de te verwachten projecten en beschikbare kasruimte. Omdat er veel belangstelling wordt verwacht voor de SDE++-openstellingsronde van 2026 is er bij een openstellingsbudget van € 8 miljard naar verwachting ruim voldoende concurrentie tussen indieners. Deze openstellingsronde levert een belangrijke bijdrage aan het realiseren van de nationale en Europese doelstellingen voor CO2-reductie en hernieuwbare energie. Ook helpt deze openstellingsronde bij het realiseren van een betrouwbaar, betaalbaar en duurzaam energiesysteem. In het voorjaar wordt duidelijkheid gegeven over de benodigde middelen voor de openstelling van 2027 en daarbij rekening houden met het belang van de regeling voor de gestelde klimaat- en energiedoelen en beschikbare middelen.

Het voornemen is om de openstellingsronde van de SDE++ plaats te laten vinden van 22 september 2026 tot en met 22 oktober 2026. Daarmee krijgen aanvragers en de uitvoering voldoende tijd om zich voor te bereiden, wat nodig is om de kwaliteit van de SDE++-aanvragen te waarborgen. De ronde wordt zoals gebruikelijk gefaseerd opengesteld om de kosteneffectiviteit van de regeling te bevorderen.  

Tabel 1: Openstellingsdata en fasegrenzen SDE++ 2026 

Fase Fasegrens Openstelling
Fase 1   € 75 / ton CO2   22-9-2026 9:00 tot 28-9-2026 17:00 
Fase 2  € 150 / ton CO2 28-9-2026 17:00 tot 5-10-1026 17:00 
Fase 3  € 225 / ton CO2 5-10-2026 17:00 tot 12-10-2026 17:00 
Fase 4  € 300 / ton CO2 12-10-2026 17:00 tot 19-10-2026 17:00 
Fase 5  € 400 / ton CO2 19-10-2026 17:00 tot 22-10-2026 17:00 

Hekjes

Sinds de ronde van 2023 worden er in SDE++ hekjes gebruikt voor subsidieaanvragen voor de domeinen lage-temperatuur-warmte, hoge-temperatuur-warmte en moleculen. Een hekje in de SDE++ reserveert budget voor dergelijke technieken, waardoor deze eerder aan bod komen en er een evenwichtiger stimulering plaatsvindt binnen de verschillende domeinen van de SDE++. Het gaat om technieken die weliswaar op de korte termijn minder kosteneffectief zijn, maar op de langere termijn noodzakelijk voor de energietransitie en waarvan de kosten kunnen dalen naarmate ze meer worden ingezet. Hekjes verlagen daarmee de kosteneffectiviteit van de SDE++ op de korte termijn, maar beogen de kosteneffectiviteit van de energietransitie op de langere termijn te verhogen. In 2025 is gekozen voor hekjes van € 750 miljoen. In 2025 was er, evenals in 2026, een budget van € 8 miljard en zorgde de hoogte van de hekjes voor passende concurrentiedruk. Hierom wordt er in 2026 wederom gekozen voor een hoogte van € 750 miljoen voor de hekjes. Na beoordeling door RVO van de aanvragen van de SDE++-ronde van 2025 zal de effectiviteit van de hekjes worden onderzocht. Hierover wordt in de Kamerbrief over de definitieve resultaten van de SDE++ 2025 gerapporteerd.


Categorieën 2026 en overige aandachtspunten en ontwikkelingen

De basis voor iedere openstellingsronde is het advies dat het PBL jaarlijks uitbrengt voor de SDE++ over passende subsidiebedragen voor verscheidene CO2-reducerende technieken. Op basis van de beleidsmatige uitgangspunten die het PBL meekrijgt wordt door hen een onafhankelijk advies opgesteld. Een belangrijk onderdeel van het proces van het PBL is de jaarlijkse marktconsultatie, waarin (markt)partijen informatie kunnen delen en voorstellen kunnen doen voor nieuwe technieken voor in de SDE++. 

De beoogde categorieën voor de komende openstellingsronde van de SDE++ komen in grote mate overeen met categorieën die ook al in 2025 en in eerdere jaren voor subsidie in aanmerking kwamen. Zo zal de SDE++ opnieuw opengesteld worden voor: zon-PV, wind-op-land, lucht-water-warmtepompen, biomassavergisting, -verbranding en -vergassing, zonthermie, PV-Thermie, slibvergisting, geothermie, aquathermie, elektrische boilers, warmtepompen, restwarmte, waterstof, geavanceerde hernieuwbare brandstofproductie, de afvang en opslag van CO2 (hierna: CCS), de afvang en gebruik van CO2 (hierna: CCU ) en de afvang en het gebruik van CO2 uit de omgevingslucht (ook wel bekend als direct air capture, hierna: DAC).  Ook worden er voor een fors aantal categorieën verbeteringen doorgevoerd om bijvoorbeeld de verduurzaming van de industrie te stimuleren.

Door het PBL is ook geadviseerd over een aantal nieuwe categorieën. Het voornemen is een aantal van deze categorieën open te stellen:

  • Zon-PV langs wegen en spoor;

  • Levensduurverlenging ketel op B-hout ≥ 5 MW ;

  • Categorieën met een hoge-temperatuur-warmtepomp ;

  • Nieuwe varianten procesgeïntegreerde warmtepomp;

  • CCS met koolstofarme waterstof ;

  • DAC in combinatie met CCS en bij CO2-infrastructuur.

Een aantal categorieën wordt niet opengesteld in 2026, vanwege een beperkt zicht op realiseerbare projecten, ondoelmatigheid en onuitvoerbaarheid zijn. Per categorie staat ook hiervoor een nadere toelichting in de bijlage. Ook worden er een aantal categorieën niet meer opengesteld waarvoor de laatste jaren geen aanvragen zijn gedaan of dit jaar worden verwacht. Dit draagt bij aan het overzichtelijk en uitvoerbaar houden van de SDE++ voor marktpartijen, het PBL en RVO.  Tenslotte worden een aantal andere aandachtspunten en ontwikkelingen toegelicht.

Afbouwen subsidie laagwaardige toepassing biomassa

De afgelopen jaren zijn stappen gezet om de stimulering van laagwaardige toepassingen in de SDE++ af te bouwen, met name voor houtige biomassa. Zo worden er sinds 2017 geen nieuwe subsidies meer afgegeven voor bij- en meestook van biogrondstoffen. Per 2022 worden er ook geen nieuwe subsidies meer afgegeven voor de opwek van lage temperatuurwarmte (<100°C) met houtige biogrondstoffen. Het verstrekken van subsidie voor de toepassing van warmte in de glastuinbouw en stadsverwarming met houtige biogrondstoffen zijn per 2023 beëindigd. Bij het gecombineerd opwekken van warmte en elektriciteit door verbranding en vergassing van biogrondstoffen is voor nieuwe beschikkingen de productie van elektriciteit per 2024 uitgesloten van subsidie. Hierdoor is het aantal SDE++ aanvragen voor verbranding van biomassa in de SDE++ de afgelopen jaren al sterk afgenomen.

In lijn met het beleid voor biogrondstoffen zoals uiteengezet in de Kamerbrief van december 20241 is voor de SDE++ 2026 onderzocht of verdere afbouw opportuun is. De conclusie is dat verdere afbouw op dit moment niet wenselijk is. De resterende SDE++-categorieën voor de inzet van biogrondstoffen zijn vooral gericht op overbruggingstoepassingen of betreffen toepassingen waarbij de kans beperkt wordt geacht dat deze inzet momenteel ten koste gaat van hoogwaardigere toepassingen. In lijn met het Duurzaamheidskader biogrondstoffen worden overbruggingstoepassingen gezien als inzet van biogrondstoffen waar voorlopig onvoldoende duurzame alternatieven beschikbaar zijn. Verdere afbouw zou vooral het risico met zich meebrengen dat biogrondstoffen onbenut blijven en dat wordt overgestapt op fossiele alternatieven voor de productie van warmte. Voor de toekomst blijft worden onderzocht wanneer verdere afbouw gewenst is. Daarnaast wordt in het reguliere SDE++-proces en de jaarlijkse marktconsultatie bekeken of er mogelijkheden zijn om via de regeling hoogwaardigere toepassingen te versnellen.

Tot slot

De continuïteit van de SDE++ is cruciaal voor de verdere uitrol van grootschalige projecten in de energietransitie en ondersteunt ondernemers om hieraan bij te dragen door middel van duurzame bedrijfsvoering. De beleidsvoornemens worden uitgewerkt in de SDE++-regeling, waarvan het voornemen is om deze voor de zomer vast te stellen en in de Staatscourant te publiceren. 

Sophie Hermans

Minister van Klimaat en Groene Groei


Bijlage 1 – Toelichting op kernbesluiten SDE++ 2026

Nieuwe categorieën 2026

Zon-PV langs wegen en spoor

Het PBL heeft advies uitgebracht voor een nieuwe categorie zon-PV langs wegen en spoor. Het gaat hierbij om zon-PV-projecten die direct aangrenzend aan een (spoor)weg worden gerealiseerd en die hierdoor te maken hebben met hogere kosten door gestuurde boringen, verkeers(veiligheids)maatregelen en tijdelijke toegangswegen. Deze categorie ondersteunt de afspraak uit de aangescherpte voorkeursvolgorde zon om zonnepanelen op onbenutte gronden binnen en buiten bebouwd gebied te stimuleren (Kamerstuk 32 813, nr. 1310).

Levensduurverlenging ketel op B-hout ≥ 5 MW

Er zijn in Nederland een aantal met B-hout gestookte elektriciteitscentrales die in de loop der tijd zijn omgebouwd tot gecombineerde opwekcentrales die ook warmte leveren. De huidige beleidsinzet biogrondstoffen, in het bijzonder het afbouwpad houtige biomassa geeft aan dat verbranding van biomassa ten behoeve van elektriciteitsproductie niet wenselijk is (Kamerstuk 32 813, nr. 1039). De productie van stoom ten behoeve van een industrieel proces is een overbrugginstoepassing. In deze categorie is daarom dat deel van de installatie dat warmte produceert subsidiabel voor levensduurverlenging.  Het gaat daarbij om warmte voor een industriële toepassing en niet voor gebruik in warmtenetten.

Categorieën met een hoge-temperatuur-warmtepomp

Het PBL heeft in haar advies verschillende categorieën voor de toepassing van hoge-temperatuur-warmtepompen opgenomen. Dit type warmtepompen verschilt van de bestaande categorieën, doordat ze gericht zijn op het maken van warmte van ten minste 100 graden Celsius. Grootschalige warmtenetten maken vaak gebruik van stooklijnen met temperaturen van boven de 100 graden Celsius om voldoende transportcapaciteit van warmte te kunnen realiseren. Om deze, vaak fossiel gestookte, warmtenetten te kunnen verduurzamen zijn duurzame hoge-temperatuur-warmtebronnen nodig. Tegelijkertijd is het voornemen ook de stimulering van dit type projecten minder op temperatuur en meer op toepassing te gaan baseren. Er wordt daarom in de uitwerking van de regelgeving gekeken hoe deze categorieën zoveel mogelijk kunnen worden meegenomen, zonder daarmee de regeling voor 2026 complexer te maken.

Procesgeïntegreerde warmtepomp zonder procesaanpassingen

PBL adviseert de methodiek van procesgeïntegreerde warmtepompen in een verdampingsproces toe te passen op de huidige categorie voor open warmtepompen. In de huidige methodiek van de categorie open industriële warmtepompen gaan we – net als bij gesloten systemen – uit van ongebruikte restwarmte, waardoor dergelijke projecten, door de hoge prestatiecoëfficient (hierna: COP) van de warmtepomp zelf, niet in aanmerking komen voor subsidie. Er zijn in deze categorie sinds de eerste openstelling in 2020 slechts enkele aanvragen geweest. De huidige systematiek sluit daarmee onvoldoende aan op open warmtepompen die in bestaande installaties worden geïntegreerd en wel degelijk een onrendabele top hebben.

Binnen de SDE++ bestaat sinds 2024 een categorie voor procesgeïntegreerde warmtepompen in een verdampingsproces. In tegenstelling tot bestaande categorieën industriële warmtepompen, is voor procesgeïntegreerde warmtepompen de warmte-uitvoer van de warmtepomp zelf niet gelijk aan de nettoreductie van fossiel opgewekte warmte. Daarom wordt voor procesgeïntegreerde warmtepompen uitgegaan van de reductie van fossiel geproduceerd warmtegebruik voor het gehele systeem (systeem-COP), als gevolg van integratie van de warmtepomp.

De meeste warmtepompen in deze categorie zijn open warmtepompen en de meeste open warmtepompsystemen vallen onder deze categorie. Maar er kunnen ook projecten zijn waarbij een open warmtepomp wordt ingepast in een bestaande installatie zonder procesaanpassingen, die wel een onrendabele top hebben. Hoewel de warmtepompen bij dit soort projecten door de kleine temperatuursprong wel een hoge efficiëntie kunnen bereiken, kan de reductie van de fossiel opgewekte warmte bij inpassing in bestaande installaties voor het gehele systeem lager uitvallen.

Door de methodiek van procesgeïntegreerde warmtepompen – waarbij de volledige warmtehuishouding van het systeem wordt meegenomen – ook toe te passen op open warmtepompen die in bestaande verdampingsprocessen worden geïntegreerd zonder dat daarvoor significante aanpassingen aan de procesinstallaties nodig zijn, kunnen deze projecten passender worden gestimuleerd.

Procesgeïntegreerde  warmtepomp met laag dauwpunt

Zoals hierboven reeds beschreven wordt in de categorie procesgeïntegreerde warmtepompen uitgegaan van een generieke warmtebesparingscoëfficiënt (systeem-COP) in plaats van de COP van de warmtepomp zelf. Het PBL constateert op basis van de marktconsultatiereacties dat deze referentiewaarde nog onvoldoende aansluit bij de projecten in ontwikkeling. Enerzijds zijn er projecten met een systeem-COP ruim boven de referentiewaarde, waardoor de subsidiabele warmtebesparing lager uitkomt dan in het project kan worden gerealiseerd. Anderzijds zijn er projecten die niet aan de minimumwaarde voor systeem-COP kunnen voldoen. Dit laatste speelt bijvoorbeeld in de papierindustrie, waarbij het temperatuurverschil tussen de warmtebron, waterdamp uit een papiermolen, en de doeltemperatuur relatief hoog is, met lagere COP-waardes tot gevolg.

Om een betere aansluiting te vinden voor beide groepen projecten, volgen we het advies van PBL om een nieuwe subcategorie open te stellen voor procesgeïntegreerde warmtepompen in verdampingssystemen met een laag dauwpunt en wordt daarnaast de referentie voor de systeem-COP voor de bestaande categorie procesgeïntegreerde warmtepompen met procesaanpassingen verhoogd.

CCS met koolstofarme waterstof

Het PBL heeft advies uitgebracht voor twee nieuwe categorieën voor CCS met de omzetting van restgassen in koolstofarme waterstof. De SDE++ bevat reeds een categorie om restgassen die vrijkomen bij industriële processen middels een nieuwe ATR-installatie om te zetten in koolstofarme waterstof. Die wordt vervolgens gebruikt om diezelfde industriële processen te verduurzamen. Uit de marktconsultatie blijkt dat er ook interesse is om deze techniek toe te passen bij bestaande installaties voor steam methane reforming (hierna: SMR). Door de openstelling van deze categorie wordt het extra verduurzamingspotentieel benut. Daarnaast heeft het PBL in het advies een categorie opgenomen voor de omzetting van restgassen in koolstofarme waterstof voor projecten die reeds een bestaande SMR én een bestaande CO2-afvanginstallatie hebben. Wanneer er sprake is van een (deels) reeds bestaande installatie is het voor het verstrekken van subsidie van belang dat er bij het verstrekken van subsidie een stimulerend effect is en dat de installatie onrendabel is en met de huidige financiële situatie niet voortgezet kan worden. Het voornemen is om deze categorie open te stellen, maar dit is wel onder de voorwaarde dat dit inpasbaar is volgens de regelgeving. 

Direct Air Capture in combinatie met CCS en bij CO2-infrastructuur

DAC is een technologie, waarbij CO2 wordt afgevangen uit omgevingslucht. Sinds 2025 wordt DAC meegenomen voor toepassingen bij CCU in de glastuinbouw. Vanaf de komende openstellingsronde is het ook mogelijk om DAC in te zetten voor CCS (8.000 vollasturen). Daarnaast is beoogd om de bestaande categorie ook te gebruiken voor DAC bij CO2-infrastructuur.

CCS met CO2-opslag in het buitenland

Op 6 juni 2025 is de Tweede Kamer eerder geïnformeerd over CO2-opslag in het buitenland en de afhandeling van de motie van leden Postma en Kröger hierover (Kamerstuk 31 329, nr. 424). Hierbij is toegelicht dat is gebleken dat het opnemen van een beperking ten aanzien van CO2-opslag in de Europese Economische Ruimte een ongeoorloofde beperking voor het vrije handelsverkeer zou betreffen. Subsidie voor CO₂-opslag in het buitenland zal alleen beschikbaar zijn voor bedrijven die CO₂ reduceren in Nederland. De CO₂-reductie wordt dus niet toegeschreven aan het land waar de CO₂ wordt opgeslagen. Zoals toegezegd, wordt met het oog op een passende stimulering de geschiktheid van de CCS-basisbedragen voor CO₂-opslag in het buitenland inmiddels extern onderzocht. Dat onderzoek zal in het voorjaar gereed zijn. Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek kan er aanleiding zijn om nadere differentiatie aan te brengen in de basisbedragen voor CO2-opslag.

Categorieën die in 2026 niet worden opengesteld

Categorieën zonder aanvragen en/of marktinteresse

Er zijn verschillende categorieën waar in de afgelopen drie jaar geen aanvragen voor zijn ingediend. Conform de uitgangspunten van de SDE++ brengt het PBL dan geen advies uit op deze categorieën, totdat de markt hier wederom interesse voor toont. Het gaat dan om de categorieën: 

  • zon-PV ≥ 20 MWp, zonvolgend op land natuurinclusief; 

  • zon-PV ≥ 1 MWp, zonvolgend op water; 

  • zon-PVT systeem, verwarming gebouwen in gebouwde omgeving; 

  • waterkracht: valhoogte < 50 cm; 

  • compostering; 

  • technologie-neutrale drop-in-diesel- en -benzineproductie; 

  • bio-ethanol uit lignocellulosehoudende grondstoffen en 

  • bio-LNG uit monovergisting van mest. 

In eerdere jaren werd voor verbranding van biomassa een staffel aangehouden voor het aantal vollasturen. Deze is ten behoeve van de vereenvoudiging van de regeling en verbetering van de uitvoerbaarheid vervallen. Het aantal vollasturen wordt nu vastgesteld op 7.000 uur.   

Warmte uit ijzerpoeder

Warmte uit ijzerpoeder is een alternatieve manier van warmtelevering. IJzerpoeder kan worden vervoerd per as of per binnenvaartschip en heeft geen grote hoeveelheden waterstof of elektriciteit nodig op de locatie waar de warmtebehoefte is. Het PBL adviseert echter om geen categorie voor warmte uit ijzerpoeder op te nemen. Er zijn knelpunten bij het vaststellen van de additionaliteit van de emissiereductie. Daarnaast is de productie van ijzerpoeder voor verbranding in een boiler een gepatenteerde technologie die slechts door één aanbieder aangeboden wordt. Dit is strijdig met het uitgangspunt dat meerdere technologieaanbieders in aanmerking moeten kunnen komen.

Elektrificatie van offshore productieplatforms met aansluiting net op zee of met toegewijde solitaire windturbines

Het PBL heeft net als afgelopen jaren geadviseerd over de elektrificatie van offshore gas- en olieplatforms. Onder het elektrificeren van offshore olie- en gasproductieplatforms verstaan we de vervanging van fossiel gedreven eenheden door elektrische eenheden voor de productie van elektriciteit, warmte en kracht. In het advies voor 2026 behandelt het PBL drie potentiële varianten: offshore platforms die worden aangesloten op het net op zee (aparte categorieën voor bestaande of nieuwe platforms) en verder afgelegen offshore platforms die worden aangesloten op nieuw te installeren toegewijde windturbines. Voorgaande jaren is deze categorie niet opengesteld vanwege onzekerheden over de aansluiting op het net op zee en de transporttarieven voor afnemers op zee en voor de variant met toegewijde windturbines vanwege het benodigde juridische kader. 

Door de inwerkingtreding van de Energiewet (en tariefvoorstel ACM) en de verzamelwet KGG 2025 is per 1 januari een deel van deze onzekerheden weggenomen. Desondanks blijft de categorie in vergelijking met andere categorieën complex en ongelijksoortig. Dat komt met name doordat de productie-installatie op zee staat en de logische looptijd van een subsidie samenhangt met de levensduur van het platform. Om die reden is er een extra rondvraag aan de sector gedaan in hoeverre er in de markt interesse is in de betreffende categorie. Hieruit is gebleken dat er op dit moment geen concrete projecten zijn met interesse om een aanvraag in te dienen tijdens de openstelling van 2026. Er is daarom besloten om de aandacht te richten op de uitwerking van categorieën waar wel mogelijk aanvragen worden verwacht en deze categorie niet open te stellen. Indien marktpartijen in de toekomst wel interesse hebben om een offshore-productieplatform te elektrificeren, dan kunnen zij zich melden bij de marktconsultatie van de SDE++, die als onderdeel van het adviestraject van het PBL elk voorjaar wordt gehouden voor de SDE-openstellingsronde in het daaropvolgend jaar.  

Overige aandachtspunten en ontwikkelingen

Eis maximale CO2-voetafdruk van zonnepanelen

De productie van zonnepanelen is, met name door het energie-intensieve proces van opwaardering van silicium, potentieel zeer CO2-intensief. De CO2-voetafdruk van zonnepanelen is afhankelijk van verschillende factoren, zoals de elektriciteitsmix bij de productie, efficiëntie van de productie en materiaalgebruik. Om de totale CO2-reductie van een zon-PV project over de looptijd te borgen en te beantwoorden aan duurzaamheidseisen uit de Net Zero Industry Act, wordt in de SDE++ 2026 een voorwaarde opgenomen bij alle zon-PV categorieën om bij de realisatie van het project zonnepanelen te gebruiken met een maximale CO2-voetafdruk van 550 kg/kWp. Dit wordt aangetoond met een certificaat dat is afgegeven volgens de methodiek van EPD Norge. 

Natuurinclusieve zon-PV -op-land

In de komende openstellingsronde is beoogd om aanvragers aanvullende mogelijkheden te geven om aan te tonen dat hun project voor zon-PV-op-land natuurinclusief is. Dit kan dan naast de bestaande voorwaarden door middel van een onafhankelijk label dat na zorgvuldig onderzoek en samenwerking tussen de wetenschap en marktpartijen tot stand is gekomen. Men kan dan denken aan het EcoCertified Solar Parks label, dat afgelopen jaar is gelanceerd.

Zon op zee binnen categorie zon-PV drijvend

In de marktconsultatie is interesse getoond voor het opwekken van hernieuwbare elektriciteit door zon-PV op zee. Het PBL heeft in het advies aangegeven dat een aparte categorie in de SDE++ op dit moment nog niet haalbaar is, maar adviseert om toe te staan dat initiatieven voor zon-op-zee kunnen indienen in de bestaande categorieën voor zon-PV drijvend op water. Dit advies wordt overgenomen.  

Transportindicatie en nettarieven

Uit onderzoek van de RVO blijkt dat veel zon-PV projecten die een transportindicatie hebben gekregen bij de realisatie van het project toch aanlopen tegen de belemmeringen van netcongestie en geen aansluiting kunnen krijgen. In samenwerking met de netbeheerders en de zon-PV-sector wordt daarom onderzocht of de transportindicatie verbeterd kan worden, zodat het beter de beschikbaarheid van netcapaciteit reflecteert. Een mogelijke verbetering zou zijn om (een deel van) de wachtrij bij de beoordeling van beschikbare netcapaciteit een rol te laten spelen. Het is daarom wenselijk als partijen die een project bij de netbeheerder in de wachtrij hebben staan dat niet tot realisatie zal komen dit project actief uit de wachtrij terugtrekken. Dit draagt eraan bij dat netbeheerders een meer betrouwbare inschatting kunnen maken van de beschikbare netcapaciteit. 

In de Kamerbrief van 21 november 2025 over de Toekomst van de SDE++ is het kabinet ingegaan op de mogelijkheden om subsidiebeschikkingen te corrigeren voor veranderingen in nettarieven (Kamerstuk 31 239, nr. 439). Inmiddels is er gestart met een verkenning, waarbij de invloed op de uitvoerbaarheid van de SDE++, de budgettaire gevolgen en de mogelijke impact op netcongestie worden meegewogen. De uitkomsten van deze verkenning kunnen naar verwachting medio 2026 met uw Kamer worden gedeeld. 

De categorieën voor flexibele elektrificatie zoals elektrische boilers worden opengesteld onder dezelfde randvoorwaarden als vorig jaar. Voor de SDE++ 2027 zal worden gekeken hoe dit type projecten passend kan worden gestimuleerd, rekening houdend met de ontwikkeling van contractvormen om slimmer netgebruik mogelijk te maken en de beperkte beschikbaarheid daarvan.

Uitgestelde levering 

De afgelopen tijd is onderzocht of het wenselijk en mogelijk is om hernieuwbare elektriciteit die, door middel van opslag, uitgesteld aan het net wordt geleverd te subsidiëren. Deze maatregel kan opslag stimuleren en de impact van negatieve prijsmomenten op de businesscase verminderen. Helaas is gebleken dat het op dit moment nog niet uitvoerbaar is om uitgestelde levering te subsidiëren, omdat relevante, betrouwbare data ontbreekt. Het ministerie is in gesprek met de sector, netbeheerders en de RVO om te onderzoeken of dit in de toekomst wel mogelijk is.  

Zeefstudie CCS

CE Delft heeft de zogenoemde “zeefstudie” voor CCS uitgevoerd (zie bijlage). In het Klimaatakkoord is afgesproken dat subsidiëring van CCS niet ten koste mag gaan van de ontwikkeling van duurzame energietechnieken. De zeefstudie heeft als doel om te bepalen of er alternatieve CO2-reducerende maatregelen zijn waarvan de kosteneffectiviteit vergelijkbaar is met die van CCS, om zo te bepalen of stimulering van CCS middels de SDE++passend is. Het onderzoek geeft geen aanleiding tot het uitsluiten van gehele CCS-categorieën in de SDE++ van 2026 en 2027. Wel toont het onderzoek aan dat voor enkele specifieke processen, namelijk het indampen van waterige oplossingen en de productie van lage-temperatuur-stoom, duurzame kosteneffectieve alternatieven voorhanden zijn. Het voornemen is daarom om het in de 2026-ronde niet meer mogelijk te maken om voor deze processen CCS-subsidie te ontvangen

ETS2

In de Europese Raad is besloten dat de start van het EU-emissiehandelssysteem voor gebouwen, wegvervoer en aanvullende sectoren – ETS2 – in 2028 zal starten. Aanvragers in de SDE++ kunnen gekort worden op hun subsidie als ze leveren aan sectoren die onder het ETS2 vallen zodra ETS2 in werking is getreden. De wijze waarop de correctie voor ETS2 in de SDE++ wordt vormgegeven wordt op korte termijn uitgewerkt. Bij de rangschikking van aanvragen wordt rekening gehouden met vermeden kosten die samenhangen met ETS2.

Internationale handel garanties van oorsprong per 1 juli 2026 

In 2025 is de Europese norm voor de nadere invulling van de voorwaarden voor de uitgifte van garanties van oorsprong aangenomen (EN 16325:2025). In artikel 19, zesde lid, van de Europese Richtlijn hernieuwbare energie (Richtlijn (EU) 2018/2001) wordt voorgeschreven dat de vereisten die lidstaten opleggen in overeenstemming zijn met deze norm. Onderdeel van de aangepaste norm is dat garanties van oorsprong niet mogen worden geïmporteerd door of geëxporteerd naar andere bestemmingen dan een aangewezen uitgifte-instantie voor garanties van oorsprong. Doordat de norm geen specifieke inwerkingsdatum kent en om niet in te grijpen in bestaande situaties zal de norm op dit punt vanaf 1 juli 2026 worden gehanteerd. Dit kan in de praktijk gevolgen hebben. Op dit moment worden bijvoorbeeld garanties van oorsprong geëxporteerd naar Duitsland aan de Deutsche Energie-Agentur. Zo lang een dergelijke partij niet door de lidstaat als uitgifte-instantie is aangewezen is een dergelijke export niet langer mogelijk.


  1. kamerstuk 32813, nr. 1462↩︎