[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Ontwikkelingen rond rapportages onder mensenrechtenverdragen

Mensenrechten in Nederland

Brief regering

Nummer: 2026D07453, datum: 2026-02-16, bijgewerkt: 2026-02-20 13:16, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 33826 -57 Mensenrechten in Nederland.

Onderdeel van zaak 2026Z03341:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Met deze brief geeft het kabinet invulling aan de toezegging om uw Kamer jaarlijks te informeren over rapportages onder mensenrechtenverdragen, vorig jaar gedaan in reactie op het jaarrapport van het College voor de Rechten van de Mens 2022.

De brief biedt een samenhangend overzicht van ontwikkelingen op dat terrein, langs de lijn van de op dat moment lopende rapportagecycli. De brief vormt daarmee een aanvulling op de reeds bestaande informatievoorziening over de verdragsrapportages vanuit de verantwoordelijke vakdepartementen en heeft tot doel de dialoog met het parlement over mensenrechten te versterken.1

De brief is opgesteld door het interdepartementale netwerk van verdragscoördinatoren, dat bestaat uit vertegenwoordigers van de volgende ministeries: ministerie van Justitie en Veiligheid, ministerie van Asiel en Migratie, ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, ministerie van Buitenlandse Zaken en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft de totstandkoming van de brief gecoördineerd; de verzending ervan geschiedt mede door de Minister van Buitenlandse Zaken.

Voordat in deze brief wordt ingegaan op de ontwikkelingen rond lopende rapportagecycli, wordt eerst stilgestaan bij de totstandkoming van het interdepartementale netwerk van verdragscoördinatoren. De oprichting van dit netwerk vormt een eerste stap in het versterken van de infrastructuur binnen de Rijksoverheid rond verdragsrapportageprocessen. Vervolgens wordt een overzicht gegeven van de mensenrechtenverdragen met rapportageverplichtingen waarbij het Koninkrijk der Nederlanden (hierna het Koninkrijk) is aangesloten. Daarna worden enkele ontwikkelingen en activiteiten toegelicht die het afgelopen jaar hebben plaatsgevonden of gepland stonden. Deze hebben betrekking op het Internationaal Verdrag van de Verenigde Naties (hierna VN) voor Economische, Sociale en Culturele Rechten (hierna IVESCR), het Verdrag van de VN inzake de Rechten van het Kind (hierna VN-Kinderrechtenverdrag), het Verdrag van de VN inzake de Uitbanning van alle Vormen van Discriminatie van Vrouwen (hierna CEDAW), Verdrag van de VN inzake de Rechten van Personen met een Handicap (hierna VN-Verdrag Handicap) en het Verdrag van de Raad van Europa (hierna RvE) inzake het Voorkomen en Bestrijden van Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk geweld (hierna Verdrag van Istanbul).

Interdepartementaal netwerk van verdragscoördinatoren

In Nederland worden de voorbereidingen van rapportages onder mensenrechtenverdragen en de opvolging van aanbevelingen georganiseerd binnen een interministerieel systeem. Dit systeem kenmerkt zich door verspreiding van verantwoordelijkheden over verschillende ministeries. Dit betekent dat een verdragsrapportage inhoudelijk wordt voorbereid door het ministerie dat verantwoordelijk is voor het beleidsterrein waarover wordt gerapporteerd. De opvolging van aanbevelingen wordt eveneens beschouwd als een verantwoordelijkheid van de respectieve ministeries die verantwoordelijk zijn voor de beleidsterreinen waarop de aanbevelingen betrekking hebben.

In de kabinetsreactie op het jaarrapport van het College voor de Rechten van de Mens werd geconstateerd dat er binnen dit interministeriële systeem ruimte was om tot meer en sterkere coördinatie en daarmee een vastere (infra)structuur te komen. Om dit te bewerkstelligen is in oktober 2024 het interdepartementale netwerk van verdragscoördinatoren opgericht. Het netwerk fungeert als een structureel samenwerkingsmechanisme binnen het interministeriële systeem en bestaat uit vertegenwoordigers van de verschillende ministeries die betrokken zijn bij verdragsrapportages.2 De belangrijkste doelstellingen van het netwerk zijn het versterken van de coördinatie en kennisdeling tussen ministeries en andere betrokken partijen, het bevorderen van een uniforme en gestructureerde aanpak van het rapportageproces en het stimuleren van een dialoog over de mensenrechten in Nederland en de implementatie van aanbevelingen.

Om deze doelstellingen handen en voeten te geven, heeft het netwerk het afgelopen jaar gewerkt aan een interne handreiking voor omgang met rapportages onder mensenrechtenverdragen. De handreiking bevat informatie en praktische handvatten voor Rijksambtenaren die betrokken zijn bij verdragsrapportages.3 Zo wordt in de handreiking het internationaal systeem van toezicht op mensenrechtenverplichtingen beschreven, informatie verstrekt over de processtappen voor de voorbereiding van rapportages, ingegaan op consultatie van het maatschappelijk middenveld en is aandacht voor de wijzen waarop het systeem van monitoring van opvolging van aanbevelingen kan worden ingericht. De handreiking beschrijft ook wanneer en hoe de Caribische delen van het Koninkrijk worden betrokken bij deze processen. De handreiking is in september 2025 vastgesteld en is inmiddels in gebruik.

Mensenrechtenverdragen met rapportageverplichtingen

Het Koninkrijk is partij bij verschillende mensenrechtenverdragen van de RvE en de VN.4 Veel van deze mensenrechtenverdragen kennen een rapportageverplichting op grond waarvan het Koninkrijk verplicht is om periodiek verslag uit te brengen aan de betreffende verdragscomités over de wijze waarop het zijn verdragsverplichtingen naleeft. Deze rapportages vormen de basis voor een beoordeling door het verantwoordelijke verdragscomité. De procedures en termijnen verschillen per verdrag maar het rapportageproces omvat vaak een aantal overeenkomende kernelementen, waaronder het indienen van een rapportage door de verdragsstaat ongeveer iedere 4 – 6 jaar, het voeren van een dialoog met het verdragscomité en de opvolging en implementatie van aanbevelingen gedaan door het verdragscomité.5

Overzicht

Verdrag VN/RvE Laatste staten-rapport Coördinerend Ministerie
Herziene Europees Sociaal Handvest RvE 2022 SZW
Kaderverdrag inzake de Bescherming van Nationale Minderheden RvE 2021 BZK
Verdrag inzake het Voorkomen en Bestrijden van Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk geweld RvE 2024 VWS
Europees Verdrag ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling RvE 2022 JenV
Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten VN 2023 JenV
Internationaal Verdrag voor Economische, Sociale en Culturele Rechten VN 2022 SZW
Verdrag tegen Foltering en andere Wrede, Onmenselijke en Onterende Behandeling of Bestraffing VN 2023 JenV
Verdrag inzake de Rechten van het Kind VN 2021 VWS
Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap VN 2018 VWS
Internationaal Verdrag inzake de Uitbanning van alle Vormen van Rassendiscriminatie VN 2019 SZW
Verdrag inzake de Uitbanning van alle Vormen van Discriminatie van Vrouwen VN 2022 OCW

Ontwikkelingen en activiteiten ten aanzien van lopende rapportagecycli

Sinds het uitkomen van de kabinetsreactie op het jaarrapport van het College voor de Rechten van de Mens op 16 augustus 2024, hebben ten aanzien van een vijftal lopende rapportagecycli noemenswaardige ontwikkelingen en activiteiten plaatsgevonden. Deze worden hieronder achtereenvolgens kort toegelicht.

Rapportage en dialoogsessie IVESCR

In het kader van de periodieke rapportagecyclus onder het IVESCR heeft het Koninkrijk in 2022 zijn laatste rapportage ingediend.6 Naar aanleiding van de rapportage heeft het comité schriftelijke vragen gesteld waarop het Koninkrijk in november 2024 heeft gereageerd.7 De schriftelijke vragen betroffen thema’s zoals armoede, discriminatie, gendergelijkheid, kwaliteit van gezondheidszorg, asiel- en arbeidsmigratie, vakbondsrechten, gezond en veilig werken en de rechten van nationale minderheden. Gedurende de rapportagecyclus hebben verschillende maatschappelijke organisaties (waaronder het College voor de Rechten van de Mens en vakbonden) zogenoemde ‘’schaduwrapportages’’ gedeeld met het IVESCR-verdragscomité. In het voorjaar van 2025 hebben ambtenaren van verschillende ministeries deelgenomen aan een consultatie met maatschappelijke organisaties over de door hen ingediende rapportages, mede ter voorbereiding op de toen naderende dialoogsessie met het IVESCR-verdragscomité.

De betreffende dialoogsessie vond plaats op 16 en 17 september jl. in Genève en verliep is op constructieve wijze. Een brede delegatie van Nederlandse ambtenaren nam hieraan deel. Binnen het rapportageproces vormt de dialoogsessie de laatste stap voordat het verantwoordelijke verdragscomité zijn lijst met aanbevelingen aan de verdragsstaat vaststelt en deelt. Deze lijst is in de eerste week van oktober ontvangen en is als bijlage bij deze brief gevoegd. De lijst bevat aanbevelingen op de werkterreinen van vrijwel ieder departement, met een nadruk op de bevordering van de verdragsrechten in het Caribisch deel van het Koninkrijk, in het bijzonder Caribisch Nederland.8 De aanbevelingen zien onder andere op de aanpak van discriminatie en recht op sociale zekerheid, werk, huisvesting, gezondheidszorg en onderwijs. Opvallend is de aandacht van het verdragscomité voor financiële onderwerpen, zoals belastingen, anti-witwasbeleid en internationale financiële instellingen.

Met ontvangst van de aanbevelingen breekt de fase van opvolging daarvan aan. In dat kader wordt voorzien in een consultatie met het maatschappelijk middenveld over de ontvangen aanbevelingen en wordt een reactie op de aanbevelingen voorbereid. Deze reactie zal onder een volgend kabinet aan uw Kamer worden gestuurd.

Kinderrechtencyclus

In 2022 heeft het toenmalige kabinet, naar aanleiding van de laatste dialoog met Nederland bij het VN-Kinderrechtencomité, toegezegd een jaarlijkse kinderrechtencyclus in te richten om de opvolging van de aanbevelingen over kinderrechten te versterken met structurele betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld, in het bijzonder de betrokkenheid van kinderen en jongeren.9 De jaarlijkse kinderrechtencyclus bestaat uit drie onderdelen: 1) de beleidsanalyse Kinderrechten in Beweging,10 waarin het Kinderrechtencollectief de stand van zaken op tien domeinen schetst, 2) de Kinderrechtenconferentie, waarin kinderen aanbevelingen formuleren en leren over hun rechten en 3) de Kinderrechtendialoog, waarin deze aanbevelingen en analyses met beleidsmakers en maatschappelijke organisaties worden besproken.

Op 7 april 2025 vond in Utrecht de derde editie van de Nationale Kinderrechtendialoog plaats. Deze dag stond in het teken van ontmoeting, reflectie en actie. Voorafgaand aan de dialoog vond op 20 november 2024 de kinderrechtenconferentie plaats. Hier formuleerden zo’n vijftig kinderen van groep 7 en 8 van verschillende basisscholen in Nederland aanbevelingen op de thema’s discriminatie, (online) veilig opgroeien en armoede. Tijdens de conferentie zijn deelnemers in tien thematafels aan de slag gegaan met het formuleren van concrete acties, gericht op opvolging en implementatie van de aanbevelingen van het VN-Kinderrechtencomité én de kinderen. De cyclus is inmiddels drie keer doorlopen. De meerwaarde van een jaarlijkse cyclus zit naar mening van het kabinet in de herhaling, de verbinding tussen de drie onderdelen en de gezamenlijke reflectie. Tegelijkertijd wordt de cyclus doorontwikkeld. Dit najaar wordt in dat kader met verschillende ministeries, kinderrechtenorganisaties en jongeren gereflecteerd op mogelijkheden om de cyclus te versterken.

CEDAW-dialoogsessie

De dialoogsessie in het kader van het CEDAW, aanvankelijk voorzien in oktober 2025, is uitgesteld tot 6 februari 2026. Dit vanwege de financiële crisis binnen de VN, waardoor niet voldoende middelen beschikbaar zijn om alle sessies te laten plaatsvinden zoals oorspronkelijk gepland. Deze dialoogsessie is al twee keer uitgesteld. De sessie zal plaatsvinden naar aanleiding van de zevende periodieke rapportage van het Koninkrijk.11

Op basis van de eerder toegestuurde lijst met vragen van het desbetreffende verdragscomité, de schaduwrapportages van het maatschappelijk middenveld en de aanbevelingen die naar aanleiding van de vorige CEDAW-dialoogsessie in 2026 zijn gedaan, is de verwachting dat het verdragscomité tijdens de dialoogsessie aandacht zal hebben voor thema’s zoals de aanpak van gendergerelateerd geweld, de uitbanning van genderstereotypen en stereotiepe rolpatronen, de bevordering van economische zelfstandigheid en de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt, de positie van vrouwelijke mensenrechtenverdedigers en ngo’s en de verankering van het CEDAW in nationale wetgeving.

Ontvangst aanbevelingen VN-Verdrag Handicap

Op 11 juli 2025 heeft de staatssecretaris voor Langdurige en Maatschappelijke Zorg aan de Tweede Kamer de Werkagenda bij het VN-Verdrag Handicap aangeboden.12 De inhoud van deze werkagenda is mede gebaseerd op de aanbevelingen die het verdragscomité bij het VN-Verdrag Handicap in september 2024 heeft gedaan. Met de werkagenda wordt niet in één keer opvolging gegeven aan alle aanbevelingen, maar worden wel belangrijke eerste stappen gezet. In de bijlage bij de werkagenda staat welke aanbevelingen van het VN-comité zijn vertaald naar maatregelen in de werkagenda. Zo zijn er maatregelen opgenomen om inclusieve kinderopvang en inclusief onderwijs te verbeteren (aanbeveling 54 van het verdragscomité). Ook is opgenomen dat het ministerie van VWS onderzoekt hoe curatoren, professionele bewindvoerders en mentoren die werken onder het toezicht van de rechtspraak, ofwel CBM-dienstverleners, meer ondersteunde besluitvorming zouden kunnen toepassen (aanbeveling 30b van het verdragscomité). Aanvullende maatregelen zullen worden opgenomen in toekomstige werkagenda’s tot 2040.

De komende vijf jaar wordt de uitvoering van de werkagenda nauwlettend gevolgd: betrokken bewindspersonen komen in dat kader jaarlijks bijeen, directeuren-generaal komen tweemaal per jaar bijeen en de voortgang van zowel de werkagenda als de nationale strategie wordt systematisch gemonitord.13 Om vast te stellen of aanpassing van wet- en regelgeving vereist is om de gestelde doelstellingen te realiseren, worden daarnaast ook juridische analyses uitgevoerd door VWS.

Ontvangst aanbevelingen Verdrag van Istanbul

Op 10 juli 2025 heeft Nederland het rapport over de eerste thematische evaluatie van de naleving van het Verdrag van Istanbul ontvangen. Dit verdrag van de RvE richt zich op het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Het evaluatierapport, getiteld Building trust by delivering support, protection and justice, is als bijlage bij deze brief gevoegd. Het rapport is opgesteld door de Group of Experts on Action against Violence against Women and Domestic Violence (hierna GREVIO), een commissie bestaande uit onafhankelijke experts die namens de RvE toezicht houdt op de naleving van het verdrag. Het evaluatierapport is gebaseerd op de beantwoording van een vragenlijst door de betrokken departementen, een schaduwrapportage opgesteld door vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en een bezoek van GREVIO aan Nederland waarbij een week lang gesprekken zijn gevoerd met vertegenwoordigers van zowel de betrokken departementen als het maatschappelijk middenveld.

De staatssecretaris voor Langdurige en Maatschappelijke Zorg heeft, mede namens de staatssecretaris voor Justitie en Veiligheid en de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het evaluatierapport inclusief een inhoudelijke reactie op het rapport en de aanbevelingen op 27 november jl. aan uw Kamer gestuurd.14

De bevindingen en aanbevelingen bieden waardevolle aanknopingspunten voor een kritische reflectie op de nationale aanpak en voor verdere verbetering in de bescherming van vrouwen en andere slachtoffers van geweld. Zoals gebruikelijk bij de ontwikkeling van het beleid gericht op het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld wordt het maatschappelijk middenveld geconsulteerd bij de opvolging van de aanbevelingen.

Conclusie

Verdragsrapportages vormen een belangrijk instrument voor de vormgeving van het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Deze boodschap stond centraal in het jaarrapport van het College voor de Rechten van de Mens over het jaar 2022.

Met het oog hierop heeft het kabinet in reactie op het jaarrapport toegezegd uw Kamer jaarlijks te informeren over ontwikkelingen op dat gebied. Dat doet het kabinet met inachtneming van het sturende principe dat aan het Nederlandse mensenrechtenbeleid ten grondslag ligt: de eigen verantwoordelijkheid van vakdepartementen voor het beleidsterrein waarover wordt gerapporteerd.

In deze eerste editie van de jaarlijkse kabinetsbrief is aandacht besteed aan ontwikkelingen en activiteiten met betrekking tot vijf mensenrechtenverdragen. Nederland stelt zich actief op binnen de verschillende rapportageprocessen en de neemt uitkomsten daarvan serieus. Tegelijkertijd onderkent het kabinet dat er ruimte is om de mogelijkheden die verdragsrapportages bieden beter te benutten. Een eerste stap in die richting is vorig jaar gezet met de instelling van het netwerk van verdragscoördinatoren, waarmee betrokken ministeries de coördinatie van de verschillende rapportagewerkzaamheden hebben versterkt.

De Minister van Binnenlandse Zaken De Minister van Buitenlandse Zaken,

en Koninkrijksrelaties,

F. Rijkaart D.M. van Weel


  1. Zie de kabinetsbrief van 16 augustus 2024, Kamerstukken II 2023/24, 33826, nr. 54, p. 5, hier te raadplegen.↩︎

  2. Verdragsrapportages bestrijken niet alleen Nederland maar ook de Caribische landen van het Koninkrijk. Daarom worden ook vertegenwoordigers uit de Caribische landen betrokken bij het werk van het netwerk.↩︎

  3. In de handreiking wordt expliciet benoemd dat de handreiking sturing moet geven aan de wijze waarop ambtenaren in Europees Nederland met de beschreven processen omgaan. Dat neemt niet weg dat de handreiking ook nuttige inzichten kan bieden aan ambtenaren in de Caribische delen van het Koninkrijk.↩︎

  4. Het aangaan van verdragen is een exclusieve bevoegdheid van het Koninkrijk. De Caribische landen binnen het Koninkrijk beslissen echter in beginsel zelf over de medegelding van verdragen voor die landen en zijn, indien er sprake is van medegelding, verantwoordelijk voor de implementatie van deze verdragen.↩︎

  5. Rapportages onder het herziene Europees Sociaal Handvest vinden jaarlijks plaats.↩︎

  6. Zevende Periodieke Rapportage inzake de implementatie van het IVESCR-verdrag binnen het Nederlands Koninkrijk (2022), hier te raadplegen.↩︎

  7. Reactie van het Koninkrijk der Nederlanden op de lijst van zaken betreffende haar zevende periodieke rapportage (2024), hier te raadplegen.↩︎

  8. Concluding observations on the seventh periodic report of the Netherlands (2025), hier te raadplegen.↩︎

  9. Zie Mensenrechten in Nederland | Tweede Kamer der Staten-Generaal↩︎

  10. Zie Kinderrechten in Beweging | Kinderrechtencollectief↩︎

  11. Zevende Periodieke Rapportage inzake de implementatie van het CEDAW binnen het Nederlands Koninkrijk (2020), hier te raadplegen↩︎

  12. Kamerstukken II 2024/25, 24170, nr. 362, hier te raadplegen.↩︎

  13. Kamerstukken II 2024/25, 24170, nr. 362, hier te raadplegen.↩︎

  14. Kamerstukken II 2024/25, 28345, nr. 292, hier te raadplegen↩︎