Verslag van een schriftelijk overleg over de voorhang AMvB vernieuwde kerndoelen Nederlands en rekenen en wiskunde (Kamerstuk 31332-110)
Verslag van een schriftelijk overleg
Nummer: 2026D07488, datum: 2026-02-16, bijgewerkt: 2026-02-16 15:19, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: L. Bromet, voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (GroenLinks-PvdA)
- Mede ondertekenaar: A.E.W. Easton, adjunct-griffier
- Aanbiedingsbrief
- Beslisnota bij Kamerbrief Verslag van een schriftelijk overleg over de voorhang AMvB vernieuwde kerndoelen Nederlands en rekenen en wiskunde (Kamerstuk 31332-110)
Onderdeel van zaak 2026Z03351:
- Indiener: K.M. Becking, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- 2026-03-05 10:15: Procedurevergadering Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Procedurevergadering), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Preview document (đ origineel)
31 332 Doorlopende Leerlijnen Taal en Rekenen
Verslag van een schriftelijk overleg
Vastgesteld d.d. âŠ
Binnen de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hebben enkele fracties de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen over de brief van de staatssecretaris d.d. 14 januari 2026 inzake de voorhang AMvB vernieuwde kerndoelen Nederlands en rekenen en wiskunde (Kamerstuk 31332, nr. 110). Bij brief van ... heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap deze beantwoord. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.
De fungerend voorzitter van de commissie
Bromet
Adjunct-griffier van de commissie
Easton
Inhoud
I Vragen en opmerkingen uit de fracties
Inbreng van de leden van de D66-fractie
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
Inbreng van de leden van de JA21-fractie
Inbreng van de leden van de BBB-fractie
II Reactie van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
I Vragen en opmerkingen uit de fracties
Inbreng van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de vernieuwde kerndoelen Nederlands en rekenen/wiskunde. Deze leden steunen deze nieuwe doelen en de spoedige implementatie ervan. Zij hebben momenteel geen verdere vragen.
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met bijzonder veel interesse de voorhang AMvB vernieuwde kerndoelen Nederlands en rekenen en wiskunde gelezen en steunen een voortvarende invoering.
Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de voorhang van de algemene maatregel van bestuur Besluit vernieuwde kerndoelen Nederlands en rekenen en wiskunde. Deze leden hebben hierover de volgende vragen aan de staatssecretaris.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat in de algemene maatregel van bestuur (AMvB) wordt uitgegaan van een inwerkingsperiode van vijf jaar voordat de vernieuwde kerndoelen volledig verplicht worden. Deze leden vragen de staatssecretaris waarom voor een periode van vijf jaar is gekozen. Vijf jaar is binnen een schoolcarriĂšre namelijk ontzettend lang. Kan de staatssecretaris toelichten waarom een kortere periode, bijvoorbeeld drie jaar, niet haalbaar of wenselijk wordt geacht? Welke inhoudelijke, organisatorische of uitvoeringsmatige overwegingen liggen hieraan ten grondslag?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie willen de staatssecretaris er nogmaals op wijzen dat de vorige vernieuwing van het curriculum plaatsvond in 2006. Mochten er scholen zijn die pas in 2031 overgaan op de nieuwe kerndoelen, dan heeft het curriculum dus 25 jaar stilgestaan. Deze leden vragen zich dan ook af hoe deze lange inwerkingsperiode zich verhoudt tot de brede urgentie die juist wordt benadrukt ten aanzien van de vernieuwing van het curriculum; het zou een grote bijdrage kunnen leveren aan de verbetering van de onderwijskwaliteit. Welke waarborgen zijn er dat scholen niet pas aan het einde van de inwerkingsperiode daadwerkelijk met de vernieuwde kerndoelen gaan werken? Daarnaast vragen deze leden hoe er wordt omgegaan met de terechte kritiek van de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) dat de lange inwerkingsperiode ervoor zorgt dat de inspectie voor een heel lange tijd toezicht moet houden op twee verschillende curricula.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie benadrukken dat het slagen van een curriculumherziening valt of staat met een zorgvuldige en realistische implementatie in de onderwijspraktijk. Daarbij is voldoende tijd en ruimte voor leraren cruciaal. Deze leden maken zich zorgen over de werkdruk die gepaard gaat met de invoering van de vernieuwde kerndoelen. Zij constateren dat voor de implementatie in het primair onderwijs wordt uitgegaan van zestien uur per school, terwijl in het voortgezet onderwijs wordt uitgegaan van zestien uur per leraar. Deze leden vragen de staatssecretaris hoe dit grote verschil tussen primair en voortgezet onderwijs te verklaren is, en waarom daarvoor gekozen is. Bedoelt de staatssecretaris hiermee dan de implementatie van de kerndoelen in het voortgezet onderwijs meer aandacht behoeft dan in het primair onderwijs?
Kan de staatssecretaris inzichtelijk maken hoe de implementatie in die zestien uur per school of per leraar kan plaatsvinden? Waarop heeft hij die zestien uur gebaseerd? En klopt het beeld van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat deze zestien uur niet extra is, maar dat het reguliere ontwikkeltijd voor leraren betreft die niet kan worden besteed aan professionalisering op andere vlakken? Wat in de ontwikkeling van leraren kan volgens de staatssecretaris wijken om de scholen zich te laten richten op de implementatie van de kerndoelen? Daarnaast vragen deze leden hoe wordt geborgd dat schoolbesturen daadwerkelijk de benodigde ruimte creëren voor teams om gezamenlijk aan de implementatie te werken en dat deze tijd niet slechts op papier beschikbaar is.
Acht de staatssecretaris het realistisch dat een volledige basisschool de implementatie van vernieuwde kerndoelen kan realiseren met slechts zestien uur in totaal? Hoe verhoudt deze tijdsbesteding zich tot de omvang en complexiteit van de curriculumvernieuwing, zeker in het primair onderwijs waar leraren meerdere vakken geven en kerndoelen integraal moeten worden verwerkt? Is de staatssecretaris het met de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie eens dat zestien uur per school zorgt voor ongelijkheid tussen kleine scholen met weinig leraren en grote scholen met veel leraren? En dat er een ongelijkheid ontstaat tussen scholen met wel of geen lerarentekort? Kan de staatssecretaris de zorgen van deze leden daarover wegnemen?
In het besluit lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat er voor de implementatie van de curriculumherziening in periode van 2025-2028 âŹ23 miljoen wordt vrijgemaakt. Kan de staatssecretaris verhelderen waarom dit geld is gereserveerd voor deze periode, terwijl de periode van inwerkingtreding loopt tot 2031? Deze leden zouden daarnaast graag een uitsplitsing zien van waarvoor precies die âŹ23 miljoen is gereserveerd, alsmede een uitsplitsing van de âŹ21,25 miljoen die structureel is gereserveerd voor het op peil houden van het curriculum.
Verder lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat als gevolg van dit besluit er een prikkel ontstaat voor private organisaties om hun aanbod af te stemmen op de (implementatie van de) geactualiseerde kerndoelen. Deze leden maken zich al langer zorgen over de steeds groter wordende invloed van private partijen in het onderwijs. Betekent dit dat een deel van het geld dat is gereserveerd voor de curriculumherziening ten goede komt aan private organisaties en daarmee dus aan hun winsten? Klopt het dat private organisaties in het onderwijs geen omzetbelasting betalen over de winsten die zij verkrijgen met publieke middelen? Waarom is er niet voor gekozen om de publieke organisaties die er zijn te versterken zodat zij scholen kunnen ondersteunen in de implementatie van het curriculum?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in het besluit onder de kop âEvaluatie en monitoringâ dat de nieuwe kerndoelen periodiek na een aantal jaar door Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) worden geĂ«valueerd. De leden vinden dat een goede zaak, maar missen in de uitwerking van de wettekst en de toelichting erop het aangenomen amendement Ceder c.s. waarin wordt gesteld dat de Onderwijsraad ook eens per tien jaar kijkt in hoeverre het curriculum nog actueel is.1 Kan de staatssecretaris toelichten waarom er in het besluit niets is opgenomen over dit amendement?
Nadat de voorhang van de nieuwe kerndoelen is afgerond, worden de vernieuwde kerndoelen voorgelegd aan de Raad van State. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen wat de staatssecretaris zal doen indien de Raad van State in haar advies op de AMvB of het onderliggende besluit substantiële of fundamentele kritiek uit. Deze leden vragen zich af of de planning zoals die nu voorligt dan in gevaar komt, gezien deze vrij krap is als er uit wordt gegaan van inwerkingtreding op 1 augustus 2026. Daarnaast vragen deze leden zich af hoe de Kamer geïnformeerd wordt over de wijze waarop met het advies van de Raad van State wordt omgegaan.
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie maken graag van de gelegenheid gebruik enkele aanvullende vragen te stellen over de voorhang AMvB vernieuwde kerndoelen Nederlands en rekenen en wiskunde.
De leden van de CDA-fractie merken op dat het aantal kerndoelen aanzienlijk is verminderd, wat deze leden als positief ervaren. Ook was het de bedoeling om de samenhang tussen de kerndoelen duidelijker te maken. Zij vragen de staatssecretaris uit te leggen hoe het versterken van die samenhang en het terugbrengen van het aantal kerndoelen zou kunnen bijdragen aan betere resultaten van leerlingen op het gebied van lezen, schrijven en rekenen.
De staatssecretaris geeft aan dat invoering van de nieuwe kerndoelen haalbaar is, mede dankzij een uitgebreid implementatieplan dat momenteel wordt ontwikkeld in overleg met sociale partners. De leden van de CDA-fractie willen graag weten wanneer dit implementatieplan klaar zal zijn en binnen welk tijdsbestek de nieuwe kerndoelen voor Nederlands, rekenen en wiskunde volledig ingevoerd worden. Tot slot vragen deze leden of en hoe er na de inwerkingtreding van het implementatieplan gemonitord zal gaan worden.
Inbreng van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de vernieuwde kerndoelen en hebben hierover nog een aantal vragen en opmerkingen.
In algemene zin vragen de leden van de JA21-fractie in hoeverre de nu voorliggende kerndoelen meer of minder ambitie bevatten dan de vorige kerndoelen. Kan de staatssecretaris nog eens helder aangeven op welke manier de nu voorliggende kerndoelen inhoudelijk verschillen van de vorige kerndoelen? Aan welke stof, inhoud of vaardigheden zal met deze kerndoelen meer tijd moeten worden besteed en aan welke juist minder? Graag een toelichting.
In de tekst van de kerndoelen primair en speciaal onderwijs onderdeel A, Nederlands, kerndoel 3 staat: âde leerling produceert tekstenâ. Waarom is gekozen voor de term âproduceertâ in plaats van âschrijftâ?
De kerndoelen leggen veel nadruk op zaken waarop kinderen zouden moeten âreflecterenâ of die zij moeten âevaluerenâ. Zo gaan ze in de ogen van de leden van de JA21-fractie in sommige opzichten gebukt onder grote ambities op een hoog metaniveau. In kerndoel 5 bijvoorbeeld moet de leerling âreflecterenâ op âhet product van een taalactiviteitâ. Of zoals bijvoorbeeld beschreven in kerndoel 7 van de kerndoelen Nederlands primair en speciaal onderwijs, onderdeel A: âde leerling verkent hoe je met taal uiting geeft aan je identiteitâ. Waarom is gekozen voor deze ingewikkelde benadering en op welke wetenschappelijke inzichten berust deze? Is het niet belangrijker dat kinderen op de basisschool eerst fatsoenlijk leren lezen, schrijven en spreken waarbij het verkennen hoe de taal uiting geeft aan een identiteit eerder als een âextraâ kan worden beschouwd dan als een kerndoel? Op welke manier wordt onderzocht of leerlingen voldoen aan dit kerndoel en met taal uiting geven aan hun identiteit?
Dit geldt volgens de leden van de JA21-fractie ook tot op zekere hoogte voor kerndoel 7B: âde leerling verkent taalvariatie en taalverandering in het Nederlandse taalgebiedâ met bijvoorbeeld het âverkennen van overtuigingen over verschillende talen en taalvariĂ«teitenâ. Hoe wordt dit getoetst? Als nu een school leerlingen wel goed leert spellen, schrijven, formuleren, spreken en lezen, maar niet doet aan het verkennen van overtuigingen over verschillende talen, voldoet die school dan dus niet aan deze kerndoelen? Welke gevolgen zou dat hebben?
Ten aanzien van kerndoel 6, âde leerling toont inzicht in taal als systeemâ, doel B: âde leerling toont inzicht in regels en procedures voor spelling, formulering en interpunctieâ. In hoeverre betekent dit kerndoel dat kinderen goed moeten leren spellen (en op een goede manier interpunctie moeten leren gebruiken) en waarom is dat niet op die manier geformuleerd?
Ten aanzien van de kerndoelen rekenen en wiskunde: hier geldt wellicht dat deze kennis en vaardigheden beter kunnen worden gemeten en vergeleken door de tijd. Hoe verhouden deze kerndoelen zich tot de vorige kerndoelen? En hoe verhouden deze kerndoelen zich tot die in onze buurlanden?
Ten aanzien van de kerndoelen onderbouw voortgezet onderwijs: in hoeverre verplichten deze kerndoelen om kinderen te leren een goed opstel te schrijven?
Inbreng van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de voorhang AMvB vernieuwde kerndoelen Nederlands en rekenen en wiskunde. Deze leden hebben geen vragen aan de staatssecretaris.
II Reactie van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat in de algemene maatregel van bestuur (AMvB) wordt uitgegaan van een inwerkingsperiode van vijf jaar voordat de vernieuwde kerndoelen volledig verplicht worden. Deze leden vragen de staatssecretaris waarom voor een periode van vijf jaar is gekozen. Vijf jaar is binnen een schoolcarriĂšre namelijk ontzettend lang. Kan de staatssecretaris toelichten waarom een kortere periode, bijvoorbeeld drie jaar, niet haalbaar of wenselijk wordt geacht? Welke inhoudelijke, organisatorische of uitvoeringsmatige overwegingen liggen hieraan ten grondslag?
Het gaat hier om negen leergebieden. Scholen voeren die gefaseerd in, waardoor sommige leergebieden wel al na drie jaar (of eerder) zijn geĂŻmplementeerd. Een zorgvuldige en duurzame implementatie van herziene kerndoelen kost tijd voor scholen. Curriculumvernieuwing vraagt om diepgaande veranderingen in de onderwijspraktijk, zodat de leergebieden in samenhang aangeboden kunnen worden. Deze vernieuwing zou moeten leiden tot duurzame verbeteringen van het onderwijs. Het versterken van een professionele leercultuur kost tijd en is essentieel voor een duurzame verbetering. Daarnaast kost de ontwikkeling en invoering van nieuwe leermiddelen en de daarbij horende aangepaste toetsing ook meerdere schooljaren. In de praktijk wordt de invoering van een nieuw curriculum op scholen gefaseerd per leerjaar ingevoerd, zodat inconsistenties worden voorkomen. Het is wenselijk dat scholen bewuste keuzes maken over de manier waarop de herziene kerndoelen worden aangeboden in het onderwijs, passend bij de leerlingenpopulatie en context van de school. Om deze redenen is bewust gekozen dat scholen vanaf schooljaar 2031-2032 integraal met alle kerndoelen moeten werken. Deze tijdlijn is tot stand gekomen op basis van gesprekken met het onderwijsveld, wetenschappelijk onderzoek en adviezen van SLO en de Curriculumcommissie en wordt door al deze partijen als realistisch en haalbaar beschouwd. Wanneer deze implementatiefase wordt verkort, wordt het risico vergroot op onvolledige en oppervlakkige implementatie. Het zorgt voor minder tijd voor het maken van bewuste keuzes in professionele ontwikkeling, het zorgvuldig aanpassen van leermiddelen en toetsen en de samenhang tussen leergebieden. Daarnaast bestaat het risico dat draagvlak onder de onderwijsprofessionals afneemt wanneer veranderingen te snel en onder tijdsdruk moeten worden doorgevoerd. Dit zou de beoogde duurzame kwaliteitsverbetering in gevaar brengen in plaats van versterken.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie willen de staatssecretaris er nogmaals op wijzen dat de vorige vernieuwing van het curriculum plaatsvond in 2006. Mochten er scholen zijn die pas in 2031 overgaan op de nieuwe kerndoelen, dan heeft het curriculum dus 25 jaar stilgestaan. Deze leden vragen zich dan ook af hoe deze lange inwerkingsperiode zich verhoudt tot de brede urgentie die juist wordt benadrukt ten aanzien van de vernieuwing van het curriculum; het zou een grote bijdrage kunnen leveren aan de verbetering van de onderwijskwaliteit. Welke waarborgen zijn er dat scholen niet pas aan het einde van de inwerkingsperiode daadwerkelijk met de vernieuwde kerndoelen gaan werken? Daarnaast vragen deze leden hoe er wordt omgegaan met de terechte kritiek van de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) dat de lange inwerkingsperiode ervoor zorgt dat de inspectie voor een heel lange tijd toezicht moet houden op twee verschillende curricula.
De implementatiefase is ambitieus en tegelijkertijd realistisch, waarbij aan de hand van het geactualiseerde curriculum gewerkt wordt aan de onderwijskwaliteit. Via communicatie vergroten we het urgentiebesef onder scholen: scholen kunnen vanaf medio 2025 al aan de slag met de geactualiseerde kerndoelen voor Nederlands, rekenen en wiskunde, burgerschap en digitale geletterdheid. Daarnaast kunnen scholen zich nu al voorbereiden op de kerndoelen voor de overige leergebieden voordat deze wettelijk worden vastgelegd. De boodschap richting scholen, die de komende tijd breed gedeeld wordt, is dan ook om zo snel mogelijk te starten met het gesprek binnen de school over wat er nodig is om met deze vernieuwde kerndoelen te werken, om zo de organisatieontwikkeling en professionele ontwikkeling hier goed op aan te sluiten en ervoor te zorgen dat toetsing en leermiddelen passend worden ingezet. Tot en met 2027, het moment waarop alle kerndoelen wettelijk zijn verankerd, ligt de focus van de ondersteuning op het creĂ«ren van bewustwording, zodat scholen zich bewust zijn van de opgave waarvoor zij staan. Vervolgens start de fase van professionalisering (2027â2031), waarbij de ondersteuning wordt ingezet op de daadwerkelijke invoering van de kerndoelen en bijbehorende professionaliseringsbehoeften.
Door de inspectie wordt tijdens de implementatiefase via stimulerend toezicht het belang benadrukt van het (gaan) werken met de geactualiseerde kerndoelen. Scholen worden dus gefaciliteerd en aangespoord om tijdig stappen te zetten. Tot slot is vastgelegd dat na afloop van de overgangsperiode, per 1 augustus 2031, alle scholen met de vernieuwde kerndoelen moeten werken en dat de inspectie vanaf dat moment handhavend toezicht houdt. Dit creëert een duidelijke eindnorm, terwijl scholen in de jaren daarvoor al actief worden ondersteund om die norm tijdig te bereiken. In de uitvoeringstoets die de inspectie op dit uitvoeringsbesluit heeft uitgevoerd, heeft zij aangegeven dat op de herziene kerndoelen goed toezicht kan worden gehouden. De inspectie stelt dat er voldoende ruimte lijkt voor de inspectie en het veld om de herziene kerndoelen te implementeren, ook als er tijdelijk toezicht gehouden moet worden op twee sets kerndoelen.2
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie benadrukken dat het slagen van een curriculumherziening valt of staat met een zorgvuldige en realistische implementatie in de onderwijspraktijk. Daarbij is voldoende tijd en ruimte voor leraren cruciaal. Deze leden maken zich zorgen over de werkdruk die gepaard gaat met de invoering van de vernieuwde kerndoelen. Zij constateren dat voor de implementatie in het primair onderwijs wordt uitgegaan van zestien uur per school, terwijl in het voortgezet onderwijs wordt uitgegaan van zestien uur per leraar. Deze leden vragen de staatssecretaris hoe dit grote verschil tussen primair en voortgezet onderwijs te verklaren is, en waarom daarvoor gekozen is. Bedoelt de staatssecretaris hiermee dan de implementatie van de kerndoelen in het voortgezet onderwijs meer aandacht behoeft dan in het primair onderwijs?
De implementatie van de kerndoelen is in beide sectoren even belangrijk en vraagt om voldoende tijd, aandacht en ondersteuning. Met de in de nota van toelichting opgenomen paragraaf over de regeldruk heeft de regering gepoogd inzichtelijk te maken hoeveel tijd er gepaard gaat met het implementeren van het herziene curriculum voor docenten op school. Het gaat daarbij nadrukkelijk enkel om de tijd die nodig is voor de kerndoelen die zijn opgenomen in het onderhavige besluit. De regeldruk die gepaard gaat met de implementatie van de overige leergebieden zal worden betrokken bij het ontwerpbesluit waarin die leergebieden zijn opgenomen.
Het uitgangspunt is dat leraren in beide sectoren voldoende tijd en ondersteuning krijgen om de vernieuwde kerndoelen zorgvuldig en met oog voor kwaliteit in te voeren. Het verschil in uren komt voort uit de manier waarop professionalisering en curriculumontwikkeling in beide sectoren zijn georganiseerd.
De zestien uur extra ruimte die voor professionalisering gericht op het curriculum en basisvaardigheden beschikbaar is, komt boven op de reeds bestaande professionaliseringsuren. In het voortgezet onderwijs is in de cao expliciet vastgelegd dat iedere leraar jaarlijks zestien uur professionalisering gericht op curriculum en basisvaardigheden krijgt. Dat past bij een sector waarin vakdocenten individueel verantwoordelijk zijn voor de vertaalslag van kerndoelen naar hun lessen. In het primair onderwijs vindt onderwijsontwikkeling juist grotendeels in teamverband plaats. Daarom is daar gekozen voor een teambudget voor scholing ten aanzien van de implementatie van de vernieuwde kerndoelen, waarover scholen gezamenlijk afspraken maken in het werkverdelingsplan. De inzet is niet om per leraar minder tijd beschikbaar te stellen, maar om bewuste aandacht te geven aan de collectieve ontwikkeltijd. In beide sectoren geldt dit niet als plafond. Er is voor leraren ruimte om binnen hun eigen professionele autonomie te bepalen hoe zij professionele ontwikkeling vormgeven en welke beschikbare tijd en middelen zij daarvoor inzetten, die past bij hun eigen schoolcontext. Naast de professionaliseringstijd per leraar voor curriculum en basisvaardigheden geldt op grond van de cao dat leraren per jaar eveneens recht hebben op 83 professionaliseringsuren in het voortgezet onderwijs en 123 uren voor professionalisering en duurzame inzetbaarheid in het primair onderwijs.
Kan de staatssecretaris inzichtelijk maken hoe de implementatie in die zestien uur per school of per leraar kan plaatsvinden? Waarop heeft hij die zestien uur gebaseerd? En klopt het beeld van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat deze zestien uur niet extra is, maar dat het reguliere ontwikkeltijd voor leraren betreft die niet kan worden besteed aan professionalisering op andere vlakken? Wat in de ontwikkeling van leraren kan volgens de staatssecretaris wijken om de scholen zich te laten richten op de implementatie van de kerndoelen? Daarnaast vragen deze leden hoe wordt geborgd dat schoolbesturen daadwerkelijk de benodigde ruimte creëren voor teams om gezamenlijk aan de implementatie te werken en dat deze tijd niet slechts op papier beschikbaar is.
Voor het voortgezet onderwijs is de afspraak over de zestien uur professionalisering per leraar voor curriculum en basisvaardigheden onderdeel geweest van de cao-onderhandelingen. Het is de extra professionaliseringstijd voor leraren, die gericht ingezet moet worden voor het herziene curriculum en de basisvaardigheden. Het valt binnen de professionele autonomie van scholen, schoolteams en leraren om te bepalen hoe deze tijd wordt ingezet, afgestemd op de ontwikkelbehoeften. De inzet is erop gericht om deze zestien uur aan extra ruimte doelgericht te benutten, zonder scholen de flexibiliteit te ontnemen om ook op andere terreinen te blijven investeren in kwaliteit en ontwikkeling.
De curriculumimplementatie zie ik als een opgave die nauw samenhangt met lopende onderwijsontwikkelingen, zoals de inzet op basisvaardigheden of evidence-informed werken. De implementatie van de vernieuwde kerndoelen vormt daarmee juist een kans om bestaande verbetertrajecten te bundelen en te verdiepen binnen één samenhangende onderwijsontwikkeling. De schoolleiding is primair verantwoordelijk voor het maken van afspraken met het schoolteam over de tijd, werkverdelingsplanning en het professionaliseringsbeleid. Schoolbesturen faciliteren dat scholen hier tijd en ruimte voor krijgen. De komende jaren wordt gerichte ondersteuning ingezet voor schoolbesturen en schoolleiders bij het versterken van het curriculair leiderschap, zodat bewuste keuzes gemaakt worden over hoe de implementatie binnen scholen wordt vormgegeven.
Acht de staatssecretaris het realistisch dat een volledige basisschool de implementatie van vernieuwde kerndoelen kan realiseren met slechts zestien uur in totaal? Hoe verhoudt deze tijdsbesteding zich tot de omvang en complexiteit van de curriculumvernieuwing, zeker in het primair onderwijs waar leraren meerdere vakken geven en kerndoelen integraal moeten worden verwerkt? Is de staatssecretaris het met de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie eens dat zestien uur per school zorgt voor ongelijkheid tussen kleine scholen met weinig leraren en grote scholen met veel leraren? En dat er een ongelijkheid ontstaat tussen scholen met wel of geen lerarentekort? Kan de staatssecretaris de zorgen van deze leden daarover wegnemen?
Voor de implementatie van het brede curriculum wordt gevraagd om een combinatie van teamontwikkeling en individuele professionalisering, waarbij gebruik kan worden gemaakt van studiedagen, reguliere professionaliseringsbudgetten, overlegmomenten en andere ontwikkeltijd. Het is aan de school om te bepalen wat nodig is om de vernieuwde kerndoelen te implementeren en daar de professionaliseringsbehoefte op af te stemmen. Om tegemoet te komen aan de omvang en complexiteit van de curriculumimplementatie, wordt scholen ruim de tijd geboden voordat zij integraal met de herziene kerndoelen moeten werken. Ik raad scholen aan zo snel mogelijk te starten met de invoering van deze kerndoelen. Zodoende hebben leraren en schoolteams de ruimte om de kerndoelen van negen leergebieden gefaseerd in te voeren. Hierdoor kunnen scholen, ook in krappe arbeidsmarktsituaties, stap voor stap toewerken naar een volledige invoering van de herziene kerndoelen.
De regering deelt niet de zorg dat sprake is van ongelijkheid tussen kleine en grote scholen. In het voortgezet onderwijs betreft het tijd per leraar en in het primair onderwijs zijn er structureel professionaliseringsuren beschikbaar. De wijze waarop scholen deze tijd inzetten, gebeurt binnen de eigen organisatie, passend bij de omvang, personele situatie en onderwijsvisie van de school. De zestien uur professionaliseringstijd ziet op het voortgezet onderwijs en betreft tijd per leraar. Tegelijkertijd is het nadrukkelijk niet de bedoeling dat curriculumimplementatie enkel als een individuele opdracht wordt gezien. Juist ook in het voortgezet onderwijs vindt implementatie plaats in teamverband, bijvoorbeeld binnen vaksecties en onderwijsteams, zodat samenhang en kwaliteit worden geborgd. Voor het primair onderwijs geldt een andere systematiek. Op basis van de cao stelt de werkgever, in overleg met de Personeelsgeleding van de Gemeenschappelijke Medezeggenschapsraad en in aansluiting op de organisatiestrategie, een meerjarenprofessionaliseringsbeleid op. Daarnaast hebben leraren in het primair onderwijs vanuit de cao recht op 123 uur per schooljaar voor professionalisering en duurzame inzetbaarheid. De implementatie van vernieuwde kerndoelen maakt onderdeel uit van deze bredere professionaliseringsopgave.
In het besluit lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat er voor de implementatie van de curriculumherziening in periode van 2025-2028 âŹ23 miljoen wordt vrijgemaakt. Kan de staatssecretaris verhelderen waarom dit geld is gereserveerd voor deze periode, terwijl de periode van inwerkingtreding loopt tot 2031? Deze leden zouden daarnaast graag een uitsplitsing zien van waarvoor precies die âŹ23 miljoen is gereserveerd, alsmede een uitsplitsing van de âŹ21,25 miljoen die structureel is gereserveerd voor het op peil houden van het curriculum.
Voor de gehele implementatiefase, tot 2031, is âŹ50 miljoen beschikbaar voor de ondersteuning van scholen bij de implementatie van het vernieuwde curriculum. Het gaat hierbij onder andere om ondersteuning van schoolbesturen en schoolleiders bij curriculumbewust handelen door onder andere de sectorraden en AVS, vakinhoudelijke ondersteuning voor leraren door vak- en beroepsverenigingen, professionaliseringactiviteiten voor docenten over curriculumbewustzijn, het organiseren van regionale bijeenkomsten over curriculumimplementatie en een deel van de middelen is bedoeld voor passende communicatie over de curriculumimplementatie. De âŹ50 miljoen middelen is verdeeld over de jaren, waarbij er voor de periode 2025-2028 een bedrag van âŹ21,5 miljoen beschikbaar is. Het resterende bedrag is beschikbaar voor de periode 2029-2031. Daarnaast is âŹ23 miljoen beschikbaar gesteld voor het ontwikkelen en onderhouden van het curriculum. Uit deze middelen wordt onder andere de regeling voor de fase van beproeving gedekt, evenals de projectsubsidies aan SLO en Stichting Cito voor het tot stand brengen van het nieuwe curriculum. Vanaf 2031 worden de beschikbaar gestelde middelen grotendeels ingezet voor de uitvoering van de onderhoudskalender.
Verder lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat als gevolg van dit besluit er een prikkel ontstaat voor private organisaties om hun aanbod af te stemmen op de (implementatie van de) geactualiseerde kerndoelen. Deze leden maken zich al langer zorgen over de steeds groter wordende invloed van private partijen in het onderwijs. Betekent dit dat een deel van het geld dat is gereserveerd voor de curriculumherziening ten goede komt aan private organisaties en daarmee dus aan hun winsten? Klopt het dat private organisaties in het onderwijs geen omzetbelasting betalen over de winsten die zij verkrijgen met publieke middelen? Waarom is er niet voor gekozen om de publieke organisaties die er zijn te versterken zodat zij scholen kunnen ondersteunen in de implementatie van het curriculum?
De middelen die zijn gereserveerd voor de curriculumimplementatie worden via publieke organisaties zoals de SLO, sectorraden, vak- en beroepsverenigingen en AVS ingezet om scholen en leraren te ondersteunen bij een zorgvuldige en kwalitatieve implementatie. Deze publieke en sectorgebonden infrastructuur vormt de ruggengraat van de ondersteuning, zodat regie, kwaliteit en samenhang publiek zijn geborgd. Waar aanvullende en verdiepende (private) expertise gewenst is, kan deze het publieke aanbod aanvullen. Aanbieders van onderwijs, zowel publiek als privaat, kunnen onder omstandigheden vrijgesteld zijn van btw bij het verlenen van diensten of producten indien deze onmisbaar zijn voor het verzorgen van vrijgesteld onderwijs. De onderwijsvrijstelling voor de omzetbelasting betekent echter niet automatisch dat deze organisaties vrijgesteld zijn van vennootschapsbelasting over hun winst. Afhankelijk van de aard van de activiteiten en de hoedanigheid van de aanbieder van deze dienst of product zijn deze al dan niet belast. Zoals ik in mijn brief over de uitkomsten van de verkenning naar de ondersteuningsstructuur heb aangegeven, kan een goede wisselwerking tussen professionals in de scholen en expertise in de markt bijdragen aan duurzame kwaliteitsverbetering.3 Externe adviseurs kunnen hun meerwaarde hebben in het bieden van maatwerk en aanvullende ondersteuning aan scholen.
Om te borgen dat overal wordt gewerkt vanuit de juiste bedoeling van de vernieuwde kerndoelen, wordt in samenwerking met SLO actief ingezet op het helder overbrengen van de uitgangspunten en inhoud van de kerndoelen aan iedereen die scholen ondersteunt en traint. Dat betreft niet alleen publiek gefinancierde partijen, maar ook onderwijsadviseurs en andere private aanbieders die niet rechtstreeks door OCW worden gefinancierd, maar waar scholen vrij in zijn deze hulp aanvullend in te kopen. Het uitgangspunt blijft daarbij dat publieke middelen die specifiek gereserveerd zijn voor de curriculumimplementatie primair worden ingezet voor publieke ondersteuning, terwijl het bredere veld, publiek en privaat, wordt meegenomen in een gezamenlijke, kwaliteitsgerichte implementatie waar scholen naar eigen behoefte gebruik van kunnen maken door middel van aanvullende eigen inkoop.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in het besluit onder de kop âEvaluatie en monitoringâ dat de nieuwe kerndoelen periodiek na een aantal jaar door Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) worden geĂ«valueerd. De leden vinden dat een goede zaak, maar missen in de uitwerking van de wettekst en de toelichting erop het aangenomen amendement Ceder c.s. waarin wordt gesteld dat de Onderwijsraad ook eens per tien jaar kijkt in hoeverre het curriculum nog actueel is.4 Kan de staatssecretaris toelichten waarom er in het besluit niets is opgenomen over dit amendement?
Het ontwerpbesluit was reeds gereed op het moment dat het wetsvoorstel behandeld werd in de Tweede Kamer. Het genoemde amendement heeft geen inhoudelijke gevolgen voor het onderhavige besluit. De regering heeft daarom overwogen dat er geen noodzaak bestond om het besluit te vertragen om de nota van toelichting aan te kunnen vullen met informatie over het genoemde amendement. De evaluatie van SLO staat ook naast de op grond van het amendement ingevoegde periodieke advies van de Onderwijsraad, dat de regering vanzelfsprekend zal vragen.
Nadat de voorhang van de nieuwe kerndoelen is afgerond, worden de vernieuwde kerndoelen voorgelegd aan de Raad van State. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen wat de staatssecretaris zal doen indien de Raad van State in haar advies op de AMvB of het onderliggende besluit substantiële of fundamentele kritiek uit. Deze leden vragen zich af of de planning zoals die nu voorligt dan in gevaar komt, gezien deze vrij krap is als er uit wordt gegaan van inwerkingtreding op 1 augustus 2026. Daarnaast vragen deze leden zich af hoe de Kamer geïnformeerd wordt over de wijze waarop met het advies van de Raad van State wordt omgegaan.
De vernieuwde kerndoelen Nederlands en rekenen en wiskunde zijn in samenwerking met het onderwijsveld op een zorgvuldige wijze vormgegeven. In de planning van het ontwerpbesluit wordt uitgegaan van een voortvarende behandeling. Indien de Raad van State substantiële of fundamentele kritiek heeft naar aanleiding van het ontwerpbesluit, zal de regering die kritiek serieus wegen. Dit kan mogelijk tot gevolg hebben dat de beoogde inwerkingtredingsdatum van 1 augustus 2026 niet gehaald wordt.
De regering zal naar aanleiding van het advies van de Raad van State een nader rapport opstellen, waarin zij beschrijft op welke wijze zij met het advies van de Raad van State omgaat. Gelijktijdig met de publicatie van het besluit in het Staatsblad wordt het nader rapport openbaar gemaakt door middel van publicatie in de Staatscourant.
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie merken op dat het aantal kerndoelen aanzienlijk is verminderd, wat deze leden als positief ervaren. Ook was het de bedoeling om de samenhang tussen de kerndoelen duidelijker te maken. Zij vragen de staatssecretaris uit te leggen hoe het versterken van die samenhang en het terugbrengen van het aantal kerndoelen zou kunnen bijdragen aan betere resultaten van leerlingen op het gebied van lezen, schrijven en rekenen.
Doordat er minder en concretere kerndoelen zijn, is duidelijker waar de focus op gelegd moet worden: op lezen, schrijven en rekenen. Door de vergrote samenhang zie je deze basisvaardigheden in alle leergebieden terugkomen. Bij kerndoel 29 staat bijvoorbeeld: â[âŠ] verwoorden van het verschil tussen een mening en een feit volgens de natuurwetenschappenâ. Dat vraagt dat leerlingen lezen en schrijven inzetten bij het leergebied mens en natuur. Zo kan integraal over het gehele curriculum worden gewerkt aan het verbeteren van lezen, schrijven en rekenen.
De staatssecretaris geeft aan dat invoering van de nieuwe kerndoelen haalbaar is, mede dankzij een uitgebreid implementatieplan dat momenteel wordt ontwikkeld in overleg met sociale partners. De leden van de CDA-fractie willen graag weten wanneer dit implementatieplan klaar zal zijn en binnen welk tijdsbestek de nieuwe kerndoelen voor Nederlands, rekenen en wiskunde volledig ingevoerd worden. Tot slot vragen deze leden of en hoe er na de inwerkingtreding van het implementatieplan gemonitord zal gaan worden.
Om scholen zo goed mogelijk te ondersteunen bij de implementatie van de vernieuwde kerndoelen, is een implementatieplan opgesteld in overleg met sociale partners, waarover uw Kamer op 1 september 2025 is geĂŻnformeerd.5 De geactualiseerde kerndoelen voor Nederlands en rekenen en wiskunde zijn sinds medio 2025 in definitief concept beschikbaar en scholen kunnen hiermee aan de slag. De regering streeft er naar dat deze kerndoelen per 1 augustus 2026 wettelijk worden vastgelegd. Vanaf dan vormen zij het uitgangspunt voor het onderwijs. Omdat een zorgvuldige en duurzame implementatie tijd vraagt, is gekozen voor een overgangsperiode tot 1 augustus 2031. Gedurende deze periode krijgen scholen de ruimte om de vernieuwde kerndoelen gefaseerd en met ondersteuning volledig te integreren in hun onderwijs. Uiterlijk per 1 augustus 2031 werken alle scholen met de vernieuwde kerndoelen, en houdt de inspectie hier ook handhavend toezicht op. Tot 2031 wordt blijvend gemonitord of de kerndoelen op de scholen worden geĂŻmplementeerd en of de beschikbaar gestelde ondersteuning daarbij aansluit. Hierover wordt uw Kamer jaarlijks geĂŻnformeerd in de voortgangsrapportage van het Masterplan Basisvaardigheden.
Inbreng van de leden van de JA21-fractie
In algemene zin vragen de leden van de JA21-fractie in hoeverre de nu voorliggende kerndoelen meer of minder ambitie bevatten dan de vorige kerndoelen. Kan de staatssecretaris nog eens helder aangeven op welke manier de nu voorliggende kerndoelen inhoudelijk verschillen van de vorige kerndoelen? Aan welke stof, inhoud of vaardigheden zal met deze kerndoelen meer tijd moeten worden besteed en aan welke juist minder? Graag een toelichting.
Leerlingen van nu hebben alsnog veel van de kennis en vaardigheden nodig die zij ook in 2005 nodig hadden, veel inhoud is dus nog steeds relevant. Echter, opgroeien in de hedendaagse samenleving vraagt ook kennis over bijvoorbeeld burgerschap, digitale geletterdheid, mediawijsheid, ethiek en omgaan met data. De geactualiseerde kerndoelen rusten leerlingen beter toe op die ontwikkelingen in de samenleving.6 Bovendien wordt met de vernieuwde kerndoelen significant meer kennis en vaardigheden aangeboden. Zo worden (deel-)vaardigheden die in de huidige kerndoelen vooral impliciet verondersteld werden, nu ook geëxpliciteerd. Ook in die zin is er een ambitieuzer curriculum. Er ligt daarmee een afgewogen curriculum wat leerlingen voorbereidt op de kansen en bedreigingen in de hedendaagse samenleving.
In de tekst van de kerndoelen primair en speciaal onderwijs onderdeel A, Nederlands, kerndoel 3 staat: âde leerling produceert tekstenâ. Waarom is gekozen voor de term âproduceertâ in plaats van âschrijftâ?
Er is gekozen voor de term âproduceertâ in plaats van âschrijftâ, omdat het kerndoel over meer gaat dan alleen schrijfvaardigheid, bijvoorbeeld over spreekvaardigheid of presenteren. In de doelzinnen en in de uitwerkingen onder het kopje âhet gaat hierbij omâ is het kerndoel nader geconcretiseerd. Hier wordt schrijven ook expliciet benoemd.
De kerndoelen leggen veel nadruk op zaken waarop kinderen zouden moeten âreflecterenâ of die zij moeten âevaluerenâ. Zo gaan ze in de ogen van de leden van de JA21-fractie in sommige opzichten gebukt onder grote ambities op een hoog metaniveau. In kerndoel 5 bijvoorbeeld moet de leerling âreflecterenâ op âhet product van een taalactiviteitâ. Of zoals bijvoorbeeld beschreven in kerndoel 7 van de kerndoelen Nederlands primair en speciaal onderwijs, onderdeel A: âde leerling verkent hoe je met taal uiting geeft aan je identiteitâ. Waarom is gekozen voor deze ingewikkelde benadering en op welke wetenschappelijke inzichten berust deze? Is het niet belangrijker dat kinderen op de basisschool eerst fatsoenlijk leren lezen, schrijven en spreken waarbij het verkennen hoe de taal uiting geeft aan een identiteit eerder als een âextraâ kan worden beschouwd dan als een kerndoel? Op welke manier wordt onderzocht of leerlingen voldoen aan dit kerndoel en met taal uiting geven aan hun identiteit?
Het uitgangspunt van de kerndoelen Nederlands is dat leerlingen goed leren lezen, schrijven, spreken, luisteren en gesprekken voeren. Uit divers (inter)nationaal onderzoek blijkt echter dat leerlingen die bewust nadenken over hun eigen taalgebruik en dat van anderen zich sneller en beter ontwikkelen.7 Dit wordt ook erkend door internationale onderzoeken naar leesvaardigheid, zoals PIRLS en PISA. Beide onderzoeken gaan uit van een model voor leesbegrip dat op drie pijlers rust: informatie vinden, informatie begrijpen en evalueren en reflecteren. Die laatste is van belang om de kwaliteit, inhoud en betrouwbaarheid van teksten te kunnen beoordelen. Iets wat in onze gedigitaliseerde samenleving van groot belang is. Uit PIRLS-2021 en PISA- 2018 en- 2022 blijkt dat Nederlandse leerlingen hier slecht op scoren, mede omdat reflecteren en evalueren veelal onderbelicht zijn in het (taal)onderwijs.8 De resultaten van PIRLS en PISA vormen een directe aanleiding om deze metacognitieve vaardigheden expliciet op te nemen in de kerndoelen.
Kerndoelen beschrijven wat een school minimaal moet aanbieden en niet hoe goed een leerling iets moet kunnen. Scholen zijn wettelijk verplicht om de kerndoelen aan te bieden, maar er is geen verplicht resultaat per leerling aan gekoppeld. Dat is bewust, omdat het onderwijs ook een waarde heeft in leerlingen dingen laten ervaren, zonder dat dit tot een specifieke of meetbare uitkomst leidt. Denk aan ânatuurbelevingâ: het heeft voor leerlingen waarde om te ervaren hoe het is in de natuur en hoe je daarmee omgaat, maar dit hoeft niet tot een meetbaar resultaat te leiden. Daarom is de vraag naar de meetbaarheid van kerndoelen niet altijd relevant. De specifieke beheersingsniveaus van leerlingen op het gebied van taal en rekenen zijn beschreven in de referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen. De referentieniveaus en de kerndoelen zijn nu nog twee aparte curriculumonderdelen, die qua inhoud en niveau niet goed op elkaar aansluiten. De referentieniveaus worden bezien, zodat er een duidelijke koppeling is tussen wat een school moet aanbieden en wat, en hoe goed, een leerling iets moet kunnen.
Dit geldt volgens de leden van de JA21-fractie ook tot op zekere hoogte voor kerndoel 7B: âde leerling verkent taalvariatie en taalverandering in het Nederlandse taalgebiedâ met bijvoorbeeld het âverkennen van overtuigingen over verschillende talen en taalvariĂ«teitenâ. Hoe wordt dit getoetst? Als nu een school leerlingen wel goed leert spellen, schrijven, formuleren, spreken en lezen, maar niet doet aan het verkennen van overtuigingen over verschillende talen, voldoet die school dan dus niet aan deze kerndoelen? Welke gevolgen zou dat hebben?
Het is inderdaad van groot belang dat leerlingen goed leren spellen, schrijven, formuleren, spreken en lezen. Scholen zijn wettelijk verplicht om invulling te geven aan alle kerndoelen, ook aan ervaringsdoelen als het verkennen van overtuigingen. Samen vormen alle kerndoelen namelijk een breed en samenhangend curriculum. De inspectie ziet hierop toe aan de hand van het onderzoekskader. Indien een school niet aan de wettelijke verplichting voldoet, kan de inspectie haar handhavingsinstrumentarium inzetten.
Ten aanzien van kerndoel 6, âde leerling toont inzicht in taal als systeemâ, doel B: âde leerling toont inzicht in regels en procedures voor spelling, formulering en interpunctieâ. In hoeverre betekent dit kerndoel dat kinderen goed moeten leren spellen (en op een goede manier interpunctie moeten leren gebruiken) en waarom is dat niet op die manier geformuleerd?
In kerndoel 6B leren leerlingen woorden correct te spellen, ook in relatie tot de betekenis die spelling heeft. Door in het spellingsonderwijs de nadruk te leggen op de relatie die er is tussen vorm en betekenis, groeit het spellingbewustzijn. Leerlingen ontdekken bijvoorbeeld dat een spelfout kan leiden tot een betekenisverschil. De ontwikkeling van een spellinggeweten (de wil om correct te spellen) en spellingbewustzijn (het vermogen om te reflecteren op de eigen spelling, spellingvaardigheid en spellingprocessen) is belangrijk en nu opgenomen in de kerndoelen, omdat uit onderzoek bekend is dat deze samenhangen met goed kunnen spellen.
Ten aanzien van de kerndoelen rekenen en wiskunde: hier geldt wellicht dat deze kennis en vaardigheden beter kunnen worden gemeten en vergeleken door de tijd. Hoe verhouden deze kerndoelen zich tot de vorige kerndoelen? En hoe verhouden deze kerndoelen zich tot die in onze buurlanden?
De inhoud van de vernieuwde kerndoelen Nederlands en rekenen en wiskunde dekken de volledige inhoud van de huidige kerndoelen op deze themaâs, maar zijn concreter en actueler. Zo wordt duidelijker wat leerlingen in het onderwijs aan kennis, vaardigheden en ervaringen aangeboden moeten krijgen. Ook worden (deel-)vaardigheden die in de huidige kerndoelen vooral impliciet verondersteld werden, nu ook geĂ«xpliciteerd. Zo luidt één van de huidige kerndoelen voor het primair onderwijs (nummer 23): âDe leerling leert passende wiskundetaal te gebruiken.â In de vernieuwde kerndoelen is dit in een vergelijkbaar kerndoel over het gebruik van wiskundetaal (kerndoel 16A) nader geconcretiseerd en wordt expliciet aangegeven dat het hierbij gaat om onder andere âhet leesbaar weergeven van berekeningen en probleemaanpakkenâ. Een inhoudelijk nieuw accent is het redeneren en rekenen met en het berekenen van kansen (nieuw kerndoel 11B voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs): dat onderwerp komt in de huidige kerndoelen niet (expliciet) voor.
Ook zijn de vernieuwde sets kerndoelen veel meer in een doorlopende leerlijn ontwikkeld, geformuleerd en vastgelegd dan de huidige kerndoelen. De huidige kerndoelen zijn destijds afzonderlijk van elkaar ontwikkeld en hebben minder samenhang dan de vernieuwde kerndoelen. De vernieuwde kerndoelen voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs bouwen voort op wat leerlingen op de basisschool hebben geleerd. Dat komt ook terug in de prestentatie van de kerndoelen, die voor beide sectoren een vergelijkbare ordening en formulering hebben.
De systematiek waarmee in onze buurlanden (in het bijzonder het Vlaams Gewest en de aan Nederland grenzende Duitse deelstaten Nedersaksen en Noordrijn-Westfalen) de landelijke leerdoelen worden vastgesteld, wijkt af van de systematiek in Nederland, terwijl hieromtrent ook tussen Vlaanderen, Nedersaksen en Noordrijn-Westfalen verschillen bestaan. De onderwijssystemen verschillen ook. Daardoor kunnen de kerndoelen in Nederland niet één op één vergeleken worden met de landelijke onderwijsdoelen van het Vlaams Gewest en de Curriculare Vorgaben, Kerncurricula en LehrplĂ€ne van Nedersaksen en Noordrijn-Westfalen9. Inhoudelijk wijken âhunâ leerdoelen ten aanzien van rekenen en wiskunde niet wezenlijk af van de vernieuwde kerndoelen voor rekenen en wiskunde. Wel valt op dat de formele curriculumdocumenten in onze buurlanden veelal nog meer uitgewerkt zijn dan âonzeâ kerndoelen en deze scholen en docenten daardoor minder ruimte bieden voor eigen professionele keuzes. In die zin kunnen de vernieuwde kerndoelen gezien worden als een goede en bij het Nederlandse onderwijs passende balans tussen ruimte laten en houvast bieden.
Ten aanzien van de kerndoelen onderbouw voortgezet onderwijs: in hoeverre verplichten deze kerndoelen om kinderen te leren een goed opstel te schrijven?
Aan bijvoorbeeld kerndoel 3 van het leergebied Nederlands is het belang van goede schrijfvaardigheid af te lezen. Door kennis van goede tekstsoorten kan de leerling in een begrijpelijk handschrift teksten produceren die afgestemd op zijn publiek. In de geactualiseerde kerndoelen Nederlands wordt schrijven over de gehele linie explicieter, prominenter en veelzijdiger benoemd dan in de vorige kerndoelen: schrijven wordt gezien als zowel een communicatieve vaardigheid als een leerstrategie. Dit is een duidelijke verbreding ten opzichte van de huidige kerndoelen. Een opstel schrijven kan ook tot de invulling van deze kerndoelen behoren. Uiteraard is het aan de professionaliteit van de leraar of de school om hier doordachte keuzes in te maken.
Kamerstuk 36699, nr. 36.â©ïž
AMvB Kerndoelen Nederlandse taal en rekenen-wiskunde | Overheid.nl | Wetgevingskalender.â©ïž
Kamerstukken II 2024/25, 36 800, nr. 18.â©ïž
Kamerstuk 36699, nr. 36.â©ïž
Kamerstukken II 2024/25, 31 293, nr. 833.â©ïž
Bron, J., De Boeck, M., De Croon, K, De Kleijn, A., Herder, A., Selten, H., Teunis, B., Van Zanten, M. (2025). Advies Referentiekader Taal en Rekenen. In het perspectief van geactualiseerde kerndoelen, examenprogrammaâs en taal- en rekeneisen. SLO.â©ïž
Kurvers, J. (2002). MetalinguĂŻstisch bewustzijn en alfabetisering: Van klanken naar tekst. Tilburg University Press en Bisschop, J. (2024, 25 april). Taalbeschouwing als reflectie op taalgebruik. Didactiek Nederlands.â©ïž
Gubbels, J., van Langen, A. M. L., Maassen, N. A. M., & Meelissen, M. R. M. (2023). PIRLS-2021: Resultaten van 20 jaar leesonderzoek in groep 6. Expertisecentrum Nederlands en OECD (2019). PISA 2018 Assessment and analytical framework. OECD publishing.â©ïž
Voor Nedersaksen, zie https://cuvo.nibis.de/; voor Noordrijn-Westfalen, zie https://lehrplannavigator.nrw.de/; voor Vlaanderen, zie https://onderwijsdoelen.be/.â©ïž