Voorstel van wet
Regels over de uitvoering van internationale sanctiemaatregelen (Wet internationale sanctiemaatregelen)
Voorstel van wet
Nummer: 2026D07934, datum: 2026-02-17, bijgewerkt: 2026-02-19 13:06, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van kamerstukdossier 36898 -2 Regels over de uitvoering van internationale sanctiemaatregelen (Wet internationale sanctiemaatregelen).
Onderdeel van zaak 2026Z03488:
- Indiener: D.M. van Weel, minister van Buitenlandse Zaken
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Buitenlandse Zaken
- 2026-03-05 14:30: Procedurevergadering (Procedurevergadering), vaste commissie voor Buitenlandse Zaken
Preview document (🔗 origineel)
Regels over de uitvoering van internationale sanctiemaatregelen (Wet internationale sanctiemaatregelen)
[KetenID WGK 014368]
VOORSTEL VAN WET
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter versterking van de uitvoering van internationale sanctiemaatregelen wenselijk is om de bepalingen over dit onderwerp te vernieuwen en uit te breiden;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1.1 Begripsbepalingen
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
internationale sanctiemaatregelen: beperkende maatregelen en maatregelen ten behoeve van de uitvoering daarvan, voortvloeiend uit een verdrag, een bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, een aanbeveling van een volkenrechtelijke organisatie of een internationale afspraak, met betrekking tot de handhaving of het herstel van de internationale vrede en veiligheid, de bevordering van de internationale rechtsorde of de bestrijding van terrorisme;
onderneming: onderneming als bedoeld in artikel 101, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;
Onze Minister: Onze Minister van Buitenlandse Zaken;
sanctiebesluit: algemene maatregel van bestuur als bedoeld
in artikel 2.1.1, eerste lid, of artikel 2.2.1;
sanctiemaatregelen: internationale sanctiemaatregelen en krachtens
hoofdstuk 2 gestelde regels;
sanctieregeling: ministeriële regeling als bedoeld in artikel
2.1.1, eerste lid, of artikel 2.2.4, eerste lid.
Artikel 1.2 Openbare lichamen
Deze wet, met uitzondering van hoofdstuk 4 en paragraaf 7.2 en met
inachtneming van de bij of krachtens hoofdstuk 9 gestelde regels, is
mede van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en
Saba.
HOOFDSTUK 2. Uitvoering van internationale
sanctiemaatregelen
§ 2.1 Uitvoering van verdragen en bindende besluiten van
volkenrechtelijke organisaties
Artikel 2.1.1 Uitvoeringsregels
1. Ter uitvoering van internationale sanctiemaatregelen
voortvloeiend uit verdragen of bindende besluiten van volkenrechtelijke
organisaties, kunnen regels worden gesteld bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur of bij regeling van Onze Minister.
2. Het stellen van regels bij regeling van Onze Minister geschiedt in
overeenstemming met Onze Ministers die het mede aangaat en kan alleen
als:
a. spoed dit vereist; of
b. de internationale sanctiemaatregelen beperkt ruimte laten voor beleidsinhoudelijke keuzes.
§ 2.2 Uitvoering van aanbevelingen van volkenrechtelijke organisaties en internationale afspraken
Artikel 2.2.1 Uitvoeringsregels
Ter uitvoering van internationale sanctiemaatregelen voortvloeiend uit aanbevelingen van volkenrechtelijke organisaties of internationale afspraken, kunnen regels worden gesteld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.
Artikel 2.2.2 Parlementaire betrokkenheid
1. Een krachtens artikel 2.2.1 vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. Binnen vier weken na de overlegging kan door of namens een van de Kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een van de Kamers de wens te kennen worden gegeven dat de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt bekrachtigd. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend.
2. Als het voorstel van wet wordt ingetrokken of een van de Kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.
Artikel 2.2.3 Werkingsduur algemene maatregel van bestuur
1. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 2.2.1,
vervalt op een door Onze Minister te bepalen tijdstip dat niet later
valt dan drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit,
tenzij voor die vervaldatum bij algemene maatregel van bestuur de
geldingsduur wordt verlengd.
2. Op een verlenging van de geldingsduur is artikel 2.2.2 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.2.4 Onmiddellijke voorziening
1. Als Onze Minister een voordracht tot vaststelling of wijziging van
een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2.2.1
voorbereidt, kan hij bij regeling regels stellen in overeenstemming met
het in voorbereiding zijnde ontwerpbesluit.
2. Het stellen van regels bij regeling van Onze Minister geschiedt in
overeenstemming met Onze Ministers die het mede aangaat en kan alleen
als er naar het oordeel van Onze Minister een gewichtige reden een
onmiddellijke voorziening vereist.
3. De voordracht en vaststelling van de algemene maatregel van bestuur
geschiedt zo spoedig mogelijk.
4. De regeling vervalt, met uitzondering van eerdere intrekking, op het
tijdstip van inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur, en
uiterlijk acht maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van de
regeling.
§ 2.3 Weigering toegang en verblijf vreemdeling en intrekking verblijfsvergunningen op grond van de Vreemdelingenwet 2000
Artikel 2.3.1 Weigering toegang en verblijf vreemdeling en
intrekking verblijfsvergunningen
1. Ter uitvoering van internationale sanctiemaatregelen kan
Onze Minister van Asiel en Migratie:
a. voor zover nodig in afwijking van de artikelen 3 en 12 van de
Vreemdelingenwet 2000, een vreemdeling toegang en verblijf
weigeren;
b. verblijfsvergunningen als bedoeld in de artikelen 14 en 20 van de
Vreemdelingenwet 2000 intrekken.
2. Een intrekking geldt als een intrekking op grond van artikel 19
respectievelijk artikel 22 van de Vreemdelingenwet 2000.
HOOFDSTUK 3. Meldingsplichten
§ 3.1 Taken en bevoegdheden inzake meldingsplichten
Artikel 3.1.1 Aanwijzing bestuursorgaan inzake meldingsplichten
Bij sanctiebesluit of sanctieregeling kan een bestuursorgaan
worden aangewezen dat beschikt over de taken en bevoegdheden, bedoeld in
artikel 3.1.2.
Artikel 3.1.2 Taken en bevoegdheden inzake
meldingsplichten
Het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 3.1.1, heeft voor
meldingsplichten die voortvloeien uit sanctiemaatregelen de volgende
taken en bevoegdheden:
a. meldingen in ontvangst te nemen en de melder te berichten over de
ontvangst van de melding;
b. meldingen en gemelde gegevens zo nodig te controleren op juistheid
bij de melder of aan de hand van andere beschikbare gegevens;
c. het verzamelen, registreren, bewerken en analyseren van de gegevens
die het verkrijgt naar aanleiding van de meldingen om te bezien of deze
gegevens van belang kunnen zijn voor de uitvoering en ontwikkeling van
sanctiemaatregelen;
d. het geven van voorlichting over de invulling van
meldingsplichten;
e. het beheren van een actueel overzicht van de ontvangen meldingen en
een overzicht van bevroren tegoeden en economische
middelen.
§ 3.2 Meldingsplicht
Artikel 3.2.1 Meldingsplicht
1. Als op grond van een sanctiemaatregel een meldingsplicht is
opgelegd, verstrekt degene, op wie die meldingsplicht van toepassing is,
ter uitvoering daarvan onverwijld alle benodigde gegevens aan het
bestuursorgaan, bedoeld in artikel 3.1.1, overeenkomstig hetgeen
daarover in de sanctiemaatregel is bepaald, tenzij bij sanctiebesluit of
sanctieregeling anders is bepaald.
2. Onverminderd hetgeen daarover in een sanctiemaatregel is bepaald
kunnen bij sanctiebesluit of sanctieregeling regels worden gesteld over
de wijze waarop de melding geschiedt en de gegevens en bescheiden die,
door degene op wie de meldingsplicht van toepassing is, worden
verstrekt.
Artikel 3.2.2 Doorbreking geheimhouding in verband met de
meldingsplicht
1. Ten behoeve van de naleving van de artikelen 3.2.1 en 3.3.2,
en voor zover dat in een verdrag of bindend besluit van een
volkenrechtelijke organisatie is bepaald, zijn de instellingen, bedoeld
in artikel 10, tweede lid, onderdeel o, van de Sanctiewet 1977, niet
gehouden aan de geheimhoudingsplicht, bedoeld in artikel 11a van de
Advocatenwet, en zijn de instellingen, bedoeld in artikel 10, tweede
lid, onderdeel p, van de Sanctiewet 1977, niet gehouden aan de
geheimhoudingsplicht, bedoeld in artikel 22 van de Wet op het
notarisambt.
2. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de instelling voor
een cliënt werkzaamheden verricht betreffende de bepaling van diens
rechtspositie, diens vertegenwoordiging en verdediging in rechte, het
geven van advies voor, tijdens en na een rechtsgeding of het geven van
advies over het instellen of vermijden van een rechtsgeding.
§ 3.3 Gegevensverwerking inzake meldingen
Artikel 3.3.1 Verwerking van gegevens
1. Het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 3.1.1, verwerkt gegevens voor
de taken en bevoegdheden, bedoeld in artikel 3.1.2.
2. Bij sanctiebesluit of sanctieregeling kunnen regels worden gesteld
over de wijze waarop de verwerking van de gegevens plaatsvindt en over
de bewaartermijnen van de gegevens verkregen op grond van de
meldingsplicht, bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid.
Artikel 3.3.2 Verstrekking van gegevens
1. Het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 3.1.1, kan voor de uitvoering
van zijn taak, bedoeld in artikel 3.1.2, onderdeel c, gegevens opvragen
bij:
a. degene die de melding heeft gedaan;
b. een instelling als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
Sanctiewet 1977 die naar het oordeel van het bestuursorgaan, bedoeld in
artikel 3.1.1, beschikt over gegevens die relevant zijn voor het
analyseren van de gegevens die het verkrijgt naar aanleiding van een
melding.
2. Degene aan wie gegevens zijn gevraagd, verstrekt deze onverwijld en
in schriftelijke vorm en in spoedeisende gevallen mondeling, aan het
bestuursorgaan, bedoeld in artikel 3.1.1, waarbij de mondeling
verstrekte gegevens zo spoedig mogelijk schriftelijk worden bevestigd.
HOOFDSTUK 4. Bepalingen betreffende de bedrijfsprocessen van
instellingen
[Gereserveerd]
HOOFDSTUK 5. Bepalingen over de continuïteit en afwikkeling van
ondernemingen
Artikel 5.1 Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
aanbieders van cryptoactiva: aanbieders van cryptoactiva en
personen die verzoeken om toelating tot de handel in cryptoactiva in de
zin van titels II, III en IV van de verordening cryptoactiva;
aanbieders van cryptoactivadiensten: aanbieders van
cryptoactivadiensten in de zin van titel V van de verordening
cryptoactiva;
opdracht: verplichting tot het verrichten of zich onthouden van
feitelijke handelingen of rechtshandelingen;
verordening bankentoezicht: Verordening (EU)
nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese
Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid
inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PbEU 2013,
L 287);
verordening cryptoactiva: Verordening (EU) 2023/1114 van
het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2023 betreffende
cryptoactivamarkten en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr.
1093/2010 en (EU) nr. 1095/2010 en Richtlijnen 2013/36/EU en (EU)
2019/1937 (PbEU 2023, L 150);
verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme: Verordening
(EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014
tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor
de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde
beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk
afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk bankenafwikkelingsfonds
en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees
Parlement en de Raad (PbEU 2014, L 225);
verordening herstel en afwikkeling centrale tegenpartijen: Verordening
(EU) 2021/23 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december
2020 betreffende een kader voor het herstel en de afwikkeling van
centrale tegenpartijen en tot wijziging van de Verordeningen
(EU) nr. 1095/2010, nr. 648/2012, nr. 600/2014, nr. 806/2014 en 2015/2365,
en de Richtlijnen
2002/47/EG, 2004/25/EG, 2007/36/EG, 2014/59/EU
en (EU) 2017/1132 (PbEU
2021, L 22).
Artikel 5.2 Uitoefening taken en
bevoegdheden
Onze Minister van Economische Zaken oefent de aan hem toekomende
taken en bevoegdheden op grond van dit hoofdstuk uit in overeenstemming
met Onze Ministers die het mede aangaat, met uitzondering van de
bevoegdheid, bedoeld in artikel 5.4, vierde lid.
Artikel 5.3 Ambtshalve aanwijzing van een
bewindvoerder
1. Onze Minister van Economische Zaken kan een of meer personen
aanwijzen die opdrachten kunnen verstrekken aan een in Nederland
gevestigde onderneming, als naar het oordeel van Onze Minister van
Economische Zaken de toepassing van een verplichting op die onderneming
op grond van een sanctiemaatregel nadelige gevolgen voor de financiële
stabiliteit of continuïteit van de onderneming met zich brengt en
daarmee ernstige maatschappelijke, economische of
werkgelegenheidseffecten voor de Nederlandse samenleving kan
veroorzaken. Aan de aanwijzing kunnen voorschriften worden
verbonden.
2. Onze Minister van Economische Zaken wijst personen aan met kennis en
ervaring op het gebied van het beheren, herstructureren of afwikkelen
van ondernemingen. Onze Minister van Economische Zaken kan een
aangewezen persoon vervangen door een andere persoon.
3. De opdrachten strekken ertoe om de medewerking van de onderneming aan
de effectiviteit van de verplichting en naleving door de onderneming van
de voorschriften bij of krachtens deze wet te verzekeren en het beperken
van de mogelijke effecten, bedoeld in het eerste lid, onder het
gelijktijdig streven naar de financiële stabiliteit of continuïteit van
de onderneming of de zorgvuldige afwikkeling van de activiteiten van de
onderneming.
4. Als de belangen, bedoeld in het eerste lid, dit naar het oordeel van Onze Minister van Economische Zaken vereisen, kan Onze Minister van Economische Zaken bij de aanwijzing bepalen dat de aangewezen persoon de rechtspersoon die de onderneming drijft in rechte kan vertegenwoordigen of dat de aangewezen persoon het bestuur of de leiding van een onderneming vervangt.
5. Voor zover dit verenigbaar is met de doelen, bedoeld in het derde
lid, richt een aangewezen persoon die op grond van het vierde lid het
bestuur of de leiding van een onderneming vervangt zich naar het belang
van de onderneming.
6. Onze Minister van Economische Zaken trekt de aanwijzing in zodra deze
niet meer nodig is, maar in ieder geval niet later dan het moment waarop
de verplichting, bedoeld in het eerste lid, niet meer van toepassing is
op de onderneming.
7. Van een aanwijzingsbesluit of de intrekking daarvan wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
8. Dit artikel is niet van toepassing op ondernemingen die als
advocaat, notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris werkzaamheden
verrichten.
Artikel 5.4 Regels over opdrachten van de
bewindvoerder
1. Alle bestuurders, commissarissen, personen die feitelijk leidinggeven
en andere werknemers binnen de onderneming, verstrekken de aangewezen
persoon op diens verzoek alle informatie die benodigd is in verband met
het doel, bedoeld in artikel 5.3, derde lid, volgen de opdrachten
verstrekt door de aangewezen persoon op en verlenen de aangewezen
persoon alle medewerking. Degene die op grond van de vorige zin
verplicht is tot medewerking, informatieverstrekking of het opvolgen van
een opdracht, is niet aansprakelijk voor schade ten gevolge van het
nakomen van die verplichting.
2. Het opvolgen van de opdrachten verstrekt door de aangewezen persoon
heeft geen instemming nodig van de algemene vergadering of een
vergadering van houders van aandelen van een bepaalde soort of
aanduiding. Voor zover en voor zolang de volgende afwijkingen nodig zijn
en zonder afbreuk te doen aan het beginsel van gelijke behandeling van
aandeelhouders, zijn niet van de toepassing de artikelen 96, 96a, 98c,
vijfde lid, 99, 100, eerste lid, 107a en 108a, titel 5, afdeling 3, en
artikel 231, tweede tot en met vierde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek, artikel 5:25ka van de Wet op het financieel toezicht, eventuele
statutaire bepalingen of tussen de rechtspersoon en haar aandeelhouders
dan wel tussen twee of meer aandeelhouders onderling overeengekomen
regelingen over de besluitvorming door de algemene vergadering of een
vergadering van houders van aandelen van een bepaalde soort of
aanduiding.
3. Rechtshandelingen in strijd met een opdracht van een aangewezen
persoon zijn vernietigbaar. De vernietigingsgrond kan alleen worden
ingeroepen door de aangewezen persoon of Onze Minister van Economische
Zaken.
4. Tegen een opdracht van een aangewezen persoon kan administratief
beroep worden ingesteld bij Onze Minister van Economische Zaken.
5. Onverminderd de aansprakelijkheid van de Staat, is een aangewezen
persoon niet aansprakelijk voor schade ten gevolge van door hem
verstrekte opdrachten.
Artikel 5.5 Aanwijzing bewindvoerder in de financiële
sector
1. Ten aanzien van financiële ondernemingen in de zin van de Wet op het
financieel toezicht, trustkantoren in de zin van de Wet toezicht
trustkantoren 2018, accountantsorganisaties in de zin van de Wet
toezicht accountantsorganisaties, pensioenuitvoerders en pensioenfondsen
in de zin van de Pensioenwet, pensioenuitvoerders en
beroepspensioenfondsen in de zin van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, financiële ondernemingen in de zin van de Wet
financiële markten BES en aanbieders van cryptoactiva en aanbieders van
cryptoactivadiensten, oefent Onze Minister van Economische Zaken de
bevoegdheden op grond van dit hoofdstuk uit in overeenstemming met de
Nederlandsche Bank N.V. of de Autoriteit Financiële Markten ieder voor
zover belast met de uitoefening van taken ingevolge die wetten en
verordening, of de Europese Centrale Bank, als deze bevoegd is toezicht
uit te oefenen op die onderneming op grond van de artikelen 4 en 6 van
de verordening bankentoezicht.
2. Onze Minister van Economische Zaken oefent de bevoegdheden op grond
van dit hoofdstuk niet uit op een onderneming ten aanzien waarvan een
besluit tot afwikkeling is genomen op grond van de verordening
gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, de verordening herstel en
afwikkeling centrale tegenpartijen of de Wet op het financieel
toezicht.
3. De uitoefening van enige bevoegdheid op grond van dit hoofdstuk laat
onverlet de uitoefening van enige bevoegdheid en de tenuitvoerlegging
van besluiten en maatregelen op grond van de andere hoofdstukken van
deze wet, de Sanctiewet 1977, de Wet ter voorkoming van witwassen en
financieren van terrorisme, afdeling 2 van titel 8 van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek, de verordening gemeenschappelijk
afwikkelingsmechanisme, de verordening herstel en afwikkeling centrale
tegenpartijen, de verordening bankentoezicht, de verordening
cryptoactiva of de wetten, genoemd in het eerste lid.
4. Onze Minister van Economische Zaken trekt een aanwijzingsbesluit als
bedoeld in dit hoofdstuk in, als ten aanzien van de onderneming:
a. een curator als bedoeld in artikel 1:76 van de Wet op het financieel
toezicht of een bijzondere bewindvoerder als bedoeld in artikel 1:76a
van die wet, een curator als bedoeld in artikel 54 van de Wet toezicht
trustkantoren 2018, een curator als bedoeld in artikel 172 van de
Pensioenwet of een bewindvoerder als bedoeld in artikel 173 van die
wet,
een curator als bedoeld in artikel 167 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling of een bewindvoerder als bedoeld in artikel 168
van die wet, of een curator als bedoeld in artikel 7.14 van de Wet
financiële markten BES wordt aangesteld, tenzij het bestuursorgaan dat
deze maatregel neemt of op wiens verzoek die maatregel wordt genomen
instemt met de handhaving van de aanwijzing;
b. de voortdurende aanwezigheid van de Nederlandsche Bank N.V. wordt
ingesteld, bedoeld in artikel 3:111a, tweede lid, onderdeel o, van de
Wet op het financieel toezicht, tenzij de Nederlandsche Bank N.V.
instemt met de handhaving van de aanwijzing; of
c. een besluit tot afwikkeling wordt genomen op grond van de verordening
gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, de verordening herstel en
afwikkeling centrale tegenpartijen of de Wet op het financieel toezicht,
tenzij de Nederlandsche Bank N.V. instemt met de handhaving van de
aanwijzing.
Artikel 5.6 Gegevensbescherming bij bewindvoering in de
financiële sector
1. Een persoon die wordt aangewezen in overeenstemming met
artikel 5.5, verstrekt eigener beweging of desgevraagd aan Onze Minister
van Economische Zaken onverwijld alle voor de uitoefening van diens taak
benodigde gegevens.
2. Een persoon die wordt aangewezen in overeenstemming met artikel 5.5,
verstrekt eigener beweging of desgevraagd aan de Autoriteit Financiële
Markten en de Nederlandsche Bank N.V. onverwijld alle gegevens die nodig
zijn voor de vervulling van hun taken op grond van de wetten en
verordeningen, genoemd in artikel 5.5, derde lid, en aan de
Nederlandsche Bank N.V. alle gegevens die nodig zijn voor de vervulling
van de taken op grond van die verordeningen van de bestuursorganen,
genoemd in artikel 1:90, zevende en achtste lid, van de Wet op het
financieel toezicht.
3. Op het gebruik van vertrouwelijke gegevens die worden ontvangen of
verstrekt door een persoon die is aangewezen in overeenstemming met
artikel 5.5, bij de vervulling van zijn krachtens dit hoofdstuk
opgedragen taken of die op grond van het eerste of tweede lid worden
verstrekt, zijn de volgende bepalingen van overeenkomstige toepassing
als de aanwijzing is gegeven ten aanzien van een onderneming in de
daarbij vermelde categorieën:
a. financiële ondernemingen in de zin van de Wet op het financieel
toezicht, afdeling 1.5.1 van die wet;
b. trustkantoren in de zin van de Wet toezicht trustkantoren 2018,
paragraaf 7.1 van die wet;
c. accountantsorganisaties in de zin van de Wet toezicht
accountantsorganisaties, de hoofdstukken 5a, 5b en 5c van die wet;
d. pensioenuitvoerders en pensioenfondsen in de zin van de Pensioenwet,
de artikelen 204 tot en met 208b van die wet;
e. pensioenuitvoerders en beroepspensioenfondsen in de zin van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling, de artikelen 198 tot en met 202b van
die wet; en
f. financiële ondernemingen in de zin van de Wet financiële markten BES,
hoofdstuk 1, paragraaf 4, van die wet; en
g. aanbieders van cryptoactiva en aanbieders van cryptoactivadiensten in
de zin van de verordening cryptoactiva, artikel 100, tweede lid, van die
verordening.
HOOFDSTUK 6. Bepalingen over het beheer van
registergoederen
Artikel 6.1 Beheerovername registergoederen
1. Als een registergoed is bevroren op grond van een
sanctiemaatregel kan Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke
Ordening voor wat betreft onroerende zaken of Onze Minister van
Infrastructuur en Waterstaat voor wat betreft vaartuigen en
luchtvaartuigen, de eigenaar of degene die om een andere reden bevoegd
is tot het in beheer of gebruik geven van het registergoed, mededelen
dat het registergoed in beheer wordt gegeven aan:
a. hem;
b. een persoon die op grond van beroep of bedrijf op het terrein van het
registergoed werkzaam is; of
c. een op het terrein van het registergoed werkzame instelling.
2. Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening of Onze
Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan alleen een bevroren
registergoed in beheer of gebruik geven als:
a. er sprake is van risico’s op maatschappelijke schade met betrekking
tot dat registergoed, met inbegrip van schade aan de fysieke
leefomgeving; of
b. het belang van de huurder geschaad wordt door de bevriezing van het
gehuurde op grond van een sanctiemaatregel.3. Het beheer wordt overgenomen om de risico’s te beperken, of de
schade te voorkomen, te beperken of te herstellen.
4. Onder beheer wordt in dit hoofdstuk verstaan het verrichten
van alle handelingen met betrekking tot een registergoed die volgens het
burgerlijk recht tot de rechten en plichten van een eigenaar behoren met
uitzondering van vervreemden en bezwaren, voor zover die rechten en
plichten zien op het wegnemen van de risico’s op maatschappelijke
schade.
5. Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening of Onze
Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan voorwaarden stellen aan de
uitvoering van het beheer van het registergoed.
6. Het is degene tot wie een besluit als bedoeld in het eerste
lid is gericht, verboden gedurende de termijn waarvoor het registergoed
in beheer is gegeven beheerhandelingen te verrichten.
7. Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
of Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat beëindigt het beheer
zodra:
a. ten aanzien van de eigenaar van het registergoed de sanctiemaatregel
niet meer van toepassing is; of
b. naar het oordeel van Onze Minister van Volkshuisvesting en
Ruimtelijke Ordening of Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat
er geen sprake meer is van risico’s op maatschappelijke schade met
betrekking tot het registergoed. Artikel 6.2 Kostenverhaal
beheerovername
1. Als een registergoed in beheer is gegeven op grond van artikel
6.1, stelt Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening of
Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat een beheervergoeding vast
die degene tot wie het besluit, bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, is
gericht, is verschuldigd aan Onze Minister van Volkshuisvesting en
Ruimtelijke Ordening of Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat
ten behoeve van het beheer.
2. De beheervergoeding bestaat uit een kostendekkende vergoeding voor de
uitvoering van het beheer.
3. Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening of Onze
Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan de beheervergoeding
invorderen bij dwangbevel.HOOFDSTUK 7. Toezicht en handhaving
§ 7.1 Toezicht en handhaving ter naleving van sanctiemaatregelen
§ 7.1.1 Aanwijzing toezichthouders
Artikel 7.1.1 Aanwijzing toezichthouders
1. Met het toezicht op de naleving van sanctiemaatregelen zijn
belast:
a. de bij besluit van Onze Minister, handelende in overeenstemming met
Onze Minister die het mede aangaat, aangewezen personen;
b. de bij besluit van een bestuursorgaan als bedoeld in artikel
7.1.2, eerste lid, onderdelen a en b, of tweede lid, aangewezen
personen;
c. de inspecteur, genoemd in artikel 1:3, eerste lid, onderdeel c,
van de Algemene douanewet en artikel 1.1, onderdeel h, van de Douane- en
Accijnswet BES, voor zover het betreft de uitoefening van bevoegdheden
met betrekking tot inkoop, verkoop, invoer, uitvoer of doorvoer, direct
of indirect, van goederen en diensten;
d. de deken, bedoeld in artikel 45a, eerste lid, van de Advocatenwet,
voor zover het betreft de uitoefening van bevoegdheden jegens de
instellingen, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdeel o, van de
Sanctiewet 1977.
2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a
en b, wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
§ 7.1.2 Handhaving ter naleving van
sanctiemaatregelen
Artikel 7.1.2 Aanwijzing bestuursorganen met handhavende
bevoegdheden
1. De volgende bestuursorganen beschikken voor de uitvoering
van hun taken bij of krachtens deze wet over de bevoegdheden, bedoeld in
de artikelen 7.1.3 tot en met 7.1.5:
a. Onze Minister van Economische Zaken, voor zover het betreft
de uitoefening van bevoegdheden die toezien op eigendom of zeggenschap
van niet-beursgenoteerde ondernemingen;
b. het Bureau Financieel Toezicht, voor zover het betreft de uitoefening
van bevoegdheden jegens de instellingen, bedoeld in artikel 10, tweede
lid, onderdelen m, n, p en q, van de Sanctiewet 1977;
c. de inspecteur, genoemd in artikel 1:3, eerste lid, onderdeel c, van
de Algemene douanewet en artikel 1.1, onderdeel h, van de Douane- en
Accijnswet BES, voor zover het betreft de inkoop, verkoop, invoer,
uitvoer of doorvoer, direct of indirect, van goederen en diensten;
d. de deken, bedoeld in artikel 45a, eerste lid, van de Advocatenwet,
voor zover het betreft de uitoefening van bevoegdheden jegens de
instellingen, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdeel o, van de
Sanctiewet 1977.
2. Bij sanctiebesluit of sanctieregeling kunnen andere bestuursorganen
worden aangewezen die beschikken over de bevoegdheden, bedoeld in de
artikelen 7.1.3 tot en met 7.1.5, ter handhaving van de bij
sanctiebesluit of sanctieregeling te bepalen verplichtingen.
3. Na de plaatsing in het Staatsblad of de Staatscourant van een
krachtens het tweede lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur of
ministeriële regeling wordt een voorstel van wet tot regeling van de
aanwijzing van het bestuursorgaan, bedoeld in het tweede lid, zo spoedig
mogelijk bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal ingediend. Als het
voorstel wordt ingetrokken of als een van de beide Kamers der
Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de
algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling onverwijld
ingetrokken. Wordt het voorstel tot wet verheven, dan wordt de algemene
maatregel van bestuur of ministeriële regeling ingetrokken op het
tijdstip van inwerkingtreding van die wet.
Artikel 7.1.3 Aanwijzingsbeschikking
Het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 7.1.2, kan eenieder die niet
voldoet aan een krachtens een sanctiemaatregel op hem rustende
verplichting, door middel van het geven van een aanwijzing verplichten
om binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn voor in
de aanwijzingsbeschikking aan te geven punten een bepaalde gedragslijn
te volgen.
Artikel 7.1.4 Last onder bestuursdwang
Het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 7.1.2, is bevoegd tot oplegging
van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de in een
sanctiebesluit of sanctieregeling opgenomen verplichtingen.
Artikel 7.1.5 Bestuurlijke boete
1. Het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 7.1.2, is bevoegd tot
oplegging van een bestuurlijke boete ter handhaving van de in een
sanctiebesluit of sanctieregeling opgenomen verplichtingen.
2. De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste het bedrag dat is
vastgesteld voor de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid,
van het Wetboek van Strafrecht.
3. Als de waarde van de goederen, waarmee of waarvoor de overtreding is
begaan, of die geheel of gedeeltelijk door middel van de overtreding
zijn verkregen, hoger is dan het vierde gedeelte van het maximum van de
bestuurlijke boete die kan worden opgelegd, kan een bestuurlijke boete
worden opgelegd van de naast hogere categorie.
4. De hoogte van de op te leggen bestuurlijke boete kan voor iedere
overtreding bij sanctiebesluit of sanctieregeling worden bepaald. De
overtredingen kunnen worden gerangschikt in categorieën naar zwaarte van
de overtreding.
Artikel 7.1.6 Publicatie besluit tot oplegging bestuurlijke
sanctie
1. Bij sanctiebesluit of sanctieregeling kan worden bepaald dat het
bestuursorgaan, bedoeld in artikel 7.1.2, een besluit tot oplegging van
een bestuurlijke sanctie ingevolge deze paragraaf openbaar maakt. De
openbaarmaking geschiedt zodra het besluit onherroepelijk wordt.
2. Als wordt verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht om openbaarmaking op
grond van dit artikel te voorkomen, wordt de openbaarmaking opgeschort
totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.
3. Als bij sanctiebesluit of sanctieregeling is bepaald dat een
bestuurlijke sanctie openbaar wordt gemaakt, worden bij dat
sanctiebesluit of die sanctieregeling nadere regels gesteld over de
openbaarmaking. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op de
termijn waarbinnen de openbaarmaking van het besluit plaatsvindt en de
wijze waarop de openbaarmaking plaatsvindt.
§ 7.1.3 Bijzondere handhavingsbevoegdheid bij ernstige
niet-naleving van sanctiemaatregelen of risico op ernstige
ontduiking
Artikel 7.1.7 Ingrijpen bij ontduiking of
ondermijning
1. Onze Minister van Economische Zaken, in overeenstemming met Onze
Ministers die het mede aangaat, kan een of meer personen aanwijzen die
het bestuur of de leiding van een onderneming, waarop een verplichting
van toepassing is als gevolg van een sanctiemaatregel, vervangt, als
door het handelen of nalaten van deze onderneming:
a. sprake is van een ernstige niet-naleving van toepasselijke
sanctiemaatregelen; of
b. een risico ontstaat of wordt vergroot op ernstige ontduiking of op
het actief bijdragen daaraan van de werking van sanctiemaatregelen door
andere ondernemingen die met de onderneming zijn verbonden.
2. Van een aanwijzingsbesluit of de intrekking daarvan wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
3. De werkzaamheden van een aangewezen persoon hebben tot doel:
a. te verzekeren dat de onderneming handelt overeenkomstig de
toepasselijke sanctiemaatregelen; of
b. te voorkomen dat de onderneming bijdraagt aan de ontduiking van de
werking van sanctiemaatregelen of andere voorschriften bij of krachtens
deze wet door andere ondernemingen die met de betrokken onderneming zijn
verbonden.
4. Voor zover dit verenigbaar is met de doelen, bedoeld in het derde
lid, richt een aangewezen persoon zich naar het belang van de
onderneming.
5. De artikelen 5.3, vierde lid, en 5.4 zijn van overeenkomstige
toepassing.
6. Onze Minister van Economische Zaken, in overeenstemming met Onze
Ministers die het mede aangaat, brengt de kosten die samenhangen met de
toepassing van dit artikel ten laste van de betrokken onderneming,
waarbij de hoogte van het bedrag per geval wordt vastgesteld en is
gebaseerd op de voor het toezicht op de desbetreffende onderneming
daadwerkelijk gemaakte kosten.
7. Dit artikel is niet van toepassing op:
a. ondernemingen waarop de voorschriften inzake geschiktheid en betrouwbaarheid van bestuurders en integere uitoefening van het bedrijf op grond van de Wet op het financieel toezicht, de Wet toezicht trustkantoren 2018, de Wet toezicht accountantsorganisaties, de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling, de Wet financiële markten BES of de verordening cryptoactiva, bedoeld in artikel 5.1, van toepassing zijn;
b. ondernemingen die als advocaat, notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris werkzaamheden verrichten.
§ 7.2 Toezicht en handhaving ter naleving van hoofdstuk
4
[Gereserveerd]
§ 7.3 Strafrechtelijke
handhaving
Artikel 7.3.1 Toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet
De Nederlandse strafwet is ook van toepassing op de Nederlander die
zich buiten Nederland schuldig maakt aan een bij of krachtens deze wet
strafbaar gesteld feit.
HOOFDSTUK 8. Gegevensverwerking
§ 8.1 Toepassingsbereik
Artikel 8.1.1 Toepassingsbereik
1. Dit hoofdstuk is van toepassing op gegevensverwerking bij of
krachtens deze wet, met uitzondering van gegevensverwerking door:
a. een persoon die is aangewezen in overeenstemming met artikel 5.5,
eerste lid, bij de vervulling van zijn krachtens hoofdstuk 5 opgedragen
taken; en
b. de Autoriteit Financiële Markten en de Nederlandsche Bank N.V. voor
zover het betreft gegevens die op grond van artikel 5.6, tweede lid,
zijn verstrekt.
2. Dit hoofdstuk laat onverlet de verplichtingen tot het
verstrekken van gegevens in internationale sanctiemaatregelen uit
verdragen en bindende besluiten van volkenrechtelijke
organisaties.
§ 8.2 Gegevensverwerking
Artikel 8.2.1 Gegevensverstrekking inzake
meldingen
1. Het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 3.1.1, kan gegevens
verstrekken over meldingen van degenen op wie de meldingsplicht van
toepassing is, met inbegrip van de inhoud van die meldingen en analyses
vastgesteld naar aanleiding van die meldingen, aan:
a. de bevoegde autoriteiten die zijn aangewezen bij sanctiebesluit of
sanctieregeling;
b. de toezichthouders die zijn belast met het toezicht op de naleving
van sanctiemaatregelen;
c. de toezichthoudende autoriteiten, genoemd in artikel 9a van de
Sanctiewet 1977;
d. het Openbaar Ministerie en de overige ambtenaren belast met de
opsporing van strafbare feiten;
e. de Europese Commissie.
2. De bevoegde autoriteiten die zijn aangewezen bij sanctiebesluit of
sanctieregeling, de toezichthoudende autoriteiten, genoemd in artikel 9a
van de Sanctiewet 1977, en de toezichthouders die zijn belast met het
toezicht op de naleving van sanctiemaatregelen verstrekken aan het
bestuursorgaan, bedoeld in artikel 3.1.1, alle gegevens die noodzakelijk
zijn ter uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 3.1.2, onderdeel
c.
Artikel 8.2.2 Gegevensverwerking vanwege onderzoek naar
ondernemingen
1. Onze Minister van Economische Zaken verwerkt gegevens voor zover dit
noodzakelijk is om overeenkomstig deze wet de eigendomsverhoudingen van
of zeggenschap over in Nederland gevestigde ondernemingen vast te
stellen of te beoordelen ten aanzien van de verenigbaarheid met
sanctiemaatregelen.
2. Onze Minister van Economische Zaken is verwerkingsverantwoordelijke
voor de verwerking van persoonsgegevens op grond van het eerste lid en
artikel 8.2.3.
Artikel 8.2.3 Gegevensverstrekking vanwege onderzoek naar
ondernemingen
1. Onze Minister van Economische Zaken maakt, ten behoeve van
het doel, bedoeld in artikel 8.2.2, eerste lid, gebruik van gegevens die
afkomstig zijn uit:
a. het handelsregister;
b. de basisregistratie kadaster en de openbare registers, bedoeld in
artikel 1, eerste lid, van de Kadasterwet;
c. de basisregistratie personen, bedoeld in artikel 1.2 van de Wet
basisregistratie personen;
d. overige openbare registers bij wet ingesteld; en
e. openbare informatie.
2. De volgende bestuursorganen, toezichthouders of andere personen,
verstrekken op verzoek alle gegevens aan Onze Minister van Economische
Zaken ten behoeve van het doel, bedoeld in artikel 8.2.2, eerste
lid:
a. Onze Minister van Buitenlandse Zaken, voor zover het gegevens betreft
die verwerkt worden in het kader van de Wet strategische diensten en het
Besluit strategische goederen;
b. Onze Minister van Financiën, voor zover het gegevens betreft die
verwerkt worden door de Belastingdienst;
c. Onze Minister van Justitie en Veiligheid, met inachtneming van de Wet
justitiële en strafvorderlijke gegevens, voor zover het justitiële
gegevens betreft in relatie tot de onderneming, of bestuurders,
leidinggevenden of sleutelfunctionarissen binnen de onderneming;
d. de Autoriteit Consument en Markt, voor zover het gegevens betreft die
worden verwerkt in het kader van hoofdstuk 5 van de
Mededingingswet;
e. de veiligheidscommissie of beveiligingsfunctionaris, ingesteld door
de onderneming, voor zover het gegevens betreft over inbreuken of
dreigende inbreuken op beperkingen of verboden voor toegang tot
gevoelige informatie of bedrijfsprocessen door natuurlijke personen,
rechtspersonen of entiteiten waarvoor een sanctiemaatregel geldt;
f. De Nederlandsche Bank N.V. voor zover het gegevens betreft op grond
van haar taken bij of krachtens deze wet of de Sanctiewet 1977;
g. de Stichting Autoriteit Financiële Markten voor zover het gegevens
betreft op grond van haar taken bij of krachtens deze wet of de
Sanctiewet 1977;
h. de Kamer van Koophandel voor zover het gegevens betreft op grond van
artikel 15a van de Handelsregisterwet 2007 en artikel 5 van de
Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van trusts en
soortgelijke juridische constructies.
3. Onze Minister van Economische Zaken kan voor zover dit noodzakelijk
is ten behoeve van het doel, bedoeld in artikel 8.2.2, eerste lid, Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verzoeken om
mededeling als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel f, van de Wet
op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 te doen of Onze Minister
van Defensie verzoeken om mededeling als bedoeld in artikel 10, tweede
lid, onderdeel g, van die wet te doen.
4. Een notaris geeft van tot zijn protocol behorende verklaringen van
erfrecht op verzoek afschriften uit aan Onze Minister van Economische
Zaken, voor zover dit noodzakelijk is voor het doel, bedoeld in artikel
8.2.2, eerste lid. Artikel 49b van de Wet op het notarisambt is van
overeenkomstige toepassing.
5. Voor de naleving van de verplichting, bedoeld in het vierde lid, zijn
de notaris en de onder zijn verantwoordelijkheid werkzame personen niet
gehouden aan de geheimhoudingsplicht, bedoeld in artikel 22 van de Wet
op het notarisambt.
6. De gegevensverstrekking, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, en
het tweede tot en met vierde lid, geschiedt kosteloos.
7. Als bij Onze Minister van Economische Zaken onduidelijkheid bestaat
over de eigendomsstructuur en -verhoudingen binnen de onderneming,
verstrekt de onderneming, voor zover deze geen beursgenoteerde
onderneming betreft, aan Onze Minister van Economische Zaken op verzoek
kosteloos een uittreksel uit het door de onderneming gehouden
aandeelhoudersregister, bedoeld in de artikelen 85 en 194 van Boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 8.2.4 Doorgifteplicht aan registers
1. Bestuursorganen en toezichthouders die bij of krachtens de
wet zijn belast met een taak ter uitvoering van sanctiemaatregelen,
verstrekken aan de beheerders, genoemd in het tweede lid, gegevens
waaruit blijkt dat er een relatie bestaat tussen:
a. het onderwerp van registratie en daarmee samenhangende informatie;
en
b. natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen, waarvan
bij of krachtens een sanctiemaatregel, de tegoeden of economische
middelen bevroren zijn of waarvan het aangaan of voortzetten van de
economische of financiële betrekkingen is beperkt of verboden.
2. De gegevens worden verstrekt aan de beheerders van de volgende
registers:
a. het handelsregister, bedoeld in artikel 2, van de Handelsregisterwet
2007;
b. het register, bedoeld in artikel 1 van de Implementatiewet
registratie uiteindelijk belanghebbenden van trusts en soortgelijke
juridische constructies;
c. de basisregistratie kadaster, bedoeld in artikel 1a van de
Kadasterwet, de registratie voor schepen, bedoeld in artikel 85, eerste
lid, van de Kadasterwet, en de registratie voor luchtvaartuigen, bedoeld
in artikel 92, eerste lid, van de Kadasterwet;
d. het register, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet
ruimtevaartactiviteiten;
e. het Nederlands rassenregister, bedoeld in artikel 25, van de
Zaaizaad- en plantgoedwet 2005;
f. het octrooiregister, bedoeld in artikel 19 van de Rijksoctrooiwet
1995;
g. het kentekenregister, bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de
Wegenverkeerswet 1993;
h. het register, bedoeld in artikel 1, van de Wet bescherming
oorspronkelijke topografieën van halfgeleiderprodukten.
3. Als de relatie zich niet langer voordoet verstrekt het bestuursorgaan
of de toezichthouder, bedoeld in het eerste lid, de gegevens aan de
betreffende beheerder of beheerders waaruit dit blijkt.
Artikel 8.2.5 Bevoegdheid tot gegevensverstrekking
1. Onverminderd de artikelen 8.2.1 tot en met 8.2.4, zijn
bestuursorganen, toezichthouders en andere personen of entiteiten die
bij of krachtens de wet zijn belast met een taak ter uitvoering van
sanctiemaatregelen, bevoegd om gegevens, verkregen bij de vervulling van
de aan hun opgedragen taak, te verstrekken aan een Nederlandse of
buitenlandse overheidsinstantie of een Nederlandse of buitenlandse van
overheidswege aangewezen instantie, voor zover deze belast is met het
toezicht op de naleving of met de uitvoering van
sanctiemaatregelen.
2. De gegevens worden niet verstrekt als:
a. het doel waarvoor de gegevens zullen worden gebruikt onvoldoende
bepaald is;
b. de verstrekking van de gegevens zich niet zou verdragen met de wet of
de openbare orde;
c. de geheimhouding van de gegevens niet in voldoende mate is
gewaarborgd;
d. de verstrekking van de gegevens redelijkerwijs in strijd is of zou
kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt te beschermen; of
e. onvoldoende is gewaarborgd dat de gegevens niet zullen worden
gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden verstrekt.
§ 8.3 Nadere regels over gegevensverwerking
Artikel 8.3.1 Nadere regels ter uitvoering van verdragen en
bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties
1. Voor zover dat nodig is ter uitvoering van internationale
sanctiemaatregelen voortvloeiend uit verdragen en bindende besluiten van
volkenrechtelijke organisaties, kunnen bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur of bij regeling van Onze Minister regels worden
gesteld over de verwerking van gegevens door en aan bij dat besluit of
die regeling aangewezen bestuursorganen en toezichthouders.
2. Artikel 2.1.1, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.3.2 Nadere regels ter uitvoering van aanbevelingen van
volkenrechtelijke organisaties en internationale
afspraken
1. Ter uitvoering van internationale sanctiemaatregelen voortvloeiend
uit aanbevelingen van volkenrechtelijke organisaties of internationale
afspraken, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels
gesteld over de verwerking van gegevens, met inbegrip van bijzondere
categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van
strafrechtelijke aard, door en aan bij dat besluit aangewezen
bestuursorganen en toezichthouders.
2. De regels betreffen in ieder geval de doeleinden van de
gegevensverwerking en de noodzakelijke gegevensuitwisseling.
3. De voorschriften over de parlementaire betrokkenheid en de
werkingsduur, bedoeld in de artikelen 2.2.2 en 2.2.3, zijn van
overeenkomstige toepassing.
4. Als een ministeriële regeling voorafgaat aan een algemene maatregel
van bestuur zijn de voorschriften over de onmiddellijke voorziening,
bedoeld in artikel 2.2.4, van overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK 9. Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Artikel 9.1 Toepasselijkheid EU-rechtshandelingen
1. Voor de toepassing van deze wet in de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba gelden bindende besluiten, vastgesteld
in het kader van het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid
van de Europese Unie, als bindende besluiten van volkenrechtelijke
organisaties als bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid.
2. Als bij of krachtens deze wet naar een bindende rechtshandeling als
bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de
Europese Unie wordt verwezen, is deze rechtshandeling van
overeenkomstige toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald.
Artikel 9.2 Toezicht
Op het toezicht, bedoeld in paragraaf 7.1, is titel 5.2 van de
Algemene wet bestuursrecht van toepassing, waarbij geldt dat in
afwijking van artikel 5:16a van de Algemene wet bestuursrecht, een
toezichthouder bevoegd is van personen een identiteitsdocument te
vorderen als bedoeld in artikel 2 van de Wet identificatieplicht
BES.
Artikel 9.3 Strafrechtelijke handhaving
1. Overtredingen van voorschriften gesteld bij of krachtens de
artikelen 2.1.1, eerste lid, 2.2.1, en 2.2.4, eerste lid, zijn
misdrijven voor zover zij opzettelijk zijn begaan. Voor zover deze
gedragingen niet opzettelijk worden begaan, zijn zij
overtredingen.
2. In geval van een misdrijf kan de rechter in de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba een gevangenisstraf van ten hoogste zes
jaar of een geldboete van de vijfde categorie opleggen.
3. In geval van een overtreding kan de rechter in de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba hechtenis van ten hoogste een jaar of
een geldboete van de vierde categorie opleggen.
Artikel 9.4 Opsporingsbevoegdheden
Met de opsporing in de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba van de bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde
feiten zijn belast, naast de in artikel 184 van het Wetboek van
Strafvordering BES bedoelde ambtenaren, de daartoe bij besluit van Onze
Minister van Justitie en Veiligheid, handelende in overeenstemming met
Onze Minister, aangewezen ambtenaren.
HOOFDSTUK 10. Wijzigingen van andere wetten
Artikel 10.1 Wijziging Advocatenwet
De Advocatenwet wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 8, eerste lid, onderdeel n, wordt na “artikel 45g, eerste
lid,” ingevoegd “de artikelen 10c en 10d van de Sanctiewet 1977”.
B
Artikel 8a wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid, onderdeel g, wordt “als bedoeld in de artikelen” vervangen door “als bedoeld in de artikelen 10c en 10d, van de Sanctiewet 1977 dat op grond van artikel 10k van die wet openbaar wordt gemaakt en de artikelen”.
2. In het vierde lid wordt “na openbaarmaking op grond van” vervangen door “na openbaarmaking op grond van artikel 10k van de Sanctiewet 1977 of”.
C
In artikel 28, vijfde lid, wordt “artikel 45a, eerste lid,” vervangen door “artikel 45a, eerste lid, artikel 9a, onderdeel d, van de Sanctiewet 1977,”.
D
In artikel 45b wordt “artikel 45a, eerste lid,” vervangen door “artikel 45a, eerste lid, de bij of krachtens afdeling 5 van de Sanctiewet 1977 gestelde regels,”.
E
Aan artikel 45c, wordt een lid toegevoegd, luidende:
7. Het eerste tot en met zesde lid is van overeenkomstige toepassing op het toezicht op de deken bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Sanctiewet 1977.
F
In artikel 45d, eerste lid, wordt “46c” vervangen door “46c, 9a, onderdeel d, van de Sanctiewet 1977”.
G
In artikel 45h wordt “45a, eerste lid, en artikel 24, tweede lid,” vervangen door “artikel 45a, eerste lid, artikel 9a, onderdeel d, van de Sanctiewet 1977, en artikel 24, tweede lid,”.
H
In artikel 45i wordt “45a, eerste lid, en artikel 24, tweede lid,” vervangen door “artikel 45a, eerste lid, artikel 9a, onderdeel d, tweede lid, van de Sanctiewet 1977, en artikel 24, tweede lid,”.
I
In artikel 46 wordt na “het bepaalde bij of krachtens deze wet,”
ingevoegd “de Sanctiewet 1977,”.
Artikel 10.2 Wijziging Algemene douanewet
In de bijlage bij de artikelen 1:1 en 1:3 van de Algemene douanewet
wordt “Sanctiewet 1977” vervangen door “Wet internationale
sanctiemaatregelen”.
Artikel 10.3 Wijziging Algemene wet
bestuursrecht
De Algemene wet bestuursrecht wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 7 van bijlage 2 wordt als volgt gewijzigd:
1. De zinsnede met betrekking tot de Sanctiewet 1977 komt te luiden:
Sanctiewet 1977: de artikelen 10ba, 10bb, 10c en 10d.
2. In de alfabetische volgorde wordt ingevoegd:
Wet internationale sanctiemaatregelen: de artikelen 5.3, eerste lid, 5.4, eerste lid, en 7.1.7, eerste lid.
B
Artikel 11 van bijlage 2 wordt als volgt gewijzigd:
1. De zinsnede met betrekking tot de Sanctiewet 1977 komt te luiden:
Sanctiewet 1977: de artikelen 10ba, 10bb, 10c en 10d.
2. In de alfabetische volgorde wordt ingevoegd:
Wet internationale sanctiemaatregelen: de artikelen 5.3, eerste lid,
5.4, eerste lid, en 7.1.7, eerste lid.
Artikel 10.4 Wijziging Handelsregisterwet 2007
De Handelsregisterwet 2007 wordt als volgt gewijzigd:
A
Na artikel 16b wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 16c
1. De Kamer is bevoegd om bij een in het handelsregister
ingeschreven onderneming, rechtspersoon of uiteindelijk belanghebbende
een aantekening op te nemen bij enig in het handelsregister opgenomen
gegeven over die onderneming, rechtspersoon of uiteindelijk
belanghebbende, dat wordt genoemd in de artikelen 9 tot en met 15a, of
andere gegevens krachtens artikel 17, indien op grond van een
sanctiemaatregel:
a. de tegoeden en economische middelen van de onderneming,
rechtspersoon of uiteindelijk belanghebbende worden bevroren;
of
b. het aangaan of voortzetten van de economische of financiële
betrekkingen met de onderneming, rechtspersoon of uiteindelijk
belanghebbende is beperkt of verboden.
2. Een aantekening als bedoeld in het eerste lid, wordt in het
handelsregister opgenomen, indien de Kamer informatie ontvangt van
Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van Nederlandse
of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn
met het toezicht op de naleving of met de uitvoering van een
sanctiemaatregel, die de relatie legt of bevestigt.
3. De verstrekker van de informatie controleert jaarlijks of de
verstrekte informatie, bedoeld in het tweede lid, nog reden geeft tot
het opnemen van een aantekening als bedoeld in het eerste
lid.
4. De Kamer verwijdert op grond van informatie die de Kamer
ontvangt van een instantie als bedoeld in het tweede lid, een
aantekening als bedoeld in het eerste lid, indien de relatie zich niet
langer voordoet.
B
In artikel 22a, eerste lid, onderdeel b, wordt “artikel 10, tweede lid, onderdelen a tot en met m, van de Sanctiewet 1977” vervangen door “artikel 10, tweede lid, van de Sanctiewet 1977”.
C
Artikel 28, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel b wordt “artikel 10, eerste lid, van de Sanctiewet 1977 aangewezen ambtenaar of andere persoon” vervangen door “artikel 7.1.1, eerste lid, van de Wet internationale sanctiemaatregelen aangewezen persoon”.
2. Onderdeel c komt te luiden:
c. een op grond van artikel 10, eerste lid, van de Sanctiewet 1977
aangewezen persoon in het kader van het uitoefenen van het toezicht op
de naleving van het bij of krachtens afdeling 5 van die wet
bepaalde;.
Artikel 10.5 Wijziging Implementatiewet registratie uiteindelijk
belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische
constructies
De Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische constructies wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, onderdeel b, wordt “artikel 10, tweede lid, onderdelen a tot en met m, van de Sanctiewet 1977” vervangen door “artikel 10, tweede lid, van de Sanctiewet 1977”.
2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:
a. In onderdeel b wordt “artikel 10, eerste lid, van de Sanctiewet 1977 aangewezen ambtenaar of andere persoon” vervangen door “artikel 7.1.1, eerste lid, van de Wet internationale sanctiemaatregelen aangewezen persoon”.
b. Onderdeel c komt te luiden:
c. een op grond van artikel 10, eerste lid, van de Sanctiewet 1977
aangewezen persoon in het kader van het uitoefenen van het toezicht op
de naleving van het bij of krachtens afdeling 5 van die wet
bepaalde;.
B
Na artikel 15 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 15a
1. De beheerder is bevoegd om bij een in het register
geregistreerde trust of geregistreerde uiteindelijk belanghebbende van
een trust een aantekening op te nemen bij enig in het register opgenomen
gegeven, genoemd in artikel 5, over de trust of die belanghebbende
indien op grond van een sanctiemaatregel:
a. de tegoeden en economische middelen van de trust of uiteindelijk
belanghebbende worden bevroren; of
b. het aangaan of voortzetten van economische of financiële
betrekkingen met de trust of uiteindelijk belanghebbende is beperkt of
verboden.
2. Een aantekening als bedoeld in het eerste lid, wordt in het
register opgenomen, indien de beheerder informatie ontvangt van
Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van Nederlandse
of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn
met het toezicht op de naleving of met de uitvoering van een
sanctiemaatregel, die de relatie legt of bevestigt.
3. De verstrekker van de informatie controleert jaarlijks of de
verstrekte informatie, bedoeld in het tweede lid, nog reden geeft tot
het opnemen van een aantekening als bedoeld in het eerste
lid.
4. De beheerder verwijdert op grond van informatie die de
beheerder ontvangt van een instantie als bedoeld in het tweede lid, een
aantekening als bedoeld in het eerste lid, indien de relatie zich niet
langer voordoet.
Artikel 10.6 Wijziging Kadasterwet
Na artikel 118a van de Kadasterwet wordt een artikel ingevoegd,
luidende:
Artikel 118b
1. De bewaarder is bevoegd om in de basisregistratie kadaster,
de registratie voor schepen en de registratie voor luchtvaartuigen een
aantekening te stellen als het een registergoed betreft dat bevroren is
op grond van een sanctiemaatregel.
2. De Kamer van Koophandel verstrekt aan de bewaarder uit het
handelsregister de gegevens, genoemd in artikel 9, onderdelen a, b en d,
van de Handelsregisterwet 2007, van de rechtspersonen waarvan de
personen, entiteiten of lichamen, bedoeld in het eerste lid, de
uiteindelijk belanghebbenden, bedoeld in artikel 15a van de
Handelsregisterwet 2007 zijn. De bewaarder verwerkt de gegevens
uitsluitend voor het stellen van de aantekening, bedoeld in het eerste
lid.
3. De inspecteur en de ontvanger, bedoeld in artikel 2, derde lid,
onderdeel b, van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen en artikel 2,
eerste lid, onderdeel i, van de Invorderingswet 1990, verstrekken
desgevraagd alle informatie aan de bewaarder die noodzakelijk is voor de
uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid. De bewaarder verwerkt
de gegevens uitsluitend voor het stellen van de aantekening, bedoeld in
het eerste lid.
4. De verstrekker van de informatie controleert jaarlijks of de
verstrekte informatie, bedoeld in het tweede en derde lid, nog reden
geeft tot het opnemen van een aantekening als bedoeld in het eerste
lid.
5. De bewaarder verwijdert op grond van informatie die de bewaarder
ontvangt van de Kamer van Koophandel, bedoeld in het tweede lid, of de
inspecteur en de ontvanger, bedoeld in het derde lid, een aantekening
als bedoeld in het eerste lid, indien de relatie zich niet langer
voordoet.
Artikel 10.7 Wijziging Pensioenwet
In de Pensioenwet wordt aan artikel 208, eerste lid, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
d. Onze Minister van Economische Zaken, voor zover de gegevens of inlichtingen dienstig zijn voor de uitoefening van zijn taken op grond van hoofdstuk 5 van de Wet internationale sanctiemaatregelen.
Artikel 10.8 Wijziging Sanctiewet 1977
De Sanctiewet 1977 wordt als volgt gewijzigd:
A
De artikelen 1 tot en met 8 en 13 tot en met 15 vervallen.
B
Na het opschrift van afdeling 5 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 9
In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
toezichthoudende autoriteit: de toezichthoudende autoriteit,
genoemd in artikel 9a.
C
Na artikel 9 (nieuw) wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 9a
De toezichthoudende autoriteiten zijn:
a. de Stichting Autoriteit Financiële Markten, voor zover het betreft de uitoefening van bevoegdheden jegens de instellingen, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder b, d, k en l;
b. de Nederlandsche Bank N.V., voor zover het betreft de uitoefening van bevoegdheden jegens de instellingen, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder a, c en e tot en met j;
c. het Bureau Financieel Toezicht, voor zover het betreft de
uitoefening van bevoegdheden jegens de instellingen, bedoeld in artikel
10, tweede lid, onder m, n, p en q;
d. de deken, bedoeld in artikel 45a, eerste lid, van de Advocatenwet,
voor zover het betreft de uitoefening van bevoegdheden jegens de
instellingen, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder o.
D
Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
1. Met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze afdeling gestelde regels zijn belast de bij besluit van de toezichthoudende autoriteit aangewezen personen en, voor zover het betreft het toezicht op de naleving door de instellingen, bedoeld in het tweede lid, onder o, de deken, bedoeld in artikel 45a, eerste lid, van de Advocatenwet.
2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:
a. De aanhef komt te luiden:
2. Deze afdeling is van toepassing op de volgende instellingen:.
b. Onderdeel b komt te luiden:
b. beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het
financieel toezicht;.
c. Onderdeel d komt te luiden:
d. beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het
financieel toezicht;.
d. Onderdeel g vervalt
e. Onderdeel k komt te luiden:
k. icbe’s als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht;.
f. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel l door een puntkomma worden de volgende onderdelen toegevoegd:
m. natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen die als
belastingadviseur zelfstandig onafhankelijk beroepsactiviteiten
uitoefenen, of natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen
voor zover zij anderszins zelfstandig in hoofdzaak, onafhankelijk, al
dan niet via andere aan hen gelieerde natuurlijke personen,
rechtspersonen of vennootschappen, daarmee vergelijkbare activiteiten
beroeps- of bedrijfsmatig verrichten;
n. natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen die als
externe registeraccountant of externe accountant-administratieconsulent
zelfstandig onafhankelijk beroepsactiviteiten waaronder forensische
accountancy uitoefenen, dan wel natuurlijke personen, rechtspersonen of
vennootschappen, voor zover die anderszins zelfstandig onafhankelijk
daarmee vergelijkbare activiteiten beroeps- of bedrijfsmatig
verrichten;
o. natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen die als
advocaat:
1°. zelfstandig onafhankelijk beroeps- of bedrijfsmatig advies geven of
bijstand verlenen bij:
i. het aan- of verkopen van registergoederen;
ii. het beheren van geld, effecten, munten, muntbiljetten, edele metalen, edelstenen of andere waarden;
iii. het oprichten of beheren van vennootschappen, rechtspersonen of soortgelijke lichamen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dan wel het organiseren van de inbreng die nodig is voor de oprichting, de exploitatie of het beheer daarvan;
iv. het aan- of verkopen van aandelen in, of het geheel of gedeeltelijk aan- of verkopen dan wel overnemen van ondernemingen, vennootschappen, rechtspersonen of soortgelijke lichamen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
v. werkzaamheden op fiscaal gebied die vergelijkbaar zijn met de werkzaamheden van de in onderdeel m beschreven beroepsgroepen;
vi. het vestigen van een recht van hypotheek op een registergoed; of
2°. zelfstandig onafhankelijk beroeps- of bedrijfsmatig optreden in naam en voor rekening van een cliënt bij enigerlei financiële transactie of onroerende zaaktransactie;
p. natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen die als
notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris:
1°. zelfstandig onafhankelijk beroeps- of bedrijfsmatig advies geven of
bijstand verlenen bij:
i. het aan- of verkopen van registergoederen;
ii. het beheren van geld, effecten, munten, muntbiljetten, edele metalen, edelstenen of andere waarden;
iii. het oprichten of beheren van vennootschappen, rechtspersonen of soortgelijke lichamen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dan wel het organiseren van de inbreng die nodig is voor de oprichting, de exploitatie of het beheer daarvan;
iv. het aan- of verkopen van aandelen in, of het geheel of gedeeltelijk aan- of verkopen dan wel overnemen van ondernemingen, vennootschappen, rechtspersonen of soortgelijke lichamen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
v. werkzaamheden op fiscaal gebied die vergelijkbaar zijn met de werkzaamheden van de in onderdeel m beschreven beroepsgroepen;
vi. het vestigen van een recht van hypotheek op een registergoed; of
2°. zelfstandig onafhankelijk beroeps- of bedrijfsmatig optreden in naam en voor rekening van een cliënt bij enigerlei financiële transactie of onroerende zaaktransactie;
q. natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen die in de uitoefening van een aan dat van advocaat, notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris gelijksoortig juridisch beroep of bedrijf de in onder o of p genoemde werkzaamheden verrichten.
3. Onder vernummering van het derde en vierde lid tot vierde en vijfde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
3. Indien een beleggingsinstelling als bedoeld in het tweede lid, onder b, een beleggingsmaatschappij met aparte beheerder is of een beleggingsfonds of indien een icbe als bedoeld in het tweede lid, onder k, een fonds voor collectieve belegging in effecten of een maatschappij voor collectieve belegging in effecten met aparte beheerder is, draagt de beheerder van de betreffende instelling zorg voor de naleving van de bij of krachtens deze wet gestelde regels door de instelling.
4. Het vierde lid (nieuw) komt te luiden:
4. Deze afdeling is niet van toepassing op belastingadviseurs als bedoeld in het tweede lid, onder m, en personen als bedoeld in het tweede lid, onder o, p en q, voor zover zij voor een cliënt werkzaamheden verrichten betreffende de bepaling van diens rechtspositie, diens vertegenwoordiging en verdediging in rechte, het geven van advies voor, tijdens en na een rechtsgeding of het geven van advies over het instellen over vermijden van een rechtsgeding.
5. In het vijfde lid (nieuw) vervalt “of tweede”.
E
Artikel 10a vervalt.
F
Voor artikel 10b worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 10aa
De toezichthoudende autoriteit oefent haar taak uit op een risicogebaseerde en effectieve wijze.
Artikel 10ab
De artikelen 45a, tweede lid, van de Advocatenwet en 111a, derde lid, van de Wet op het notarisambt, zijn van overeenkomstige toepassing op het toezicht op de naleving door de deken, bedoeld in artikel 9a, onder d, respectievelijk op het toezicht op de naleving door de personen die op grond van artikel 10, eerste lid, door de toezichthoudende autoriteit, bedoeld in artikel 9a, onder c, zijn aangewezen.
G
Artikel 10b wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste en tweede lid wordt “Onze Minister van Financiën kan” telkens vervangen door “De toezichthoudende autoriteiten, genoemd in artikel 9a, onder a, b en c, en het college van toezicht, bedoeld in artikel 36a, eerste lid, van de Advocatenwet kunnen” en wordt “artikel 10, tweede lid, onder a tot en met l” telkens vervangen door “artikel 10, tweede lid, onder a tot en met n en p en q, respectievelijk, tweede lid, onder o”.
2. Het derde lid komt te luiden:
3. De door de Stichting Autoriteit Financiële Markten en de Nederlandsche Bank N.V. gestelde regels, bedoeld in het eerste lid, behoeven de goedkeuring van Onze Minister van Financiën.
3. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:
4. De door het Bureau Financieel Toezicht gestelde regels, bedoeld in het eerste lid, behoeven de goedkeuring van Onze Minister van Justitie en Veiligheid.
5. Artikel 30, eerste lid, van de Advocatenwet is van overeenkomstige toepassing op krachtens het eerste en tweede lid genomen besluiten van het college van toezicht.
H
In artikel 10ba wordt “artikel 10, tweede lid, onder a tot en met l,” vervangen door “artikel 10, tweede lid, onder a tot en met q,” en wordt “Onze Minister van Financiën” vervangen door “de toezichthoudende autoriteit”.
I
Na artikel 10ba wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 10bb
1. De toezichthoudende autoriteiten, genoemd in artikel 9a, onder a, b en c, kunnen voor de uitoefening van een taak krachtens deze afdeling van eenieder inlichtingen vorderen.
2. De artikelen 5:13 en 5:20, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zijn van overeenkomstige toepassing.
3. De toezichthoudende autoriteit, bedoeld in het eerste lid, is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, ten aanzien van de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid.
J
In artikel 10c wordt “Onze Minister van Financiën kan” vervangen door “De toezichthoudende autoriteit kan”.
K
Artikel 10d wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt “Onze Minister van Financiën” vervangen door “De toezichthoudende autoriteit” en wordt na “overtreding van” ingevoegd “artikel 10bb, eerste en tweede lid, artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, of de”.
2. Het tweede en derde lid komen te luiden:
2. Als tegen een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete bezwaar, beroep of hoger beroep wordt ingesteld, schorst dit de verplichting tot betaling van de boete totdat de beroepstermijn is verstreken of, als beroep of hoger beroep is ingesteld, op het beroep of hoger beroep is beslist.
3. De schorsing van de verplichting tot betaling schorst niet de berekening van de wettelijke rente.
L
Artikel 10f vervalt.
M
De artikelen 10g en 10h komen te luiden:
Artikel 10g
1. Het is eenieder die uit hoofde van de toepassing van bij of krachtens deze afdeling genomen besluiten enige taak vervult of heeft vervuld verboden van vertrouwelijke gegevens of inlichtingen, die op grond deze wet of op grond van titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht zijn verstrekt of ontvangen, of van een buitenlandse toezichthoudende instantie zijn ontvangen, verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitoefening van zijn taak of bij of krachtens deze afdeling wordt geëist.
2. In afwijking van het eerste lid, kan de toezichthoudende autoriteit met gebruikmaking van de in het eerste lid bedoelde informatie mededelingen doen, indien deze niet kunnen worden herleid tot afzonderlijke personen.
3. Het eerste en tweede lid laten ten aanzien van degene op wie het tweede lid van toepassing is, onverlet de toepasselijkheid van de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering.
4. Het eerste lid beperkt de bevoegdheden op grond van de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet die betrekking hebben op het als getuige of als partij in een comparitie van partijen of als deskundige in burgerlijke zaken afleggen van een verklaring over gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van zijn op grond van deze afdeling of titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht opgedragen taak, voor zover het gaat om gegevens of inlichtingen over een instelling als bedoeld in artikel 10, tweede lid, die in staat van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden. Het in de vorige zin bepaalde geldt niet voor gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op ondernemingen of instellingen die betrokken zijn of zijn geweest bij een poging de desbetreffende bank in staat te stellen haar bedrijf voort te zetten.
Artikel 10h
1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder toezichthoudende
autoriteit verstaan:
a. het Bureau Financieel Toezicht, genoemd in artikel 9a, onder c, voor
zover het betreft de instellingen, bedoeld in artikel 10, tweede lid,
onder m, n of q;
b. de toezichthouder, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet
toezicht trustkantoren 2018.
2. De toezichthoudende autoriteit is in afwijking van artikel 10g,
eerste lid, bevoegd gegevens of inlichtingen die bij of krachtens deze
afdeling zijn verstrekt of ontvangen of van een buitenlandse
toezichthoudende instantie zijn ontvangen, te verstrekken aan:
a. Onze Minister van Buitenlandse Zaken, Onze Minister van Financiën,
Onze Minister van Economische Zaken, of Onze Minister van Justitie en
Veiligheid, elk voor het gebied waartoe hun bevoegdheden zich
uitstrekken;
b. het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 3.1.1, van de Wet
internationale sanctiemaatregelen;
c. een andere toezichthoudende autoriteit of aan een buitenlandse
toezichthoudende instantie voor zover deze toezichthoudende autoriteit
of instantie belast is met een taak ter uitvoering van
sanctiemaatregelen als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet internationale
sanctiemaatregelen;
d. de Belastingdienst, de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst, de
Nationale Politie, de Financiële Inlichtingen Eenheid of het Openbaar
Ministerie, voor zover de gegevens of inlichtingen dienstig zijn voor de
uitoefening van hun wettelijke taken;
e. een tijdelijke enquêtecommissie van het Europees Parlement als
bedoeld in artikel 226 van het Verdrag betreffende de werking van de
Europese Unie;
f. een commissie als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet op de
parlementaire enquête 2008, voor zover de gegevens of inlichtingen naar
het oordeel van die commissie noodzakelijk zijn voor de vervulling van
haar taak;
g. de Algemene Rekenkamer, voor zover de gegevens of inlichtingen naar
het oordeel van de Algemene Rekenkamer noodzakelijk zijn voor de
uitoefening van haar wettelijke taak op grond van artikel 7.24 van de
Comptabiliteitswet 2016.
3. De in het tweede lid bedoelde informatie wordt niet verstrekt
indien:
a. het doel waarvoor de gegevens of inlichtingen zullen worden gebruikt
onvoldoende bepaald is;
b. het beoogde gebruik van de gegevens of inlichtingen niet past in het
kader van het toezicht op de naleving van sanctiemaatregelen als bedoeld
in artikel 1.1 van de Wet internationale sanctiemaatregelen of het
toezicht op de naleving van de krachtens deze afdeling gestelde
regels;
c. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen zich niet zou
verdragen met de Nederlandse wet of de openbare orde;
d. de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen niet in voldoende
mate is gewaarborgd;
e. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen redelijkerwijs in
strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt te
beschermen; of
f. onvoldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen niet
zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden
verstrekt.
4. Voor zover de gegevens of inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, zijn verkregen van een buitenlandse toezichthoudende instantie, verstrekt de toezichthoudende autoriteit deze niet aan een andere toezichthoudende instantie of aan een andere buitenlandse toezichthoudende instantie, tenzij de buitenlandse toezichthoudende instantie waarvan de gegevens of inlichtingen zijn verkregen uitdrukkelijk heeft ingestemd met de verstrekking van de gegevens of inlichtingen en in voorkomend geval heeft ingestemd met het gebruik voor een ander doel dan waarvoor de gegevens of inlichtingen zijn verstrekt.
5. Indien een buitenlandse toezichthoudende instantie aan de
toezichthoudende autoriteit die de gegevens of inlichtingen op grond van
het derde of vierde lid heeft verstrekt, verzoekt om die gegevens of
inlichtingen te mogen gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij
zijn verstrekt, willigt de toezichthoudende autoriteit dat verzoek
slechts in:
a. indien het beoogde gebruik niet in strijd is met het derde of vierde
lid of voor zover die toezichthoudende instantie op een andere wijze dan
in deze wet voorzien vanuit Nederland met inachtneming van de daarvoor
geldende wettelijke procedures voor dat andere doel de beschikking over
die gegevens of inlichtingen zou kunnen verkrijgen; en
b. na overleg met Onze Minister van Justitie en Veiligheid indien het in
de aanhef bedoelde verzoek betrekking heeft op een onderzoek naar
strafbare feiten.
6. De partijen, bedoeld in het tweede lid, onder e tot en met g, zijn verplicht tot geheimhouding van de op grond van het eerste lid ontvangen vertrouwelijke gegevens of inlichtingen en maken die slechts openbaar indien deze niet herleid kunnen worden tot afzonderlijke personen.
N
Artikel 10i wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt “Onze Minister van Financiën” vervangen door “De toezichthoudende autoriteit” en wordt “naar het oordeel van Onze Minister van Financiën” vervangen door “ naar het oordeel van de toezichthoudende autoriteit”.
2. In het tweede lid wordt “artikel 10g, tweede tot en met vierde lid en 10h” vervangen door “artikel 10g, eerste, derde en vierde lid, 10h, tweede en derde lid en 10j”.
O
Na artikel 10i worden de volgende artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 10j
1. Stichting Autoriteit Financiële Markten en de Nederlandsche Bank
N.V. zijn in afwijking van artikel 10g, eerste lid, bevoegd gegevens of
inlichtingen die bij of krachtens deze afdeling zijn verstrekt of
ontvangen of van een buitenlandse toezichthoudende instantie zijn
ontvangen, te verstrekken aan:
a. een andere toezichthoudende autoriteit of een toezichthoudende
instantie die belast is met het toezicht op de instellingen, bedoeld in
artikel 10, tweede lid, onder a, b, c, d, e, f, h, i, j, k of l;
b. een buitenlandse toezichthoudende instantie in een andere lidstaat
die is belast met het toezicht op de instellingen, bedoeld in artikel
10, tweede lid, onder a, b, c, d, e, f, h, i, j, k of l of een
buitenlandse toezichthoudende instantie in een derde land die belast is
met het toezicht op deze instellingen en waarmee een
samenwerkingsovereenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 57bis,
vijfde lid, van richtlijn 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad
van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële
stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot
wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement
en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60 van het Europees
Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PbEU
2015, L 141);
c. de Nederlandsche Bank N.V. voor zover zij taken uitoefent anders
dan als toezichthoudende autoriteit;
d. de Europese Centrale Bank;
e. Onze Ministers, genoemd in artikel 10h, tweede lid, onder a;
f. de instanties, genoemd in artikel 10h, tweede lid, onder b tot en met
e;
g. het Depositogarantiefonds, genoemd in artikel 3:259a van de Wet op het financieel toezicht;
h. het Afwikkelingsfonds, genoemd in artikel 3A:68 van de Wet op het financieel toezicht;
i. Stichting Beleggers Compensatiefonds;
j. de Afwikkelingsraad, genoemd in artikel 42 van de Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk bankenafwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2014, L 225);
k. een bij afwikkeling betrokken instantie in een andere lidstaat;
l. een persoon of instantie als bedoeld in artikel 83, tweede lid, onderdeel k van de Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2014, L 173);
m. een depositogarantiestelsel of beleggerscompensatiestelsel of een daarbij betrokken entiteit in een andere lidstaat;
n. Europese Commissie, Europese toezichthoudende autoriteiten, het Gemengd Comité van de Europese toezichthoudende autoriteiten en het Europees Comité voor systeemrisico’s.
2. De informatie, bedoeld in het eerste lid, wordt niet verstrekt
indien:
a. het doel waarvoor de gegevens of inlichtingen zullen worden gebruikt
onvoldoende bepaald is;
b. het beoogde gebruik van de gegevens of inlichtingen niet past in het
kader van deze wet, prudentiële regelgeving, resolutieregelgeving dan
wel bevoegdheden in het kader van resolutie, of het toezicht op de
instellingen, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder a, b, c, d, e, f,
h, i, j, k of l;
c. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen zich niet zou
verdragen met de Nederlandse wet of de openbare orde;
d. de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen niet in voldoende
mate is gewaarborgd;
e. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen redelijkerwijs in
strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt te
beschermen; of
f. onvoldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen niet
zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden
verstrekt.
3. Artikel 10h, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10k
1. Het Bureau Financieel Toezicht is in afwijking van artikel 10g, eerste lid, bevoegd gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van zijn ingevolge deze wet opgedragen taak ten aanzien van een instelling als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder m of n, te verstrekken aan de Stichting Autoriteit Financiële Markten, voor zover de gegevens of inlichtingen dienstig zijn voor de uitoefening van taken van de Stichting Autoriteit Financiële Markten op grond van de Wet toezicht accountantsorganisaties.
2. Artikel 10h, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10l
De artikelen 32e tot en met 32j van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme zijn van overeenkomstige toepassing, waarbij geldt dat:
a. in artikel 32e in plaats van “de in artikel 30 bedoelde voorschriften” wordt gelezen “de krachtens artikel 10b van de Sanctiewet 1977 gestelde voorschriften”;
b. in de artikelen 32e en 32f, vierde lid, in plaats van “artikel 31, tweede lid” steeds wordt gelezen “artikel 10e van de Sanctiewet 1977”.
P
Artikel 15 komt te luiden:
Artikel 15
1. Op overtredingen van de bij of krachtens afdeling 5 gestelde
regels die hebben plaatsgevonden en zijn beëindigd voor het tijdstip van
inwerkingtreding van artikel 10.8 van de Wet internationale
sanctiemaatregelen, is artikel 10l van deze wet niet van
toepassing.
2. Na inwerkingtreding van artikel 10.8 van de Wet internationale
sanctiemaatregelen berust de Regeling toezicht Sanctiewet 1977 op
artikel 10b, eerste lid, en wordt deze regeling geacht te zijn
goedgekeurd als bedoeld in artikel 10b, derde lid.
Artikel 10.9 Wijziging Telecommunicatiewet
In artikel 14a.1 van de Telecommunicatiewet wordt “Sanctiewet 1977” vervangen door “Wet internationale sanctiemaatregelen”.
Artikel 10.10 Wijziging Wet bescherming oorspronkelijke topografieën van halfgeleiderprodukten
Na artikel 10 van de Wet bescherming oorspronkelijke topografieën van halfgeleiderprodukten wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 10a
1. Het bureau is bevoegd een aantekening op te nemen bij topografieën van halfgeleiderproducten respectievelijk daartoe strekkende aanvragen, geregistreerd in het register, bedoeld in artikel 1, onder d, indien er sprake is van een relatie tussen die topografie en:
a. natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen, waarvan op grond van een sanctiemaatregel, de tegoeden en economische middelen zijn bevroren; of
b. rechtspersonen, entiteiten of lichamen, waarvan op grond van een sanctiemaatregel, het aangaan of voortzetten van de economische of financiële betrekkingen is beperkt of verboden.
2. Een aantekening als bedoeld in het eerste lid, wordt in het register opgenomen indien het bureau op eigen gezag deze relatie constateert of informatie ontvangt van Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op de naleving of met de uitvoering van een sanctiemaatregel, die de relatie legt of bevestigt.
3. Het bureau en de verstrekker van de informatie controleert jaarlijks of de informatie, bedoeld in het tweede lid, nog reden geeft tot het opnemen van een aantekening als bedoeld in het eerste lid.
4. Het bureau verwijdert een aantekening als bedoeld in het eerste lid, indien de relatie zich niet langer voordoet.
Artikel 10.11 Wijziging Wet coördinatie terrorismebestrijding en nationale veiligheid
In artikel 6, onderdeel a, van de Wet coördinatie terrorismebestrijding en nationale veiligheid wordt “Sanctiewet 1977” vervangen door “Wet internationale sanctiemaatregelen”.
Artikel 10.12 Wijziging Wet financiële markten BES
De Wet financiële markten BES wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 2:14, onderdeel f, wordt “of de Sanctiewet 1977” vervangen door “, de Sanctiewet 1977 of de Wet internationale sanctiemaatregelen”.
B
In artikel 3:8, tweede lid, onderdeel b, wordt na “de Sanctiewet 1977” ingevoegd “of de Wet internationale sanctiemaatregelen”.
C
Aan artikel 1:21, eerste lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b, door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
c. Onze Minister van Economische Zaken, voor zover de gegevens of inlichtingen dienstig zijn voor de uitoefening van zijn taken op grond van hoofdstuk 5 van de Wet internationale sanctiemaatregelen.
Artikel 10.13 Wijziging Wet op de economische delicten
In artikel 1, onderdeel 1°, van de Wet op de economische delicten vervalt de zinsnede met betrekking tot de Sanctiewet 1977 en wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd: de Wet internationale sanctiemaatregelen, de artikelen 2.1.1, eerste lid, 2.2.1 en 2.2.4, eerste lid.
Artikel 10.14 Wijziging Wet op de kansspelen
De Wet op de kansspelen wordt als volgt gewijzigd:
A
In de artikelen 31c, eerste lid, onderdelen b en c, 31d, eerste lid, onderdelen b en d, 31g, derde lid, en 31h, eerste lid, wordt “de Sanctiewet 1977” telkens vervangen door “de Wet internationale sanctiemaatregelen”.
B
In artikel 34l, onderdeel d, wordt “artikel 10 van de Sanctiewet 1977” vervangen door “artikel 7.1.1, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet internationale sanctiemaatregelen”.
Artikel 10.15 Wijziging Wet op het financieel toezicht
De Wet op het financieel toezicht wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 1:93, eerste lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel k door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
l. Onze Minister van Economische Zaken, voor zover de gegevens of inlichtingen dienstig zijn voor de uitoefening van zijn taken op grond van hoofdstuk 5 van de Wet internationale sanctiemaatregelen.
B
In artikel 1:104, eerste lid, onderdeel r, van de Wet op het
financieel toezicht wordt na “de Sanctiewet 1977” ingevoegd “of de Wet
internationale sanctiemaatregelen”.
Artikel 10.16 Wijziging Wet op het notarisambt
De Wet op het notarisambt wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid, onderdeel l, wordt ”als bedoeld in artikel 111b, tweede lid” vervangen door “als bedoeld in artikel 111b, tweede lid, en de artikelen 10c en 10d van de Sanctiewet 1977.
2. In het vierde lid wordt “artikel 111b, tweede lid,” vervangen door “artikel 111b, tweede lid, en de artikelen 10c en 10d van de Sanctiewet 1977,”.
B
In artikel 93, eerste lid, wordt “bij of krachtens deze wet” vervangen door “bij of krachtens deze wet of de Sanctiewet 1977”.
Artikel 10.17 Wijziging Wet open overheid
In de bijlage bij artikel 8.8 van de Wet open overheid komt de zinsnede met betrekking tot de Sanctiewet 1977 te luiden:
Sanctiewet 1977: de artikelen 10g, eerste lid, 10h, en 10j.
Artikel 10.18 Wijziging Wet ruimtevaartactiviteiten
In hoofdstuk 3 van de Wet ruimtevaartactiviteiten wordt na artikel 11 een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 11a
1. Onze Minister is bevoegd een aantekening op te nemen bij de
ruimtevoorwerpen, geregistreerd in het register, bedoeld in artikel 11,
indien er sprake is van een relatie tussen dat geregistreerd
ruimtevoorwerp en:
a. natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen,
waarvan op grond van een sanctiemaatregel, de tegoeden en economische
middelen zijn bevroren; of
b. rechtspersonen, entiteiten of lichamen, waarvan op grond van een
sanctiemaatregel, het aangaan of voortzetten van de economische of
financiële betrekkingen is beperkt of verboden.
2. Een aantekening als bedoeld in het eerste lid, wordt in het register
opgenomen indien Onze Minister op eigen gezag deze relatie constateert
of informatie ontvangt van Nederlandse of buitenlandse
overheidsinstanties dan wel van Nederlandse of buitenlandse van
overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op
de naleving of met de uitvoering van een sanctiemaatregel, die de
relatie legt of bevestigt.
3. Onze Minister en de verstrekker van de informatie controleert
jaarlijks of de informatie, bedoeld in het tweede lid, nog reden geeft
tot het opnemen van een aantekening als bedoeld in het eerste lid.
4. Onze Minister verwijdert op grond van informatie die Onze Minister
ontvangt van een instantie als bedoeld in het tweede lid, een
aantekening als bedoeld in het eerste lid, indien de relatie zich niet
langer voordoet.
Artikel 10.19 Wijziging Wet ter voorkoming van witwassen en financieren
van terrorisme BES
In artikel 3.13, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES wordt “de Sanctiewet 1977 en de op grond van die wet” vervangen door “de Sanctiewet 1977 of de Wet internationale sanctiemaatregelen en de op grond van die wetten”.
Artikel 10.20 Wijziging Wet toezicht accountantsorganisaties
In de Wet toezicht accountantsorganisaties wordt aan artikel 63cc een lid toegevoegd, luidende:
6. De Autoriteit Financiële Markten kan, in afwijking van artikel 63a, eerste lid, vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van de haar ingevolge deze wet opgedragen taak, verstrekken aan Onze Minister van Economische Zaken voor zover de gegevens of inlichtingen dienstig zijn voor de uitoefening van zijn taken op grond van hoofdstuk 5 van de Wet internationale sanctiemaatregelen. Het tweede tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10.21 Wijziging Wet toezicht trustkantoren 2018
De Wet toezicht trustkantoren 2018 wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 7, eerste lid, onderdeel k, wordt na “de Sanctiewet 1977”
ingevoegd “of de Wet internationale sanctiemaatregelen”.
B
In artikel 15, tweede lid, wordt “en de Sanctiewet 1977” vervangen door
“, de Sanctiewet 1977 en de Wet internationale sanctiemaatregelen”.
C
In artikel 56, eerste lid, onderdeel b, wordt na “de Sanctiewet 1977” ingevoegd “, de Wet internationale sanctiemaatregelen”.
D
Artikel 57 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het opschrift wordt na “Sanctiewet 1977” ingevoegd “en Wet internationale sanctiemaatregelen”.
2. Het eerste lid komt te luiden:
1 De Nederlandsche Bank N.V. kan gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van de haar ingevolge deze wet opgedragen taak, verstrekken aan:
a. de instantie die is belast met de uitvoering van ingevolge een sanctiebesluit of sanctieregeling in de zin van artikel 1.1 van de Wet internationale sanctiemaatregelen vastgestelde regels, voor zover de gegevens of inlichtingen dienstig zijn voor de uitvoering van die regels;
b. Onze Minister van Economische Zaken, voor zover de gegevens of inlichtingen dienstig zijn voor de uitoefening van zijn taken op grond van hoofdstuk 5 van de Wet internationale sanctiemaatregelen.
Artikel 10.22 Wijziging Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames
In artikel 19, eerste lid, onderdeel b, onder 3°, van de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames wordt “de Sanctiewet 1977” vervangen door “de Wet internationale sanctiemaatregelen”.
Artikel 10.23 Wijziging Wet verplichte beroepspensioenregeling
In de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt aan artikel 202, eerste lid, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c, door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
d. Onze Minister van Economische Zaken, voor zover de gegevens of inlichtingen dienstig zijn voor de uitoefening van zijn taken op grond van hoofdstuk 5 van de Wet internationale sanctiemaatregelen.
Artikel 10.24 Wijziging Zaaizaad- en plantgoedwet 2005
In hoofdstuk 7, paragraaf 2, van de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005 wordt na artikel 56 een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 56a
1. De Raad is bevoegd een aantekening op te nemen bij het ras
waarvoor een kwekersrecht is verleend als bedoeld in artikel 25, tweede
lid, onderdeel b, indien er sprake is van een relatie tussen dat
geregistreerde ras en kwekersrecht en:
a. natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen,
waarvan op grond van een sanctiemaatregel, de tegoeden en economische
middelen zijn bevroren; of
b. rechtspersonen, entiteiten of lichamen, waarvan op grond van een
sanctiemaatregel, het aangaan of voortzetten van de economische of
financiële betrekkingen is beperkt of verboden.
2. Een aantekening als bedoeld in het eerste lid, wordt in het register
opgenomen indien de Raad op eigen gezag deze relatie constateert of
informatie ontvangt van Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties
dan wel van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen
instanties die belast zijn met het toezicht op de naleving of met de
uitvoering van een sanctiemaatregel, die de relatie legt of
bevestigt.
3. De Raad en de verstrekker van de informatie controleert jaarlijks of
de informatie, bedoeld in het tweede lid, nog reden geeft tot het
opnemen van een aantekening als bedoeld in het eerste lid.
4. De Raad verwijdert een aantekening als bedoeld in het eerste lid,
indien de relatie zich niet langer voordoet.
HOOFDSTUK 11. Slotbepalingen
Artikel 11.1 Evaluatie
Onze Minister zendt in overeenstemming met Onze Ministers die het mede aangaat binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 11.2 Integrale tekstpublicatie
Voor de plaatsing in het Staatsblad stelt Onze Minister de nummering van de artikelen, hoofdstukken en paragrafen van de Wet internationale sanctiemaatregelen opnieuw vast en brengt hij de in die wet voorkomende aanhalingen van de artikelen, hoofdstukken en paragrafen met de nieuwe nummering in overeenstemming.
Artikel 11.3 Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 11.4 Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet internationale
sanctiemaatregelen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Minister van Buitenlandse Zaken