[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Nadere duiding brief Europese Commissie over verzoek Nederland om een nieuwe derogatie

Brief regering

Nummer: 2026D08007, datum: 2026-02-19, bijgewerkt: 2026-02-19 16:44, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2026Z03517:

Preview document (🔗 origineel)


Geachte Voorzitter,

Op 19 december 2025 heb ik uw Kamer geïnformeerd over het besluit van het kabinet om het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn (8e AP) niet vast te stellen en de besluitvorming daarover over te laten aan het volgende kabinet1. Vervolgens heb ik uw Kamer op 23 december 2025 geïnformeerd over de reactie van de Europese Commissie (EC) op het derogatieverzoek van Nederland2. Met deze brief wil ik meer duidelijkheid bieden aan agrariërs over de regels die vanaf 1 januari 2026 gelden nu er geen nieuwe derogatiebeschikking is en geen 8e AP is vastgesteld.

Regels vanaf 1 januari 2026

Op grond van de derogatiebeschikking 2022-2025 (hierna: derogatiebeschikking) konden Nederlandse agrariërs die aan de voorwaarden voldeden gebruikmaken van de voor die jaren verleende derogatie. De derogatie is in de afgelopen jaren stapsgewijs afgebouwd. Voor 2026 krijgt Nederland geen nieuwe derogatie. Daarnaast zullen, vanwege het niet vaststellen van het 8e AP, de in het concept 8e AP voorgenomen wijzigingen van regelgeving niet worden doorgevoerd. Dit betekent ook dat de voorgenomen wijzigingen in het 8e AP die een aanpassing zouden hebben betekend van maatregelen uit de derogatiebeschikking, zoals de aanwijzing van aandachtsgebieden, nu niet ingaan.

Een en ander betekent ten algemene dat in 2026 alle mestregels gelden die op 31 december 2025 golden. Dit betreft de regels zoals opgenomen in de Meststoffenwet of de daarop gebaseerde regelgeving (Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (Ubm), de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Urm)), de mestregels opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de Omgevingsregeling. Het gaat daarbij om regels ter implementatie van het 7e actieprogramma en eerdere actieprogramma’s of andere nationale regels. Het gaat ook om regels ter implementatie van algemene voorwaarden uit de derogatiebeschikking of eerder verleende derogatiebeschikkingen. Dit betreft voorschriften die niet gericht zijn tot bedrijven waaraan een derogatievergunning was verleend.

Zonder een derogatiebeschikking kunnen geen derogatievergunningen aan bedrijven worden verleend. Dat betekent dat de aan die vergunning verbonden verplichtingen voor derogatiebedrijven niet meer van toepassing zijn.

Doordat de EC geen derogatie aan Nederland verleent voor 2026, geldt de gebruiksnorm dierlijke meststoffen van 170 kg stikstof uit dierlijke mest per hectare per kalenderjaar in 2026. Dit volgt uit de Nitraatrichtlijn.

Hieronder licht ik per onderwerp toe op welke wijze de regels ter implementatie van de bepalingen van de derogatiebeschikking al dan niet blijven gelden.

Voorwaarden derogatiebeschikking 2022-2025 (artikelen 4, 7, 8 en 9)

  1. Aanwijzing met nutriënten verontreinigde gebieden (NV-gebieden)

Op grond van artikel 4, eerste lid van de derogatiebeschikking zijn NV-gebieden aangewezen voor stikstof en fosfor. In deze gebieden geldt, gelet op de in het vijfde lid opgenomen voorwaarde, een korting van 20% op de stikstofgebruiksnorm. Dit is opgenomen in de Urm. In het kader van de voorbereiding van het 8e AP is in oktober 2025 op basis van geactualiseerde kennis een concept wijzigingsregeling voor de wijziging van de stikstofgebruiksnormen en aanwijzing van zogenoemde aandachtsgebieden stikstof in internetconsultatie gebracht. Nu het 8e AP niet is vastgesteld, blijven de NV-gebieden gelden, inclusief de bijbehorende korting op de stikstofgebruiksnorm.

  1. Mestproductieplafonds:

In artikel 4, tweede lid, van de derogatiebeschikking is bepaald dat de totale hoeveelheid in Nederland geproduceerde mest niet meer mag bedragen dan 440 miljoen kg stikstof en 135 miljoen kg fosfaat (nationale mestproductieplafonds). Dit gewijzigde plafond is in de Meststoffenwet opgenomen. De sectorale productieplafonds in de Meststoffenwet zijn hiermee in lijn gebracht, en er zijn maatregelen getroffen om te borgen dat de mestproductie (op termijn) onder deze plafonds komt. Deze plafonds blijven ook na afloop van de derogatiebeschikking gelden. In mijn Kamerbrief van 20 november 20253 heb ik u geïnformeerd over de verwachte mestproductie 2025. In het voorjaar wordt uw Kamer opnieuw geïnformeerd.

  1. Geen derogatievergunningen in derogatievrije zones rondom stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden en in grondwaterbeschermingsgebieden

In artikel 4, derde en vierde lid, van de derogatiebeschikking is opgenomen dat er in Natura 2000-gebieden en grondwaterbeschermingsgebieden geen derogatievergunningen worden verleend. Deze voorwaarden zijn in de Urm opgenomen en gekoppeld aan een derogatievergunning. Nu Nederland in 2026 geen derogatiebeschikking krijgt, zijn deze voorwaarden niet meer van toepassing.

  1. Aanpak in grondwaterbeschermingsgebieden

Daarnaast is in artikel 4, vierde lid, van de derogatiebeschikking bepaald dat Nederland uiterlijk per 1 januari 2024 een aanpak ontwikkelt in grondwaterbeschermingsgebieden waar het grondwater is verontreinigd door nitraten. In de afgelopen periode is ter implementatie hiervan met betrokken partijen gewerkt aan de problematiek in de grondwaterbeschermingsgebieden. Er is een start gemaakt met een aanpak die in eerste instantie bestaat uit monitoring en onderzoek. Hiermee is inzicht verkregen in de nutriëntenopgave in een aantal grondwaterbeschermingsgebieden. Daarover bent u eerder geïnformeerd met een Kamerbrief van 11 november 20244.

  1. Bemestingsplan

Op grond van artikel 4, vijfde lid, van de derogatiebeschikking moeten alle agrariërs jaarlijks voor het kalenderseizoen een bemestingsplan opstellen waarin het bouwplan en de beoogde bemesting voor het aankomende seizoen is opgenomen. In artikel 7 van de derogatiebeschikking zijn aanvullende (administratieve) verplichtingen opgenomen. Deze verplichtingen zijn voor alle agrariërs al opgenomen in het Ubm en de Urm en blijven dus gelden. De verplichting voor derogatiebedrijven om het bemestingsplan binnen zeven dagen te wijzigen nadat zich een wijziging in de landbouwpraktijk heeft voorgedaan, komt te vervallen.

  1. Elektronisch mestregister

Bepalingen over het elektronisch mestregister, zoals benoemd in artikel 4, vijfde lid, van de derogatiebeschikking zijn opgenomen in het Ubm en de Urm. Sinds 1 januari 2025 moeten alle landbouwbedrijven gebruikmaken van dit register, dit blijft gelden.

  1. Bufferstroken

De bufferstroken zijn op grond van artikel 4, vijfde lid, van de derogatiebeschikking opgenomen in het Bal. De verplichting tot het aanhouden van bufferstroken geldt daarnaast als conditionaliteit voor deelnemers aan het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). De verplichting tot het aanhouden van bufferstroken blijft ook na beëindiging van de derogatie gelden.

  1. Versterkte handhavingsstrategie (VHS)

De activiteiten in het kader van de versterkte handhavingsstrategie (VHS) worden ook na beëindiging van de derogatiebeschikking onverminderd voortgezet. Het geautomatiseerde systeem voor verantwoording van mesttransporten (rVDM) is ingevoerd. De VHS-mest is in 2023 geactualiseerd en uitgebreid met aanvullende maatregelen. De gebiedsgerichte handhaving (GGH) in gebieden waar de waterkwaliteit achterblijft en waar de kans op niet-naleving van de mestregels het grootst is, wordt voortgezet en uitgebreid met enkele aanvullende gebieden. Daarnaast is een taskforce mestmarkt ingericht, gericht op monitoring, signalering en inzet vanuit de uitvoeringspraktijk (LVVN, RVO en NVWA). Deze taskforce maakt het mogelijk om snel en effectief te reageren op signalen uit het veld.

Het toezicht door de NVWA en de inzet van RVO op de naleving van de mestregelgeving worden onverkort voortgezet. Hiervoor is inspectiecapaciteit beschikbaar gesteld.

  1. Verplichtingen scheuren grasland

De algemene verplichtingen over het scheuren van grasland, genoemd in artikel 7, zesde lid, van de derogatiebeschikking blijven gelden op de zand- en lössgronden. Dit betreft onder andere de momenten waarop grasland mag worden gescheurd en de hoogte van de verlaging van stikstofgebruiksnorm op zand- en lössgronden (50 kg stikstof per hectare bij graslandvernieuwing en met 65 kg stikstof per hectare voor de teelt van maïs na gescheurd grasland).

  1. Voorwaarden meststoffengebruik bij de teelt van vlinderbloemigen

De in artikel 7, zevende lid, van de derogatiebeschikking opgenomen voorwaarde over het meststoffengebruik bij de teelt van vlinderbloemigen is verwerkt in de huidige stikstofgebruiksnormen, en blijven daarmee ook gelden.

  1. Emissiearme aanwendingstechnieken

De in artikel 9 van de derogatiebeschikking opgenomen voorwaarden over de emissiearme aanwending van dierlijke mest op graslandbedrijven, golden in Nederland al vóór de derogatiebeschikking 2022-2025 voor alle agrariërs en blijven ook na afloop van de derogatiebeschikking gelden. Deze voorwaarden zijn opgenomen in het Best Beschikbare Technieken (BBT)-document emissiearm aanwenden, waarnaar in het Bal wordt verwezen, en gelden voor alle bedrijven. Uitzondering hierop is de in de Urm opgenomen voorwaarde voor derogatiebedrijven dat een sleepvoetbemester niet mag worden gebruikt als de temperatuur 20 graden Celsius of hoger is. Deze voorwaarde is in 2026 niet meer van toepassing omdat derogatievergunningen niet meer worden verleend.

  1. Aflopende regels en voorwaarden voor bedrijven met een derogatievergunning

Tot slot geldt dat het voor bedrijven die in 2025 nog gebruik maakten van de derogatie in 2026 niet langer de verplichting geldt om 80% van hun areaal te benutten voor grasland. Daarnaast is in 2026 het uitrijden van fosfaatkunstmest op deze bedrijven weer mogelijk. Ook vervalt de verplichting voor derogatiebedrijven om eenmaal per vier jaar een stikstof- en fosfaatanalyse uit te voeren en daartoe grondmonsters te laten nemen.

De verplichting voor derogatiebedrijven om het vernieuwen van grasland op klei en veen bij RVO te melden, waarbij op deze percelen een korting van 50 kg op de stikstofgebruiksnorm gold, is niet meer van toepassing. Deze verplichting geldt per 2026 alleen nog voor percelen op de zand- en lössgronden. Tenslotte hoeft op derogatiebedrijven in NV-gebieden op klei- of veengronden per 2026 geen vanggewas na maïs meer te worden geteeld.

Naast de hierboven genoemde regels zullen, zoals eerder aangegeven, de reeds geïmplementeerde regels uit het 7e actieprogramma blijven gelden, zoals de stimulering van de teelt van vanggewassen op de zand- en lössgronden, de 1 op 4 rotatieverplichting met rustgewassen en de stimulering van organisch stofrijke meststoffen.

Monitoring waterkwaliteit (artikel 10)

Artikel 10 van de derogatiebeschikking vereist dat Nederland een monitoringsnetwerk opzet van ten minste 300 derogatiebedrijven dat gegevens levert over de nitraat- en fosfaatconcentratie in het water uit de wortelzone. Nederland heeft hieraan invulling gegeven door binnen het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) een apart derogatiemeetnet op te zetten. Met het vervallen van de derogatiebeschikking, zal ook het derogatiemeetnet per 2026 komen te vervallen, wat consequenties heeft voor de betrouwbaarheid en zeggingskracht van het LMM.

In mijn kamerbrief van 7 maart 20255 heb ik u reeds geïnformeerd over de uitkomsten van de verkenning naar hoe het LMM er in de toekomst na het vervallen van het derogatiemeetnet uit zou moeten zien. Uit deze verkenning komt naar voren dat een aanpassing van het LMM nodig is om de betrouwbaarheid en zeggingskracht van het LMM te borgen, indien het derogatiemeetnet vervalt. Ik heb daarbij ook aangegeven te kijken naar een mogelijke verfijning van het LMM voor wat betreft de monitoring in de Zandregio.

Met het definitief vervallen van de derogatie heb ik besloten een verfijning van de monitoring in de Zandregio door te voeren voor het basismeetnet van het LMM in de deelgebieden zand Noord, -Midden en -Zuid. Uit de huidige monitoring blijkt dat de waterkwaliteitsopgave per deelgebied in de Zandregio grote verschillen laat zien. Een verfijning van de monitoring in de Zandregio brengt deze ruimtelijke differentiatie beter in beeld. Dit maakt het ook gemakkelijker een onderscheid in maatregelen per Zandgebied in te voeren en de effecten hiervan op de waterkwaliteit te volgen. Dit sluit aan bij de reeds toegepaste differentiatie in het huidige mestbeleid en het strategisch advies van de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet dat is opgesteld in het kader van de Evaluatie Meststoffenwet 2024.6 Met deze aanpassing zal worden blijven voldaan aan de eisen die gelden voor de monitoring van de waterkwaliteit en landbouwpraktijk vanuit de Nitraatrichtlijn. Hiermee wordt ook invulling gegeven aan de motie van het lid Van der Plas7.

Rapportage Nederlands mestbeleid en derogatierapportage (artikel 12)

Met de afloop van de derogatiebeschikking vervalt ook de monitorings- en rapportageverplichting over de waterkwaliteit op derogatiebedrijven. Daarnaast vervalt ook de verplichting om jaarlijks een verslag aan de EC te sturen met gegevens over onder meer de nationale mestproductie en resultaten van het toezicht en de handhaving op zowel derogatie- als niet-derogatiebedrijven zoals beschreven in artikel 12 van de derogatiebeschikking 2022-2025. De afgelopen jaren werd hieraan invulling gegeven middels de Rapportage Nederlands Mestbeleid en de derogatierapportage.

Omdat ik het van belang acht uw Kamer jaarlijks te blijven informeren over de waterkwaliteit onder landbouwbedrijven, heb ik besloten deze jaarlijkse derogatierapportage met monitoringsgegevens, ook de komende twee jaren op te stellen en te versturen aan uw Kamer. Dit zijn monitoringsresultaten over de laatste twee jaren van de derogatieperiode (2024 en 2025).

Om de rapportage over de monitoringsgegevens over de waterkwaliteit te kunnen continueren, heb ik besloten vanaf 2028 een jaarlijkse kennisnotitie over de waterkwaliteit en landbouwpraktijk op LMM-bedrijven op te laten stellen door het RIVM en Wageningen Social & Economic Research. In vergelijking met de derogatierapportage, zal deze kennisnotitie minder omvangrijk zijn. In de kennisnotitie zullen de belangrijkste resultaten over de waterkwaliteit en landbouwpraktijk in relatie tot het mestbeleid worden behandeld. De precieze inhoud van een dergelijke kennisnotitie laat ik aan het nieuwe kabinet.

Gevolgen afbouw derogatie voor de agrarische praktijk

Ik realiseer mij dat het aflopen van de derogatie een grote invloed heeft op de Nederlandse veehouderij. Zoals ik ook in mijn brief van 23 december 2025 al aangaf heeft het beëindigen van de derogatie een grote impact op het inkomen en het toekomstperspectief van agrariërs. Ook is het risico groot dat grasland zal worden omgezet naar (economisch meer perspectiefvolle) bouwland.

Om de negatieve effecten van de afbouw van de derogatie te mitigeren, heb ik reeds in september 2024 een aanpak mestmarkt8 gepresenteerd, waarvan ook de inzet op een nieuwe derogatie onderdeel was. Nu duidelijk is dat er in 2026 geen nieuwe derogatie komt, blijft het van belang om de inzet op de andere in deze aanpak opgenomen maatregelen voort te zetten, waaronder de inzet op mestverwerking en mestexport. Ik ben dan ook verheugd dat de Europese Commissie het voorstel formeel heeft vastgesteld en dat de richtlijn hiertoe op 9 februari jl. is gepubliceerd. In de tussentijd wordt gewerkt aan de benodigde nationale regelgeving ter implementatie hiervan. De inzet is om deze nog in het voorjaar van 2026 in werking te laten treden. Voor bedrijven die tot en met 2025 in het kader van de pilots mineralenconcentraat en Kunstmestvrije Achterhoek al Renure produceerden, is voorzien in een overgangssituatie9.

Tot slot

Met deze brief heb ik uw Kamer op hoofdlijnen geïnformeerd over de gevolgen van het niet vaststellen van het 8e AP en het niet verlenen van een nieuwe derogatie aan Nederland. Conform de motie Grinwis c.s.10 wordt de inrichting en de besluitvorming over het 8e AP aan het nieuwe kabinet gelaten.

Hoogachtend,

Femke Wiersma

Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur


  1. 1 Kamerstukken II 2025/26, 33037, nr. 635↩︎

  2. Kamerstukken II 2025/26, 33037, nr. 637↩︎

  3. Kamerstukken II, 2025/26, 33037, nr. 626↩︎

  4. Kamerstukken II, 2024/35, 33037, nr. 563↩︎

  5. Kamerstukken II, 2025/26, 33037, nr. 586↩︎

  6. Kamerstukken II, 2025/26, 33037, nr. 561↩︎

  7. Kamerstukken II 2023/24, 33037, nr. 505↩︎

  8. Kamerstukken II 2024/25, 33037, nr. 559↩︎

  9. Kamerstukken II 2025/26, 33037, nr. 636↩︎

  10. Kamerstukken II, 2025/26, 33037, nr. 634↩︎