[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda voor de informele Raad Algemene Zaken van 2 en 3 maart 2026 (Kamerstuk 21501-02-3348)

Verslag van een schriftelijk overleg

Nummer: 2026D08848, datum: 2026-02-27, bijgewerkt: 2026-02-27 10:03, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2026Z03884:

Preview document (🔗 origineel)


21501-02 Raad Algemene Zaken

Nr. VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld d.d. .. 2026

Binnen de vaste commissie voor Europese Zaken heeft een aantal fracties de behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen over de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 20 februari 2026 inzake de geannoteerde agenda voor de informele Raad Algemene Zaken van 2 en 3 maart 2026 (Zaaknummer 2026Z03581).

Bij brief van ... heeft de minister deze beantwoord. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De tijdelijk voorzitter van de commissie,

Van der Werf

De griffier van de commissie,

Blom

Inhoudsopgave

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie


II Reactie van de minister van Buitenlandse Zaken

  1. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde agenda. Hierover hebben deze leden nog enkele vragen.

De leden van de D66-fractie constateren dat er mogelijk voorstellen worden gedaan om het Programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE) op te nemen in concurrentie- of veerkrachtfondsen (bijvoorbeeld het Competitiveness Fund) binnen het Meerjarig Financieel Kader (MFK). Hoe beoordeelt het kabinet het risico dat opname van LIFE in een breder concurrentie- of veerkrachtfonds (zoals een mogelijk Competitiveness Fund) leidt tot verdringing van langjarige natuurherstelprojecten door kortetermijnindustriebeleid?

  1. Antwoord van het kabinet

Het kabinet onderstreept het belang van investeringen in de groene transitie, natuurherstel en biodiversiteit en ziet het voorgestelde gecombineerde minimumpercentage van 35% voor klimaat- en milieu‑uitgaven als een voortzetting van het huidige beleid. Daarbij is het voor het kabinet essentieel dat dit percentage goed is onderbouwd en dat de onderliggende indicatoren daadwerkelijk bijdragen aan het Europese milieu-, klimaat- en biodiversiteitsbeleid.

Het kabinet steunt het samenvoegen van verschillende huidige MFK-programma’s in het voorgestelde Europees Concurrentievermogenfonds (ECF) om zo het MFK te vereenvoudigen, te moderniseren en toe te rusten op de grote uitdagingen. Het ECF kan een belangrijke bijdragen leveren aan het adresseren van de uitdagingen die Draghi in zijn rapport heeft geconstateerd. Eén van de voorgestelde thematische vensters onder het ECF is het schone transitie en industriële decarbonisatie venster. Het kabinet ondersteunt het belang dat de Commissie via het ECF-voorstel geeft aan het versterken van het Europese concurrentievermogen. Actie op de korte termijn is nodig om kritieke industrie te behouden voor de lange termijn. Het kabinet steunt daarbij de sterke focus op groene technologieën, een schone leefomgeving, circulaire economie, verduurzaming van de industrie of de energietransitie. Hierbij ziet het kabinet koppelkansen tussen investeringen in milieu, natuur en klimaat ter versterking van deze doelen.

Naast het ECF bieden het bestedingspercentage van 35% voor klimaat- en milieu‑uitgaven over het gehele MFK, en het Nationale en Regionale Partnerschapsplan (NRPP) en de EU-faciliteit kansen voor natuurherstel, maar de exacte bijdrage is op dit moment onzeker. In de onderhandelingen vraagt het kabinet waar passend aandacht voor een goede borging van de elementen die LIFE tot een effectief instrument maken.

Kan het kabinet bevestigen dat het zich in de Raad actief zal inzetten voor het behoud van een zelfstandig en ringfenced LIFE-programma in het MFK 2028–2034, gezien het feit dat LIFE het enige Europese Unie (EU)-instrument is dat volledig gericht is op milieu, biodiversiteit en klimaat?

  1. Antwoord van het kabinet

Het kabinet steunt de modernisering en flexibilisering van de EU-begroting zoals voorgesteld door de Commissie, waaronder de samenvoeging van fondsen. Het kabinet zet daarbij in op voldoende nadruk op milieu, biodiversiteit en klimaat, onder meer door het stimuleren van investeringen in de groene transitie door middel van het MFK-brede minimale bestedingspercentage van 35% voor klimaat en milieu, zoals voorgesteld door de Europese Commissie. Voldoende nadruk op biodiversiteit en natuur kan op verschillende manieren vorm krijgen. Het is niet noodzakelijk om individuele fondsen te ringfencen om beleidsdoelen te bereiken. Het ringfencen van individuele fondsen druist in tegen de modernisering van het MFK waar het kabinet voorstander van is. Voor het kabinet is het van belang dat lidstaten in het niet-geoormerkte deel van de nationale envelop zelf de vrijheid hebben om te kiezen met welke specifieke instrumenten en regelingen de gezamenlijke doelen op het gebied van natuur, milieu en klimaat te behalen. Nederland zet daarbij in op het voorkomen van oneerlijke concurrentie en behoud van gelijk speelveld.

De leden van de D66-fractie stellen daarnaast dat Hongarije op iedere mogelijke manier sancties tegen Rusland, steun aan Oekraïne en het toetredingsproces van Oekraïne in het algemeen blokkeert. Op welke manier zal de druk op Hongarije worden verhoogd om hun veto op deze onderwerpen op te heffen?

  1. Antwoord van het kabinet

Het kabinet beoordeelt het als onacceptabel en onverantwoord dat Hongarije regelmatig belangrijke steun voor Oekraïne blokkeert of dreigt te blokkeren. Voortgezette EU-steun en druk op Rusland in de vorm van aanvullende sancties zijn voor Oekraïne van existentieel belang. Het kabinet blijft zich inzetten voor onverminderde steun vanuit de EU en streeft hierbij naar EU-eenheid. Nederland doet dit in gezelschap van een brede groep lidstaten. Voorzitter van de Europese Raad Antonio Costa heeft Hongarije gewezen op het belang dat besluiten genomen door de Europese Raad ook worden nageleefd en gewezen op het beginsel van loyale samenwerking. Binnen de Raad en tussen lidstaten wordt actief van gedachten gewisseld over hoe om te gaan met Hongaarse blokkades, inclusief de voortdurende oneigenlijke Hongaarse blokkade op voortgang op het EU-toetredingsproces van Oekraïne. Het kabinet stelt zich in deze discussies constructief op en spreekt zich uit tegen de oneigenlijke bilaterale blokkade van Hongarije, in lijn met de motie Van Campen-Piri.1

Vragen en opmerkingen van de GroenLinks-PvdA-fractie

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de Informele Raad Algemene Zaken waarin EU- uitbreiding centraal staat. Deze leden hebben hier nog enkele vragen en opmerkingen bij.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vernamen afgelopen week dat premier Orbán de 90 miljard van de EU, bedoeld voor financiële steun aan Oekraïne, blokkeert. Zijn er sinds vorige week gesprekken gevoerd met de Hongaarse regering om druk uit te oefenen op dit besluit? Wordt hier en marge van de informele Raad over gesproken en zo ja, wat is de inzet van Nederland? Wordt er gezocht naar manieren om de lening via een route te verstrekken waar geen unanimiteit voor nodig is?

  1. Antwoord van het kabinet

Het kabinet beoordeelt het als onacceptabel en onverantwoord de blokkade die Hongarije opwerpt voor de besluitvorming over de steunlening van EUR 90 mld. Dit gaat in tegen het akkoord dat de Europese Raad op 19 december jl. bereikte. Nederland en andere lidstaten hebben hierover tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 23 februari jl. en de Raad Algemene Zaken van 24 februari jl. hun afkeur uitgesproken en opgeroepen tot zo spoedig mogelijke besluitvorming. Tijdens de informele Raad staat de steun aan Oekraïne niet als separaat onderwerp geagendeerd. Mocht dit onderwerp evenwel ter sprake komen, dan zal Nederland zich wederom uitspreken tegen de blokkade.

Voor het verstrekken van een lening uit hoofde van de headroom van het Meerjarig Financieel Kader (MFK) is besluitvorming per unanimiteit nodig. Instemming hiermee door alle EU-lidstaten was onderdeel van het politieke akkoord van de Europese Raad van 19 december jl. waarover uw Kamer dezelfde dag is geïnformeerd. Nederland spant zich in, samen met andere lidstaten en de EU-instellingen, voor een zo spoedig mogelijk akkoord op de steunlening om Oekraïne tijdig van essentiële financiële en militaire steun te voorzien.

Is de minister in dit licht bereid om het gesprek over de bevroren Russische tegoeden opnieuw te starten?

  1. Antwoord van het kabinet

Het kabinet heeft steeds opgeroepen tot het organiseren van een gecoördineerd gesprek in EU- en G7-verband over de kansen en risico’s van aanvullende maatregelen op basis van de geïmmobiliseerde Russische centrale banktegoeden. In het najaar van 2025 gebeurde dit in de context van de herstelleningen. Zoals bekend was er tijdens de Europese Raad van december jl. onvoldoende draagvlak om herstelleningen op basis van de geïmmobiliseerde Russische centrale banktegoeden af te geven. De Commissie heeft bij de aankondiging van de wetsvoorstellen voor de Ukraine Support Loan aangegeven dat het voorstel voor herstelleningen op tafel blijft liggen, hoewel momenteel nog geen concrete stappen richting inzet van de tegoeden worden genomen. Het kabinet ziet graag dat de discussie wordt hervat en blijft pleiten voor de inzet van de geïmmobiliseerde Russische tegoeden. Zaak is nu om op korte termijn akkoord te bereiken op de steunlening, om Oekraïne tijdig van urgente begrotingssteun te voorzien.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat Oekraïne en Moldavië klaar zijn voor de volgende toetredingsstappen als kandidaat-lidstaat en het openen van meerdere onderhandelingsclusters. Zolang Hongarije deze stappen blokkeert stranden verdere stappen echter. Op welke manier is de minister van plan Oekraïne en Moldavië te ondersteunen bij de nodige hervormingen voor EU-lidmaatschap, zodat zij naar lidmaatschap kunnen toegroeien zolang het officiële toetredingsproces niet verder komt? Deze leden ontvangen graag een antwoord dat de Nederlandse inzet weergeeft binnen de EU en op bilateraal niveau.

  1. Antwoord van het kabinet

Ondanks de Hongaarse blokkade in het toetredingsproces van Oekraïne vindt voorbereidend technisch werk plaats, opdat de onderhandelingsclusters zo snel mogelijk geopend kunnen worden op het moment dat Hongarije de blokkade opheft en de besluiten formeel voorliggen. De Commissie heeft in het jaarlijkse uitbreidingsrapport van 2025 aangegeven te verwachten dat Oekraïne en Moldavië voor eind 2025 ook zouden voldoen aan de vereisten voor het openen van de laatste drie clusters (Cluster 3, Cluster 4 en Cluster 5). De voorbereidingen voor het openen van deze clusters zijn inmiddels inderdaad vergevorderd. De Europese Commissie staat verder in nauw contact met zowel Oekraïne als Moldavië over noodzakelijke hervormingen en ondersteunt deze landen hierbij. Zo presenteerden de Commissie en Oekraïne tijdens de informele bijeenkomst in Lviv op 10 en 11 december jl. een 10-puntenplan om anti-corruptiehervormingen te bespoedigen.

Buiten het reguliere toetredingsproces ondersteunt de EU Oekraïne en Moldavië onder andere via de Oekraïne-faciliteit en het Groeiplan voor Moldavië bij het doorvoeren van hervormingen. Voor het volgende MFK zet Nederland ook in op prestatiegerichte steun aan kandidaat-lidstaten onder het Global Europe instrument. Op bilateraal niveau blijft Nederland steun verlenen bij het hervormingsproces in Oekraïne en Moldavië waar dat kan. Dat gaat onder andere via het MATRA-programma. Nederland zal deze boodschap gedurende de informele Raad ook overbrengen.

Wat is de Nederlandse inzet tijdens de informele Raad ten aanzien van de ambitie om in 2028 of 2029 een nieuwe lidstaat te verwelkomen? Acht het kabinet dit realistisch? Wat is de positie van het kabinet ten opzichte van toetreding van Oekraïne en Moldavië zonder vetorecht? Sluit deze vorm aan bij de door het kabinet bepleitte “Europa van verschillende snelheden?”

  1. Antwoord van het kabinet

De kwaliteit en het tempo van hervormingen in kandidaat-lidstaten blijven voor het kabinet leidend in het op merites gebaseerde toetredingsproces. Van alle kandidaat-lidstaten heeft Montenegro momenteel de hoogste mate van voorbereiding op het EU-lidmaatschap. Indien Montenegro de eigen capaciteit en weerbaarheid blijft versterken en zich blijft richten op de implementatie en bestendiging van hervormingen, dan komt de afronding van de EU-toetredingsonderhandelingen sneller in zicht. Het kabinet kan geen uitspraken doen over wanneer dit het geval zal zijn. Moldavië is nog niet zo gevorderd in het toetredingsproces, maar boekt goede voortgang met het doorvoeren van hervormingen. Zo oordeelde de Commissie in het uitbreidingsrapport 2025 dat Moldavië van alle kandidaat-lidstaten de meeste progressie heeft geboekt.

Inmiddels zijn met Montenegro dertien onderhandelingshoofdstukken onder voorbehoud gesloten. Het opstellen van een toetredingsverdrag kost veel tijd, daarom zal de Raad naar verwachting op korte termijn starten met het voorbereidende werk voor een toetredingsverdrag met Montenegro. Het kabinet vindt het belangrijk dat dit toetredingsverdrag, en mogelijk volgende toetredingsverdragen voor andere kandidaat-lidstaten, stevige waarborgen bevatten om de waarden van de EU te beschermen en de Unie effectief te houden. Nederland verkent in overleg met andere lidstaten welke rechtstaatswaarborgen, overgangsmaatregelen, en maatregelen op EU-institutioneel gebied daarvoor nodig zijn . In lijn met de motie Klos c.s.
2 staat het kabinet constructief tegenover het voeren van gesprekken over eventuele gefaseerde toetreding door Oekraïne, indien dit nodig blijkt. In dat scenario zullen waarborgen onderwerp van gesprek zijn.

Is de minister van mening dat zo’n traject ook passend is voor kandidaat-lidstaten als Montenegro en Albanië?

  1. Antwoord van het kabinet

Dat zal mede afhangen van de wijze waarop gefaseerde toetreding eventueel vorm zou krijgen en dit valt daarom nog niet te zeggen. Het heeft de voorkeur van het kabinet om eerst te kijken naar manieren om vaart te houden in het op merites gebaseerde toetredingsproces, conform de bestaande uitbreidingsmethodologie, ook door druk op landen die bilaterale blokkades opwerpen, en door te investeren in geleidelijke integratie. Kandidaat-lidstaten verschillen in hun mate van voorbereiding op het EU-lidmaatschap. Het is van belang dat het EU-toetredingsproces realistisch en uitvoerbaar blijft. Een land dat toetreedt tot de Unie moet de waarden van de Unie eerbiedigen en moet voldoen aan alle voorwaarden om volwaardig lid te worden. Nederland zal deze uitgangspunten tijdens de informele Raad ook uitdragen richting de Commissie en in contacten met kandidaat-lidstaten.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen voorts dat er tijdens de informele Raad wordt gesproken over het nieuwe MFK. Er zijn binnen de Raad verschillende opvattingen over de omvang van het MFK in het voorstel van de Europese Commissie (EC). Is het kabinet van mening dat de voorgestelde omvang van het MFK te hoog is? Is de minister het ermee eens dat met de groeiende uitdagingen waarbij ook in Europees verband moet worden opgetreden, zoals de concurrentiepositie van de EU, de energietransitie en defensiesamenwerking in de EU, de omvang van het MFK de grote ambities op deze terreinen moet weerspiegelen? Is hij van mening dat dat met het huidige voorstel gebeurt?

  1. Antwoord van het kabinet

Het kabinet zet in op een moderne en toekomstgerichte Europese begroting. Dit wil zeggen dat de begroting meer gericht moet worden op het versterken van het Europees concurrentievermogen, met een sterke interne markt en inzet op onderzoek en innovatie als fundament, een stevig migratie- en asielbeleid, veiligheid en defensie. Het kabinet verwelkomt dan ook de voorgestelde modernisering van het MFK, waarbij de Commissie meer focus legt op strategische prioriteiten en hiervoor een groter deel van de EU-begroting uittrekt. Het ontbreekt volgens het kabinet in het voorstel echter aan afdoende scherpe financiële keuzes. Daarom zet het kabinet in op een verlaging het voorgestelde MFK, waarbij de modernisering overeind moet blijven. Dit standpunt zal het kabinet actief uitdragen in haar aanstaande contacten met vertegenwoordigers van de Europese Commissie en bij relevante Raden.

Is de minister het ermee eens dat, gezien de inflatie en het aandeel van de terugbetaling aan het coronaherstelfonds, wat ook in het nieuwe MFK zit, het nieuwe MFK de facto helemaal niet echt in omvang groeit? Houdt het kabinet vast aan de extra bezuiniging van 1,6 miljard euro minder afdrachten aan de EU die in de begrotingsreeks staat voor 2028? Zo ja, waarom? Acht de minister dit realistisch?

  1. Antwoord van het kabinet

De omvang van de voorstellen is nader uitgewerkt in de Kamerbrief over de MFK- en EMB-voorstellen van 12 september jl.3 De totale uitgaven onder de MFK-plafonds bedragen in het voorstel 1,26% van het EU27-bni. In de huidige programmaperiode is dit 1,13%. Dit is exclusief speciale instrumenten. Gecorrigeerd voor de aflossing- en rentebetalingen van het coronaherstelfonds stijgen de beleidsuitgaven van 1,12% naar 1,15% van het EU27-bni, exclusief speciale instrumenten. In absolute bedragen stijgt het MFK van ca. EUR 1.200 mld. in de periode 2021-2027 naar EUR 1.985 mld. in 2028-2034.

Het coalitieakkoord bevat geen aanpassing aan de raming van de EU-afdrachten. De maatregel om de eerder geraamde stijging van de EU-afdrachten met EUR 1,6 mld. per jaar te beperken blijft dus onderdeel van de raming vanaf 2028. De onderhandelingen over het door de Europese Commissie voorgestelde Meerjarig Financieel Kader 2028-2034 en het nieuwe eigenmiddelenbesluit duren naar verwachting nog tot in 2027. De onderhandelingen over het MFK en EMB zijn een totaalpakket. Het kabinet zal hierbij scherp inzetten op het verlagen van de afdrachten ten opzichte van het Commissievoorstel. Pas na afronding van deze onderhandelingen is iets te zeggen over het onderhandelingsresultaat.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat in het kader van het MFK ook wordt gesproken over de hervorming van de cohesiefondsen die geïntegreerd worden in de nationale en regionale partnerschappen (NRPP). Deze leden zijn van mening dat de rol van regio’s dreigt te verzwakken en achten het van belang dat deze regie blijven houden gezien het feit dat de EU-fondsen van belang zijn voor de regionale economie. Is de minister het ermee eens dat de Europese cohesiemiddelen cruciaal zijn voor structurele investeringen in regio’s die anders achterblijven en hoe gaat hij ervoor zorgen dat regie voor de regio’s op de cohesiefondsen wordt behouden? Wat is hier de inzet van Nederland? Gaat de minister zich ervoor inzetten dat middelen uit het NRPP langjarig geoormerkt blijven voor specifieke regio’s, zodat zij deze gebiedsgericht kunnen inzetten?

  1. Antwoord van het kabinet

Conform de kabinetsappreciatie in het BNC-fiche over de oprichting Europees Fonds voor Nationale en Regionale Partnerschap plannen onderschrijft het kabinet de doelstelling om regionale ongelijkheden tegen te gaan en Europese territoriale samenwerking te bevorderen.4 Het kabinet vindt dat het cohesiebeleid zich zo veel mogelijk dient te richten op regio’s die op sociaaleconomisch gebied achterblijven, door het bevorderen van economische, sociale en territoriale convergentie, maar dat het cohesiebeleid in principe beschikbaar moet blijven voor alle regio’s in de EU. In lijn hiermee vindt het kabinet het logisch dat binnen de Nationale en Regionale Partnerschapsplannen voldoende aandacht is voor minder ontwikkelde regio’s in de Unie. Investeringen in deze regio’s dragen ook bij aan het adresseren van de grote uitdagingen voor de EU, zoals energie, innovatie en veiligheid. In haar voorstel benadrukt de Commissie dat het partnerschapsbeginsel, waarbij nationale, regionale en lokale actoren actief worden betrokken, ook centraal blijft staan in de programmering en uitvoering. Het kabinet steunt het basisprincipe van het NRPP dat gericht is op het partnerschapsbeginsel en het kabinet wil hier ook actief vorm aan geven middels nauwe betrokkenheid van medeoverheden en andere (maatschappelijke) partners, in lijn met artikel 6 van het NRPP-voorstel en met de motie Paternotte.5

  1. Reactie van de minister van Buitenlandse Zaken


  1. Kamerstuk 21501-20, nr. 2277↩︎

  2. Kamerstuk 36800-V-49↩︎

  3. Kamerstuk 21501-20, nr. 2268↩︎

  4. Kamerstuk 22112-4143, fiche 2: [MFK] Oprichting Europees Fonds Nationale en Regionale Partnerschap plannen.↩︎

  5. Kamerstuk 21 501-08, nr. 985↩︎