Rapportage Internationale Misdrijven 2024-2025
Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (VI) voor het jaar 2026
Brief regering
Nummer: 2026D09193, datum: 2026-03-02, bijgewerkt: 2026-03-04 16:52, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
- Mede ondertekenaar: G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie (Ooit CDA kamerlid)
Onderdeel van kamerstukdossier 36800 VI-132 Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (VI) voor het jaar 2026.
Onderdeel van zaak 2026Z04015:
- Indiener: D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
- Medeindiener: G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie
- Volgcommissie: vaste commissie voor Asiel en Migratie
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-03-03 15:45 ⇒ Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-03-03 15:45: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-03-19 12:00: Procedurevergadering Justitie en Veiligheid (Procedurevergadering), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
Preview document (🔗 origineel)
36 800 VI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (VI) voor het jaar 2026
Nr. 132 Brief van de ministers van Justitie en Veiligheid en van Asiel en Migratie
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 2 maart 2026
Hierbij zenden wij uw Kamer de rapportagebrief over de Nederlandse aanpak van internationale misdrijven in 2024-2025.1 Naast de vele aandacht die er is voor de internationale aanpak van internationale misdrijven, hebben landen ook een belangrijke rol om binnen de eigen landgrenzen op te treden. De primaire verantwoordelijkheid voor opsporing en vervolging van internationale misdrijven ligt op grond van het complementariteitsbeginsel als vervat in het Statuut van Rome voor het Internationaal Strafhof namelijk bij nationale overheden. De nationale strijd tegen straffeloosheid voor deze zeer ernstige misdrijven is dan ook sinds jaar en dag een belangrijk onderwerp voor het kabinet. Nederland wil geen veilige haven zijn voor plegers van internationale misdrijven. Hier wordt actief op ingezet, met zowel een strafrechtelijke als een vreemdelingrechtelijke aanpak. Daarmee wordt jaarlijks voorkomen dat plegers van internationale misdrijven ten onrechte aanspraak kunnen maken op bescherming in Nederland. Tegelijkertijd worden verdachten van vermeende internationale misdrijven strafrechtelijk vervolgd, soms resulterend in levenslange gevangenisstraffen.
De toename van gewapende conflicten wereldwijd is ook in de keten te merken. De inspanningen die door de keten worden verricht zijn intensief en omvangrijk. In deze brief zullen wij enkele aspecten uitlichten. Daarbij moet worden opgemerkt dat niet alle inspanningen van de keten direct zichtbaar zijn of kunnen worden gemaakt. Zo is de opsporing en vervolging van internationale misdrijven complex en tijdrovend en kan vaak pas informatie over een zaak worden gedeeld als er voldoende bewijs voorhanden is voor een aanhouding.
2. De bijdrage van de keten aan het tegengaan van straffeloosheid
2.1 Verdachten voor de rechter: opsporing en vervolging
De afgelopen jaren neemt het aantal strafrechtelijke onderzoeken naar internationale misdrijven die resulteren in berechting toe. Waar er in 2014 slechts één zaak voor de rechter werd gebracht, werden in 2024 en 2025 dertien verdachten vervolgd en waren er in totaal achttien lopende strafrechtelijke onderzoeken.2 In enkele gevallen gaat het om de vervolging van verdachten voor misdrijven die nog voor de eeuwwisseling hebben plaatsgevonden, in Rwanda of in Afghanistan. Het merendeel van de vervolgingen ziet echter op recentere situaties, met betrekking tot Islamitische Staat (IS) of andere strijdende partijen in het Midden-Oosten. In die zaken is dan ook naast vervolging voor internationale misdrijven soms ook sprake van vervolging voor terroristische misdrijven.
Zo is op 11 december 2024 de verdachte Hasna A. door de rechtbank Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaar voor vier misdrijven.3 Ze is veroordeeld voor aansluiting bij de terroristische organisatie IS, deelname en bevordering van terroristische misdrijven van IS, en voorts voor het in hulpeloze toestand brengen en houden van haar toen 4-jarige zoontje dat ze meenam toen ze begin 2015 afreisde naar het zogeheten ‘kalifaat’ van IS in Syrië. Het zwaarste misdrijf waar Hasna A. voor is veroordeeld, is het internationale misdrijf slavernij gepleegd tegen een tot slaaf gemaakte Jezidi-vrouw. Slavernij van gevangengenomen Jezidi vrouwen en meisjes was onderdeel van een wijdverbreide en stelselmatige aanval die de IS uitvoerde op de Jezidi’s in Noord-Irak (burgerbevolking). De rechtbank overwoog in het vonnis dat Hasna A. van de aanval afwist en de slavernij als onderdeel daarvan pleegde, zodat dit een misdrijf tegen de menselijkheid oplevert. De rechtbank benoemde nadrukkelijk: “Misdrijven tegen de menselijkheid, waaronder begrepen slavernij, behoren tot de ernstigste internationale misdrijven en vervullen de gehele internationale gemeenschap met zorg. Het verbod op slavernij is een regel die als zo fundamenteel voor de internationale rechtsorde wordt beschouwd, dat afwijking van deze regel niet toelaatbaar is. De aanval van IS op de jezidi gemeenschap waarbij vrouwen en meisjes tot slaaf werden gemaakt, heeft op grote schaal internationale verontwaardiging en verontrusting gewekt.”
De behandeling van het hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag zal naar verwachting in februari 2026 plaatsvinden.
In 2024 is ook verdachte Ayada K. aangehouden, na terugkomst uit Syrië. Zij wordt verdacht van deelname aan de terroristische organisatie IS, het achterlaten van een hulpbehoevende, het treffen van voorbereidingshandelingen van een misdrijf met een terroristisch oogmerk, het onttrekken van haar kinderen aan het gezag van hun vader en als internationaal misdrijf medeplichtigheid aan het inzetten van haar toen 14-jarige zoon voor de strijdkrachten van IS. Uniek aan deze zaak is dat voor het eerst in Nederland vervolging plaatsvindt voor het inzetten van een kindsoldaat als oorlogsmisdrijf. Het onderzoek naar de feiten loopt en de behandeling bij de rechtbank Den Haag zal plaatsvinden op 27 maart 2026.
Daarnaast is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep een verdachte voor de rechter gebracht die aan de kant van het Syrische regime stond.4 Mustafa A. kreeg in hoger beroep een gevangenisstraf van 13 jaar opgelegd voor het medeplegen van het misdrijf tegen de menselijkheid van wederrechtelijke vrijheidsberoving en voor medeplichtigheid aan de daaropvolgende foltering en marteling. Daarnaast werd Mustafa A. veroordeeld voor zijn deelname aan de criminele organisatie Liwa al-Quds, een militie die het Syrische regime steunde, die tot oogmerk het plegen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid heeft. Er is cassatie ingesteld door de verdediging, dus de zaak is nog niet afgerond.
De tweede regimezaak die op dit moment loopt, betreft de zaak van de Syriër Rafik A. Hij is op 8 december 2023 aangehouden in Nederland, waar hij reeds enkele jaren woonde. Hij wordt ervan verdacht als verhoorder werkzaam te zijn geweest in Syrische detentiecentra en zich in die hoedanigheid schuldig te hebben gemaakt aan foltering, marteling als misdrijf tegen de menselijkheid en seksuele delicten als misdrijven tegen de menselijkheid. Deze verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis en de zaak zal in april 2026 worden behandeld bij de rechtbank Den Haag.
Deze zaken geven een beeld van de resultaten van de inspanningen van de strafrechtketen in 2024-2025. Daarnaast tonen ze het belang van erkenning van de ernst en strafwaardigheid voor de bredere gemeenschap die te lijden heeft gehad onder de misdrijven waar het om gaat, bijvoorbeeld als het gaat om de misdrijven tegen de Jezidi’s zoals de wereldwijde aandacht vanuit de Jezidi gemeenschap voor de zaak tegen Hasna A. laat zien.
Naast de vervolgingen die in 2024-2025 hebben plaatsgevonden, worden er diverse andere opsporingsonderzoeken verricht. Ook worden vele aangiften, meldingen en andere indicaties over internationale misdrijven waarover Nederland rechtsmacht heeft onderzocht, zowel met betrekking tot oudere als recentere situaties. De afgelopen jaren is sprake van een toename van aangiftes met betrekking tot internationale misdrijven gepleegd in Gaza. Deze aangiftes worden door het Landelijk Parket van het Openbaar Ministerie zorgvuldig beoordeeld volgens de Instructie afdoening aangiften Wet Internationale Misdrijven.
2.2 Voorkomen van een veilige haven: het 1F beleid in de praktijk
De bescherming die het Nederlandse asielbeleid biedt, kent een duidelijke grens: een vreemdeling die zelf betrokken is bij ernstige misdrijven, zoals oorlogsmisdrijven, foltering, maar ook zware geweldsdelicten, kan hier geen bescherming krijgen. Dat is verankerd in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag (Vlv).
Wanneer tijdens of na de asielprocedure signalen naar voren komen dat een vreemdeling mogelijk betrokken is bij dergelijke misdrijven (bijvoorbeeld uit eigen verklaringen of andere aanwijzingen) neemt de gespecialiseerde Unit 1F het onderzoek over. De Unit 1F gaat daarbij zorgvuldig te werk: openbare bronnen worden geraadpleegd, sociale media geanalyseerd en indien nodig worden aanvullende gehoren gehouden.
Indien wordt geconcludeerd dat artikel 1F Vlv van toepassing is, volgt geen verblijfsrecht. De bewijslast ligt bij de IND: er moeten serieuze aanwijzingen zijn dat de vreemdeling bewust heeft deelgenomen aan een ernstig misdrijf. Dit criterium is lichter dan in het strafrecht, maar wordt zorgvuldig toegepast.
Een vreemdeling kan zo’n besluit altijd voorleggen aan de rechter. Wordt artikel 1F Vlv tegengeworpen, dan volgt meestal ook een terugkeerbesluit (de plicht om de Europese Unie te verlaten), een inreisverbod (tien jaar lang geen toegang tot de Europese Unie) en een signalering in het Schengen Informatiesysteem, zodat andere lidstaten weten dat deze vreemdeling het grondgebied van de Europese Unie niet mag inreizen op grond van openbare orde (inreisverbod).
In de Rapportagebrief Internationale Misdrijven 2023 werd uw Kamer reeds bericht dat het Europees Hof van Justitie in juli 2023 heeft bepaald dat een terugkeerbesluit niet mag worden opgelegd als iemand vanwege het verbod op foltering of onmenselijke behandeling zoals neergelegd in artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) niet kan worden uitgezet.5 In dat geval kan er dus ook geen inreisverbod volgen, al blijft signalering in het Schengen-systeem wel mogelijk. Daarbij is destijds aangegeven dat bij de bestudering van de gevolgen van dit arrest voor de uitvoering de IND tijdelijk zaken heeft aangehouden. Hieronder bevonden zich ook 1F-zaken. De destijds verwachte toename in de 1F-cijfers van 2024 heeft zich gerealiseerd.
Verder zijn in 2024-2025 meerdere rechterlijke uitspraken geweest in zaken waarin de IND artikel 1F Vlv heeft tegengeworpen vanwege seksuele handelingen tussen meerderjarige Syrische mannen en minderjarige meisjes binnen zogenoemde kindhuwelijken (ook wel aangeduid met traditionele huwelijken). Hierbij gaat het nadrukkelijk niet om het huwelijk zelf, maar om de seksuele handelingen met een minderjarige, die zowel in Syrië als in Nederland strafbaar zijn en internationaal als ernstig misdrijf worden aangemerkt.
Zo oordeelden de rechtbanken Haarlem6 en Den Bosch7 dat de betrokken vreemdelingen wisten of hadden moeten weten dat zij een ernstig misdrijf pleegden. De beoordeling werd uitgevoerd aan de hand van de factoren uit het handboek van de United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR) en de Vreemdelingencirculaire, waaronder de aard en gevolgen van het misdrijf, de strafmaat, internationale consensus en de gevolgde strafprocedure. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zal naar verwachting begin 2026 uitspraak doen in het hoger beroep in deze zaken, van belang is voor de verdere interpretatie en toepassing van artikel 1F Vlv.
Vreemdelingen aan wie artikel 1F Vlv is tegengeworpen zijn verplicht de Europese Unie en dus ook Nederland te verlaten. De DTenV zet zich actief in om dit te realiseren. In 2024-2025 zijn er 54 1F-ers aantoonbaar vertrokken.
In de praktijk blijkt terugkeer vaak complex door factoren zoals een 3 EVRM-beletsel, medische omstandigheden of beperkte medewerking van het land van herkomst bij gedwongen terugkeer. De DTenV blijft zich ook onder deze omstandigheden voortdurend inzetten om vertrek te realiseren, om zo te waarborgen dat Nederland geen veilige haven biedt aan personen die met ernstige misdrijven in verband worden gebracht.
2.3 Internationale samenwerking als sleutel
Nederland is uiteraard niet het enige land dat zich inzet om te voorkomen dat plegers van internationale misdrijven ten onrechte een beroep kunnen doen op bescherming en opsporing en vervolging proberen te ontlopen. Internationale samenwerkingen met landen die onze doelstellingen delen is van grote toegevoegde waarde, zowel om van elkaar te kunnen leren als ten behoeve van concrete casussen.
De keten heeft daarom ook in 2024 deelgenomen aan gremia die zich hierop richten, zoals het European Union Agency for Asylum (het ‘EU Exclusion Network’), het European Network for investigation and prosecution of genocide, crimes against humanity and war crimes (het ‘Genocide Prosecution Network’), en het Analysis Project – Core International Crimes bij Europol (AP-CIC). Dat dergelijke samenwerkingen tot concrete resultaten kunnen leiden wordt goed geïllustreerd door de resultaten van voormeld AP-CIC. Mede dankzij de door het Team Internationale Misdrijven van de politie gedeelde kennis, expertise en operationele inzet in dit gremium, konden namelijk acht ontvoerde Oekraïense kinderen worden gelokaliseerd achter de frontlinie van de Russische Federatie. Er wordt bovendien actief aansluiting gezocht bij gremia die zich richten op het tegengaan van straffeloosheid van misdrijven in concrete situaties. Dit gebeurt bijvoorbeeld middels het Joint Investigation Team (JIT) inzake misdrijven tegen de Jezidi’s in Syrië en Irak en de – recentelijk met een jaar verlengde - OSINT Operational Taskfore (OTF) Ukraine, waarover uw Kamer al eerder werd geïnformeerd.8
Ter verdere bevordering van nationale opsporing en vervolging heeft Nederland zich de afgelopen jaren ingespannen voor de totstandkoming van het Verdrag van Ljubljana–Den Haag.9 Dit multilaterale Verdrag voorziet in een kader voor onder meer rechtshulp en uitlevering voor internationale misdrijven. Het zal landen de mogelijkheid bieden om elkaar assistentie te verlenen bij deze vaak complexe strafzaken. Uw Kamer is de afgelopen jaren meermalen geïnformeerd over dit Verdrag. In februari 2024 is het verdrag door Nederland en 34 andere landen ondertekend en thans staat de teller op 40. Na ondertekening is gestart met het proces voor ratificatie en er wordt momenteel hard gewerkt aan uitvoeringswetgeving. Deze zal op termijn aan uw Kamer worden aangeboden.
3. Innovatie en ontwikkelingen
3.1 Technologische innovatie
In de strafrechtelijke onderzoeken naar misdrijven die decennia geleden zijn gepleegd, wordt het bewijsmateriaal voornamelijk gezocht en gevonden in de vorm van getuigenverklaringen. In de strafrechtelijke onderzoeken naar meer recent gepleegde misdrijven spelen daarentegen andere categorieën van bewijsmateriaal een steeds grotere rol. Daarbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld video’s die op social media worden gepost. Onderzoeksmethoden zoals Open Source Intelligence (OSINT) worden daarom steeds belangrijker. Binnen de politie is hier de afgelopen jaren de nodige expertise op verkregen. Die expertise wordt aangewend ten behoeve van de eigen nationale onderzoeken. Gezien de schaarse OSINT-capaciteit en expertise bundelt de Nederlandse politie de krachten ook op Europees niveau, bijvoorbeeld via het hiervoor genoemde AP-CIC. In de reeds genoemde zaak jegens Mustafa A. werd veel door OSINT-onderzoek verkregen informatie als bewijsmateriaal gepresenteerd. De rechtbank Den Haag accepteerde dit als bewijs en verdachte werd onder meer op basis van dit OSINT-bewijs veroordeeld. Daarnaast heeft in 2024 een zogenoemde Hackathon plaatsgevonden, uitgevoerd door het Team Internationale Misdrijven in nauwe samenwerking met onder andere Europol, waarbij uiteindelijk succesvol een aantal vermiste Oekraïense kinderen zijn gelokaliseerd in de Russische Federatie en Belarus.10 Hierbij is gebruik gemaakt van verschillende digitale opsporingsmethoden. Wegens dit succes is er ook in 2025 een Hackathon georganiseerd, ditmaal met als doel om voormalige functionarissen van het Assad-regime te lokaliseren die verdacht worden van betrokkenheid bij internationale misdrijven.
Ook bij de IND kan in voorkomend geval, in aanvulling op dossieronderzoek en gehoren, online-onderzoek een rol spelen. Verdergaande vormen van OSINT-activiteiten passen niet bij de opdracht en de bevoegdheden van deze organisatie. Dit betekent dat naast eigen verklaringen van de betrokken persoon, rapporten van internationale organisaties, ambtsberichten, soms ook diepgaand online-onderzoek wordt gebruikt ter onderbouwing van een 1F-tegenwerping. Dit wordt alleen gedaan in de gevallen dat de zaak daar aanleiding toe geeft en wordt ook door de vreemdelingenrechter geaccepteerd.
3.2 Juridische ontwikkelingen
De opsporing en vervolging van internationale misdrijven is zeer complex: het bewijs van de strafbare feiten bevindt zich geregeld in het buitenland, er is specialistische kennis nodig voor het verkrijgen en analyseren van dit soort bewijs en rechtshulp met deze landen waar de internationale misdrijven hebben plaatsgevonden is niet altijd mogelijk. Vanwege deze complicerende factoren en de ernst van de internationale misdrijven, komt het steeds vaker voor dat de VN onderzoeksorganisaties instelt voor (onder andere) het verzamelen, analyseren, bewaren en verstrekken van bewijsmateriaal van internationale misdrijven ten behoeve van opsporing en vervolging door staten of internationale gerechten. Deze worden veelal aangeduid als bewijsvergaringsmechanismen. Om de mogelijkheden tot strafrechtelijke samenwerking tussen Nederland en dergelijke bewijsvergaringsmechanismen te verbeteren wordt op dit moment gewerkt aan een wettelijke regeling. Uw kamer zal hier te zijner tijd verder over worden geïnformeerd.
Ook het eerder al genoemde Verdrag van Ljubljana–Den Haag is uiteraard een belangrijke juridische ontwikkeling.
Voor wat betreft belangrijke juridische ontwikkelingen in het vreemdelingenrecht wordt onder meer verwezen naar de gevolgen van de hiervoor genoemde uitspraak van het Europees Hof van Justitie van 22 juli 2023, aangaande inreisverboden.
3.3 Versterking ketensamenwerking
Binnen de strafrechtketen wordt vanuit het Team Internationale Misdrijven van de politie en het Landelijk Parket van het Openbaar Ministerie ingezet op een versterkte samenwerking met andere onderdelen van de politie en het Openbaar Ministerie. Zo wordt met meer aandacht gekeken naar het terrein van financieel-economische misdrijven, omdat bedrijven of ondernemers zich ook kunnen gedragen als facilitators van internationale misdrijven en daarmee de internationale rechtsorde ondermijnen. Ook bestaat er samenhang en raakvlak tussen het aandachtsgebied Internationale Misdrijven en het aandachtsgebied Contraterrorisme, Extremisme en Radicalisering (CTER). Nauwere samenwerking tussen deze aandachtsgebieden leidt tot een sterkere informatiepositie en succesvollere opsporing en vervolging, zoals ook de zaken tegen Hasna A. en Ayada K. tonen.
Die samenhang tussen enerzijds CTER en anderzijds internationale misdrijven is ook te zien in de vreemdelingenketen. Dit signaal wordt herkend bij de doelgroep nationale veiligheid waarbij ook sprake is van 1F Vlv in combinatie met een strafrechtelijke veroordeling voor een terroristisch misdrijf gepleegd in o.a. het land van herkomst.
3.4 Overige ontwikkelingen
In de voorgaande Rapportagebrief Internationale Misdrijven is aandacht besteed aan de inzet van het Openbaar Ministerie en de politie ten aanzien van de positie van slachtoffers van internationale misdrijven in het strafproces.11 Inmiddels is een slachtofferprotocol ontwikkeld en is binnen het Team internationale misdrijven van de politie een Victim Support Unit (VSU), specifiek gericht op slachtoffers van internationale misdrijven, operationeel. In het slachtofferprotocol, dat is opgesteld ten behoeve van het werk van het Team Internationale Misdrijven, staat beschreven welke specifieke rechten slachtoffers van internationale misdrijven hebben en waar rekening mee moet worden gehouden in strafrechtelijke onderzoeken waarin deze slachtoffers een rol spelen. Het gaat dan bijvoorbeeld om het periodiek informeren van slachtoffers over de voortgang van een (vaak langdurig) strafrechtelijk onderzoek waarin zij een verklaring hebben afgelegd. Een en ander wordt gecoördineerd en periodiek geëvalueerd door medewerkers van de VSU.
4. Uitdagingen en toekomstperspectief
4.1 Huidige uitdagingen
Hoewel de opsporing en vervolging van internationale misdrijven complex en tijdrovend is, moet berechting plaatsvinden om recht te doen aan het leed dat veroorzaakt is bij de vele slachtoffers.
Nederland hanteert over het algemeen het uitgangspunt dat opsporing en vervolging van deze misdrijven zo veel mogelijk moet plaatsvinden in het land waar deze misdrijven zijn gepleegd: hier bevindt zich het meeste bewijsmateriaal en zijn de procesdeelnemers ingevoerd in de taal, cultuur en achtergronden van de gebeurtenissen. Echter, indien een verdachte zich op Nederlands grondgebied bevindt en niet kan worden uitgeleverd aan het land waar de misdrijven zijn gepleegd, kan worden gekeken of opsporing en vervolging in Nederland opportuun is. Hierbij bestaan echter verschillende complicerende factoren voor het vervolgen van internationale misdrijven, zoals de gebrekkige mogelijkheden voor het vergaren van bewijsmateriaal in diverse conflictgebieden. Zoals eerder in deze brief uiteen is gezet is daarom de afgelopen jaren het belang van VN-bewijsvergaringsmechanismen toegenomen. Zo is er de afgelopen jaren in diverse strafzaken, onder meer in voornoemde zaak tegen Hasna A., gebruik gemaakt van bewijsmateriaal dat is vergaard door het United Nations Investigative Team to Promote Accountability for Crimes Committed by Da’esh/ISIL (UNITAD). In september 2024 is echter het mandaat van UNITAD tot een einde gekomen. Het bewijsmateriaal dat jarenlang door UNITAD is verzameld en geanalyseerd is daardoor niet langer beschikbaar. Nederland spant zich samen met gelijkgezinde landen in om ervoor te zorgen dat het bewijsmateriaal weer beschikbaar wordt voor nationale en internationale berechting.
Indien bij het tegenwerpen van artikel 1F Vlv ook wordt aangenomen dat er sprake is van een mogelijke schending van artikel 3 EVRM bij terugkeer naar het land van herkomst, kan de DTenV de vreemdeling niet gedwongen uitzetten. In deze gevallen is de ketensamenwerking van groot belang, zodat er geen sprake is van straffeloosheid, indien en voor zover er daar aanleiding toe is. Tegenover het aantal 1F-tegenwerpingen staat echter een (veel) lager aantal strafrechtelijke onderzoeken, laat staan strafrechtelijke uitspraken door een rechter. Dat komt onder meer omdat de veronderstelling dat artikel 1F Vlv van toepassing is niet bewezen hoeft te worden volgens de in het strafrecht gehanteerde bewijsmaatstaf. Daarnaast geldt dat veel 1F-zaken betrekking hebben op internationale misdrijven die lange tijd geleden zijn gepleegd, waarbij in sommige gevallen nog geen sprake was van strafbaarstelling in Nederland.12 Strafrechtelijke vervolging is in die gevallen dan ook niet mogelijk, terwijl een 1F-tegenwerping door de IND wel kan.
Dat neemt niet weg dat de informatie die de IND heeft over de vreemdeling in veel gevallen van grote waarde kan zijn voor de opsporing en vervolging van internationale misdrijven. Het Openbaar Ministerie kan - mits er sprake is van een verdachte, en dus een op bekende concrete feiten en omstandigheden gestoelde verdenking - IND-dossiers vorderen met een machtiging van de rechter-commissaris. De informatie uit dergelijke dossiers kan het Openbaar Ministerie en de politie helpen om een goed beeld te vormen van waar een verdachte op welk moment geweest is, of waar diegene werkzaam is geweest, en in welke rol. Dit kan belangrijke aanknopingspunten opleveren voor verder strafrechtelijke onderzoek. Zonder concrete verdenking bestaat er momenteel echter geen grondslag voor deze informatiedeling. Het is van groot belang dat dit mogelijk wordt, ter verbetering van de informatiepositie van het Openbaar Ministerie en de politie en gelet op positieve verdragsrechtelijke verplichtingen. Zoals uw Kamer eerder is geïnformeerd loopt er om die reden een wetgevingstraject om te realiseren dat relevante informatie uit 1F-dossiers zonder machtiging van de rechter-commissaris kunnen worden gedeeld met het Openbaar Ministerie.
4.2 Vooruitblik
Nederland zal haar strijd tegen het voorkomen van straffeloosheid voor internationale misdrijven voortzetten door de Nederlandse strafrecht- en vreemdelingenketen daar waar nodig is in te zetten. Juist in de huidige tijd, waar er sprake is van vele conflicten wereldwijd, is een krachtige nationale aanpak van essentieel belang.
Eén van de ontwikkelingen op het internationale podium, die het belang van een sterke nationale aanpak onderstreept, is de val van het regime van Bashar al-Assad in Syrië op 8 december 2024. Jarenlang zijn Syrische burgers onderworpen geweest aan een schrikbewind, jihadistische groeperingen oorlog. De val van het Assad-regime met zich dat getuigen, die eerder uit angst niet bereid waren om te getuigen tegen in Nederland verblijvende verdachten van internationale misdrijven, nu wellicht wel hiertoe bereid zullen zijn. Een bijkomend obstakel is echter dat getuigen, die al hebben verklaard, kunnen terugkeren naar Syrië. Dit kan een effect hebben op het verloop van het strafproces. Een andere uitdaging betreft bewijsvergaring in Syrië. Bewijs van internationale misdrijven is door de val van het regime toegankelijker geworden, maar dient ook zorgvuldig en goed gecoördineerd verzameld te worden. Voor het succes van de Nederlandse opsporing en vervolging van Syrische regime-aanhangers en IS-strijders is de effectiviteit van bewijs vergarende internationale organisaties van groot belang. De Nederlandse strafrechtketen zal zich in de aankomende jaren onder andere bezighouden met deze ontwikkelingen.
De val van het Assad-regime brengt ook ontwikkelingen voor de vreemdelingenketen met zich mee. De verwachting is dat personen, die eerder deel uitmaakten van of steun gaven aan het Assad-regime, uit Syrië zullen vluchten, nu er een nieuwe regering is ingesteld. Er zal daarom de komende jaren aandacht worden besteed aan de mogelijkheid dat deze personen een asielaanvraag zouden kunnen indienen in Nederland. Hierdoor kan de IM-keten op tijd ingrijpen. Ook hebben deze ontwikkelingen gevolgen voor de mogelijkheden van zelfstandig vertrek van Syrische vreemdelingen naar hun land van herkomst. Dit geldt ook voor Syriërs aan wie artikel 1F Vlv is tegengeworpen.
DTenV kan ook deze doelgroep faciliteren in vertrek indien zij duurzaam willen terugkeren naar Syrië. Daarnaast kan de inzet om over te gaan tot het beoordelen van aanvragen en het herbeoordelen van al afgegeven verblijfsvergunningen aan Syriërs zodra dat kan, eveneens gevolgen hebben voor een eerder aangenomen 3 EVRM beletsel in Syrische 1F-zaken.
Onder meer op deze wijze blijft Nederland zich sterk maken voor de strijd tegen straffeloosheid en voorkomt zij dat Nederland een veilige haven zal worden voor misdadigers van internationale misdrijven.
De minister van Justitie en Veiligheid,
D.M. van Weel
De minister van Asiel en Migratie,
G. van den Brink
Bijlage 1: Strafrechtelijke cijfers
| Strafrechtelijke onderzoeken | ||
|---|---|---|
| 2024 | 2025 | |
| In de onderzoeksfase | 3 | 5 |
Onder de rechter
|
7 2 4 |
6 3 4 |
| Totaal | 16 | 18 |
| Uitleveringsprocedures | ||
|---|---|---|
| 2024 | 2025 | |
Onder de uitleveringsrechter
|
0 0 |
0 0 |
| Onder de Minister van Justitie en Veiligheid (om te beschikken) | 0 | 0 |
Onder de civiele rechter
|
0 0 2 |
0 0 0 |
Afgerond
|
0 0 |
0 2 |
| Totaal | 2 | 2 |
Bijlage 2: Vreemdelingrechtelijke cijfers
| 1F Vlv onderzoeken (IND) | ||
|---|---|---|
| 2024 | 2025 | |
| 1F Vlv tegengengeworpen | 38 | 38 |
| 1F Vlv niet tegengeworpen | 112 | 64 |
| Totaal | 150 | 102 |
| 1F Vlv dossiers (DT&V) | ||
|---|---|---|
| 2024 | 2025 | |
| 1F Vlv dossiers met artikel 3 EVRM beletsel | 79 | 69 |
| 1F Vlv dossiers zonder artikel 3 EVRM beletsel | 32 | 60 |
| Totaal | 111 | 129 |
| Uitstroom 1F Vlv vreemdelingen (DT&V) | ||
|---|---|---|
| 2024 | 2025 | |
| Gedwongen vertrek | 1 | 1 |
Zelfstandig vertrek
|
4 20 |
11 17 |
| Totaal | 25 | 29 |
De term ‘internationale misdrijven’ is een verzamelbegrip voor een aantal zeer ernstige schendingen van het internationale recht die in Nederland strafbaar zijn gesteld in de Wet internationale misdrijven. Het gaat om genocide, misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven, foltering, gedwongen verdwijningen en het misdrijf agressie.↩︎
Inclusief zaken die lopen in de appel- en cassatiefase.↩︎
Rechtbank Den Haag 11 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:20594.↩︎
Rechtbank Den Haag 22 januari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:575; Gerechtshof Den Haag 27 augustus 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1715.↩︎
Kamerstuk II, 2023-2024, 36 410 VI, nr. 106.↩︎
Rechtbank Haarlem 24 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18369.↩︎
Rechtbank Den Bosch 22 augustus 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:14784.↩︎
Kamerstuk II, 2023-2024, 36 410 VI, nr. 106.↩︎
Verdrag van Ljubljana – Den Haag inzake internationale samenwerking bij de opsporing en vervolging van genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en andere internationale misdrijven, Ljubljana, 26 mei 2023.↩︎
Tijdens een Hackathon proberen verschillende specialisten in een kort tijdsbestek, middels OSINT-onderzoek, een probleem te “hacken”.↩︎
Kamerstuk II, 2023-2024, 36 410 VI, nr. 106↩︎
Zo zijn misdrijven tegen de menselijkheid pas sinds 2003 strafbaar gesteld in Nederland.↩︎