Verslag
Voorstel van het Presidium tot wijziging van het Reglement van Orde en tot vaststelling van een afzonderlijke regeling in verband met het in buitengewone omstandigheden tijdelijk mogelijk maken van digitale vergadermogelijkheden
Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader)
Nummer: 2026D09557, datum: 2026-03-03, bijgewerkt: 2026-03-04 10:19, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: A.A.H. van Campen, voorzitter van de commissie voor de Werkwijze (VVD)
- Mede ondertekenaar: J. Bakker, griffier
Onderdeel van kamerstukdossier 36808 -3 Voorstel van het Presidium tot wijziging van het Reglement van Orde en tot vaststelling van een afzonderlijke regeling in verband met het in buitengewone omstandigheden tijdelijk mogelijk maken van digitale vergadermogelijkheden.
Onderdeel van zaak 2025Z16712:
- Indiener: M. (Martin) Bosma, voorzitter van het Presidium
- Voortouwcommissie: commissie voor de Werkwijze
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-02-25 12:00 â Inbreng geleverd. (Besluit)
- 2026-02-10 16:30 â Inbrengdatum voor het verslag vaststellen op woensdag 25 februari 2026 om 12.00 uur. (Besluit)
- 2025-09-17 13:45 â Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2025-09-17 13:45: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-02-10 16:30: Vergadering (Procedurevergadering), commissie voor de Werkwijze
- 2026-02-25 12:00: Voorstel van het Presidium tot wijziging van het Reglement van Orde en tot vaststelling van een afzonderlijke regeling in verband met het in buitengewone omstandigheden tijdelijk mogelijk maken van digitale vergadermogelijkheden (Inbreng verslag (wetsvoorstel)), commissie voor de Werkwijze
Preview document (đ origineel)
36 808 Voorstel van het Presidium tot wijziging van het Reglement van Orde en tot vaststelling van een afzonderlijke regeling in verband met het in buitengewone omstandigheden tijdelijk mogelijk maken van digitale vergadermogelijkheden
Nr. 3 VERSLAG
Vastgesteld 3 maart 2026
De commissie voor de Werkwijze, belast met het voorbereidend onderzoek van voorliggend voorstel van het Presidium tot wijziging van het Reglement van Orde en tot vaststelling van een afzonderlijke regeling in verband met het in buitengewone omstandigheden tijdelijk mogelijk maken van digitale vergadermogelijkheden (Kamerstuk 36808, nr. 2) heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat het Presidium op de gestelde vragen en de gemaakte opmerkingen afdoende zal hebben geantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van dit voorstel voldoende voorbereid.
Inhoudsopgave
Inbreng van de leden van de D66-fractie
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
Inbreng van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het voorstel tot wijziging van het Reglement van Orde en tot vaststelling van een afzonderlijke regeling in verband met het in buitengewone omstandigheden tijdelijk mogelijk maken van digitale vergadermogelijkheden. Zij onderschrijven de noodzaak dat de Kamer voorbereid moet zijn op situaties waarin de continuering van de democratische besluitvorming door het houden van fysieke vergaderingen niet op een toereikende wijze kan worden gewaarborgd. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen.
In de eerste plaats vragen zij waarom niet gekozen is om een nadere beschrijving van de âbuitengewone omstandighedenâ in het Reglement van Orde op te nemen. In de toelichting wordt hier weliswaar een en ander over gezegd en verwezen naar een afwegingskader uit een rapport van de werkgroep Effectief opereren in crisissituaties, maar in het Reglement van Orde wordt nergens beschreven of en hoe deze kaders zouden moeten worden toegepast door de Kamer, het Presidium of de Voorzitter, wanneer zij voor de keuze staan om digitale vergadermogelijkheden aan te wenden. De leden van de D66-fractie bevelen aan om de kaders waarin wordt beschreven wat buitengewone omstandigheden zijn en hoe vastgesteld moet worden of hier sprake van is, verder uit te werken in het Reglement van Orde.
Genoemde leden lezen in de toelichting op het voorstel dat het voornemen bestaat om regelmatig te oefenen met digitaal vergaderen. Dat lijkt hen erg verstandig. Zij vragen of het mogelijk is om, alvorens te stemmen over het voorliggende voorstel, een keer te oefenen met digitaal vergaderen. Hieruit zouden praktische zaken naar voren kunnen komen die relevant zijn om mee te nemen in het voorstel, of die de beslissing over het huidige voorstel kunnen beĂŻnvloeden. Als een dergelijke test reeds heeft plaatsgevonden, vernemen deze leden graag de uitkomsten van deze test.
De leden van de D66-fractie lezen dat het besluit om gebruik te maken van digitale vergadermogelijkheden telkens voor een periode van drie maanden genomen kan worden, en vervolgens meermaals kan worden verlengd. Waarom is niet gekozen voor een limiet op het aantal keren dat deze termijn kan worden verlengd? Welke andere waarborgen zijn ingebouwd om te voorkomen dat een Kamermeerderheid, Presidium of Voorzitter fysieke vergaderingen voor een lange periode buiten werking stelt?
Genoemde leden lezen dat een besluit over digitaal vergaderen in beginsel een besluit van de Kamer is, en als dit niet mogelijk is, het Presidium of de Voorzitter kan besluiten om digitaal te gaan vergaderen. Zij vragen of in het voorstel kan worden opgenomen dat, indien de Voorzitter of het Presidium het besluit neemt om digitaal te vergaderen, dit aan het begin van de eerste digitale vergadering door de Kamer moet worden goedgekeurd.
De leden van de D66-fractie lezen dat in de toelichting een aantal keer wordt verwezen naar de voorlichting van de Raad van State over het Functioneren van de Eerste Kamer in crisistijd. Welke grond heeft het Presidium om aan te nemen dat dezelfde adviezen onverkort gelden voor het functioneren van de Tweede Kamer in crisistijd? Kan het Presidium aangeven op welke wijze zij invulling heeft gegeven aan de randvoorwaarden voor digitale plenaire beraadslaging die de Raad van State stelt? Kan deze toelichting per randvoorwaarde afzonderlijk worden gegeven?
De leden van de D66-fractie merken op dat de het voorliggende voorstel niet uitsluit dat het Reglement van Orde tijdens een digitale vergadering kan worden gewijzigd. Dat betekent dat de spelregels van digitaal vergaderen tijdens een periode van digitaal vergaderen kunnen worden gewijzigd. Deze leden zien hierin een kwetsbaarheid. Zij vragen het Presidium of zij deze observatie deelt en of zij heeft overwogen om wijzigingen van het Reglement van Orde ten aanzien van digitale vergadermogelijkheden uit te sluiten van wijziging tijdens een digitale vergadering.
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel van het Presidium tot wijziging van het Reglement van Orde en tot vaststelling van een afzonderlijke regeling in verband met het in buitengewone omstandigheden tijdelijk mogelijk maken van digitale vergadermogelijkheden. Graag willen deze leden daarover een aantal vragen stellen. Allereerst merken zij op dat hun voorkeur uitgaat naar fysiek vergaderen in het gebouw van de Kamer, maar er kunnen situaties zijn dat het juist goed is dat er een mogelijkheid is voor een digitaal quorum, dan wel er een digitale vergadermogelijkheid is, zodat de parlementaire besluitvorming door kan gaan. Het is dan ook een goede zaak dat er een regeling voor digitaal vergaderen in bepaalde situaties komt. Zij roepen hierbij in herinnering de motie Van Gent c.s. (Kamerstuk 35 322, nr. 43), waarin de basis van het onderhavige voorstel besloten ligt.
Voorgesteld wordt om in âbuitengewoneâ omstandigheden het vereiste quorum voor vergaderingen digitaal te kunnen bereiken, dan wel digitaal te kunnen vergaderen. Dat kan tijdens âernstige crisissituatiesâ, zoals een pandemie, natuurramp, kernramp, aanslag, aan de orde zijn. Het valt de leden van de VVD-fractie op dat in het wetsvoorstel voor de Wet digitaal vergaderen decentrale overheden (Kamerstuk 36 558) het begrip âbijzondereâ omstandigheden wordt gebruikt. Genoemde leden vragen of dezelfde reikwijdte wordt beoogd. Of is er sprake van een andere reikwijdte? Graag krijgen zij een reactie van het Presidium.
In de toelichting staat dat het belangrijk is om de digitale vergadervoorziening regelmatig te testen. Dit houdt in dat er periodiek geoefend moet worden met het digitale quorum, beraadslagen en stemmen in de digitale vergadervoorziening. De leden van de VVD-fractie vragen hoe dat in zijn werk zal gaan. Geschiedt dat oefenen in aanwezigheid van leden van de Kamer? Moet dat oefenen door de leden thuis worden gedaan of kan dat ook in het gebouw van de Kamer? Hoe vaak zal worden geoefend?
Artikel 1, onderdeel A
Het valt de leden van de VVD-fractie op dat in het huidige artikel 7.19 lid 5 van het Reglement van Orde wordt gesproken over âbijzondere omstandighedenâ en dat het in de voorgestelde wijziging van het Reglement van Orde gaat om âbuitengewone omstandighedenâ. Graag krijgen deze leden een uitleg van dat verschil.
Artikel 1, onderdeel B
In de titel van de voorgestelde paragraaf en in de tekst van het voorgestelde artikel 15.23a staat het begrip âbuitengewoneâ omstandigheden, waarbij het gaat om âernstigeâ crisissituaties, zoals een pandemie, ramp, of aanslag, die het normale bijeenkomen van de Kamer verhinderen. Is overwogen om in de naam van de paragraaf en in het nieuwe artikel het begrip âernstigeâ crisissituaties te gebruiken in plaats van âbuitengewoneâ omstandigheden? Graag krijgen de leden van de VVD-fractie een reactie van het Presidium.
Met onderdeel a van het eerste lid wordt het mogelijk voor leden om zich op afstand langs elektronische weg (digitaal) aan te melden voor het benodigde quorum. Maakt de voorgestelde regeling het mogelijk dat het vereiste quorum wordt bereikt doordat sommige leden zich fysiek in de Kamer melden en andere leden digitaal? Of kan het quorum alleen langs de digitale weg worden bereikt?
Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel van het Presidium inzake een regeling in verband met de mogelijkheid om in buitengewone omstandigheden digitaal te vergaderen. Deze leden hebben op dit moment hierover een aantal vragen.
Allereerst merken zij op dat zij hopen dat deze regeling in de praktijk niet gebruikt hoeft te worden, omdat zij van mening zijn dat het parlement zoveel mogelijk op de gebruikelijke fysieke wijze behoort te functioneren. Zij vinden het wel verstandig dat er voor het uiterste geval een goede juridische regeling is waardoor het parlement ook tijdens buitengewone omstandigheden haar democratische rol kan blijven vervullen.
Genoemde leden lezen in artikel 15.23a dat de Kamer voor een periode van ten hoogste drie maanden kan besluiten om langs digitale weg te vergaderen. Kan worden toegelicht waarom voor een periode van drie maanden gekozen is? Deelt het Presidium de redenering dat het logischer zou zijn om bijvoorbeeld iedere maand te beoordelen of er nog sprake is van buitengewone omstandigheden waardoor fysieke vergaderingen geen doorgang kunnen vinden?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie kunnen zich voorstellen dat er ook een combinatie van maatregelen mogelijk is, waarbij bijvoorbeeld wel gebruik wordt gemaakt van het digitale quorum, maar dat vergaderingen op de reguliere fysieke wijze plaatsvinden, zoals tijdens de COVID-periode in de Eerste Kamer is gebeurd. Klopt de aanname dat het met de voorliggende regeling mogelijk is om gebruik te maken van het digitale quorum en fysiek te vergaderen?
In de regeling staat dat digitale vergaderingen alleen plaats kunnen vinden als leden op een geverifieerde wijze kunnen deelnemen en de vergadering voor eenieder te volgen is. Dit betekent dat de internetverbinding overal in Nederland goed moet werken. Genoemde leden vragen daarom hoe omgegaan wordt met situaties waarin er buitengewone omstandigheden zijn en ook in een deel van het land de internetverbinding niet (goed) werkt.
Tot slot vragen zij aandacht voor de strategische onafhankelijkheid tijdens een buitengewone omstandigheid. Daarom vinden deze leden het van belang dat er bij de keuze voor een online-vergadertool nadrukkelijk meegenomen wordt dat deze tool ofwel van Europese makelij, dan wel open source is, en bij voorkeur beiden. Graag ontvangen zij een reactie van het Presidium hierop.
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wijzigingsvoorstel. Deze leden vinden het goed dat er een voorstel ligt om ervoor te zorgen dat de Kamer ook in buitengewone omstandigheden kan functioneren. Wel merken deze leden op dat fysiek vergaderen wat hen betreft de absolute norm is en daarvan afwijken alleen in uiterste noodscenarioâs dient te geschieden. Deze leden vragen of het voorliggend voorstel wel voldoende is ingericht op noodscenarioâs waarin sprake is van dreigingen onder andere op het gebied van ICT (waarin wellicht online verbindingen lastig tot stand kunnen komen), of waarin Kamerleden door een ontstane noodsituatie beperkt aanwezig kunnen zijn. Deze leden hebben nog enkele vragen.
Genoemde leden merken op dat herhaaldelijk wordt aangegeven dat enkele zaken nog nader uitgewerkt moeten worden of nog door het Presidium vastgesteld moeten worden. Deze leden maken zich zorgen dat in noodsituaties nog te veel nader uitgewerkt moet worden. Zij vragen daarom om een overzicht van welke zaken naar aanleiding van dit voorstel nog verder uitwerkt zullen worden. Deze leden vragen ook of aangegeven kan worden wanneer deze nadere uitwerking zal plaatsvinden.
De leden van de CDA-fractie vragen om een nadere toelichting van het type buitengewone omstandigheden waarvoor dit wijzigingsvoorstel dient. Deze leden merken hierbij wederom op dat fysiek vergaderen wat hen betreft de absolute norm is en daarvan afwijken alleen in uiterste noodscenarioâs dient te geschieden. Ook vragen deze leden of aangegeven kan worden hoe de buitengewone omstandigheden uit dit voorstel zich verhouden tot de definitie van âbijzondere omstandighedenâ, die gehanteerd wordt in het wetsvoorstel Wet digitaal vergaderen decentrale overheden.
Deze leden lezen dat er in sommige gevallen mogelijk gestemd zal moeten worden via een door het Presidium vast te stellen procedure waarin het stemgeheim zoveel mogelijk gewaarborgd is. Deze leden vragen of het Presidium het niet verstandig acht een dergelijke procedure alvast uit te werken.
De leden van de CDA-fractie lezen dat er periodiek geoefend moet worden met het digitale quorum, beraadslagen en stemmen in de digitale vergadervoorziening. Zij vragen om een nadere toelichting hoe dit in zijn werk zal gaan en vragen of daarbij overwogen is vooral de ambtelijk secretarissen van de fracties ook te betrekken in het kader van snel kennis kunnen delen/opschalen in geval van nood.
Artikel I, onderdeel B
De leden van de CDA-fractie vragen waarom gekozen is voor een verlengingsperiode van ten hoogste drie maanden. Zij lezen dat het Presidium ervoor verantwoordelijk is om ervoor te zorgen dat in de digitale vergaderomgeving op een volwaardige wijze vergaderd kan worden. Deze leden merken hierbij op dat over de invulling van de term âvolwaardigâ mogelijk discussie kan ontstaan. Het is immers anders dan fysiek vergaderen en daarmee voor mensen wellicht Ăźberhaupt niet volwaardig. Deze leden vragen om een nadere beschrijving van de situatie die volgens het Presidium als âvolwaardigâ wordt geacht.
Artikel II
Genoemde leden constateren dat enkele vereisten opgenomen zijn
waaraan voldaan moet worden voordat een plenaire vergadering langs
elektronische weg geopend kan worden. Deze leden vragen om een reflectie
op het scenario waarin onverhoopt niet aan (een van) deze voorwaarden
voldaan kan worden, maar wel spoedbesluiten genomen dienen te worden.
Welke uitvalsopties heeft de Kamer in een dergelijk scenario?
Het succesvol kunnen zijn van digitaal vergaderen is enerzijds
afhankelijk van hoe een en ander gefaciliteerd wordt vanuit de Kamer.
Maar ook Kamerleden zelf hebben hierin een verantwoordelijkheid. Wordt
deze laatste verantwoordelijkheid ook ergens duideijk weggeschreven?
De leden van de CDA-fractie vragen om een nadere toelichting bij de formulering uit artikel 8, derde lid, waarin staat dat âde beslotenheid van de vergadering zo goed mogelijk geborgd dient te zijnâ. Waarom is hier gekozen voor âzo goed mogelijkâ?
De voorzitter van de commissie,
Van Campen
De griffier van de commissie,
Bakker