Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over het Fiche: Mededeling ‘EU-Agenda voor Steden’ (Kamerstuk 22112-4240)
Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Inbreng verslag schriftelijk overleg
Nummer: 2026D10246, datum: 2026-03-06, bijgewerkt: 2026-03-06 11:01, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: W.P.J. van Eijk, voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken (VVD)
- Mede ondertekenaar: J.P. van der Haas, adjunct-griffier
Onderdeel van zaak 2026Z02008:
- Indiener: D.M. van Weel, minister van Buitenlandse Zaken
- Volgcommissie: vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
- Volgcommissie: vaste commissie voor Europese Zaken
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-03-05 14:00 ⇒ Inbreng geleverd. (Besluit)
- 2026-02-12 11:00 ⇒ Niet controversieel verklaren. (Besluit)
- 2026-02-12 11:00 ⇒ Inbrengdatum voor het stellen van vragen t.b.v. een schriftelijk overleg vaststellen op 5 maart 2026 om 14.00 uur. (Besluit)
- 2026-02-04 15:45 ⇒ Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-02-04 15:45: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-02-12 11:00: Procedurevergadering Binnenlandse Zaken (Procedurevergadering), vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- 2026-03-05 14:00: Fiche: Mededeling ‘EU-Agenda voor Steden’ (22112-4240) (Inbreng schriftelijk overleg), vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
Preview document (🔗 origineel)
| 22112 | Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie |
Inbreng verslag van een schriftelijk overleg
Vastgesteld 6 maart 2026
Binnen de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken hebben onderstaande fracties de behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de brief inzake het kabinetsstandpunt ten aanzien van de Mededeling ‘EU-Agenda voor Steden’ (Kamerstuk 22112, nr. 4240).
De fungerend voorzitter van de commissie,
Van Eijk
De adjunct-griffier van de commissie,
Van der Haas
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
Vragen en opmerkingen van de CDA-fractie
II Antwoord / reactie van de minister
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het BNC-fiche met betrekking tot de mededeling ‘EU-Agenda voor Steden’. Het doel daarvan is het sterker betrekken van steden bij EU-beleidsvorming, alsmede het vereenvoudigen en bundelen van Europese steun aan steden dan wel stedelijke gebieden. Graag willen deze leden het kabinet daarover enkele vragen stellen. Allereerst merken zij op dat zij het met het kabinet eens zijn dat steden en stedelijke gebieden belangrijk zijn.
De Europese Commissie (hierna: de Commissie) wil in dialoog met lokale bestuurders en anderen, zodat er rechtstreeks input op beleidsdiscussies kan worden geleverd. Hoe zullen de lidstaten bij de dialoog tussen de Commissie en de steden worden betrokken? De leden van de VVD-fractie vragen zich af wat een en ander betekent voor de rol en samenwerking van de Commissie met de lidstaten zelf. Zij begrepen dat dit ook voor het kabinet nog onvoldoende duidelijk is. Het kabinet stelt dat dit wel goed is geregeld bij de Stedelijke Agenda voor de EU. Is het de inzet van het kabinet om de rol en samenwerking op dezelfde manier vorm te geven? Kan het kabinet daar nader op ingaan, zo vragen deze leden. Hoe zouden die rol en samenwerking er volgens het kabinet uit moeten zien?
Een ander doel van de EU-agenda voor steden is vereenvoudiging en het verminderen van administratieve lasten. De agenda zal bestaan naast de al bestaande Stedelijke Agenda voor de EU. Als de leden van de VVD-fractie het goed zien, is er straks sprake van: een dialoog met steden; een tweejaarlijks Stedenforum; een driejaarlijks Verslag over de Staat van Europese steden; een Stedenhelpdesk; een Europees Stedenportaal en een Europees Stedenplatform. Hoe beziet het kabinet dit alles? Zouden hier, met het oog op de overzichtelijkheid voor lidstaten en steden, zaken gecombineerd kunnen worden? Wat is de meerwaarde van de nieuwe agenda ten opzichte van de Stedelijke Agenda voor de EU? In hoeverre is er een overlap? In hoeverre zouden de agenda’s gebundeld kunnen worden? In hoeverre is bundeling van agenda’s en andere zaken inzet van het kabinet? Graag krijgen deze leden een reactie van het kabinet.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennis van de Kamerbrief over het BNC-fiche over de EU-Agenda voor Steden. Deze leden hebben hierover op dit moment nog enkele vragen.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA constateren dat er middelen beschikbaar zijn voor het versterken van Europese stedelijke gebieden vanuit het huidige Cohesiebeleid. Voor de periode na 2027 moeten hier in het nieuwe meerjarig financieel kader (MFK) middelen voor worden vrijgemaakt. Kan het kabinet aangeven wat hierbij de Nederlandse inzet is? Kan hierbij ook worden aangegeven hoeveel er nu beschikbaar is voor stedelijke regio’s en wat de middelen in de huidige MFK-periode concreet hebben opgeleverd voor de Nederlandse stedelijke gebieden?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat de Europese Rekenkamer benadrukt dat efficiënt en effectief gebruik van de gelden van het MFK afhangt van de mate van coördinatie tussen en gedeelde verantwoordelijkheid van nationale en lokale overheden in de uitvoering van de Nationale en regionale partnerschapsplannen (NRPP’en). Hoe kijkt het kabinet aan tegen deze conclusie en op welke manier geeft het kabinet vorm aan een gedeelde coördinatie van de NRPP’en door nationale en lokale overheden?
Gemeenten ontvangen nu middelen uit het Europees Sociaal Fonds (ESF-plus), dat onder andere ingezet wordt voor langdurige begeleiding, werk, vaardigheden, armoedebestrijding, maatschappelijke participatie en innovatie binnen het sociaal domein. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vernemen graag hoeveel middelen gemeenten momenteel ontvangen voor deze doelen. Kunnen gemeenten erop vertrouwen dat deze middelen gecontinueerd worden? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet schrijft wat de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie betreft terecht dat steden grote opgaven hebben bij het aanpakken van klimaatverandering, klimaatadaptatie, energietransitie en het bestrijden van luchtvervuiling. Op welke manier kan volgens de regering de voorliggende hieraan bijdragen? Hoe wordt ervoor gezorgd dat zowel de lokale als landelijke aanpak op deze vlakken zo goed mogelijk aansluiten bij de agenda?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het van groot belang dat Europese steden met goed en snel openbaar vervoer met elkaar verbonden zijn. Vanuit zowel de EU als door de Nederlandse regering wordt hier ook veel waarde aan gehecht. Toch constateren deze leden dat de ambities op dit vlak stagneren omdat er onvoldoende wordt samengewerkt tussen EU-lidstaten en dat de middelen vaak ontoereikend zijn. Wat is de ambitie van het kabinet op dit vlak en welke kansen ziet het kabinet in de EU-Agenda voor Steden om bij te dragen aan het verbeteren van goed en snel openbaar vervoer tussen Europese steden?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het BNC-fiche en hebben daarbij enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie merken op dat de EU al een Stedelijke Agenda heeft en vragen hoe het kabinet de meerwaarde van de voorliggende agenda ten opzichte van de bestaande Stedelijke Agenda beoordeelt.
De leden van de CDA-fractie lezen dat binnen het bestaande European Urban Initiative een Stedenhelpdesk wordt opgericht die steden ondersteunt bij het vinden van onder andere financieringsmogelijkheden. Deze leden vragen of het kabinet inzicht heeft in hoeverre het Nederlandse gemeenten lukt om Europese (co-)financiering te werven en ook hoe dit zich verhoudt tot gemeenten uit andere lidstaten.
De leden van de CDA-fractie vinden het goed om te lezen dat het kabinet grote waarde hecht aan het naleven van het subsidiariteitsbeginsel. Deze leden onderschrijven dit en vragen daarbij hoe wordt voorkomen dat directe samenwerking tussen de Commissie en steden leidt tot onduidelijkheid over nationale verantwoordelijkheden.
De leden van de CDA-fractie lezen dat in de voorliggende agenda ook verwezen wordt naar de ambitie van de Commissie om in te zetten op regelvereenvoudiging en minder administratieve lasten. Deze leden vragen hoe het kabinet van plan in toe te zien dat de regeldruk door deze agenda niet toeneemt.
II Antwoord / reactie van het kabinet