Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over het Fiche: Mededeling EU strategie Maatschappelijke Organisaties (Kamerstuk 22112-4248)
Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Inbreng verslag schriftelijk overleg
Nummer: 2026D10247, datum: 2026-03-06, bijgewerkt: 2026-03-06 11:04, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: W.P.J. van Eijk, voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken (VVD)
- Mede ondertekenaar: J.P. van der Haas, adjunct-griffier
Onderdeel van zaak 2026Z02016:
- Indiener: D.M. van Weel, minister van Buitenlandse Zaken
- Volgcommissie: vaste commissie voor Europese Zaken
- Volgcommissie: vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-03-05 14:00 ⇒ Inbreng geleverd. (Besluit)
- 2026-02-12 11:00 ⇒ Niet controversieel verklaren. (Besluit)
- 2026-02-12 11:00 ⇒ Inbrengdatum voor het stellen van vragen t.b.v. een schriftelijk overleg vaststellen op 5 maart 2026 om 14.00 uur. (Besluit)
- 2026-02-04 15:45 ⇒ Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-02-04 15:45: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-02-12 11:00: Procedurevergadering Binnenlandse Zaken (Procedurevergadering), vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- 2026-03-05 14:00: Fiche: Mededeling EU strategie Maatschappelijke Organisaties (22112-4248) (Inbreng schriftelijk overleg), vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
Preview document (🔗 origineel)
| 22112 | Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie |
Inbreng verslag van een schriftelijk overleg
Binnen de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken hebben onderstaande fracties de behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de brief inzake het kabinetsstandpunt ten aanzien van de Mededeling EU-strategie Maatschappelijke organisaties (Kamerstuk 22112, nr. 4248).
De fungerend voorzitter van de commissie,
Van Eijk
De adjunct-griffier van de commissie,
Van der Haas
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de
GroenLinks-PvdA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
II Antwoord / reactie van de minister
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de fiche. Hierover hebben deze leden nog enkele vragen.
De leden van de D66-fractie verwelkomen de EU-strategie voor het versterken en beschermen van het maatschappelijk middenveld. Een sterk, onafhankelijk en pluriform maatschappelijk middenveld is een dragende pijler van onze democratie. Tegen onder meer de achtergrond van de krimpende maatschappelijke ruimte in de Europese Unie, achten deze leden een Europese strategie gerechtvaardigd. In dat verband zijn zij benieuwd naar best practices in lidstaten waar de krimp van de maatschappelijke ruimte al wordt tegengegaan of zich niet voordoet. Welke lessen trekt het kabinet daaruit voor de situatie in Nederland? Welke initiatieven is het kabinet bereid te nemen?
Daarnaast benadrukken de leden van de D66-fractie dat de strategie niet mag leiden tot onbedoelde negatieve effecten voor maatschappelijke organisaties zelf. Een sterke democratie vraagt volgens deze leden immers om een sterke tegenmacht. Transparantieverplichtingen, registratie-eisen en financieringsvoorwaarden moeten uitvoerbaar en proportioneel zijn. Hoe wordt voorkomen dat dergelijke maatregelen leiden tot afschrikkende effecten (chilling effects), stigmatisering of onevenredige administratieve lasten?
De leden van de D66-fractie merken op dat een democratisch offensief nodig is. Hoe reflecteert het kabinet op de aanbevelingen van de jaarlijkse rapportage ‘Tegenspraak onder druk’ van het College voor de Rechten van de Mens?1 Hoe wil het kabinet ervoor zorgen dat maatschappelijke organisaties in een vroeg stadium, proactief en in toegankelijke taal worden geïnformeerd over de mogelijkheden voor participatie bij het opstellen van wetgeving en beleid?
Daarnaast zijn de leden van de D66-fractie benieuwd naar hoe de regering reflecteert op de aanbevelingen uit het MACS-rapport.2 Welke maatregelen wil het kabinet nemen om in lijn met deze aanbevelingen te handelen? Ziet het kabinet in dat een stapeling van maatregelen nodig is om te komen tot een versterking van het maatschappelijk middenveld? Is het kabinet in het bijzonder bereid om te komen tot een nationaal actieplan ter versterking en bescherming van de ruimte voor het maatschappelijk middenveld?
Tot slot zijn de leden van de D66-fractie benieuwd naar de uitwerking van het Meerjarig Financieel Kader. Hoe wordt bij de nadere uitwerking van dit kader gewaarborgd dat EU-financiering voor maatschappelijke organisaties daadwerkelijk toegankelijk, transparant en administratief uitvoerbaar is? Welke kansen ziet het kabinet hierin om te komen tot een gelijker speelveld voor maatschappelijke organisaties? Welke rol wil het kabinet daarbij spelen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen
van het BNC-fiche met betrekking tot de mededeling EU-strategie
maatschappelijke organisaties. Deze strategie richt zich op het
versterken van de betrokkenheid, bescherming, ondersteuning en
financiering van maatschappelijke organisaties en
mensenrechtenverdedigers. Deze leden merken op dat zij het belang van
maatschappelijke organisaties in de samenleving inzien. Graag willen zij
het kabinet een aantal vragen over de strategie stellen.
Allereerst vragen de leden van de VVD-fractie wat deze strategie
betekent voor de betrokkenheid van nationale lidstaten van de Europese
Unie. Deze leden vragen het kabinet daar op in te gaan.
Er wordt voorgesteld om een nieuw platform op te richten, te weten een
EU-platform ter bevordering van de dialoog tussen de Europese Commissie
en het maatschappelijk middenveld. Wat is de toegevoegde waarde van dit
nieuwe platform ten opzichte van het bestaande Europese raamwerk dat
raakt aan de positie van maatschappelijke organisaties? Zouden de taken
van dit nieuwe platform bij een bestaande organisatie kunnen worden
ondergebracht? Wat is de inzet van het kabinet ten aanzien van het op te
richten EU-platform voor het maatschappelijk middenveld? Graag krijgen
de leden van de VVD-fractie een reactie van het kabinet.
In het fiche valt te lezen, dat het kabinet in de strategie de koppeling
mist met andere strategieën op het vlak van Europese fundamentele
rechten en waarden. Ook ontbreekt er volgens het kabinet een link met
relevante EU-wetgeving. In hoeverre is het kabinet voornemens om dit in
Brussel naar voren te brengen? Kan het kabinet nader motiveren waarom de
grondhouding ten aanzien van de subsidiariteit positief is? Wat wordt in
dezen bedoeld met de grensoverschrijdende aard van de bedreigingen voor
het maatschappelijk middenveld? Graag krijgen de leden van de
VVD-fractie een reactie van het kabinet.
Het kabinet verwelkomt het voorstel. In hoeverre speelt daarbij een rol
dat de onderhavige strategie geen directe gevolgen heeft voor de
Rijksbegroting? Als dat anders was geweest, zou het kabinet dan een
andere afweging hebben gemaakt? Graag krijgen de leden van de
VVD-fractie een reactie van het kabinet.
De Europese Commissie stelt voor om de financiële ondersteuning van
maatschappelijke organisaties te verhogen naar negen miljard euro.
Hoeveel geld wordt daar nu aan uitgegeven? Waar zal die negen miljard
euro aan worden besteed? Kan de regering daar enkele voorbeelden van
geven? Verwacht het kabinet dat andere lidstaten ook aan de slag gaan
met deze strategie? Heeft het kabinet daar inzicht in? Lidstaten zijn
immers niet verplicht de strategie over te nemen. In hoeverre moeten
lidstaten verantwoording afleggen over de besteding van de middelen? Zal
er een evaluatie plaatsvinden? Zo ja, wanneer? Graag krijgen de leden
van de VVD-fractie een reactie van het kabinet op de hier gestelde
vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de
GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben met
belangstelling kennis van de Kamerbrief over het Fiche over de EU
strategie Maatschappelijke Organisaties. Deze leden hebben hierover op
dit moment nog enkele vragen.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben zorgen over
de positie van maatschappelijke organisaties in de EU en in Nederland.
De positie zou wat deze leden moeten worden versterkt en niet worden
verzwakt. De afgelopen tijd, zo constateren deze leden, zijn er juist
stappen gezet om de positie te verzwakken. Deelt het kabinet dit
standpunt? Zo nee, waarom niet?
In de brief wordt meermaals genoemd dat er wordt ingezet op
maatschappelijke organisaties op Europees niveau, in EU-extern beleid
als in de afzonderlijke lidstaten. De EU en de afzonderlijke lidstaten
hebben economische activiteiten en handelsrelaties over de hele wereld.
Het is wat de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie betreft in het belang
van de EU dat de landen waar deze activiteiten plaatsvinden een sterke
democratie en rechtstaat hebben, en dat de handels- en economische
activiteiten hieraan bijdragen. Deze leden zouden daarom graag twee
punten concrete punten hierover explicieter benoemd zien: 1) dat de
Europese versterking van maatschappelijke organisaties ook dient bij te
dragen aan versterking van maatschappelijk middenveld in de landen waar
EU-landen economische en handels- activiteiten ontwikkelen, en 2) het
weerbaar maken van HRDs kan alleen als er vanuit de overheid ook
gestuurd wordt op de actieve bescherming van HRDs in geval van publieke
investeringen en handelsfacilitatie. Deze leden ontvangen graag een
reactie van het kabinet hierop.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hechten veel waarde aan
de Aarhus conventie. Deze leden constateren dat het vorige kabinet
ruimte zocht om onder de verplichtingen van het dit verdrag uit te
komen. Hoe staat het nieuwe kabinet hierin, zo vragen zij. Ziet het
kabinet, net als deze leden, het grote belang van het Verdrag van
Aarhus? Zo nee, waarom niet?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het kabinet
het door de Commissie omschreven belang van een zorgvuldige monitoring
van risico’s en bedreigingen voor het maatschappelijk middenveld om vrij
en veilig te kunnen functioneren, zoals het versterken van early warning
systems voor het signaleren van krimpende ruimte voor het
maatschappelijk middenveld in kandidaat-lidstaten deelt. Deze leden zien
in monitoring een eerste stap. Deelt het kabinet het standpunt dat de EU
het voortouw zou moeten nemen in het ontwikkelen van concrete stappen
die lidstaten kunnen nemen om het maatschappelijk middenveld en
mensenrechtenbeschermers te beschermen? Zo ja, is het kabinet bereid om
dit bij de EU in te brengen? Zo nee, waarom niet?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat uit het
recente MACS-rapport naar voren komt dat dat de maatschappelijke ruimte
in Nederland onder druk staat. Maar liefst 86 procent van de bevraagde
organisaties geeft aan dat hun werkomstandigheden in 2025 verder zijn
verslechterd. Ook wordt gewaarschuwd voor toenemende stigmatisering van
waakhondorganisaties, inperking van vrijheden en maatregelen die steeds
vaker botsen met mensenrechten en rechtsstatelijkheid.
De feiten uit het MACS‑rapport laten zien dat verdere inperking
in Nederland niet alleen strijdig is met Europese ambities, maar ook
democratische risico’s vergroot op het moment dat civiele ruimte al
onder druk staat. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het
zorgelijk om dit te lezen. Graag ontvangen deze leden een reactie van
het kabinet hierop. Deelt het kabinet de zorgen die uit dit rapport naar
voren komen? Zo nee, waarom niet?
In verlengde van voorgaande vragen hebben de leden van de
GroenLinks-PvdA-fractie nog enkele specifieke vragen. Hoe verhoudt de
ruimte voor het maatschappelijk middenveld zich tot de recente
bezuinigingen voor het maatschappelijk middenveld onder dat buitenland
beleid? Hoe verhoudt dit zich tot de kabinetsreactie op motie-Kröger3 naar aanleiding van het voortdurend
uitsluiten van dialoog en informatiedeling in Nederland?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de Fiche
en danken het kabinet hiervoor. Deze leden maken graag van de
gelegenheid gebruik om enkele vragen te stellen aan het kabinet
hierover.
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling
kennisgenomen van de EU-strategie voor het maatschappelijk middenveld.
Deze leden onderschrijven het belang van een sterk maatschappelijk
middenveld als pijler van de democratische rechtsstaat. Tegelijkertijd
vragen zij het kabinet concreet uiteen te zetten wat de toegevoegde
waarde van deze strategie is ten opzichte van reeds bestaande Europese
instrumenten, zoals de rechtsstaatrapportage en de rapportages van het
EU-Grondrechtenagentschap. Waar ziet het kabinet overlap en hoe wordt
voorkomen dat maatschappelijke organisaties in de praktijk worden
geconfronteerd met dubbele monitoring of aanvullende
verantwoordingsverplichtingen?
De leden van de CDA-fractie lezen dat een EU-platform voor
structurele dialoog zal worden opgericht. Deze leden hechten eraan dat
maatschappelijke betrokkenheid primair nationaal en lokaal verankerd
blijft. Kan het kabinet toelichten hoe wordt gewaarborgd dat dit
platform daadwerkelijk aanvullend is op bestaande nationale
overlegstructuren en niet leidt tot centralisering van participatie op
EU-niveau? Welke inzet kiest het kabinet in de Raad om deze nationale
verankering expliciet te borgen?
De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet positief oordeelt
over subsidiariteit en proportionaliteit. Deze leden vragen hoe het
kabinet concreet zal bewaken dat dit niet-wetgevende initiatief niet
alsnog leidt tot extra administratieve lasten of sluipende normering op
een terrein dat in belangrijke mate nationaal is verankerd. Op welke
wijze zullen subsidiariteit en proportionaliteit bij de verdere
uitwerking actief worden getoetst? Zij vragen daarnaast hoe wordt
gewaarborgd dat eventuele Europese financiering niet leidt tot
inhoudelijke sturing of indirecte normering van maatschappelijke
organisaties, bijvoorbeeld via selectiecriteria of voorwaarden die de
onafhankelijkheid van het maatschappelijk middenveld kunnen
beïnvloeden.
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep
Markuszower
De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van het fiche
over de EU-strategie voor maatschappelijke organisaties en zijn daar
zeer kritisch over.
Deze leden merken op dat de Europese Commissie maatschappelijke
organisaties in deze strategie neerzet als “partner in bestuur”. Zij
vragen de minister waarom niet-gekozen organisaties een structurele rol
zouden moeten krijgen in beleidsvorming. Vindt de minister het wenselijk
dat invloed verschuift van gekozen volksvertegenwoordigers naar
organisaties die geen democratisch mandaat hebben en vaak afhankelijk
zijn van EU-subsidies?
De leden van de Groep Markuszower lezen dat de Commissie
maatschappelijke ruimte in lidstaten wil monitoren. Deze leden vragen
wie straks bepaalt wat wel en niet acceptabel beleid is. Kan de minister
uitsluiten dat lidstaten onder druk worden gezet wanneer zij
democratisch besluiten nemen die Brussel onwelgevallig zijn?
De leden van de Groep Markuszower vinden het zorgelijk dat de
Commissie hiermee een normerende rol lijkt te claimen op een terrein dat
thuishoort bij nationale democratieën. Op welke concrete verdragsbasis
meent de Commissie zich te mogen bemoeien met de inrichting van het
maatschappelijk middenveld binnen lidstaten?
De leden van de Groep Markuszower maken zich zorgen over de
inhoudelijke richting van de Europese steun aan maatschappelijke
organisaties. Deze leden constateren dat EU-financiering en
ondersteuning in de praktijk vaak terechtkomen bij organisaties die
actief zijn op thema’s als gender, diversiteit, migratie en
identiteitspolitiek. Hoe voorkomt de minister dat met deze strategie
vooral organisaties worden versterkt die aansluiten bij de
beleidsprioriteiten van de Commissie, terwijl andere maatschappelijke
organisaties en burgerinitiatieven minder toegang krijgen tot middelen
en invloed?
De leden van de Groep Markuszower merken op dat het kabinet zelf
waarschuwt voor stigmatisering en extra regeldruk, maar desondanks
positief is over de strategie. Waarom neemt het kabinet deze risico’s
voor lief?
De leden van de Groep Markuszower vragen of de minister erkent dat
zogenaamd niet-bindende strategieën via monitoring, richtsnoeren en
financieringsvoorwaarden alsnog dwingend kunnen worden. In hoeverre kan
de minister garanderen dat dit geen opstap is naar verdere EU-bemoeienis
of wetgeving?
Tot slot vragen de leden van de Groep Markuszower of de minister
bereid is zich duidelijk en actief te verzetten tegen iedere vorm van
directe of indirecte bevoegdheidsoverdracht op dit terrein van de
lidstaten naar de Europese Unie.
II Antwoord / reactie van de minister
College voor de Rechten van de Mens, september 2025, ‘Tegenspraak onder druk’ (https://publicaties.mensenrechten.nl/file/daece2b0-6ffa-590d-663f-7462bb23577b.pdf).↩︎
Nederlands Helsinki Comité, december 2025 ‘Monitoring Action for Civic Space Landenrapport, 2025: Nederland’ (Netherlands-MACS-Country-Report-2025-Dutch.pdf).↩︎
Kamerstuk 36180, nr. 183.↩︎