36783 Nota van wijziging inzake Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het verduidelijken van wanneer sprake is van werken in dienst van een ander inde zin van artikel 610 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en het invoeren van een rechtsvermoeden
Nota van wijziging
Nummer: 2026D10360, datum: 2026-03-06, bijgewerkt: 2026-03-06 16:10, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: A.A. Aartsen, minister van Werk en Participatie (Ooit VVD kamerlid)
- Aanbiedingsbrief
- Beslisnota bij Nota van wijziging inzake Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het verduidelijken van wanneer sprake is van werken in dienst van een ander inde zin van artikel 610 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en het invoeren van een rechtsvermoeden (Kamerstuk 36783)
Onderdeel van zaak 2026Z04590:
- Indiener: A.A. Aartsen, minister van Werk en Participatie
- Volgcommissie: vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Preview document (🔗 origineel)
36 783
Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het verduidelijken van wanneer sprake is van werken in dienst van een ander in de zin van artikel 610 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en het invoeren van een rechtsvermoeden
NOTA VAN WIJZIGING
Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:
A
Het opschrift komt te luiden:
Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het invoeren van een rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief
B
In de considerans vervalt ‘te verduidelijken wanneer een werkende werkt in dienst van een werkgever en’.
C
Artikel I, onderdeel A, vervalt.
Toelichting
Vervallen van het onderdeel verduidelijking beoordeling van de arbeidsrelatie
Met deze nota van wijziging komt het eerder voorgestelde onderdeel verduidelijking van de beoordeling van het “werken in dienst van” te vervallen. Het kabinet geeft hiermee gehoor aan de verzoeken uit de politiek en de maatschappij om snel voortgang te maken met het introduceren van het rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst. Terwijl tegelijkertijd de door het onderdeel verduidelijking ervaren onrust, wordt weggenomen.
De uitvoeringskosten voor het wetsvoorstel Vbar zijn reeds in kaart gebracht middels de uitvoeringstoetsen. Het schrappen van het verduidelijkingsdeel zal leiden tot wijziging van de uitvoeringskosten.
Het kabinet blijft via de uitwerking van een Zelfstandigenwet verder werken aan meer duidelijkheid voor werkenden over de beoordeling van de arbeidsrelatie. De inzet op het tegengaan van schijnzelfstandigheid via verduidelijking is daarmee ook de inzet van het kabinet. Het kabinet wil daarbij tot een breed gedragen voorstel komen dat werkgevenden en werkenden de duidelijkheid geeft die ze nodig hebben. Het kabinet zal – zoals in het coalitieakkoord aangekondigd – het initiatiefwetsvoorstel ‘Zelfstandigenwet’ verder uitwerken en hiervoor zo snel als mogelijk een afzonderlijk wetsvoorstel bij uw Kamer indienen. Daarmee krijgen werkgevenden en werkenden meer duidelijkheid over de beoordeling van de arbeidsrelatie. Dit vraagt een zorgvuldige uitwerking, samen met relevante partijen.
Invoering rechtsvermoeden
Door het verduidelijkingsdeel nu te laten vervallen kan sneller vooruitgang worden geboekt met het onderdeel rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst gekoppeld aan een uurtarief.
Dit rechtsvermoeden maakt het voor werkenden aan de basis van de arbeidsmarkt makkelijker om een arbeidsovereenkomst op te eisen bij de werkgevende en indien nodig bij de rechter. Daarnaast zorgt het rechtsvermoeden voor een preventief effect doordat bij werken tegen een tarief onder het van toepassing zijnde uurtarief beter dan nu beoordeeld wordt of de klus door een zelfstandige gedaan kan worden, of dat er sprake moet zijn van een arbeidsovereenkomst.
Hiermee wordt een belangrijke eerste stap gezet in de aanpak van (al dan niet gedwongen) schijnzelfstandigheid.
Met deze nota van wijziging worden tot slot ook het opschrift en de considerans aangepast op het vervallen van het onderdeel verduidelijking.
Deze toelichting wordt ondertekend mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
De Minister van Werk en Participatie,
A.A. Aartsen