[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [šŸ§‘mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [šŸ” uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Verslag van een schriftelijk overleg over het Fiche: Herziening Verordening Duurzaam Beleggen (Kamerstuk 22112-4218)

Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie

Verslag van een schriftelijk overleg

Nummer: 2026D10688, datum: 2026-03-09, bijgewerkt: 2026-03-11 14:15, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 22112 -4289 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie.

Onderdeel van zaak 2026Z04674:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (šŸ”— origineel)


22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie

Nr. 4289 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 9 maart 2026

De vaste commissie voor Financiƫn heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de minister van Financiƫn over de brief van 5 december 2025 over het fiche: Herziening Verordening Duurzaam Beleggen (Kamerstuk 22 112, nr. 4218).

De vragen en opmerkingen zijn op 13 januari 2026 aan de minister van Financiƫn

voorgelegd. Bij brief van 9 maart 2026 zijn de vragen beantwoord.

De fungerend voorzitter van de commissie,
Van der Lee

De griffier van de commissie,
Weeber

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de minister

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de Fiche Herziening Verordening Duurzaam Beleggen. Deze leden onderschrijven het belang van transparantie en betrouwbare informatie voor beleggers, maar vinden dat regelgeving niet onnodig complex of kostbaar mag zijn. De leden van de VVD-fractie hebben meerdere vragen.

Onderdeel 2: Essentie voorstel

a) Inhoud voorstel

De leden van de VVD-fractie lezen dat de Commissie voorstelt om rapportageverplichtingen op entiteitsniveau te schrappen, omdat deze volgens haar beperkte toegevoegde waarde hebben en overlappen met andere rapportagekaders zoals de Richtlijn duurzaamheidsrapportering door ondernemingen (CSRD). Deze leden onderschrijven het belang van het voorkomen van dubbele rapportagelasten, maar vragen de minister of met deze wijziging de overlap met de CSRD daadwerkelijk volledig wordt weggenomen. Kan de minister toelichten of er na de herziening nog sprake is van resterende overlap of aanvullende rapportageverplichtingen voor financiƫle marktdeelnemers? En in hoeverre wordt actie ondernomen om ook de EU Taxonomy, die de inhoudelijke classificatie van duurzaamheidsproducten bepaalt, te versimpelen en lager te maken in regeldruk?

De Europese Commissie (hierna: de Commissie) stelt voor om alle rapportageverplichtingen op entiteitsniveau uit de Verordening duurzaam beleggen (hierna: de verordening) te laten vervallen. Daar waar er overlap is voor financiƫlemarktdeelnemers die zowel rapporteren op entiteitsniveau vanuit de Verordening duurzaam beleggen als de Richtlijn duurzaamheidsrapportering door ondernemingen, wordt die met het schrappen van de rapportageverplichtingen op entiteitsniveau in de verordening weggenomen. Het kabinet steunt het schrappen van deze rapportageverplichtingen en zal zich hiervoor blijven inzetten in de onderhandelingen.

Overigens is de reikwijdte van de Richtlijn duurzaamheidsrapportering met de Omnibus I-onderhandelingen teruggebracht naar een rapportageverplichting die enkel nog geldt voor ondernemingen met meer dan 1000 werknemers en een netto-omzet van 450 miljoen euro. Een duplicering van rapportagelasten tussen die richtlijn en de verordening is dus ook grotendeels al weggenomen doordat een groep financiƫlemarktdeelnemers die onder de verordening rapporteert niet langer onder die richtlijn valt.

Als onderdeel van het Omnibus I-voorstel heeft de Commissie ook verschillende voorstellen gedaan om de Taxonomieverordening te versimpelen. In de herziening van de Richtlijn duurzaamheidsrapportering voor ondernemingen is geregeld dat alleen ondernemingen met meer dan 1000 medewerkers en 450 miljoen euro jaaromzet hoeven te rapporteren over de mate waarin hun omzet, operationele uitgaven en kapitaalinvesteringen in lijn zijn met de criteria uit de Taxonomieverordening.

Daarnaast wordt er via de inmiddels aangenomen Gedelegeerde Verordening EU 2026/73 een aantal versimpelingen aangebracht in de manier waarop ondernemingen activiteiten aan de taxonomiecriteria moeten toetsen en daarover moeten rapporteren. Hieronder worden enkele belangrijke wijzigingen die via de Gedelegeerde Verordening worden doorgevoerd, toegelicht.

  • Rapportageplichtige ondernemingen hoeven niet langer te rapporteren in welke mate activiteiten in lijn zijn met de taxonomie als deze activiteiten niet materieel zijn. Als activiteiten niet-materieel zijn, zijn deze niet van significant belang voor de onderneming.

  • Om duidelijkheid te geven over wanneer een activiteit sowieso als niet-materieel beschouwd kan worden, is een aantal bepalingen ingevoegd voor activiteiten van een relatief kleine omvang. Dit zijn activiteiten waarvan de cumulatieve waarde minder is dan 10% van de operationele kosten, omzet of kapitaalinvesteringen. Rapportageplichtige bedrijven hoeven niet langer te bezien in welke mate deze in lijn zijn met de taxonomiecriteria.

  • De verplichting om te rapporteren over de mate waarin operationele uitgaven in lijn zijn met de taxonomie vervalt, zolang deze uitgaven niet financieel materieel zijn voor de onderneming. Dit staat los de vraag of dit uitgaven zijn aan activiteiten die op het gebied van duurzaamheid materieel zijn.

  • De Gedelegeerde Verordening versimpelt de methodologie voor de berekening van de Green Asset Ratio (GAR)1. De Gedelegeerde Verordening brengt die methodologie in lijn met de wijzigingen in de Verordening duurzaamheidsrapportering als gevolg van Omnibus I. De GAR is een indicator die weergeeft in welke mate de activa van financiĆ«le ondernemingen in lijn zijn met de criteria van de Taxonomie.

  • De rapportageformats die ondernemingen gebruiken om te voldoen aan artikel 8 van de Taxonomieverordening zijn aanzienlijk versimpeld.

  • De Gedelegeerde Verordening brengt een aantal inhoudelijke versimpelingen aan in de Taxonomiecriteria die zien op klimaat en milieu.

De Europese Commissie is van plan in de loop van 2026 op een aantal inhoudelijke domeinen, waaronder energie, infrastructuur en de gebouwde omgeving, de taxonomiecriteria aan te passen. Het kabinet zet er in Europees verband op in dat deze aanpassingen ertoe leiden dat de uitvoerbaarheid van de Taxonomieverordening verbetert. Hierover is doorlopend contact met de Europese Commissie, onder andere via de ā€˜Member States expert group on sustainable finance’.

Ook op andere manieren dan via wijzigingen van de Taxonomieverordening en de Gedelegeerde verordening EU 2026/73 worden er stappen gezet om de toepasbaarheid van de Taxonomieverordening voor de markt te verbeteren. In het voorstel tot wijziging van de Verordening duurzaam beleggen zijn financiĆ«lemarktdeelnemers niet langer verplicht om te rapporteren over informatie uit artikelen 5, 6 en 7 van de Taxonomieverordening als ze een beleggingsproduct met duurzame doelen of kenmerken aanbieden, maar is dit een optie waarvan aanbieders van beleggingsproducten vrijwillig gebruik kunnen maken. Zij kunnen hun product als ā€˜transitie’ of ā€˜ESG’ aanbieden op het moment dat minstens 15% van de onderliggende economische activiteiten in lijn zijn met de taxonomiecriteria. Het kabinet steunt deze wijziging.

Hoe wordt geborgd dat de nieuwe productcategorieƫn (Transition, ESG Basics, Sustainable) niet leiden tot greenwashing? Welke rol speelt de Taxonomie hierbij?

Het voorstel beperkt het risico op groenwassen doordat het voor iedere productcategorie minimum- en uitsluitingscriteria vaststelt. Zo moet minimaal 70% van het geĆÆnvesteerd vermogen in een beleggingsproduct in lijn zijn met het onderliggende doel van de productcategorie waar het product volgens de aanbieder toe behoort. Voor producten met een duurzaamheids- of transitiedoel gelden bovendien verplichtingen rond het identificeren en rapporteren van negatieve effecten, waarmee voorkomen wordt dat beleggingsproducten met activiteiten die niet groen zijn wel als groen in de markt worden gezet.

b) Impact assessment Commissie

De leden van de VVD-fractie lezen dat het voorstel beoogt de verordening te vereenvoudigen en de regeldruk met circa 25% te verminderen, onder meer door introductie van drie productcategorieƫn met minimumcriteria. Tegelijkertijd brengt dit nieuwe verplichtingen mee voor aanbieders. Hoe wordt geborgd dat de introductie van nieuwe productcategorieƫn niet leidt tot extra complexiteit of hogere nalevingskosten voor Nederlandse financiƫle marktdeelnemers?

Allereerst is van belang dat de verordening een vrijwillig regime bevat. Alleen als financiƫlemarktdeelnemers producten aanbieden waarvan ze claimen dat deze in lijn zijn met duurzame-, transitie- of ESG-strategieƫn, moeten zij voldoen aan de bepalingen uit de verordening. Producten van financiƫlemarktdeelnemers zonder dit soort claims raakt de verordening niet.

Het kabinet verwelkomt de drie productcategorieƫn met bijbehorende minimum- en exclusiecriteria. Volgens het impact assessment van de Commissie leidt de introductie van de drie productcategorieƫn naar verwachting tot een daling van de totale regeldruk met 25% en lagere terugkerende jaarlijkse rapportagelasten. De verordening wordt dus simpeler en beter uitvoerbaar voor financiƫlemarktdeelnemers. Tijdens de onderhandelingen blijft het kabinet zich inzetten voor verdere verduidelijking van de productcategorieƫn en de criteria die gelden voor het toekennen van deze categorieƫn aan producten. Het kabinet zet zich in dat kader onder meer in voor een heldere definitie van impact-investeringen, duidelijke, geloofwaardige en wetenschappelijk onderbouwde minimum- en exclusiecriteria, en voor de uitvoerbaarheid van de criteria voor de markt.

Een bijkomend voordeel van de versimpeling is dat ook beleggers, waaronder retailbeleggers, toegang krijgen tot uniformere, begrijpelijkere en betrouwbaarder informatie over beleggingsproducten die als duurzaam in de markt worden gezet.

De leden van de VVD-fractie lezen dat volgens het impact assessment het voorstel de nalevingskosten voor het mkb met 25% zullen verminderen. Toch kunnen nieuwe productcategorieƫn en transparantievereisten voor kleinere partijen een uitdaging vormen. Hoe wordt rekening gehouden met de uitvoerbaarheid voor kleinere marktpartijen en het mkb? Wat zijn de resterende regeldrukkosten van deze verordening voor het Nederlandse mkb en het bedrijfsleven in Nederland in het algemeen?

Het voorstel houdt rekening met mkb-bedrijven door het schrappen van rapportageverplichtingen op entiteitsniveau, versimpelingen van rapportageverplichtingen op productniveau en het toestaan van realistische schattingen wanneer niet alle onderliggende data beschikbaar zijn. De jaarlijkse rapportagelasten voor het Europese mkb worden onder de huidige SFDR geschat op circa 163 miljoen euro, waarvan ongeveer 43 miljoen euro voor rapportage op entiteitsniveau en 120 miljoen euro op productniveau. Door de voorgestelde vereenvoudigingen wordt voor rapportage op entiteitsniveau een kostenbesparing van 25% verwacht en voor op productniveau kan de besparing oplopen tot meer dan 50%. In totaal wordt gerekend op een verlaging van circa 35% van de totale kosten voor het mkb, wat neerkomt op een besparing van ongeveer 57 miljoen euro. Na deze vereenvoudiging blijven de jaarlijkse rapportagekosten voor het mkb naar verwachting rond de 103 miljoen euro. Specifieke cijfers voor de regeldrukkosten als gevolg van de herziene Verordening voor het Nederlandse mkb en bedrijfsleven zijn op dit moment niet beschikbaar. Zoals aangegeven blijft het kabinet zich inzetten voor het verminderen van rapportagelasten en het vergroten van de uitvoerbaarheid van de criteria voor de markt.

Onderdeel 3: Nederlandse positie ten aanzien van dit voorstel

a) Essentie Nederlands beleid op dit terrein

De leden van de VVD-fractie hebben op dit onderdeel geen vragen.

b) Beoordeling + inzet ten aanzien van dit voorstel

De leden van de VVD-fractie nemen met instemming kennis van het standpunt van het kabinet om de introductie van nieuwe productcategorieƫn en minimumcriteria per fondsenlabel te steunen. Ook onderschrijven zij het belang dat investeringen in defensie en veiligheid niet categorisch worden uitgesloten binnen het duurzaamheidskader. Zij vragen de minister op welke wijze dit uitgangspunt

concreet wordt geborgd in de verdere onderhandelingen. Welke inzet pleegt de minister om te voorkomen dat defensie- en veiligheidsinvesteringen alsnog indirect worden uitgesloten via minimum- of exclusiecriteria?

De verordening en de herziening daarvan vormen geen beperking voor investeringen in veiligheid en defensie. Zoals de Commissie uiteengezet heeft in haar Joint White Paper for European Defence Readiness 2030, zijn in het kader van de verordening enkel mensenrechtenschendingen die als gevolg van defensie-investeringen en investeringen in controversiƫle wapens, zoals landmijnen, clusterbommen en chemische en biologische wapens, onderworpen aan aanvullende transparantieverplichtingen. Dit wordt bij de herziening van de verordening nogmaals verduidelijkt. Er zijn op dit moment geen signalen dat defensie- en veiligheidsinvesteringen indirect zouden worden uitgesloten in de herziening van de verordening. Het kabinet zal dit nauwgezet blijven volgen gedurende de onderhandelingen.

De leden van de VVD-fractie lezen dat de Commissie minimum- en exclusiecriteria wil vastleggen om vergelijkbaarheid te vergroten. Het kabinet steunt dit, maar benadrukt dat criteria uitvoerbaar moeten zijn en ruimte moeten laten voor marktontwikkeling. Hoe wordt voorkomen dat de introductie van minimumcriteria leidt tot een te rigide kader dat innovatie in duurzame beleggingen

( onbedoeld) belemmert?

Het kabinet vindt het belangrijk dat de minimum- en uitsluitingscriteria uitvoerbaar zijn, ruimte bieden voor marktontwikkeling en steunen op wetenschappelijke inzichten. In het voorstel wordt niet gewerkt met een volledig gesloten lijst van indicatoren, maar met een combinatie van minimumeisen en uitsluitingen. Een gesloten lijst zou inhouden dat in het voorstel een aantal strategieƫn, standaarden en indicatoren wordt gedefinieerd die een beleggingsproduct moet volgen om gecategoriseerd te kunnen worden en dat er geen manieren zijn om gecategoriseerd te worden als een beleggingsproduct andere strategieƫn, indicatoren of standaarden gebruikt. Met een open lijst behouden aanbieders van beleggingsproducten flexibiliteit om ook met strategieƫn, standaarden of indicatoren die niet in het voorstel zijn opgenomen aan te tonen hoe 70% van de portefeuille in lijn is met het onderliggende doel van de productcategorie. Het kabinet is hier voorstander van, omdat er een grote variƫteit aan beleggingsproducten is en zij wil voorkomen dat dit brede universum van (groene) producten te veel in een kader wordt gedrukt. De Commissie krijgt bovendien de mogelijkheid om de open lijsten in het voorstel aan te passen via gedelegeerde handelingen. Door een zekere flexibiliteit in de uitwerking mogelijk te maken, wordt voorkomen dat te rigide regels innovatie en nieuwe vormen van duurzaam beleggen belemmeren.

De leden van de VVD-fractie lezen dat het voorstel beperkingen oplegt aan de communicatie over duurzaamheidsaspecten voor beleggingsproducten die niet onder ƩƩn van de drie voorgestelde labels vallen. De leden van de VVD-fractie delen de zorg van het kabinet over de mogelijke gevolgen hiervan voor pensioenfondsen, met name omdat bij pensioenfondsen het beleggingsproduct de gehele portefeuille omvat. Zij vragen de minister hoe wordt voorkomen dat pensioenfondsen in de praktijk niet langer over duurzaamheidsaspecten kunnen communiceren met hun deelnemers, bijvoorbeeld via websites en nieuwsbrieven. Welke concrete aanpassingen of verduidelijkingen beoogt de regering hiervoor te realiseren? Hoe kunnen Nederlandse pensioenfondsen voldoen aan zowel SFDR 2.0-marketingrestricties als IORP 11-verplichtingen? Is hier Europese afstemming nodig?

Het kabinet deelt de zorg rond communicatiebeperkingen, zoals geformuleerd voor niet-gecategoriseerde producten. Het zet zich ervoor in dat dit in de praktijk niet tot problemen leidt voor onder meer pensioenfondsen. Het kabinet zet zich er tevens voor in dat de nieuwe verplichtingen uit de SFDR niet conflicteren met de bestaande verplichtingen voor pensioenfondsen volgend uit de IORP II-richtlijn. Op dit moment lijkt hiervan geen sprake en lijkt het voorstel voldoende ruimte te bieden voor pensioenfondsen om te blijven communiceren over duurzaamheid. Desalniettemin zal het kabinet inzetten op enkele specifieke verduidelijkingen op dit punt. Het kabinet zal onder meer verduidelijking vragen over de beperkingen die worden gegeven aan de naamgeving en communicatie voor onder meer ESG-basics producten en over de wijze waarop wordt omgegaan met investeringen die voldoen aan de eisen van de verschillende categorieƫn, maar niet expliciet als gecategoriseerde producten worden aangemerkt. Het kabinet is en blijft hierover in gesprek met andere lidstaten, de Commissie en financiƫlemarktdeelnemers.

Onderdeel 4: Beoordeling, bevoegdheid, subsidiariteit en proportionaliteit

De leden van de VVD-fractie hebben op dit onderdeel geen vragen.

Onderdeel 5: Financiƫle consequenties, gevolgen voor regeldruk, concurrentiekracht en geopolitieke aspecten

De leden van de VVD-fractie hebben geen vragen ten aanzien van de paragrafen a t/m c over de consequenties EU-begroting, over de financiƫle consequenties voor rijksoverheid en/of medeoverheden en over de financiƫle consequenties en gevolgen voor regeldruk voor bedrijfsleven en burger.

De leden van de VVD-fractie hebben wel vragen naar aanleiding van paragraaf d over de gevolgen voor concurrentiekracht en geopolitieke aspecten.

De leden van de VVD-fractie lezen dat de Commissie verwacht dat het voorstel de Europese concurrentiekracht versterkt door een gestandaardiseerd kader en minder regeldruk. Toch kan dit gevolgen hebben voor aanbieders die concurreren met niet-EU-markten. Hoe waarborgt de minister dat de nieuwe regels niet leiden tot een concurrentienadeel voor Nederlandse aanbieders ten opzichte van niet-EU-markten? In hoeverre maken Europese beleggingsinstellingen naar aanleiding van deze verordening extra kosten ten opzichte van niet-Europese beleggingsinstellingen? Heeft dit een substantieel effect op de kosten voor beleggers?

Naar verwachting is het concurrentienadeel voor Nederlandse (en andere Europese) aanbieders ten opzichte van niet-EU-markten beperkt, nog onafhankelijk van de vraag of Europese aanbieders extra kosten maken als gevolg van het voldoen aan de verordening (zowel nu als in de toekomst) ten opzichte van aanbieders die geen beleggingsproducten op de Europese markt aanbieden. Aanbieders uit derde landen die beleggingsproducten op de EU-markt aanbieden zullen aan de verordening moeten voldoen en Europese aanbieders die producten met duurzame doeleinden aanbieden op niet-EU-markten hoeven niet aan de verordening te voldoen (zolang deze producten niet ook op de Europese markt worden aangeboden). Er is in die zin vooral sprake van concurrentie tussen producten die aangeboden worden op de Europese markt. De verordening biedt een uniform regime als deze producten duurzaamheidsclaims maken.

In brede zin licht de Commissie toe dat een betrouwbaarder, uniformer raamwerk voor duurzame beleggingen een efficiƫnte kapitaalallocatie in de Unie kan bevorderen, wat gunstig is voor het Europese concurrentievermogen.

Ten aanzien van de geopolitieke dimensie constateren de leden van de VVD-fractie dat het voorstel vereist dat duurzaamheidsclaims onderbouwd worden met data of schattingen over prestaties ten opzichte van minimum- en exclusiecriteria. Zij vragen de minister hoe reƫel het risico is dat dit leidt tot verminderde investeringen vanuit de EU in niet-EU-jurisdicties, indien daar beperkingen gelden op de beschikbaarheid van dergelijke data of schattingen. Kan de minister dit risico nader duiden en waar mogelijk voorzien van concrete voorbeelden?

Het kabinet heeft op dit moment geen concrete indicaties dat de beschikbaarheid van data vanuit niet-EU landen tot minder investeringen vanuit de EU in niet-EU-jurisdicties zou kunnen leiden. In dit kader is het behulpzaam dat het voorstel tot herziening van de Verordening expliciet ruimte creëert voor de onder het voorstel vallende financiëlemarktdeelnemers om van verifieerbare schattingen gebruik te maken indien directe data ontbreken. Op de internationale kapitaalmarkten lijkt er over het algemeen voldoende data, direct of vanuit schattingen, beschikbaar te zijn over duurzaamheidsaspecten van beleggingen. Dat gezegd hebbende, zouden beperkingen vanuit wet- en regelgeving ten aanzien van het volgen van ESG-strategieën en de beschikbaarheid van duurzaamheidsinformatie effect kunnen hebben voor de mate waarin EU-beleggingsproducten met duurzaamheidsclaims in dergelijke jurisdicties investeren. Dat kan juist ook betekenen dat er door beleggers meer in de EU wordt geïnvesteerd, wat positief is. Het is op voorhand lastig te zeggen in welke mate dit zal gaan spelen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie

De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het fiche over de herziening van de verordening duurzaam beleggen. Deze leden zijn van mening dat het Europese en Nederlandse investeringsklimaat gebaat is bij zo min mogelijk regelgeving en rapportageplichten op het gebied van duurzaamheid.

De leden van de BBB-fractie verwelkomen de vermindering van de administratieve regeldruk door de nieuwe verordening. De leden hebben de volgende vragen aan de minister:

- In hoeverre hebben aanbieders van beleggingsfondsen/producten baat bij het uitdragen van een focus op duurzame investeringen, zorgt dit aantoonbaar voor meer groei?

Uit de AFM Consumentenmonitor 2025 blijkt dat ruim 4 op de 10 beleggers die zelfstandig of met advies beleggen soms of (bijna) altijd letten op de duurzaamheid van hun beleggingen. Aanbieders van beleggingsproducten sluiten met hun productaanbod aan bij de vraag naar beleggingsproducten uit de markt. De verordening biedt een kader waar beleggingsproducten met duurzame claims aan moeten voldoen, wat voor duidelijkheid zorgt aan de zijde van beleggers. Naast dat aanbieders met het aanbieden van duurzame beleggingsproducten een bijdrage leveren aan maatschappelijke opgaven is dit voor hen dus ook een commerciƫle propositie. Aanbieders hebben in die zin ook in financiƫle zin baat bij het aanbieden van duurzame beleggingsproducten.

- Is bekend hoeveel geld er door Nederlandse particulieren en instellingen actief wordt geĆÆnvesteerd in duurzame fondsen met als hoofdreden de focus op duurzaamheid? Is er onderzoek gedaan naar de motieven van beleggers in relatie tot de duurzaamheidsambities van beleggingsfondsen?

Op dit moment beschikt het kabinet niet over concrete cijfers van het bedrag dat door Nederlandse particuliere en institutionele beleggers wordt geĆÆnvesteerd in duurzame fondsen, specifiek met duurzaamheid als primaire overweging. Wel publiceren onderzoeksorganisaties uitgebreide analyses over de mondiale en Europese markten voor duurzame fondsen. Volgens het rapport Global Sustainable Fund Flows: Q4 and Full-Year 2025 in Review van Morningstar bedraagt het totaal aan Europese beleggingen in duurzame fondsen met een focus op duurzaamheid eind 2025 ruim 3,3 biljoen USD. Dit betreft activa van zowel particuliere als institutionele beleggers in open-end fondsen en ETF’s. Duurzame fondsen maken hiermee circa 20% uit van de totale Europese fondsenmarkt. Deze rapportages bevatten echter geen specifieke uitsplitsing naar door Nederlandse particulieren en instellingen actief belegd vermogen.

Zoals eerder is aangegeven blijkt uit de AFM Consumentenmonitor Beleggers Q3 2025 dat ruim 4 op de 10 beleggers die zelfstandig of met advies beleggen soms of (bijna) altijd letten op de duurzaamheid van hun beleggingen. Om te bepalen of een belegging aansluit bij hun duurzaamheidsvoorkeuren, geeft het merendeel van deze groep aan vooral naar de naam van het beleggingsproduct te kijken.

De Autoriteit Financiƫle Markten (AFM) heeft in 2023 onderzoek gedaan naar de motivaties van duurzame beleggers. Hieruit blijkt dat de belangrijkste motieven voor duurzaam beleggen zijn: de wens om impact te maken en de wereld te verbeteren, het vermijden van bedrijven die niet passen bij persoonlijke ethische voorkeuren en ook financiƫle overwegingen.

Daarnaast is in de AFM Consumentenmonitor 2025 aan beleggers die duurzaam (zouden willen) beleggen gevraagd om hun beweegredenen te rangschikken. De overgrote meerderheid geeft hierbij aan vooral te willen bijdragen aan een positieve verandering in de wereld. Als tweede reden wordt het vaakst genoemd het willen beleggen in bedrijven die passen bij de eigen normen en waarden, ook als dit niet direct tot positieve verandering leidt. De verwachting dat duurzame ondernemingen betere financiƫle resultaten zullen opleveren, wordt door de meeste beleggers als minst belangrijke reden genoemd, maar vormt voor een deel van de beleggers juist wel de belangrijkste motivatie.

- Het kabinet geeft aan dat Nederland wil voorkomen dat de nieuwe criteria beleggingen in defensie en veiligheid onmogelijk maken of uitsluiten van duurzaamheid labels. Dit zou namelijk een politiek gevoelig punt zijn in het kader van de Europese veiligheid. Leeft er bij het kabinet of bij andere lidstaten de wens om ook andere sectoren een uitzondering te geven op de uitsluitingscriteria?

Zoals aangegeven in antwoord op vragen van de leden van de VVD, vormen de verordening en de herziening geen beperkingen voor investeringen in veiligheid en defensie. In het kader van de verordening zijn enkel mensenrechtenschendingen die als gevolg van defensie-investeringen en investeringen in controversiƫle wapens, zoals landmijnen, clusterbommen en chemische en biologische wapens, onderworpen aan aanvullende transparantieverplichtingen. Dit wordt bij de herziening van de verordening nogmaals verduidelijkt. Er is in dat opzicht geen noodzaak de defensiesector uit te zonderen van criteria. Wel houdt het kabinet nauwlettend in de gaten dat defensie- en veiligheidsinvesteringen door eventuele wijzigingen gedurende de onderhandelingen niet alsnog indirect geraakt worden. Van het uitzonderen van andere sectoren is op dit moment ook geen sprake.


  1. De methodologie wordt versimpeld doordat voor handelsdoeleinden aangehouden financiĆ«le activa, onmiddellijk opeisbare interbancaire leningen, blootstellingen aan ondernemingen die niet verplicht zijn niet-financiĆ«le informatie te publiceren, derivaten, contanten, cash-gelijke activa en andere activa, zoals goodwill, niet langer worden meegenomen in zowel de teller als de noemer van de GAR.ā†©ļøŽ