[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

- Inventarisatie fiscale knelpunten vennootschapsbelasting en samenwerking melkveehouders en akkerbouwers binnen de landbouwpraktijk

Bijlage

Nummer: 2026D10749, datum: 2026-03-09, bijgewerkt: 2026-03-10 08:02, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Onderdeel van zaak 2026Z00748:

Bijlage bij: Reactie op de motie van het lid Stoffer over knelpunten inventariseren en onderzoek doen naar mogelijkheden voor een betere aansluiting van de vennootschapsbelasting op de landbouwpraktijk (Kamerstuk 36800-53) en de motie van het lid Grinwis c.s. over fiscale knelpunten in de samenwerking tussen melkveehouders en akkerbouwers wegnemen (Kamerstuk 36812-97) (2026D10748)

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Bijlage - Inventarisatie fiscale knelpunten vennootschapsbelasting en samenwerking melkveehouders en akkerbouwers binnen de landbouwpraktijk

In deze bijlage wordt in overzicht 1 een opsomming gegeven van door belangenorganisaties in de landbouwsector aangedragen knelpunten waar de vennootschapsbelasting volgens deze belangenorganisaties niet goed aansluit bij de landbouwpraktijk. Het overzicht van de knelpunten is tot stand gekomen na een uitvraag bij belangenorganisaties, n.a.v. de motie Stoffer, van het Ministerie van LVVN. Daarnaast is door de vaste commissie voor LVVN van de Tweede Kamer verzocht om in te gaan op het voorstel van de sectorpartijen in de landbouw, ketenpartijen en de Dierenbescherming voor een Fiscale Investeringsreserve Landbouw.1 Bij elk knelpunt is een beleidsvoorstel aangedragen vanuit belangenorganisaties. De voorstellen worden geapprecieerd in de rechter kolom. Met dit overzicht 1 (en ook met overzicht 2) wordt voldaan aan de motie Stoffer die het kabinet verzoekt richting de komende formatie knelpunten te inventariseren en onderzoek te doen naar mogelijkheden voor een betere aansluiting van de vennootschapsbelasting op de landbouwpraktijk.2 Tot slot biedt overzicht 2 een appreciatie op de toepasbaarheid van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) en de doorschuiffaciliteit voor het aanmerkelijk belang (DSR ab) en de landbouwvrijstelling bij het uitruilen van grond. Met overzicht 2 wordt voldaan aan de motie Grinwis c.s.3 waarin wordt verzocht om fiscale knelpunten in de samenwerking tussen melkveehouders en akkerbouwers weg te nemen, en daarbij te onderzoeken of bij tijdelijke uitruil van grond de schenk- en erffaciliteit kan blijven gelden. Daarnaast wordt bekeken of door verbreding van vruchtwisseling bij pachtgrond de landbouwvrijstelling voor de eigenaar behouden kan blijven.

Overzicht 1 - Inventarisatie m.b.t. motie Stoffer
Knelpunt en voorstel Appreciatie

Knelpunt: Naast de al beschikbare instrumenten is er volgens belangenorganisaties in de landbouw behoefte aan een fiscale klimaat- en calamiteitenreserve in de inkomstenbelasting om de inkomensgevolgen van risicovolle gebeurtenissen beter te kunnen beperken. Deze reserve kan worden gevuld in jaren met een hoog bedrijfsresultaat.

Voorstel: Maak een fiscale klimaat- en calamiteitenreserve voor de landbouw mogelijk.

De uitkomsten van het onderzoek door de WUR4 geven geen aanleiding tot invoering van een dergelijke fiscale faciliteit. Het rapport laat zien dat slechts een beperkte groep ondernemers in beperkte mate voordeel zou hebben van een fiscale reserve, terwijl het vormen van reserves de liquiditeit voor investeringen vermindert. Bovendien is er reeds een breed scala aan risicomanagementinstrumenten, waaronder de brede weersverzekering. Bedrijfseconomisch biedt een fiscale reserve bovendien geen structurele oplossing, aangezien het vooral neerkomt op belastinguitstel en de reserve bij ernstige calamiteiten doorgaans ontoereikend zal zijn.

Een overweging is om naar niet-fiscale oplossingen te kijken, zoals het oprichten van een fonds waarin bedrijven (verplicht) bedragen kunnen storten. In geval van een kwalificerende schade keert het fonds dan uit. De verplichte (zakelijke) bijdragen aan een dergelijk fonds zijn dan aftrekbaar, de uitkeringen zijn te zijner tijd belast. Hiervoor is fiscale begeleiding niet nodig. Bijkomend voordeel van een fonds is de solidariteit. Je weet nooit waar precies een kwalificerende calamiteit zich voordoet, maar het kan in beginsel iedereen treffen. Iedereen betaalt mee aan de schade van enkelen, maar daarmee is het voor iedereen wel goedkoper. Als je een reserve moet vormen voor je eigen bedrijf, dan zou de dotatie vele malen hoger moeten zijn dan wanneer je een collectieve voorziening vormt en relatief jonge bedrijven zullen grote kwalificerende schades nooit kunnen dekken uit een eigen reserve. Als deze vorm van zelfregulering een oplossing kan bieden, dan geniet dat de voorkeur. De sector kan hierbij zelf de modaliteit en vormgeving kiezen.

Knelpunt: Er zijn vanuit veel agrariërs forse investeringen nodig, in onder andere nieuwe stallen, om aan de doelen ten aanzien van milieu en dierenwelzijn te voldoen.

Voorstel: Introduceer een Fiscale Investeringsreserve Landbouw voor dier- en natuurvriendelijke investeringen.

Momenteel wordt de agrarische sector al fiscaal gestimuleerd om milieu-investeringen te doen via de MIA/Vamil. Er gelden binnen de MIA/Vamil ook fiscale voordelen voor stalvernieuwing waarbij ook dierenwelzijn wordt meegenomen.5

Zoals opgenomen in het coalitieakkoord is het kabinet voornemens om te investeren in een dierwaardige veehouderij met het oog op een economisch perspectief voor gezinsbedrijven. In dat kader zal de minister van LVVN met de sector in gesprek gaan.

Knelpunt: Momenteel is de verliesverrekening boven verliezen van € 1 miljoen gemaximeerd tot 50% van de belastbare winst in een jaar, in combinatie met een onbeperkte voorwaartse verliesverrekeningstermijn. Bij bedrijven met een sterk fluctuerend bedrijfsresultaat over de jaren (dat kan bijvoorbeeld voorkomen door een slecht oogstseizoen) is de wens om een achterwaartse verliesrekening over meerdere jaren te spreiden. Zo worden deze ondernemingen niet extra belast ten opzichte van ondernemingen waarin de kosten en baten in hetzelfde boekjaar tot uitdrukking komen.

Voorstel: Introduceer een meerjarige achterwaartse verliesrekening voor de landbouw.

Er zijn ook andere sectoren die te maken hebben met een fluctuerend bedrijfsresultaat over de jaren heen. Daarom ligt het niet voor de hand om binnen de achterwaartse verliesrekening een specifieke uitzondering voor de landbouw te creëren. Daarnaast bestaat er een staatssteunrisico om binnen de vennootschapsbelasting enkel een uitzondering te maken voor de landbouw. Een meerjarige achterwaartse verliesverrekening heeft budgettaire consequenties. Tot slot kent een wijziging in de verliesverrekeningsregels een grote uitdaging in de uitvoering.

Knelpunt: In de Voorjaarsnota 2025 is onderzoek aangekondigd naar de aanpak van samenwerkingsverbanden tussen IB-ondernemers en de eigen bv. Het gaat om constructies waarbij aanmerkelijkbelanghouders via een samenwerkingsverband tussen hun bv en de eigen persoon als IB-ondernemer gebruikmaken van fiscale ondernemersfaciliteiten, die daarvoor niet bedoeld zijn. Volgens de agrarische sector is de aard van het samenwerkingsverband tussen een IB-ondernemer en diens eigen bv volgens de sector wezenlijk anders dan bij bijvoorbeeld vrije beroepsbeoefenaren. In de agrarische sector zijn ondernemers doorgaans al IB-ondernemer en lopen zij volledig ondernemingsrisico volgens de belangenorganisaties. Het aangaan van een samenwerkingsverband met de eigen bv is veelal bedrijfseconomisch gemotiveerd en géén constructie om onbedoeld te profiteren van ondernemersfaciliteiten, Zo geven de belangenorganisaties aan.

Voorstel: In de Voorjaarsnota 2025 is onderzoek aangekondigd naar de aanpak van samenwerkingsverbanden tussen IB-ondernemers en de eigen bv. Het voorstel is om de agrarische sector uit te zonderen van een eventuele maatregel op dit vlak, omdat dergelijke samenwerkingsverbanden daar veel voorkomen en wezenlijk anders zijn dan bij andere beroepsgroepen.

Dit onderzoek loopt nog en in de bijlage op de Voorjaarsnota 2026 zal nader op de uitkomsten van het onderzoek worden ingegaan.
Overzicht 2 - Inventarisatie m.b.t. motie Grinwis c.s.
Knelpunt en voorstel Appreciatie

Knelpunt (ook onderdeel motie Stoffer):

Het uit gebruik geven van grond (verhuur / pacht) waarbij de grond feitelijk niet wordt gebruikt door de eigenaar van de grond, levert voor die eigenaar een probleem op voor de toepassing van de landbouwvrijstelling. De eigenaar kan de boekwinst die op een bepaald ogenblik gerealiseerd wordt niet belastingvrij toucheren voor de periode dat de grond uit gebruik gegeven is. Verder pachten veel veehouders grond, voornamelijk om mest kwijt te kunnen. Eigenaren van grond, veelal collega-boeren, zijn minder genegen grond te verpachten omdat op verpachte grond de landbouwvrijstelling niet van toepassing is.

Voorstel (ook onderdeel motie Stoffer)

Creëer regelgeving waarbij grond kan worden verpacht zonder dat daarbij de landbouwvrijstelling voor de eigenaar verloren gaat en verbreed de mogelijkheden van vruchtwisseling.

De landbouwvrijstelling kan van toepassing zijn op gronden die gebruikt worden binnen de eigen landbouwonderneming. Hierop is een uitzondering gemaakt met betrekking tot het verpachten van grond in het kader van vruchtwisseling als bedoeld in het op 14 november 2025 gepubliceerde beleidsbesluit6 van de staatssecretaris van Financiën. Het beleidsbesluit geeft binnen de bestaande wetgeving en jurisprudentie een zo ruim als mogelijke uitleg van het begrip vruchtwisseling bij de toepassing van de landbouwvrijstelling. Een verdere uitbreiding van de landbouwvrijstelling ligt niet voor de hand.7 Dit doet afbreuk aan de systematiek dat waardeaangroei belast wordt op het moment dat landbouwgronden niet meer aan de eigen onderneming ter beschikking staan. Een dergelijke uitzondering betekent ook een wetswijziging, waarvoor verschillende (bijvoorbeeld uitvoeringstechnische en Europeesrechtelijke) toetsen moeten worden doorlopen. Ook zullen er budgettaire consequenties zijn die in beeld moeten worden gebracht.

In voornoemd beleidsbesluit wordt de praktijk overigens handvatten geboden bij de toepassing van de landbouwvrijstelling ingeval sprake is van vruchtwisseling (onderdeel 6), waarbij grond tijdelijk uit gebruik wordt gegeven om de bodemgesteldheid van de grond te verbeteren. Hierbij is ook opgenomen dat het uit gebruik geven van grond in het kader van derogatie niet als vruchtwisseling wordt beschouwd.

Knelpunt:

Als een akkerbouwer die kwalificeert als ondernemer of aanmerkelijkbelanghouder grond, waarop hij bijvoorbeeld aardappelen teelt, tijdelijk heeft verpacht aan een melkveehouder, dan zijn op het moment dat de akkerbouwer overlijdt of de onderneming of de aandelen schenkt de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) en de doorschuifregeling aanmerkelijk belang (DSR ab) niet van toepassing op de waarde van de verpachte grond op basis van de zogenoemde vastgoedmaatregel. Op grond van de vastgoedmaatregel wordt aan derden ter beschikking gesteld vastgoed voor de BOR en de DSR ab aangemerkt als (niet-kwalificerend) beleggingsvermogen.

Voorstel:

Verpachte gronden uitzonderen van de vastgoedmaatregel in de BOR en DSR ab als sprake is van tijdelijke uitruil van grond tussen akkerbouwers en melkveehouders.

De BOR en de DSR ab gelden niet voor aan derden ter beschikking gesteld vastgoed. Daar is één uitzondering op gemaakt, namelijk voor het in gebruik geven van land in het kader van teeltpacht. Voor die uitzondering geldt een wettelijk kader dat is opgenomen in het Burgerlijk Wetboek.8 De Belastingdienst kan hier goed op toetsen.

Teeltpacht wordt beoordeeld vanuit het perspectief van de pachter. Er wordt gekeken welk gewas wordt geteeld op de gepachte grond. Bepaalde gewassen zoals, gras, tarwe en mais, zijn uitgezonderd van teeltpacht omdat voor deze gewassen vruchtwisseling niet noodzakelijk is. Als een melkveehouder zijn grond uitgebruik geeft aan een akkerbouwer die de grond gebruikt voor een teelt waarvoor vruchtwisseling noodzakelijk is, kan de verpachting worden aangemerkt als teeltpacht waardoor de BOR en de DSR ab van toepassing kunnen zijn. Als een akkerbouwer tegelijkertijd zijn grond verpacht aan de melkveehouder die hier gras of mais op teelt, kan hiervoor geen teeltpachtovereenkomst worden gesloten. De teelten gras en mais zijn immers uitgesloten van teeltpacht. Hierdoor valt de verpachte grond niet onder de BOR en de DSR ab.

De komende periode wordt onderzocht of de uitzondering op de vastgoedmaatregel kan worden verruimd. De insteek is om te komen tot een verruiming die bewerkstelligt dat bij uitruil van grond tussen akkerbouwers en melkveehouders de uitzondering ook gaat gelden voor door akkerbouwers in het kader van noodzakelijke vruchtwisseling verpachte grond. Het voornemen is om een definitief besluit hierover te nemen met de augustusbesluitvorming.


  1. Brief van de vaste commissie voor LVVN van 21 januari 2026 met kenmerk 2026Z00748/2026D02509.↩︎

  2. Kamerstukken II 2025/26, 36800, nr. 53.↩︎

  3. Kamerstukken II 2025/26, 36812, nr. 97.↩︎

  4. Bijlage bij Kamerstukken II 2020/21, 35570, nr. 76.↩︎

  5. https://infographics.rvo.nl/sectorplaten/landbouw/↩︎

  6. Stcrt. 2025, 38606.↩︎

  7. SEO 2024, evaluatie Landbouwvrijstelling, Kamerstukken II 2023/24, 36418, nr. 137, bijlage.↩︎

  8. Artikel 7:396 BW↩︎