[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Amendement van het lid Van der Plas over middelen voor compensatie pelsdierhouders

Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (XIV) en het Diergezondheidsfonds (F) voor het jaar 2026

Amendement

Nummer: 2026D10890, datum: 2026-03-10, bijgewerkt: 2026-03-10 13:14, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36800 XIV-23 Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (XIV) en het Diergezondheidsfonds (F) voor het jaar 2026.

Onderdeel van zaak 2026Z04780:

Preview document (🔗 origineel)


TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL 2
Vergaderjaar 2025-2026
36 800 XIV Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (XIV) en het Diergezondheidsfonds (F) voor het jaar 2026
Nr. 23 AMENDEMENT VAN HET LID van der Plas
Ontvangen 10 maart 2026
De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

De departementale begrotingsstaat wordt als volgt gewijzigd:

I

In artikel 21 Land- en tuinbouw worden het verplichtingenbedrag en het uitgavenbedrag verhoogd met € 25.000 (x € 1.000).

II

In artikel 21 Land- en tuinbouw worden het verplichtingenbedrag en het uitgavenbedrag verlaagd met € 25.000 (x € 1.000).

Toelichting

In 2020 zijn pelsdierhouders door een wettelijk besluit gedwongen hun bedrijven vervroegd te beëindigen. In het kader van de nadeelcompensatie zijn daarbij kortingen toegepast, onder andere een korting van 15% wegens “normaal maatschappelijk risico” en een leegstandskorting van € 38 per fokteef. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft inmiddels geoordeeld dat deze kortingen onterecht waren.

De regering heeft aangegeven de betreffende ondernemers te compenseren, maar beperkt dit tot de ondernemers die hierover een procedure hebben gevoerd. De indiener vindt dat onwenselijk en onrechtvaardig. Ondernemers die door een overheidsbesluit hun bedrijf moesten beëindigen en vervolgens een onjuiste compensatie hebben ontvangen, zouden niet eerst tegen de overheid moeten hoeven procederen om rechtvaardig te worden behandeld.

Het amendement beoogt daarom middelen beschikbaar te stellen zodat alle pelsdierhouders die destijds onder de regeling vielen alsnog rechtvaardig gecompenseerd kunnen worden voor de onterecht toegepaste kortingen, ongeacht of zij hierover een procedure hebben gevoerd.

De middelen voor dit amendement worden gedekt uit de gereserveerde middelen voor de brede beëindigingsregeling. Deze dekking is passend, aangezien het hier eveneens gaat om een beëindigingsregeling van de overheid. Wanneer bij een dergelijke regeling fouten zijn gemaakt in de compensatie, ligt het voor de hand om de middelen om dit te herstellen uit dezelfde categorie beleidsmiddelen te halen.

Daarnaast is de indiener van mening dat het van belang is om bestaande regelingen eerst correct af te handelen voordat nieuwe beëindigingsregelingen worden opengesteld. Het herstellen van een onjuiste compensatie aan ondernemers die destijds gedwongen hun bedrijf moesten beëindigen heeft daarom prioriteit.

Ook draagt het herstellen van deze onjuiste compensatie bij aan vertrouwen in overheidsregelingen. Ondernemers die mogelijk in de toekomst gebruik willen maken van een beëindigingsregeling moeten erop kunnen vertrouwen dat de overheid hen correct en rechtvaardig behandelt wanneer achteraf blijkt dat een regeling onjuist is toegepast. Het herstellen van gemaakte fouten is daarmee niet alleen rechtvaardig voor de betrokken ondernemers, maar ook van belang voor het vertrouwen in toekomstig beleid.

Tot slot moet worden opgemerkt dat inmiddels ook pelsdierhouders die eerder geen bezwaar of beroep hadden ingesteld alsnog een herzieningsverzoek of procedure kunnen starten. Zij hebben zich daarover afgelopen december gemeld bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Gelet op de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven ligt het in de rede dat deze zaken langs dezelfde juridische lijn zullen worden beoordeeld. Dat zou betekenen dat de overheid op een later moment alsnog tot aanvullende compensatie moet overgaan, maar dan vermeerderd met proceskosten. Door nu in één keer tot een rechtvaardige afhandeling voor alle betrokken ondernemers te komen, kunnen onnodige procedures en bijkomende kosten worden voorkomen.

Van der Plas