Nota naar aanleiding van het verslag
Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026)
Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag
Nummer: 2026D11011, datum: 2026-03-13, bijgewerkt: 2026-03-13 15:43, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie (Ooit CDA kamerlid)
- Aanbiedingsbrief
- Beslisnota bij Nota naar aanleiding van het verslag inzake Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026)(Kamerstuk 36871)
Onderdeel van kamerstukdossier 36871 -6 Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026) .
Onderdeel van zaak 2025Z22479:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Asiel en Migratie
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-02-26 12:00 ⇒ Inbreng geleverd. (Besluit)
- 2026-02-10 17:30 ⇒ Behandeld. (Besluit)
- 2026-01-22 13:00 ⇒ Niet controversieel verklaren. (Besluit)
- 2026-01-22 13:00 ⇒ Inbrengdatum voor het verslag vaststellen op 26 februari 2026 te 12.00 uur. (Besluit)
- 2026-01-13 15:10 ⇒ Koninklijke boodschap, met de erbij behorende stukken, is al rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-01-13 15:10 ⇒ In handen gesteld van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid (Besluit)
Onderdeel van zaak 2026Z04832:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Asiel en Migratie
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-03-26 13:00 ⇒ (Concept voorstel)
- 2026-01-13 15:10: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-01-22 13:00: Procedurevergadering Asiel en Migratie (Procedurevergadering), vaste commissie voor Asiel en Migratie
- 2026-02-10 17:30: Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 (Technische briefing), vaste commissie voor Asiel en Migratie
- 2026-02-26 12:00: Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026) (Inbreng verslag (wetsvoorstel)), vaste commissie voor Asiel en Migratie
- 2026-03-26 13:00: Procedurevergadering Asiel en Migratie (Procedurevergadering), vaste commissie voor Asiel en Migratie
Preview document (🔗 origineel)
36 871 Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026)
Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 13 maart 2026
De regering dankt de leden van de vaste Kamercommissie voor Asiel en Migratie voor het verslag en de daarin gestelde vragen. In de navolgende nota naar aanleiding van het verslag worden de vragen die door de leden van de afzonderlijke facties zijn gesteld beantwoord. Bij het beantwoorden van de vragen is de volgorde van het verslag aangehouden, met dien verstande dat ter wille van de leesbaarheid in enkele gevallen is verwezen naar reeds eerder of later in deze nota gegeven antwoorden. Om die reden zijn de vragen telkens afzonderlijk genummerd. De inhoud van het verslag is cursief weergegeven.
INHOUDSOPGAVE
Gezamenlijke inbreng commissie
Inbreng leden van de fracties
Algemeen deel
Inleiding
Asiel- en migratiepact 2026
Algemene beschrijving instrumenten Asiel- en migratiepact 2026
Uitgangspunten uitvoering en implementatie in nationale regelgeving
Terugkeer in het Asiel- en migratiepact
Relevantie Terugkeerrichtlijn
Uitsluiten toepasselijkheid Terugkeergrensprocedureverordening
Uitvoering Kwalificatieverordening (EU) 2024/1347
Algemeen
Van een eenstatusstelsel naar een tweestatusstelsel
Verblijfstitel
Geldigheidsduur verblijfstitel wordt verkort van vijf naar drie jaar
Verblijf gezinsleden
Afschaffen verblijfsvergunning asiel onbepaalde tijd
Uitvoering Procedureverordening (EU) 2024/1348
Algemeen
Schrappen nationale procedureregels
Afschaffen voornemenprocedure
Aanwijzing beslissingsautoriteit en andere bevoegde autoriteiten
Verschillende behandelingsprocedures en beslistermijnen
Beroep bij de rechter in asielprocedure
(Verplichte) asielgrensprocedure
Juridisch advies, counseling, rechtsbijstand
Uitvoering Asiel- en migratiebeheerverordening (EU) 2024/1351
Algemeen
Uitvoering Asiel- en migratiebeheerverordening in onderhavig wetsvoorstel
Implementatie herschikte Opvangrichtlijn (EU) 2024/1346
Algemeen
Toewijzing geografisch gebied
Vrijheidsontneming asielzoekers op grond van artikel 59b Vw 2000
Vrijheidsbeperking, vrijheidsontneming en meldplicht bij onderduikrisico
Beroep bij de rechter bij vrijheidsontneming
Wijziging van de Wet arbeid vreemdelingen, de Wet op de expertisecentra, de
Wet op het primair onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs 2020
Uitvoering Screeningsverordening (EU) 2024/1356
Algemeen
Screening aan de buitengrens en screening op het grondgebied van de lidstaten
Toezicht en rechten van betrokkenen
Uitvoering herziene Eurodac-verordening (EU) 2024/1358
Algemeen
Verplichting tot afname biometrische gegevens en invoer gegevens in Eurodac
Toegang voor rechtshandhavingsdoeleinden
Overige onderdelen van de verordening
Wet arbeid vreemdelingen
Hoofdlijnen van het voorstel
Verhouding tot hoger recht
Overgangsrecht en inwerkingtreding
Uitvoerings- en administratieve lasten en financiële gevolgen
Uitvoeringsgevolgen vreemdelingenketen
Uitvoeringsgevolgen voor de AbRvS en rechtspraak
Financiële gevolgen
Consultatie en advies
Artikelsgewijze toelichting
Artikel I Vreemdelingenwet 2000
Overig
Gezamenlijke inbreng commissie
De vaste commissie voor Asiel en Migratie heeft in het kader van het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel de leden Rajkowski (VVD-fractie) en Boomsma (JA21-fractie) tot wetgevingsrapporteurs benoemd. De wetgevingsrapporteurs hebben ten behoeve van het verslag een schriftelijke inbreng opgesteld met enkele vragen van verdiepende en verduidelijkende aard aan de regering. Bij de hiernavolgende inbreng is zo veel mogelijk de volgorde van de memorie van toelichting aangehouden. In algemene zin worden vragen gesteld over de delegatie van regelgevende bevoegdheid, de uitvoeringsgevolgen voor de rechtspraak en monitoring en evaluatie. Ook worden vragen gesteld over verschillende elementen van de implementatie en uitvoering van de Procedureverordening, de Asiel- en migratiebeheerverordening, de Opvangrichtlijn en de Screeningsverordening.
Algemeen
Maatregelen die reeds door de Tweede Kamer zijn aangenomen in het kader van de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel (conform de transponeringstabellen in Kamerstuk 32317, nr. 988) worden in de gezamenlijke inbreng van de commissie buiten beschouwing gelaten.
Vraag 1
Kan de regering (her)bevestigen dat de overeenkomstige maatregelen in onderhavig wetsvoorstel materieel niet afwijken van de maatregelen zoals behandeld in de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel?
De regering bevestigt dat de maatregelen die deel uitmaken van het onderhavige wetsvoorstel en ook zijn opgenomen in de voorstellen voor de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel materieel niet afwijken. De regering verwijst daarbij volledigheidshalve naar de brief die eerder aan uw Kamer is gezonden en waarin twee transponeringstabellen zijn opgenomen die de verhouding van onderhavig wetsvoorstel tot de voorstellen voor de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel beschrijven (Kamerstukken II 2025/26, 32317, nr. 988). Onderdelen die niet opgenomen in de implementatiewetgeving van het Pact zijn de verruiming van de ongewenstverklaring, strafbaarstelling illegaliteit en de afschaffing van de rechterlijke dwangsom.
Vraag 2
Kan de regering uiteenzetten over welke overige onderwerpen in dit wetsvoorstel nationale beleidskeuzes zijn gemaakt die niet rechtstreeks voortvloeien uit het Pact? In hoeverre komen de nationale keuzes in Nederland overeen met de wijze waarop het Pact wordt geïmplementeerd in buurlanden als België en Duitsland?
Nadat het Asiel- en migratiepact op 12 juni 2026 van toepassing wordt zullen de meeste normen uit het pact rechtstreeks werken. Het pact introduceert daarmee een integraal kader voor de beoordeling van verzoeken om internationale bescherming. Dit betekent onder andere dat er minder ruimte en noodzaak bestaat voor aanvullende nationale regels. Zo kan met het van toepassing worden van het Asiel- en migratiepact de asielvergunning voor onbepaalde tijd niet langer worden gehandhaafd en komt er ook een einde aan het eenstatusstelsel dat Nederland tot op heden hanteerde. Daarnaast bevat het Asiel- en migratiepact een eigen stelsel van procedurele waarborgen, waardoor er niet langer een noodzaak bestaat voor de handhaving van nationale procedureregels die niet dwingend uit het EU-recht volgen. Hoewel het Asiel- en migratiepact een integraal kader bevat, verplichten de verordeningen, en overigens ook de herschikte Opvangrichtlijn, de lidstaten tegelijkertijd ook om binnen de kaders van de verordeningen en richtlijn in bepaalde gevallen nadere uitvoeringskeuzes te maken. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de termijnen die gelden voor het instellen van beroep bij de rechter. Het gaat daarbij dus niet om nationale keuzes in eigenlijke zin, maar om uitvoeringskeuzes die door het Asiel- en migratiepact zijn voorgeschreven. Aan de memorie van toelichting bij onderhavig wetsvoorstel heeft de regering een tabel gehecht waarin is opgenomen op welke wijze in de Uitvoerings- en implementatiewet uitvoering is gegeven aan de verschillende onderdelen van het Asiel- en migratiepact.
Delegatie van regelgevende bevoegdheid
De leden van de commissie constateren dat de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: de Afdeling) opmerkingen heeft gemaakt over het gebruik van delegatie in het wetsvoorstel. Veel regels worden gemaakt door de regering of een minister, zonder noodzakelijke voorafgaande betrokkenheid van het parlement. De Afdeling adviseert om de delegatie van regelgevende bevoegdheid in het wetsvoorstel naar aard en omvang te beperken en in de toelichting te motiveren waarom in voorkomende gevallen wordt gekozen voor delegatie. De regering benoemt in reactie daarop onder meer het belang van flexibiliteit en slagvaardigheid voor de uitvoering en meent dat verschillende onderwerpen zich lenen voor uitwerking op een lager niveau van regelgeving.
Tegen deze achtergrond achten de leden van de commissie het van belang om, mede gelet op de korte implementatietermijn, inzicht te krijgen in de beoogde invulling van de delegatiegrondslagen.
Vraag 3
Kan de regering een schematisch overzicht verstrekken van de in het wetsvoorstel opgenomen delegatiegrondslagen, de onderwerpen die bij lagere regelgeving zullen worden uitgewerkt en een indicatie van de materiële uitwerking daarvan?
Hieronder treft u een schema met de delegatiegrondslagen die in het onderhavige wetsvoorstel zijn opgenomen. Deels zullen die delegatiegrondslagen nader worden uitgewerkt in het Uitvoerings- en implementatiebesluit Asiel- en migratiepact, zoals dat van 24 november 2025 tot en met 5 januari 2026 in internetconsultatie is geweest. Tegelijkertijd zullen de nieuwe delegatiegrondslagen niet de volledige inhoud van het Uitvoerings- en implementatiebesluit Asiel- en migratiepact kunnen verklaren, omdat daarvoor ook gebruik zal worden gemaakt van reeds bestaande – ruime – delegatiegrondslagen uit de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Verwezen zij in dit kader bijvoorbeeld naar het reeds bestaande artikel 112 Vw 2000. Het is niet goed mogelijk om op overzichtelijke wijze in een schema de wijzigingen die zijn opgenomen in het Uitvoerings- en implementatiebesluit Asiel- en migratiepact toe te delen aan een delegatiegrondslag genoemd in onderstaand schema. Een groot aantal vooral technische aanpassingen voert bijvoorbeeld terug op meerdere delegatiegrondslagen en daarmee wordt een schema al snel zeer onoverzichtelijk. Om die reden heeft de regering in de artikelsgewijze toelichting bij het Uitvoerings- en implementatiebesluit Asiel- en migratiepact – ook in de versie van het besluit die in internetconsultatie is gegaan – getracht telkens aan te geven op welke delegatiegrondslag een specifieke wijziging uit dat besluit steunt. Dat geldt ook als die wijziging terugvoert op een reeds bestaande delegatiegrondslag. In meer algemene zin merkt de regering tot besluit op dat zij de nieuwe delegatiegrondslagen zodanig heeft vormgegeven dat de reeds sinds lange tijd bestaande delegatiesystematiek van de Vreemdelingenwet 2000 ook onder het Asiel- en migratiepact wordt voortgezet.
| Delegatiegrondslag wetsvoorstel | Aanduiding inhoud grondslag |
|---|---|
| Art. 2, derde lid | Bij amvb autoriteiten, organisaties of deskundigen aanwijzen |
| Art. 2ff, derde lid Vw | Bij amvb aanwijzen autoriteiten of instanties |
| Art. 2hh, tweede lid Vw | - Bij of krachtens amvb aanwijzen van andere organisaties die deelnemen aan de werking van het onafhankelijk toezichtmechanisme; - Nadere regels te stellen over de werking van het toezichtsmechanisme |
| Art. 27a, derde lid Vw | Bij of krachtens amvb regels stellen over de toekenning van taken en bevoegdheden uit de Procedureverordening, de Asiel- en migratiebeheerverordening en de Kwalificatieverordening |
| Art. 29, tweede lid Vw | Bij af krachtens amvb regels stellen over artikel 29 Vw (verblijfsvergunning asiel vluchtelingenstatus) |
| Art. 29a, tweede lid Vw | Bij of krachtens amvb regels stellen over 29a Vw (verblijfsvergunning asiel subsidiair beschermden) |
| Art. 29b, tweede lid Vw | Bij of krachtens amvb regels stellen over artikel 29b Vw (verblijfsvergunning asiel meereizend gezinsleden) |
| Art. 29c, derde lid Vw | Bij of krachtens amvb regels stellen over artikel 29c Vw (verblijfsvergunning asiel nareizend gezinslid vluchtelingenstatus) |
| Art. 29d, vierde lid Vw | Bij of krachtens amvb regels stellen over artikel 29d Vw (verblijfsvergunning asiel nareizend gezinslid subsidiair beschermden) |
| Art. 30b, derde lid Vw | Bij of krachtens amvb regels stellen over artikel 30b (afwijzen asielaanvraag kennelijk ongegrond) |
| Art. 32, zevende lid Vw | Bij of krachtens amvb regels stellen over artikel 32 (intrekken verblijfsvergunning asiel) |
| Art. 37, eerste lid, onderdeel b Vw | Bij of krachtens amvb regels stellen voor de procedure voor de behandeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28, indien dat noodzakelijk is ter uitvoering van de Procedureverordening of de Asiel- en migratiebeheerverordening |
| Art. 41, zesde lid Vw | Bij of krachtens amvb bepalen van termijn voor het naar voren brengen van zienswijze over besluit intrekking verblijfsvergunning asiel |
| Art. 55.0a, vierde lid | Bij of krachtens amvb nadere regels stellen over artikel 55.0a (toewijzing geografisch gebied) |
| Art. 106aa, tweede lid | Bij of krachtens amvb regels stellen over overname van en verwerken van biometrische gegevens |
| Art. 2, derde lid Uitvoeringswet EU verordeningen grenzen en veiligheid | Bij amvb aanwijzen van autoriteiten, organisaties of deskundigen |
| Art. 6, tweede lid Wav | Bij amvb bepalen van gevallen waarin werkgever burgerservicenummer kan gebruiken |
Uitvoeringsgevolgen voor de rechtspraak
De leden van de commissie constateren dat de gevolgen voor rechtsprekende instanties een aandachtspunt zijn bij dit wetsvoorstel. Deze leden merken op dat in de memorie van toelichting en het nader rapport meerdere keren wordt benadrukt dat het ministerie met de rechtspraak in gesprek blijft over de uitvoerbaarheid van de maatregelen. Daarbij wordt erkend dat extra financiële middelen op korte termijn het structurele werklast- en capaciteitsprobleem mogelijk niet kunnen oplossen. De beslisnota bij het wetsvoorstel noemt in dit verband de mogelijkheid om wettelijke bepalingen die zien op nationale keuzes separaat in werking te laten treden, maar in het wetsvoorstel wordt geen melding gemaakt van een dergelijk voornemen.
Vraag 4
De leden van de commissie vragen de regering toe te lichten welke concrete bespreekpunten nog voorliggen in het overleg met de rechtspraak en wat de stand van zaken is van deze gesprekken.
Er vindt periodiek overleg plaats met de Raad voor de Rechtspraak waarin de gevolgen die het Asiel- en migratiepact voor de rechtsspraak heeft worden besproken. Concrete bespreekpunten in dat overleg betreffen onder meer de verwachte toename van beroepsprocedures, de implementatietermijnen voor de nieuwe wetgeving en automatische berichtgeving bij inbewaringstelling.
Vraag 5
Hoe beoordeelt de regering de uitvoerbaarheid van het voorstel voor de rechtspraak? Wordt voorzien dat de maatregelen in dit wetsvoorstel ten koste kunnen gaan van de tijdige behandeling van andere (vreemdelingen- of niet-vreemdelingenrechtelijke) zaken? Zo ja, welk type zaken worden daardoor naar verwachting geraakt?
De Raad voor de rechtspraak verwacht vanwege het wetsvoorstel een substantiële stijging van de structurele werklast voor de Rechtspraak. De structurele werklast gaat omhoog omdat het aantal beroepszaken naar verwachting zal toenemen en omdat ook de behandeltijd van beroepszaken zal toenemen. Het onderhavige wetsvoorstel dat uitvoering geeft aan het Asiel- en migratiepact is uitvoerbaar, maar brengt uitvoerings- en financiële gevolgen met zich mee. De regering erkent dat de maatregelen uit dit wetsvoorstel mogelijk andere rechtsgebieden kunnen raken. De rechtspraak zet breed in op de werving van vreemdelingenrechters en gerechtsjuristen. Daarnaast wordt ingezet op extra werving in het strafrecht en familie- en jeugdrecht.
Vraag 6
Overweegt de regering om gebruik te maken van gedifferentieerde inwerkingtreding van onderdelen van dit wetsvoorstel die niet noodzakelijkerwijs uit het Pact voortvloeien? Zo ja, welke onderdelen komen daarvoor in aanmerking? Op basis van welke criteria en in welk stadium wordt dit besluit genomen?
Dat overweegt de regering niet. De samenhang van de maatregelen en het verwachte effect dat daarvan uitgaat, maakt het ook niet opportuun om de inwerkingtreding van onderdelen van het onderhavige wetsvoorstel uit te stellen.
Monitoring en evaluatie
De leden van de commissie constateren dat het wetsvoorstel geen evaluatiebepaling bevat. Gelet op de ingrijpende aard van de wijzigingen en de grote gevolgen voor de uitvoering, achten deze leden het relevant te weten op welke wijze de regering de implementatie beoogt te monitoren en evalueren.
Vraag 7
Is de regering bereid te voorzien in een evaluatie voor de verschillende onderdelen van het wetsvoorstel? Kan de regering daarbij aangeven op welke succesfactoren dan geëvalueerd zal worden?
Het voorliggende wetsvoorstel regelt de uitvoering van de verordeningen en richtlijn van het Europese Asiel- en migratiepact. Het pact schrijft veel regels dwingend voor. Op een aantal punten laat het pact ruimte voor nationale uitvoerings- en implementatiekeuzes binnen de kaders die door de verordeningen en richtlijn worden gesteld. Vanwege het dwingende en integrale kader dat uit het pact voortvloeit heeft de regering vooralsnog geen evaluatie voorzien, omdat de uitvoeringsruimte die het pact aan Nederland laat beperkt is.
Vraag 8
Kan de regering ook ingaan op de vraag of zij het instrument van de invoeringstoets in het geval van onderhavig wetsvoorstel nuttig acht om op relatief korte termijn een beeld te krijgen van de ervaringen en waar nodig te kunnen bijsturen?
Hier past hetzelfde antwoord als op de vorige vraag is gegeven. Vanwege het integrale en dwingende kader dat het Europese Asiel- en migratiepact aan Nederland oplegt en de beperkte uitvoerings- en implementatieruimte die daarmee bestaat is de regering van oordeel dat een invoeringstoets weinig toegevoegde waarde heeft.
Procedureverordening
Geluidsopname persoonlijk onderhoud
De leden van de commissie constateren dat het in de toekomstige asielprocedure verplicht wordt een geluidsopname te maken van het gehoor met de asielzoeker over zijn vluchtmotieven. In de huidige procedure wordt alleen een rapport van het gehoor opgemaakt. Het voorgestelde artikel 83bb Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) voorziet erin dat de opname van het persoonlijk onderhoud als bewijs wordt toegelaten in de beroepsprocedure. In de memorie van toelichting wordt aangegeven dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) momenteel, in overleg met de Raad voor de rechtspraak (Rvdr), onderzoekt via welke IV-voorziening deze opnames toegankelijk kunnen worden gemaakt voor de rechterlijke macht. Daarbij wordt onderkend dat het structureel opnemen, bewaren en in de beroepsfase beschikbaar stellen van (delen van) het persoonlijk onderhoud aanzienlijke inspanningen vergt en extra IV-capaciteit vraagt, zowel bij de IND als bij de rechtspraak.
Vraag 9
De leden van de commissie vragen hoe de regering de uitvoerbaarheidsgevolgen voor de IND en de rechtspraak van de verplichting om het persoonlijk onderhoud structureel op te nemen, te bewaren en in de beroepsfase ter beschikking te stellen beoordeelt.
Het structureel opnemen, bewaren en in beroep beschikbaar stellen van het persoonlijk onderhoud, heeft aanzienlijke uitvoerings- en IV-gevolgen voor zowel de IND als de rechtspraak. Het vereist onder meer voorzieningen voor het maken van opnames, de opslag van omvangrijke geluidsbestanden en het veilig beschikbaar stellen daarvan aan de rechtspraak. De IND treft hiervoor de benodigde voorbereidingen en werkt samen met de Raad voor de rechtspraak aan de ontwikkeling van passende IV-voorzieningen, met als doel deze tijdig operationeel te hebben.
Vraag 10
Wat is de stand van zaken van het onderzoek van de IND in overleg met de Rvdr en hoe wordt de Kamer geïnformeerd over de uitkomst hiervan?
De IND en de Raad voor de rechtspraak voeren overleg met het oog op de implementatie van het Asiel- en migratiepact. De IND sluit onder meer periodiek aan bij het overleg van de informatievoorzieningsorganisatie van de rechtspraak, die verantwoordelijk is voor het beheer en de vernieuwing van de digitale voorzieningen van de Rechtspraak, mede in relatie tot de implementatie van het Pact. Het overleg is erop gericht de samenwerking en informatie-uitwisseling, ook in technisch opzicht, goed te laten verlopen. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de wijze waarop geluidsopnames van het persoonlijk onderhoud in de beroepsprocedure beschikbaar kunnen worden gesteld. De Kamer wordt over de voortgang geïnformeerd via de reguliere rapportages over de implementatie van het pact.
Vraag 11
Verwacht de regering dat rechters en procespartijen in beroepsprocedures vaak geacht zullen worden om de geluidsopnames te beluisteren?
Ook nadat het Asiel- en migratiepact van toepassing is geworden, blijft het schriftelijk verslag van het gehoor de basis voor de besluitvorming door de IND. De geluidsopname zal daarom met name van betekenis zijn in gevallen waarin discussie bestaat over de juistheid of volledigheid van de schriftelijke weergave van het gehoor. Ook in deze gevallen verwacht de regering niet dat de volledige geluidsopname zal worden beluisterd. Gelet op de geldende termijnen en de beschikbare capaciteit ligt gericht en selectief gebruik in de rede.
Vraag 12
Ziet de regering ruimte voor mitigerende maatregelen om te voorkomen dat deze verplichting leidt tot een onevenredige belasting van de capaciteit van de IND en de rechtspraak?
De regering heeft oog voor de uitvoeringsgevolgen die samenhangen met het opnemen en beschikbaar stellen van het persoonlijk onderhoud. Het schriftelijk verslag van het gehoor blijft leidend voor de besluitvorming door de IND. Dit betekent dat geluidsopnames met name worden geraadpleegd in gevallen waarin discussie bestaat over de juistheid of volledigheid van de schriftelijke verslaglegging. Op deze manier wordt beoogd te voorkomen dat deze verplichting leidt tot een onnodige belasting van de capaciteit van zowel de IND als de rechtspraak.
Vraag 13
Staat de verordening het toe om nadere regels te stellen met begrenzing van de gevallen waarin opnames kunnen worden betrokken of nadere procedurele afspraken te maken over het gebruik daarvan?
De functie van het voorgestelde artikel 83bb is vooral om buiten twijfel te stellen dat bij de uitvoering van de Procedureverordening gebruik kan worden gemaakt van de mogelijkheid die artikel 14, vijfde lid, onderdeel a van de Procedureverordening biedt. In die bepaling is voorgeschreven dat wanneer de opname, of de schriftelijke weergave van het persoonlijk onderhoud wordt toegelaten als bewijs de vreemdeling niet in de gelegenheid hoeft te worden gesteld om opmerkingen of ophelderingen te maken bij het verslag, dan wel niet hoeft te bevestigen dat het verslag een correcte weergave is van het onderhoud.
De leden van de commissie constateren dat naast een geluidsopname artikel 14 van de Procedureverordening ook verplicht tot het maken van een verslag van het persoonlijk onderhoud. Volgens de memorie van toelichting blijft de mogelijkheid behouden voor de vreemdeling om in de asielprocedure correcties en aanvullingen in te dienen bij dit verslag.
Vraag 14
Klopt het dat de artikelsgewijze toelichting van artikel 83bb Vw 2000 ten onrechte nog uitgaat van het verval van de mogelijkheid voor aanvullingen en correcties, terwijl de regering voornemens is om deze procedurestap te behouden?
De toelichting van het voorstelde artikel 83bb Vw 2000 sluit woordelijk aan bij artikel 14, vijfde lid, onderdeel a van de Procedureverordening. In zoverre wordt in die toelichting dus niet ten onrechte uitgegaan van het vervallen van de mogelijkheid om correcties en aanvullingen te plegen. Als gevolg van 83bb Vw 2000 is de minister niet verplicht om correcties en aanvullingen toe te staan. De regering heeft evenwel eerder al aangekondigd voornemens te zijn die mogelijkheid wel te bieden. In artikel 3.109 Vb 2000, zoals dat is opgenomen in het Uitvoerings- en implementatiebesluit Asiel- en migratiepact dat inmiddels in internetconsultatie is geweest, wordt als uitvloeisel van dit voornemen dan ook een grondslag gecreëerd voor de minister om te besluiten de vreemdeling wel in de gelegenheid te stellen correcties en aanvullingen te doen. De regering meent evenwel dat het in voorkomende gevallen mogelijk moet zijn om het doen van correcties en aanbevelingen toch niet toe te staan. Daarvan is bijvoorbeeld sprake wanneer het doen van correcties en aanvullingen geen wezenlijke bijdrage levert aan de zorgvuldigheid van de besluitvorming dan wel er belang bestaat bij het spoedig kunnen nemen van een besluit op de aanvraag. De wijze waarop de Minister hieraan toepassing zal geven, zal nader vorm worden gegeven in de Vreemdelingencirculaire 2000. In ieder geval is het voorgestelde artikel 83bb Vw 2000 ook bedoeld voor die gevallen waarin geen correcties en aanvullingen zullen worden toegestaan.
Juridisch advies, counseling, rechtsbijstand
De leden van de commissie lezen dat de IND is gevraagd om met ingang van het Pact de uitvoering van de juridische counseling op zich te nemen. Dit betreft kosteloze juridische ondersteuning in het begin van de procedure. Inhoudelijk advies over individuele zaken is voorbehouden aan de advocatuur vanaf het moment waarop de aanvrager in de gelegenheid wordt gesteld om correcties en aanvullingen te leveren. Deze leden merken op dat de Afdeling aandacht vraagt voor de ruime delegatie ten aanzien van de juridische counseling. De regering geeft daarbij aan dat erkenning, toelating en accreditatie van juridische counselors en organisaties zich bij uitstek lenen voor regeling bij ministeriële regeling. Deze leden constateren dat de regering voornemens is de uitvoering van de juridische counseling te beleggen bij de IND, die tevens beslissingsautoriteit is in de asielprocedure. In de memorie van toelichting wordt benadrukt dat met het voorgestelde artikel 36 Vw 2000 niet wordt beoogd het stelsel van de Wet op de rechtsbijstand en het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 te vervangen. Wel wordt verwezen naar het voornemen uit het Regeerprogramma 2024 om de rechtsbijstand bij asielaanvragen te beperken. In de memorie van toelichting benoemt de regering dat eventuele aanpassing van de rechtsbijstandsregelgeving zal moeten gebeuren in een separaat traject.
Vraag 15
De leden van de commissie vragen de regering toe te lichten op welke wijze de huidige advocatenbijstand in de bestuurlijke fase van de asielprocedure is geregeld.
Op dit moment heeft een asielaanvrager op basis van nationale regelgeving recht op gesubsidieerde rechtsbijstand in de vorm van een advocaat voor de start van de asielprocedure. De Raad voor de Rechtsbijstand koppelt in de meeste gevallen een advocaat aan de procedure van een asielaanvraag. Dit betekent concreet dat de asielzoeker door de advocaat wordt voorbereid op het nader gehoor. Na het nader gehoor bespreekt de advocaat het (verslag van het) gehoor met de asielzoeker en dient waar nodig correcties en aanvullingen in. Als de IND na de indiening van de correcties en aanvullingen voornemens is het asielverzoek af te wijzen, stelt de advocaat een zienswijze op. De uiteindelijke beschikking en eventuele opvolging bespreekt de advocaat na met de asielzoeker.
Vraag 16
Is het mogelijk om voor het aanpassen van de rechtsbijstandregelgeving gebruik te maken van de in dit wetsvoorstel opgenomen delegatiegrondslag aan de minister (de in artikel 36, tweede lid, onderdeel c Vw 2000 genoemde “regels over het uitsluiten of beperken daarvan”) of is daarvoor een wetswijziging nodig?
De grondslag opgenomen in artikel 36, tweede lid, onderdeel c, van de Vw 2000, heeft betrekking op de procedurele regels voor de indiening en het in behandeling nemen van verzoeken om kosteloze juridische counseling en wettelijke vertegenwoordiging, waaronder regels over het uitsluiten of beperken daarvan. De regeling van rechtsbijstand valt niet onder deze grondslag. Rechtsbijstand is vastgelegd in de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) en het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Bvr 2000). In het Bvr 2000 wordt voor de verlening van rechtsbijstand verwezen naar verschillende procedures en procedurestappen, waaronder die opgenomen in de Vw 2000 en het Vb 2000. Aanpassing van het Bvr 2000 is alleen mogelijk door een regeling op hetzelfde regelingsniveau, met inachtneming van eventuele bijzondere procedurevereisten. Voor het Bvr 2000 geldt op grond van artikel 49 van de Wrb een bijzondere voorhangbepaling. Een wijziging van de Bvr 2000 vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan eenieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. Wijziging op grond van de grondslag opgenomen in artikel 36c, tweede lid, onderdeel c van de Vw 2000 is dan ook om die reden niet mogelijk.
Vraag 17
In de memorie van toelichting lezen deze leden dat de regering het advies van de commissie Van Zwol betrekt bij de uitwerking van de Nederlandse inrichting van de verplichtingen rondom juridische counseling (Kamerstuk 19637, nr. 2501). Kan de regering nader toelichten welke punten zij meeneemt uit dit advies?
Het genoemde advies van de Commissie van Zwol benadrukt het belang van een zorgvuldige behandeling van de eerste asielaanvraag, om vertraging in latere procedures te voorkomen. De commissie adviseerde destijds tot het behoud van de rechtsbijstand en onpartijdige informatievoorziening vanaf het begin van de asielprocedure, om te borgen dat de eerste beslissing op een asielverzoek goed is en alle relevante redenen van de asielzoeker voor zijn aanvraag in Nederland zijn meegewogen.
De regering onderschrijft de in het advies benoemde belangen en meent met de gekozen inrichting tot een procedure te zijn gekomen waarin een balans is gevonden tussen het belang van een zorgvuldige en efficiënte asielprocedure enerzijds en een versobering van de nationale invulling naar het Europees minimum anderzijds. De taken van de IND- medewerkers die counseling verlenen, zullen volledig gescheiden zijn van die van de medewerkers die besluiten nemen en gehoren voeren. Het zwaartepunt van counseling zal komen te liggen op de informerende, voorlichtende rol. Deze voorlichting sluit aan bij de huidige praktijk waarin IND-medewerkers al in dagelijks contact staan met asielzoekers, om vragen te beantwoorden en de procedures uit te leggen. Zo blijft ook de onpartijdigheid van de informatievoorziening zoals deze door de IND zal worden verstrekt geborgd.
Het door de Commissie benoemde belang bij een zo volledig mogelijke eerste beslissing op een asielverzoek wordt daarnaast gewaarborgd door het behouden van de mogelijkheid dat in voorkomende gevallen correcties en aanvullingen worden ingediend.
Vraag 18
De leden van de commissie vragen hoe de rol van de IND als beslissingsautoriteit zich verhoudt tot de taak van juridische counseling. Is de regering bekend met andere lidstaten waarin de taken van beslissingsautoriteit en juridische counseling binnen één organisatie zijn verenigd? Hoe wordt geborgd dat juridische counseling door de IND een aparte, rolzuivere voorziening is?
Bij het bepalen van de Nederlandse inrichting ten aanzien van de juridische counseling, is bij de overige lidstaten in vertrouwelijkheid uitgevraagd hoe hun nationale uitwerking van de verordening op dit thema eruit zou komen te zien. Daaruit volgde een verschillend beeld. De aanwijzing van de Europese Commissie dat de beslisautoriteit van een land zelf de counseling onder voorwaarden op zich zou kunnen nemen, heeft een aantal landen – naast Nederland – deze optie doen overwegen. Ook zijn er landen waarin de asieladvocatuur al een rol aan de voorkant had, die de mogelijkheid verkennen om die inrichting te behouden. De meeste landen waren echter nog in een verkennende fase.
De taken van de IND-medewerkers die counseling verlenen, zullen volledig gescheiden zijn van die van de medewerkers die besluiten nemen en gehoren voeren. De counseling is beperkt van aard en richt zich uitsluitend op het verstrekken van algemene informatie over het verloop van de procedure en het beantwoorden van vragen van de asielzoeker daarover. Medewerkers die juridische counseling verzorgen hebben geen toegang tot individuele asieldossiers.
Vraag 19
Heeft de regering andere uitvoerders voor de juridische counseling overwogen en op basis van welke overwegingen is de keuze voor de IND gemaakt?
Een lidstaat mag in de eigen nationale wetgeving bepalen hoe en door wie in de counseling wordt voorzien. Het Asiel- en migratiepact kent meerdere, kortere beslistermijnen en het aanbieden van een mogelijkheid tot het raadplegen van een counselor is een verplichte procedurestap. Door de taken op het gebied van counseling bij de IND te beleggen wordt voorkomen dat de IND afhankelijk wordt van anderen voor de voortgang van de asielprocedure. Juist de IND is in staat om over haar eigen procedures uitleg te geven en asielzoekers te wijzen op wat er van hen wordt verwacht, het belang van volledige verklaringen, maar ook om erop te wijzen waar de asielzoeker verder recht op heeft en wat hij kan verwachten.
Vraag 20
Hoe wordt er omgegaan met asielzoekers die ten tijde van de juridische counseling verzoeken om inhoudelijk advies over hun individuele zaak?
Asielzoekers die tijdens de juridische counseling verzoeken om juridisch advies worden erop gewezen dat juridisch advies beschikbaar is op het moment dat zij gekoppeld zijn aan een asieladvocaat. Die koppeling zal plaatsvinden vlak voordat de IND een asielgehoor gaat afnemen. Het is enkel aan een advocaat voorbehouden om te voorzien in juridisch advies. Juridische counseling houdt volgens de Procedureverordening in dat begeleiding bij en uitleg over de asielprocedure wordt verstrekt. Daarmee is deze counseling vooral van informerende aard
De leden van de commissie vragen naar de verenigbaarheid van de voorgestelde Nederlandse asielprocedure met het recht op een effectief rechtsmiddel zoals geborgd in artikel 13 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Deze leden constateren dat een aantal van de eerdere nationale waarborgen voor effectieve rechtsbescherming (twee gehoren, professionele rechtsbijstand vanaf het begin van de procedure en de mogelijkheid een zienswijze in te dienen in reactie op een voornemen tot afwijzing) wordt beperkt of vervalt met de implementatie van het Asiel- en migratiepact.
Vraag 21
Kan de regering de stapeling van maatregelen met betrekking tot de asielprocedure expliciet toetsen aan artikel 13 van het EVRM?
De regering meent dat ook met de genoemde maatregelen een voldoende zorgvuldige asielprocedure is gewaarborgd. Het gehoor bij de IND zal, net als nu het geval, het belangrijkste moment zijn in de asielprocedure. Daarnaast blijft de mogelijkheid bestaan dat via de gemachtigde correcties en aanvullingen worden ingediend waardoor nog steeds kan worden voorzien in hoor- en wederhoor. Het schrappen van de genoemde procedurele stappen doet dan ook geen afbreuk aan het verdedigingsbeginsel, zoals beschermd door artikel 13 EVRM. Ook de Procedureverordening verplicht niet tot het bieden van kosteloze rechtsbijstand in de bestuurlijke fase van de asielprocedure. De regering kiest er evenwel voor om de asieladvocatuur te handhaven in de asielprocedure, zij het pas nadat de IND het gehoor heeft afgenomen. Het recht op een effectief rechtsmiddel blijft met de voorgestelde maatregelen voldoende geborgd.
Asiel- en migratiebeheerverordening
Versoberde opvang na overdrachtsbesluit
De leden van de commissie merken op dat een asielzoeker op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening het recht op opvangvoorzieningen verliest zodra hij in kennis is gesteld van een overdrachtsbesluit aan een andere lidstaat (‘Dublinclaimanten’). Deze leden constateren dat de wijze waarop onderdak zal worden geboden aan Dublinclaimanten, evenals de mate van versobering van het onderdak, thans nog onderwerp is van nadere uitwerking. Daarbij valt op dat de regering in de memorie van toelichting erkent dat het versoberen van opvangvoorzieningen in de regel leidt tot hogere kosten. In dit kader heeft de VNG gewezen in haar advies over dit wetsvoorstel op het risico van dakloosheid en negatieve consequenties voor de leefbaarheid wanneer Dublinclaimanten geen opvang meer wordt geboden. In de brief van 22 januari 2026 lezen deze leden dat het in kaart brengen van verschillende aspecten rondom de versoberde opvang tijd vraagt en dat de regering streeft naar een realistische en uitvoerbare implementatiestrategie voor het einde van het jaar (Kamerstuk 32317, nr. 992).
Vraag 22
Op welke wijze wordt opvang aan Dublinclaimanten geboden totdat de implementatiestrategie van de “Dublinonderdaklocaties” gereed is? Hoe wordt de Kamer geïnformeerd over de stappen die worden gezet bij de totstandkoming van de implementatiestrategie?
Totdat de implementatiestrategie gereed is worden Dublinclaimanten opgevangen op de nu geldende wijze. Uw kamer zal schriftelijk op de hoogte gehouden worden over de voortgang van de implementatiestrategie.
Vraag 23
Hoe is de regering voornemens te bepalen waar versoberde opvangvoorzieningen voor Dublinclaimanten zullen worden gerealiseerd en welke criteria daarbij worden gehanteerd?
Het COA is momenteel bezig in de vier regio’s meerdere Dublinonderdaklocaties op bestaande azc’s te realiseren waar Dublinclaimanten met een overdrachtsbesluit versoberd onderdak wordt geboden. Deze groep zal waar mogelijk op andere gedeeltes binnen bestaande opvanglocaties onderdak krijgen. Om overdracht van de Dublinclaimanten goed te laten verlopen is het belangrijk dat de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV) en de vreemdelingenpolitie hun werk op deze locaties goed kunnen uitvoeren.
Vraag 24
Welke rol hebben gemeenten bij de besluitvorming over de locatie, schaal en inrichting van deze versoberde opvangvoorzieningen?
Net als bij andere vormen van opvang speelt de gemeente een belangrijke rol in het proces. COA heeft de bevoegdheid tot het plaatsen van asielzoekers in de bestaande azc’s. Zo zijn Dublinclaimanten nu ook al onderdeel van de bezetting. Bij een wijziging van doelgroep dan wel van de voorwaarden zal COA zoals gebruikelijk de betreffende gemeente hierover informeren en indien nodig aanvullende afspraken maken.
Vraag 25
Welke maatregelen treft de regering om te voorkomen dat hierdoor extra druk ontstaat op de openbare orde, zorgvoorzieningen en handhaving?
Het is belangrijk dat op de locaties waar deze Dublinclaimanten verblijven, de veiligheid en leefbaarheid kan worden geborgd. Zo is er een dagelijkse inhuisregistratie van COA, naast de wekelijkse meldplicht van de politie. Daarnaast zullen ook deze asielzoekers begeleid worden in hun vertrekproces en wordt de samenwerking tussen ketenpartners geïntensiveerd.
De bewegingsvrijheid van Dublinclaimanten na het overdrachtsbesluit kan beperkt worden op grond van artikel 56 van de Vreemdelingenwet 2000. Overtreding van de artikel 56-maatregel kan leiden tot vreemdelingenbewaring en in uitzonderlijke situaties uiteindelijk tot een strafrechtelijke afdoening. Een goede samenwerking binnen de lokale driehoek is hiervoor van groot belang.
Vraag 26
Tot hoeveel extra kosten verwacht de regering dat deze vorm van versoberde opvang zal leiden?
De uiteindelijke kosten zijn afhankelijk van de daadwerkelijke invulling en geboden begeleiding op deze locaties. Doordat waar mogelijk gebruik wordt gemaakt van ruimte op bestaande locaties zal dit een dempend effect kunnen hebben op de kosten.
Opvangrichtlijn
Onbenutte beleidsruimte
De leden van de commissie merken op dat de regering in de transponeringstabel bij enkele gevallen van nationale beleidsruimte summier toelicht dat gekozen is om hier geen gebruik van te maken.
Vraag 27
De leden van de commissie vragen wat de motivering is om geen gebruik te maken van de mogelijkheid die artikel 18, tweede alinea van de Opvangrichtlijn biedt om een eigen bijdrage te verzoeken voor taalcursussen en inburgeringscursussen, terwijl dit wel geldt voor beroepsonderwijs.
Op het moment wordt in de asielopvang veel gebruikgemaakt van noodopvanglocaties. Deze locaties beschikken niet allemaal over passende faciliteiten om op een gedegen manier taalles te kunnen bieden. Hierdoor verschilt het taalaanbod per locatie. Daarnaast biedt de Opvangrichtlijn de mogelijkheid voor lidstaten om zelf in te schatten wat zij qua taalles passend achten. Dat maakt het uitvoeringstechnisch te complex om op dit moment een eigen bijdrage voor taalles in te voeren.
Vraag 28
Wat is de motivering van de regering om geen gebruik te maken van de optie die uit artikel 23, tweede lid, eerste alinea, punten e en f van de Opvangrichtlijn volgt om integratiemaatregelen verplicht te stellen?
Op het moment heeft het asielopvang te maken met verschillende uitdagingen. Er is een tekort aan taaldocenten, aan vrijwilligers en er wordt veel gebruik gemaakt van noodopvanglocaties die niet allemaal de juiste faciliteiten hebben om taalles te kunnen geven. Daardoor is het op dit moment helaas nog niet mogelijk om op alle locaties hetzelfde taalaanbod te bieden. Het is daarom niet passend om nu al in te zetten op een verplichting tot het volgen van taallessen en daar gevolgen aan te verbinden voor de asielzoeker indien niet wordt deelgenomen.
Toewijzing geografisch gebied
In het voorgestelde artikel 55.0a Vw 2000 wordt een bevoegdheid geïntroduceerd om asielzoekers toe te wijzen aan een geografisch gebied in het kader van de uitvoering van de herschikte Opvangrichtlijn. De leden van de commissie lezen dat de regering de mogelijkheid wil hebben om hier gebruik van te kunnen maken, eventueel voor asielzoekers afkomstig uit zogenaamde veilige landen van herkomst, maar lezen geen nadere toelichting op dit voornemen.
Vraag 29
In welke situaties is de regering voornemens gebruik te maken van de bevoegdheid om asielzoekers toe te wijzen aan een geografisch gebied? Voor hoeveel asielzoekers beoogt de regering dit instrument in te zetten?
Artikel 55.0a Vw 2000, opgenomen in de onderhavige Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact, betreft de implementatie van artikel 9 van de herschikte Opvangrichtlijn. Ingevolge die bepaling kunnen de lidstaten asielzoekers (alleen) toewijzen aan een geografisch gebied met als doel om te zorgen voor een snelle, efficiënte en effectieve verwerking van hun verzoeken in overeenstemming met de Procedureverordening of voor de geografische spreiding van die verzoekers, rekening houdend met de capaciteit van de betrokken geografische gebieden. Binnen het geografisch gebied kunnen asielzoekers zich vrij bewegen. Om het gebied te kunnen verlaten, dient toestemming te zijn verleend.
Op dit moment heeft gebruikmaking van de bevoegdheid om asielzoekers toe te wijzen aan een geografisch gebied niet de prioriteit, omdat de tijdige invoering van vele andere onderdelen van het Asiel- en migratiepact al veel van de uitvoerende diensten vraagt. Op het moment dat ervaring is opgedaan met de nieuwe asielprocedures en er meer stabiliteit is in de organisatie van de opvang, zal worden bezien of het toewijzen van groepen asielzoekers aan een geografisch gebied nut en noodzaak heeft.
Vraag 30
Aan wat voor omvang en geografische afbakening van een gebied denkt de regering daarbij?
Zoals aangegeven in het antwoord op 29 is een toepassing van deze maatregel niet op de korte termijn voorzien. Uit artikel 8, zesde lid van de herschikte Opvangrichtlijn volgt in ieder geval dat de asielzoekers in het geografische gebied waaraan zij zijn toegewezen, daadwerkelijk toegang moeten hebben tot hun rechten zoals die volgen uit de herschikte Opvangrichtlijn en de procedurele waarborgen in het kader van de procedure voor internationale bescherming. Dat geografische gebied moet voldoende groot zijn, toegang bieden tot de noodzakelijke openbare infrastructuur en het mag de onvervreemdbare sfeer van het privéleven van de verzoekers niet aantasten.
Vraag 31
Welk onderscheid maakt de regering tussen de toepassing van toewijzing aan een geografisch gebied en andere vrijheidsbeperkende maatregelen zoals vreemdelingenbewaring?
De aard en het doel van enerzijds de toewijzing van asielzoekers aan een geografisch gebied en anderzijds het opleggen van een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel verschilt. De toewijzing tot een geografisch gebied heeft met name een procedureel of logistiek doel. De vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen worden onder andere opgelegd indien de openbare orde dit vereist of bij een geïndividualiseerd onderduikrisico. De verschillende gronden voor het opleggen van de vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregel zijn opgenomen in zowel de Vreemdelingenwet 2000 als het Vreemdelingenbesluit 2000.
Vraag 32
Op welke wijze zullen deze gebieden worden aangewezen en wordt hiervoor het gebied rondom bestaande opvangvoorzieningen als uitgangspunt genomen?
Op deze plaats verwijst de regering naar de hiervoor gegeven antwoorden op vraag 29 en 30.
Vraag 33
Op welke wijze beoogt de regering deze besluitvorming vorm te geven en hoe is zij voornemens om het lokaal bestuur en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) te betrekken bij deze aanwijzing?
Over eventuele toekomstige besluitvorming zullen de gemeenten worden geïnformeerd. Gelet op het meer generieke karakter van de maatregel en de reikwijdte van het gebied ligt een betrokkenheid van de individuele gemeente(n) bij de vormgeving van de maatregel echter niet onmiddellijk voor de hand.
Screeningsverordening
Uitvoering screeningsautoriteit
De leden van de commissie constateren dat in het Nationale Implementatieplan de volgende passage is opgenomen: “Als resultaat van het programma herontwerp I&R, is de taakorganisatie Dienst Identificatie en Screening Asielzoekers (DISA) ontstaan die per 1 januari 2025 de I&R werkzaamheden op zich neemt op de asiel aanmeldlocaties” (Kamerstuk 32317, nr. 908). Deze leden begrijpen uit de memorie van toelichting dat de IND dit proces van identificatie en registratie zal uitvoeren met ingang van het Pact. In de IND-analyse van de uitvoerbaarheid van het Pact lezen deze leden daarnaast dat er geen structuur is voor uitwisseling van screeningsformulieren tussen lidstaten.
Vraag 34
De leden van de commissie vragen hoe de regering de uitvoerbaarheid van de screening beoordeelt, gelet op deze organisatorische wijzigingen in korte tijd. Indien er een uitvoeringstoets voor de screeningsprocedure beschikbaar is, kan de regering deze delen met de Kamer? Zo nee, is nog voorzien in een uitvoeringstoets?
In maart stuur ik een voortgangsbrief Asiel- en migratiepact, daarin zal ik ook ingaan op de screening.
Vraag 35
Werkt de regering aan de mogelijkheid om screeningsformulieren uit te wisselen met andere lidstaten om het proces te versnellen? Wat is de status hiervan?
Op Europees niveau is, zowel door de Europese Commissie als door het EU Agentschap voor IT-systemen eu-LISA, niet voorzien in een centrale voorziening waarmee screeningsformulieren tussen lidstaten uitgewisseld kunnen worden. Het Eurodac-systeem zal dus de primaire manier zijn voor lidstaten om te kunnen concluderen of een derdelander al is gescreend in een lidstaat. Daarbij is het goed om te benadrukken dat screening een momentopname blijft, indien een vreemdeling eerder in een andere lidstaat is gescreend kunnen in de tussentijd nieuwe relevante zaken aan de orde zijn.
Daarnaast heeft het screeningsformulier in Nederland als primaire doel om de uitkomsten van de individuele screening samen te vatten. Het is dus met name bedoeld als communicatie richting de betreffende vreemdeling en niet primair bedoeld om te delen met andere lidstaten.
Tegelijkertijd heeft de Europese Commissie lidstaten verzocht om een nationaal contactpunt screening aan te wijzen. Screeningsautoriteiten uit andere lidstaten kunnen dit nationaal contactpunt benaderen voor vragen omtrent screening. Op deze manier kan, waar juridisch mogelijk, bepaalde informatie worden uitgewisseld.
Verwerking van persoonsgegevens door het Toezichtsmechanisme
De leden van de commissie constateren dat het College voor de Rechten van de Mens in reactie op het voorgenomen uitvoeringsbesluit heeft benadrukt dat een expliciete wettelijke verwerkingsgrondslag noodzakelijk is om in het kader van het voorgestelde Toezichtsmechanisme te kunnen voldoen aan de eisen die voortvloeien uit het medisch beroepsgeheim en de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). De regering stelt in de memorie van toelichting dat de Screeningsverordening een toereikende grondslag biedt voor de verwerking van bijzondere persoonsgegevens.
Vraag 36 t/m 38
De leden van de commissie vragen of de in de Screeningsverordening neergelegde grondslag voor de verwerking van (bijzondere) persoonsgegevens naar het oordeel van de regering voldoende specifiek en concreet is om te kunnen voldoen aan de eisen van artikel 6 en artikel 9 AVG, mede gelet op de aard en gevoeligheid van medische gegevens. Hoe weegt de regering de opmerking van het College voor de Rechten van de Mens dat doorbreking van het beroepsgeheim noodzakelijk kan zijn voor de uitvoering van het Toezichtsmechanisme?
an de regering de verhouding duiden tussen het voorgestelde artikel 2hh Vw 2000 en artikel 6, derde lid, van de Wet College voor de Rechten van de Mens waarin is vastgelegd dat het beroepsgeheim niet wordt doorbroken bij de verstrekking van gegevens aan het College voor de Rechten van de Mens?
De verplichtingen die in de Screeningsverordening zijn opgenomen vergen verwerking van (bijzondere) persoonsgegevens. Zonder deze verwerking is de uitvoering van de Screeningsverordening niet mogelijk. Op grond van artikel 6, derde lid, onderdeel a en artikel 9, tweede lid, onderdeel g, van de AVG geldt dat de grondslag voor verwerking ook kan volgen uit Unierecht. De Europese wetgever is onder meer in de overwegingen 1 tot en met 6 van de Screeningsverordening ingegaan op de noodzaak tot het stellen van de regels opgenomen in de Screeningsverordening. De elementen waaruit de screening bestaat staan nauwkeurig beschreven in onder meer artikel 8, vijfde lid, Screeningsverordening onder verwijzing naar verschillende artikelen van de verordening die uitgebreid ingaan op het desbetreffende onderdeel van de screening dat de Screeningsautoriteit dienovereenkomstig moet uitvoeren. Uit deze bepalingen volgt duidelijk dat de uitvoering van deze onderdelen gepaard gaat met de verwerking van (bijzondere) persoonsgegevens. Artikel 9, tweede lid, van de Screeningsverordening legt aan onderdanen van derde landen die onder de screening vallen de verplichting op om de benodigde gegevens, waaronder biometrische gegevens, te verstrekken. Ook ten aanzien van het onafhankelijk toezichtmechanisme geldt dat is vastgelegd in artikel 10 Screeningsverordening dat er toegang wordt verschaft tot onder meer personen en documenten, voor zover die toegang voor het onafhankelijk toezichtmechanisme noodzakelijk is om aan de verplichtingen van artikel 10 te voldoen. De verwerkingsgrondslag voldoet volgens de regering dan ook aan de eisen die de AVG daaraan stelt.
Met betrekking tot de genoemde noodzaak om een bevoegdheid op te nemen om medische dossiers in te kunnen zien en het medisch beroepsgeheim te doorbreken geldt dat het kabinet begrip heeft voor de wens van het College voor de rechten van de mens (CRvdM), maar vooralsnog niet de conclusie te kunnen delen dat het wettelijk doorbreken van het medisch beroepsgeheim ter uitvoering van het onafhankelijk toezichtmechanisme in de Screeningsverordening noodzakelijk en proportioneel is. De screening omvat een voorlopige medische controle om vast te stellen of de betrokken onderdaan van een derde land gezondheidszorg nodig heeft, of geïsoleerd moet worden. Weliswaar heeft het onafhankelijk toezichtmechanisme betrekking op alle activiteiten die de lidstaten bij de uitvoering van de screening ondernemen, dus ook de voorlopige medische controle, maar dit vergt nog niet het wettelijk doorbreken van de vertrouwelijkheid tussen arts en patiënt die dient ter bescherming van de patiënt. Dit laat uiteraard de mogelijkheid onverlet dat de vreemdeling toestemming verleent voor het inzien van zijn medisch dossier.
De verhouding tussen de in onderhavig voorstel opgenomen artikelen met betrekking tot het onafhankelijk toezichtmechanisme, waaronder artikel 2hh, en artikel 6, derde lid, Wet CRvdM is dat voor de uitoefening van de taken die het CRvdM in het kader van het onafhankelijk toezichtmechanisme heeft, wordt aangeknoopt bij de taken en bevoegdheden die het CRvdM heeft op basis van die laatstgenoemde wet. De Screeningsverordening stelt namelijk dat onder meer nationale preventiemechanismen opgericht uit hoofde van het facultatief protocol bij het VN-Verdrag van 1984 tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (het “OPCAT”) deelnemen aan het onafhankelijk toezichtmechanisme. Dit nationale preventiemechanisme is in Nederland belegd bij het CRvdM overeenkomstig de Wet College rechten voor de mens.
Vraag 39
De leden van de commissie vragen hoe de regering beoordeelt of bij de verwerking van bijzondere persoonsgegevens daadwerkelijk wordt voldaan aan de aanvullende voorwaarden die artikel 9, tweede lid, onderdeel g, AVG stelt, te weten: dat de verwerking evenredig is in verhouding tot het nagestreefde doel, dat de wezenlijke inhoud van het recht op bescherming van persoonsgegevens wordt geëerbiedigd en dat passende en specifieke maatregelen worden getroffen ter bescherming van de grondrechten en fundamentele belangen van de betrokkene.
Vooropgesteld is van belang te benadrukken dat de Screeningsverordening omschrijft uit welke elementen de screening bestaat en dat uit verschillende bepalingen in de Screeningsverordening duidelijk volgt dat de uitvoering van deze elementen gepaard gaat met de verwerking van bijzondere persoonsgegevens. Ten aanzien van de identiteits- en veiligheidscontrole geldt dat in de artikelen 14 en 15 verwezen is naar het gebruik van Europese informatiesystemen. In deze bepalingen is voorgeschreven dat deze systemen op basis van onder meer biometrische gegevens moet worden geraadpleegd. Uit artikel 17 volgt dat informatie over deze raadpleging op het screeningsformulier moet worden verwerkt. Ten aanzien van die systemen is door de Europese wetgever in verschillende verordeningen bepaald welke gegevens worden ingevoerd voor welk doel en wanneer deze door wie mogen worden geraadpleegd. In de Screeningsverordening zijn verschillende wijzigingen van andere verordeningen opgenomen, waarmee wordt voorzien in de toegang tot die systemen door de screeningsautoriteiten overeenkomstig de regels van de desbetreffende verordening. Een voorbeeld is artikel 21 van de Screeningsverordening, waarmee de EES-verordening wordt gewijzigd. De verwerkingsmogelijkheden zijn dan ook bepaald door de Europese wetgever. Op deze verwerkingen is de AVG in combinatie met de verschillende verordeningen van toepassing. Ingevolge artikel 11 moeten de aan de screening onderworpen personen worden geïnformeerd over hun rechten krachtens de AVG. Voor de controle op de naleving geldt dat de Autoriteit Persoonsgegevens de toezichthouder is. Daarnaast bestaan er op grond van de AVG maar ook op grond van de verschillende verordeningen aanvullende maatregelen om de naleving van de regels te bevorderen zoals de uitvoering van een gegevensbeschermingseffectbeoordeling en de rol van de functionaris voor gegevensbescherming. Tot slot kan nog gewezen worden op artikel 18, zevende lid, waarin is opgenomen dat de op grond van de Screeningsverordening opgeslagen gegevens binnen de in de Eurodac-verordening bepaalde termijnen worden gewist. Naar de mening van de regering wordt dan ook voldaan aan de aanvullende voorwaarden van de AVG.
Vragen naar aanleiding van de in de Tweede Kamer georganiseerde technische briefing en het rondetafelgesprek
De leden van de commissie lezen dat de regering in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel stelt dat de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd niet kan worden gehandhaafd onder het Pact. VluchtelingenWerk Nederland heeft deze maatregel bij het rondetafelgesprek op 12 februari 2026 gekwalificeerd als een voornemen waar het Pact niet toe verplicht.
Vraag 40
Kan de regering nader toelichten of de afschaffing van de asielvergunning voor onbepaalde tijd rechtstreeks voortvloeit uit het Asiel- en migratiepact of een nationale beleidskeuze betreft?
Zodra het Europese Asiel- en migratiepact van toepassing wordt zal een verzoek tot internationale bescherming rechtstreeks aan de voorwaarden in de Kwalificatieverordening moeten worden getoetst. Ook schrijft de Kwalificatieverordening rechtstreeks voor onder welke omstandigheden een verblijfsstatus moet worden ingetrokken. Als een van de omstandigheden uit artikel 14 of 19 van de Kwalificatieverordening zich voordoet, is Nederland verplicht de verblijfsstatus in te trekken. Dat is bijvoorbeeld het geval als de grondslag die aanleiding vormde voor het verlenen van de verblijfsstatus niet langer bestaat. Daarmee gaat de Kwalificatieverordening er dus vanuit dat asielbescherming niet permanent is. De asielvergunning voor onbepaalde tijd zoals die op dit moment bestaat kan slechts in een zeer beperkt aantal gevallen worden ingetrokken. Tot die intrekkingsgronden behoort niet de mogelijkheid dat de omstandigheden die de aanleiding vormden voor verlening niet langer bestaan. De huidige verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd gaat er dus wel vanuit dat asielbescherming permanent is. Hieruit volgt dat met het van toepassing worden van de Kwalificatieverordening de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd niet meer kan bestaan.
De leden van de commissie constateren dat in het wetsvoorstel is opgenomen dat minderjarige vreemdelingen in de regel niet in vreemdelingenbewaring worden gesteld, maar dat dit in uitzonderlijke omstandigheden kan plaatsvinden.
Vraag 41
Kan de regering nader toelichten welke omstandigheden aanleiding kunnen geven voor het in vreemdelingenbewaring stellen van minderjarigen?
De regering verwijst op deze plaats naar de antwoorden op de navolgende vragen 42 en 43, maar benadrukt dat van inbewaringstelling van minderjarigen uitsluitend in zeer uitzonderlijke omstandigheden sprake kan zijn.
Vraag 42
Welke alternatieven worden overwogen voordat wordt overgegaan tot vreemdelingenbewaring van minderjarigen?
Bewaring van minderjarigen is een laatste toevlucht en kan alleen worden toegepast als minder dwingende alternatieve maatregelen niet doeltreffend kunnen worden toegepast en nadat is beoordeeld dat bewaring ook in het belang is van de minderjarige. Alternatieven voor bewaring zijn onder meer een meldplicht, een vrijheidsbeperkende maatregel, een borgsom of het innemen van reisdocumenten. Indien een alternatief niet doeltreffend kan worden toegepast, en een bewaringsmaatregel noodzakelijk is, dan kan nog alleen tot bewaring worden besloten nadat de belangen van de minderjarige kinderen zorgvuldig zijn meegewogen.
Vraag 43
Hoe weegt de regering de stelling van VluchtelingenWerk Nederland dat de detentie van minderjarigen in strijd is met het Kinderrechtenverdrag van de Verenigde Naties (VN)?
Het uitgangspunt van de herschikte Opvangrichtlijn is dat minderjarigen in de regel niet in bewaring worden genomen. De regering onderschrijft dat met de in bewaring neming van minderjarigen zeer terughoudend moet worden omgegaan. Bewaring van minderjarigen is een laatste mogelijkheid en kan alleen worden toegepast als minder dwingende alternatieve maatregelen niet doeltreffend kunnen worden toegepast. Daar komt bij dat van bewaring alleen sprake kan zijn indien dit in het belang van de minderjarige is. Dit is ook expliciet bepaald in artikel 59b, vijfde lid, Vw 2000. Hiermee is dus ook wettelijk gewaarborgd dat het een uitzondering blijft om kinderen in bewaring te stellen. In de uitzonderlijke situatie dat kinderen in bewaring worden gesteld, moet die bewaring altijd zo kort mogelijk zijn. Indien in een concrete situatie aan al deze voorwaarden is voldaan, zal van strijd met het Kinderrechtenverdrag geen sprake zijn.
Inbreng leden van de fracties
Algemeen deel
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van een snelle, volledige en zorgvuldige implementatie en uitvoering van het Pact. Het Pact biedt volgens deze leden voor Nederland en de Europese Unie (EU) de kans om de instroom van asielzoekers significant te verminderen en om de terugkeer van uitgeprocedeerde asielzoekers te bevorderen. Het Pact is daarnaast volgens deze leden een belangrijke stap naar een nieuw asielstelsel waarbij asielaanvragen alleen nog maar buiten de EU kunnen plaatsvinden. Voornoemde leden hebben nog wel een aantal vragen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het van belang dat Nederlandse wetgeving wordt afgestemd op het Europees Asiel- en Migratiepact. Snelle en zorgvuldige procedures aan de buitengrenzen van Europa, solidariteit en het waarborgen van mensenrechten, dragen volgens deze leden bij aan een humaner beleid.
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026) (hierna: het wetsvoorstel) en hebben een aantal opmerkingen en vragen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden danken de regering hiervoor en hopen op een spoedige behandeling van onderhavig wetsvoorstel, zodat de Europese implementatiedeadline van 12 juni 2026 kan worden gehaald. Zij maken graag van de gelegenheid gebruik om vragen te stellen aan de regering over deze Uitvoeringswet.
De leden van de JA21-fractie hebben met veel interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel ter uitvoering en implementatie van het Pact, de memorie van toelichting en de onderliggende verordeningen en richtlijn. Deze leden zijn van mening dat het noodzakelijk is en urgent om de asielmigratie naar Nederland drastisch te beperken, dat opvang in principe in landen in de buurt van de landen van herkomst en buiten de EU moet plaatsvinden en dat de regering daartoe maximaal gebruik dient te maken van de mogelijkheden die de internationale en Europese juridische kaders bieden. Tegelijkertijd spreken deze leden de zorg uit dat de belangrijkste weeffouten van het asielstelsel niet worden opgelost.
Vraag 44
De memorie van toelichting stelt dat het doel van deze wetgeving onder meer is dat Nederland structureel tot de groep landen moet gaan behoren met de strengste toelatingsregels van de EU. Is dat nog altijd het streven van deze regering? Zo ja, kan de regering onderbouwen hoe dat verlangen gestalte heeft gekregen en/of daarvoor aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn?
Het gegeven dat het Europese Asiel- en migratiepact vooral uit rechtstreeks werkende verordeningen bestaat leidt ertoe dat er maar beperkt ruimte is om nationaal zelf iets (afwijkends) te regelen. Daar waar de verordeningen nog wel ruimte laten voor nationale uitvoeringskeuzes, kiest de regering voor een stringente interpretatie van de Unie-regels. Voorbeelden hiervan zijn: de versobering van de asielprocedure, de aanscherping van de voorwaarden voor nareis, het verkorten van de geldigheidsduur van de verblijfstitel, en de verkorting van de beroepstermijnen. De regering acht aanvullende maatregelen dan ook niet noodzakelijk.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen het wetsvoorstel. Hier zijn nog een aantal vragen over.
De leden van de SGP-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij hebben daarover nog enkele vragen.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. De nieuwe Opvangrichtlijn en nieuwe verordeningen vragen om wetswijzigingen. Deze leden maken van de gelegenheid gebruik om hun zorgen te delen en hun vragen aan de regering te stellen.
1. Inleiding
Vraag 45
De leden van de VVD-fractie vragen op welke onderdelen van dit wetsvoorstel de regering kiest voor normen die soepeler zijn dan de Europese minimumnormen die de onderliggende bepalingen uit de desbetreffende richtlijn voorschrijven. Waarom heeft de regering hiervoor gekozen?
Het Pact bestaat uit een aantal verordeningen en een herschikte Opvangrichtlijn. De verordeningen zijn vanaf het moment dat zij van toepassing worden rechtstreeks werkend. Van deze rechtstreeks werkende bepalingen kan niet worden afgeweken door de lidstaten. Dat betekent echter niet dat er geen nationale keuzes meer resteren. Het Pact creëert niet vanzelf in de lidstaten een werkend asiel- en migratiesysteem en het blijft dus van belang dat de lidstaten uitvoering geven aan het Asiel- en migratiepact en aldus een werkend stelsel neerzetten waarin de voorgeschreven rechten en plichten vorm krijgen. Dit betekent dat elke lidstaat een groot aantal operationele keuzes zal kunnen en moeten maken over het eigen nationale systeem. Vragen als welke instelling of organisatie, op welke locatie (en op hoeveel locaties) via welke ict-systemen en met hoeveel personeel hieraan invulling wordt gegeven, zijn goeddeels nationale keuzes, zolang daarmee de rechten en plichten uit het Pact worden nageleefd. Ook de wijze waarop bijvoorbeeld de lidstaten tot voldoende goede opvangvoorziening komen is een nationale keuze. Ondanks de vele verplicht voorgeschreven elementen van het Pact, blijft het dus noodzakelijk dat lidstaten een zeer groot aantal nationale operationele uitvoeringskeuzes maken om tot een werkend asiel- en migratiestelsel te komen. Deze keuzes zijn bedoeld om te komen een effectief en efficiënt migratiestelsel. Op een aantal onderdelen laat het Pact bij de beschrijving van de rechten en plichten expliciet ruimte voor nationale uitvoerings- of implementatiekeuzes. De regering heeft bij de invulling van die keuzeruimte een restrictieve of stringente invulling als uitgangspunt genomen. Datzelfde geldt voor veel van de nadere operationele keuzes die nodig zijn voor de implementatie. Voorbeelden van ruimte binnen het Pact zijn de versobering van de asielprocedure, de aanscherping van de voorwaarden voor nareis, het verkorten van de geldigheidsduur van de verblijfstitel en verkorting van de beroepstermijnen. De regering wijst daarnaast op de wetsvoorstellen Asielnoodmaatregelenwet en invoering Tweestatusstelsel waarmee vooruitlopend op de invoering van het Pact wordt voorgesteld maatregelen te treffen die tot doel hebben de instroom te beperken en de asielketen te ontlasten. De daartoe benutte ruimte betreft ruimte die onder het geldende EU-recht reeds bestaat, maar ook het Asiel- en migratiepact laat ruimte voor deze maatregelen. Daar waar ruimte zit voor een nationale uitvoeringskeuzes naast of binnen de Europese verplichtingen heeft de regering ervoor gekozen deze zo doelmatig en efficiënt mogelijk in te voegen in het Nederlandse systeem. Voorbeeld hiervan is de invulling van juridische counseling en rechtsbijstand, zoals uiteengezet en beargumenteerd in de Kamerbrief van 29 september 2025 (Kamerstukken II 2025/26, 19637, nr. 3479).
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben vragen en opmerkingen bij de manier waarop het Pact in de implementatiewet een nationale invulling heeft gekregen. Deze invulling geeft volgens deze leden duidelijke politieke keuzes aan, die op een aantal punten schuren met principes van solidariteit en internationale mensen-en kinderrechtenverdragen. Het detineren van kinderen is volgens deze leden bewezen schadelijk, onwenselijk en onnodig.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat uit de afgelopen JBZ-Raden bleek dat het solidariteitsprincipe nog niet vanzelfsprekend is en dat een aantal landen – waaronder Nederland – ervoor kiest om de opvangplekken af te kopen in plaats van mensen op te vangen. Een tweetal EU-landen – Hongarije en Slowakije – weigert überhaupt mee te werken aan het solidariteitsmechanisme. In het coalitieakkoord staat op pagina 36: “Zolang de opvangketen in Nederland niet op orde is, vult Nederland het solidariteitsmechanisme financieel in”. Deze leden zijn van mening dat de regering alles op alles moet zetten om de keten dus op orde te brengen, met voldoende investeringen, eerlijke spreiding en zo veel mogelijke kleinschalige en volwaardige opvang. Deze leden zijn ook van mening dat Nederland het solidariteitsprincipe niet zou moeten afkopen.
Vraag 46
Is de regering het eens met de stelling dat het solidariteitsprincipe alleen werkt als zoveel mogelijk landen daaraan bijdragen?
De inzet van de regering is erop gericht dat de balans in het Asiel- en migratiepact tussen verantwoordelijkheid enerzijds en solidariteit anderzijds gewaarborgd moet worden. De regering is het daarom eens met deze stelling. De regering benadruk hierbij wel dat de diverse vormen van solidariteit gelijkwaardig zijn, zoals expliciet in de Asiel- en migratiebeheer-verordening is vastgelegd
Vraag 47
Is de regering het eens met de stelling dat het solidariteitsprincipe alleen werkt wanneer landen die volgens de systematiek geen recht hebben op een korting gezien de ‘significante migratiesituatie’ niet allemaal de relocatie afkopen?
De regering deelt deze stelling niet. Zoals gezegd in het antwoord op vraag 46, is in de Asiel- en migratiebeheerverordening expliciet opgenomen dat alle vormen van solidariteit gelijkwaardig zijn. Als solidariteitsmaatregel op secundair niveau is in die verordening nog opgenomen dat als de herplaatsingstoezeggingen de in die verordening opgenomen minimumdrempels niet halen zogenoemde ‘verantwoordelijkheidscompensaties’ van toepassing worden. Kort gezegd, houden deze compensaties in dat de solidariteit biedende lidstaten de verantwoordelijkheid overnemen van de behandeling van een aantal Dublinzaken. Dat aantal is dan gelijk aan het aantal herplaatsingen indien daarvoor was geopteerd.
Vraag 48
Wanneer is wat de regering betreft de keten op orde en hoe gaat de regering ervoor zorgen dat dit zo snel mogelijk gebeurt?
Belangrijk is dat er sprake is van een stabiele opvangsituatie, een beheersbare instroom, relevant minder achterstanden, doorstroom van statushouders en effectief terugkeerbeleid. Het voorliggende pakket aan maatregelen zet daartoe belangrijke stappen, maar het zal ook tijd vragen om tot die situatie te komen.
Vraag 49
Het Pact is ontworpen om de asielketen in Europa op orde te brengen, maar moet er volgens de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie ook voor zorgen dat de omstandigheden voor mensen die vluchten voor oorlog en geweld verbeteren. Wat is er volgens de regering verbeterd als het gaat om de rechten en levensomstandigheden van mensen die asiel aanvragen? Kan de regering een vergelijking geven van de oude situatie en de nieuwe situatie met het Pact?
In de negen verordeningen en de herschikte richtlijn van het Asiel- en migratiepact zitten meerdere waarborgen ter verwezenlijking van de rechten van individuen. Voorbeelden hiervan zijn: het recht op gratis juridische counseling dan wel rechtsbijstand gedurende de gehele procedure, de snelle toewijzing van een voogd aan een alleenstaande minderjarige asielzoeker, bijzondere aandacht voor kwetsbare groepen, efficiëntere procedures zodat sneller duidelijkheid wordt gegeven aan de asielzoeker. De meerwaarde van het Asiel- en migratiepact is ook dat alle lidstaten dezelfde waarborgen in hun procedures opnemen.
Vraag 50
Tot in hoeverre heeft de regering oog voor onderwijs en andere noodzakelijke faciliteiten voor kinderen, zoals genoeg ruimte en faciliteiten om te spelen in alle verschillende locaties waar kinderen zijn?
Toegang tot onderwijs, alsook toegang tot recreatieve activiteiten en faciliteiten, moet te allen tijde gewaarborgd worden voor kinderen in de asielopvang. Dit is een harde eis die uit de herschikte Opvangrichtlijn volgt. Deze toegang kan momenteel niet op alle locaties waar kinderen verblijven gerealiseerd worden. Om deze reden heeft het COA tussen 16 april en 16 mei 2025 een kwantitatieve verkenning uitgevoerd om zicht te krijgen op de situatie van kinderen in de asielopvang. Deze inventarisatie brengt in kaart in welke mate locaties voldoen aan de diverse standaarden en wettelijke eisen om kinderen op te vangen en wat ervoor nodig is om verbeteringen hierin te realiseren. Hierbij is gekeken naar diverse voorzieningen, waaronder toegang tot onderwijs en zorg, recreatieve activiteiten, speelmogelijkheden. De inventarisatie en de daarbij gevoegde Kamerbrief zijn op 19 september 2025 met uw Kamer gedeeld. In Q2 van 2026 wordt een vervolginventarisatie uitgevoerd om te monitoren hoe eerdere aanbevelingen zijn opgevolgd en op welke locaties verbeterruimte bestaat. Op deze manier zoeken wij samen met het COA, binnen de context van grote capaciteitsproblemen in de asielopvang, continu naar mogelijkheden om de toegang tot voorzieningen voor kinderen op pijl te krijgen en te houden op alle locaties. Daarnaast werken wij samen met het ministerie van OCW aan de opgave om alle kinderen in de asielopvang zo snel als mogelijk, maar uiterlijk binnen de termijn van drie maanden, naar het onderwijs te geleiden.
Vraag 51
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien dat er deels maatregelen dwingend volgen uit het Pact en deels nationale invulling mogelijk is. Gezien de omvang van de aanpassingen die volgen uit het Pact en de impact op de uitvoeringsorganisaties was het wat deze leden betreft beter geweest om prioriteit te geven aan de maatregelen waartoe het Pact verplicht met eventueel in een later stadium verdere inkleuring. Waarom is hier niet voor gekozen?
De samenhang van de maatregelen en het verwachte effect dat daarvan uitgaat, maakt dat de regering het niet opportuun acht om onderdelen later in werking te laten treden dan 12 juni 2026. De druk op het huidige asiel- en opvangstelsel is dermate groot dat de voorliggende aanpassingen zo snel als mogelijk geëffectueerd dienen te worden.
Vraag 52
Kan de regering zo precies mogelijk aangeven waar er binnen de verschillende verordeningen ruimte zit voor nationale invulling, wat de verschillende keuzes waren, welke keuze er is gemaakt en waarom? Denk bijvoorbeeld aan termijn hoger beroep, detentie termijnen en detentie van minderjarigen. Deze leden ontvangen graag een schematische weergave van de gemaakte keuzes bij nationale ruimte. Gelieve hierin het tweestatusstelsel en het afschaffen van een vergunning voor onbepaalde tijd mee te nemen, aangezien de juridische interpretaties uiteenlopen wat betreft de noodzaak van deze maatregelen volgens het Pact. Ook zouden deze leden willen zien hoe Nederland invulling geeft aan deze verschillende onderdelen ten opzichte van andere EU-lidstaten, met name van België, Duitsland, Spanje, Griekenland en Italië. Zij zouden graag in hetzelfde schema duidelijkheid krijgen over welke keuzes deze landen in de nationale invulling maakten.
De regering verwijst naar het antwoord op vraag 45.
Voorts zijn de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie van mening dat met het Pact veel verandert voor de asielketen en de uitvoeringsorganisaties niet onnodig belast moeten worden. De implementatie van het Pact valt in dezelfde periode als twee nationale asielwetten: de Asielnoodmatregelenwet en het tweestatusstelsel. Hierbij hebben deze leden enkele vragen en vragen deze gelieve afzonderlijk te beantwoorden.
Vraag 53
Wat gebeurt er als de Eerste Kamer deze nationale asielwetten niet aanneemt? Kan het migratiepact probleemloos in werking treden?
In dat geval kan het Asiel- en migratiepact probleemloos in werking treden. Daarbij tekent de regering ten overvloede aan dat de maatregelen die zijn opgenomen in het voorstel voor de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel die de asielprocedure wijzigen ook onderdeel zijn van het onderhavige wetsvoorstel.
Vraag 54
Welke onderdelen van de nationale wetten zitten niet in de implementatiewetgeving van het Pact?
Het gaat om de verruiming van de ongewenstverklaring, strafbaarstelling illegaliteit en de afschaffing van de rechterlijke dwangsom. Deze laatste twee maatregelen zijn bij amendement aan de Asielnoodmaatregelenwet toegevoegd. Voor een overzicht van deze maatregelen verwijst de regering naar de Kamerbrief die zij eerder aan uw Kamer zond en waarin twee transponeringstabellen zijn opgenomen die duidelijk maken op welke onderdelen er overlap bestaat tussen het onderhavige wetsvoorstel en de voorstellen voor de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel (Kamerstukken II 2025/26, 32317, nr. 988).
Vraag 55
Is het voor de uitvoeringsorganisaties niet onnodig complex om twee nationale asielwetten in te voeren en het systeem op zeer korte termijn weer op de schop te doen voor het Pact?
De vraag veronderstelt dat de voorstellen voor de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel enerzijds en het Asiel- en migratiepact anderzijds niet met elkaar te verenigen zijn. De regering meent echter dat de twee wetsvoorstellen en het pact logisch in elkaars verlengde liggen. Dat neemt niet weg dat er voortdurend met de uitvoeringsorganisaties wordt gesproken over de implementatie en de betekenis daarvan voor de uitvoering.
Vraag 56.
Het Pact bestaat uit negen verschillende grote onderdelen, die ieder volwaardige wetten hadden kunnen zijn. Waarom is er niet voor gekozen om deze afzonderlijk naar de Kamer te sturen en te behandelen? Is de regering het eens met deze leden dat gezien de complexiteit en de tijdsdruk een opsplitsing van de wetsonderdelen ten goede was gekomen van de zorgvuldigheid van behandeling en implementatie?
De regering deelt dit standpunt niet. Het Europese Asiel- en migratiepact vormt een integraal kader voor de beoordeling van verzoeken om internationale bescherming. Tussen de verschillende onderdelen van het pact bestaat nauwe samenhang. Het pact wordt op 12 juni 2026 van toepassing en wordt daarmee bindend voor Nederland. Daarbij laat het pact maar zeer beperkt uitvoerings- dan wel implementatieruimte voor eigen nationale invullingen. Het zou tot een onnodige dubbeling van procedures leiden als voor alle onderdelen van het pact afzonderlijke wetsvoorstellen zouden zijn opgesteld.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de werklast van de uitvoeringsinstanties met de implementatie van het Pact (en de nationale asielwetten) zal toenemen, bijvoorbeeld omdat de IND ook verantwoordelijk wordt voor de screeningsprocedure. Hierbij hebben deze leden enkele vragen en vragen deze gelieve afzonderlijk te beantwoorden.
Vraag 57 en 58
Welke maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat al deze taken goed kunnen worden uitgevoerd, zonder dat de wachttijden nog verder oplopen? Behalve ‘screening’ zal er binnen de IND nog een nieuwe afdeling moeten worden opgezet: ‘juridische counseling’. Daarbij wordt ook de leeftijdsbeoordeling bij de IND belegd. Is het reëel dat de IND op 12 juni 2026 voldoende capaciteit heeft om al deze taken naar behoren te vervullen?
De IND gaat ervan uit dat voor screening, juridische counseling en leeftijdsbeoordeling voldoende capaciteit beschikbaar is. In de huidige asielprocedure heeft de IND al een rol bij leeftijdsbeoordeling en de IND blijft ook in de nieuwe asielprocedure inzetten op een goede leeftijdsbeoordeling voor vreemdelingen die niet evident minderjarig zijn. Personeel voor zowel screening als juridische counseling wordt voornamelijk intern geworven. Indien nodig zal nieuw personeel of uitzendkrachten geworven worden. Door een andere inrichting van de asielprocedure bijvoorbeeld doordat geen aanmeldgehoren meer worden afgenomen, ontstaat ook capaciteit die elders ingezet kan worden.
Vraag 59
Is het niet efficiënter en effectiever om de juridische counseling te beleggen bij de voorziening die we reeds hebben?
De gekozen inrichting sluit aan bij de ingezette versobering van de Nederlandse asielprocedure door bij de uitvoering en implementatie van het Asiel- en migratiepact aan te sluiten bij de Europese minimumnormen. In de huidige Nederlandse asielprocedure heeft een asielzoeker vanaf de start van zijn asielprocedure recht op kosteloze rechtsbijstand van een advocaat. Onder de Procedureverordening, die per 12 juni 2026 van toepassing wordt, worden lidstaten minimaal verplicht om de asielzoeker vanaf de start van zijn asielprocedure kosteloze onafhankelijke counseling aan te bieden. Dit betekent dat de huidige inrichting meer biedt dan volgens de toekomstige minimumnorm uit het Asiel- en migratiepact verplicht is. Met de gekozen toekomstige inrichting is tot een procedure gekomen waarin een balans is gevonden tussen het belang van een zorgvuldige en efficiënte asielprocedure enerzijds en een versobering van de nationale invulling naar de Europese minimumnorm anderzijds.
Vraag 60
Wat is de verwachte groei in Full-Time Equivalent (fte) voor de IND als gevolg van deze implementatiewet?
De IND kan op dit moment nog geen definitieve inschatting geven van de verwachte groei in fte als gevolg van onderhavige Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact. Daarbij speelt mee dat met name het tweestatusstelsel, en het toetsen van aanvullende voorwaarden bij nareis tot extra werkzaamheden zullen leiden.
De eerste inschatting is dat de totale personele capaciteit voor het behandelen van asielaanvragen, na genoemde eerdere uitbreidingen, ten minste gelijk blijft. Personeel voor de overige nieuwe taken die voortvloeien uit het Asiel- en migratiepact, zoals screening en juridische counseling, zal in beginsel zoveel mogelijk intern worden geworven. Door een andere inrichting van de asielprocedure, bijvoorbeeld doordat geen aanmeldgehoren meer worden afgenomen, ontstaat ook capaciteit die elders ingezet kan worden.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien dat de werklast voor de Rechtspraak vermoedelijk substantieel zal toenemen gezien de kans op beroepen toeneemt en de behandelduur van zaken wordt verkort. Ook de Rvdr benadrukt dit in het advies van februari 2025. Hierbij hebben deze leden enkele vragen en vragen deze gelieve afzonderlijk te beantwoorden.
Vraag 61
Hoe wordt deze druk op de Rechtspraak gemitigeerd?
De Raad voor de rechtspraak heeft onder andere advies uitgebracht over het voorstel voor de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 als ook op de wetsvoorstellen Wet invoering tweestatusstelsel en de Asielnoodmaatregelenwet, omdat deze samenloop hebben met onderhavig wetsvoorstel. In deze adviezen is aangegeven dat deze wetsvoorstellen gevolgen hebben voor de uitvoering, werklast en doorlooptijden van de vreemdelingenrechtspraak bij de rechtbanken. De regering neemt verschillende maatregelen om te voorkomen dat de doorlooptijden en druk bij de rechtbanken verder toenemen. De IND draagt hieraan bij door een snellere besluitvorming in de asielprocedure. Het afschaffen van de voornemenprocedure maakt het mogelijk om eerder een besluit te nemen, waardoor minder beroepen wegens niet-tijdig beslissen worden ingesteld. Daarnaast worden dossiers vroegtijdig gescreend door de directie Juridische Zaken van de IND, zodat gebrekkige besluiten kunnen worden hersteld of ingetrokken voordat zij bij de rechtbank komen. Daarmee wordt onnodige belasting van de rechtspraak voorkomen. De rechtspraak werkt via het programma Tijdige rechtspraak aan het verkorten van doorlooptijden en het vergroten van voorspelbaarheid. Op de langere termijn verwacht de regering echter dat de invoering van het onderhavige wetsvoorstel, samen met het bredere pakket aan maatregelen, leidt tot een substantiële beperking van de asielinstroom en de nareis van gezinsleden waardoor ook de rechtspraak structureel ontlast wordt.
Vraag 62
Klopt het dat deze vergrote druk op de Rechtspraak door kortere termijnen en het schrappen van procedurele stappen niet noodzakelijkerwijs voortvloeit uit het Pact? Waarom is hier dan toch voor gekozen?
Het verkorten van beroepstermijnen en schrappen van enkele procedurele stappen zijn uitvoeringskeuzes die aansluiten bij de ingezette lijn tot verkorting van de asielprocedures en het versoberen hiervan tot de Europese minimumnormen. Zo wordt getracht de uiteindelijke doorstroom in de asielketen te bevorderen.
Vraag 63
Hoe ziet de regering de zorg vanuit de beroepsgroep zelf, die helder aangeeft dat er simpelweg onvoldoende mensen zijn om alle zaken af te handelen?
Er zijn structureel extra middelen beschikbaar gesteld voor de invoering van het Asiel- en migratiepact evenals overigens de voorstellen voor de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel. De regering heeft er vertrouwen in dat deze financiële ruimte voldoende mogelijkheden biedt om de noodzakelijke maatregelen te treffen ter waarborging van de kwaliteit en tijdigheid van de rechtspraak. Tegelijkertijd wordt onderkend dat financiële middelen alleen niet toereikend zijn: de beschikbaarheid van voldoende gekwalificeerd personeel vormt eveneens een belangrijke randvoorwaarde. Door de krapte op de arbeidsmarkt en de beperkte opleidingscapaciteit van rechters kan extra financiering niet altijd direct worden omgezet in extra capaciteit.
De Rechtspraak kan jaarlijks maximaal 140 nieuwe rechters werven en opleiden. Deze instroom is grotendeels bedoeld ter vervanging van uitstromend personeel, met name vanwege pensionering. Tussen 2025 en 2030 wordt de jaarlijkse uitstroom geraamd op circa 100 tot 125 rechters. De opleiding tot rechter duurt, afhankelijk van de werkervaring van de kandidaat, tussen de 1 en 4 jaar. Met deze doorlooptijd is bij de planning van de opleidingscapaciteit rekening gehouden.
De werving van nieuwe rechters vormt een aanzienlijke uitdaging. Het zijinstroombeleid van de Rechtspraak speelt hierin een belangrijke rol. Zijinstromers, veelal ervaren juristen uit andere werkvelden, maken al een substantieel deel uit van de jaarlijkse instroom. Op korte termijn zijn geen wijzigingen in dit beleid voorzien.
De nieuw opgeleide rechters worden binnen de Rechtspraak ingezet op de rechtsgebieden waar de behoefte het grootst is. Dit kan vreemdelingenrecht betreffen, maar ook bijvoorbeeld strafrecht of familie- en jeugdzaken. Tegelijkertijd wordt erkend dat de krapte op de arbeidsmarkt van invloed is op de beschikbaarheid van voldoende gekwalificeerd juridisch personeel, waaronder rechters. De verantwoordelijkheid voor de werving en opleiding ligt bij de Raad voor de Rechtspraak en de opleidingsinstanties binnen de rechterlijke macht.
De uiteindelijke impact van het wetsvoorstel op de werkdruk binnen de Rechtspraak is echter primair afhankelijk van de feitelijke instroom van zaken. Het wetsvoorstel beoogt de asielinstroom te beperken, wat op termijn kan bijdragen aan een meer beheersbare belasting voor zowel de IND als de Rechtspraak.
Vraag 64
Is de regering het met de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie eens dat het gezien de lange wachttijden onverantwoord is om de werkdruk op rechters en juristen te verhogen?
De regering erkent dat de voorgestelde uitvoeringsmaatregelen, zoals het afschaffen van bepaalde procedures en de verscherping van toetsingscriteria, kunnen leiden tot een toegenomen werklast voor de rechtspraak. De invoering van het wetsvoorstel kan in de beginfase tot extra belasting leiden, maar op langere termijn wordt verwacht dat de instroom van zaken afneemt. Daarmee ontstaat ook ruimte voor verlichting van de structurele werklast.
Vraag 65
Wat is de verwachte groei in fte in de Rechtspraak als gevolg van deze implementatiewet? Hoeveel mensen moeten er extra worden opgeleid?
De Raad voor de Rechtspraak stelt in haar position paper voor het rondetafelgesprek over onderhavig wetsvoorstel dat de Uitvoerings- en implementatiewet naar verwachting leidt tot een toename van het aantal zaken, naar schatting — met nog onzekerheidsmarges — oplopend tot circa 19.000 extra zaken per jaar in 2028. De regering beschikt niet over een doorrekening naar het aantal benodigde fte. Dit hangt af van de inrichting van het proces en te realiseren efficiëntieslagen.
Vraag 66
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien dat met de implementatiewet de toegang tot het recht voor asielzoekers (in de bestuurlijke fase) wordt ingeperkt. Deze keuze komt niet noodzakelijkerwijs voort uit het Pact. Deze leden vinden het problematisch dat de rechtspositie van asielzoekers wordt verzwakt. Waarom is hiervoor gekozen?
De regering verwijst op deze plaats naar het antwoord op vraag 17.
Vraag 67
De leden van de CDA-fractie vragen of de uitvoeringsorganisaties in de asielketen voldoende zijn toegerust op de implementatie van het Pact vanaf 12 juni 2026. Zijn er voorziene moeilijkheden of vertragingen in bepaalde delen van de keten, hebben de ketenpartners voldoende capaciteit en zijn de systemen al toegerust op de nieuwe maatregelen?
De Kamer wordt conform de motie Rajkowski/Podt d.d. 11 december 2024 periodiek geïnformeerd over de voortgang van de implementatie in de Nederlandse keten. Verwezen wordt naar de meest recente voortgangsbrief d.d. 22 januari 2026.
Vraag 68
De leden van de CDA-fractie lezen signalen dat de implementatie van het Pact in meerdere Europese lidstaten nog beperkt is voorbereid en dat daarom zorgen bestaan over de uitvoerbaarheid van met name de terugkeerprocedure. Deze leden vragen de regering om hierop te reageren. Klopt het dat de uitwerking van het Pact in andere Europese lidstaten nog beperkt is doorgevoerd, waardoor de implementatiedeadline niet door iedere lidstaat wordt gehaald? Hoe voorkomt de regering dat hierdoor delen van het Pact, zoals de nieuwe terugkeerprocedure, niet volledig kan worden uitgevoerd?
Het is de taak van de Europese Commissie om erop toe te zien dat de lidstaten tijdig de nieuwe Europese regels hebben ingevoerd in hun nationale systemen. De regering zal hier ook alert op zijn en gebreken agenderen indien dit nodig is. De regering hecht daarom ook zeer aan de monitoring die de Europese Commissie uitvoert op de voortgang van de uitvoering en implementatie van het Asiel- en migratiepact. Op basis van deze monitoring kunnen tijdig tekortkomingen, knelpunten en uitdagingen geïdentificeerd en geadresseerd worden. De Commissie publiceert met regelmaat een verslag over de stand van zaken. Uiterlijk in april wordt er weer een verslag verwacht. Dat verslag zal, net als de vorige verslagen, met uw Kamer worden gedeeld.
Vraag 69
De leden van de CDA-fractie vragen wat er gebeurt als de zes maanden detentie aan de buitengrens is verlopen en het thuisland alsnog niet meewerkt aan terugkeer.
Iedere zaak dient op de eigen merites te worden beoordeeld. In het algemeen geldt dat voor het rechtmatig kunnen voortzetten van de bewaringsmaatregel er zicht moet zijn op uitzetting. Als dat zicht op uitzetting er niet meer is, dient de bewaringsmaatregel te worden opgeheven. De betrokken krijgt dan toegang tot het grondgebied, maar blijft uiteraard wel vertrekplichtig.
Vraag 70
In navolging daarop vragen deze leden wat de vervolgprocedure is als een vreemdeling wel formeel teruggestuurd wordt, maar niet terug kan.
Onrechtmatig verblijvende vreemdelingen hebben in de eerste plaats een eigen verantwoordelijkheid te vertrekken uit Nederland en terug te keren naar het land van herkomst. Er kunnen omstandigheden zijn waarin terugkeer (tijdelijk) niet mogelijk blijkt, ondanks dat de vreemdeling er redelijkerwijs alles aan heeft gedaan om hieraan mee te werken. In dergelijke gevallen kan verlening van een buitenschuldvergunning tot de mogelijkheden behoren.
Vraag 71
Ook vragen deze leden of de regering verwacht dat er binnenkort afspraken gemaakt worden tussen Europa en veilige derde landen over de nieuwe terugkeerprocedure.
De regering zet zich ook nu al in om de terugkeersamenwerking te verbeteren, zowel bilateraal, als in EU-verband. De regering zet onder andere in op het ontwikkelen van brede gelijkwaardige en duurzame partnerschappen met voor Nederland belangrijke landen van herkomst- en transit waar samenwerking op het gebied van terugkeer een onderdeel van kan zijn. Ook wordt er zowel in EU, als in Benelux verband, met landen gewerkt aan het sluiten van terug- en overname overeenkomsten (T&O). Op 9 januari 2024 is er bijvoorbeeld een T&O gesloten tussen de Benelux en Mongolië. Ook wordt er met alle relevante derde landen op operationeel niveau gewerkt aan de terugkeersamenwerking. Met deze inzet gaat het kabinet door.
Vraag 72
De leden van de CDA-fractie constateren dat er een verschil is tussen de verblijfstitel en de verblijfsvergunning. De Afdeling benadrukt dit verschil ook, maar de definitie daarvan komt niet helemaal overeen met de bepalingen in de betreffende verordening. Wat is volgens de regering het concrete verschil tussen de verblijfstitel en de verblijfsvergunning?
De verblijfsvergunning is de erkenning van de status van vluchteling of subsidiair beschermde. Op grond van artikel 44, tweede lid Vw 2000 wordt de vergunning verleend met ingang van de dag na de bekendmaking van de beschikking waarin positief is beslist op een aanvraag tot verlening van een verblijfvergunning. De houder van een verblijfsvergunning asiel heeft op grond daarvan onder andere rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder c, Vw 2000. De verblijfstitel is het document waaruit het rechtmatig verblijf blijkt als bedoeld in artikel 9, tweede lid Vw 2000.
Vraag 73
Kan de regering bevestigen dat wanneer een asielzoeker het pasje met de verblijfstitel kwijtraakt, dit niets afdoet aan de bescherming?
Dat klopt. Het pasje is de verblijfstitel waarmee de vreemdeling aantoont rechtmatig in Nederland te mogen verblijven. De internationale beschermingsstatus volgt uit de verblijfsvergunning. Die verliest de vreemdeling pas wanneer deze wordt ingetrokken.
2. Asiel- en migratiepact 2026
2.1 Algemene beschrijving instrumenten Asiel- en migratiepact 2026
Vraag 74
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering van mening is dat, als het Pact goed functioneert, dit zal leiden tot sterke reductie van de komst van asielzoekers naar Nederland, en zo ja, welke. Kan de regering daar een inschatting van maken?
De regering kan bevestigen dat het totale pakket aan maatregelen, waar overigens naar het oordeel van de regering ook de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel onderdeel van zijn, naar verwachting zal leiden tot een relevante daling van de instroom. De regering heeft steeds aangegeven dat de uiteindelijke effecten niet met zekerheid te voorspellen zijn, omdat het aantal op elkaar inwerkende en elkaar soms versterkende factoren daarvoor te groot en deels onvoorspelbaar is. Naast nationale wettelijke en beleidsmatige maatregelen spelen geopolitieke ontwikkelingen een essentiële rol, alsmede ontwikkelingen in andere potentiële bestemmingslanden.
Vraag 75
Klopt het volgens de regering, dat als het Pact werkt zoals beoogd, asielzoekers bijna alleen nog zouden moeten komen via de hervestiging van het solidariteitsmechanisme of via een internationale luchthaven, omdat asielzoekers die via een EU-buitengrens komen dan daar ter plekke de (grens)procedure ingaan? Hoe realistisch acht de regering het dat dit naar behoren gaat functioneren?
Lidstaten zijn verplicht de asielgrensprocedure toe te passen ten aanzien van een aantal expliciet in de Uniewetgeving genoemde categorieën asielzoekers, waaronder degenen die afkomstig zijn uit een land met weinig perspectief op verblijf. Andere categorieën asielzoekers stromen de reguliere landprocedures is. Dus niet van iedere asielzoeker zal het asielverzoek worden beoordeeld in de asielgrensprocedure. Wel dient eenieder die aan de buitengrens wordt aangehouden te worden geregistreerd in de Europese database Eurodac. Geregistreerde asielzoekers die doorreizen naar andere lidstaten, zullen in beginsel worden teruggeleid naar de lidstaat van registratie. Zoals in het antwoord op vraag 74 aangegeven verwacht de regering een relevante daling van de instroom, maar de uiteindelijke effecten zijn niet met zekerheid te voorspellen.
Vraag 76
Als een asielzoeker zich meldt waarvan niet is vastgesteld hoe hij ons land heeft bereikt, zal hij in de regel via een ander EU-land zijn gekomen. Hoe wordt omgegaan met asielzoekers die zich in Nederland melden, behalve via een internationale luchthaven, die nog geen asielverzoek elders hebben gedaan?
Indien voldoende zeker is via welke lidstaat de betreffende asielzoeker de Unie onrechtmatig is ingereisd, is die lidstaat verantwoordelijk voor de behandeling van de in Nederland ingediende aanvraag om asiel. De betreffende lidstaat zal verzocht worden de asielzoeker van Nederland over te nemen.
Vraag 77
De leden van de JA21-fractie vragen of asielzoekers wordt gevraagd welke route ze hebben afgelegd. Geven asielzoekers daarop doorgaans antwoord?
Tijdens de screeningsfase wordt aan iedere asielzoeker gevraagd naar de reisgegevens. Dit is inclusief de landen van doorreis buiten de EU en binnen de EU. In de huidige procedure wordt deze informatie tijdens het aanmeldgehoor gevraagd. Hier wordt doorgaans antwoord op gegeven. Daarbij wordt opgemerkt dat niet alle asielzoekers deze informatie volledig correct (kunnen) geven.
Vraag 78
Als daaruit blijkt dat ze bijvoorbeeld via Griekenland zijn gekomen, maar geen asiel hebben aangevraagd in dat land, worden deze asielzoekers dan gezien als een soort Dublinclaimant en kunnen die worden overgedragen aan de Grieken? Hoe wordt gecontroleerd of landen waar de meeste asielzoekers aankomen, zoals Griekenland, Italië en Spanje, mensen daadwerkelijk identificeren, hun gegevens opslaan en opnemen in de procedure? Ziet Nederland daar zelf op toe, bijvoorbeeld via mensen die Nederland daar naartoe heeft gestuurd of heeft Nederland daarin zelf geen rol?
Uitgangspunt van de Uniewetgeving is dat, bij afwezigheid van familieleden in een lidstaat, de lidstaat waar de asielzoeker de Unie onrechtmatig is binnengekomen, verantwoordelijk is voor de behandeling van het (elders) ingediende asielverzoek. Het is de taak van de Europese Commissie om erop toe te zien dat iedere lidstaat zijn verplichtingen goed nakomt, waaronder de screening en registratie aan de buitengrenzen. Ook het Europese Asielagentschap heeft een monitorende rol. Daarmee is het niet aan Nederland om te controleren of andere lidstaten hun verplichtingen nakomen. Wel kan Nederland indien er aanwijzingen zijn dat een lidstaat zijn verplichtingen niet naleeft dat onder de aandacht van de Europese Commissie brengen.
Vraag 79
Waarom worden er in dit voorstel geen uitvoeringsregels gesteld ten aanzien van de Crisis- en overmacht-verordening (EU) 2024/1359 (hierna: Crisisverordening)? Zijn er andere EU-landen die wel uitvoeringsregels hebben gesteld ten aanzien van deze verordening?
In een in artikel 1, vierde lid van de Crisisverordening beschreven crisissituatie kan er een verzoek worden ingediend bij de Europese Commissie voor solidariteitsmaatregelen. Wanneer daarvan sprake is zal uw Kamer daarover worden geïnformeerd. De regering kan geen uitspraak doen over hoe andere landen met deze verordening zijn omgegaan. Het is op dit moment niet noodzakelijk om wetgeving aan te passen, of nadere uitvoeringsregels te treffen. De Crisisverordening geeft al een kader waaruit blijkt wanneer deze situatie zich voordoet.
Vraag 80
De leden van de JA21-fractie constateren dat de Crisisverordening voorziet in noodmaatregelen bij crisissituaties of instrumentalisering van migratie. Kan de regering uiteenzetten onder welke omstandigheden Nederland een beroep kan doen op deze crisismaatregelen, wie daarover beslist en hoe snel activering kan plaatsvinden?
Indien de regering van oordeel is dat Nederland zich in een crisis- of overmachtssituatie bevindt zoals omschreven in artikel 1, vierde lid Crisisverordening, kan er bij de Europese Commissie een met reden omkleed verzoek ingediend worden waarmee een beroep wordt gedaan op solidariteitsmaatregelen die een goed beheer van de situatie mogelijk maken. Of dit het geval zal zijn, is sterk afhankelijk van de situatie op dat moment, zoals de instroom en capaciteit. De Commissie beoordeelt dit verzoek snel en stelt, indien aan de voorwaarden van artikel 1 wordt voldaan, een uitvoeringsbesluit vast.
Vraag 81
Kan de regering uiteenzetten wanneer zij gebruik wenst te maken van de Crisisverordening?
Zie het antwoord op vraag 80.
Vraag 82
Is de regering bereid een ‘noodrem’-bepaling in de Nederlandse wetgeving op te nemen met aanvullende maatregelen?
Het Pact zelf voorziet in een procedure voor afwijkingen in tijden van nood.
Vraag 83
Welke landen zijn in beeld voor opvang buiten de EU en komen daarvoor in aanmerking?
Het herziene veilig-derde-land-concept, als onderdeel van het Pact, mag toegepast worden als een verzoeker voor internationale bescherming op zijn reis naar de EU door een veilig derde land is gereisd, of als er een overeenkomst of regeling is gesloten met een derde land. Daarnaast moet de verzoeker in het veilig derde land o.a. beschermd zijn tegen refoulement. De regering verkent de mogelijkheid om meer met landen buiten de EU op dit concept samen te werken. Uw Kamer wordt zodra dit passend is zoals gebruikelijk geïnformeerd. Tegelijkertijd wijst de regering op de diplomatieke vertrouwelijkheid van deze gesprekken.
Vraag 84 en 85
De leden van de SGP-fractie vragen de regering uiteen te zetten in hoeverre en op welke onderwerpen de implementatiewet de nationale beleidsruimte op het terrein van asiel en migratie structureel beperkt. De leden van de SGP-fractie vragen de regering aan te geven welke onderdelen van het Pact ruimte laten voor een restrictiever nationaal beleid dan het minimumniveau dat door de EU wordt voorgeschreven. In welke mate kan Nederland in de toekomst zelfstandig instroombeperkende maatregelen trekken zonder in strijd te komen met het Pact?
Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 45.
Vraag 86
De leden van de SGP-fractie vragen de regering in te gaan op de vraag in hoeverre het Pact daadwerkelijk zal leiden tot een daling van de instroom in Nederland. Wat zijn de prognoses op dit punt en waarop zijn deze verwachting gebaseerd?
De regering verwacht dat het totale pakket aan maatregelen naar verwachting leiden tot een relevante daling van de instroom. De regering heeft steeds aangegeven dat de uiteindelijke effecten niet op voorhand te kwantificeren zijn, omdat het aantal op elkaar inwerkende en elkaar soms versterkende factoren daarvoor te groot en deels onvoorspelbaar is. Naast nationale wettelijke en beleidsmatige maatregelen spelen geopolitieke ontwikkelingen een essentiële rol, alsmede ontwikkelingen in andere potentiële bestemmingslanden.
Vraag 87
De leden van de SGP-fractie vragen hoe gaat worden voorkomen dat versnelde grensprocedures in de praktijk alsnog leiden tot langdurig verblijf in Nederland. Welke aanvullende maatregelen heeft de regering achter de hand, mocht hiervan toch sprake zijn?
Als vreemdelingen aan de buitengrens asiel aanvragen en de grensprocedure instromen, wordt hen de toegang tot het Europees grondgebied onthouden. Ook krijgen zij een detentiemaatregel opgelegd waardoor zij geen toegang tot het grondgebied kunnen krijgen gedurende de procedure. Als de aanvraag in de grensprocedure kan worden afgehandeld, ontvangen zij binnen 5 weken een besluit op de aanvraag. Daarna is er nog de mogelijkheid om in beroep te gaan. Als het beroep ongegrond is verklaard, begint de grensterugkeerprocedure. Omdat de vreemdeling nog geen toegang heeft tot het Europees grondgebied, is terugkeer eenvoudiger te realiseren.
Vraag 88
De leden van de SGP-fractie wijzen op de aangenomen moties van het lid Diederik van Dijk die het kabinet opdragen om bij de uitwerking van het Pact bevolkingsdichtheid expliciet mee te wegen bij de bepaling van de Nederlandse solidariteitsbijdrage (Kamerstuk 36410, nr. 87 en Kamerstuk 32316, nr. 898). Welke acties zijn naar aanleiding van deze moties op Europees niveau genomen en welke resultaten zijn er op dit punt geboekt? Blijft de regering ook in de toekomst voortdurend aandacht vragen voor de hoge bevolkingsdichtheid van Nederland? Welke mogelijkheden biedt het Pact om bij de nationale uitwerking factoren als bevolkingsdichtheid mee te wegen, conform genoemde moties?
De bijdrage van elke lidstaat aan de solidariteitspool (fair share) is gebaseerd op het bruto binnenlands product en de bevolkingsomvang. Het meewegen van bevolkingsdichtheid is bij de totstandkoming van de asiel- en migratiebeheerverordening door Nederland meegenomen als factor in de onderhandelingen. Er was op dat moment geen meerderheid voor het opnemen van bevolkingsdichtheid als factor voor het bepalen van het fair share van lidstaten. Een heronderhandeling van de asiel- en migratiebeheerverordening is momenteel niet aan de orde. Wel heeft het kabinet in een brief aan Eurocommissaris Brunner aandacht gevraagd voor de unieke situatie van Nederland als gevolg van de bevolkingsdichtheid en de druk die dit legt op publieke voorzieningen
Vraag 89
De leden van de SGP-fractie vinden dat de verdeelsleutel van de Crisisverordening rekening zou moeten houden met de unieke demografische situatie van Nederland. Deelt de regering de mening dat artikel 78 van het Pact ruimte biedt om een aangepaste verdeelsleutel te hanteren?
Aangenomen wordt dat door de aan het woord zijnde leden wordt gedoeld op artikel 78 (derde lid) van het Werkingsverdrag van de Europese Unie ( VWEU). Die bepaling biedt de Raad een grondslag voor de vaststelling van voorlopige maatregelen ten gunste van de betrokken lidstaat of lidstaten in de situatie dat die lidsta(a)t(en) door een plotselinge toestroom van derdelanders in een noodsituatie terechtkomen. De bepaling strekt niet tot het aanpassen van geldende Uniewetgeving vanwege de demografische situatie in een lidstaat, op voorstel van een lidstaat. Enkel de Commissie kan een voorstel in de zin van artikel 78, (derde lid) VWEU indienen, waarna de Raad na raadpleging van het Europees Parlement besluit.
Vraag 90
Is de regering bereid draagvlak te zoeken voor een gewijzigde verdeelsleutel voor de crisisverordening waarin de bevolkingsdichtheid nadrukkelijk wordt meegewogen?
Ook tijdens de totstandkoming van de Crisisverordening bestond er geen meerderheid voor het opnemen van bevolkingsdichtheid als factor voor het bepalen van de verdeelsleutel. Een heronderhandeling van de Crisisverordening is momenteel niet aan de orde.
Vraag 91
De leden van de SGP-fractie vinden dat de regering gesteld voor de keuze voor financiële bijdrage of herplaatsing de draagkracht en situatie in het Nederlandse opvangsysteem nadrukkelijk moet meewegen. Op dit moment heeft voor hen daarom een financiële bijdrage
de voorkeur boven herplaatsing van asielzoekers naar Nederland. Zij vragen wat de financiële consequenties zijn indien Nederland kiest voor financiële bijdragen in plaats van herplaatsing.
De hoogte van de solidariteitspool 2026 is door de Raad vastgesteld op 21.000 herplaatsingen of 420 miljoen euro. Het fair share van Nederland is 5,2%, wat neerkomt op een financiële bijdrage van 21,9 miljoen euro. Nederland heeft aangegeven financieel te zullen bijdragen. In lijn met het regeerprogramma draagt Nederland financieel bij aan het solidariteitsmechanisme zolang de opvangketen in Nederland niet op orde is. Tegelijkertijd werkt Nederland aan bilaterale afspraken over het inzetten van Dublincompensaties uit het verleden als solidariteitsbijdrage. Dit betekent dat Nederland een vermindering kan krijgen van de financiële bijdrage aan de solidariteitspool. De omvang van deze vermindering is de komende tijd onderdeel van gesprekken met de Europese Commissie.
Vraag 92
In hoeverre is voorzien in ophoging van deze financiële bijdrage over de jaren heen?
De solidariteitspool wordt jaarlijks vastgesteld op basis van hetgeen nodig is om de migratiesituatie in dat komende jaar op evenwichtige en doeltreffende wijze aan te pakken. Wat de jaarlijkse financiële bijdrage zal zijn, is daarom op dit moment nog moeilijk in te schatten. Omdat het voor de cyclus van 2026 slechts een gedeelte van het jaar betrof is de solidariteitspool lager ingezet. In 2027 en de navolgende jaren zal bezien worden wat de kosten in deze jaren worden om op die manier een betere inschatting over de jaren heen te kunnen maken. Uw Kamer wordt op een later moment geïnformeerd over de verdeling van de investeringsenveloppen uit de budgettaire bijlage van het coalitieakkoord waarin ook deze solidariteitsbijdrage is genoemd.
2.2 Uitgangspunten uitvoering en implementatie in nationale regelgeving
Vraag 93
De leden van de VVD-fractie constateren dat de regering ervoor heeft gekozen om de bestaande systematiek van de Vreemdelingenwet 2000 zoveel mogelijk in stand te houden. Wat is volgens de regering de impact hiervan op de uitvoerbaarheid van de implementatiewet? Zorgt deze keuze er volgens de regering voor dat bepaalde facultatieve aanscherpingen uit het Pact niet kunnen worden ingevoerd?
Volgens de regering heeft de keuze om daar waar mogelijk de systematiek van de Vreemdelingenwet 2000 te handhaven geen consequenties voor de uitvoerbaarheid van deze Uitvoerings- en implementatiewet. Deze wordt er eerder door gediend. Ook heeft die keuze niet geleid tot beperkingen van de mogelijkheden bij de uitvoering en implementatie van het Asiel- en migratiepact.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Asielnoodmaatregelenwet en het voorstel voor de Wet invoering tweestatusstelsel, die door de Kamer zijn aanvaard op 3 juli 2025, vormgegeven zijn op basis van de stand van het Unierecht voor het toepasselijk worden van het Pact. Een aantal maatregelen die in deze nationale wetten worden voorgesteld, zijn ook terug te vinden in het Pact.
Vraag 94
Deze leden vragen of er onderdelen in de beide nationale wetten zitten die niet direct in overeenstemming zijn met het Pact, nu het Pact toepasselijk is geworden na het aanvaarden van de asielwetten door de Kamer.
Er zitten in het voorstel voor de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel geen onderdelen die niet verenigbaar zijn met de inhoud van het Asiel- en migratiepact. Wel bevat het voorstel voor de Asielnoodmaatregelenwet onderdelen die niet ook zijn opgenomen in het onderhavige wetsvoorstel. Het gaat in het bijzonder om de verruiming van de ongewenstverklaring, strafbaarstelling illegaliteit en de afschaffing van de rechterlijke dwangsom. Deze laatste twee maatregelen zijn bij amendement aan het voorstel voor de Asielnoodmaatregelenwet toegevoegd. Voor een overzicht van deze maatregelen verwijst de regering naar de Kamerbrief die zij eerder aan uw Kamer zond en waarin twee transponeringstabellen zijn opgenomen die duidelijk maken op welke onderdelen er overlap bestaat tussen het onderhavige wetsvoorstel en de voorstellen voor de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel (Kamerstukken II 2025/26, 32317, nr. 988).
De leden van de CDA-fractie lezen dat volgens de regering een strikte uitleg van het overschrijfverbod, dat van toepassing is op verordeningen, niet past de in de situatie van het asielrecht in onderhavig geval. Het Pact behelst namelijk een omvangrijk pakket aan zowel materiële als procedurele regels. Deze leden begrijpen deze redenering in het kader van een goede aansluiting op de nationale procedurele systematiek.
Vraag 95
Zij vragen wel of de andere lidstaten dezelfde visie hebben over het overschrijfverbod in deze situatie.
De regering is niet bekend met de visie van andere lidstaten over het overschrijfverbod, maar de regering vooronderstelt dat ook voor andere lidstaten zal gelden dat zij nationale regels nodig hebben om te komen tot een werkend nationaal stelsel.
Vraag 96
De leden van de JA21-fractie constateren dat de nationale asielprocedure sterk wordt vereenvoudigd. Hoeveel tijd zal een gemiddeld asielverzoek volgens de reguliere procedure naar verwachting in beslag gaan nemen?
Het streven van de IND is om alle aanvragen binnen de wettelijke beslistermijn af te handelen. Daarbij heeft de versnelde procedure altijd prioriteit, omdat deze een kortere beslistermijn van drie maanden heeft.
Vraag 97
Verwacht de regering dat de vereenvoudiging van de asielprocedure (en andere maatregelen die onderdeel vormen van het Pact) een effect zal sorteren op de inwilligingspercentages? Kan de regering dit toelichten?
Het inwilligingspercentage laat zich niet makkelijk verklaren. De uitkomst van asielaanvragen wordt immers gevormd door een samenhang van allerlei relevante variabelen, zoals de samenstelling van de instroom en de actuele situatie in landen van herkomst. Dit zijn veelal redenen die verband houden met de inhoudelijke merites van een zaak en de caseload van de IND. Het ligt minder voor de hand dat een wijziging in de asielprocedure een effect zal sorteren op de inwilligingspercentages omdat dit geen verband houdt met de redenen voor bescherming.
Vraag 98
Wat zijn de belangrijkste beleidsvelden waar de nieuwe verordeningen nog specifieke ruimte bieden voor nationaal beleid en kan de regering de daarin gemaakte keuzes toelichten?
De regering verwijst naar het antwoord op vraag 45.
Vraag 99
De leden van de JA21-fractie constateren dat de verordeningen ook facultatieve ruimte laten om bepaalde aspecten nationaal in te vullen, zoals het als kennelijk ongegrond of niet-ontvankelijk verklaren van asielverzoeken. Zijn er beleidsvelden of aspecten van deze regelgeving waarbij de regering ervoor heeft gekozen om deze facultatieve ruimte niet te benutten? Kan de regering dit toelichten?
De regering verwijst voor haar antwoord in algemene zin naar het antwoord op vraag 45. Ten aanzien van de afdoening van asielverzoeken als kennelijk ongegrond of niet-ontvankelijk, merkt de regering op dat Nederland de facultatieve ruimte benut die de Procedureverordening op deze onderdelen biedt.
Vraag 100
In welke gevallen kan het besluit worden genomen om verzoeken tot bescherming ongegrond of niet-ontvankelijk te verklaren, volgens de ruimte die de verordening biedt? In hoeverre worden deze gevallen nu opgenomen in de voorliggende wetgeving dan wel de Asielnoodmaatregelenwet?
De asielaanvraag kan volgens de Procedureverordening worden afgewezen als ongegrond, indien de aanvrager op grond van de Kwalificatieverordening niet in aanmerking komt voor internationale bescherming. De wijze van beoordelen van de gegrondheid van het asielverzoek volgt rechtstreeks uit de Kwalificatieverordening. De Procedureverordening bevat voorts een facultatieve bevoegdheid om een verzoek niet-ontvankelijk te verklaren wanneer sprake is van een van de gronden genoemd in artikel 38, eerste lid van die verordening. De regering benut deze ruimte door de bevoegdheid tot niet-ontvankelijkverklaring expliciet te regelen in dit wetsvoorstel. Het voorstel voor de Asielnoodmaatregelenwet bevat een voorgestelde wijziging die een strengere toets aan nieuwe feiten en omstandigheden mogelijk maakt en die de zogenoemde verwijtbaarheidstoets introduceert. Daarmee wordt het eenvoudiger om verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, conform de ruimte die de huidige Asielprocedurerichtlijn biedt.
Vraag 101
De leden van de JA21-fractie constateren dat de regering ervoor kiest om de bestaande wettelijke systematiek zoveel mogelijk in stand te laten, maar benadrukt ook dat de combinatie van verordeningen, richtlijnen en nationale wetgeving het zeer complex en weinig overzichtelijk maakt. Dat is uiteraard zeer onwenselijk. Op welke manier kan de regering ervoor zorgen dat het bestaande juridische kader in zijn totaliteit voldoende helder en inzichtelijk is voor burgers? Welke rol ziet de regering hier nog voor zichzelf weggelegd?
De regering is zich bewust van de complexiteit die door de gelaagdheid van regelgeving ontstaat. Zij heeft dan ook geprobeerd om in de zeer uitvoerige memorie van toelichting de werking van het nieuwe stelsel en de wijze waarop verschillende vormen van regelgeving op elkaar inwerken zo goed mogelijk toe te lichten. Ook het Uitvoerings- en implementatiebesluit Asiel- en migratiepact, waarin het onderhavige wetsvoorstel op het niveau van een algemene maatregel van bestuur verder zal worden uitgewerkt, bevat een uitvoerige en gedetailleerde artikelsgewijze toelichting. De regering heeft getracht zoveel mogelijk bij de bestaande inrichting van het in de Vreemdelingenwet 2000 neergelegde stelsel aan te sluiten, juist om de invoering van het nieuwe stelsel overzichtelijk, toegankelijk en werkbaar te houden. Daarnaast geldt dat het Asiel- en migratiepact voorziet in een systeem waarmee asielzoekers worden voorgelicht over de werking van de procedure. Degenen die werkzaam zijn in de asielketen, waaronder ook rechtshulpverleners, zullen via de geëigende routes hun kennis over de werking van het nieuwe stelsel op pijl brengen.
Vraag 102
De termijnen voor behandeling van het beroep bij de rechter zijn op dit moment gekoppeld aan procedures voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming alsook aan verschillende gronden voor de afdoening van het verzoek, waarbij de regering aangeeft het van belang te vinden die koppeling te behouden om de termijnen “op een heldere manier te regelen”. Kan de regering dat nader toelichten? Waarom is dat de meest heldere manier?
Op grond van de Procedureverordening moeten de lidstaten in hun nationale recht redelijke termijnen vaststellen waarbinnen de rechter moet beslissen op het ingediende beroep. Om de doorwerking van het asielrecht uit het Asiel- en migratiepact in de Nederlandse rechtsorde overzichtelijk, toegankelijk en werkbaar te houden, is het van belang om de huidige systematiek van de Vreemdelingenwet 2000 zoveel mogelijk te behouden. Hieronder valt ook de regeling over de termijnen voor behandeling van het beroep. Het invoeren van een nieuwe regeling waarin andere termijnen worden gekoppeld aan verschillende procedures voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming alsook aan verschillende gronden voor de afdoening van het verzoek, zou weinig overzichtelijk uitpakken.
Vraag 103
Welke ruimte biedt het acquis communautaire om die termijnen te wijzigen?
Verlening van de status als vluchteling of subsidiaire bescherming, het rechtmatig verblijf en de geldigheidsduur worden nu geregeld met de verblijfsvergunning asiel, maar er moet onderscheid worden gemaakt tussen de status en de verblijfstitel.
De norm die uit de Procedureverordening volgt, is dat de termijnen voor de behandeling van een beroep redelijk moeten zijn. Bij het vaststellen van redelijke termijnen moet in acht worden genomen dat verzoekers en personen van wie de internationale bescherming wordt ingetrokken, recht hebben op een doeltreffende voorziening in rechte bij een rechterlijke instantie overeenkomstig artikel 47 van het Handvest. Daarnaast is van belang dat de behandeling van een beroep adequaat en volledig moet kunnen plaatsvinden, en dat de rechterlijke instantie de beslissingen moet onderzoeken overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen van hoofdstuk II van de Procedureverordening inzake de beroepsprocedure. Met de huidige regeling in de Vreemdelingenwet 2000 zijn de termijnen voor behandeling van het beroep redelijk als bedoeld in de Procedureverordening.
Vraag 104
Wat gebeurt er als de geldigheidsduur van de verblijfstitel verloopt, maar niet is vastgesteld dat dat de status van bescherming ook kan worden beëindigd? Hoe vaak is de verwachting dat dit na inwerkingtreding van het pact zal voorkomen?
De verblijfstitel is het verblijfsdocument waaruit het rechtmatig verblijf blijkt in de zin van artikel 9 Vw 2000. Aan de verblijfstitel is een geldigheidsduur gekoppeld. De geldigheidsduur van de verblijfstitel dient steeds na drie jaar te worden verlengd. Daarnaast is de verblijfsvergunning asiel de status waarmee de vreemdeling wordt erkend als vluchteling of als subsidiair beschermde. Aan de verblijfsvergunning asiel is geen geldigheidsduur gekoppeld. De verblijfsvergunning asiel bestaat totdat deze met een besluit wordt ingetrokken overeenkomstig de regels voor intrekking van internationale bescherming uit de Kwalificatieverordening. Het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfstitel leidt dan ook niet tot verlies van het verblijfsrecht en de daarmee samenhangende rechten.
Vraag 105
De leden van de JA21-fractie constateren dat met het behoud van de wettelijke afdoeningsgronden ook de aansluiting op de bepalingen in de Vw 2000 van toepassing blijft, waaronder de schorsende werking van het beroep. Bij welke vormen van hoger beroep tegen welke besluiten geldt een schorsende werking en bij welke niet? In hoeverre verplicht het Europese recht de schorsende werking?
Hoger beroep heeft ingevolge de Procedureverordening geen schorsende werking. De Procedureverordening en de Asiel- en migratiebeheerverordening bevatten een uitputtend kader voor de schorsende werking van het beroep in eerste aanleg. De hoofdregel die is opgenomen in artikel 68, eerste en tweede lid van de Procedureverordening is dat het beroep in een asielzaak schorsende werking heeft. Op deze hoofdregel gelden een aantal uitzonderingen, die zijn opgenomen in artikel 68, derde lid Procedureverordening, in welk geval de rechter op grond van 8:81 Awb kan worden verzocht een voorlopige voorziening te treffen zodat de uitkomst van de procedure alsnog in Nederland kan worden afgewacht, dit volgt uit artikel 68, vierde lid, Procedureverordening.
Vraag 106
De leden van de SGP-fractie vragen of is voorzien in een voorhang- of nahangprocedure bij Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) op grond van deze wet. Zo ja, op welke onderdelen? Zo nee, waarom niet?
Het wetsvoorstel voorziet niet in een voorhang of een nahangprocedure. Op een aantal onderdelen bevat het onderhavige wetvoorstel een grondslag om nadere regels te stellen bij algemene maatregel van bestuur (verwezen zij naar het antwoord op vraag 2). Voor zover van die grondslagen gebruik wordt gemaakt zal die uitwerking plaatsvinden in het Vreemdelingenbesluit 2000. Voor wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 is ook op dit moment geen voor- of nahangprocedure voorgeschreven. Dit sluit aan bij het algemene wetgevingsbeleid om zeer terughoudend te zijn met voor- of nahangprocedure. De regering heeft geen aanleiding gezien om van dit uitgangspunt af te wijken.
3. Terugkeer in het Asiel- en migratiepact
3.1 Relevantie Terugkeerrichtlijn
Vraag 107
De leden van de VVD-fractie constateren dat de Terugkeerverordening nog geen onderdeel is van dit wetsvoorstel omdat het Europese wetgevingstraject hiervoor nog niet is afgerond. Verwacht de regering dat, in lijn met de wens van de Europese Commissie, de Terugkeerverordening alsnog tegelijk met het Pact wordt geïmplementeerd?
Over de Terugkeerverordening is nog geen akkoord bereikt tussen de Unie-wetgevers. Op 9 maart heeft het Europees parlement positie ingenomen, waarna besprekingen tussen de Raad, het Europees Parlement en de Europese Commissie (de zogenaamde triloog) kunnen starten. De regering zet in op een spoedige afronding van de onderhandelingen, zodat de implementatie van de verordening zo snel mogelijk kan starten.
Vraag 108
Verwacht de regering voorts dat voor een volledige implementatie van deze verordening een supplementair wetsvoorstel opgesteld dient te worden?
Op dit moment wordt er nog over de inhoud van de Terugkeerverordening onderhandeld. Voor zover het nodig zal zijn om ter uitvoering van die verordening nadere regels te stellen, dan is de enige mogelijkheid die daarvoor bestaat een wetstraject te initiëren.
Vraag 109
De leden van de JA21-fractie vragen of de automatische schorsende werking van beroep tegen terugkeerbesluiten wordt beperkt tot gevallen waarin een reëel risico op schending van het non-refoulementbeginsel bestaat.
Over de Terugkeerverordening is nog geen akkoord bereikt tussen de Unie-wetgevers, hierover vinden nog onderhandelingen plaats. In het voorstel van de Commissie voor een Terugkeerverordening is geregeld dat alle terugkeerbesluiten, inreisverboden en verwijderingsbesluiten automatisch schorsende werking hebben gedurende de beroepstermijn. In het Commissievoorstel is automatisch schorsende werking van beroep dus niet beperkt tot terugkeerbesluiten waarbij een reëel risico op schending van het non-refoulementbeginsel bestaat. In de Raadspositie die eind 2025 is vastgesteld is de bepaling omtrent schorsende werking gewijzigd waardoor automatisch schorsende werking niet langer een standaardgegeven is. Uit de Raadspositie volgt dat schorsende werking ofwel op verzoek kan worden toegekend of ambtshalve en dat het aan de lidstaten zelf is om te bepalen hoe dit wordt ingericht.
Vraag 110
Klopt het dat de verordening daarin meer mogelijkheden biedt? Zo ja waarom wijkt Nederland daarvan af?
Zoals hierboven toegelicht volgt uit de Raadspositie dat schorsende werking ofwel op verzoek kan worden toegekend of ambtshalve en dat het aan de lidstaten zelf is om te bepalen hoe dit wordt ingericht. Op dit moment is het Europese wetgevingstraject nog niet afgerond en is het dus nog niet mogelijk om de Terugkeerverordening op nationaal niveau te implementeren. Nationale keuzes ten behoeve van de implementatie van de Terugkeerverordening zijn daarmee nog niet gemaakt.
Vraag 111
Wat is het huidige terugkeerpercentage van afgewezen asielzoekers uit Nederland, uitgedrukt als percentage van het totaal aantal personen met een vertrekplicht?
DTenV maakt geen onderscheid tussen vreemdelingen met en zonder asielverleden. Van alle vreemdelingen die in 2025 uit de caseload van DTenV zijn vertrokken, betrof 58% aantoonbaar vertrek.
Vraag 112
Wat is de ambitie op dat vlak?
Het uitgangspunt van het Nederlandse terugkeerbeleid is dat alle vertrekplichtige vreemdelingen die kunnen vertrekken, moeten vertrekken uit Nederland. Nederland zet doorlopend langs verschillende sporen in op het realiseren van meer terugkeer. Om meer terugkeer te realiseren worden ook verschillende instrumenten gebruikt, zowel door Nederland zelf, als in EU verband. De regering verwijst in dat kader ook naar de antwoorden hieronder op de opvolgende vragen van de leden van de JA21- fractie.
Vraag 113
Met welke specifieke derde landen worden terugnameovereenkomsten nagestreefd of vernieuwd? Kan de regering per land de stand van zaken vermelden?
Nederland onderhandelt en sluit terug- en overnameovereenkomsten met derde landen doorgaans in Benelux-verband. Daarnaast onderhandelt en sluit ook de EU terug- en overnameovereenkomsten met derde landen. In 2025 heeft Nederland in Benelux-verband terug- en overnameovereenkomsten gesloten met Belize, Kirgizië en Suriname. Daarnaast wordt op dit moment in Benelux-verband met meer dan een tiental derde landen onderhandeld over terug- en overnameovereenkomsten. Deze onderhandelingen zijn in verschillende stadia en er kan nog niet vooruit worden gelopen op de uitkomsten. De EU is op dit moment in een ver gevorderd stadium in de onderhandelingen met Nigeria. Ook onderhandelt de EU met enkele andere landen. Deze onderhandelingen zijn nog niet vergevorderd. Er kan dan ook nog niet vooruit worden gelopen op de uitkomsten.
Vraag 114
Wat is de concrete tijdlijn voor het sluiten van nieuwe terugnameakkoorden?
Dit verschilt erg van onderhandeling tot onderhandeling en is afhankelijk van de opstelling van derde landen. Het onderhandelingsproces over terug- en overnameovereenkomsten heeft zijn eigen dynamiek en kan de ene keer weerbarstig zijn, maar kan de andere keer ook soepel verlopen als de partijen het snel eens kunnen worden over de inhoudelijke bepalingen.
Vraag 115
Met welke landen verwacht de regering binnen twaalf maanden een overeenkomst te bereiken?
Op dit moment kan geen concrete verwachting worden uitgesproken over ondertekening van een nieuwe terug- en overnameovereenkomst door de Benelux met een derde land binnen twaalf maanden. In Benelux-verband worden op dit moment onderhandelingen gevoerd met meer dan een tiental derde landen. Zodra ondertekening in beeld komt zal de Tweede Kamer hierover worden geïnformeerd. Daarnaast is de verwachting dat de EU binnen twaalf maanden een terug- en overnameovereenkomst zal ondertekenen met Nigeria.
Vraag 116
De leden van de JA21-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat uitgeprocedeerden langdurig in Nederland verblijven zonder rechtmatig verblijf, zonder dat feitelijke uitzetting plaatsvindt.
Wanneer vreemdelingen geen recht (meer) hebben om in Nederland te verblijven worden ze vertrekplichtig en moeten zij Nederland verlaten. Nederland zet zich ervoor in om zoveel als mogelijk vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf te laten terugkeren. De meeste vreemdelingen vertrekken zelfstandig, zonder inzet van de overheid. Wanneer vreemdelingen die Nederland moeten verlaten niet zelfstandig vertrekken, komt gedwongen terugkeer in beeld. Verschillende factoren zijn essentieel om gedwongen terugkeer te kunnen realiseren. Zo moeten de vreemdelingen in beeld zijn bij de Nederlandse autoriteiten. Om vreemdelingen in beeld te houden kan in sommige gevallen gebruik worden gemaakt van vreemdelingenbewaring. In 2025 is het aantal plekken voor vreemdelingenbewaring uitgebreid. Een andere belangrijke factor bij het kunnen realiseren van gedwongen terugkeer is de medewerking van derde landen. Als een vreemdeling geen reisdocumenten heeft dan kan een derde land, naar welke de vreemdeling terug moet keren, vervangende reisdocumenten afgeven. Goede terugkeersamenwerking met derde landen is daarom essentieel. Om terugkeersamenwerking met derde landen te versterken, worden verschillende instrumenten ingezet, zowel door Nederland zelf, als in EU verband. Zo sluiten Nederland en de EU terug- en overnameovereenkomsten met derde landen. Daarnaast ontwikkelt Nederland brede gelijkwaardige en duurzame partnerschappen met voor Nederland belangrijke landen van herkomst- en transit waar samenwerking op het gebied van terugkeer een onderdeel van kan zijn. Om de terugkeersamenwerking met derde landen te verbeteren zet Nederland ook in op maatregelen in EU-verband. Denk hierbij aan de mogelijkheid om negatieve visummaatregelen te nemen tegen derde landen onder artikel 25bis van de Visumcode.
In Europa heeft Nederland de laatste jaren verder aangedrongen op de herziening van de Terugkeerrichtlijn om zo de terugkeerprocedure te versimpelen, administratieve lasten te verminderen, te zorgen voor een eenvoudiger en efficiënter Europees terugkeerproces en mogelijkheden te creëren voor innovatieve oplossingen, bijvoorbeeld terugkeer- en transithubs. De Europese Commissie heeft op 11 maart 2025 een voorstel voor een nieuwe terugkeerverordening gepresenteerd, ter vervanging van de huidige richtlijn. In de EU worden onderhandelingen gevoerd over de uiteindelijke tekst van de terugkeerverordening.
Vraag 117
Wat is de gemiddelde duur tussen definitieve afwijzing en daadwerkelijk vertrek en met welke concrete maatregelen wordt deze termijn verkort?
Het is niet mogelijk om een valide uitspraak te doen over een gemiddelde duur. De tijd tussen definitieve afwijzing en daadwerkelijk vertrek kent grote onderlinge verschillen, afhankelijk van het procedurele verloop en de individuele situatie. De tijd die gemoeid is met het daadwerkelijk vertrek is in belangrijke mate afhankelijk van de opstelling van de vreemdeling. In eerste instantie wordt altijd ingezet op vrijwillig vertrek. Voor de meeste herkomstlanden geldt dat vrijwillig vertrek relatief snel kan worden geeffectueerd. Het kan echter voorkomen dat bij ontbreken van documenten identiteitsvaststelling door het herkomstland wat langer duurt. Wanneer ingezet moet worden op gedwongen vertrek ontstaat er een nog grotere variëteit in de doorlooptijden, afhankelijk van de mate van medewerking van landen van herkomst. Een omvangrijk deel van de vertrekplichtige vreemdelingen vertrekt zonder toezicht, zonder dat daarbij vast te stellen is waarheen zij zijn vertrokken. Bij deze categorie kan nog lastiger duiding worden gegeven over de termijn tussen afwijzing en daadwerkelijk vertrek. In hoofdlijn veranderen de instrumenten van het Asiel- en migratiepact de bovenbeschreven afhankelijkheden niet. Op dit moment wordt, zoals uw Kamer bekend is, gewerkt aan een nieuwe Terugkeerverordening. Aanpassingen daarin kunnen mogelijk wel directe invloed hebben op dit vraagstuk.
Vraag 118
Het functioneren van de grensprocedure, waarbij asielzoekers van wie de aanvraag wordt afgewezen niet worden toegelaten tot het grondgebied, is, met name in landen als Italië en Griekenland, van groot belang voor de werking van het Pact. Beschikken deze landen volgens de regering over voldoende capaciteit hiertoe?
Specifiek voor de asielgrensprocedure heeft de Europese Commissie voor elke EU-lidstaat de ‘passende (of toereikende) capaciteit’ berekend. Dit is de capaciteit voor opvang en personele middelen die alle lidstaten beschikbaar moeten hebben voor asielgrens- en terugkeergrensprocedures. Deze capaciteit dient beschikbaar te zijn als het Asiel- en migratiepact op 12 juni 2026 van toepassing wordt. De Europese Commissie monitort nauwgezet of de EU-lidstaten op schema liggen voor een tijdige implementatie van het Pact, waaronder ook het beschikbaar hebben van de voor hen vastgestelde capaciteit. De Commissie rapporteert hierover periodiek. Het eerstvolgende rapport wordt verwacht in maart/april 2026 en uw Kamer zal hierover, net als over de voorafgaande rapporten, worden geïnformeerd.
Vraag 119
Wat gebeurt er als daar te weinig opvangplekken zijn?
Indien de in het antwoord op vraag 118 omschreven toereikende capaciteit van een lidstaat wordt bereikt, hoeft die lidstaat niet langer grensprocedures uit te voeren, tenzij er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat de verzoeker een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of de openbare orde van de lidstaat. Een lidstaat dient de Europese Commissie te berichten dat deze zijn toereikende capaciteit heeft bereikt.
Uitsluiten toepasselijkheid Terugkeergrensprocedureverordening
Vraag 120
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat indien na 12 weken terugkeer nog niet is gerealiseerd, dat de terugkeerprocedure uit de Terugkeerrichtlijn van toepassing is. Kan de regering nader toelichten wat dit precies inhoudt?
Uit artikel 4, vierde lid, van de Terugkeergrensprocedureverordening volgt inderdaad dat als, na afwijzing van de asielaanvraag in de asielgrensprocedure, na 12 weken de terugkeer nog niet gerealiseerd is de terugkeerprocedure uit de Terugkeerrichtlijn van toepassing is. Dat betekent dat na 12 weken de Terugkeergrensprocedureverordening niet meer van toepassing is. De lidstaat dient vanaf dat moment voor het realiseren van terugkeer de regels uit de Terugkeerrichtlijn te volgen. De regering heeft er echter voor gekozen om zowel de toepassing van de Terugkeergrensprocedureverordening als de Terugkeerrichtlijn grotendeels uit te sluiten bij het realiseren van terugkeer aan de grens van asielzoekers na afwijzing van hun asielaanvraag in de asielgrensprocedure. Dat betekent dat Nederland niet gebonden is aan artikel 4, vierde lid, van de Terugkeergrensprocedure en de terugkeerprocedure uit de Terugkeerrichtlijn niet toepast indien na 12 weken terugkeer nog niet gerealiseerd is.
Vraag 121
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat terugkeerbeslissingen niet eerst via vrijwillig vertrek verlopen, zoals wel in de EU-beginselen staat. Waarom is de optie tot vrijwillig vertrek niet opgenomen in de grensprocedure?
Zoals hierboven toegelicht, heeft de regering ervoor gekozen om de toepassing van de Terugkeergrensprocedure grotendeels uit te sluiten. Dat betekent dat de bepaling in de Terugkeergrensprocedureverordening die betrekking heeft op het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek (artikel 4, vijfde lid) niet van toepassing is. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat, ook al zou artikel 4, vijfde lid, van de Terugkeergrensprocedureverordening wel van toepassing zijn, daaruit eveneens volgt dat geen termijn voor vrijwillig vertrek wordt toegekend aan vreemdelingen indien er een risico op onderduiken bestaat, of indien het verzoek om internationale bescherming in de asielgrensprocedure is afgewezen als kennelijk ongegrond, of indien de vreemdeling een risico vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid van de lidstaten. Bovendien wordt een dergelijke termijn volgens artikel 4, vijfde lid, enkel toegekend op verzoek van de vreemdeling en heeft de vreemdeling gedurende die termijn niet het recht om het grondgebied van de betrokken lidstaat binnen te komen. Dit maakt dat het toekennen van een vrijwillige vertrektermijn aan een vreemdeling wiens asielaanvraag in de asielgrensprocedure is afgewezen en die niet wordt toegelaten tot het grondgebied van de lidstaat, geen vanzelfsprekendheid is, ook indien de Terugkeergrensprocedureverordening wel van toepassing zou zijn.
Vraag 122
De leden van de JA21-fractie constateren dat de regering stelt dat het realiseren van vertrek alleen in uitzonderingsgevallen meer tijd zal kosten dan de genoemde maximale termijnen en uiteraard is het uitgangspunt dat detentie zo kort mogelijk duurt zodat de vreemdeling kan terugkeren. In welke gevallen voorziet de regering dat terugkeer langer dan de zes maanden zal duren en met nog een jaar kan worden verlengd?
Het is niet zo dat de regering voorziet dat terugkeer van vreemdelingen langer dan zes maanden zal duren. Wanneer vertrekplichtige vreemdelingen bereid zijn (mee) te werken aan vertrek, dan is dit in de regel op relatief korte termijn te realiseren. Wanneer personen niet bereid zijn mee te werken aan vertrek dan wel indien zij het vertrekproces frustreren, dan kan dat betekenen dat vertrek niet binnen een termijn van zes maanden kan worden gerealiseerd en verlenging noodzakelijk is.
Vraag 123
Kan de detentie die in deze procedure (als ultimum remedium) tot de mogelijkheden behoort ook worden uitgevoerd buiten Nederland, in een ander EU-land of in een derde land, en onder welke voorwaarden?
Indien de asielaanvraag van een vreemdeling in de asielgrensprocedure is afgewezen, wordt de toegang tot Nederland en het Schengengebied geweigerd. De bewaring die nadien wordt opgelegd ten behoeve van het realiseren van terugkeer vindt plaats in de buurt van de buitengrens, omdat geen sprake is van toegang tot Nederland. Het verblijf in een dergelijke locatie wordt niet beschouwd als verblijf op het grondgebied van Nederland. Dat leidt er evenwel niet toe dat bewaring in een ander EU-land of in een derde land ten uitvoer kan worden gelegd.
Vraag 124
Hoeveel plekken zijn nu beschikbaar voor deze vorm van detentie en voldoen die aan dezelfde kwaliteitsvoorwaarden als bij detentie na strafrechtelijke veroordeling (los van de gezinslocatie in Zeist?), of gelden daarvoor andere voorwaarden?
Binnen Nederland wordt de asielgrensprocedure door de IND afgehandeld op het Aanmeldcentrum van Justitieel Complex Schiphol. Hiertoe zijn 192 geoormerkte plekken beschikbaar. Hierop is het Reglement regime grenslogies van toepassing.
Vraag 125
In welke gevallen wordt een medische escorte ingezet ten behoeve van de uitzetting? Hoe vaak is dit de afgelopen jaren gedaan?
Medische escortering wordt ingezet als door Bureau Medische Advisering (BMA) van de IND is geoordeeld dat de vreemdeling kan reizen onder de (reis-)voorwaarde dat een medische escort wordt ingezet. De vreemdeling kan zelf om een BMA-beoordeling vragen, in het kader van artikel 64 Vw 2000, of in het kader van een beroep op het arrest C.K. (tijdens de Dublin-procedure). Als tijdens de vertrekprocedure of overdracht naar een andere lidstaat blijkt dat sprake is van een medische situatie die mogelijk een beletsel kan zijn om het vertrek uit Nederland te effectueren, kan ook de regievoerder van DTenV een verzoek om een schriftelijk advies aan BMA doen om zo spoedig mogelijk duidelijkheid te krijgen of deze omstandigheid een beletsel vormt om te kunnen reizen.
Bijgaand een overzicht van het totaal aantal definitieve vluchten met medische escorts over de afgelopen jaren. Dit betreft het totaal aantal vluchten met medische escorts, dus zowel voor gedwongen als zelfstandig vertrek met medische escorts. Het is niet mogelijk om hier een onderscheid tussen te maken, nu dat niet wordt geregistreerd.
| Jaar | Aantal definitieve vluchten met medische escort |
|---|---|
| 2022 | 152 |
| 2023 | 142 |
| 2024 | 263 |
| 2025 | 284 |
| 2026 (t/m februari) | 42 |
| Eindtotaal | 883 |
4. Uitvoering Kwalificatieverordening (EU) 2024/1347
4.1 Algemeen
Vraag 126
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regering ervoor kiest deze implementatiewet op 12 juni 2026 in werking te laten treden. Voorwaarden voor gezinshereniging worden in deze wet aangescherpt. Het kan dus zijn dat personen die voor 12 juni wel voldeden aan de voorwaarden voor gezinshereniging dat na 12 juni niet meer doen. Wordt er voor deze gevallen gezorgd voor overgangsrecht?
De regering dankt de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA voor deze vraag. Het wetsvoorstel zal onmiddellijke werking hebben. Dat betekent dat de aangescherpte voorwaarden voor gezinshereniging ook van toepassing zullen zijn op lopende aanvragen. Er is op dit punt niet voorzien in overgangsrecht. In artikel IX van het wetsvoorstel worden een aantal uitzonderingen op het uitgangspunt van onmiddellijke werking gemaakt voor: lopende asielprocedures waarin al een voornemen is uitgebracht; verblijfsvergunningen asiel voor onbepaalde tijd die reeds zijn verleend; verkorte uitspraaktermijnen voor de rechter, zoals opgenomen in het voorgestelde artikel 94 Vw 2000, en ambtshalve rechterlijke toetsing bij de voortduring van bewaring, zoals opgenomen in het nieuwe artikel 96a Vw 2000. Afgezien van het voorgaande heeft de regering aanleiding gezien om zekerheidshalve nog eens goed naar het overgangsrecht te kijken. Dit heeft geleid tot een nota van wijziging die bij deze nota naar aanleiding van het verslag is gevoegd en waarmee een aantal beperkte onderdelen aan het overgangsrecht wordt toegevoegd. Deze onderdelen regelen dat sommige elementen uit de oude procedure van toepassing blijven op de aanvragen die zijn ingediend voor 12 juni 2026. Daarmee beoogt de regering nadrukkelijker recht te doen aan artikel 79, derde lid Procedureverordening, terwijl het uitgangspunt van onmiddellijke werking gehandhaafd blijft.
Vraag 127
Kan de regering onderbouwing geven dat de onmiddellijke werking van de beperkingen ten aanzien van gezinshereniging niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel?
Zowel het rechtszekerheidsbeginsel als het vertrouwensbeginsel zijn geen absolute normen. De regering erkent dat een bestaande wettelijke regeling verwachtingen kan wekken over de wijze waarop een aanvraag zal worden beoordeeld. Tegelijkertijd kunnen dergelijke verwachtingen niet onder alle omstandigheden en onverkort worden gerespecteerd. Bij iedere wetswijziging moet het belang dat gediend is met het respecteren van de bestaande verwachtingen worden afgewogen tegen andere belangen die gediend zijn bij een onmiddellijke werking. Daarbij wijst de regering erop dat het Nederlandse asielsysteem in de huidige vorm onhoudbaar is: de asielopvang zit vol, asielaanvragen kunnen niet tijdig worden verwerkt. Op dit moment bestaan er grote achterstanden. Het onverkort eerbiedigen van bestaande verwachtingen betekent dat de wetswijziging de komende jaren onvoldoende werking zal hebben en de IND lange tijd met twee verschillende naast elkaar bestaande normenstelsels moet werken. Die consequentie acht de regering onwenselijk, ook omdat zij geen recht doet aan de doelstelling die met het onderhavige wetsvoorstel om de asielketen op orde te brengen en de asielprocedure verder te vereenvoudigen.
De leden van de PVV-fractie vragen een nadere toelichting op het onderscheid tussen de status van internationale bescherming en de verblijfstitel op grond waarvan de bezitter van de status legaal op het grondgebied mag blijven. Deze leden lezen in de memorie van toelichting dat het louter verlopen van de geldigheidsduur van de verblijfstitel niet impliceert dat de status eindigt, maar dat daarvoor een formele intrekking is vereist.
Vraag 128
Kan de regering uitleggen waarom een verblijfstitel met een beperkte duur van enkele jaren wordt afgegeven, als het verlopen ervan geen gevolgen heeft voor het rechtmatig verblijf, zolang er geen intrekking plaatsvindt?
De aard van asielbescherming zoals deze voortvloeit uit Europese wetgeving en jurisprudentie is dat deze per definitie tijdelijk is en dat enkel dient te worden voorzien in een asielstatus zolang deze bescherming noodzakelijk is. Met de kortere duur van de geldigheidsduur van de verblijfstitel wil de regering primair het tijdelijke karakter van asielbescherming benadrukken, zoals ook een groot aantal andere lidstaten een kortere duur dan vijf jaar hanteert. De wijziging brengt het Nederlandse asielbeleid daarmee meer in lijn met dat van andere lidstaten, met als doel Nederland niet aantrekkelijker te laten zijn dan andere lidstaten als bestemmingsland.
Vraag 129
De leden van de PVV-fractie vragen of het juist is dat de regering bewust kiest voor een marginale toetsing bij het verlopen van een tijdelijke asielvergunning, waarbij slechts oppervlakkig wordt nagegaan of de grond voor internationale bescherming nog bestaat, zonder dat een volledige herbeoordeling plaatsvindt.
Indien er signalen zijn dat de redenen voor internationale bescherming niet langer aanwezig zijn zal een inhoudelijke beoordeling plaatsvinden. Dit kan bijvoorbeeld zijn op basis van een veranderde situatie in het land van herkomst die heeft geleid tot aangepast landenbeleid of veranderde individuele omstandigheden van de vreemdeling. Tot een dergelijke inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van de verleende bescherming hoeft niet gewacht te worden tot dat de duur van de verblijfstitel is verlopen. De aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfstitel wordt grotendeels marginaal en geautomatiseerd getoetst. Deze werkwijze voor de behandeling van verlengingsaanvragen bestaat reeds in de huidige uitvoeringspraktijk en blijft gehandhaafd.
Vraag 130
De leden van de PVV-fractie vragen of de IND altijd overgaat tot herbeoordeling wanneer een nieuw ambtsbericht wordt gepubliceerd en het landenbeleid wordt aangepast.
Alvorens er overgegaan kan worden tot het herbeoordelen van verleende verblijfsvergunningen zal eerst voldaan moeten worden aan de Unierechtelijke voorwaarden om tot intrekking van een reeds verleende vergunning over te gaan. Concreet betekent dit dat bij veranderde omstandigheden in het land van herkomst beoordeeld wordt of de wijziging van omstandigheden een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft om de gegronde vrees voor vervolging dan wel het reële risico op ernstige schade weg te nemen.
Of dit het geval is hangt af van de context in een bepaald land van herkomst en de ontwikkelingen die plaatsvinden gedurende een verslagperiode. Er kan dus niet zonder meer gesteld worden dat er bij elk ambtsbericht en aanpassing van het landenbeleid overgegaan zal worden tot herbeoordeling.
Vraag 131
In welke gevallen gaat de IND over tot herbeoordeling van een verblijfsvergunning? Hoe vaak is dit in de afgelopen vijf jaar voorgekomen?
Naast de gevallen die genoemd zijn in het antwoord op vraag 130 kan de IND ook in individuele zaken overgaan tot het herbeoordelen van een verblijfsvergunning. Dit kan onder andere naar aanleiding van signalen die wijzen op het komen te vervallen van de grond voor bescherming al dan niet in samenhang met overige zaakgebonden aspecten. In de afgelopen vijf kalenderjaren heeft in 4.670 asielzaken een herbeoordelingsprocedure plaatsgevonden.
Vraag 132
Deze leden vragen voorts om een concrete kwantificering van de effectiviteit van het beleid. Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar een verblijfsvergunning asiel herbeoordeeld?
In de afgelopen vijf kalenderjaren heeft in 4.670 asielzaken een herbeoordelingsprocedure plaatsgevonden.
Vraag 133
In hoeveel van die gevallen is de internationale bescherming vervolgens komen te vervallen?
In de afgelopen vijf kalenderjaren zijn 1.190 asielvergunningen ingetrokken. Dit gaat zowel om vergunningen die zijn verleend op grond van artikel 29, eerste lid (internationale bescherming) als om vergunningen die zijn verleend op grond van artikel 29, tweede lid (gezinsleden van internationaal beschermden).
Vraag 134
In hoeveel van die gevallen is de vreemdeling daadwerkelijk uit Nederland vertrokken?
Om te bepalen hoeveel vreemdelingen van wie de asielvergunning is ingetrokken uit Nederland zijn vertrokken, is een complexe analyse nodig die niet op korte termijn is te realiseren.
Vraag 135
De leden van de JA21-fractie vragen in hoeverre wordt getoetst op artikel 8 van de Verordening over de mogelijkheid tot binnenlandse bescherming en of deze praktijk verandert. De vluchtelingenstatus kan worden ingetrokken op grond van ‘cessation’ of ‘exclusion’ causes of als blijkt dat relevante feiten zijn achtergehouden, verkeerd weergegeven, en/of valse documenten zijn gebruikt.
De toets of binnenlandse bescherming beschikbaar is blijft bestaan ook onder de Kwalificatieverordening. Dit betekent dat als sprake kan zijn van vervolging of geweld altijd ook wordt gekeken of hiertegen de bescherming van de autoriteiten of feitelijke machthebbers in het land van herkomst kan worden ingeroepen. Dit blijft een individuele beoordeling waarbij soms in het landenbeleid voor specifieke groepen wordt aangegeven dat het vragen van bescherming niet mogelijk is. Indien blijkt dat relevante feiten zijn achtergehouden, kan dit voor de IND aanleiding zijn om een herbeoordelingsprocedure op te starten.
Vraag 136
Hoe vaak is de afgelopen vijf jaar een status ingetrokken vanwege het verkeerd weergeven van feiten, het weglaten van feiten, dan wel het tonen van valse documenten, en wanneer werd dat vastgesteld? In welke mate wordt naderhand gecontroleerd op deze feiten en wanneer wordt daartoe besloten? Graag een toelichting.
Sinds 2022 tot en met 2025 zijn 100 asielvergunningen ingetrokken omdat er sprake was van onjuiste gegevens.1 Wanneer de IND signalen ontvangt die een mogelijke aanleiding vormen voor een herbeoordeling, bijvoorbeeld signalen over fraude of onjuiste gegevens, beoordeelt de IND eerst of er sprake is van een intrekkingsgrond. De bewijslast dat er sprake is van een intrekkingsgrond rust bij de IND.
Vraag 137
De leden van de JA21-fractie vragen hoe het recht op repatriëring op grond van Hoofdstuk VI artikel 36 gestalte krijgt. Kan de regering toelichten wat dat behelst en hoe vaak daarvan gebruik wordt gemaakt?
Een statushouder die wenst terug te keren naar zijn land van herkomst is vrij om dat te doen. Indien nodig kan daarbij ondersteuning worden geboden door de Dienst Terugkeer en Vertrek, de Internationale Organisatie voor Migratie of non-gouvernementele organisaties. Deze ondersteuning staat in beginsel ook open voor personen die internationale bescherming hebben. Terugkeer naar het land van herkomst heeft wel consequenties voor het verblijfsrecht in Nederland. Voorwaarde voor de ondersteuning bij terugkeer is wel dat het verblijfsrecht in Nederland wordt opgegeven
Vraag 138
De Kwalificatieverordening en het nationale beleid openbare orde bij verlening en intrekking van asielvergunningen maken het mogelijk om bij bepaalde misdrijven een asielvergunning te weigeren of in te trekken en een inreisverbod op te leggen. Welke ruimte is er op grond van deze wetgeving en de bijbehorende jurisprudentie om te komen tot een uitbreiding van het weigeren en intrekken van de vergunningen? Is het mogelijk om een beleidslijn te hanteren waarin voor asielzoekers en statushouders die zijn veroordeeld voor gewelds- en zedendelicten wordt overgegaan tot intrekking of weigering van de vergunning?
De formulering in de Kwalificatieverordening beoogt een mate van harmonisatie aan te brengen in de uitvoeringspraktijk van de lidstaten. Het is dus uitdrukkelijk niet een bepaling die veel ruimte laat voor extensieve nationale invulling. Daarbij is van belang dat deze bepalingen aansluiten bij de reeds van kracht zijnde Kwalificatierichtlijn op dit punt. De beleidsinzet, zoals ook uiteengezet in de brief aan de Tweede Kamer van 18 december 2024 (Kamerstukken II 2024/25, 19 637, nr. 3327), is en blijft bij veroordelingen in te zetten op verblijfsbeëindiging waar mogelijk. De IND zal vanzelfsprekend daartoe handelen binnen de ruimte die het Pact geeft.
De leden van de BBB-fractie merken op dat een belangrijke wijziging is dat het Nederlandse eenstatusstelsel wordt losgelaten. Waar voorheen iedereen die internationale bescherming kreeg één uniforme asielstatus ontving, wordt nu verplicht onderscheid gemaakt tussen twee afzonderlijke statussen: de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus. De IND moet voortaan expliciet vaststellen welke van deze twee statussen wordt toegekend.
De leden van de BBB-fractie constateren dat, hoewel de verordening rechtstreeks werkt in de lidstaten, de verblijfsvergunning asiel een nationaal besluit blijft. Er ontstaat daarmee een duidelijke scheiding tussen de internationale beschermingsstatus (die voortvloeit uit het Unierecht) en de nationale verblijfstitel. De beschermingsstatus blijft bestaan totdat deze formeel wordt ingetrokken. De verblijfstitel zelf krijgt een geldigheidsduur van drie jaar en kan telkens met drie jaar worden verlengd. De asielvergunning voor onbepaalde tijd wordt afgeschaft. Dit past binnen het uitgangspunt van de verordening dat internationale bescherming in beginsel tijdelijk van aard is. Dat betekent echter niet dat langdurig verblijf onmogelijk wordt: daarvoor blijven andere routes bestaan, zoals de EU-langdurig-ingezetenstatus, een verblijfsrecht op grond van artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) of naturalisatie.
Vraag 139
Hoe voorkomt de regering dat het striktere nareisregime voor subsidiair beschermden volledig wordt uitgehold via procedures op basis van artikel 8 EVRM, waarbij rechters alsnog verblijf afdwingen?
Als niet aan de aanvullende voorwaarden voor nareis bij subsidiair beschermden wordt voldaan, wordt ambtshalve doorgetoetst aan artikel 8 van het EVRM. Bij de ambtshalve toets aan artikel 8 van het EVRM wordt beoordeeld of de afwijzing van de nareisaanvraag tot een schending van artikel 8 van het EVRM leidt. In dat verband wordt een belangenafweging verricht tussen het belang van de vreemdeling tot gezinshereniging en het belang van de Nederlandse staat bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. De regering beschouwt artikel 8 van het EVRM als ondergrens en bij de belangenafweging staan de individuele feiten en omstandigheden centraal. Hoe zwaar die belangen wegen wordt steeds per concreet geval bepaald. In uitzonderlijke gevallen kan de conclusie zijn, al dan niet door tussenkomst van de rechter, dat moeten worden berust in toelating en verblijf in Nederland.
Vraag 140
Kan de regering aangeven hoeveel extra artikel 8 EVRM-procedures zij verwacht?
Hoewel het exacte aantal extra artikel 8 EVRM-procedures lastig te voorspellen is, volgt uit de ex-ante uitvoeringstoets (EAUT) van de IND dat er de komende jaren circa 1.300 tot 1.600 extra losse 8 EVRM aanvragen per jaar verwacht kunnen worden voor niet-kerngezinsleden (ongehuwde partners, meerderjarige kinderen en pleegkinderen). Daarnaast zal bij elke nareisaanvraag van een subsidiair beschermde ambtshalve aan 8 EVRM worden getoetst als niet aan de aanvullende nareisvoorwaarden wordt voldaan. Gelet op de strenge nareisvoorwaarden voor subsidiair beschermden, zal er naar verwachting vrijwel altijd een ambtshalve 8 EVRM beoordeling plaatsvinden.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de verordening ook bepalingen over het verblijf van gezinsleden bevat. Meegereisde gezinsleden behouden hun verblijfsrecht zolang de hoofdpersoon internationale bescherming geniet. Voor nareizende gezinsleden ligt dit genuanceerder en wordt onderscheid gemaakt naar gelang de beschermingsstatus van de hoofdpersoon. In het geval van erkende vluchtelingen blijft de Gezinsherenigingsrichtlijn van toepassing. Dat betekent dat, indien de aanvraag tot gezinshereniging binnen drie maanden na statusverlening wordt ingediend, een relatief gunstig regime geldt zonder zware aanvullende voorwaarden.
De leden van de BBB-fractie merken echter op dat voor subsidiair beschermden de Gezinsherenigingsrichtlijn echter niet geldt. Nederland kiest ervoor aanvragen van deze groep te toetsen aan artikel 8 EVRM, dat het recht op eerbiediging van het gezinsleven beschermt. Binnen de beoordelingsruimte die dit artikel biedt, stelt de wetgever aanvullende voorwaarden. Zo geldt een wachttermijn van twee jaar, wordt een inkomens- en huisvestingseis gesteld en wordt de kring van gerechtigde gezinsleden beperkt tot het kerngezin: de echtgenoot of echtgenote, minderjarige kinderen en – in het geval van een alleenstaande minderjarige – de ouders. Mogelijkheden voor meerderjarige kinderen, ongehuwde partners en pleegkinderen komen daarmee te vervallen. De regering verwacht dat deze aanscherpingen een dempend en vertragend effect zullen hebben op de nareisinstroom en daarmee op de druk op opvangvoorzieningen en andere publieke voorzieningen
4.2 Van een eenstatusstelsel naar een tweestatusstelsel
Vraag 141
De leden van de D66-fractie constateren dat het voorliggende wetsvoorstel, evenals het voorstel voor de Wet invoering tweestatusstelsel en de Asielnoodmaatregelenwet, gezinshereniging voor enkele groepen afschaft. Het betreft onder andere ongehuwde partners en pleegkinderen. Tijdens de behandeling van voornoemde wetsvoorstellen gaf de minister van Asiel en Migratie aan dat er altijd ambtshalve zal worden getoetst of deze aanvragers volgens artikel 8 EVRM alsnog recht hebben op gezinshereniging. Deze leden ondersteunen uiteraard het feit dat dit recht via deze weg blijft bestaan, maar vrezen ook voor een hogere werklast voor de IND en langere procedures, terwijl de uitkomst van de procedure niet zal verschillen. Kan de regering nogmaals toelichten wat het effect van deze maatregel zal zijn en of het daarmee als doelmatig kan worden bestempeld?
De regering verwacht met het beperken van de definitie van het kerngezin binnen de regels over nareis dat er minder nareizigers naar Nederland zullen komen. Met deze beperking maakt de regering gebruik van de ruimte die Europese wet- en regelgeving op dit punt biedt. Het Unierecht, in het bijzonder de Gezinsherenigingsrichtlijn, verplicht tot de mogelijkheid van nareis van gehuwde partners en minderjarige kinderen. De mogelijkheid om in aanvulling daarop ook gezinshereniging toe te staan aan andere groepen is uitdrukkelijk facultatief en derhalve geen verplichting. De beperking laat bovendien onverlet dat vreemdelingen die feitelijk tot het gezin van de vergunninghouder behoren, zich nog steeds kunnen beroepen op het recht op eerbiediging van het gezinsleven zoals neergelegd in artikel 8 van het EVRM. Bij een 8 EVRM beoordeling wordt – indien sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM - een individuele belangenafweging gemaakt. Het komt hierbij aan op de individuele belangen van de vreemdeling die zwaarder moeten wegen dan de belangen van de Staat bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid en daardoor nopen tot verblijf op grond van 8 EVRM.
De regering erkent dat, door de beperking van de mogelijkheid tot nareis, er meer 8 EVRM gezinsherenigingsaanvragen worden verwacht. De regering verwacht echter dat het gehele maatregelenpakket op de lange termijn een positief effect heeft op de hele migratieketen.
Vraag 142
De leden van de VVD-fractie ondersteunen een zo snel mogelijke inwerkingtreding van een tweestatusstelsel en constateren dat de Wet Invoering Tweestatusstelsel hiervoor het snelste middel is. Deze leden vrezen bij de invoering van een tweestatusstelsel wel dat de druk op de Rechtspraak toe zal nemen omdat asielzoekers die een verblijfsvergunning op grond van subsidiaire bescherming krijgen zullen doorprocederen om als verdragsvluchteling aangemerkt te worden. Welke maatregelen neemt de regering om deze druk zoveel mogelijk te beperken, zonder hierbij afbreuk te doen aan het instroombeperkend effect van een tweestatusstelsel?
De regering heeft bij de voorbereiding van het tweestatusstelsel nadrukkelijk bezien welke gevolgen dit kan hebben voor de werkdruk binnen de rechtspraak. Voor de implementatie van dit wetsvoorstel en het wetsvoorstel Asielnoodmaatregelenwet is structureel 25,2 miljoen euro beschikbaar gesteld voor de rechtspraak. Met de invoering van het tweestatusstelsel wordt verwacht dat een deel van de personen aan wie subsidiaire bescherming wordt verleend, beroep zal instellen tegen het niet toekennen van de vluchtelingenstatus. De Raad voor de Rechtspraak heeft in haar advies rekening gehouden met een toename van de werklast, zowel door een mogelijk hoger aantal zaken als door een grotere complexiteit daarvan. Daar staat tegenover dat het onderscheid tussen de vluchtelingenstatus en subsidiaire bescherming het mogelijk maakt om strengere voorwaarden te stellen aan nareis van subsidiair beschermden. In samenhang met de maatregel om de definitie van het kerngezin voor beide statussen te beperken, wordt de groep die in aanmerking komt voor nareis verkleind. In algemene zin verwacht de regering dat de invoering van het tweestatusstelsel, bezien in samenhang met het bredere pakket aan maatregelen, bijdraagt aan een substantiële beperking van zowel de asielinstroom als de nareis. De daarmee samenhangende afname van procedures kan op termijn leiden tot verlichting van de druk op de rechtspraak.
Vraag 143
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regering meent dat de invoering van een tweestatusstelsel dwingend volgt uit het Pact. Hierover hebben deze leden de volgende vragen. Zijn er EU-lidstaten die dit niet in hun (concept) implementatiewet hebben opgenomen?
Voor zover de regering bekend, zijn er geen andere lidstaten die eenzelfde eenstatusstelsel hanteren zoals thans in Nederland wordt gehanteerd. Onder de Kwalificatieverordening heeft de nationale wetgever niet meer de ruimte om één uniforme asielstatus te verlenen. Het handhaven van het éénstatusstelsel is daarmee niet langer mogelijk onder de Kwalificatieverordening. Dit wordt onderstreept door het feit dat de Procedureverordening geen grond meer bevat om het beroep van een subsidiair beschermden tegen de afwijzing van de vluchtelingenstatus niet-ontvankelijk te verklaren wegens onvoldoende belang bij het voortzetten daarvan. Derhalve verwacht de regering niet dat andere lidstaten een bepaling hebben opgenomen om een eenstatusstelsel in te voeren.
Vraag 144
Erkent de regering ook dat er Unierechtelijk ruimte is om niet te differentiëren tussen de rechten van de twee statussen?
Overweging 48 van de preambule bij de Kwalificatieverordening bepaalt expliciet dat lidstaten gerechtigd zijn om dezelfde rechten en voordelen toe te kennen aan de vluchtelingenstatus en de status van subsidiair beschermde. Tegelijkertijd is daarmee niet gezegd dat het mogelijk is om het huidige eenstatusstelsel te handhaven. De Kwalificatieverordening gaat immers uit van het bestaan van twee verschillende statussen. Daarbij geeft de Kwalificatieverordening verschillende beoordelingskaders voor de erkenning en intrekking van de vluchtelingenstatus enerzijds en de erkenning en intrekking van de subsidiarebeschermingsstatus anderzijds. In zoverre maakt het dus ook uit welke beschermingsstatus aan een vreemdeling is toegekend, ook als die vreemdeling op grond van de status dezelfde rechten en voordelen zou hebben. Om die reden bepaalt artikel 67, tweede lid, van de Procedureverordening dat vreemdelingen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, het recht hebben op een doeltreffende voorziening in rechte tegen een besluit waarin hun asielaanvraag ongegrond is verklaard met betrekking tot de vluchtelingenstatus. De subsidiair beschermde ontleent voortaan rechtstreeks aan het Unierecht een recht op beroep bij afwijzing van de vluchtelingenstatus – ongeacht of de lidstaat in kwestie gebruik maakt van de Unierechtelijke ruimte om te differentiëren tussen de twee statussen.
Vraag 145
De regering stelt dat de status van een subsidiair beschermde eerder kan worden ingetrokken wegens een gewijzigde situatie in het land van herkomst. Is de regering van mening dat dit dwingend uit het Pact volgt? Zo ja, kan de regering toelichten hoe zij tot deze beslissing komt?
In de memorie van toelichting en het nader rapport is opgenomen dat de status van een subsidiair beschermde eerder kan worden ingetrokken in verband met een wijziging van de situatie in een land van herkomst dan de status van een Vluchteling. Wanneer er bijvoorbeeld subsidiaire bescherming is verleend in verband met het risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld in een gewapend conflict en het gewapende conflict is beëindigd, valt de noodzaak voor internationale bescherming weg en kan deze worden ingetrokken. Deze situatie zal zich sneller voordoen dan het wegvallen van een reden tot het verlenen van vluchtelingschap. Dit hangt dus samen met de redenen van de verleende internationale bescherming en is niet veranderd met de invoering van het Asiel- en migratiepact. Dit volgde reeds uit de jurisprudentie bij de Kwalificatierichtlijn en volgt nu dwingend uit de artikelen 11, 14, 16 en 19 van de Kwalificatieverordening die rechtstreekse werking hebben.
Vraag 146
Kan de regering toelichten hoe de individuele omstandigheden – zoals gezinsvorming of werk – worden betrokken bij een besluit tot intrekking van de verblijfstitel?
Zoals hiervoor uiteengezet, verplicht de Kwalificatieverordening ertoe om internationale bescherming in te trekken indien deze bescherming niet meer noodzakelijk is. Evenals nu al het geval, zal bij het nemen van een intrekkingsbesluit ambtshalve door de IND worden getoetst of men een (regulier) verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 8 EVRM, dat ziet op het recht op gezinsleven.
Vraag 147
Kan de regering er dus voor kiezen om bij de intrekking van de verblijfsvergunning voor beide groepen dezelfde regels te hanteren? Zo ja, erkent de regering dan ook dat daarmee het procesbelang bij de rechter kleiner wordt? Zo nee, waarom niet?
Onder verwijzing naar het hiervoor gegeven antwoord op vraag 146 kan worden medegedeeld dat voor deze (individuele) toets aan artikel 8 EVRM geen onderscheid wordt gemaakt naar de groep vreemdelingen met een vluchtelingenstatus of subsidiairebeschermingsstatus.
Vraag 148
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat de regering stelt dat nationale verschillen niet meer zijn toegestaan, omdat de Kwalificatieverordening verdere harmonisatie beoogt van de status van internationale bescherming. Deze leden constateren echter dat het doel van het vorige kabinet was om in Nederland het strengste asielbeleid van alle EU-lidstaten te hebben. Deze leden constateren voorts dat deze implementatiewet van het vorige kabinet komt en dat het huidige kabinet deze wet overneemt. De nationale invulling zoals de scherpere nareisvoorwaarden voor subsidiair beschermden, die passen bij de ambitie om het strengste asielbeleid van de EU te hebben, gaan volgens deze leden tegen het principe in van verdere harmonisatie. Hoe ziet de regering dit?
Het Asiel- en migratiepact beoogt harmonisatie tussen lidstaten, maar laat op diverse onderdelen ruimte voor lidstaten om uitvoeringskeuzes te maken. Dit is in het kader van de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit ook passend. De stelling dat nationale verschillen niet meer zijn toegestaan, verdient dan ook nuance. De nationale keuzes die in de onderhavige wet zijn opgenomen, sluiten aan bij de ingezette lijn om in Nederland niet onnodig aantrekkelijker te zijn dan andere lidstaten. Die inzet heeft geen werking die strijdig is met de beoogde werking van het Pact.
Vraag 149
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regering terecht stelt dat de Kwalificatieverordening beoogt de rechten en plichten die aan beide groepen statussen zijn verbonden, zoveel mogelijk gelijk te trekken. Juist daarom snappen deze leden niet, waarom ook in dit wetsvoorstel, net als in de twee nationale asielwetten, de regering er weer voor kiest om de verschillen tussen deze groepen groter te maken. Zij hebben hier enkele vragen over. Erkent de regering dat het onderdeel van strengere nareisvoorwaarden voor subsidiair beschermden niet in lijn is met verdere EU-harmonisatie?
De regering brengt met de strengere nareisvoorwaarden voor subsidiair beschermden het Nederlandse asielbeleid juist meer in lijn met zowel de Europese regelgeving als met het beleid van andere lidstaten.
Vraag 150.
Klopt het dat een groeiende meerderheid van lidstaten dezelfde rechten voor gezinshereniging toekent aan vluchtelingen en subsidiair beschermden, zoals weergeven in de EMN benchmark gezinshereniging vluchtelingen?
De regering ziet dat verschillende Europese lidstaten hervormingen doorvoeren op het gebied van toegang tot gezinshereniging en daarbij vooral gezinshereniging van subsidiaire beschermden inperken met het invoeren van restrictieve maatregelen.
Vraag 151
De leden van de CDA-fractie lezen dat bij de totstandkoming van de Vreemdelingenwet 2000 voor een eenstatusstelsel is gekozen om te voorkomen dat een vreemdeling die een subsidiaire beschermingsstatus kreeg, zou doorprocederen tegen de weigering om hem de vluchtelingenstatus te geven. Deze leden vragen of dat risico nu weer ontstaat met de invoering van een tweestatusstelsel, of dat met de aanvullende waarborgen uit de Asielnoodmaatregelenwet daarop is geanticipeerd.
Met de invoering van een tweestatusstelsel is de verwachting van de regering dat het aantal beroepsprocedures zal toenemen. De regering meent daarentegen dat een tweestatusstelsel ook leidt tot een substantiële beperking van de asielinstroom en de nareis van gezinsleden door voorwaarden te kunnen stellen aan die nareis.
Vraag 152.
De leden van de CDA-fractie lezen dat onder het Pact altijd een inhoudelijke behandeling van het beroep mogelijk moet zijn wanneer de beslissing op een asielaanvraag wel strekt tot verlening van de subsidiaire beschermingsstatus, maar de vluchtelingenstatus wordt geweigerd. Deze leden vragen of dit naar verwachting gaat leiden tot een hogere druk op de IND en de Rechtspraak. Zo ja, hoe wordt geborgd dat dit niet leidt tot grote vertragingen in de asielketen?
Met de invoering van een tweestatusstelsel zal naar verwachting een deel van de statushouders met subsidiaire bescherming beroep instellen tegen de weigering om de vluchtelingenstatus te verkrijgen. De Raad voor de Rechtspraak houdt in dat kader rekening met een verhoging van de werklast, zowel door een stijging van het aantal zaken als door een toename in de complexiteit daarvan.
De invoering van het onderhavige wetsvoorstel en daarmee het tweestatusstelsel (met de nareisvoorwaarden die daarin zijn opgenomen) vormt een verzwaring voor de uitvoeringspraktijk en rechtspraak. De regering meent echter dat de maatregelen in sterke mate kunnen bijdragen aan de verlaging van de instroom en de druk op de asielopvang en de voorzieningen. Hoewel de werklast per ingediende aanvraag op onderdelen zwaarder wordt, zal de totale werklast daardoor kunnen afnemen omdat er minder aanvragen worden gedaan. Gezien de reeds bestaande voorraden bij de IND, zal deze verlichting niet onmiddellijk ontstaan. De regering benadrukt verder dat de IND ook wordt ontlast door wijzigingen die worden doorgevoerd met de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 bijvoorbeeld door het schrappen van het voornemen.
Vraag 153
De leden van de CDA-fractie lezen dat de vreemdeling die de subsidiaire beschermingsstatus verkrijgt, recht heeft op inhoudelijke behandeling van een beroep tegen afwijzing van de vluchtelingstatus. Kan de regering een inschatting geven welk effect dit heeft op de rechtspraak?
Naar verwachting zal 75% van de vreemdelingen die de subsidiaire status krijgen daartegen in beroep bij de rechtbank gaan. In al die beroepszaken zal de rechter een inhoudelijk oordeel moeten geven over de aard van de verleende verblijfsstatus.
De Raad voor de Rechtspraak heeft in haar position paper van 6 februari 2026 ten behoeve van het rondetafelgesprek Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 opgenomen dat de verschillende maatregelen gezamenlijk zorgen voor een forse toename in het aantal zaken: naar schatting kan dat oplopen naar 19.000 extra zaken per jaar in 2028. De invoering van het tweestatusstelsel is verantwoordelijk voor bijna de helft van die globaal geschatte toename (circa 8.500 zaken). Het uiteindelijke effect van het wetsvoorstel op de rechtspraak is echter primair afhankelijk van de feitelijke instroom van zaken. Het wetsvoorstel beoogt de asielinstroom te beperken, wat op termijn kan bijdragen aan een meer beheersbare belasting voor de rechtspraak en de gehele asielketen.
Vraag 154
Hoeveel extra inhoudelijke zaken worden verwacht ten gevolge van deze maatregel uit de Kwalificatieverordening en wat gaat de regering doen om te voorkomen dat het aantal vreemdelingenzaken zo hoog oploopt dat de doorlooptijden te lang worden?
Voor het aantal zaken verwijst de regering u naar het antwoord op de voorgaande vraag. De regering onderkent dat de maatregelen in dit wetsvoorstel gevolgen kunnen hebben voor de werklast en doorlooptijden binnen de Rechtspraak. Dit wetsvoorstel gaat gepaard met de daarvoor noodzakelijke financiële middelen. De regering is zich ervan bewust dat de beschikbaarheid van voldoende gekwalificeerd personeel bijdraagt aan de uitvoering van het wetsvoorstel. Tegelijkertijd is het doel van het wetsvoorstel om de instroom van asielzoekers en nareizende gezinsleden te beperken. Daarmee wordt beoogd de druk op de asielketen, waaronder de Rechtspraak, op termijn juist te verlagen.
Vraag 155
Daarnaast vragen deze leden welke andere rechtsgebieden gevolgen zullen ondervinden van een toenemende druk op de rechtspraak vanwege de vreemdelingenzaken.
De verwachting is dat de druk zich in hoofdzaak concentreert bij de bestuursrechtelijke vreemdelingenkamers in eerste aanleg en in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indirecte effecten op andere rechtsgebieden zijn niet uitgesloten. De Rechtspraak werkt met meerjarige capaciteitsplanningen waarbij personeel over verschillende rechtsgebieden herverdeeld kan worden
Vraag 156
De leden van de JA21-fractie vragen de regering toe te lichten hoe de procedure of beoordelingscriteria verschillen bij het intrekken van de status van subsidiaire bescherming en de status van vluchteling.
De regering verwijst op deze plek naar het antwoord op vraag 145. In aanvulling op dat antwoord merkt de regering verder op dat zowel de procedure als de beoordelingscriteria voor het intrekken van de vluchtelingenstatus als de subsidiaire beschermingsstatus grotendeels overeenkomen. Het voornaamste verschil is dat er bij het intrekken van de vluchtelingenstatus twee aanvullende intrekkingsgronden voortvloeien uit de Kwalificatieverordening, namelijk: er zijn redelijke gronden de onderdaan van een derde land of staatloze te beschouwen als een gevaar voor de veiligheid van de lidstaat waar die onderdaan van een derde land of staatloze zich bevindt; en de onderdaan van een derde land of staatloze is definitief veroordeeld voor een bijzonder ernstig misdrijf en vormt een gevaar voor de samenleving van de lidstaat waar die onderdaan van een derde land of staatloze zich bevindt.
Vraag 157
Wat is de huidige stand van de jurisprudentie ten aanzien van de beoordeling of sprake is van non-refoulement in verband met art. 3 EVRM, wegens het risico op schade of onmenselijke behandeling? Dit mede in het licht van de uitspraak dat Nederland alleenstaande mannelijke asielzoekers uit België niet mocht terugsturen naar dat land.
Non refoulement onder art. 3 EVRM vereist een toets of overdracht of uitzetting verboden is omdat er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat iemand een reëel risico loopt op onmenselijke of vernederende behandeling. In zaken die vallen onder de huidige Dublinverordening (onder het asiel- en migratiepact de Asiel- en migratiebeheerverordening, AMBv) volgt uit de jurisprudentie dat er een weerlegbare presumptie van wederzijds vertrouwen is dat er geen schendingen zullen plaatsvinden in een andere lidstaat. Deze presumptie kan worden doorbroken bij systemische tekortkomingen of bij individuele omstandigheden die tot een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling leiden. In dergelijke situaties kunnen concrete individuele garanties maken dat iemand alsnog kan worden overgedragen aan de andere lidstaat. In de uitspraak over alleenstaande mannelijke asielzoekers uit België is dit kader ook toegepast.
Vraag 158
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering te verduidelijken of met deze invoeringswet gekozen is om precies dezelfde vormgeving van de verschillende rechten van de twee statussen aan te houden als de Wet invoering tweestatusstelsel, inclusief de aanvullende voorwaarden voor nareis bij subsidiair beschermden. Klopt het dat deze verplichting niet volgt uit Europese richtlijnen en verordeningen? Deze leden vinden het teleurstellend dat aan de opnieuw geformuleerde bezwaren van onder andere de Afdeling niet tegemoet is gekomen door de regering.
De invoering van een tweestatusstelsel en de aanvullende voorwaarden voor nareis bij subsidiair beschermden is in dit wetsvoorstel gelijk aan de wijze waarop die onderdelen zijn geregeld in het voorstel voor de Wet invoering tweestatusstelsel. Volgens de regering volgt de invoering van het tweestatusstelsel verplichtend uit het Asiel- en migratiepact. De aanvullende nareis voorwaarden volgen niet verplichtend uit de Europese richtlijnen en verordeningen, maar die laten wel de ruimte om hier nationaal voor te kiezen. Verwezen wordt naar hetgeen hierover verder in de memorie van toelichting is opgenomen.
4.3 Verblijfstitel
Vraag 159
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering het verschil tussen een verblijfsvergunning en een verblijfstitel concreet te maken.
De verblijfsvergunning is de erkenning dat een vreemdeling een vluchtelingenstatus of subsidiaire beschermingsstatus heeft. De verblijfstitel is het fysieke bewijs van die status. Voor een beter begrip van dit onderscheid kan een analogie behulpzaam zijn, bijvoorbeeld die van het paspoort en het Nederlanderschap. De verblijfsvergunning is in die analogie het Nederlanderschap, terwijl de verblijfstitel gelijk is aan het paspoort.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regering ervoor kiest om, in plaats van aan te sluiten bij de systematiek uit de Kwalificatieverordening van een status en een verblijfstitel, te blijven bij de systematiek van een asielvergunning. In het nader rapport op pagina 21 staat het volgende: “Hier lijkt volgens de regering dus een incongruentie te bestaan in de systematiek van de Kwalificatieverordening. Het is aan het Hof van Justitie van de EU om zo nodig de juiste uitleg te bepalen”.
Vraag 160
Hoe verhoudt deze constatering zich tot het voornemen van de regering om de ruimte van de nationale vreemdelingenrechter om prejudiciële vragen te stellen te beperken, zoals blijkt uit de brief van de Secretaris-Generaal aan de informateur van 30 januari 2026 naar aanleiding van het informatieverzoek protocol EVRM?
In de genoemde brief is aangegeven dat verkend wordt of nationale beleidskaders of aanpassing van wet- en regelgeving kunnen bijdragen aan het verder inkaderen van jurisprudentie. Dat laat onverlet dat het Hof van Justitie in voorkomende gevallen (waaronder bijvoorbeeld met betrekking tot de systematiek van de Kwalificatieverordening) een oordeel zal (moeten) geven over de interpretatie van EU-recht. Daarbij zij opgemerkt dat de genoemde verkenning van nationale beleidskaders of aanpassing van wet- en regelgeving niet toeziet op het inperken van de ruimte van de rechter om prejudiciële vragen te stellen.
Vraag 161
Schuilt er een juridisch risico in het gelijkstellen van de beschermingsstatus aan een verblijfsvergunning, terwijl de verblijfstitel eigenlijk de vergunning is?
De verblijfstitel is het bewijs dat aan de vreemdeling internationale bescherming toekomt en hij het recht heeft om op het grondgebied te verblijven. Verlies van die titel tast dus niet op zichzelf de verblijfsstatus aan die blijkt uit een verblijfsvergunning. De verblijfsstatus gaat uitsluitend verloren door intrekking. Het recht om in Nederland te verblijven is ook gekoppeld aan het bezit van de verblijfsvergunning en niet aan het bezit van de titel. In zoverre bestaat er dan ook geen juridisch risico
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat in het wetsvoorstel een tegenstelling zit waarbij de kans groot is dat deze tot juridische procedures zal leiden. De regering verkort de geldigheid van de verblijfsvergunning naar drie jaar en schaft de asielvergunning van onbepaalde tijd af, waarbij de regering zich baseert op de bepaling over de verblijfstitel in plaats van de status.
Vraag 162
Klopt het dat niet de geldigheidsduur van de asielvergunning (status) wordt ingekort, maar alleen van de verblijfstitel, wat met deze implementatie neerkomt op alleen een verblijfsdocument?
Dat klopt. Een asielvergunning, dat wil zeggen de status van vluchteling of subsidiair beschermde, kan alleen worden verloren doordat de status wordt ingetrokken. Artikel 14 en artikel 19 van de Kwalificatieverordening bepalen onder welke omstandigheden de internationale beschermingsstatus moet worden ingetrokken. De verblijfstitel heeft daarentegen een initiële geldigheidsduur van drie jaar. Wanneer de geldigheidsduur verstrijkt, kan die geldigheidsduur met drie jaar worden verlengd, zo volgt uit het voorgestelde artikel 9, derde lid, Vw 2000. Verlies van de verblijfstitel heeft op zichzelf geen consequentie voor de verblijfsvergunning, zo lang die verblijfsvergunning niet ook wordt ingetrokken.
4.4. Geldigheidsduur verblijfstitel wordt verkort van vijf naar drie jaar
De leden van de VVD-fractie ondersteunen de ambitie om de verblijfstitel te verkorten van vijf naar drie jaar.
Vraag 163 en 164
In hoeverre vindt er, in het geval een vreemdeling na drie jaar opnieuw een verblijfstitel aanvraagt, een volledige nieuwe toets plaats om te bezien of de vreemdeling recht heeft op een nieuwe vergunning? Welke maatregelen neemt de regering om te voorkomen dat deze tweede beoordeling in de praktijk weinig voor zal stellen?
Indien er signalen zijn dat de redenen voor internationale bescherming niet langer aanwezig zijn zal een inhoudelijke beoordeling plaatsvinden. Dit kan bijvoorbeeld zijn op basis van een veranderde situatie in het land van herkomst of veranderde individuele omstandigheden van de vreemdeling. Tot een dergelijke inhoudelijke (her)beoordeling van het recht op bescherming, waar ook een gehoor onderdeel van kan uitmaken, hoeft niet gewacht te worden tot dat de duur van de tijdelijke vergunning is verlopen. Bij de IND is het zo ingeregeld dat aanleidingen tot een mogelijke herbeoordeling (waaronder ook openbare orde indicaties) automatisch worden opgepakt. De huidige uitvoeringspraktijk waarbij de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de asielvergunning voor bepaalde tijd grotendeels geautomatiseerd getoetst wordt blijft gehandhaafd.
Vraag 165
Is de regering daarnaast van plan om ook tijdens de duur van de verblijfstitel te onderzoeken of er grond is om de vergunning in te trekken? Of zal dit alleen plaatsvinden als er concrete signalen zijn?
Indien daar aanleiding voor bestaat zal de IND beoordelen of de internationale beschermingsstatus ingetrokken moet worden. Dit staat los van de verlengingsaanvraag voor een verblijfstitel en kan derhalve ook plaatsvinden tijdens de duur van de verblijfstitel. Concrete signalen kunnen hier aanleiding voor zijn, zoals een gewijzigd landenbeleid.
Vraag 166. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen wat het nut is van de verkorting van de verblijfstitel. Uit welk onderzoek blijkt asielzoekers een bewuste keuze maken om asiel aan te vragen in een land met vergunningen met een langere verblijfsduur?
Met deze maatregel benadrukt de regering het tijdelijke karakter van asielbescherming. Deze maatregel draagt ertoe bij dat Nederland geen soepeler asielbeleid hanteert dan andere lidstaten. De maatregel is onderdeel van een breed pakket aan maatregelen die tot doel hebben de instroom te verminderen en de keten te ontlasten. Aan deze maatregel ligt geen onderzoek ten grondslag.
Vraag 167
Ziet de regering ook de grote nadelen van een kortere verblijfsduur van de verblijfsvergunning zoals de blijvende onzekerheid over verlenging en een drempel voor het verkrijgen van vast werk, het bemoeilijken van afsluiten van leningen en starten van een eigen bedrijf?
De regering volgt de lezing over de nadelen van de kortere verblijfsduur niet. Daarbij moet in ogenschouw worden genomen dat deze maatregel op zichzelf niets verandert aan het verblijfsrecht op basis van de asielstatus en de daaraan gekoppelde rechten zoals met betrekking tot werk en participatie. Bij zowel de vluchtelingenstatus als de subsidiaire beschermingsstatus geldt dat de verleende internationale bescherming verleend blijft, zolang er geen redenen zijn om deze in te trekken. Wel wenst de regering met deze maatregelen het tijdelijke karakter van asielbescherming te benadrukken. Houders van een tijdelijke verblijfstitel zullen ook gestimuleerd blijven worden om te participeren. Na minimaal vijf jaar kunnen statushouders in aanmerking komen voor de EU-status als langdurig ingezetene of een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd waarbij onder meer aan het inkomensvereiste moet worden voldaan. De regering verwacht dat hier een positieve stimulans vanuit gaat voor de integratie van statushouders.
Daarbij is het relevant te verwijzen naar de voorgenomen plannen in het coalitieakkoord. Asielzoekers met een goede kans op een verblijfsvergunning krijgen na drie maanden in de asielprocedure het recht om aan het werk te gaan. De administratieve rompslomp wordt geschrapt door een alternatief voor de tewerkstellingsvergunning in te voeren. Kansrijke asielzoekers krijgen vanaf het begin hulp en bemiddeling naar werk om sneller te kunnen integreren. Daarnaast zal direct aan het begin van de asielprocedure worden gestart met taalles voor kansrijke asielzoekers. Ten slotte wordt naturalisatie mogelijk gemaakt op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Wie tweemaal een tijdelijke verblijfsvergunning heeft gekregen én aan een taaleis op niveau B1 voldoet mag na 6 jaar naturaliseren.
4.5 Verblijf gezinsleden
Vraag 168
De leden van de PVV-fractie constateren dat bij nareizende huwelijkspartners een minimumleeftijd van 18 jaar zal worden gehanteerd. Graag ontvangen zij een toelichting waarom de regering afziet van een verhoging naar 21 jaar, gegeven het feit dat asielzoekers uit landen waar uithuwelijken normaal is doorgaans slecht integreren.
Het is op grond van de Gezinsherenigingsrichtlijn in theorie mogelijk om in bepaalde gevallen een minimumleeftijd van 21 jaar te hanteren. Binnen de reguliere gezinshereniging wordt deze voorwaarde gesteld, maar geldt deze niet als het huwelijk al was voltrokken vóórdat de partners naar Nederland kwamen. De lidstaten mogen deze voorwaarde alleen stellen om de integratie te bevorderen en gedwongen huwelijken te voorkomen, en niet op een manier die afbreuk zou doen aan het doel en het nuttig effect van de richtlijn. Dat betekent dat de IND bij echtgenoten van 18-21 jaar steeds zou moeten beoordelen of de individuele omstandigheden en eventuele belangen van kinderen in het gezin het toelaten om niet tot hereniging over te gaan, terwijl dat in de regel in positieve zin zal uitvallen voor de aanvrager, waar het gaat om huwelijken die al voltrokken zijn.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat gezinshereniging van vluchtelingen zonder extra voorwaarden alleen mogelijk is als dit binnen drie maanden binnen de toekenning van de vluchtelingenstatus wordt aangevraagd. Hier hebben deze leden enkele vragen bij en vragen deze gelieve individueel te beantwoorden.
Vraag 169
Kan de regering toelichten waarom vluchtelingen de aanvraag voor gezinshereniging binnen drie maanden moeten doen, om niet te vallen onder de strengere eisen van subsidiaire beschermde?
De Gezinsherenigingsrichtlijn kent gunstiger voorwaarden voor vluchtelingen om gezinsleden spoedig over te laten komen, dan voor andere onderdanen van derde landen die wettig op het grondgebied van de lidstaten verblijven en die hun gezinsleden willen laten overkomen. Zo mogen de in die richtlijn opgenomen mogelijke voorwaarden voor de uitoefening van het recht op gezinshereniging, zoals het beschikken over huisvesting of stabiele inkomsten, niet worden gesteld aan een vluchteling mits het verzoek om gezinshereniging wordt ingediend binnen een termijn van drie maanden na de toekenning van de vluchtelingenstatus. Ook is het niet mogelijk om een wachttermijn te hanteren. Als een vluchteling na het verlopen van deze drie maanden gezinshereniging aanvraagt en de termijnoverschrijding niet objectief verschoonbaar is dan kunnen volgens de Gezinsherenigingsrichtlijn wel aanvullende voorwaarden worden gesteld aan de gezinshereniging van vluchtelingen, dit was ook al het geval onder het eenstatusstelsel.
Vraag 170
Kan de regering aangeven of dit direct volgt uit het Pact of dat dit een nationale keuze is en het dus mogelijk is om deze maatregel niet te implementeren?
Dit volgt niet zozeer uit het pact, maar is wel te herleiden tot het Unierecht. In de Gezinsherenigingsrichtlijn is in artikel 12, eerste lid, opgenomen dat lidstaten van de vluchteling kunnen eisen dat hij aan de voorwaarden van artikel 7, eerste lid, van diezelfde richtlijn voldoet wanneer het verzoek om gezinshereniging niet wordt ingediend binnen een termijn van drie maanden na de toekenning van de vluchtelingenstatus. De termijn van drie maanden is dus zowel in nationale wetgeving als in de Gezinsherenigingsrichtlijn vastgelegd. Omdat deze termijn eenvoudig veilig te stellen is door de hoofdpersoon in Nederland, ziet de regering geen aanleiding om deze termijn aan te passen.
Vraag 171
Zijn er andere lidstaten die deze maatregel toepassen en zo ja, welke?
Als gezegd volgt dit uit Unierecht en voor zover het de regering bekend is passen ook andere lidstaten de drie maanden termijn toe waarbinnen vluchtelingen een aanvraag tot gezinshereniging moeten hebben ingediend om in aanmerking te komen voor de gunstigere voorwaarden die volgen uit de Gezinsherenigingsrichtlijn.
Vraag 172 en 173
Kan de regering aangeven hoeveel procent van de vluchtelingen op dit moment na de drie maanden een aanvraag doet? Om hoeveel vluchtelingen gaat dit en om hoeveel mensen die in het kader van gezinshereniging hierheen komen gaat dit?
De gevraagde cijfermatige gegevens zijn niet beschikbaar. Als een vluchteling een nareisaanvraag buiten de driemaandentermijn indient, beoordeelt de IND of de termijnoverschrijding verschoonbaar wordt geacht, bijvoorbeeld in het geval van overmacht. Indien de termijnoverschrijding verschoonbaar wordt geacht, kan het gezinslid onder de hiervoor genoemde gunstiger in aanmerking komen voor gezinshereniging. In het IND-systeem wordt echter niet geregistreerd hoe vaak een nareisaanvraag na drie maanden verschoonbaar wordt geacht. De gevraagde cijfers kunnen daarom niet geleverd worden.
Buiten de driemaandentermijn en zonder verschoonbare reden kunnen vluchtelingen een 8 EVRM aanvraag indienen en in sommige gevallen ook een reguliere aanvraag voor gezinsmigratie. Om te bepalen hoe vaak vluchtelingen op deze manier gezinshereniging aanvragen of in aanmerking komen voor gezinshereniging is een complexe analyse nodig die niet binnen de nu beschikbare tijd niet kon worden gerealiseerd.
Vraag 174
Bij hoeveel houders van de vergunning op de a-grond met een lopende gezinsherenigingsaanvraag zullen partner, meerderjarig of pleegkind na inwerkingtreding van de wet worden afgewezen? Bij hoeveel daarvan is de negen maanden beslistermijn reeds overschreden?
Het is niet mogelijk op voorhand aan te geven hoeveel openstaande aanvragen voor ongehuwde partners, meerderjarige kinderen en pleegkinderen er na inwerkingtreding van deze wet zullen worden afgewezen omdat er bij de openstaande aanvragen ambtshalve aan artikel 8 EVRM zal worden getoetst. Bij die toets zal steeds een individuele belangenafweging worden gemaakt waarbij alle relevante feiten en omstandigheden worden betrokken.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien dat het vaak lastig is voor LHBTQI-stellen om gezinshereniging toegekend te krijgen, aangezien zij soms in het land van herkomst niet kúnnen trouwen en hun eventuele kinderen in het land van herkomst niet zijn erkend.
Vraag 175
Wat zijn de gevolgen van deze implementatiewet voor gezinshereniging van LHBTQI-stellen?
Het Unierecht, in het bijzonder de Gezinsherenigingsrichtlijn, verplicht tot de mogelijkheid van nareis van gehuwde partners en minderjarige kinderen. De mogelijkheid om in aanvulling daarop ook gezinshereniging toe te staan aan onder andere ongehuwde partners, is uitdrukkelijk facultatief en derhalve geen verplichting. De beperking laat bovendien onverlet dat vreemdelingen die niet onder de definitie vallen van het kerngezin, maar die feitelijk tot het gezin van de vergunninghouder behoren, zich nog steeds kunnen beroepen op het recht op eerbiediging van het gezinsleven zoals neergelegd in artikel 8 van het EVRM. In dat verband wordt telkens een belangenafweging verricht waarbij de individuele feiten en omstandigheden centraal staan. Die afweging ziet op het belang van de vreemdeling tot gezinshereniging en het belang van de Nederlandse staat. De omstandigheid dat de vreemdeling een ongehuwde partner is wordt in deze afweging betrokken. Ook het feit dat het voor partners in het land van herkomst niet mogelijk was om te trouwen, zoals bijvoorbeeld het geval kan zijn bij LHBTIQ+ partners, weegt voor de aanvrager in positieve zin mee in deze belangenafweging. Als ongehuwde partners samen kinderen hebben die (ook) rechtmatig verblijf in Nederland hebben, weegt dat eveneens positief mee in de belangenafweging. Dat betekent dat het voor vreemdelingen die behoren tot deze groepen in voorkomende gevallen mogelijk blijft om alsnog voor gezinshereniging in aanmerking te komen
Vraag 176
Zorgt de regering ervoor dat het niet kunnen trouwen of het niet erkennen van kinderen van LHBTQI-stellen geen reden is om gezinshereniging te weigeren?
De regering verwijst naar het antwoord op vraag 175.
Vraag 177
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het voor subsidiair beschermden moeilijker wordt om gezinshereniging te krijgen en dat dit een keuze is die niet noodzakelijk volgt uit het Pact. Zij hebben hier enkele vragen bij. Klopt het dat het een keuze is om gezinshereniging te beperken voor subsidiair beschermden en dit niet dwingend voortkomt uit het Pact?
Het klopt dat het beperken van de gezinshereniging voor subsidiair beschermden niet onmiddellijk voortvloeit uit het Pact dit is echter wel in lijn met de wens van de regering om het Nederlandse nareisbeleid te versoberen.
Vraag 178
Wat zijn de gevolgen voor vluchtelingen met subsidiaire bescherming die wel het recht hebben in Nederland te blijven, maar (mogelijk) nooit met hun gezin kunnen herenigen omdat zij niet aan alle drie de vereisten kunnen voldoen?
Indien de aanvrager behoort tot de kring van gerechtigden van het nareisbeleid, zal, indien niet wordt voldaan aan de aanvullende nareisvoorwaarden voor subsidiair beschermden, ambtshalve worden getoetst aan artikel 8 van het EVRM. Bij die toets zal steeds een individuele belangenafweging worden gemaakt. Omdat het om een individuele belangenafweging gaat, kan op voorhand niet gezegd worden of en in welke mate dit alsnog tot verblijf kan leiden.
Vraag 179
Welk percentage subsidiair beschermden die nu gezinshereniging toegekend krijgen zullen dit onder deze voorwaarden ook krijgen?
Het is niet mogelijk op voorhand aan te geven hoeveel subsidiair beschermden aan de aanvullende voorwaarden voor nareis zullen voldoen.
Vraag 180
Hoeveel houders van een vergunning op de b-grond hebben naar schatting op 12 juni een lopende gezinsherenigingsaanvraag?
Uitgaande van een gemiddelde maandelijkse afname van 3% van openstaande nareisaanvragen van b-statushouders, is de grove inschatting dat op 12 juni 2026 8.500 referenten met een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw een lopende nareisaanvraag (inclusief 8 EVRM) hebben.
Vraag 181
Van hoeveel van hen is de beslistermijn van negen maanden verlopen? Hoeveel van hen verblijven nog in de centrale opvang?
Uitgaande van het percentage van openstaande nareisaanvragen dat de afgelopen zes maanden buiten de beslistermijn was, wordt ingeschat dat op 12 juni 2026 bij grofweg 7.100 van deze referenten de beslistermijn van de nareisaanvraag is verlopen. Uit de IND-systemen kunnen geen cijfers gegenereerd worden die zien op het aantal referenten dat verblijft in de centrale opvang.
Vraag 182
Wanneer zullen zij hun afwijzing van de gezinsherenigingsaanvraag van de IND ontvangen?
Het is niet mogelijk op voorhand exact aan te geven wanneer aanvragers een beslissing van de IND zullen ontvangen en of een aanvraag zal worden ingewilligd of afgewezen. Op de website van de IND staat wel aangegeven wanneer nareisaanvragen in behandeling worden genomen.
Vraag 183
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen waarom is gekozen voor drie cumulatieve eisen waardoor gezinshereniging vrijwel onmogelijk wordt en grote kans is dat op grond van het evenredigheidsbeginsel de rechter dit onrechtmatig zal achten. Waarom is niet alleen gekozen voor een reëel inkomensvereiste met een aan termijn gebonden inspanningsverplichting, gezien de grote afstand tot de arbeidsmarkt?
De regering heeft als doel om de instroom te beperken en daarmee de druk op de gehele migratieketen te verlichten. De regering wil dit bewerkstelligen door een strenger asiel- en migratiebeleid te voeren waarbij een tweestatusstelsel met aanvullende voorwaarden voor de gezinshereniging van subsidiaire beschermden worden ingevoerd. Met het invoeren van een wachttermijn van twee jaar krijgt Nederland meer grip op migratie en wordt ruimte gecreëerd binnen de opvang van het COA en de asielprocedure van de IND. Het middelenvereiste wordt ingevoerd zodat wordt verzekerd dat de gezinshereniger in staat zal zijn in de behoeften van hemzelf en zijn gezinsleden te voorzien, voordat die gezinsleden zich bij hem voegen. Daarmee borgt de regering dat vreemdelingen met subsidiaire bescherming en hun gezinsleden zelfredzaam zijn en in een zo klein mogelijk aantal gevallen een beroep doen op de publieke middelen. Tot slot heeft het invoeren van een huisvestingsvereiste als doel dat een vreemdeling met subsidiaire bescherming en diens gezinsleden minder afhankelijk worden van de Nederlandse verzorgingsstaat. Daarnaast verlicht ook deze maatregel de druk op de opvang van het COA.
De beperking van het kerngezin en de aanvullende voorwaarden zullen naar verwachting leiden tot minder (ingewilligde) nareisverzoeken. Dit laat onverlet dat in alle gevallen waarin geen afgeleide verblijfsvergunning asiel wordt verleend ambtshalve wordt doorgetoetst aan artikel 8 van het EVRM. In dat verband wordt een belangenafweging verricht tussen het belang van de vreemdeling tot gezinshereniging en het belang van de Nederlandse staat.
Vraag 184
Acht de regering de combinatie van eisen in overeenstemming met artikel 8 EVRM, mede gelet op de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens die eist dat gezinshereniging niet onmogelijk mag worden gemaakt en dat er een individuele belangenafweging wordt gemaakt?
De regering is van oordeel dat de voorgestelde nareisvoorwaarden, ook cumulatief bezien, rechtmatig zijn. Het doel van deze maatregelen is het beperken van de instroom en daarmee ontlasten van de asielopvang en voorzieningen door een strenger asiel- en migratiebeleid te voeren. Dit laat onverlet dat indien een aanvraag tot nareis wordt afgewezen omdat niet aan de aanvullende voorwaarden wordt voldaan, ambtshalve aan artikel 8 EVRM wordt getoetst. Bij deze toets wordt – als er gezinsleven is – een belangenafweging verricht waarbij de individuele feiten en omstandigheden centraal staan. Hoe zwaar die belangen wegen wordt steeds per concreet geval bepaald.
Vraag 185
Hoe ziet de regering het feit dat de werklast met meer beroepszaken op artikel 8 EVRM voor de IND verder zal toenemen?
De regering erkent dat er vanwege de nareismaatregelen vaker een beroep op artikel 8 EVRM zal worden gedaan en de nareismaatregelen tot extra beroepsprocedures zullen leiden. Dit blijkt ook uit de ketenbrede uitvoeringstoets. De inspanningen van de directie Juridische Zaken (JZ) van de IND zijn er enerzijds op gericht om extra personeel aan te nemen, op te leiden en deze opleiding sneller te laten verlopen waardoor medewerkers van JZ eerder naar zitting kunnen gaan. Aan de andere kant probeert JZ een efficiencyslag te maken in het beroepsproces, waardoor bestaande capaciteit slimmer ingezet kan worden en er meer productiviteit geleverd kan worden. Desondanks blijft het extra werk dat op de IND afkomt reden voor aandacht en zorg, omdat de IND niet onbeperkt kan groeien en ook niet in staat zal zijn al het benodigde personeel om dit extra werk op te vangen tijdig kan werven. De IND blijft dan ook in gesprek met de rechtspraak om de planning en de inzet van personeel op elkaar af te stemmen. De inzet van de regering is erop gericht de instroom te verlagen zodat de druk op de gehele keten afneemt. Dit zal niet direct gerealiseerd worden, maar zodra de instroom daalt, is de verwachting dat het extra werk dat hiermee gepaard gaat uiteindelijk ook zal dalen en de wachttijden en dwangsommen zullen afnemen.
Vraag 186
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat ook ten aanzien van alleenstaande minderjarige kinderen de regering voornemens is een wachttermijn van twee jaar te hanteren voor nareis. Hoe acht de regering dit in overeenstemming met artikel 3 Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), dat verplicht het belang van het kind de eerste overweging te laten zijn? Is de regering zich bewust van de ernstige schade die een jarenlange scheiding van de ouders voor het kind tot gevolg heeft? Hoe verhoudt de keuze om ook voor kinderen gezinshereniging te beperken zich tot de rechten die voortkomen uit het IVRK, met name tot artikel 5 en 9?
Met de belangen van het kind als bedoeld in artikel 3 IVRK is terdege rekening gehouden. Artikel 9 van het IVRK staat er niet aan in de weg dat ook aan de nareis van gezinsleden van minderjarige asielzoekers voorwaarden worden gesteld. Het wetsvoorstel bevat bovendien op meerdere punten uitzonderingen of specifieke bepalingen voor minderjarigen, waarmee het belang van het kind wordt geborgd. Zo zullen twee van de drie aanvullende voorwaarden niet worden gesteld bij (de nareis van familieleden van) alleenstaande minderjarige vreemdelingen met subsidiaire bescherming. Het voorgestelde artikel 29d, derde lid, Vw 2000 voorziet er reeds in dat alleenstaande minderjarige kinderen zijn uitgezonderd van het inkomens- en huisvestingsvereiste, zodat zij daarmee in belangrijke mate zijn uitgezonderd van de nieuwe nareisvoorwaarden. De regering ziet geen aanleiding deze groep ook uit te zonderen van de wachttermijn, omdat daarmee in feite helemaal geen aanvullende voorwaarden zouden worden gesteld aan de nareis van gezinsleden van een alleenstaande minderjarige vreemdeling. Daarbij wijst de regering erop dat het stellen van een wachttermijn kan bijdragen aan het verminderen van het vooruitreizen van alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Het voormelde laat bovendien onverlet dat bij de (ambtshalve) toets aan artikel 8 van het EVRM ook aandacht is voor de individuele omstandigheden van het geval, waaronder de minderjarigheid van de referent.
Vraag 187
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat de vorige regering over de wachttijd voor alleenstaande minderjarige kinderen schreef dat de motivering was dat er hierdoor minder minderjarige kinderen vooruit worden gestuurd. Een dergelijke redenering betekent wel dat het belang van het kind voor dit motief wordt opgeofferd. Houdt deze regering vast aan dit motief?
De regering acht het van groot belang om steeds te zoeken naar de goede balans tussen het belang van individuele minderjarigen, het belang van de gehele groep van minderjarigen (ook van de toekomstige groep) en van ongewenste effecten die van beleidskeuzes kunnen uitgaan. Het bieden van een bijzondere rechtspositie en extra waarborgen aan minderjarigen kan legitiem zijn, gezien de kwetsbare positie van minderjarigen. Deze bijzondere rechtspositie kan echter ook als ongewenst effect hebben dat het aantrekkelijk wordt om minderjarigen vooruit te sturen. Het is daarom van belang hier steeds een goede balans in te zoeken. Bij de toepassing van de drie nieuwe voorwaarden voor nareis van subsidiair beschermden, zijn minderjarigen, zoals reeds opgemerkt, van twee voorwaarden (huisvestingsvereiste en inkomenseis) uitgesloten gezien hun bijzondere positie. De wachttermijn geldt voor hen wel. Hiermee is volgens de regering een zorgvuldige balans gevonden.
Vraag 188
Is de regering bekend met het voorbeeld uit Duitsland waar in 2016 langdurige uitstel van gezinshereniging is toegepast op mensen die een b-status kregen? Hier nam het aantal vluchtelingen met een b-status ineens snel toe en nam toekenning van de a-status af, tegen de afspraken in. Ook werden er veel meer beroepen ingesteld waarna in de helft van de gevallen alsnog een a-status werd toegekend. Hoe gaat de regering ervoor zorgen dat niet hetzelfde gebeurt als in Duitsland? Wat zijn volgens de regering de verschillen tussen dit Duitse voorbeeld en de Nederlandse praktijk na de implementatie van de wet?
De regering onderkent het risico dat een tweestatusstelsel ook gevolgen heeft voor de uitvoering en de rechtspraak, zoals de mogelijkheid dat vreemdelingen doorprocederen voor een sterkere status en een toename van het aantal beroepen op artikel 8 van het EVRM. Om die gevolgen te ondervangen zijn er zowel in het voorstel voor de Asielnoodmaatregelenwet als ook in de onderhavige wetsvoorstel maatregelen genomen om tot een efficiëntere asielprocedure te komen, zoals het schrappen van de voornemenprocedure en zijn er extra financiële middelen vrijgemaakt voor de uitvoering.
Vraag 189
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de verblijfsvergunning asiel wordt verleend met ingang van de dag na de bekendmaking van de beschikking. Hoe verhoudt deze beslissing zich tot de declaratoire werking van vluchtelingschap?
Een vreemdeling mag gedurende de procedure in Nederland blijven en wordt aldus reeds beschermd tegen refoulement. Dit vloeit voort uit het Unierecht en de implementatie daarvan in de Vw 2000. De verlening van de verblijfsvergunning asiel met ingang van de dag na de bekendmaking van de beschikking doet geen afbreuk aan de declaratoire werking van het vluchtelingschap. Die laat onverlet dat formeel erkend moet worden dat de vreemdeling vluchteling is en dat de status moet worden toegekend door middel van verlening van een verblijfsvergunning asiel. In de meeste EU-lidstaten wordt als ingangsdatum dit moment na het verlenen van de asielvergunning gehanteerd. Door de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel vast te stellen op de dag na de bekendmaking van de beschikking, wordt aangesloten bij het minimale Unierechtelijke vereiste.
Vraag 190
Betekent dit dat vluchtelingen veel later in aanmerking komen voor een eventuele vergunning EU-langdurig ingezetenschap of naturalisatie?
Voor de eventuele vergunning EU-langdurig ingezetenschap is dat gevolg er niet. Artikel 40 van de Kwalificatieverordening bevat een wijziging van de Richtlijn langdurig ingezetenen op grond waarvan de periode tussen de datum van de indiening van de asielaanvraag en de datum van afgifte van de verblijfstitel in beginsel volledig meetelt bij de berekening van de periode van vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf die is vereist om in aanmerking te komen voor de EU-langdurig ingezetenestatus.
Voor naturalisatie is het juist dat het langer duurt voordat een asielstatushouder kan naturaliseren. Naturalisatie via de route van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd is niet langer een mogelijkheid. In het coalitieakkoord is daarom het voornemen opgenomen dat naturalisatie mogelijk wordt gemaakt op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning: wie tweemaal een tijdelijke verblijfsvergunning heeft gekregen én aan de taaleis voldoet mag na zes jaar naturaliseren.
De leden van de CDA-fractie lezen dat nareizende gezinsleden van een vreemdeling die de subsidiaire beschermingsstatus heeft, in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29d Vreemdelingenwet 2000 indien onder andere de vreemdeling met subsidiaire bescherming zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Vraag 191
Kan de regering toelichten wat hier precies onder wordt verstaan en wat niet?
Zoals aangekondigd tijdens de parlementaire behandeling van de Wet invoering tweestatusstelsel wordt met het invoeren van een middelenvereiste aansluiting gezocht bij het middelenvereiste in reguliere zaken. Dat zal gebeuren door in het Uitvoerings- en implementatiebesluit Asiel- en migratiepact de artikelen 3.73 tot en met 3.75 van het Vreemdelingenbesluit 2000 van overeenkomstige toepassing te verklaren. In deze artikelen zijn regels gesteld over dit zogeheten middelenvereiste en de elementen ‘voldoende’, ‘zelfstandig’ en ‘duurzaam’, en is op hoofdlijnen uitgewerkt in welke gevallen aan deze voorwaarden wordt voldaan. De zinsnede ‘in ieder geval’ uit artikel 3.74, eerste lid, is niet van toepassing verklaard. Dat betekent dat de middelen van bestaan als bedoeld in artikel 29a, derde lid, aanhef en onder b, Vw 2000 slechts voldoende zijn als zij ten minste gelijk zijn aan het minimumloon. Zoals aangegeven in de memorie van toelichting bij de Wet invoering tweestatusstelsel is de Gezinsherenigingsrichtlijn niet van toepassing op subsidiair beschermden en kiest de regering ervoor om de Gezinsherenigingsrichtlijn ook niet langer analoog toe te passen op deze groep
Vraag 192
En wanneer wordt de AMvB gepubliceerd waarin nadere regels worden gesteld?
Het Uitvoerings- en implementatiebesluit Asiel- en migratiepact is van 24 november 2025 tot en met 5 januari 2026 in internetconsultatie is geweest. Op dit moment worden de consultatiereacties verwerkt. Zodra dit wetsvoorstel door de Tweede Kamer is aangenomen zal het besluit ter advisering bij de Afdeling advisering van de Raad van State worden ingediend. Publicatie van het besluit in het Staatsblad zal plaatsvinden wanneer onderhavig wetsvoorstel door de Eerste Kamer is aanvaard.
De leden van de CDA-fractie lezen dat alleenstaande minderjarige kinderen worden uitgezonderd van het inkomens- en huisvestingsvereiste, maar niet van de wachttermijn van twee jaar.
Vraag 193
De regering schrijft dat het stellen van een wachttermijn kan bijdragen aan het verminderen van het vooruitreizen van alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Deze leden vragen of dit inderdaad de verwachting is, en wat het inhoudt voor de procedure als de alleenstaande minderjarige vreemdeling tijdens de wachttermijn meerderjarig wordt.
Het klopt dat het de verwachting van het kabinet is dat het stellen van een wachttermijn kan voorkomen dat alleenstaande minderjarige vreemdelingen vooruit worden gestuurd. Uit de huidige regelgeving volgt dat wanneer een alleenstaande minderjarige vreemdeling een nareisaanvraag indient, de leeftijd die hij had ten tijde van de asielaanvraag wordt aangehouden bij de beoordeling van de nareisaanvraag.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de beperking van de mogelijkheid tot nareis als gezinslid tot gehuwde partners en minderjarige kinderen onverlet laat dat ongehuwde levenspartners en meerderjarige kinderen zich kunnen beroepen op het recht op eerbiediging van het gezinsleven zoals neergelegd in artikel 8 EVRM. Bij de aanvraag wordt telkens een individuele belangenafweging gemaakt als er sprake is van een gezinsleven.
Vraag 194
Deze leden vragen wat de verwachting is van de druk die op de rechtspraak komt te liggen met deze maatregel.
De toetsing aan artikel 8 EVRM, die in dergelijke gevallen van toepassing blijft, is complexer en omvangrijker dan de reguliere nareistoets. Dit betekent een structurele toename van de behandeltijd van beroepszaken bij de rechtbank. De Raad voor de rechtspraak heeft deze omstandigheid betrokken bij de ramingen van de totale effecten van de toegenomen complexiteit per zaak
Vraag 195
De leden van de JA21-fractie vragen wat de huidige termijn is waarop aanvragen voor gezinshereniging in behandeling kunnen worden genomen. Is deze de afgelopen zes maanden toegenomen?
De regering vooronderstelt dat de leden doelen op nareisaanvragen. Op de IND website is een prognose zichtbaar van wanneer nareisaanvragen in behandeling worden genomen. Hoewel de voorraad van openstaande nareisaanvragen sinds januari 2025 langzaam afneemt, heeft dit – gelet op de hoge instroom van nareisaanvragen in de voorbije jaren – vooralsnog niet voor alle nareisaanvragen geleid tot een kortere termijn waarin de aanvragen in behandeling kunnen worden genomen. Nareisaanvragen voor echtgenoten en minderjarige kinderen worden al wel steeds sneller in behandeling genomen.
Vraag 196
Hoeveel statushouders wachten nu op de behandeling van een aanvraag voor gezinshereniging?
Op 25 februari 2026 waren er circa 14.040 statushouders met één of meerdere openstaande nareisaanvragen (incl. 8 EVRM bij nareis).
Vraag 197
In hoeverre wordt nu bij aanvragen voor gezinshereniging door minderjarige vreemdelingen getoetst of de gezinshereniging ook in een ander land kan plaatsvinden, dat wil zeggen: het land waar de ouders zich nog bevinden, indien dat als veilig land wordt beschouwd?
Als gezinshereniging ook in een ander land, zoals het land waar de ouders verblijven, kan plaatsvinden, wordt dit bij de beoordeling van mvv-nareisaanvragen die zijn ingediend door alleenstaande minderjarige vreemdelingen in het algemeen niet tegengeworpen.
Vraag 198
Wat verklaart de toename van de instroom van minderjarige asielzoekers naar Nederland?
Het aandeel alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv) binnen de eerste asielaanvragen is weliswaar toegenomen van 12% in 2024 naar 15% in 2025, maar het absolute aantal amv dat asiel aanvraagt in Nederland is gedaald. In 2024 deden 3.940 amv een eerste asielaanvraag. In 2025 was dit met 11% gedaald naar 3.510 amv.
Vraag 199
Meent de regering dat Nederland nu aantrekkelijker is voor deze jongeren dan andere Europese landen en in hoeverre heeft dat te maken met specifieke Nederlandse invulling van de Europese regels? Kan de regering dit toelichten?
Eerder heeft het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) een kwalitatief onderzoek verricht naar de beweegredenen van alleenstaande minderjarige vreemdelingen om voor Nederland te kiezen, dan wel de redenen waarom zij in Nederland terechtkomen (Kamerstukken II 2023/24, 27 062, nr. 137). Op hoofdlijnen geldt dat veel amv’ers die in Nederland asiel hebben aangevraagd, zonder een beoogde bestemming waren vertrokken of beoogden om naar ‘Europa’ te gaan. Het onderzoek van het WODC bevestigde echter ook dat Syrische amv’ers hierop een uitzondering vormen. De beoogde bestemming van Syrische jongeren, bleek vaak Nederland. Deze groep is goed geïnformeerd over de mogelijkheden tot verblijfsrecht en gezinshereniging in Nederland.
Op dit moment verricht het WODC nader kwalitatief onderzoek naar deze beweegredenen, waarbij aandacht is of en in hoeverre asielprocedures, inclusief gezinshereniging, volgens de jongeren hier een rol in spelen in verhouding tot andere factoren. De regering verwacht uw Kamer na het zomerreces over de uitkomsten hiervan te informeren.
4.6 Afschaffen verblijfsvergunning asiel onbepaalde tijd
Vraag 200
De leden van de PVV-fractie vragen of, en onder welke voorwaarden, vreemdelingen met een asielvergunning voor bepaalde tijd een Nederlands paspoort aan kunnen vragen.
Vanwege het afschaffen van de verblijfsvergunning asiel onbepaalde tijd is het voor statushouders niet langer mogelijk om via die route te naturaliseren. Wel blijft de mogelijkheid bestaan om – onder voorwaarden - na vijf jaar rechtmatig verblijf de EU-langdurig ingezetenestatus of een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd aan te vragen om op die manier na verloop van tijd in aanmerking te kunnen komen voor naturalisatie.
Daarbij is het relevant te verwijzen naar de voorgenomen plannen in het coalitieakkoord. Asielzoekers met een goede kans op een verblijfsvergunning krijgen na drie maanden in de asielprocedure het recht om aan het werk te gaan. De administratieve rompslomp wordt geschrapt door een alternatief voor de tewerkstellingsvergunning in te voeren. Kansrijke asielzoekers krijgen vanaf het begin hulp en bemiddeling naar werk om sneller te kunnen integreren. Daarnaast zal direct aan het begin van de asielprocedure worden gestart met taalles voor kansrijke asielzoekers. Ten slotte wordt naturalisatie mogelijk gemaakt op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Wie tweemaal een tijdelijke verblijfsvergunning heeft gekregen én aan een taaleis op niveau B1 voldoet mag na 6 jaar naturaliseren
Vraag 201
Ook vragen zij of de regering een inschatting kan maken van hoeveel vreemdelingen hier gebruik van zullen maken.
Het is op dit moment niet mogelijk om met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd een Nederlands paspoort aan te vragen. Deze inschatting is nu nog niet goed te maken.
Vraag 202
Verder vragen deze leden hoeveel vreemdelingen met een asielvergunning voor bepaalde tijd gebruik zullen gaan maken van de EU-langdurig ingezetene status en hoeveel de regering verwacht in te willigen.
Om in aanmerking te komen voor een EU-langdurig ingezetene status moet de vreemdeling 5 jaar ononderbroken en direct voorafgaand aan de aanvraag rechtmatig verblijf in Nederland hebben gehad. Daarnaast moet de vreemdeling zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikken, aan het inburgeringsvereiste voldoen en een toereikende ziektekostenverzekering hebben. Hoeveel vreemdelingen met een verblijfsvergunning asiel voldoen aan de voorwaarden voor een EU-langdurig ingezetene status en een aanvraag in zullen dienen, valt op voorhand niet te voorspellen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de Kwalificatieverordening vereist dat lidstaten een asielvergunning afgeven van drie jaar of tenminste één jaar (in het geval van subsidiair beschermden). Hieruit maken deze leden niet op dat een vergunning van onbepaalde tijd niet mag van het Pact, met name door het woord ‘tenminste’. Hierover hebben deze leden de volgende vragen en vragen zij gelieve deze afzonderlijk te beantwoorden.
Vraag 203
Kan de regering toelichten waarom zij van mening is dat de afschaffing van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd dwingend volgt uit het Pact?
Een wezenskenmerk van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd was dat deze niet kon worden ingetrokken als de redenen die aanleiding vormden om de verblijfsvergunning te verlenen niet langer bestonden. Met het van toepassing worden van het Asiel- en migratiepact is dit niet langer mogelijk. De Kwalificatieverordening bevat vanaf dat moment het beoordelingskader waaraan de verlening van een verblijfsstatus moet worden getoetst. Uit artikel 14 en 19 van de Kwalificatieverordening volgt dat een vluchtelingenstatus of subsidiaire beschermingsstatus moet worden ingetrokken als de vreemdeling niet langer voldoet aan de verleningsvoorwaarden. Daarmee kan de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in de vorm waarin we die op dit moment in ons land kennen niet blijven bestaan.
Vraag 204
Zijn er andere EU-lidstaten die hierin een andere afweging maken?
Het onderscheid tussen asielvergunningen voor bepaalde en voor onbepaalde tijd, kent het Unierecht niet. Uit jurisprudentie van het EU Hof inzake de huidige Kwalificatierichtlijn volgt dat een internationale beschermingsstatus móet worden ingetrokken, wanneer er geen gronden (meer) zijn voor internationale bescherming. Het ontbreken van de mogelijkheid tot intrekken als de rechtsgrond voor verlening is komen te vervallen - zoals bij de vergunning onbepaalde tijd het geval – is zoals hiervoor reeds toegelicht strijdig met de Kwalificatieverordening. Het is dan ook onwaarschijnlijk dat andere lidstaten een vergelijkbare nationale verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd asiel kennen
Vraag 205
Stopt Frankrijk met de verstrekking van de ‘Carte de dix ans’ vergunning?
Die signalen zijn er op dit moment niet.
Vraag 206
Waarom wil de regering afwijken van de vaste praktijk die de EU-wetgever schetst in de preambule punt 100 Procedureverordening dat lidstaten ervoor zorgdragen dat binnen tien jaar de meeste vluchtelingen een permanente status hebben of al genaturaliseerd zijn? Wat is volgens de regering de meerwaarde van afschaffing?
Zoals in antwoord op vraag 203 uiteen is gezet liggen er goede redenen aan de maatregel tot afschaffen van de asielvergunning voor onbepaalde tijd ten grondslag. De regering is van mening dat er desalniettemin voldoende mogelijkheden zijn voor asielstatushouders om binnen de genoemde termijn van tien jaren een permanent verblijf te verkrijgen in Nederland.
Zo kunnen statushouders na minimaal vijf jaar onder voorwaarden, zoals een inkomensvereiste, in aanmerking komen voor de EU-status als langdurig ingezetene of een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.
Daarbij is het relevant te verwijzen naar de voorgenomen plannen in het coalitieakkoord. Asielzoekers met een goede kans op een verblijfsvergunning krijgen na drie maanden in de asielprocedure het recht om aan het werk te gaan. De administratieve rompslomp wordt geschrapt door een alternatief voor de tewerkstellingsvergunning in te voeren. Kansrijke asielzoekers krijgen vanaf het begin hulp en bemiddeling naar werk om sneller te kunnen integreren. Daarnaast zal direct aan het begin van de asielprocedure worden gestart met taalles voor kansrijke asielzoekers. De maatregelen dragen er aan bij dat de statushouder kan voldoen aan de gestelde eisen voor langdurig verblijf.
Ten slotte wordt naturalisatie mogelijk gemaakt op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Wie tweemaal een tijdelijke verblijfsvergunning heeft gekregen én aan een taaleis op niveau B1 voldoet mag na 6 jaar naturaliseren
Vraag 207
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat de regering zich voor de afschaffing van de vergunning onbepaalde tijd (die dus niet ingetrokken kan worden bij gewijzigde situatie in het land van herkomst) deels baseert op jurisprudentie van het EU-Hof. Hierin wordt verwezen naar Bilali (2019) en M’Bodj (2014). Maar zien deze beide casussen niet op onterecht verleende beschermingsstatussen die moesten worden ingetrokken en niet op een veranderde omstandigheid in het land van herkomst?
In beide arresten bevestigt het Hof in algemene zin dat het in strijd is met de Kwalificatierichtlijn om de daarin opgenomen statussen (vluchtelingschap en subsidiaire bescherming) toe te kennen als sprake is van een situatie die geen enkel verband houdt met de logica van internationale bescherming. De werkingssfeer van de richtlijn strekt zich volgens het Hof niet uit tot personen die om andere redenen toestemming hebben om te verblijven op het grondgebied van de lidstaten (bijvoorbeeld op humanitaire gronden). De nieuwe Kwalificatieverordening stelt vergelijkbare beoordelingskaders voor erkenning en intrekking van internationale bescherming. Een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd die niet kan worden ingetrokken als er geen grond meer bestaat voor internationale bescherming zou strijdig zijn met de opzet en het doel van de Kwalificatieverordening
Vraag 208
Hoe ziet de regering gelijke behandeling van statushouders in het werkveld en de toegang tot werk van statushouders gezien een tijdelijke verblijfsvergunning arbeidsparticipatie in de weg staat?
De aanname dat een tijdelijke verblijfstitel arbeidsparticipatie in de weg staat volgt de regering niet. De verleende internationale bescherming met de daaraan gekoppelde rechten onder meer met betrekking tot werk en participatie blijft rechtsgeldig, zolang er geen redenen zijn om deze in te trekken. Houders van een tijdelijke verblijfstitel zullen daarbij juist gestimuleerd blijven worden om te participeren. Na minimaal vijf jaar kunnen statushouders in aanmerking komen voor de EU-status als langdurig ingezetene of een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd waarbij onder meer aan het inkomensvereiste moet worden voldaan. De regering verwacht dat hier een positieve stimulans vanuit gaat voor de integratie en participatie van statushouders.
Vraag 209
Hoe valt de gestelde verplichting tot afschaffing van een verblijfsvergunning van onbepaalde tijd te rijmen met de voor onbepaalde tijd geldige EU-verblijfsvergunning als langdurig ingezetene die wel mag worden toegekend?
Zoals hiervoor gesteld kent het Unierecht niet het onderscheid tussen asielvergunningen voor bepaalde en voor onbepaalde tijd. Uit jurisprudentie van het EU Hof volgt dat een internationale beschermingsstatus móet worden ingetrokken, wanneer er geen gronden (meer) zijn voor internationale bescherming. Het ontbreken van de mogelijkheid tot intrekken als de rechtsgrond voor verlening is komen te vervallen - zoals bij de asielvergunning onbepaalde tijd het geval is – is strijdig met het Unierecht.
Vreemdelingen die internationale bescherming genieten kunnen, gelijk aan andere onderdanen van derde landen die vijf jaar legaal en ononderbroken verblijf hebben genoten onder voorwaarden waaronder het inkomensvereiste, de status van langdurig ingezetene verwerven. Op de betreffende EU-verblijfsvergunning wordt de opmerking geplaatst dat de vreemdeling tevens internationale bescherming geniet. De EU status voor langdurig ingezetenen is anders dan de huidige asielvergunning voor bepaalde tijd niet gestoeld op de internationale beschermingsgrond. Indien daar aanleiding toe bestaat zal de internationale bescherming die de statushouder geniet moeten worden ingetrokken. Dit hoeft echter geen gevolgen te hebben voor zijn verblijfsrecht aangezien de vreemdeling de EU status heeft. De aantekening van internationale bescherming zal in dit voorbeeld wel moeten worden verwijderd. De vergelijking zoals die in de vraagstelling wordt gemaakt tussen de verblijfsvergunning van onbepaalde tijd en de EU-verblijfsvergunning gaat vanwege het verschillende karakter van de vergunningen niet op
Vraag 210
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat voor een EU-verblijfsvergunning als langdurig ingezetene een inkomenseis geldt, wat betekent dat een groot deel van de vluchtelingen altijd in onzekerheid over een verblijfsvergunning zal verkeren. Welk effect heeft dat volgens de regering op deze vluchtelingen, op hun participatie en op de maatschappij?
Vreemdelingen die willen beschikken over een verblijfsvergunning die niet afhankelijk is van de omstandigheden op grond waarvan de vluchtelingen- of subsidiaire beschermingsstatus oorspronkelijk werd verleend, kunnen een aanvraag indienen voor de EU-status als langdurig ingezetene. Om daarvoor in aanmerking te komen, dient, zoals door de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie terecht opmerken, aan onder meer het inkomensvereiste te worden voldaan. De regering verwacht dan ook dat dit een positieve stimulans zal betekenen voor de integratie van statushouders die willen beschikken over een verblijfsvergunning die niet afhankelijk is van de omstandigheden op grond waarvan de vluchtelingen- of subsidiaire beschermingsstatus oorspronkelijk werd verleend.
Vraag 211
Mogen landen het niveau van dit inkomensvereiste zelf stellen?
Ja, met dien verstande dat voldaan moet worden aan de voorwaarden van artikel 5, eerste lid, onder a, van de Richtlijn langdurig ingezetenen. Het moet gaan om vaste en regelmatige inkomsten die voldoende zijn om zichzelf en de gezinsleden te onderhouden zonder een beroep te hoeven doen op het stelsel van sociale bijstand van de betrokken lidstaat. De lidstaten beoordelen deze inkomsten afgaande op de aard en de regelmaat ervan, waarbij zij rekening mogen houden met het niveau van het minimumloon en minimumpensioen voordat het verzoek om toekenning van de status van langdurig ingezetene werd ingediend. Voor verblijf in een tweede lidstaat bevat artikel 15, tweede lid, onder a, van de richtlijn dezelfde voorwaarden. Hierover is jurisprudentie van het EU-Hof van Justitie, waaruit ook voortvloeit dat het nuttig effect niet aan de richtlijn mag worden ontnomen.
Vraag 212 en 213
Voor reguliere migranten bestaat de mogelijkheid om na tien jaar zonder inkomenseis een vergunning onbepaalde tijd regulier te verwerven. Wat is het gerechtvaardigd onderscheid om vluchtelingen een minder goede rechtspositie te geven dan reguliere migranten? Moet voor vluchtelingen waar immers sprake is van gedwongen migratie en een lagere kans op het voldoen aan een inkomensvereiste niet juist geen of een soepeler inkomensvereiste worden gehanteerd, waarbij de nadruk ligt op een inspanningsverplichting?
Zoals hiervoor toegelicht zal de regering om goede redenen en onder verwijzing naar het Unierecht de asielvergunning voor onbepaalde tijd afschaffen. De mogelijkheid blijft bestaan voor een asielstatushouder om onder voorwaarden in aanmerking te komen voor een permanente verblijfsvergunning. De regering benadrukt daarbij het belang van een integratie en participatie en zal dat op diverse wijzen stimuleren door onder meer taalles en het recht op werk reeds in een vroegtijdig stadium van hun verblijf in Nederland. Voorts wordt conform de plannen van deze regering de mogelijkheid gecreëerd om ná zes jaren rechtmatig verblijf op basis van een tijdelijke vergunning in aanmerking te kunnen komen voor naturalisatie indien wordt voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden.
Vraag 214
Wat is de planning voor het mogelijk maken van naturalisatie voor individuen van wie tweemaal de verblijfsvergunning is verlengd, zoals opgeschreven in het Coalitieakkoord 2026-2030 op pagina 40?
De regering zal u die planning zo snel mogelijk doen toekomen.
Vraag 215
Hoe verhoudt het afschaffen van de verblijfsvergunning onbepaalde tijd zich tot de belofte in het Coalitieakkoord ‘Meedoen wordt de norm’? Erkent de regering dat meedoen bemoeilijkt wordt als statushouders jaren in onzekerheid blijven?
De regering is van mening dat met de voorgenomen maatregelen ‘meedoen’ wordt gestimuleerd. Het is van groot belang dat asielstatushouders integreren en participeren in de Nederlandse maatschappij. Dit wordt enerzijds gestimuleerd door eisen te stellen aan een permanent verblijfsrecht in Nederland en anderzijds door de benodigde hulp te bieden bij het vroegtijdig leren van de taal en het vinden van werk.
Vraag 216
De leden van de VVD-fractie constateren dat de verblijfsvergunning EU-langdurig ingezetene een alternatief zal worden voor vreemdelingen die een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wensen te bemachtigen. In hoeverre bestaat er volgens de regering in Nederland nog ruimte om de voorwaarden voor het verkrijgen van de EU-langdurig ingezetene status verder aan te scherpen?
Hiervoor bestaat naar het oordeel van de regering thans geen ruimte. De voorwaarden voor de verblijfsvergunning EU-langdurig ingezetenen zijn streng en ook strenger dan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Minder vreemdelingen zullen hiervoor in aanmerking komen. Naast een rechtmatig verblijf van ten minste vijf jaar, moet de vreemdeling regelmatige inkomsten hebben zonder dat daarvoor een beroep moet worden gedaan op de sociale bijstand, een ziektekostenverzekering hebben alsook aan integratievoorwaarden (het inburgeringsexamen) hebben voldaan. Daarbij komt dat de behandeling van deze aanvragen veelal meer besliscapaciteit kost dan de aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd vanwege de extra voorwaarden waaraan moet worden getoetst. In sommige gevallen is de toetsing erg complex.
Vraag 217
De leden van de JA21-fractie constateren dat om in aanmerking te komen voor de EU-status van langdurig ingezetene de aanvrager het inburgeringsexamen moet hebben gedaan. Welke eisen mogen aan dit inburgeringskader worden gesteld op grond van Europese wetgeving en in hoeverre zijn de eisen waaraan moet worden voldaan en de procedure voor het afnemen van het examen, facultatief?
De richtlijn langdurig ingezetenen bevat geen eisen voor het inburgeringskader. Artikel 5, derde lid, van de richtlijn bepaalt dat de lidstaten voor het verkrijgen van de status van langdurig ingezetene mogen eisen dat onderdanen van derde landen voldoen aan integratievoorwaarden overeenkomstig het nationaal recht. Indien de langdurig ingezetene gebruik maakt van zijn recht om in een andere EU-lidstaat te verblijven, mag die tweede lidstaat voor de aldaar aan te vragen verblijfsvergunning ook het vereiste stellen dat de langdurig ingezetene voldoet aan integratievoorwaarden, tenzij de betrokkene in de eerste lidstaat aan integratievoorwaarden heeft moeten voldoen om de status van langdurig ingezeten te verwerven. In het laatste geval mag van de betrokkenen wel worden verlangd dat zij deelnemen aan taalcursussen. Uit de jurisprudentie van het EU-Hof van Justitie vloeit voort dat de wijze waarop daaraan uitvoering wordt gegeven de verwezenlijking van de met deze richtlijn nagestreefde doelen (vergemakkelijking van de integratie van derdelanders die duurzaam in de lidstaten zijn gevestigd) niet in gevaar mag brengen.
5. Uitvoering Procedureverordening (EU) 2024/1348
5.1. Algemeen
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het van groot belang dat de procedures zorgvuldig zullen plaatsvinden en dat het afschaffen van procedurele waarborgen geen invloed heeft op de zorgvuldigheid van de feitenvaststelling en de besluitvorming. Ook is er op deze manier een risico dat de werklast verschuift naar de rechterlijke macht doordat er waarschijnlijk meer procedures en beroepen plaatsvinden. Zij hebben hier enkele vragen bij en vragen gelieve deze afzonderlijk te beantwoorden.
Vraag 218
Hoe verhouden het afschaffen van procedurele stappen zoals het aanmeldgehoor, de rust- en voorbereidingstijd, het voornemen, de zienswijze en het recht op rechtsbijstand voorafgaand aan het gehoor zich tot de waarborgen van het bestuursrechtelijke zorgvuldigheidsbeginsel en de Europeesrechtelijke verplichting dat asielzoekers zich goed moeten kunnen voorbereiden op hun gehoor?
Het voornemen tot het afschaffen van procedurele stappen heeft betrekking op onverplichte procedurestappen. Het uitgangspunt is en blijft dat elke asielzoeker wordt gehoord voorafgaande aan een beslissing over de gegrondheid van de asielaanvraag. In dit gehoor krijgt de asielzoeker uitgebreid de gelegenheid om zijn motieven naar voren te brengen. Daarnaast zal de IND, aan het eind van het gehoor, nóg nadrukkelijker vragen of alle elementen in voldoende mate naar voren zijn gekomen en of de aanvrager voldoende in de gelegenheid is geweest om te reageren op omstandigheden die de geloofwaardigheid negatief kunnen beïnvloeden. Hierbij blijft het uitgangspunt dat het dossier volledig is en dat er geen onduidelijkheid bestaat over de verklaringen van de aanvrager waarop het besluit – mede – wordt gebaseerd voordat het besluit wordt genomen. De regering meent derhalve dat ook na het afschaffen van procedurele stappen de asielaanvraag voldoende zorgvuldig wordt behandeld en beslist.
Vraag 219
Worden de negatieve gevolgen van het wegvallen van deze waarborgen gecompenseerd met alternatieve procedurele stappen, bijvoorbeeld in de voorlichting van asielzoekers?
Het uitgangspunt van de nieuwe asielprocedure zoals deze vanaf 12 juni 2026 van toepassing zal worden blijft dat het dossier volledig is en er geen onduidelijkheid bestaat over de verklaringen van de aanvrager waarop het besluit – mede – wordt gebaseerd. Ook zonder de benoemde procedurestappen, zal dit uitgangspunt kunnen worden gewaarborgd. Een noodzaak tot compensatie van de stappen die komen te vervallen, wordt dan ook niet gedeeld.
Vraag 220
De IND stelde in het NOS-artikel van 11 februari 2026 dat de rechter nu in ongeveer 15 procent van de gevallen aangeeft dat een IND-procedure niet zorgvuldig genoeg is geweest.2 Zij verwachten dat dit onder het Pact wellicht 16 of 17 procent zal worden. Kan de regering aangeven waar deze inschatting op is gebaseerd?
Deze inschatting is gebaseerd op het onderzoek van de IND naar aanleiding van het afschaffen van het voornemen, dat in 10% van de zaken waarin eerst een voornemen werd uitgebracht uiteindelijk een inwilligend besluit is genomen. Hieruit kan afgeleid worden dat de zienswijze vanuit de advocatuur in de asielprocedure tot een ander inzicht heeft geleid. Overigens kan het voornemen om eerst af te wijzen en daarna toch in te willigen ook gebaseerd zijn op nagekomen documenten, veranderend beleid of nieuwe informatie van de zijde van de vreemdeling. Door het afschaffen van het voornemen zal de discussie over de juistheid van het besluit zich meer gaan verplaatsen naar de beroepsfase. Tegelijk verwacht de IND met de komst van een nieuw asielproces met nieuwe Europese regels dat ook meer beroepen zullen wordt ingediend en er ook meer geschillen zullen zijn over de uitleg van al deze nieuwe regels. Dit leidt tot een inschatting dat vooral de eerste periode na de implementatie van het pact het percentage gegrondverklaringen wat zal stijgen.
Om te voorkomen dat onzorgvuldig voorbereide besluiten in beroep worden behandeld en hiermee een onnodig beroep wordt gedaan op de capaciteit van rechtbanken, gaat de IND een screeningsproces inrichten voordat zaken in beroep worden behandeld. Indien een zaak niet gerepareerd kan worden in de beroepsfase, zal een nieuw of aanvullend besluit genomen worden.
Vraag 221
Hoe verhoudt deze inschatting zich tot de inschatting van de Rvdr, waarin zij stelt dat de maatregelen zorgen voor een toename van de doorlooptijden en duizend extra asielzaken per jaar?
De regering erkent dat vooral de invoering van het tweestatusstelsel in combinatie met de aangescherpte nareisvoorwaarden voor subsidiair beschermden tot een toename van het aantal beroepzaken zal gaan leiden. Het afschaffen van de voornemenprocedure zal vooral in het begin tot meer beroepen leiden maar de verwachting is ook dat het zich daarna weer zal stabiliseren.
Vraag 222
Een van de wijzigingen die wordt doorgevoerd met deze implementatiewet is de inkorting van asielprocedures met kortere termijnen in de besluitvorming, zo lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie. Zijn er waarborgen om die nieuwe termijnen, ondanks de bestaande lange wachttijden, te halen? Zo ja, welke?
Met het van toepassing worden van het Asiel- en migratiepact wordt de nieuwe instroom met prioriteit behandeld. Dit betekent dat de nieuwe instroom wordt bijgehouden. De nieuwe asielprocedure bevat minder verplichte procedurele stappen waardoor deze flexibeler en korter is, zonder in te leveren op procedurele waarborgen en kwaliteit. Om deze redenen verwacht de IND de kortere termijn van de nieuwe asielprocedure te halen.
Vraag 223
Als er gebruik wordt gemaakt van een tweesporenbeleid waarin nieuwe aanvragen met voorrang worden behandeld, hoe wordt dan voorkomen dat de wachttijden van de bestaande voorraad nog verder oplopen?
Wanneer het Asiel- en migratiepact van toepassing wordt werkt de IND met een nieuwe asielprocedure waarin alle instroom binnenkomt en met prioriteit wordt behandeld. Er komen dan geen nieuwe zaken meer binnen op de bestaande voorraad waardoor deze niet verder oploopt. Echter, het is van belang dat ook de zaken in de liggende voorraad worden behandeld en aanvragers niet té lang moeten wachten. Daarom werkt de IND aan een plan van aanpak voor de liggende voorraad.
Vraag 224
Hoe ziet de regering het feit dat er in het verleden aparte regelingen moesten worden opgetuigd om de beslisachterstanden op te lossen in relatie tot het tweesporenbeleid?
Om de instroom bij te houden zal een groot deel van de IND-capaciteit daarop ingezet worden. Dit heeft als doel de kortere termijnen uit het Pact te halen en nieuwe hoge voorraden zoveel mogelijk te voorkomen. De resterende capaciteit zal ingezet worden op het wegwerken van de aanvragen die zijn ingediend voor 12 juni 2026. Op dit moment wordt gewerkt aan een plan van aanpak met betrekking tot het afdoen van deze zaken.
Vraag 225
Ziet de regering het risico dat er weer asielzoekers jaren zullen moeten wachten in Nederland?
De regering verwijst naar de beantwoording van de vragen 223 en 224.
Vraag 226
Als nu al wachtende asielzoekers nog langer in de procedure moeten blijven, wordt daar dan rekening mee gehouden bij de toepassing van aanvullende nareisvoorwaarden om een onaanvaardbaar lange scheiding van familieleden in het licht van artikel 8 EVRM te voorkomen?
De regering acht de aanvullende voorwaarden voor nareis van kerngezinsleden van subsidiair beschermden proportioneel. Dit laat onverlet dat indien een aanvraag tot nareis wordt afgewezen omdat niet aan de aanvullende voorwaarden wordt voldaan, ambtshalve aan artikel 8 van het EVRM zal worden getoetst. Bij deze toets wordt – indien sprake is van gezinsleven – een belangenafweging verricht waarbij de individuele feiten en omstandigheden centraal staan. Hoe zwaar die belangen wegen wordt steeds per concreet geval bepaald.
Vraag 227
De leden van de JA21-fractie vragen wat het gevolg is als geen geluidsopname wordt gemaakt van het persoonlijk onderhoud, maar wel een schriftelijk verslag. Welke gevolgen heeft dat voor het verzoek en de procedure?
Het opnemen van het gehoor is een verplichting opgenomen in artikel 24, tweede lid van de Procedureverordening en een waarborg voor de vreemdeling. Als er onverhoopt geen opname wordt gemaakt van het persoonlijk onderhoud, bijvoorbeeld door een technische storing, kan dit tot gevolg hebben dat het persoonlijk onderhoud opnieuw moet worden afgenomen. Omdat de procedure flexibel wordt ingericht en er dus snel een nieuw persoonlijk onderhoud gepland kan worden, zal dit naar verwachting niet heel veel vertraging opleveren.
Vraag 228
In hoeverre wordt voorzien in het gebruik van artificial intelligence (AI) om verhoren te vertalen, accenten te herkennen en daarmee het land en de regio van herkomst te kunnen inschatten, en/of om het onderhoud om te zetten in schriftelijke teksten? Welke kansen ziet de regering daarbij?
De IND kijkt onder meer naar de inzet van AI, als ondersteunend hulpmiddel, bijvoorbeeld door het geautomatiseerd kunnen samenvatten van stukken. De IND onderzoekt de mogelijkheden om gesproken tekst tijdens persoonlijk onderhoud om te zetten in geschreven tekst (speech-to-tekst), deze techniek is nog in ontwikkeling. Daarnaast zet de IND AI in tijdens de beroepsprocedure, bijvoorbeeld door screening aan de voorkant te ontwikkelen (zie antwoord vraag 220) in de beroepsprocedure.
Vraag 229
Wat gebeurt er als zaken in de versnelde procedure niet tijdig beoordeeld zijn?
Het overschrijden van de termijn voor de versnelde procedure leidt niet automatisch tot het omzetten naar de niet-versnelde procedure. De IND is in dat geval te laat met beslissen en zal er alsnog naar streven om de aanvraag zo snel mogelijk af te ronden.
De leden van de BBB-fractie constateren dat de Procedureverordening beoogt de regels voor de behandeling van asielaanvragen in de EU zoveel mogelijk gelijk te trekken en dat lidstaten daardoor nog maar weinig ruimte hebben voor eigen procedureregels. Het doel is om verschillen tussen nationale asielprocedures te verkleinen en de afhandeling sneller en uniformer te maken. Voor Nederland betekent dit dat verschillende bekende nationale procedureonderdelen verdwijnen. Zo vervallen onder meer de rust- en voorbereidingstermijn (de periode waarin een asielzoeker zich kan voorbereiden op de procedure), de vaste procesdagen en de voornemenprocedure (waarbij eerst een schriftelijk voornemen tot afwijzing wordt uitgebracht waarop de asielzoeker kan reageren). De procedure wordt flexibeler ingericht en minder formeel opgebouwd. Het gehoor (het persoonlijk interview) wordt het centrale moment in de asielprocedure. Er zijn geen verplichte extra schriftelijke rondes meer waarin standpunten worden uitgewisseld. De nadruk ligt dus sterker op het mondelinge onderzoek tijdens het gehoor. Daarnaast stelt de verordening strikte termijnen voor de afhandeling van asielzaken: niet-ontvankelijkheidsprocedures (bijvoorbeeld als een andere lidstaat verantwoordelijk is) moeten in principe binnen twee maanden worden afgerond, versnelde procedures moeten binnen drie maanden worden afgerond en reguliere procedures moeten binnen zes maanden worden afgerond. Verlenging van deze termijnen is slechts in beperkte gevallen mogelijk.
De leden van de BBB-fractie constateren dat na een rechterlijke uitspraak de druk wordt opgevoerd: als de rechter een besluit vernietigt, moet de overheid binnen een verkorte termijn opnieuw beslissen. Ook worden de beroepstermijnen (de tijd waarbinnen een asielzoeker in beroep kan gaan tegen een besluit) verkort. In veel gevallen bedraagt die termijn nog maar één of twee weken.
Vraag 230
Wat gebeurt er als de strikte EU-termijnen structureel niet worden gehaald? Ontstaat dan automatisch rechtmatig verblijf of toegang tot Nederland? Of kunnen wij andere landen dan afdwingen asielzoekers van ons over te nemen op basis van het solidariteitsmechanisme?
Het overschrijden van de maximale termijn van 12 weken voor de behandeling van het asielverzoek in een asielgrensprocedure, heeft als gevolg dat de behandeling niet in de asielgrensprocedure mag worden voortgezet. De betreffende asielzoeker krijgt dan toegang tot het grondgebied en zijn verzoek zal worden afgehandeld in de landsprocedure. Dit betekent niet dat de asielzoeker ook een asielvergunning zal worden verstrekt. Dat zal enkel het geval zijn als zijn individuele asielmotieven daartoe nopen. Indien de asielmotieven ontoereikend zijn, zal het asielverzoek worden afgewezen. Eenzelfde beoordeling is van toepassing als andere termijnen voor de behandeling van het asielverzoek niet worden gehaald. Nederland kan bij het structureel overschrijden van de beslistermijnen niet afdwingen dat andere landen asielzoekers van Nederland overnemen in het kader van het solidariteitsmechanisme. Het is de Europese Commissie die aan de hand van meerdere factoren jaarlijks beslist welke lidstaten onder een migratiedruk staan en aanspraak hebben op solidariteit, bijvoorbeeld in de vorm van het overnemen van asielzoekers van de andere lidstaten.
Vraag 231
De leden van de BBB-fractie constateren dat een asielverzoek als niet-ontvankelijk kan worden beschouwd als een asielzoeker naar een veilig, derde land kan worden gestuurd voor de behandeling van zijn verzoek om bescherming. Hiervoor is echter wel een ‘band’ vereist met een derde land, zoals een eerdere verblijfplaats, werk, familie of studie. Kan de regering toelichten waarom hiervoor gekozen is? Waarom moet er sprake zijn met een band met het derde land? De betreffende vluchteling heeft met Nederland toch ook geen ‘band’?
Op dit moment is voor het toepassen van het concept veilig derde land inderdaad vereist dat er sprake is van een band tussen de verzoeker en het betrokken derde land op grond waarvan het voor de betrokkene redelijk zou zijn naar dat land te gaan. Nederland heeft zich op het standpunt gesteld dat het bandencriterium geen grond vindt in het internationale recht en gaf de voorkeur aan afschaffen ervan. In de tekst van de Procedureverordening zoals die op 22 mei 2024 is gepubliceerd, is dit bandencriterium gehandhaafd. Echter, op 26 februari 2026 is de Verordening Veilige derde landen gepubliceerd, waardoor het bandencriterium in de Procedureverordening is versoepeld. Dit betekent dat vanaf 12 juni 2026 het concept ‘veilig derde land’ kan worden toegepast in elk van de volgende gevallen: 1) wanneer een asielzoeker een band met het veilige derde land heeft, zoals ook onder het huidige bandencriterium al kan, of 2) wanneer een asielzoeker door het veilige derde land is gereisd (een ‘transitcriterium’), óf 3) wanneer een EU-lidstaat afspraken of een regeling (een ‘agreement’ of een ‘arrangement’) met een veilig derde land heeft waaronder de betrokken asielzoekers toegang krijgen tot een (deugdelijke) asielprocedure. Deze laatste mogelijkheid geldt niet voor niet-begeleide minderjarigen.
Vraag 232
Erkent de regering dat het bandencriterium richting derde landen in de praktijk zeer lastig te bewijzen is en daarmee vooral juridisch, maar nauwelijks feitelijk, bijdraagt aan terugkeer?
De regering heeft zich eerder op het standpunt gesteld dat er in het internationaal recht geen grond is voor het bandencriterium en dat het geschrapt zou moeten worden. De regering kan zich vinden in de uitkomst van de onderhandelingen met betrekking tot de Verordening Veilige derde landen en in de huidige tekst van de verordening.
5.2 Schrappen nationale procedureregels
De leden van de JA21-fractie constateren dat de Procedureverordening toestaat dat de schorsende werking van rechtsmiddelen in bepaalde categorieën zaken, onder meer bij kennelijk ongegronde aanvragen en bij bedreiging van de openbare orde of nationale veiligheid, wordt beperkt of uitgesloten, mits een effectieve rechterlijke toets gewaarborgd blijft.
Vraag 233
Is de regering bereid om voor asielzoekers die zijn veroordeeld voor (bepaalde) misdrijven stelselmatig gebruik te maken van de mogelijkheid om beroep en (vooral) hoger beroep niet automatisch schorsende werking te geven, zodat strafrechtelijke veroordeling sneller kan worden gevolgd door feitelijke uitzetting? Zo nee, kan de regering per relevant artikel uit de Procedureverordening aangeven waarom deze route volgens haar niet mogelijk is?
De Procedureverordening schrijft voor dat het beroep geen automatisch schorsende werking heeft als de aanvraag kennelijk ongegrond is verklaard omdat er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat de verzoeker een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of de openbare orde van de lidstaat, of dat de verzoeker onder dwang is uitgezet om ernstige redenen van nationale openbare veiligheid of openbare orde krachtens het nationale recht, of als er uitsluitingsgronden, zoals artikel 1F Vluchtelingenverdrag, van toepassing zijn. De IND zal vanzelfsprekend overeenkomstig handelen.
Vraag 234 en 235
De leden van de JA21-fractie vragen hoeveel vreemdelingen met een vertrekplicht en (meerdere) strafrechtelijke veroordelingen thans in Nederland verblijven zonder dat hun vertrek is gerealiseerd. Welke doelstelling formuleert de regering, uitgedrukt in percentages en aantallen, voor vermindering van deze groep in de eerste drie jaar na inwerkingtreding van het Pact? In hoeverre verwacht de regering dat de nieuwe terugkeer- en bewaringstitels onder het Pact deze groep daadwerkelijk zullen doen afnemen?
Het is niet mogelijk het gevraagde aantal op te leveren. Op dit moment wordt er een WODC-onderzoek uitgevoerd naar vreemdelingen die onrechtmatig in Nederland verblijven. Het is nog niet met zekerheid te zeggen wanneer dit onderzoek zal worden aangeboden. Vervolgens zal niet exact aan te geven zijn welk deel van deze personen strafrechtelijke antecedenten heeft. Dat neemt niet weg dat het vertrek van vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf die veroordeeld zijn voor strafbare feiten zeer hoge prioriteit heeft in het vertrekbeleid. Waar mogelijk vertrekken zij aansluitend op hun straf uit Nederland. In de Staat van Migratie 2025 is terug te vinden dat in 2024 van de vreemdelingen in de strafrechtsketen in de caseload van DTenV 79% aantoonbaar is vertrokken. Het aantoonbaar vertrek van vreemdelingen in de strafrechtsketen is aanzienlijk hoger dan bij andere vreemdelingen uit de caseload van DTenV. Het Asiel- en migratiepact biedt als zodanig geen nieuwe grondslagen in dit kader. Wel kunnen onderdelen van de Asielnoodmaatregelenwet op dit punt versterkend werken.
Vraag 236
Is de regering bereid in de nationale wetgeving expliciet vast te leggen dat het stapelen van procedures (opvolgende asielaanvragen, herzieningsverzoeken, ambtshalve herbeoordelingen) door vreemdelingen met ernstige strafrechtelijke antecedenten zoveel mogelijk als niet in het geheel wordt beperkt, door onder het nieuwe EU-kader strenger om te gaan met ontvankelijkheid en schorsende werking? Zo nee, waarom kiest de regering er niet voor om hier de maximale ruimte van het pact te benutten?
Uitgangspunt van het openbare-ordebeleid is dat vreemdelingen die (ernstige) misdrijven plegen niet in aanmerking komen voor verblijf in Nederland. De regering zal dus waar mogelijk gebruikmaken van de mogelijkheden die het EU-kader op dit terrein biedt. Tegelijkertijd moet hierbij worden aangetekend dat het Pact geen bepalingen bevat die het stapelen van procedures beperkt op de enkele grond van openbare orde.
5.3 Afschaffen voornemenprocedure
Hoewel de leden van de D66-fractie inzien dat de werklast van de IND is gebaat bij het afschaffen van de voornemenprocedure, maken zij zich ook zorgen over het verschuiven van deze last naar andere ketenpartners. De zorg bestaat dat deze wijziging zal leiden tot meer bezwaar- en beroepsprocedures, wat leidt tot meer werkdruk bij de Rechtspraak maar ook bij het COA, doordat aanvragers langer in de opvang verblijven.
Vraag 237
Deze leden vragen de regering toe te lichten met welk flankerend beleid deze verschuiving van werklast wordt voorkomen, ook bezien in het licht van de opmerkingen van de Rechtspraak dat extra middelen het probleem niet direct kunnen oplossen omdat er ook een tekort aan rechters bestaat.
Het afschaffen van de voornemenprocedure maakt het mogelijk om eerder een besluit te nemen, waardoor minder beroepen wegens niet-tijdig beslissen worden ingesteld. Deze procedures maken nu een substantieel onderdeel uit van de werkvoorraad van de rechtspraak. Daarnaast worden dossiers vroegtijdig gescreend door de directie JZ van de IND, zodat gebrekkige besluiten kunnen worden hersteld of ingetrokken voordat zij bij de rechtbank komen. Daarmee wordt onnodige belasting van de rechtspraak voorkomen. De rechtspraak werkt via het programma Tijdige rechtspraak aan het verkorten van doorlooptijden en het vergroten van voorspelbaarheid. Op de langere termijn verwacht de regering echter dat de invoering van de wetsvoorstellen, samen met het bredere pakket aan maatregelen, leidt tot een substantiële beperking van de asielinstroom en de nareis van gezinsleden waardoor ook de rechtspraak structureel ontlast wordt.
De leden van de PVV-fractie constateren dat de regering enerzijds, onder meer via de in de Tweede Kamer aangenomen asielwetten van oud-minister Faber, de asielprocedure fors wil versnellen en efficiënter maken, onder andere door afschaffing van de voornemenprocedure en andere maatregelen om de keten te ontlasten en de instroom te beperken. Anderzijds wordt in het kader van de implementatie van het Pact de mogelijkheid behouden om na het nader gehoor nog correcties en aanvullingen in te dienen op het gehoorverslag, voordat de IND tot een direct besluit overgaat. Dit creëert een extra administratieve stap die, ondanks de beoogde versnelling, vertraging kan veroorzaken en de procedure onnodig verlengt.
Vraag 238
Deze leden wijzen erop dat uit het Pact geen verplichting voortvloeit om een dergelijke mogelijkheid tot indienen van aanvullingen en correcties na het gehoor te bieden. Voornoemde leden vragen waarom de regering desondanks kiest voor deze mogelijkheid tot correcties en aanvullingen, terwijl dit haaks lijkt te staan op de expliciete doelstelling van de asielwetten om de procedure efficiënter en korter te maken. Waarom wordt hier geen gebruikgemaakt van de nationale beleidsruimte die het Pact biedt om de procedure verder te versnellen en misbruik te voorkomen, in plaats van extra administratieve lasten in te bouwen?
De herinrichting van de asielprocedure zoals voorzien met de implementatie van het Asiel- en migratiepact en de bijbehorende nationale uitvoeringskeuzes, hebben op zichzelf al grote, versoberende gevolgen voor de inzet van rechtsbijstand door de asieladvocatuur die op dit moment nog bij (een aantal van) die stappen betrokken is. Het is weliswaar juridisch mogelijk om de rechtsbijstand verder te versoberen in de eerste, administratieve fase van de asielprocedure, maar dit weegt niet op tegen de risico’s en nadelen die daaraan verbonden zouden zijn. Zonder een expliciet moment van hoor- en wederhoor, zoals met de mogelijkheid correcties en aanvullingen in te dienen is geregeld, loopt de IND het risico in de beroepsfase vaker tegen vernietigingen van een afwijzing aan te lopen, bijvoorbeeld omdat aanvullende elementen moeten worden toegestaan. Het schrappen van de voornemenprocedure steunt bovendien op de onderbouwing dat – onder meer vanwege het in de regel bieden van de mogelijkheid correcties en aanvullingen in te dienen - de asielprocedure nog steeds voldoet aan de Europese verplichting van het recht van eenieder te worden gehoord voordat een individuele maatregel wordt genomen. Het is dus efficiënter om bij het eerste besluit de argumenten en gronden van de asielzoeker en zijn gemachtigde al te kunnen betrekken.
Vraag 239
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat door het afschaffen van de voornemenprocedure de bestuurlijke fase van de asielprocedure nu meer zal afwijken van het algemeen bestuursrechtelijke uitgangspunt van ‘ongelijkheidscompensatie’, waardoor de druk op de rechterlijke fase toeneemt om aan dit rechtsbeginsel te voldoen. Kan de regering toelichten hoe deze afschaffing zich verhoudt tot het wetstraject ‘Wet versterking waarborgfunctie Awb’, waarin de verankering van het beginsel van ongelijkheidscompensatie de kern vormt?
De regering ziet geen spanning met het wetsvoorstel Wet versterking waarborgfunctie Awb. Ook zonder het voornemen blijft de asielprocedure namelijk voorzien in afdoende waarborgen voor een zorgvuldige besluitvorming in de primaire fase.
Het afschaffen van het voornemen betekent dat de IND na een nader gehoor en, na – indien van toepassing - ontvangst van de correcties en aanvullingen op het verslag van het nader gehoor, direct een besluit neemt op de aanvraag, zonder dat de asielzoeker een zienswijze op de voorgenomen afwijzing naar voren brengt. Het uitgangspunt is en blijft dat elke asielzoeker wordt gehoord voorafgaande aan een beslissing over de gegrondheid van een de asielaanvraag. De mogelijkheden tot hoor- en wederhoor blijven daarbij voldoende gewaarborgd. Zo kunnen door de asielzoeker aangebrachte correcties en aanvullingen op het gehoor aanleiding vormen om de betrokkene nader te horen. Ook zal de IND, waar relevant, de asielzoeker gelegenheid bieden om te reageren op een deskundigenadvies dat de IND heeft laten opstellen voordat er een beslissing op de aanvraag wordt genomen.
Verder wijst de regering erop dat de voornemenprocedure niet verplicht voortkomt uit internationale verdragen of Europese regelgeving. Met het afschaffen ervan wordt beoogd de asielprocedure te stroomlijnen en in lijn te brengen met die van de andere EU-lidstaten, zonder afbreuk te doen aan het verdedigingsbeginsel, de samenwerkingsverplichting en het recht van de asielzoeker om gehoord te worden. Uit navraag bij omliggende lidstaten is gebleken dat het overgrote merendeel van deze lidstaten deze onverplichte procedurestap niet kennen. Het afschaffen van de voornemenprocedure draagt zodoende ook bij aan het verwezenlijken van de doelstellingen van de aankomende Procedureverordening, die bestaande verschillen tussen de nationale asielprocedures zoveel mogelijk wil wegnemen, met het doel ervoor te zorgen dat alle verzoekers gelijk worden behandeld, waar ook in de Unie zij een verzoek indienen.
Vraag 240
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regering het toepassen van de versnelde procedure beperkt kan blijven waar het Pact dit verplicht. Waarom kiest de regering er niet voor om aanvragen van alleenstaande minderjarigen (amv's), gezien hun kwetsbare positie, uit te zonderen van versnelde procedures?
De Procedureverordening bewaakt in meerdere bepalingen de procedurele waarborgen die voor alleenstaande minderjarigen gelden. Vooropgesteld moet worden dat de eisen die de Procedureverordening stelt aan de behandeling van een aanvraag zowel gelden voor versnelde als voor niet-versnelde procedures. Slechts de behandelingsduur van een versnelde procedure is korter. In beide gevallen moet ten volle rekening worden gehouden met eventuele behoeften aan bijzondere procedurele waarborgen. Als noodzakelijke procedurele waarborgen niet kunnen worden geboden in het kader van een versnelde procedure, schrijft artikel 21 van de Procedureverordening voor dat die procedure niet of niet langer wordt toegepast. Verder schrijft artikel 42, derde lid, van de Procedureverordening voor dat afdoening in een versnelde procedure bij niet-begeleide minderjarigen slechts in een strikt omschreven aantal gevallen is toegestaan. Bij kwetsbare personen en niet-begeleide minderjarigen dient op grond van deze bepalingen derhalve op individuele basis te worden nagegaan of de aanvraag van een vreemdeling wel dan wel niet in de versnelde procedure kan worden afgedaan.
Vraag 241
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar de mogelijkheid die in het ontwerpbesluit voor het Pact in artikel 3.109b van het Vreemdelingenbesluit wordt geboden om de vreemdeling in de gelegenheid te stellen correcties en aanvullingen te doen op het verslag van een verhoor. Waarom is hier gekozen voor een kan-bepaling, zo vragen deze leden. Is het niet zo dat artikel 14 lid 3 uit de Procedureverordening een dwingende bepaling bevat?
Uit de concept-toelichting bij artikel 3.109b Vb 2000 blijkt dat de regering in de regel ruimte zal bieden voor schriftelijke correcties en aanvullingen op het verslag van het gehoor. Daarmee beoogt de regering maximaal te borgen dat de beslissing van de IND is gestoeld op een volledig verslag van het asielgehoor, waarover tussen IND en asielzoeker dan wel zijn gemachtigde geen verschil van inzicht bestaat. Tegelijkertijd moet het voor de minister mogelijk blijven om in voorkomende gevallen van dit uitgangspunt af te wijken, bijvoorbeeld wanneer het indienen van correcties en aanvullingen geen wezenlijke bijdrage levert aan de zorgvuldigheid van de besluitvorming, dan wel belang bestaat bij het spoedig kunnen nemen van een besluit op de aanvraag. De precieze invulling van dit beleid zal in de Vreemdelingencirculaire 2000 vorm worden gegeven.
In de antwoorden op de vragen 13 en 14 is toegelicht dat artikel 14, vijfde lid Procedureverordening een uitzondering maakt op het uitgangspunt dat in het derde lid is opgenomen. Die uitzondering is ook verankerd in artikel 83bb van het onderhavige wetsvoorstel.
Vraag 242
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen verschillende inschattingen van uitvoeringsorganisaties, namelijk de IND en de Rvdr, over de gevolgen van het afschaffen van de voornemenprocedure voor de toename in bezwaar- en beroepsprocedures. Welke inschatting maakt de regering?
Het afschaffen van het voornemen zorgt voor een aanzienlijke tijdsbesparing bij het beslissen op asielaanvragen en zal de doorlooptijden van de behandeling van een asielaanvraag verkorten. Daar staat tegenover dat er een lastenbezwaring bij andere onderdelen van de IND, onder meer de directie JZ, op zal treden. Deze werkverzwaring weegt echter niet op tegen de werkverlichting die het in de asielprocedure als geheel met zich meebrengt.
5.4 Aanwijzing beslissingsautoriteit en andere bevoegde autoriteiten
Vraag 243
De leden van de CDA-fractie lezen dat in artikel 4, lid 6 van de Procedureverordening is neergelegd dat lidstaten kunnen bepalen dat andere autoriteiten dan de beslissingsautoriteit verantwoordelijk zijn voor de procedure ter bepaling van de verantwoordelijke lidstaat in het kader van de Asiel- en migratiebeheerverordening. Hiervoor heeft de regering niet gekozen en dus wordt hiervoor ook de minister van Asiel en Migratie verantwoordelijk. Wat is de reden dat hiervoor is gekozen?
Artikel 4, tweede lid, onder a van de Procedurerichtlijn kent dezelfde mogelijkheid. Er bestaat geen aanleiding een wijziging aan te brengen in de autoriteit die verantwoordelijk is voor de procedure ter bepaling van de verantwoordelijke lidstaat nu de huidige beslissingsautoriteit (IND) deze verantwoordelijkheid al jaren heeft.
5.5 Verschillende behandelingsprocedures en beslistermijnen
Vraag 244
De leden van de CDA-fractie lezen dat er verschillende verplichte behandelingsprocedures voor de behandeling van de asielaanvraag worden geïntroduceerd met de Procedureverordening. Bij aanvragen waarbij een van de gronden voor niet-ontvankelijkheid aan de orde kan zijn, geldt bijvoorbeeld een behandelingsprocedure van twee maanden. Wat zijn de consequenties als een behandelingstermijn niet wordt gehaald?
De voorgeschreven duur van de behandelingsprocedure ten aanzien van de ontvankelijkheid van een verzoek volgt uit artikel 35, eerste lid, van de Procedureverordening. In ditzelfde artikel wordt benoemd dat deze termijn niet fataal is: het is niet zo dat het verzoek ontvankelijk moet worden geacht puur vanwege het feit dat de beslissing over de ontvankelijkheid niet tijdig is genomen. Dat laat onverlet dat het streven vanzelfsprekend zal zijn om deze termijn wel te halen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat het huidige artikel 42 Vw2000 inzake termijnen voor de behandeling van een asielaanvraag wordt geschrapt vanwege een aantal bepalingen in de Procedureverordening. Deze leden constateren dat op grond van artikel 42 lid 1 Vw2000 op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking wordt gegeven, en dat deze termijn op grond van artikel 35 lid 4 van de Procedureverordening ongewijzigd blijft op zes maanden.
Vraag 245.
Wat is wetstechnisch de reden dat het artikel 42 Vw2000 in zijn geheel wordt geschrapt, nu er geen aanpassing van de termijn van de beschikking op van toepassing is? Heeft dat te maken met de mogelijke verlengingstermijnen of heeft dat een andere reden?
Handhaving van artikel 42 Vw 2000 is niet nodig nu de termijn rechtstreeks uit artikel 35, vierde lid, van de rechtstreeks werkende Procedureverordening volgt.
Vraag 246
De leden van de JA21-fractie vragen welke derde landen bij de behandelingsprocedure worden beschouwd als veilig, in het kader van een mogelijke niet-ontvankelijkheidsverklaring op grond van artikel 38. Hoe wordt dat bepaald en gemonitord?
In het Nederlandse beleid wordt niet gewerkt met een lijst van veilige derde landen. De vraag of een land als zodanig kan gelden wordt beoordeeld aan de hand van de merites van de individuele zaak aan de hand van de criteria van artikel 59 van de Procedureverordening. Als er sprake is van banden met een land, anders dan het land van herkomst, op grond waarvan het redelijk voor de vreemdeling is naar dat land terug te gaan of als de vreemdeling door een derde land gereisd heeft, kan een derde land aangemerkt worden als veilig derde land voor die vreemdeling. Dat kan ook als er een overeenkomst bestaat tussen een derde land en Nederland of de Europese Unie op grond waarvan de vreemdeling aldaar bescherming kan aanvragen en verkrijgen. In het geval er een derde land wordt aangemerkt als veilig derde land, wordt beoordeeld of de vreemdeling daar niet zal worden blootgesteld aan vervolging of ernstige schade.
Het gaat er bij die beoordeling om dat het leven en de vrijheid niet worden bedreigd om redenen van ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, en er geen risico bestaat op ernstige schade. Verder moet het derde land het beginsel van non-refoulement naleven en moet de vreemdeling daadwerkelijk toegang hebben tot een procedure om bescherming aan te vragen en te verkrijgen. Bij de vraag of een veilig derde land voor de individuele vreemdeling als veilig moet worden beschouwd, vormt het relaas van de vreemdeling het uitgangspunt. De IND weegt mee of het betreffende land in de praktijk de verplichtingen uit de relevante mensenrechtenverdragen naleeft. Die beoordeling geschiedt op basis van relevante en beschikbare informatiebronnen, waaronder informatie van de lidstaten en het Asielagentschap.
Vraag 247
Als een asielzoeker van de boot op de Middellandse zee wordt opgehaald en dus is vertrokken vanaf bijvoorbeeld Tunesië, Marokko, Algerije of Turkije, hoe wordt dan beoordeeld of het asielverzoek niet ontvankelijk is op deze gronden? Worden die landen als veilig beschouwd, met mogelijke uitzonderingen voor specifieke vervolging of gevaar?
De vraag of een derde land kan worden aangemerkt als een veilig derde land wordt per individueel geval beoordeeld. Uitgaande van de hier omschreven omstandigheid dat de vreemdeling door een of meer van de genoemde landen gereisd heeft, kan er dus toe leiden dat beoordeeld wordt of het betreffende land geldt als veilig derde land. Er wordt nog gewerkt aan de uitwerking van de kaders van de beoordeling in het geval de vreemdeling door een derde land gereisd heeft. In ieder geval zal een beoordeling gemaakt moeten worden van het naleven van het beginsel van non-refoulement en de mogelijkheden die vreemdelingen aldaar in het algemeen hebben om bescherming aan te vragen en te verkrijgen. Daarnaast moet worden beoordeeld of deze landen ook in het individuele geval van de vreemdeling als veilig derde land kunnen worden aangemerkt. Het is dan ook niet mogelijk om in algemene zin iets te zeggen over de beoordeling.
Vraag 248
De leden van de JA21-fractie vragen in hoeverre de Procedureverordening stelt dat grensprocedures verplicht zijn voor alle ‘kansarme’ aanvragen, van personen afkomstig uit landen met een inwilligingspercentage van minder dan 20 procent. Wordt deze ruimte maximaal benut en zo nee, waarom niet?
De Procedureverordening stelt de grensprocedure verplicht als ‘de verzoeker de nationaliteit heeft van of, in het geval van een staatloze, zijn gewone verblijfplaats had in een derde land waarvoor, volgens de meest recente beschikbare jaargemiddelden van Eurostat voor de gehele Unie, de beslissingsautoriteit in 20 % of minder van de gevallen internationale bescherming heeft verleend, tenzij de beslissingsautoriteit oordeelt dat zich sinds de publicatie van de desbetreffende Eurostat-gegevens in het betrokken derde land een belangrijke wijziging heeft voorgedaan of dat de verzoeker behoort tot een categorie van personen voor wie het erkenningspercentage van 20 % of minder niet als representatief voor hun beschermingsbehoeften kan worden beschouwd, rekening houdend met onder meer de aanzienlijke verschillen tussen beslissingen in eerste aanleg en eindbeslissingen.’ Deze verplichting komt te vervallen als de lidstaat de toereikende capaciteit heeft bereikt, of als de lidstaat het maximum heeft bereikt van het aantal grensprocedures dat per jaar moet worden gevoerd. Overigens moet in het achterhoofd worden gehouden dat de grensprocedure alleen van toepassing is op aanvragen die aan de Schengenbuitengrens, zoals luchthaven Schiphol, worden ingediend.
Vraag 249
Kan de regering aangeven hoe groot het huidige percentage kansarme aanvragen in Nederland is?
Voor de beantwoording wordt uitgegaan van de lijst van veilige landen van herkomst (EU) en kandidaat lidstaten conform de verordening van het Europees Parlement en de Raad. In 2025 kwam gemiddeld 16% van de instroom eerste asielaanvragen uit één van deze landen.
Dit betreft de volgende nationaliteiten: Marokkaanse, Colombiaanse, Egyptische, Tunesische, Indiase, Bengalese, Kosovaarse, Turkse, Georgische, Moldavische, Oekraïense, Macedonische/Burger van Noord-Macedonië, Servische, Albanese, Burger van Bosnië-Herzegovina, Montenegrijnse.
Vraag 250
In hoeverre wordt nu gekozen voor structurele en maximale toepassing van versnelde procedures bij asielzoekers afkomstig uit (relatief) veilige landen van herkomst? Deze leden constateren dat het inwilligingspercentage in Nederland is gedaald van 58 procent in 2024 naar 36 procent in 2025, hetgeen impliceert dat een aanzienlijk deel van de aanvragen kansarm is.
Sinds september 2025 is het nationale beleid inzake veilig land van herkomst opgeschort. Dit laat onverlet dat de IND deze asielaanvragen sinds die tijd voorrang geeft, zoals dat het geval al was en zolang de vreemdeling gedurende de asielprocedure beschikbaar blijft. Wel kent de procedure in spoor 4 extra stappen ten opzichte van de versnelde procedure in spoor 2, zoals die van toepassing was op personen afkomstig uit de aangewezen veilige landen van herkomst. De inzet van de IND is niettemin om alle kansarme aanvragen zo snel als mogelijk af te handelen. Voor zover het aanvragen betreft die binnen de procesbeschikbaarheidsaanpak vallen, is het streven van de IND ongewijzigd om deze aanvragen binnen 4 weken te behandelen. Op 12 juni 2026 wordt, als onderdeel van het Pact, de (verplichte) Europese lijst van veilige landen van herkomst van toepassing. Daarnaast worden, vanaf de datum waarop het Pact van toepassing wordt, verzoeken van personen afkomstig uit een land met een Europees inwilligingspercentage lager dan 20 procent verplicht behandeld in de asielgrensprocedure, dan wel de versnelde procedure. Overigens laat het inwilligingspercentage zich niet zo eenvoudig verklaren. De gemiddelde uitkomst van asielaanvragen wordt gevormd door een samenhang van allerlei relevante variabelen, zoals de samenstelling van de instroom en de actuele situatie in landen van herkomst. Ook beleidswijzigingen zijn van invloed.
5.6 Beroep bij de rechter in asielprocedure
Vraag 251
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen wat de verwachting van de regering is wat betreft de toename van de druk op de rechterlijke macht door de in veel gevallen afwezige automatische schorsende werking van beroep en hoe kan deze worden verzacht.
Hoger beroep heeft ingevolge de Procedureverordening geen schorsende werking. De hoofdregel is dat het beroep in eerste aanleg in een asielzaak wel schorsende werking heeft. Op deze hoofdregel geldt een aantal uitzonderingen, in die gevallen kan de rechter worden verzocht een voorlopige voorziening te treffen waarmee de procedure in Nederland toch kan worden afgewacht. De Raad voor de rechtspraak geeft aan dat dit in de praktijk betekent dat er meer voorlopige voorzieningen worden aangevraagd.
Dat geen schorsende werking openstaat tegen beroepen tegen een overdrachtsbesluit betreft geen wijziging van de staande praktijk in het gebruik van voorlopige voorzieningen, daarom verwacht de Raad niet dat er een noemenswaardig effect in de werklast zal optreden.
5.7. (Verplichte) asielgrensprocedure
Vraag 252
De leden van de PVV-fractie hebben vernomen dat Oostenrijk, Duitsland, Finland, Frankrijk en Griekenland asielzoekers in de grensprocedure niet in detentie zullen plaatsen, maar in open opvangplaatsen of wachtruimtes. Kan de regering toelichten of zij net zoals deze leden verwachten dat asielzoekers de bestemde ruimtes/plekken zullen verlaten en door zullen reizen naar onder andere Nederland waar zij alsnog de asielprocedure door moeten lopen?
De implementatie van de asielgrensprocedure is verplicht en de regering benadrukt dat het een essentieel onderdeel is van het Asiel- en migratiepact. Lidstaten richten binnen de kaders van de Procedureverordening de grensprocedure in. Daarin moeten zij de vreemdeling in zicht kunnen houden om de asielprocedure te doorlopen en om te voorkomen dat vreemdelingen alsnog toegang krijgen tot het grondgebied alvorens op hun asielaanvraag is beslist. Om dit te doen bestaat de mogelijkheid om vrijheidsbeperkende dan wel vrijheidsontnemende maatregelen op te leggen. De regering zal ook oproepen tot een nauwe monitoring van de werking van de asielgrensprocedure na de implementatiedatum 12 juni en indien nodig hier verder aandacht voor vragen tijdens de geplande evaluatie in 2027.
Vraag 253
De leden van de PVV-fractie vragen voorts of de regering verwacht dat het aantal amv’ers dat bewust vooruit wordt gestuurd door mensensmokkelaars of families zal toenemen, nu deze groep niet in detentie mag worden geplaatst gedurende de grensprocedure en dus in open opvang of alternatieve locaties verblijft. Indien ja, kan de regering een concrete schatting geven van de verwachte toename in aantallen amv'ers die via deze route naar Nederland of andere noordelijke lidstaten doorreizen en welke preventieve of corrigerende maatregelen de regering voornemens is te treffen om dit misbruik tegen te gaan en de instroom van alleenstaande minderjarigen te beperken?
De regering acht het van groot belang om steeds te zoeken naar de goede balans tussen het belang van individuele minderjarigen, het belang van de gehele groep van minderjarigen (ook van de toekomstige groep) en van ongewenste effecten die van beleidskeuzes kunnen uitgaan. Het bieden van een bijzondere rechtspositie en extra waarborgen aan minderjarigen kan legitiem zijn, gezien de kwetsbare positie van minderjarigen. Deze bijzondere rechtspositie kan echter ook als ongewenst effect hebben dat het aantrekkelijk wordt om minderjarigen vooruit te sturen of anderszins instrumenteel te maken. Bij de onderhandelingen over het Pact is steeds naar die balans gezocht. Er kan niet met enige zekerheid worden vastgesteld dat die nieuw gevonden balans zal leiden tot een (relatieve) toename van het aantal minderjarigen, maar de regering acht het belangrijk om dat de komende jaren goed te volgen.
Vraag 254
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat er gepaste zorg beschikbaar moet zijn voor kwetsbare individuen, ook tijdens de asielgrensprocedure. Op welke manier is er gepaste zorg voor mensen in een kwetsbare positie tijdens de asielgrensprocedure?
De asielgrensprocedure in Nederland is gekoppeld aan een bewaringsmaatregel. Tijdens de screeningsfase beoordeelt de Koninklijke Marechaussee (KMar) of er redenen zijn waardoor de bewaringsmaatregel niet kan worden opgelegd. In deze beoordeling wordt de fysieke en mentale gesteldheid van de asielzoeker meegenomen. Als de KMar oordeelt dat de asielzoeker niet in bewaring kan worden geplaatst, wordt de grensprocedure niet toegepast, zoals nu ook het geval is. Als de asielgrensprocedure wel wordt toegepast, beoordeelt de IND direct of er procedurele waarborgen nodig zijn en of deze waarborgen kunnen worden geboden in bewaring. Als dit niet mogelijk is, wordt de maatregel alsnog opgeheven en wordt de asielgrensprocedure niet langer toegepast. Gedurende het hele proces wordt beoordeeld of er voldoende gronden zijn om de asielgrensprocedure te blijven toepassen en of de maatregel nog steeds geschikt is.
Vraag 255
Hoe wordt in regelgeving verankerd dat mensen in een kwetsbare positie de juiste zorg krijgen tijdens de asielgrensprocedure?
In het voorstel voor de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring (Kamerstukken I 2017/18, 34 309) wordt een artikel 58a toegevoegd aan de Vw 2000 waaruit volgt dat bij kwetsbaarheid van de vreemdeling in het besluit tot inbewaringstelling kenbaar moet worden gemaakt hoe die omstandigheid is betrokken bij de besluitvorming en dat inbewaringstelling achterwege blijft indien dat in verband met de kwetsbaarheid onredelijk bezwarend is. Door middel van een wijziging van artikel 6, vierde lid, Vw 2000 (zoals voorzien in het voorstel voor de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring) wordt artikel 58a Vw 2000 van overeenkomstige toepassing verklaard op grensbewaring ofwel vrijheidsontneming aan de grens op grond van artikel 6 Vw 2000.
Vraag 256
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat de termijnen om beroep in te stellen zeer kort zijn. Waarom is gekozen voor een termijn van zeven dagen en niet tien dagen voor wanneer een verblijfsvergunning wordt ingetrokken en zij die in aanmerking komen voor subsidiaire beschermingsstatus?
In de vraag worden twee afdoeningen genoemd waartegen beroep kan worden ingesteld: de intrekking van de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 32 Vw 2000 en de inwilliging van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29a Vw 2000, dat wil zeggen de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus. In deze gevallen geldt echter een beroepstermijn van twee weken. Hier is niet voor de maximale termijn van vier weken gekozen, om de hieronder genoemde redenen.
Vraag 257
Waarom is gekozen voor twee weken en niet voor vier weken voor alle andere gevallen?
Het verkorten van beroepstermijnen sluit aan bij de ingezette lijn tot verkorting van de asielprocedures en het versoberen hiervan tot het Europese minimum. Zo wordt getracht de uiteindelijke doorstroom in de asielketen te bevorderen.
Vraag 258
Hoe verhoudt dit zich tot effectieve rechtsbescherming dat de regering kiest voor de halvering van de huidige beroepstermijn in eerste aanleg van vier weken naar twee weken?
De regering verwacht niet dat effectieve rechtsbescherming hiermee in het geding komt.
5.8 Juridisch advies, counseling, rechtsbijstand
De leden van de D66-fractie hechten groot belang aan gedegen rechtsbijstand. Niet alleen vanwege het recht op een eerlijk proces voor de aanvrager, maar ook omdat een zorgvuldige procedure aan de voorkant uiteindelijk slepende, complexe procedures kan voorkomen.
Vraag 259
Deze leden vragen de regering daarom toe te lichten of de manier waarop het volgens dit voorstel wordt ingericht, met een combinatie van advies, counseling en rechtsbijstand, voldoende steun biedt voor een zorgvuldige procedure.
De regering onderschrijft de in het advies benoemde belangen en meent met de gekozen inrichting tot een procedure te zijn gekomen waarin een balans is gevonden tussen het belang van een zorgvuldige en efficiënte asielprocedure enerzijds en een versobering van de nationale invulling naar het Europees minimum anderzijds. De taken van de IND medewerkers die counseling verlenen, zullen volledig gescheiden zijn van die van de medewerkers die besluiten nemen en gehoren uitvoeren. Zo blijft de onpartijdigheid van de informatievoorziening zoals deze door de IND zal worden verstrekt geborgd. Het door de regering onderschreven belang bij een zo volledig mogelijke eerste beslissing op een asielverzoek wordt daarnaast gewaarborgd door het behouden van de mogelijkheid dat in voorkomende gevallen correcties en aanvullingen worden ingediend.
Vraag 260
Daarnaast vragen zij de regering om doorlopend te toetsen of deze manier van werken inderdaad zorgt voor een efficiëntere procedures waarbij voldoende oog is voor het recht op een eerlijk proces, of dat bijgestuurd moet worden.
De regering onderschrijft het grote belang van het recht op een eerlijk proces en meent met deze inrichting van de procedure aan dit belang tegemoet te komen. Mochten desalniettemin knelpunten worden gesignaleerd, zal uiteraard worden bestudeerd op welk vlak bijsturing nodig is.
Vraag 261
De leden van de PVV-fractie vragen naar de huidige status van het voornemen van het vorige kabinet om de rechtsbijstand te beperken in de administratieve fase.
Bij brief van 29 september 2025 is de Tweede Kamer over deze beperking geïnformeerd (Kamerstukken II 2025/26, 19 637, nr. 3479).
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regering het voornemen heeft om de uitvoering van de juridische counseling bij de IND te beleggen. Dit geldt zowel voor counseling onder de Asielprocedureverordening als de Asielmigratie- en Beheerverordening. Aangezien er een aantal processtappen wordt geschrapt is het essentieel dat de toegang tot het recht voor asielzoekers gewaarborgd blijft. Deze leden hebben hier enkele vragen over en vragen gelieve deze individueel te beantwoorden.
Vraag 262
Hoe wordt het nuttig effect van dit recht gewaarborgd terwijl de counseling bij de beslissingsautoriteit is belegd? Wordt op deze manier niet de zorgvuldigheid van de procedure belemmerd?
De regering onderschrijft het belang van de toegang tot het recht en de zorgvuldigheid van de procedure en meent met de gekozen inrichting van de procedure tot een procedure te zijn gekomen waarin een balans is gevonden tussen het belang van een zorgvuldige en efficiënte asielprocedure enerzijds en een versobering van de nationale invulling naar het Europees minimum anderzijds. Overigens blijft in procedures onder de Asiel- en migratiebeheer verordening het recht op kosteloze rechtsbijstand kort na de start van de procedure gehandhaafd.
Vraag 263
Erkent de regering dat onafhankelijkheid een belangrijke voorwaarde is voor het bieden van juridische counseling? Hoe wordt deze onafhankelijkheid geborgd?
De taken van de IND medewerkers die counseling verlenen, zullen volledig gescheiden zijn van die van de medewerkers die besluiten nemen en gehoren uitvoeren. Zo blijft de onpartijdigheid van de informatievoorziening zoals deze door de IND zal worden verstrekt geborgd. De medewerkers die juridische counseling bieden hebben geen toegang tot de individuele dossiers.
Vraag 264
Kan de regering schetsen hoe de IND de legal counseling gaat invullen? Waar bestaat dit concreet uit?
Het zwaartepunt van counseling zal komen te liggen op de informerende, voorlichtende rol. Deze voorlichting sluit aan bij de huidige praktijk waarin IND medewerkers al in dagelijks contact staan met asielzoekers, om vragen te beantwoorden en de procedures uit te leggen. Concreet betekent dit dat na het doorlopen van het screeningsproces op de locatie Ter Apel nog een apart individueel gesprek volgt waarbij de asielzoeker gewezen wordt op zijn rechten en plichten en in gelegenheid wordt gesteld tot het stellen van vragen. Bij dit gesprek wordt gebruik gemaakt van een tolk.
Vraag 265
Is er gekeken naar de mogelijkheid om de asieladvocatuur de juridische counseling te laten doen? Zou deze optie kostenbesparend zijn?
Het beleggen van de counseling taak bij de IND past bij de door het voorgaande kabinet geïnitieerde versobering van de rechtsbijstand in de administratieve procedure. Het beleggen van deze taak bij de asieladvocatuur zou niet passend zijn geweest bij die gewenste versobering. Er is derhalve geen financiële analyse gemaakt of het uitvoeren van de juridische counseling door de advocatuur kostenbesparend is.
Vraag 266
Is de regering bekend met het experiment in Duitsland in 2017 waar binnen de immigratiedienst een afdeling juridische bijstand voor asielzoekers verzorgde en met het feit dat deze vorm van counseling na mislukking weer is afgeschaft? Waarom denkt de regering dat dit in Nederland wel een succes zal zijn?
De in 2017 gestarte juridische hulpverlening vanuit de Duitse overheid werd in 2023 gewijzigd naar een systeem waarin de uitvoering van deze dienstverlening een combinatie werd tussen overheidsinspanning en onafhankelijke organisaties. Met de gekozen toekomstige inrichting meent de regering voor Nederland tot een procedure te zijn gekomen waarin een balans is gevonden tussen het belang van een zorgvuldige en efficiënte asielprocedure enerzijds en een versobering van de nationale invulling naar het Europees minimum anderzijds.
Vraag 267
Klopt het dat in Duitsland – naast de beslisautoriteiten – ook niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) legal counseling en voorlichting kunnen geven?
Zoals de regering de huidige Duitse systematiek bekend is, klopt dat.
Vraag 268
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering nog in gesprek is met de IND over het voornemen om de uitvoering van de juridische counseling bij de IND te beleggen. Is hierover inmiddels overeenstemming bereikt en zo ja, wat zijn de uitkomsten?
De IND is bereid gevonden deze taken op zich te nemen.
Vraag 269
De leden van de JA21-fractie vragen welke eisen de verordening voorschrijft aan de aanbieders van juridische counseling. Moet de juridische counseling danwel de rechtsbijstand bij de beroepsprocedure worden geboden door advocaten?
Het Asiel- en migratiepact schrijft deels voor hoe juridische rechtshulp en rechtsbijstand er op bepaalde momenten moet uitzien, deels is er ruimte voor nationale invulling. Ingevolge de Procedureverordening moet juridische counseling worden geboden door (gefinancierde) onafhankelijke juridische counselors, die krachtens het nationale recht zijn erkend of toegelaten om de verzoekers counseling te verstrekken, dan wel door niet-gouvernementele organisaties die krachtens het nationale recht zijn geaccrediteerd om juridische diensten of vertegenwoordiging aan verzoekers te bieden. Juridische bijstand in de beroepsprocedure, wijkt af van de taken van de juridische counselor. Zo dient bijvoorbeeld toegang tot het gehoor en de dossierstukken gewaarborgd te worden, in tegenstelling tot bij juridische counseling. Een juridisch adviseur mag de aanvrager dus adviseren en kan ook namens hem optreden. Dit sluit meer aan bij de huidige nationale invulling van de rol van de asieladvocatuur.
6. Uitvoering Asiel- en migratiebeheerverordening (EU) 2024/1351
6.1. Algemeen
De leden van de PVV-fractie constateren dat artikel 16, vierde lid, van de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 bepaalt dat, indien sprake is van een reële dreiging voor de veiligheid van de asielzoeker of een ernstige schending van de mensenrechten in de verantwoordelijke lidstaat, geen overdracht op basis van een overnameverzoek of herplaatsing naar die andere lidstaat plaatsvindt.
Vraag 270
Deze leden vragen de regering in welke concrete situaties een lidstaat, ondanks dat deze volgens de criteria niet verantwoordelijk is, desondanks verplicht is de asielaanvraag zelf te behandelen.
Ook als een lidstaat niet de primair verantwoordelijke lidstaat is kan deze toch verplicht worden het asielverzoek zelf inhoudelijk te behandelen indien onder andere de overdracht aan de primair verantwoordelijke lidstaat in strijd zou zijn met artikel 4 van het Handvest wegens ernstige structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangstelsel aldaar, of als bepaalde zo te noemen ‘fatale termijnen’ worden overschreden zoals de uiterste overdrachtstermijn van zes maanden.
Vraag 271
Voorts vragen zij of er sancties of andere consequenties volgen wanneer de volgens het Pact verantwoordelijke lidstaat een overnameclaim weigert of niet binnen de gestelde termijnen reageert op een overnameverzoek. Zo ja, welke sancties zijn dat precies (financieel, procedureel of anderszins), wie legt ze op, en hoe vaak zijn dergelijke sancties in de praktijk al toegepast of opgelegd in de afgelopen jaren?
Het niet binnen de termijn reageren op een overnameverzoek of kennisgeving staat gelijk aan het accepteren van het verzoek. Het afwijzen van een overnameverzoek dient te worden gemotiveerd. Het is aan de Europese Commissie om toe te zien op een goede toepassing van de lidstaten van hun verplichtingen. Het is de regering niet bekend dat de Commissie in de afgelopen jaren een lidstaat formeel, via het instrument van de inbreukprocedure, ter verantwoording heeft geroepen wegens het niet accepteren van claimverzoeken. Onder de nieuwe Pact-wetgeving heeft het structureel niet nakomen van de Dublinverplichtingen als gevolg dat een lidstaat geen aanspraak kan doen op solidariteit van andere lidstaten in het kader van het solidariteitsmechanisme.
Vraag 272
De leden van de JA21-fractie vragen of alle Dublinoverdrachten straks kunnen worden afgedwongen. Of verwacht de regering dat dit in voorkomende gevallen nog op juridische obstakels zal stuiten?
Zoals geantwoord in antwoord op vraag 270 kunnen er meerdere redenen zijn waarom een Dublinoverdracht geen doorgang kan vinden. Landen als Griekenland en Italië hebben zich eraan gecommitteerd om vanaf het moment dat het Asiel- en migratiepact van toepassing wordt aan hun Dublinverplichtingen te voldoen. De regering verwacht dat vaker dan nu een Dublinprocedure kan worden doorgezet.
Vraag 273
Kan de regering ingaan op de risico’s dat grootschalige secundaire migratie doorgaat en eerste aankomstlanden niet registreren? Op welke manieren worden die risico’s gemitigeerd?
Alle landen hebben zich aan de invoering van de wetgeving van het Pact gecommitteerd. Daarbij ligt er een belangrijke taak voor de Europese Commissie om erop toe te zien dat de wetgeving goed wordt uitgevoerd door de lidstaten. De regering zal dit in de Europese gremia blijven benadrukken.
Vraag 274
Kan de regering verklaren waarom het feit dat terugnameverzoeken zijn omgezet tot eenvoudige kennisgevingen (artikel 41 Asiel- en Migratiebeheerverordening) in de praktijk zal leiden tot meer daadwerkelijke overdrachten?
Onder het Asiel- en migratiepact wordt de verantwoordelijke lidstaat in Eurodac opgenomen en is dit daarmee direct inzichtelijk als een asielzoeker in diverse lidstaten een asielverzoek indient. Dit maakt het proces van het aanwijzen van de verantwoordelijke lidstaat aanzienlijk eenvoudiger. De kennisgeving inzake terugname is gebaseerd op deze Eurodacregistratie en de verantwoordelijke lidstaat mag deze enkel niet ‘bevestigen’ indien deze kan aantonen dat zijn verantwoordelijkheid op één van de gronden van artikel 37 van de Asiel- en migratiebeheerverordening, is beëindigd.
Vraag 275
De leden van de JA21-fractie vragen welke specifieke juridische instrumenten eraan bijdragen dat overdrachten niet stranden in beroepsprocedures. Deze leden constateren dat artikel 43 van de Asiel- en Migratiebeheerverordening de draagwijdte van het beroep weliswaar beperkt tot een toets op onmenselijke of vernederende behandeling, maar vragen of deze beperking verenigbaar is met artikel 47 van het EU-Handvest voor de grondrechten en wat de verwachte gevolgen zijn voor het aantal geslaagde beroepen tegen overdrachtsbesluiten.
De reikwijdte van het beroep is inderdaad ingeperkt ten opzichte van de reikwijdte onder de huidige Dublinverordening. Dit is een bewuste keuze geweest van de Unie-wetgever, waarmee duidelijker wordt dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijke is voor het behandelen van het asielverzoek primair een vraagstuk is tussen de lidstaten. Het beroep onder de nieuwe verordening strekt zich uit tot de vraag of met de overdracht de asielzoeker niet in een, kort gezegd, onmenselijke situatie terechtkomt als bedoeld in artikel 4 van het Handvest of in strijd is met fundamentele familiare bepalingen van de verordening. Het rechtsmiddel is dan ook, naar opvatting van de Unie-wetgever en de regering, verenigbaar met artikel 47 van het Handvest.
Vraag 276
Wat gebeurt er indien een lidstaat structureel nalaat asielzoekers te registreren of tegen te houden aan de buitengrens, zoals Italië en Griekenland in het verleden hebben gedaan? Welk handhavingsmechanisme wordt in werking gezet?
Het is de taak van de Europese Commissie om toe te zien op een goede uitvoering van de afgesproken regels door de lidstaten. Daarnaast heeft het Europese asielagentschap een monitorende taak gekregen en kan de Commissie ingrijpen als een lidstaat de aanbevelingen naar aanleiding van de monitoringsresultaten, niet adequaat oppakt. Nederland zet erop in dat lidstaten die zich niet aan de regels houden, ook de toegang tot financiering onder het Asiel- en migratiepact (tijdelijk) verliezen. Daarnaast is het mogelijk voor de Commissie om in uiterste gevallen een inbreukprocedure te starten tegen lidstaten die zich niet aan de wet houden (artikel 258 en 260 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie).
Vraag 277
Indien de regering stelt dat sancties tegen niet-nalevende lidstaten mogelijk zijn, kan zij dan concreet aangeven welke sancties in de praktijk politiek uitvoerbaar zijn, gegeven dat landen als Hongarije en Polen eerder expliciet hebben geweigerd enige vorm van herverdeling te accepteren en ook een veroordeling door het Hof van Justitie niet tot gedragsverandering heeft geleid, zo vragen de leden van de JA21-fractie.
De regering verwijst naar haar beantwoording bij vraag 276.
Vraag 278
Indien effectieve sanctionering van naleving door andere lidstaten niet afdwingbaar blijkt, klopt het volgens de regering dan dat het Pact opnieuw afhankelijk is van vrijwillige naleving door lidstaten?
De regering verwijst naar haar antwoord bij vraag 276.
Vraag 279
Kan de regering aangeven hoeveel Dublinoverdrachten zij verwacht jaarlijks daadwerkelijk te realiseren onder het nieuwe Pact, uitgedrukt in absolute aantallen en als percentage van het totaal aantal verzoeken?
Omdat er met de inwerkingtreding van het Pact weer perspectief is op het, onder de Dublinafspraken, kunnen terugsturen van asielzoekers naar Griekenland en Italië, is de verwachting dat het aandeel Dublinzaken binnen de asielinstroom zal stijgen. Absolute aantallen kunnen uiteraard niet worden gegeven, omdat dat afhankelijk is van meerdere factoren waaronder de asielinstroom.
Vraag 280
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering erkent dat, ook onder de nieuwe verordening, de verantwoordelijkheid uiteindelijk alsnog verschuift naar de lidstaat waar de asielzoeker verblijft indien overdracht feitelijk niet wordt gerealiseerd. Zo ja, hoe voorkomt het Pact dat dit – zoals onder Dublin – opnieuw een krachtige prikkel vormt voor doorreizen?
Enkele noviteiten van het Pact zijn een betere screening en registratie aan de buitengrenzen, een afdoening van het asielverzoek van meerdere categorieën asielzoekers in de verplichte asielgrensprocedure incluis het effectueren van de terugkeer, versoberde opvang bij een onrechtmatige doorreis en een langere overdrachtstermijn indien de asielzoekers zich tijdelijk aan de Dublinoverdracht onttrekt. Ook is er weer perspectief op het hervatten van Dublinoverdrachten naar Griekenland en Italië. De regering verwacht dat van deze ontwikkelingen een ontmoedigend effect kan uitgaan om door te reizen binnen de EU.
Vraag 281
Kan de regering de juridische status van de relocatieverplichting uit het solidariteitsmechanisme duiden?
Ingevolge de Asiel- en migratiebeheerverordening dienen lidstaten hun solidariteitsbijdragen in te vullen door middel van een financiële bijdrage, het overnemen van asielzoekers of statushouders van de lidstaten die onder migratiedruk staan of het aanbieden van alternatieve vormen van solidariteit aan lidstaten die onder migratiedruk staan. Deze vormen van solidariteit zijn gelijkwaardig aan elkaar.
Vraag 282
Is er sprake van een resultaatsverbintenis of een inspanningsverplichting?
De lidstaten zijn verplicht om hun solidariteitsbijdragen uit te voeren ter grootte van hun verplichte billijk aandeel, berekend volgens de in artikel 66 van de Asiel- en migratiebeheerverordening bedoelde referentiesleutel.
Vraag 283
Wat zijn de juridische consequenties indien een lidstaat de aan haar toegewezen relocaties niet uitvoert?
Indien een bijdragende lidstaat aan het einde van een bepaald jaar de aan haar toegewezen herplaatsingen niet heeft uitgevoerd is die lidstaat op grond van artikel 63, vijfde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening verplicht om dit te compenseren door Dublinzaken waarvoor die begunstigde lidstaat verantwoordelijk, is aan zich te trekken (Dublin-offsets).
Vraag 284
De leden van de JA21-fractie vragen of het bedrag van 20.000 euro per niet-herplaatste asielzoeker kostendekkend is voor de opvang, procedure en eventuele terugkeer van een asielzoeker in Nederland. Deze leden wijzen erop dat de gemiddelde kosten per asielzoeker in Nederland, inclusief opvang, procedure, rechtsbijstand, medische zorg en eventuele integratie, aanzienlijk hoger liggen. Kan de regering een specificatie geven van de daadwerkelijke kosten per asielzoeker op jaarbasis?
De gemiddelde kostprijzen voor een reguliere opvangplek zijn 32.448 euro per jaar. Dit is, los van de overige kosten die de JA21-fractie noemt, al meer dan 20.000 euro.
Vraag 285
Hoe wordt voorkomen dat het solidariteitsmechanisme in de praktijk verwatert tot een structureel afkoopmechanisme voor een klein deel van de asielzoekers zonder dat de instroom en secundaire migratie sterk afnemen, zo vragen de leden van de JA21-fractie.
De inzet van het kabinet is erop gericht dat de balans in het Asiel- en migratiepact tussen verantwoordelijkheid enerzijds en solidariteit anderzijds gewaarborgd wordt. Het Asiel- migratiepact omvat onder meer strengere controles aan de buitengrenzen, snellere asielprocedures en beperkingen voor asielzoekers om door te reizen naar andere EU-landen om daar asiel aan te vragen. Daarbij is een balans afgesproken tussen verantwoordelijkheid en solidariteit in het Asiel- en migratiepact. Het is verplicht voor alle lidstaten het Asiel- en migratiepact inclusief de afspraken over solidariteit en asielgrensprocedures te implementeren. De regering zal hier ook alert op zijn en gebreken agenderen indien dit nodig is. De regering hecht daarom ook zeer aan de monitoring die de Europese Commissie uitvoert op de voortgang van de implementatie van het Asiel- en migratiepact. Op basis van deze monitoring kunnen tijdig tekortkomingen, knelpunten en uitdagingen geïdentificeerd en geadresseerd worden. Indien lidstaten de Dublinregels gebrekkig blijven implementeren dan kan de Commissie snel na de inwerkingtreding van het Asiel- en migratiepact systemische tekortkomingen vaststellen. In dat geval is er geen verplichting voor Nederland om solidariteit te bieden aan deze lidstaten.
Vraag 286
Hoe groot acht de regering de kans dat de solidariteit in financiële vorm zal worden omgezet in Dublin-offsets?
Uit het besluit van de Raad blijkt dat de ondergrenzen uit artikel 63 van de Asiel- en migratiebeheerverordening niet gehaald worden. Dit betekent dat er sprake zal zijn van Dublin-offsets. Tegelijkertijd heeft Nederland een bilaterale afspraak gemaakt met Griekenland over het inzetten van Dublincompensaties uit het verleden als solidariteitsbijdrage. Dit betekent dat Nederland een vermindering kan krijgen van de financiële bijdrage aan de solidariteitspool. De omvang van deze vermindering is de komende tijd onderdeel van gesprekken met de Europese Commissie.
Vraag 287
Kan de regering juridisch uiteenzetten welke concrete procedure de Europese Commissie moet doorlopen om niet-naleving van het solidariteitsmechanisme door een lidstaat te sanctioneren? Hoelang duurt een dergelijke procedure gemiddeld van signalering tot daadwerkelijke sanctie?
Zie het antwoord op vraag 276. De gemiddelde duur en of er een automatische gevolg is, hangt sterk af van op welk onderdeel de lidstaat niet voldoet aan de verplichtingen. Indien lidstaten de Dublinregels gebrekkig implementeren dan kan de Commissie snel na de inwerkingtreding van het Asiel- en migratiepact systemische tekortkomingen vaststellen. In dat geval is er geen verplichting voor Nederland om solidariteit te bieden aan deze lidstaten.
Vraag 288
Is er sprake van een automatische sanctie bij niet-naleving, of is sanctionering afhankelijk van een politiek besluit, zo vragen de leden van de JA21-fractie.
In antwoord op deze vraag verwijst de regering naar haar antwoord op vraag 287.
Vraag 289
Wat is het scenario indien meerdere lidstaten gelijktijdig weigeren relocaties uit te voeren of financiële bijdragen te voldoen? Hoe wordt Nederland in dat geval beschermd tegen een herhaling van de situatie zoals die bestond onder Dublin, waarin een klein aantal lidstaten onevenredig zwaar belast werd?
Het Nederlandse aandeel aan de solidariteitspool is niet afhankelijk van de bijdrage van andere lidstaten. Indien lidstaten de Dublinregels gebrekkig blijven implementeren dan kan de Commissie snel na het van toepassing worden van het Asiel- en migratiepact, op 12 juni, systemische tekortkomingen vaststellen. In dat geval is er geen verplichting voor Nederland om solidariteit te bieden aan deze lidstaten. Wanneer de Dublinregels niet nageleefd worden, zal Nederland geen financiële bijdrage hoeven te leveren aan deze lidstaten.
De inzet van de regering is er daarnaast op gericht dat de balans in het Asiel- en migratiepact tussen verantwoordelijkheid enerzijds en solidariteit anderzijds gewaarborgd moet worden. Het Asiel- en migratiepact omvat onder meer strengere controles aan de buitengrenzen, snellere asielprocedures en beperkingen voor asielzoekers om door te reizen naar andere EU-landen om daar asiel aan te vragen. Daarbij is een balans afgesproken tussen verantwoordelijkheid en solidariteit in het Asiel- en migratiepact. Het kabinet verwacht van alle lidstaten dat zij voldoen aan deze verplichtingen. De regering zal hier alert op zijn en gebreken agenderen indien dit nodig is. De regering hecht daarom ook zeer aan de monitoring die de Europese Commissie uitvoert op de voortgang van de implementatie van het Asiel- en migratiepact. Op basis van deze monitoring kunnen tijdig tekortkomingen, knelpunten en uitdagingen geïdentificeerd en geadresseerd worden.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de verdeling van verantwoordelijkheid tussen lidstaten voor de behandeling van asielaanvragen voortaan wordt geregeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening, die de huidige Dublinverordening vervangt. Net als onder het Dublinsysteem blijft het uitgangspunt dat één lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielaanvraag. Daarmee wordt voorkomen dat meerdere lidstaten dezelfde aanvraag behandelen of dat asielzoekers in verschillende landen procedures starten. Nieuw is echter dat deze verordening een verplicht solidariteitsmechanisme invoert. Waar solidariteit onder het oude systeem grotendeels vrijwillig was, wordt zij nu juridisch verankerd. Lidstaten die te maken krijgen met een hoge instroom of structurele druk op hun asiel- en opvangsysteem kunnen een beroep doen op steun van andere lidstaten. Die andere lidstaten zijn vervolgens verplicht bij te dragen. Zij kunnen daarbij kiezen hoe zij bijdragen, maar niet óf zij bijdragen. De bijdrage kan verschillende vormen aannemen, zoals herplaatsing van asielzoekers (overname van personen die in de onder druk staande lidstaat zijn aangekomen), een financiële bijdrage of operationele steun, bijvoorbeeld in de vorm van personeel, expertise of materiële ondersteuning.
De leden van de BBB-fractie constateren dat meerdere lidstaten aanzienlijke kortingen hebben bedongen omdat zij zelf een ‘significante migratiesituatie’ zouden hebben. Nederland ontvangt echter geen enkele korting en moet het volledige aandeel bijdragen.
Vraag 290
Waarom wordt Nederland niet aangemerkt als lidstaat met een ‘significante migratiesituatie’, terwijl opvang, huisvesting en procedures aantoonbaar onder zware druk staan?
Voor de beoordeling van een significante migratiesituatie baseert de Europese Commissie zich op de migratiesituatie in de afgelopen vijf jaar. Daarbij houdt de Commissie, net als voor migratiedruk, rekening met de relatieve druk op basis van het bruto binnenlands product (BBP) en de bevolkingsomvang. Bulgarije, Tsjechië, Estland, Kroatië, Oostenrijk en Polen hebben een significante migratiesituatie vanwege een hoog aantal Oekraïense ontheemden (Bulgarije, Polen, Tsjechië, Estland), migrantensmokkel (Kroatië) en het grote aantal (ingewilligde) asielaanvragen (Oostenrijk). De asielinstroom in Oostenrijk was bijvoorbeeld zowel in absolute als in relatieve zin in de afgelopen vijf jaar aanzienlijk hoger dan in Nederland. In 2022 had Oostenrijk meer dan drie keer zoveel asielaanvragen als Nederland, terwijl Oostenrijk ongeveer de helft van het aantal inwoners telt en de omvang van het BBP minder dan de helft is van de omvang van het BBP van Nederland.
Vraag 291
De leden van de BBB-fractie lezen dat Hongarije en Slowakije weigeren volledig mee te doen, zonder dat de Raad daar consequenties aan verbindt. Wat is de sanctie als lidstaten structureel weigeren bij te dragen?
In antwoord op deze vraag verwijst de regering naar haar antwoord op de vragen 276 en 287.
Vraag 292
Kan de regering uiteenzetten hoe zij voorkomt dat Nederland, als relatief rechtsstatelijk en uitvoeringsgetrouw land, structureel de lasten draagt van een pact dat elders onvoldoende wordt nageleefd?
In antwoord op deze vraag verwijst de regering naar haar antwoord op vraag 289.
Volgens de leden van de BBB-fractie kunnen extra zorgen ontstaan doordat Duitsland en Frankrijk van plan lijken hun toegezegde opvangplekken grotendeels via Dublin-compensaties in te vullen, in plaats van met daadwerkelijke nieuwe relocaties. Spanje heeft in een stemverklaring aangegeven dat dit tegen de bedoeling van het Pact ingaat en de EU-solidariteit ondermijnt.
Vraag 293
Deze leden vragen daarom of grote lidstaten inderdaad Dublin-compensaties inzetten, hoeveel daadwerkelijke relocaties er dan overblijven en hoe groot het risico is dat dit precedentwerking heeft voor de komende jaren, waardoor het hele Pact verzwakt wordt.
Er zijn inderdaad lidstaten die hebben aangegeven Dublin-compensaties in te zetten voor hun solidariteitsbijdrage. Dit is een wettelijke mogelijkheid onder het solidariteitsmechanisme en doet daarmee niet af aan de werking van het mechanisme.
Vraag 294
Kan de regering uitleggen hoe zij kijkt naar bovenstaande zaken? De leden van de BBB-fractie vragen wat het Pact nog waard is, als er nu al op deze manier mee omgegaan wordt?
Alle vormen van solidariteit (financieel, herplaatsingen of alternatieve steun) zijn gelijkwaardig aan elkaar. Aan lidstaten is daarnaast de mogelijkheid geboden om ook bilaterale afspraken te maken over een andere vorm van solidariteit, door rekening te houden met de niet-toegestane verplaatsingen in de Unie in de verslagperiode van 1 juli 2024 tot en met 30 juni 2025. Ook Nederland heeft een bilaterale afspraak gemaakt met Griekenland over het inzetten van Dublincompensaties uit het verleden als solidariteitsbijdrage. Deze mogelijkheid tot bilaterale afspraken is nu juist opgenomen om te zorgen voor een goede overgang van de huidige situatie naar de implementatie van het Asiel- en migratiepact en het bijbehorende solidariteitsmechanisme. De solidariteitspool dient tegelijkertijd aan te sluiten bij de noden van de lidstaten onder migratiedruk. Nederland zal in de verdere gesprekken hierover met de Europese Commissie aandacht blijven houden voor deze balans tussen noden van lidstaten met migratiedruk en de gelijkwaardigheid van alle mogelijke vormen van solidariteit.
Vraag 295
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe de IND het vereiste in artikel 34.3 uit de Asiel- en migratiebeheerverordening uit gaat voeren. Heeft de IND deze expertise zelf in huis, of hoe wordt deze binnengehaald?
Artikel 34 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake afhankelijke personen is niet wezenlijk anders dan het huidige artikel 16 van de Dublinverordening. Artikel 34, derde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening komt tevens in sterke mate overeen met artikel 16, derde lid, van de Dublinverordening. Er zijn op dit moment geen gedelegeerde handelingen vastgesteld door de Commissie. Als er sprake is van daadwerkelijke afhankelijkheid zoals omschreven in artikel 34 Asiel- en migratiebeheerverordening, zorgt de IND er normaliter voor dat de verzoeker kan blijven bij of worden herenigd met de in dit artikel omschreven groep van personen. De vreemdeling moet deze afhankelijkheid aantonen, zo veel als mogelijk met objectieve elementen, zoals medische attesten. Het is aan de IND om op basis van deze stukken de gestelde afhankelijkheid vervolgens te beoordelen. De IND heeft hiervoor voldoende expertise in huis. Er is in dit kader geen verplichting of noodzaak tot het opvragen van extern (medisch) advies of het doen van (extern) nader onderzoek (vergelijk de uitspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 30 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2296).
6.2 Uitvoering Asiel- en migratiebeheerverordening in onderhavig wetsvoorstel
Vraag 296
De leden van de PVV-fractie lezen dat in het geval een asielzoeker zich niet bevindt in de verantwoordelijke lidstaat het recht op opvang en andere voorzieningen vervalt. Kan de regering uiteenzetten wat ‘Dublinclaimanten’, ondanks de inperking, alsnog ontvangen en hoe dit vormgegeven wordt?
Het klopt dat Dublinclaimanten geen recht meer hebben op opvangvoorzieningen zoals genoemd in de artikelen 17 ten en met 21 van de herschikte Opvangrichtlijn, nadat zij in kennis zijn gesteld van hun overdrachtsbesluit. Wel moet worden voorzien in een minimale levenstandaard. Dit betekent concreet een vorm van onderdak, voedsel, kleding en producten voor persoonlijke hygiëne. De Dublinclaimant ontvangt onderdak. Voedsel kan worden ontvangen in de vorm van eetgeld. Producten voor persoonlijke hygiëne worden in natura aangeboden. Voor kleding worden Dublinclaimanten verwezen naar kledingbanken. Ook is er altijd toegang tot medisch noodzakelijke zorg en educatie voor minderjarigen.
De leden van de VVD-fractie ondersteunen het doel van dit wetsvoorstel om asielaanvragen zo veel mogelijk in behandeling te laten nemen door de lidstaat dat hiervoor wettelijk verantwoordelijk is.
Vraag 297
In hoeverre verwacht de regering dat de uitvoering van de Asiel- en migratiebeheerverordening ertoe gaat leiden dat de problemen met het uitzetten van asielzoekers naar andere Europese lidstaten tot het verleden gaat behoren?
De regering verwijst naar haar antwoorden op de vragen 270 en 272.
Vraag 298
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het wegvallen van het recht op opvang bij overplaatsing niet afdoet aan de verplichting om ook asielzoekers die moeten worden overgedragen in bepaalde minimumvoorwaarden te voorzien. Wat houden deze minimale voorzieningen in? Hoe wordt deze minimale vorm van opvang ingericht? Waar hebben asielzoekers recht op in deze opvangvorm?
Dublinclaimanten behouden het recht op onderdak en voorziening in minimale levensstandaarden. Hiervoor verwijst de regering naar het antwoord op vraag 296. Het uitgangspunt voor de inrichting van de Dublinonderdak blijft echter dat deze zo sober mogelijk is zonder af te doen aan (inter)nationale wet- en regelgeving.
Vraag 299
De leden van de CDA-fractie vragen aan de regering hoe het zit met vreemdelingen die de landsgrenzen van Europa hebben bereikt, zonder aanmelding of aanvraag door verschillende landen weet te reizen en uiteindelijk aankomt in Nederland om daar een aanvraag te doen voor een asielvergunning. Geldt in zulke gevallen de buitengrensprocedure en zo ja, waar vindt dit dan plaats? Is dat de plek waar de vreemdeling zich voor het eerst in Nederland meldt, of wordt hiervoor een standaard plek aangewezen, zoals Schiphol?
Nee, in deze situatie is de asielgrensprocedure niet van toepassing. De asielgrensprocedure ziet op vreemdelingen die nog geen toegang hebben tot het grondgebied van de EU. In de vraag omschreven casuïstiek heeft de vreemdeling zich feitelijk toegang tot het grondgebied verschaft. Hoewel zijn asielverzoek niet in de asielgrensprocedure kan worden behandeld kan het verzoek wel worden behandeld in de versnelde behandelingsprocedure indien de asielzoeker onder één van de categorieën van artikel 42 van de Procedureverordening valt.
Vraag 300
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Asiel- en migratiebeheerverordening voorziet in een solidariteitsmechanisme tussen lidstaten. Deze leden vragen de regering toe te lichten welke concrete gevolgen dit mechanisme naar verwachting heeft voor Nederland, zowel financieel als qua opvangcapaciteit.
Uw Kamer is middels de geannoteerde agenda en het verslag van de JBZ-Raad van 8 en 9 december 2025 geïnformeerd over de lidstaten die recht hebben op steun uit de solidariteitspool, de omvang van de solidariteitspool en de inzet van Nederland (Kamerstukken II 2025/26, 32317, nr. 978 en 987). Nederland zal een financiële bijdrage leveren aan de solidariteitspool. Daarnaast is Nederland aangemerkt als een lidstaat waar sprake is van een risico op migratiedruk. Hiermee krijgt Nederland voorrang in de toegang tot de EU Migration Support Toolbox, waar onder andere aanspraak kan worden gemaakt op technische steun, operationele steun vanuit de Europese agentschappen en financiële steun.
Vraag 301.
Maakt Nederland al gebruik van dit mechanisme en wat zijn hierbij de financiële kaders?
In antwoord op deze vraag verwijst de regering naar haar antwoord op vraag 300.
Vraag 302
Welke aanvullende nationale maatregelen is de regering bereid te nemen om secundaire migratie richting Nederland tegen te gaan, en op welke wijze benut de regering hier de ruimte die het Pact expliciet aan lidstaten laat, zo vragen de leden van de JA21-fractie.
De regering wijst op de maatregelen neergelegd in de voorstellen voor de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel, als ook het onderhavige wetsvoorstel, zoals het afschaffen van de asielvergunning onbepaalde tijd, de strengere voorwaarden voor nareis, de kortere geldigheidsduur van de verblijftitel, en de versobering van de asielprocedure. De wijziging brengt het Nederlandse asielbeleid daarmee meer in lijn met dat van andere lidstaten, met als doel Nederland niet aantrekkelijker te laten zijn dan andere lidstaten als bestemmingsland.
7. Implementatie herschikte Opvangrichtlijn (EU) 2024/1346
7.1 Algemeen
Vraag 303
De leden van de PVV-fractie vragen de regering welke maatregelen vastgelegd zijn in het verplichte noodplan wanneer er zich een onevenredig hoge instroom voordoet.
Het noodplan ziet op mogelijke disproportionele druk in de asielketen. Alle maatregelen die genomen worden indien er sprake is van disproportionele druk hebben als doel om de druk te verlagen op de ketenpartner die onder druk staat en om te voorkomen dat er meer processen onder druk komen te staan. Voor de grensprocedure betekent het dat voornamelijk de IND, KMar en DJI samen kijken wat mogelijk is en zal er afgestemd worden waar inzet nodig is. Zo kunnen er bepaalde werksoorten die door Schiphol worden uitgevoerd (zoals VRIS-zaken) door andere locaties overgenomen worden of kunnen nevenactiviteiten opgeschort worden. Voor de binnenlandse procedure zal voornamelijk bij de IND en het COA gekeken worden wat mogelijk is. De IND zou kunnen kiezen voor een prioritering van bepaalde categorieën zaken (vreemdelingen uit veilig land van herkomst of overlastgevende asielzoekers) of een projectmatige aanpak van asielzaken met een maximale inzet van beschikbare capaciteit. Het COA zou de bezettingsgraad kunnen verhogen, uitstroom-bevorderende regelingen voor vergunninghouders kunnen inzetten of noodopvanglocaties kunnen openen.
Vraag 304
Daarnaast vragen deze leden wanneer er sprake is van een onevenredig hoge instroom en hoe dit zich verhoudt tot de Crisisverordening.
In het noodplan is een verschil gemaakt tussen disproportionele druk en crisis. Bij een disproportionele druk is de instroom hoog, kunnen asielzoekers niet meer binnen 1 à 2 dagen in de grensprocedure gescreend worden, beginnen andere werksoorten op Schiphol hieronder te lijden, begint er achterstand te komen in het asiel behandelproces in de binnenlandse procedure en ontstijgt de instroom de vaste capaciteit van het COA. Bij een crisis is de instroom extreem hoog en kunnen de asielketenpartners hun taken niet meer uitvoeren zoals bedoeld. Zoals de crisisverordening stelt is er sprake van een crisissituatie bij een uitzonderlijke situatie van massale aankomsten. Indien Nederland in een crisissituatie belandt, kan er een verzoek worden ingediend bij de Europese Commissie voor solidariteitsmaatregelen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het van groot belang dat de voorzieningen voor kwetsbare groepen goed geborgd worden in de opvang. Zij hebben hier enkele vragen over.
Vraag 305
Hoe wordt in de Nederlandse implementatie van de herziene Opvangrichtlijn concreet en wettelijk geborgd dat bijzondere opvangbehoeften van asielzoekers – zoals bij kinderen, zwangere vrouwen, mensen met medische of psychische problematiek, slachtoffers van marteling en LHBTIQ-personen – systematisch, deskundig en uiterlijk binnen 30 dagen worden vastgesteld, zoals art. 24 en 25 van de richtlijn vereisen?
Er zal, zoals nu ook al gebeurt, door het COA beoordeeld worden welke bijzondere opvangbehoeften een asielzoeker heeft. Hier zal bij de plaatsing en begeleiding rekening mee gehouden worden. De regering verwijst naar het antwoord op vraag 324 waarin wordt toegelicht hoe deze beoordeling plaatsvindt.
Vraag 306
Welke concrete maatregelen, inclusief tijdspad, neemt de regering om – mede in het licht van de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag in 2022 (ECLI:NL:GHDHA:2022:2429) waarin is vastgesteld dat de opvang niet voldeed aan de minimumnormen van de Opvangrichtlijn – uiterlijk in 2026 voldoende reguliere opvangplekken te realiseren die een adequate levensstandaard garanderen en kunnen voorzien in de bijzondere opvangbehoeften van kinderen en personen in een kwetsbare positie, zodat afbouw van (crisis)noodopvang daadwerkelijk plaatsvindt?
Het kabinet heeft uitgesproken de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen (Spreidingswet) te willen behouden. Middels de Spreidingswet zet de regering in op de afbouw van (kwalitatief mindere) noodopvang en het opbouwen van voldoende duurzame reguliere voorraad. Hiermee kunnen ook de rechten en behoeften van kinderen en kwetsbare groepen worden gewaarborgd.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat onderwijs en voldoende faciliteiten voor kinderen fatsoenlijk geregeld moeten worden in de opvang. Ook taalonderwijs voor volwassenen is van groot belang voor de integratie.
Vraag 307
Op welke manier wordt invulling gegeven aan artikel 18 van de herziene Opvangrichtlijn waarin staat dat lidstaten asielzoekers toegang moeten geven tot taalcursussen, inburgerings- of beroepsopleidingscursussen? Worden professionele taalonderwijzers ingezet of wordt er gebruik gemaakt van vrijwilligers? In welke opvangvormen en aan welke groepen vluchtelingen worden taallessen aangeboden en aan wie niet?
Artikel 18 van de herschikte Opvangrichtlijn vraagt lidstaten toegang te verzorgen tot taalcursussen, inburgeringscursussen of beroepsopleidingscursussen voor zover lidstaten die passend achten om verzoekers beter in staat te stellen zelfstandig te handelen, met de bevoegde autoriteiten te communiceren of werk te vinden.
Vraag 308
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien dat veelvuldige verhuisbewegingen een grote impact hebben op asielzoekers, specifiek op kinderen. Leerlijnen in het onderwijs worden doorbroken en het is ingewikkeld de onderwijsbehoefte van kinderen en volwassenen in beeld te krijgen. Daarnaast heeft het openen en sluiten van locaties gevolgen voor het goed kunnen organiseren van zorg en (taal)onderwijs. Ook hebben veelvuldige verhuisbewegingen een negatieve impact op vroege integratie en participatie. Is de regering bereid om verhuizingen zoveel mogelijk te voorkomen? Zo ja, op welke manier?
De regering deelt de constatering dat kinderen in de asielopvang vaak meerdere malen moeten verhuizen en dat dit problematisch kan zijn voor de onderwijs- en zorgcontinuïteit als ook de algemene ontwikkeling en het welzijn van kinderen. Deze verhuizingen zijn deels het resultaat van de grote druk op de opvang, de inzet van noodopvang, doelgroepbeperkingen en de zeer beperkte logistieke ruimte die het COA heeft om asielzoekers op één plek te laten verblijven. Het tekort aan plekken en de structurele hoge bezetting maken het onmogelijk om op dit moment de gewenste reductie van verhuisbewegingen naar maximaal één te bewerkstelligen. Het kabinet zet dan ook in op het realiseren van voldoende duurzame opvangplekken, onder andere door inzet van de Spreidingswet, voldoende structurele financiering voor het COA en de afbouw van noodopvanglocaties. Daarbij wordt in samenspraak met het ministerie van OCW gezocht naar manieren om het onderwijs er zo min mogelijk onder te laten lijden wanneer verhuisbewegingen toch plaatsvinden.
Vraag 309
Kan de regering garanderen dat de beschikbaarheid en toegankelijkheid van voorzieningen zoals zorg en (taal)onderwijs voorwaardelijk zijn bij het bepalen of een locatie geschikt is als opvanglocatie en dat deze voorzieningen moeten zijn ingericht voordat een opvanglocatie wordt geopend?
Toegang tot zorg dient te allen tijde op orde te zijn. Het COA opent geen opvanglocatie indien niet aan deze voorwaarde is voldaan. Tevens is nuttige dagbesteding van belang waar ook onderwijs onderdeel van kan zijn. Een ander element waarop wordt ingezet zijn meedoenbalies. Kinderen moeten binnen 3 maanden na aankomst toegang hebben tot onderwijs.
Vraag 310
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat regels over het onderduikrisico, vrijheidsbeperking en vermindering van voorzieningen in lagere wetgeving verder worden uitgewerkt in plaats van in de implementatiewet. Deze leden zijn van mening dat deze uitwerkingen essentiële elementen van de wet zijn waar de Kamer medezeggenschap over behoort te hebben. Waarom is ervoor gekozen om deze elementen niet in de implementatiewet uit te werken?
De gevallen waarin vrijheidsbeperking kan worden opgelegd, worden in verband met de inbreuk op grondrechten die door de vrijheidsbeperkende maatregel wordt gemaakt, in artikel 56 van de Vreemdelingewet 2000 geregeld. De keuze om alle overige aspecten van de vrijheidsbeperking te delegeren naar een lager niveau van regelgeving is in lijn met het geldende wetgevingsbeleid en de huidige systematiek van de Vreemdelingenwet 2000. Ook nu is reeds in het Vreemdelingenbesluit 2000 uitgewerkt in welke gevallen onderduikrisico kan worden aangenomen. In hoofdstuk III en IV van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 is opgenomen in welke gevallen het recht op opvang eindigt, dan wel in welke gevallen de verstrekkingen beperkt of ingetrokken mogen worden.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien dat door de toenemende druk op detentiecapaciteit en aanhoudende personeelstekorten in de vreemdelingendetentie hier weinig ruimte is voor extra opvang. Hierover hebben zij enkele vragen.
Vraag 311
Waar verblijven vreemdelingen tijdens de screening?
Vreemdelingen die in Ter Apel gescreend worden, verblijven op het aanmeldcentrum tijdens de screening. Eenmaal met de screening begonnen, wordt deze volledig afgemaakt. Als een vreemdeling zich buiten de openingstijden aanmeldt, zal hij in de nachtopvang van COA verblijven en de volgende ochtend de screening doorlopen. Vreemdelingen die aan de grens gescreend worden door de KMar, verblijven gedurende de screening op Schiphol.
Vraag 312
Welke organisaties zullen toegang tot ze hebben?
De IND is verantwoordelijk tijdens de screening. In het geval van alleenstaande minderjarige vreemdelingen is de voogdijorganisatie Nidos aanwezig.
Vraag 313
Worden er dagprogramma’s beschikbaar gesteld?
Het screeningsproces duurt in de regel slechts een paar uur. De vreemdeling is tijdens de screeningsfase bezig met het uitvoeren van de screening. Er wordt om die reden geen dagprogramma aangeboden.
Vraag 314
In hoeverre is het mogelijk contact te hebben met de buitenwereld zonder dat dit wordt gecontroleerd?
Dat is niet mogelijk. De vreemdeling moet vooraf aan de screening zijn persoonlijke devices inleveren. Deze worden in een sealbag bewaard en na de screening geretourneerd. Tijdens screeningsfase is het niet de bedoeling dat de vreemdeling de locatie verlaat aangezien hij zich beschikbaar moet houden voor de asielprocedure.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen voorts dat er een noodplan opgesteld dient te worden in het geval de komst van asielzoekers sterk toeneemt in aantal. Hierover hebben zij de volgende vragen.
Vraag 315
Worden er voorbereidende handelingen verricht bijvoorbeeld in de aanpassing van de Omgevingswet, zodat het noodplan ook daadwerkelijk uitgevoerd kan worden en de fundamentele rechten van asielzoekers in de opvang ook gegarandeerd worden in noodsituaties?
Het noodplan ziet op situaties van disproportionele migratiedruk en is gebaseerd op de bestaande contingency plannen van de asielketenpartners. Hierbij ligt de nadruk op de acties van de verschillende asielketenpartners om dergelijke druk te voorkomen en het hoofd te bieden en hoe zij elkaar en het Ministerie informeren van op- en afschalen. Daarbij is er tevens aandacht voor de druk op de opvangcapaciteit en het waarborgen van rechten van kwetsbare groepen. Er zijn geen aanpassingen van wet- en regelgeving voorzien.
Vraag 316
Wanneer kan de Kamer het noodplan verwachten, wat zal hierin worden opgenomen?
Het noodplan is met de Europese Commissie en met het Asielagentschap (EUAA) gedeeld. Hier is feedback op ontvangen. In samenwerking met de asielketenpartners wordt deze feedback momenteel verwerkt. Tevens in het de intentie om oefeningen te organiseren, ter verbetering van het noodplan. Zodra het noodplan definitief is, zal het gedeeld worden met de Kamer. Dit is mogelijk na 12 juni 2026, nu er voor de aanpassing van het noodplan geen specifieke deadline geldt.
Vraag 317
Wat zijn de meetbare voorwaarden om het noodplan te activeren?
Onderdeel van het noodplan is een overzicht van factoren per asielketenpartner die aangeven of er sprake is van (dreigende) disproportionele druk. Dit is per asielketenpartner verschillend, nu zij andere taken hebben en dus dergelijke druk op een andere manier ervaren. Voor het COA is dit met name afhankelijk van het de bezettingsgraad, terwijl dit voor de IND ziet op de werkvoorraad in de aanvragen.
Vraag 318
De leden van de JA21-fractie constateren dat het Pact de mogelijkheden voor bewaring bij onderduikrisico en ter bescherming van de openbare orde (artikelen 10 en 11 herschikte Opvangrichtlijn, in samenhang met artikel 44 Asiel- en Migratiebeheerverordening) harmoniseert en verruimt. Is de regering bereid deze gronden in de Vw 2000 en het Vb 2000 zo effectief mogelijk in te vullen, zodat de samenleving maximaal kan worden beschermd tegen vreemdelingen met een strafrechtelijke achtergrond of herhaald overlastgevend gedrag? In hoeverre is daar nu in voorzien?
Bij de implementatie van het Asiel- en migratiepact zijn de mogelijkheden die zowel de herschikte Opvangrichtlijn als de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMBv) bieden als het gaat om het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel dan wel een vrijheidsontnemende maatregel opgenomen in de Vw 2000 en het Vb 2000. Zo is in artikel 56 Vw 2000 de mogelijkheid opgenomen om een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen om doeltreffend te voorkomen dat de vreemdeling onderduikt wanneer er een onderduikrisico bestaat (artikel 9 herschikte Opvangrichtlijn). De nadere uitwerking hiervan wordt opgenomen in het Vb. Daarnaast volgt uit artikel 44 van de AMBv dat vreemdelingen in bewaring kunnen worden gesteld ten behoeve van hun overdracht indien er een onderduikrisico bestaat of met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of openbare orde. De verwijzing naar artikel 44 AMBv is geïmplementeerd in artikel 59a Vw 2000. Tot slot is de nieuwe bewaringsgrondslag in artikel 59b Vw 2000 geïmplementeerd om vreemdelingen die een asielverzoek hebben ingediend in bewaring te kunnen stellen indien zij zich eerder niet aan een aan hen opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel hebben gehouden en het onderduikrisico blijft bestaan. Middels implementatie van deze (extra) mogelijkheden uit het Pact bestaat in ieder geval juridisch ruimte om hier in de praktijk invulling aan te geven. Desalniettemin dient iedere maatregel waarbij de vreemdeling in zijn bewegingsvrijheid wordt beperkt individueel te worden gemotiveerd en dient altijd te worden bezien of de maatregel die wordt opgelegd wel proportioneel is. Daarbij dient altijd rekening te worden gehouden met de individuele omstandigheden van de vreemdeling. In Nederland wordt de vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56 Vw 2000 reeds ingezet, onder andere bij de vrijheidsbeperkende locatie (vbl) en de procesbeschikbaarheidslocatie in Ter Apel en de handhaving- en toezichtlocatie in Hoogeveen. Momenteel wordt samen met de migratieketen uitgewerkt op welke wijze de mogelijkheid die het Pact biedt voor vrijheidsbeperking binnen Nederland breder kunnen worden benut. Hierover zal de regering uw Kamer dit voorjaar informeren.
Vraag 319
In hoeverre noopt implementatie van het Pact tot een uitbreiding van het aantal opvangplekken waar vrijheidsbeperkende maatregelen worden opgelegd? Kan de regering hier een toelichting op geven?
Het Asiel- en migratiepact geeft meer ruimte om Dublinclaimanten na overdrachtsbesluit vrijheidsbeperkende maatregelen op te leggen. De regering onderzoekt hoe deze maatregelen het meest effectief ingezet kunnen worden. Daarna zal ook duidelijk worden of het aantal opvangplekken waar deze maatregelen goed gehandhaafd kunnen worden uitgebreid moet worden. Daarnaast worden vrijheidsbeperkende maatregelen ingezet bij overlastgevende asielzoekers. Voor deze categorie kijkt de regering naar een uitbreiding van het aantal plekken.
Dublinclaimanten kunnen na een overdrachtsbesluit beperkt worden in hun bewegingsvrijheid middels een artikel 56 maatregel. Ook in de nationale aanpak van overlastgevende asielzoekers kan indien nodig gebruik worden gemaakt van vrijheidsbeperkende maatregelen.
Vraag 320
Wat wordt de inzet van deze regering ten aanzien van Bed-, Bad-, Broodlocaties met slechts basale voorzieningen? Wil de regering dergelijke locaties inrichten, en zo ja, voor welke groepen?
Voor vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf is het perspectief een terugkeer naar het land van herkomst en vertrek uit Nederland. Voor vreemdelingen die meewerken aan hun vertrek is onderdak beschikbaar in de vorm van de vrijheidsbeperkende locatie in Ter Apel. De regering is zich ervan bewust dat gemeenten niettemin kunnen worden geconfronteerd met zich in hun gemeente ophoudende niet-rechtmatige verblijvende vreemdelingen. Dit vraagt om goede afspraken en samenwerking tussen Rijk en gemeenten, en het kabinet zal zich hiervoor inzetten.
De leden van de BBB-fractie merken op dat de Opvangrichtlijn, als enige richtlijn binnen het Pact, ziet op de fase waarin een asielzoeker nog geen inhoudelijke beslissing op zijn aanvraag heeft ontvangen. Juridisch is deze fase bijzonder belangrijk, omdat hierin wordt bepaald onder welke voorwaarden iemand op het grondgebied mag verblijven, welke voorzieningen worden verstrekt en welke vrijheidsbeperkingen kunnen worden opgelegd.
De leden van de BBB-fractie constateren dat de richtlijn lidstaten verplicht opvang te bieden die voorziet in basale levensbehoeften, zoals onderdak, voeding en kleding, alsmede medische zorg en onderwijs voor minderjarigen. Tegelijkertijd koppelt de richtlijn deze opvang nadrukkelijk aan procedureel gedrag. Indien een asielzoeker niet meewerkt, zich onttrekt aan toezicht, een overdrachts- of terugkeerprocedure frustreert of een risico vormt voor de openbare orde, kan opvang worden beperkt, ingetrokken of vervangen door vrijheidsbeperkende maatregelen.
De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat vrijheidsontneming expliciet wordt toegestaan, mits deze proportioneel is, als laatste redmiddel wordt toegepast en onder rechterlijk toezicht staat. In de praktijk betekent dit dat opvang niet langer louter een sociale voorziening is, maar tevens een juridisch instrument om asielzoekers beschikbaar te houden voor procedure en handhaving. Voor Nederland heeft dit gevolgen zoals een verdere juridisering van COA-besluiten, een strakkere koppeling tussen de IND-procedure en de opvangstatus, en een toename van rechterlijke procedures over vrijheidsbeperking.
Vraag 321
De leden van de BBB-fractie vragen de regering in hoeverre de herschikte Opvangrichtlijn de facto een minimumopvangstandaard vastlegt die niet verder kan worden versoberd.
Uit de algemene opzet, de context en de doelstelling van de herschikte Opvangrichtlijn kan worden afgeleid dat de Uniewetgever ten aanzien van materiële opvangvoorzieningen heeft beoogd minimumnormen vast te stellen teneinde een menswaardige levensstandaard te bieden. De materiële opvangvoorzieningen bestaan op grond van artikel 2, aanhef en onder punt 7, uit huisvesting, voedsel, kleding, producten voor persoonlijke hygiëne, en een dagvergoeding. Dit betreffen minimumstandaarden waar iedere lidstaat zich aan dient te houden. Zelfs in situaties waarin materiële opvangvoorzieningen beperkt of ingetrokken kunnen worden, zoals bijvoorbeeld de dagvergoeding, dient dit op grond van artikel 23, vierde lid, van de herschikte Opvangrichtlijn te allen tijde te geschieden met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, toegang tot de gezondheidszorg overeenkomstig artikel 22 en met waarborg voor een menswaardige levensstandaard overeenkomstig het Unierecht, met inbegrip van het Handvest, en andere internationale verplichtingen. Een menswaardige levensstaardaad betekent op grond van bestendige jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (zie bijv. arrest van 12 november 2019, Haqbin, C-233/18, EU:C:2019:956) dat asielzoekers onder alle omstandigheden hun basisbehoeften moeten kunnen vervullen, zoals wonen, eten, zich kleden en zich wassen. De regering heeft deze minimumnormen derhalve als richtinggevend aangemerkt bij de implementatie van de herschikte Opvangrichtlijn, en meer in het bijzonder bij de vaststelling van het verstrekkingenregime.
Vraag 322
Tevens vragen zij hoe de regering het risico beoordeelt dat deze minimumopvangstandaard een aanzuigende werking heeft.
Er zijn meerdere factoren die een rol kunnen spelen in het besluit van de vreemdeling om door te reizen naar een bepaalde lidstaat. In hoeverre de opvangvoorzieningen hierin een rol spelen, is dan ook niet de kwantificeren. Wel is het zo dat de Uniewetgever met de herschikte Opvangrichtlijn heeft beoogd de opvangvoorzieningen in de Lidstaten verder te harmoniseren.
Vraag 323
Ten aanzien van Dublinclaimanten vragen de leden van de ChristenUnie-fractie hoe de opvang voor hen eruit zal komen te zien. Zij lezen in artikel 21 van de Opvangrichtlijn dat zij geen recht hebben op opvang. Tegelijk kunnen zij niet aan hun lot worden overgelaten en heeft ieder recht op menswaardige opvang. Kan de regering schetsen welke opgave er voor het COA ligt voor deze mensen? Hoe anders is deze opvang ten opzichte van de huidige situatie? Is het niet eenvoudiger om geen aparte opvangfaciliteiten voor Dublinclaimanten op te zetten, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.
Voor Dublinclaimanten vervalt het recht op reguliere opvang na het overdrachtsbesluit. Ze zullen op Dublinonderdaklocaties versoberd onderdak krijgen met minimale voorzieningen. Verder geldt de mogelijkheid van een vrijheidsbeperkende maatregel, inhuisregistratie en een meldplicht. Voor het COA betekent dit het realiseren en beheren van meerdere waar mogelijk aparte voorzieningen op bestaande azc’s en het inrichten van de bijbehorende processen, wat afwijkt van de huidige, reguliere opvang. Hoewel het in aanloop meer werk geeft om dit te ontwikkelen kunnen hierdoor onnodige spanningen tussen groepen met verschillende regimes worden voorkomen.
Ten aanzien van de opvang van kwetsbare groepen vragen de leden van de ChristenUnie-fractie naar de screening.
Vraag 324
In artikel 25 Opvangrichtlijn wordt beschreven dat medewerkers de bijzondere opvangbehoeften moeten beoordelen. Kan de regering schetsen hoe deze beoordeling eruit moet komen te zien?
Het COA beoordeelt welke bijzondere opvangbehoeften een asielzoeker heeft en houdt hier bij de plaatsing en begeleiding rekening mee. Dit gebeurt ook nu al. De beoordeling zal plaatsvinden in de vorm van een gesprek waarin gepoogd wordt in een vroeg stadium van het verblijf een zo goed mogelijk beeld van de bewoner en zijn of haar behoeften te vormen. In de beoordeling betrekt het COA onder meer informatie uit het screeningsproces, waaronder eventuele medische omstandigheden, en signalen van ketenpartners.
Vraag 325
Hoe geeft de IND hier vorm aan en is er voldoende capaciteit voor deze beoordeling met expertise?
De IND voert deze beoordeling niet uit, maar het COA. Tijdens de screening wordt een voorlopige check op kwetsbaarheid door de IND en een eerste medische check door Gezondheidszorg Asielzoekers (GZA) gedaan. Het COA betrekt deze informatie bij de beoordeling van eventuele bijzondere opvangbehoeften en bij de plaatsing in de opvang.
Vraag 326
Hoe ziet deze beoordeling er voor minderjarigen uit, zo vragen deze leden.
Voor minderjarigen geldt eveneens dat het COA beoordeelt of er sprake is van bijzondere opvangbehoeften. Daarbij wordt rekening gehouden met hun leeftijd en eventuele kwetsbaarheden. Voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen geldt daarnaast dat zij worden opgevangen in daarvoor bestemde opvangvoorzieningen met passende begeleiding. Met hen voert Nidos een intakegesprek binnen een aantal dagen na aankomt. Eventuele zorgelijke signalen worden gedeeld met COA om rekening mee te houden bij de plaatsing en begeleiding.
7.2. Toewijzing geografisch gebied
Vraag 327
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het toewijzen van asielzoekers tot een geografisch gebied ook wordt toegepast op asielzoekers die afkomstig zijn uit veilige landen. Hier hebben zij enkele vragen bij. Hoe ziet deze toewijzing eruit? Komt dit neer op detentie? Hoe en wanneer kunnen asielzoekers dit geografische gebied verlaten?
De regering verwijst naar haar beantwoording van de gelijksoortige vragen 29 en 30.
Vraag 328
Klopt het dat het een keuze is om asielzoekers uit veilige landen in een vorm van detentie te plaatsen en dit niet dwingend voortvloeit uit het pact?
De herschikte Opvangrichtlijn verruimt weliswaar de mogelijkheden om asielzoekers in bewaring te stellen, maar een dwingende verplichting om over te gaan tot bewaring vloeit niet voort uit het Asiel- en migratiepact. Bovendien volgt uit artikel 10, eerste lid, van de herschikte Opvangrichtlijn dat asielzoekers niet op basis van enkel hun nationaliteit in bewaring worden gehouden. De bewaringsgrondslagen voor asielzoekers zijn neergelegd in artikel 10, vierde lid, van de herschikte Opvangrichtlijn, welke zijn geïmplementeerd in artikel 59b Vw 2000. Dit betekent dat bewaring van een asielzoeker enkel mogelijk is indien wordt voldaan aan een van die grondslagen.
Vraag 329
De leden van de JA21-fractie vragen op welke manier de regering denkt gebruik te kunnen maken van de toewijzing van een specifiek geografisch gebied. Welke gebieden heeft de regering op het oog?
De regering verwijst naar haar beantwoording van vraag 29.
Vraag 330
Art. 23 geeft dus de mogelijkheid om opvang in te trekken, indien een asielzoeker een geografisch gebied zonder toestemming verlaat. Is de regering voornemens gebruik te maken van deze mogelijkheid?
De regering verwijst naar haar beantwoording van vraag 29.
Vraag 331
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom de regering er niet voor heeft gekozen om uitzonderingscategorieën toe te voegen, om maatwerk te kunnen bieden als de situatie daarom vraagt. Deze leden denken dan aan de categorieën kwetsbare personen zoals in de Opvangrichtlijn, artikel 24 worden genoemd, waaronder minderjarigen, personen met een handicap en ouderen.
De regering verwijst naar haar beantwoording van vraag 29.
7.3. Vrijheidsontneming asielzoekers op grond van artikel 59b Vw 2000
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de maximale termijnen flink worden verhoogd. De bewaring zelf vloeit voort uit het Pact maar het is aan de nationale wetgever om termijnen te stellen. Hierover hebben deze leden enkele vragen.
Vraag 332
In hoeverre wijkt Nederland in deze termijnen af van termijnen die in andere EU-landen worden gesteld?
De regering heeft voor wat betreft de termijn van bewaring voor asielzoekers op grond van artikel 59b Vw 2000 aansluiting gezocht bij de termijnen voor het nemen van een asielbesluit zoals neergelegd in de Procedureverordening. Hiervoor is gekozen omdat er een verband bestaat tussen de duur van de behandeling van de asielaanvraag en de gronden voor bewaring zo lang een vreemdeling asielzoeker is. Het is niet bekend in hoeverre Nederland hiermee afwijkt van termijnen die in andere EU-landen gelden voor bewaring van asielzoekers.
Vraag 333
Welke landen hanteren ook het maximum van 15 maanden in het geval van complexe behandeling en een generieke mogelijkheid tot verlenging tot 12 maanden?
Op dit moment is het mogelijk om een asielzoeker die in bewaring is gesteld omdat hij een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde in beginsel te detineren voor maximaal zes maanden. Dit volgt uit het huidige artikel 59b, vierde lid, Vw 2000. Uit artikel 59b, vijfde lid, Vw 2000 volgt dat die termijn ten hoogste met negen maanden kan worden verlengd indien er sprake is van complexe feitelijke en juridische omstandigheden en een zwaarwegend belang van openbare orde of nationale veiligheid aan de orde is. In het nieuwe artikel 59b, tweede lid, wordt de bewaringstermijn voor bewaring op grond van artikel 59b Vw 2000 van maximaal zes maanden neergelegd. In het nieuwe derde lid van artikel 59b Vw 2000 is opgenomen dat de termijn van zes maanden met nog eens maximaal zes maanden kan worden verlengd indien sprake is van complexe feitelijke of juridische kwesties of de vertraging in de behandeling van de asielaanvraag kan worden toegeschreven aan het feit dat de vreemdeling zijn verplichtingen niet nakomt. Dit betekent dat na implementatie van het Pact geen maximumtermijn meer geldt van 15 maanden voor bewaring op grond van artikel 59b Vw 2000. Zoals in reactie op vraag 332 is aangegeven, is niet bekend welke maximumtermijn andere EU-landen hanteren hiervoor.
Vraag 334
Bij welke gevallen wordt de grensdetentie tot maximaal 12 maanden verlengd? Aan welke complexe omstandigheden moeten we denken? Kan de regering voorbeelden geven van dit soort situaties?
De grensbewaring kan met ten hoogste twaalf maanden worden verlengd indien de vreemdeling niet meewerkt, of de nodige documentatie uit derde landen op zich laat wachten. Voor verlenging met ten hoogste 12 maanden moet er zicht op uitzetting bestaan, en moet er rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval. Naarmate de grensbewaring langer voortduurt zullen de belangen van de vreemdeling om in vrijheid gesteld te worden steeds zwaarder wegen. Grensgeweigerde vreemdelingen kunnen in de praktijk vaak snel terugkeren op een luchtvaartclaim waardoor de bewaringsduur relatief beperkt is. Een verlenging van de grensbewaring met maximaal 12 maanden is in dat geval niet aan de orde.
Vraag 335
Wat gebeurt er als uitzetting na deze 12 maanden alsnog niet mogelijk is?
Grensdetentie, nadat de asielaanvraag is afgewezen in de asielgrensprocedure, kan in beginsel maximaal zes maanden duren. In uitzonderingsgevallen en indien aan de voorwaarden daarvoor wordt voldaan, bestaat de mogelijkheid na die zes maanden de grensbewaring op grond van artikel 6, zesde lid (nieuw) jo. artikel 59, zesde lid, Vw 2000 te verlengen met maximaal twaalf maanden. Indien het niet is gelukt om terugkeer te realiseren binnen die termijn, wordt de bewaring opgeheven en wordt alsnog toegang verleend aan de vreemdeling. Dat neemt niet weg dat de vreemdeling desondanks een vertrekplicht heeft en onrechtmatig verblijft.
Vraag 336
Is er voldoende capaciteit om gebruik te maken van deze verlenging en hoe vaak denkt de regering hier gebruik van te zullen maken?
De regering verwijst hier naar het antwoord op vraag 122.
Vraag 337
De leden van de Groenlinks-PvdA-fractie vragen welke landen een kortere maximumtermijn hanteren en hoe lang deze kortere termijnen zijn.
In algemene zin geldt dat uit artikel 5, vierde lid, in samenhang bezien met artikel 4, zesde lid, van de Terugkeergrensprocedureverordening volgt dat de duur van grensbewaring na toegangsweigering niet langer mag zijn dan de twaalf weken die volgen uit artikel 4, tweede lid, van de Terugkeergrensprocedureverordening, maar dat als bewaring wordt opgelegd die onmiddellijk aansluit op die periode van twaalf weken, de maximale termijnen die volgen uit artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn (zes maanden en onder omstandigheden te verlengen met twaalf maanden) van toepassing zijn en de reeds opgelegde grensbewaring van twaalf weken daarbij moet worden meegeteld. De regering is niet bekend met de invulling hiervan door andere landen.
Vraag 338
Op welke manier krijgen asielzoekers in detentie rechtsbijstand? In het coalitieakkoord staat dat kansarme aanvragers pas rechtsbijstand krijgen bij afwijzing. Geldt dit ook voor aanvragers in detentie?
Uit de herschikte Opvangrichtlijn volgt dat een vreemdeling in bewaring recht heeft op gratis juridische bijstand. Daarnaast zijn de termijnen in de grensprocedure kort en moet de IND de aanvraag voortvarend behandelen, juist ook omdat er een bewaringsmaatregel gekoppeld is aan de grensprocedure. Om deze reden heeft het kabinet besloten dat in de grensprocedure er direct na afronding van de screeningsfase een advocaat gekoppeld wordt aan de vreemdeling. Ook zal het streven zijn om de asielaanvraag van de vreemdeling die een artikel 59b Vw 2000 maatregel heeft opgelegd gekregen zo spoedig mogelijk af te ronden. Om die reden zal de aanvraag voortvarend worden behandeld en zal zo spoedig mogelijk een persoonlijk onderhoud worden ingepland. Voorafgaand aan dit persoonlijk onderhoud zal een advocaat worden gekoppeld.
Vraag 339
Is de regering het eens met de stelling dat in een detentiesetting het des te belangrijker is dat de juridische counseling wordt gedaan door een onafhankelijke partij en niet door de autoriteiten die iemand in detentie hebben geplaatst?
Met de inrichting van de juridische counseling blijft de onafhankelijkheid gewaarborgd. De taken van de IND-medewerkers die counseling verlenen, zullen immers volledig gescheiden zijn van die van de medewerkers die besluiten nemen en gehoren uitvoeren. Desalniettemin wordt opgemerkt dat in de toekomstige asielgrensprocedure het recht op kosteloze rechtsbijstand kort na de start van de procedure gehandhaafd blijft. Hiervoor is niet relevant of de vreemdeling in bewaring zit of niet. Het recht op rechtsbijstand vanwege de omstandigheid dat de vreemdeling in bewaring zit, is van een andere orde en volgt uit artikel 100, eerste lid, Vw 2000. Daar verandert het onderhavige wetsvoorstel niets aan.
Vraag 340
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat de regering in de implementatiewet geen onderscheid maakt tussen de grensprocedure en grensdetentie. Alle asielzoekers die in de grensprocedure zitten, worden ook gedetineerd. Deze detentie geldt voor de volledige duur van de procedure, terwijl er ook voor gekozen had kunnen worden om de duur te beperken tot de screeningsfase. Waarom gebruikt de regering detentie als standaard en niet als uiterst middel, zoals diverse Europese richtlijnen voorschrijven?
Grensbewaring kan volgen in die zaken waarin het asielverzoek in de asielgrensprocedure moet worden behandeld (in de gevallen dat de vreemdeling een nationaliteit heeft waarvan het EU-brede inwilligingspercentage lager dan 20% is, de vreemdeling de overheid misleidt of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid). In overige gevallen kan de asielgrensprocedure worden toegepast. Het opleggen van grensbewaring is - zoals nu ook het geval is - een maatregel gebaseerd op een individuele beoordeling. Daarbij wordt altijd geverifieerd of de vreemdeling in bewaring kan worden geplaatst en of bewaring proportioneel is. Deze systematiek is geregeld in artikel 6 en 6a van de Vreemdelingenwet 2000. Omdat de asielprocedure doorgaans langer duurt dan 24 uur, kan een alternatief (zoals verblijf in de lounge) niet worden toegepast, omdat het hier de vreemdeling ontbreekt aan basisvoorzieningen. In het kader van het grensbewakingsbelang kan de overheid verder niet voorzien in een alternatief voor bewaring en tegelijkertijd voorkomen dat de vreemdeling toegang krijgt tot het grondgebied van de lidstaten. Om die reden wordt - wanneer aan de voorwaarden wordt voldaan - gebruik gemaakt van grensbewaring. Daarmee wordt conform vaste Afdelingsjurisprudentie het grensbewakingsbelang gediend, zie o.a. ABRvS 12 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2050.
Vraag 341
Hoe duidt de regering de mededeling van de Europese Commissie met betrekking tot het Gemeenschappelijk uitvoeringsplan voor het Pact, waarin staat vermeld dat de maatregelen protocollen kunnen omvatten inclusief alternatieven voor bewaring, met name voor gezinnen met kinderen?
Naast de wettelijke uitvoering en implementatie van het Asiel en migratiepact in zowel de Vreemdelingenwet 2000 als het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt op zowel beleidsmatig niveau (in de Vreemdelingencirculaire 2000) als in werkinstructies van de uitvoerende organisaties de implementatie van het Pact uitgewerkt. In de Vc 2000 zal nadere uitwerking worden gegeven aan de implementatie van de (verplichte) asielgrensprocedure en het al dan niet opleggen van grensbewaring. Daarbij zal eveneens aandacht worden besteed aan gezinnen met kinderen waarvoor de verplichte asielgrensprocedure geldt. Los daarvan zijn de alternatieven voor bewaring reeds wettelijk verankerd in de Vw 2000.
Vraag 342
Is er in detentie ook sprake van onderwijs voor minderjarigen? Wat zijn de faciliteiten in deze detentieplekken voor kinderen en voor volwassenen?
In situaties waarin minderjarigen in het kader van vreemdelingenrechtelijke maatregelen verblijven in een gesloten setting, zoals in de Gesloten Gezinsvoorziening Zeist, wordt voorzien in educatieve activiteiten op maat. De aard en intensiteit van dit aanbod worden mede bepaald door de verblijfsduur. Aangezien het verblijf in de Gesloten Gezinsvoorziening in beginsel van beperkte duur is, betreft het geen volledig regulier onderwijsprogramma.
Voor volwassen vreemdelingen in bewaring bestaat geen structureel landelijk onderwijsaanbod vergelijkbaar met het reguliere gevangeniswezen. De focus ligt primair op het uitvoeren van de vreemdelingenrechtelijke maatregel binnen de geldende wettelijke kaders. Wel worden op verschillende locaties faciliteiten geboden in de vorm van: dagbesteding, activering en praktische vaardigheden. Binnen Detentiecentrum Rotterdam wordt bijvoorbeeld gewerkt met praktijkgerichte projecten waarin ingeslotenen vaardigheden ontwikkelen die inzetbaar kunnen zijn na terugkeer. Dergelijke initiatieven zijn met name relevant in het kader van vreemdelingenbewaring onder de Terugkeerrichtlijn.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat ook in detentie de gezondheidszorg van belang is. Daarom is het van belang dat deze in de implementatiewet goed gewaarborgd is, zowel in de grens- en vreemdelingendetentie als tijdens de screeningsprocedure, zodat adequate medische controles plaatsvinden en kwetsbaarheid tijdig wordt gesignaleerd. Hierover hebben zij enkele vragen.
Vraag 343
Op welke manier wordt de gezondheidszorg in grensdetentie gewaarborgd? Welke instantie is verantwoordelijk voor de medische en psychische zorg tijdens detentie inclusief tijdens de screeningsprocedure?
De medische dienst van Justitieel Complex Schiphol (JCS) dat onderdeel is van de Dienst Justitiële Inrichtingen is hiervoor verantwoordelijk.
Vraag 344
Op welke manier en in welk stadium wordt er gekeken naar mogelijke kwetsbaarheden van vreemdelingen? Hoe wordt er omgegaan met kwetsbare groepen die bijvoorbeeld te maken hebben met psychische problemen, trauma’s en angst?
Tijdens de screeningsfase aan de buitengrens beoordeelt de KMar of er bepaalde kwetsbaarheden aanwezig zijn waardoor een vreemdeling niet in bewaring kan. Als de KMar deze kwetsbaarheden niet heeft geconstateerd, kan de vreemdeling de grensprocedure instromen. Vervolgens beoordeelt de IND of er verder procedurele waarborgen nodig zijn en of deze in de grensprocedure kunnen worden gegeven. Als dit niet het geval is, zal de grensprocedure worden stopgezet en de grensbewaring worden opgeheven. Als op een later moment bepaalde kwetsbaarheden naar voren komen die eerder niet bekend waren, wordt opnieuw beoordeeld welke procedurele waarborgen nodig zijn en of deze in bewaring kunnen worden geborgd.
Vraag 345
Hoe wordt ervoor gezorgd dat de juiste gespecialiseerde expertise beschikbaar is en er voldoende tijd wordt genomen om kwetsbaarheden te signaleren?
Op dit moment wordt door de IND al voortdurend in alle fases van de asielaanvraag bezien of er sprake is van kwetsbaarheden en of er aanleiding is voor bijzondere procedurele waarborgen. Zo bestaat de opleiding Interviewing Vulnerable Persons en de werkinstructie 2021/9 waarin ook indicatoren staan vermeld die mogelijk wijzen op kwetsbaarheid. Vanaf het van toepassing worden van het Asiel- en migratiepact, wordt tijdens de screeningsfase een voorlopige beoordeling gedaan of een vreemdeling bijzondere procedurele waarborgen nodig heeft. Hierbij gaat het om aanwijzingen op basis van zichtbare tekenen, verklaringen, gedrag van de verzoeker of relevante documenten. De beoordeling wordt zo snel mogelijk na de screeningsfase afgerond. Bij deze definitieve beoordeling wordt naast de voorlopige beoordeling het volledige dossier, medische intake en eventuele informatie van ketenpartners meegenomen. Deze beoordeling wordt gedaan door medewerkers die getraind zijn in het herkennen van signalen van kwetsbaarheid. Als hiertoe aanleiding bestaat kunnen signalen inzake kwetsbaarheid gedeeld worden met ketenpartners, kan de vreemdeling doorverwezen worden naar de medische dienst of kan onderzoek gedaan worden of iemand gehoord kan worden.
Vraag 346
Hoe zal er worden omgegaan met weigering van deelname aan de screeningsprocedure?
Het weigeren mee te werken aan de screeningsprocedure kan worden betrokken bij het nemen van een beslissing op de asielaanvraag. Bij de registratie van de asielaanvraag moet de vreemdeling namelijk grotendeels dezelfde gegevens verstrekken als tijdens de screening. Het niet verstrekken van die gegevens kan ertoe leiden dat de asielaanvraag buiten behandeling kan worden gesteld. Dit volgt direct uit de Procedureverordening. Ook indien de vreemdeling weigert om een dactyloscopisch signalement te laten afnemen, kan de asielaanvraag buiten behandeling worden gesteld.
Vraag 347
Hoe wordt rekening gehouden met- en gereageerd op problemen zoals hongerstakingen en zelfmoordpogingen?
In het algemeen geldt dat er altijd gepaste begeleiding aanwezig is tijdens de screening om de vreemdeling te ondersteunen bij de screeningsfase. Indien nodig wordt relevante informatie gedeeld met ketenpartners. Specifiek in het geval van hongerstakingen en zelfmoordpogingen wordt dit vastgelegd in het vreemdelingenbeeld. Op deze manier zijn ook de relevante ketenpartners direct op de hoogte zodat ook zij rekening kunnen houden met de individuele omstandigheden van de aanvrager. Ook is er een Ketenbreed Calamiteitenteam (KCT) dat bestaat uit medewerkers van de IND, het COA en de DTenV, dat ten doel heeft calamiteiten te voorkomen en de situatie te de-escaleren. Een medewerker van het KCT beoordeelt meldingen op intensiteitsniveau en zet zo nodig direct acties uit.
Vraag 348
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat kinderen niet thuishoren in detentie en dat dit zeer schadelijk kan zijn. Zij lezen dat minderjarigen alleen in detentie terechtkomen als dit in hun belang is. Het belang van het kind wordt genoemd naar niet verder uitgewerkt, terwijl het belang van het kind op grond van het IVRK en het EU-Handvest de eerste overweging moet zijn bij beslissingen die betrekking hebben tot kinderen. Deze leden hebben hier enkele vragen bij en vragen gelieve deze individueel te beantwoorden. Wat is volgens de regering in deze context in het belang van het kind? Hoe wordt dit getoetst en gewaarborgd?
Bij de beoordeling van het belang van het kind dient Nederland in ieder geval rekening te houden met een aantal factoren zoals die zijn neergelegd in artikel 26 van de herschikte Opvangrichtlijn. Daarbij speelt volgens de regering de mogelijkheid van gezinshereniging dan wel het behouden van de gezinseenheid, indien sprake is van een gezin met minderjarige kinderen, een zeer belangrijke rol bij de beoordeling of het belang van het kind wordt gewaarborgd. Dat neemt niet weg dat dit per gezin individueel zal moeten worden beoordeeld en dat rekening moet worden gehouden met de specifieke omstandigheden van het betreffende gezin. Bij een alleenstaande minderjarige vreemdeling spelen veiligheids- en beveiligingsoverwegingen een belangrijke rol in de context van het belang van het kind. Daarbij kan worden gedacht aan situaties waarbij er signalen zijn voor mensenhandel of -smokkel. Daarnaast is in de context van het belang van het kind de locatie waar minderjarigen worden ondergebracht een belangrijke omstandigheid waar rekening mee moet worden gehouden. Voor Nederland geldt in dat verband dat minderjarigen worden geplaatst in Justitieel Complex Zeist, welke locatie kindvriendelijk is ingericht en geschikt is voor bewaring van gezinnen met minderjarige kinderen. De factoren die bij deze beoordeling moeten worden betrokken zijn neergelegd in artikel 59b, vijfde lid, Vw 2000 van het onderhavige wetsvoorstel.
Vraag 349
Wanneer is het volgens de regering in het belang van het kind om in bewaring te worden gesteld? In welke situatie zou het noodzakelijk zijn om een alleenstaande minderjarige in vreemdelingenbewaring te nemen ter bescherming?
De regering verwijst naar het antwoord op vraag 348.
Vraag 350
Hoe verhoudt zich de detentie van kinderen tot artikel 37 van het IVRK waarin staat dat kinderen niet op willekeurige wijze van zijn of haar vrijheid mag worden beroofd?
De herschikte Opvangrichtlijn geeft aan dat minderjarigen in de regel niet in bewaring worden genomen. Dit is ook expliciet tot uitdrukking gebracht in artikel 59b, vijfde lid van het onderhavige wetsvoorstel. Bewaring van minderjarigen is een laatste redmiddel en kan alleen worden toegepast als minder dwingende alternatieve maatregelen niet doeltreffend kunnen worden toegepast en nadat is beoordeeld dat bewaring in het belang is van de minderjarige. En als de bewaring al aan deze voorwaarden voldoet, dan moet de bewaring ook altijd zo kort mogelijk zijn. Hiermee is dus ook wettelijk gewaarborgd dat het een uitzondering blijft om kinderen in bewaring te stellen, hetgeen in lijn is met de herziene Opvangrichtlijn alsmede met het uitgangspunt dat bewaring van kinderen niet willekeurig mag zijn. Bovendien dient bij het opleggen van bewaring altijd beoordeeld te worden of sprake is van bijzondere en individuele omstandigheden die bewaring onevenredig bezwarend maken. Hierbij worden alle relevante belangen van de minderjarigen betrokken.
Vraag 351
Hoe verhoudt zich de detentie van kinderen van andere rechten uit het IVRK, zoals het recht op een gezinsleven (artikelen 9 en 16), het recht op een stem (artikelen 12 en 13), het recht op sociale voorzieningen (artikel 26), het recht op onderwijs (artikel 28)?
Bij de beoordeling van de vraag of bewaring kan worden opgelegd speelt volgens de regering de mogelijkheid van gezinshereniging, dan wel het behouden van de gezinseenheid een belangrijke rol. Daarnaast worden verklaringen van minderjarigen vanaf 12 jaar betrokken bij de afweging of wel of niet wordt overgegaan tot bewaring. Verder vindt bewaring van minderjarigen plaats in Justitieel Complex Zeist (JCZ), welke locatie kindvriendelijk is ingericht. Ouders en kinderen worden niet van elkaar gescheiden en de behoeften en het belang van het kind staan voorop in JCZ. Op Zeist wordt tot slot voorzien in onder andere educatieve activiteiten op maat.
Vraag 352
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of er geen andere mogelijkheden zijn om amv’ers te beschermen. Worden (alleenstaande) minderjarigen samen met volwassenen in grensdetentie en de screeningsprocedure geplaatst?
Voor Nederland geldt, indien het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel aan de orde zou zijn, dat minderjarigen worden geplaatst in Justitieel Complex Zeist, welke locatie kindvriendelijk is ingericht en geschikt is voor bewaring van gezinnen met minderjarige kinderen.
Vraag 353
Wat zijn de waarborgen die ervoor zorgen dat minderjarigen apart worden gescreend en op afzonderlijke en kindvriendelijke plekken worden opgevangen?
Artikel 13 van de Screeningsverordening bevat bepalingen ten aanzien van de waarborgen die gelden voor minderjarigen tijdens de screening. Denk hierbij aan de aanwezigheid van een vertegenwoordiger die beschikt over de nodige vaardigheden en deskundigheid om te handelen in het belang en algemene welzijn van de minderjarige. Onder het Asiel- en migratiepact moeten alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) die aan de buitengrens een asielaanvraag indienen en niet aan de voorwaarden voor toegang tot het grondgebied voldoen, voorafgaand aan de start van de asielprocedure worden gescreend. In tegenstelling tot andere vreemdelingen die aan de buitengrens asiel aanvragen, zoals volwassenen, komen amv’s na de screening in beginsel niet in aanmerking voor de asielgrensprocedure waarbij de vreemdeling tijdens de procedure in bewaring wordt geplaatst. Amv’s zijn in het Pact namelijk expliciet uitgezonderd voor de grensprocedure met uitzondering van amv’s waarbij sprake is van gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid. Daarom is de keuze gemaakt om amv’s die via de buitengrens aankomen door te geleiden naar een locatie op het grondgebied waar het screeningsproces specifiek voor amv’s – met alle geldende waarborgen - is ingericht. Daar is bijvoorbeeld ook de bovengenoemde vertegenwoordiger van de voogdijinstelling aanwezig.
Vraag 354
Is de regering het met de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie eens dat het belang van het kind leidend moet zijn?
Ja, tijdens screening en de opvolgende procedures worden maatregelen genomen om dit belang te waarborgen
Vraag 355
Is de regering van plan gezinnen met kinderen voorrang te geven in het beëindigen van hun grensprocedure?
Ja. In de Procedureverordening is expliciet neergelegd dat wanneer gezinnen minderjarigen aan de grensprocedure zijn onderworpen, de lidstaten hun verzoek met voorrang dienen te behandelen.
Vraag 356
De Opvangrichtlijn stelt dat minderjarigen ondergebracht dienen te worden in voor hen geschikte accommodatie en alleen in bewaring mogen worden gesteld in uitzonderlijke situaties. Hoe verhouden deze waarborgen zich tot de keuze van Nederland om álle gezinnen met kinderen in de grensprocedure standaard op te sluiten in Gesloten Gezinsvoorziening (GGV) Zeist?
Bewaring van minderjarigen is een laatste redmiddel en kan alleen worden toegepast als minder dwingende alternatieve maatregelen niet doeltreffend kunnen worden toegepast en nadat is beoordeeld dat bewaring in het belang is van de minderjarige en dan ook altijd nog zo kort als mogelijk.
Vraag 357
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen waarom de regering er bij de implementatie van het Pact voor kiest om gezinnen met kinderen in het kader van grensprocedures in bewaring te plaatsen in de GGV in Zeist, terwijl open opvangvoorzieningen een minder ingrijpend en effectief alternatief vormen en aansluiten bij de huidige praktijk waarin gezinnen en alleenstaande minderjarigen naar de open asielprocedure worden doorverwezen.
Zoals aangegeven in eerdere antwoorden is bewaring van minderjarigen een laatste redmiddel en kan het alleen worden toegepast als minder dwingende alternatieve maatregelen niet doeltreffend kunnen worden toegepast en nadat is beoordeeld dat bewaring in het belang is van de minderjarige en dan ook altijd nog zo kort als mogelijk. Meer specifiek met betrekking tot de gesloten gezinsvoorziening in Zeist: kinderen (en hun gezinsleden) hebben volledige bewegingsvrijheid binnen de muren van de locatie, waarbij de detentiebeleving voor kinderen tot een minimum is teruggebracht.
Vraag 358
De leden van de CDA-fractie lezen dat de herschikte Opvangrichtlijn ruimte biedt voor vrijheidsontneming van asielzoekers onder bepaalde voorwaarden. Deze leden vragen of de regering kan toelichten in hoeverre de toepassing van artikel 59b Vw 2000 in de praktijk zal wijzigen en of verwacht wordt dat het aantal bewaringsmaatregelen zal toenemen als gevolg van deze implementatie.
Naar aanleiding van implementatie van de herschikte Opvangrichtlijn wordt een extra bewaringsgrondslag toegevoegd aan artikel 59b Vw 2000, namelijk indien de vreemdeling een eerder opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel niet heeft nageleefd en het onderduikrisico blijft bestaan. Dat betreft een nieuwe (extra) bewaringsgrondslag van asielzoekers. Er kan niet op vooruitgelopen worden in hoeverre deze nieuwe grondslag in de praktijk straks vaak wordt toegepast en of het aantal bewaringsmaatregelen zal toenemen als gevolg hiervan. Temeer omdat het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel altijd een individuele beoordeling vereist.
Vraag 359
Voorts vragen deze leden hoe wordt geborgd dat vrijheidsontneming als ultimum remedium wordt toegepast en individueel wordt gemotiveerd, conform de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.
Het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vergt altijd een individuele beoordeling en is daarmee nimmer een automatisme. Er wordt altijd geverifieerd of de vreemdeling in bewaring kan worden geplaatst en of bewaring proportioneel is. Bovendien volgt uit artikel 59c, eerste lid van de Vw 2000 dat vrijheidsontneming enkel is toegestaan indien geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. Zoals voorgesteld in het wetsvoorstel wordt een derde lid aan dit artikel toegevoegd, waaruit onder meer volgt dat de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kan worden toegepast, vermeld dient te worden in het besluit.
De leden van de JA21-fractie constateren dat de regering in artikel 59b Vw 2000 kiest voor een maximale bewaartermijn van zes maanden voor asielzoekers, met een verlengingsmogelijkheid van nog eens zes maanden, in totaal dus maximaal twaalf maanden, terwijl de bestaande mogelijkheid van een aanvullende verlenging met negen maanden bij zwaarwegende belangen van openbare orde of nationale veiligheid wordt geschrapt.
Vraag 360
Kan de regering uiteenzetten waarom precies voor deze systematiek van twee keer zes maanden is gekozen, en waarom er niet voor is gekozen de maximale detentieduur verder op te rekken in lijn met het door de Commissie voorgestelde regime in de Terugkeerverordening voor de terugkeerfase?
De regering heeft voor wat betreft de termijn van bewaring voor asielzoekers op grond van artikel 59b Vw 2000 aansluiting gezocht bij de termijnen voor het nemen van een asielbesluit zoals neergelegd in de Procedureverordening. Hiervoor is gekozen omdat er een verband bestaat tussen de duur van de behandeling van de asielaanvraag en de gronden voor bewaring zo lang een vreemdeling asielzoeker is. Meer concreet is aangesloten bij de termijn uit artikel 35 van de Procedureverordening. Voor gevallen waarin de gegrondheid van een asielaanvraag wordt onderzocht bepaalt artikel 35, vierde lid, van de Procedureverordening dat de behandeling van de asielaanvraag binnen zes maanden moet zijn afgerond. Deze termijn kan worden verlengd met maximaal zes maanden op grond van het vijfde lid onder de daarin genoemde voorwaarden. Er is niet voor gekozen de maximale bewaringsduur verder op te rekken, in lijn met het voorgestelde regime in de Terugkeerverordening, omdat de regering het verband tussen de duur van de behandeling van de asielaanvraag en de gronden voor bewaring van een asielzoeker als uitgangspunt heeft gehanteerd bij de termijn genoemd in artikel 59b Vw 2000. Bovendien ziet artikel 59b Vw 2000 op bewaring van asielzoekers en niet op vreemdelingen die zich reeds in de terugkeerfase bevinden en waarvoor andere uitgangspunten gelden, waaronder ten aanzien van de maximale bewaringsduur.
Vraag 361
Daarbij vragen de leden van de JA21-fractie specifiek of de regering meent dat met de voorgestelde maximale duur van twaalf maanden (asielfase) de beschikbare detentiecapaciteit voldoende effectief kan worden ingezet om onttrekking en secundaire migratie tegen te gaan. Zo ja, op basis van welke praktijkgegevens wordt dat oordeel onderbouwd?
De regering zal de beschikbare capaciteit zo efficiënt mogelijk benutten. In hoeverre de capaciteit toereikend is, is mede afhankelijk van een hoogte van de instroom en de samenstelling ervan. Indien daartoe aanleiding bestaat, zal bezien worden in hoeverre een opschaling van de capaciteit opportuun is.
Vraag 362
Waarom wordt de bewaringstermijn bij gevaar voor openbare orde en veiligheid verlaagd? Kan de regering dit toelichten?
De bestaande maximale bewaringstermijn (zes maanden met een verlengingsmogelijkheid van negen maanden) bij gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid wordt verlaagd, omdat een dergelijke langere bewaringstermijn volgens de regering niet in overeenstemming is met het recht op vrijheid zoals dat wordt gegarandeerd door artikel 6 van het Handvest van de grondrechten van de EU en artikel 5 EVRM. Indien vreemdelingenbewaring wordt opgelegd aan een asielzoeker op grond van het voorgestelde artikel 59b, eerste lid, onderdeel d, Vw 2000 bij een gevaar voor de nationale veiligheid en openbare orde geldt hiervoor dezelfde maximale termijn van zes maanden als die geldt voor de andere bewaringsgrondslagen voor asielzoekers, die onder voorwaarden kan worden verlengd met maximaal zes maanden.
Vraag 363
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar de vrijheidsontneming van minderjarigen. Zij lezen dat minderjarigen in uitzonderlijke gevallen in bewaring kunnen worden gesteld, onder andere als vastgesteld is dat bewaring in hun belang is. Wie schat dit belang van het kind in, zo vragen deze leden. Is dit iemand die kennis heeft van de ontwikkeling van een kind en de impact van de inbewaringstelling? Zo nee, vindt de regering het niet wenselijk dat iemand met dergelijke expertise meekijkt? Deze leden kunnen zich voorstellen dat het meekijken van bijvoorbeeld een gedragswetenschapper bij een dergelijke beslissing recht doet aan de belangen van het kind. Kan de regering hierop reageren?
De beoordeling waar deze leden naar vragen wordt gedaan door de inbewaringstellende instantie. Dat neemt niet weg dat wanneer daartoe aanleiding wordt gezien ruggenspraak mogelijk is met bijvoorbeeld (juristen van) de IND of andere partijen die gevraagde expertise kunnen inleveren. Daarbij is het niet uitgesloten dat deze expertise wordt geleverd door bijvoorbeeld een gedragswetenschapper, maar de regering acht het niet nodig en opportuun dit verplicht te maken of als uitgangspunt te nemen. In algemene zin kan worden gesteld, los van de individuele afweging die gemaakt wordt, dat het belang van een minderjarige om bij de ouders te kunnen verblijven zwaar weegt. Deels heeft het belang van het kind ook een vertaling gekregen in de wijze waarop bewaring kan worden uitgevoerd, bijvoorbeeld door de inrichting van de gesloten gezinsvoorziening in Zeist met volledige bewegingsvrijheid binnen de muren van de locatie, en o.a. educatieve activiteiten waarbij de bewaringsbeleving voor kinderen tot een minimum is teruggebracht.
7.4 Vrijheidsbeperking, vrijheidsontneming en meldplicht bij onderduikrisico
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van mogelijkheden om asielzoekers bij wie een onderduikrisico bestaat in hun bewegingsvrijheid te beperken of in bewaring te stellen.
Vraag 364
Op basis van welke criteria zal worden vastgesteld of er sprake is van een onderduikrisico? Zal er sprake zijn van een limitatieve lijst van objectieve criteria, of blijft er ruimte voor een open normstelling?
In het nieuwe artikel 5.6, tweede lid, Vb 2000, zoals dat wordt opgenomen in het Uitvoerings- en implementatiebesluit Asiel- en migratiepact worden gronden voor het bestaan van een onderduikrisico opgenomen. Daarbij is aangesloten bij het reeds bestaande kader (het oude artikel 5.1b, derde en vierde lid, Vb 2000) met gronden om een onderduikrisico aan te nemen in het kader van vrijheidsontneming en de te onthouden vertrektermijn. Daar wordt ter uitvoering van het Pact een aantal gronden aan toegevoegd. Qua systematiek is ervoor gekozen om één limitatieve lijst met gronden voor het bestaan van een onderduikrisico te hanteren. De gronden die ten grondslag kunnen worden gelegd aan een maatregel tot vrijheidsbeperking of een maatregel tot vrijheidsontneming zijn materieel dezelfde. Of een van de gronden van artikel 5.6, tweede lid, Vb 2000 in een individueel geval een onderduikrisico oplevert, hangt af van de specifieke feiten en omstandigheden van dat individuele geval.
Vraag 365
In hoeverre zullen eerdere onttrekkingen aan toezicht, identiteitsfraude, het niet naleven van een meldplicht of het niet meewerken aan een asielprocedure grond vormen om een onderduikrisico vast te stellen?
Zoals hierboven toegelicht wordt in het nieuwe artikel 5.6, tweede lid, Vb 2000 een limitatieve lijst van gronden opgenomen om al dan niet een onderduikrisico vast te kunnen stellen. Gronden die daarin worden benoemd zijn onder andere: het in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik hebben gemaakt van valse of vervalste documenten, het niet langer beschikbaar zijn door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf, het eerder niet hebben gehouden aan een opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 Vw of dat sprake is van een asielaanvraag die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat overgaan tot preventieve detentie na het implementeren van deze wet niet meer alleen zal voorkomen als het onderduikrisico ‘significant’ is. Daarnaast zorg het Pact ervoor dat asielzoekers die moeten worden overgedragen hun recht op opvang verliezen, waardoor het onderduikrisico kan toenemen. Ook kan deze groep in bewaring worden gesteld als ‘het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vergt’. Hierdoor ontstaat het risico dat het karakter van deze maatregel alleen als laatste redmiddel verandert.
Vraag 366
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hierover waarom de meetbare criteria voor het onderduikrisico niet in de wettekst zijn opgenomen.
De criteria voor het aannemen van een onderduikrisico staan thans, onderverdeeld naar zware en lichte gronden, in artikel 5.1b, derde en vierde lid, Vb 2000. Deze systematiek is in lijn met geldend wetgevingsbeleid, waarbij de hoofdelementen van een regeling op wetsniveau moeten staan en de uitwerking daarvan gedelegeerd mag worden. Naar aanleiding van het Asiel- en migratiepact worden deze criteria samengevoegd, aangevuld en waar nodig aangepast. Het niveau van regelgeving blijft daarbij gelijk.
Vraag 367
Is deze beslissing over het zijn van een onderduikrisico aan te vechten en herroepelijk?
Het aannemen van een onderduikrisico speelt een rol bij de vraag of een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel kan worden opgelegd, dan wel of de vertrektermijn kan worden onthouden. Indien een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd kan daartegen ofwel beroep worden ingediend ofwel volgt ambtshalve een beroepsprocedure. In die procedure kan het aannemen van een onderduikrisico worden aangevochten.
Vraag 368.
Op welke manier wordt gewaarborgd dat vreemdelingen waar geen onderduikrisico bestaat en die geen bedreiging vormen niet in detentie worden geplaatst?
In de gevallen waarbij het aannemen van een onderduikrisico een vereiste is voor het in bewaring kunnen stellen van de vreemdeling, maar waarbij niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een onderduikrisico, is het wettelijk gezien niet mogelijk om de vreemdeling in bewaring te stellen.
Vraag 369
Hoe verhoudt de nieuwe grond voor inbewaringstelling ‘in het belang van de openbare orde of nationale veiligheid’ zich tot het bestaan van een onderduikrisico? Zijn dit twee aparte gronden voor inbewaringstelling? Als de openbare orde of nationale veiligheid een volledig nieuwe grond is voor inbewaringstelling, op welke manier wordt deze grond dan nader uitgewerkt aan de hand van concrete en toetsbare criteria?
De grond voor inbewaringstelling ‘in het belang van de openbare orde of nationale veiligheid’ is enkel nieuw ten aanzien van vreemdelingen die in bewaring kunnen worden gesteld op grond van artikel 44 Asiel- en migratiebeheerverordening (AMBv) ten behoeve van hun overdrachtsprocedure. Daarnaast kan een vreemdeling op grond van die bepaling in bewaring worden gesteld wanneer er een onderduikrisico bestaat. Dat zijn twee aparte gronden voor inbewaringstelling op grond van de AMBv, welke grondslag nationaal is geïmplementeerd in artikel 59a Vw 2000. De nadere invulling van de grond voor bewaring ‘in het belang van de openbare orde of nationale veiligheid’ ten behoeve van de overdrachtsprocedure is momenteel nog niet nader uitgewerkt.
De leden van de CDA-fractie lezen dat vrijheidsbeperkende maatregelen, waaronder een meldplicht of vrijheidsontneming, kunnen worden toegepast indien sprake is van een onderduikrisico.
Vraag 370
Deze leden vragen de regering hoe het onderduikrisico concreet wordt vastgesteld en welke objectieve criteria daarbij worden gehanteerd.
Voor de nationale invulling van de gronden waarop een onderduikrisico kan worden gebaseerd, wordt aangesloten bij de bestaande lijst van gronden zoals die volgde uit het bestaande artikel 5.1b, derde en vierde lid, Vb 2000. Deze lijst wordt in artikel 5.6, tweede lid, Vb 2000, zoals die bepaling met het Uitvoerings- en implementatiebesluit Asiel- en migratiepact wordt gewijzigd, overgenomen en aangepast aan de herschikte Opvangrichtlijn en het Asiel- en migratiepact, alsook aan ontwikkelingen in de jurisprudentie. Qua systematiek wordt gekozen voor het hanteren van één lijst met gronden voor het aannemen van een onderduikrisico. Er bestaat geen materieel verschil tussen de gronden die aanleiding kunnen geven tot oplegging van een maatregel tot vrijheidsbeperking of een maatregel tot vrijheidsontneming. Het enige verschil is dat voor oplegging van een maatregel tot vrijheidsbeperking de aanwezigheid van ten minste één grond is vereist en voor een maatregel tot vrijheidsontneming ten minste twee gronden. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar het ontwerp Uitvoerings- en implementatiebesluit Asiel- en migratiepact 2026, dat voor internetconsultatie is opengesteld van 24 november 2025 tot 5 januari 2026.
Vraag 371
Voorts vragen deze leden hoe wordt gewaarborgd dat bij de toepassing van dergelijke maatregelen steeds een individuele en proportionele afweging plaatsvindt.
Zowel het opleggen van een vrijheidsbeperkende als een vrijheidsontnemende maatregel vergt altijd een individuele beoordeling en is daarmee nimmer een automatisme. Iedere maatregel waarbij de vreemdeling in zijn bewegingsvrijheid wordt beperkt dient individueel te worden gemotiveerd en altijd moet worden bezien of de maatregel die wordt opgelegd wel proportioneel is. Specifiek ten aanzien van vrijheidsontneming volgt uit artikel 59c, eerste lid van de Vw 2000 dat dit enkel is toegestaan indien geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. Zoals voorgesteld in het wetsvoorstel wordt een derde lid aan dit artikel toegevoegd, waaruit onder meer volgt dat de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kan worden toegepast, vermeld dient te worden in het besluit. Voor vrijheidsbeperkende maatregelen geldt dat in het nieuwe artikel 5.3, eerste lid, van het Vb 2000 is bepaald dat de maatregel evenredig moet zijn en rekening moet houden met de relevante aspecten van de individuele situatie van de vreemdeling.
Vraag 372
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering van plan is maximaal gebruik te maken van de mogelijkheden die de herschikte Opvangrichtlijn biedt, nu de norm wordt versoepeld. Kan de regering dit toelichten?
Het Asiel- en migratiepact geeft meer ruimte om Dublinclaimanten na een overdrachtsbesluit vrijheidsbeperkende maatregelen op te leggen. Het kabinet is aan het onderzoeken hoe deze maatregelen het meest effectief ingezet kunnen worden
Vraag 373
Onder welke voorwaarden kan nu van asielzoekers worden bepaald dat zij enkel mogen verblijven op een specifieke opvangplaats?
Artikel 9 van het herschikte Opvangrichtlijn bepaalt: om redenen van openbare orde of om doeltreffend te voorkomen dat de verzoeker onderduikt.
Vraag 374
Hoe is de regering voornemens om per AMvB dat onderduikrisico te toetsen en/of vast te stellen?
Zie het antwoord op vraag 370.
Vraag 375
Hoe verhoudt deze nieuwe mogelijkheid zich tot de escalatiepraktijk met treden van de procesbeschikbaarheidsaanpak? Kan die worden aangescherpt?
Het opleggen van artikel 56 Vw 2000 is geen nieuwe mogelijkheid in het Nederlandse recht en is reeds mogelijk bij de procesbeschikbaarheidslocatie als onderdeel van de escalatieladder van de procesbeschikbaarheidsaanpak. Het Pact biedt hierbij een nog meer solide juridische grond om artikel 56 Vw 2000 op te leggen. De wijze waarop de vrijheidsbeperking in het kader van artikel 56 Vw 2000 wordt ingevuld, bijvoorbeeld de mate van vrijheidsbeperking of het gebied waarop de beperking geldt, verandert in beginsel niet. Momenteel wordt de procesbeschikbaarheidsaanpak geëvalueerd. Hierbij wordt ook de invulling meegenomen van de wijze waarop artikel 56 Vw 2000 wordt toegepast bij de procesbeschikbaarheidslocatie en worden de nieuwe normen vanuit het Pact betrokken.
7.5 Beroep bij de rechter bij vrijheidsontneming
Vraag 376
De leden van de CDA-fractie lezen dat de herschikte Opvangrichtlijn nadere bepalingen bevat ten aanzien van de rechterlijke toetsing van vrijheidsontneming. Deze leden vragen de regering welke gevolgen de implementatie van deze bepalingen heeft voor de werklast van de rechtspraak in bewaringszaken.
In het onderhavige wetvoorstel is de werkwijze en de termijn voor rechterlijke toetsing van vrijheidsontneming gewijzigd. In het nieuwe artikel 94, eerste lid, Vw 2000 wordt geregeld dat een vreemdeling niet langer zelf beroep hoeft in te dienen bij de rechtbank, maar dat dit ambtshalve gebeurt. De rechtbank wordt onverwijld in kennis gesteld van een besluit tot vrijheidsontneming na bekendmaking daarvan. Vervolgens is de termijn voor de rechtbank om uitspraak te doen 15 dagen na aanvang van de bewaring, dan wel 21 dagen in het geval van uitzonderlijke omstandigheden. Het tijdig in kennis stellen van de rechtbank van de opgelegde bewaringsmaatregel is daarom een belangrijke prioriteit. Immers, de termijn voor de rechtbank om uitspraak te doen vangt aan nadat bewaring is opgelegd. De regering gaat ervan uit dat de bewaringsmaatregel automatisch via de IND bij de rechtspraak aankomt. Daarmee is geborgd dat de rechter onverwijld op de hoogte wordt gesteld van het opleggen van bewaring teneinde tijdig de rechterlijke toetsing uit te voeren.
De opgenomen verkorting van de uitspraaktermijnen bij alle bewaringszaken zal een andere inrichting van het werkproces vergen en daarmee een mogelijke extra druk op de capaciteit bij de rechtbanken leggen. De rechtbanken kunnen moeilijk anticiperen op bewaringszaken en voorzien een inefficiënte inzet van personeel en middelen. De Raad voor de rechtspraak voorziet dat bij een kortere uitspraaktermijn de volgberoepen sneller instromen, waardoor de hoeveelheid volgberoepen naar verwachting toeneemt.
Vraag 377
Daarnaast vragen deze leden de regering hoe wordt gewaarborgd dat de rechterlijke toetsing tijdig en effectief kan plaatsvinden, mede gelet op de reeds bestaande druk op de vreemdelingenkamers.
De regering verwijst naar het antwoord op de voorgaande vraag.
7.6 Wijziging van de Wet arbeid vreemdelingen, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het primair onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs 2020
Vraag 378
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regering asielzoekers toegang tot de arbeidsmarkt wil geven door middel van een tewerkstellingsvergunning. Deze leden zijn van mening dat het beter is voor de integratie om deze noodzaak te schrappen, net als bij Oekraïense vluchtelingen en werkgevers met asielzoekers en vluchtelingen in contact te brengen. Waarom is hier niet voor gekozen?
Sinds het vervallen van de 24-weken-eis is er een sterke toename in het aantal tewerkstellingsvergunningen voor asielzoekers. Echter bekend is dat de tewerkstellingsvergunningplicht een belemmering kan vormen voor asielzoekers om te kunnen werken en voor werkgevers om hen in dienst te nemen. Met de implementatie van de herschikte Opvangrichtlijn is ervoor gekozen de tewerkstellingsvergunningplicht in stand te laten. De reden hiervoor is dat het op dit moment niet mogelijk is de vergunningplicht af te schaffen.
Met deze implementatie van de herschikte Opvangrichtlijn mogen bepaalde groepen asielzoekers met een lage kans op inwilliging van hun aanvraag in elk geval niet werken.
Vraag 379
Is de regering niet van mening dat de integratie en aansluiting tot de arbeidsmarkt een stuk effectiever is wanneer er zonder tewerkstellingsvergunning wordt gewerkt?
Het kabinet acht het van belang dat asielzoekers met een goede kans op een verblijfsvergunning kunnen werken. De tewerkstellingsvergunningplicht die geldt voor werkgevers die asielzoekers willen laten werken vormt hierbij een administratieve belasting. Dit moedigt juist niet aan om asielzoekers aan te nemen. Zie hiervoor ook de beantwoording van vraag 378.
Vraag 380
In de memorie van toelichting wordt aangegeven dat de herziene Opvangrichtlijn in combinatie met de Procedureverordening voor bepaalde categorieën asielzoekers of in een bepaalde fase van de procedure toegang tot de arbeidsmarkt uitsluit. Zal de regering voor alle andere asielzoekers toegang tot de arbeidsmarkt geven?
Ja. Het recht op toegang tot de arbeidsmarkt van mensen die een verblijfsvergunning asiel hebben aangevraagd volgt uit artikel 17 van de herschikte Opvangrichtlijn. Op grond van artikel 17, eerste lid, van deze richtlijn moeten lidstaten ervoor zorgen dat asielzoekers uiterlijk zes maanden na de datum waarop het verzoek om internationale bescherming is geregistreerd, toegang hebben tot de arbeidsmarkt, tenzij sprake is van een uitzondering op het recht op toegang tot de arbeidsmarkt. Die uitzondering is o.a. het geval voor Dublinclaimenten en personen afkomstig uit een veilig land van herkomst
Vraag 381.
Zijn er juridische beletsels om asielzoekers waarvoor de maximale beslistermijn voor de versnelde procedure is overschreden toegang tot de arbeidsmarkt te geven?
In artikel 17 van de herschikte Opvangrichtlijn is de toegang tot de arbeidsmarkt geregeld. In het eerste lid, tweede alinea, van dit artikel wordt naar artikel 42 van de Procedureverordening verwezen, waarin de versnelde procedure is geregeld en de verschillende gronden om een asielprocedure in de versnelde procedure af te doen. In de genoemde gevallen in artikel 42, eerste lid, onderdeel a tot en met f, mag een asielzoeker nooit werken. Wanneer een asielaanvraag in de versnelde procedure wordt afgedaan, wordt geen toegang tot de arbeidsmarkt verleend of wordt reeds verleende toegang tot de arbeidsmarkt ingetrokken. Op grond van artikel 35, derde lid, van de Procedureverordening wordt de versnelde behandelingsprocedure zo spoedig mogelijk en uiterlijk drie maanden na de datum van indiening van het verzoek afgerond. Wanneer deze termijn van drie maanden overschreden wordt, wordt in de gevallen als genoemd in artikel 42, eerste lid, onderdeel g tot en met j, van de Procedureverordening toegang tot de arbeidsmarkt verleend.
8. Uitvoering Screeningsverordening (EU) 2024/1356
8.1 Algemeen
Vraag 382
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het doel van de Screeningsverordening om snel asielzoekers naar de juiste procedure te verwijzen. In hoeverre bestaat er volgens de regering het risico dat asielzoekers bewust onjuiste gegevens aanleveren om in een gunstige asielprocedure te belanden?
Het is in principe altijd mogelijk dat vreemdelingen bewust onjuiste gegevens aanleveren tijdens de screeningsfase. Wel worden in de screening verschillende checks gedaan op identiteit, veiligheid en herkomst en wordt ook gekeken of de vreemdeling bekend is in de Europese databases. Het bewust verschaffen van onjuiste gegevens wordt altijd betrokken bij de beoordeling van de asielaanvraag
Vraag 383
Meent de regering dat deze Implementatiewet al het mogelijke doet om dit risico zo klein mogelijk te houden?
Het is altijd mogelijk dat vreemdelingen bewust onjuiste gegevens aanleveren tijdens de screeningsfase. Maar tijdens de screeningsfase wordt niet alleen uitgegaan van de informatie die de vreemdeling zelf aanlevert. Alle vreemdelingen moeten hun vingerafdrukken afgeven waarna een check plaatsvindt in verschillende (inter)nationale databases om te checken of iemand al eerder geregistreerd is. Eventuele documenten worden gecheckt op echtheid. Bij twijfel over de leeftijd kan een leeftijdsonderzoek worden opgestart. Bij twijfel over de herkomst worden direct vragen gesteld om te checken of de herkomst aannemelijk is en wordt een taalopname gemaakt om te beoordelen of de taal overeenkomt met het de taal die in de opgegeven regio wordt gesproken. Het risico kan dus niet worden uitgesloten maar wordt wel zo klein mogelijk gemaakt.
Vraag 384
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de screeningsfase bedoeld is als een snel proces om enkele eigenschappen van een persoon vast te stellen. Zij hebben hier enkele vragen bij. Hoe wordt gewaarborgd dat de screeningsfase voorlopig en administratief blijft en niet uitmondt in een de facto inhoudelijke asielbeoordeling?
Het screeningsproces is ontworpen met als doel om te voldoen aan de Screeningsverordening en om informatie op te halen die nodig is voor de behandeling van de asielaanvraag. Bij het ontwerpen van de screeningsfase is zorgvuldig afgewogen welke informatie wordt opgehaald. Tijdens de screening wordt geen inhoudelijke beoordeling gedaan van de asielaanvraag. Die beoordeling kan pas starten nadat het gehoor over de asielmotieven heeft plaatsgevonden. Dat gehoor wordt na de screeningsfase gehouden. Aan de grens wordt de screening uitgevoerd door de KMar.
Vraag 385
In hoeverre is effectieve rechtsbijstand beschikbaar tijdens de screening gezien het korte tijdsbestek en de grenscontext?
De Screeningsverordening voorziet niet in een recht op (kosteloze) rechtsbijstand. In artikel 8, zesde lid, wordt alleen bepaald dat organisaties en personen die advies en counseling verstrekken toegang moeten hebben tot vreemdelingen. Het recht op counseling vloeit voort uit de Procedureverordening, die slechts ziet op vreemdelingen die om asiel verzoeken. Het proces van screening en de registratie van een asielaanvraag lopen echter vloeiend in elkaar over. Om die reden zal ten aanzien vreemdelingen die een asielwens kenbaar maken worden voorzien in vroegtijdige toegang tot counseling.
Vraag 386
Op welke manier wordt de betrokkene geïnformeerd over doel, gevolgen en mogelijke uitkomsten van de screening?
Tijdens de screening krijgt de vreemdeling informatie in de vorm van geschreven tekst, beeldmateriaal en indien nodig kan de vreemdeling om uitleg vragen van medewerkers die aanwezig zijn. Vooraf en aan het einde van de screening worden folders uitgereikt. Deze folders zijn opgesteld door de EUAA en vervolgens door Nederland aangepast zodat de inhoud ervan overeenkomt met de situatie in ons land. Na afloop van de screening krijgt de vreemdeling de mogelijkheid om een afspraak te maken met een juridische counselor. De juridische counselor geeft algemene informatie over het vervolg van de asielprocedure.
Vraag 387
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen welke autoriteiten welk deel van de screening zullen uitvoeren.
Screening omvat verschillende stappen, te weten: identificatie, afname van biometrische gegevens en Eurodac-registratie, consultatie van veiligheidsdatabases en een voorlopige medische en kwetsbaarheidscontrole.
Aan de buitengrens is de KMar aangewezen als screeningsautoriteit voor wat betreft de identificatie en registratie en het uitvoeren van de veiligheidscontrole en de voorlopige kwetsbaarheidscheck bij onderdanen van derde landen die op irreguliere wijze de Europese buitengrens hebben overschreden of die aan de grensdoorlaatpost of in de transitzone een asielverzoek indienen. Er wordt gewerkt aan afspraken met de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) om de voorlopige medische controle in het kader van screening te ondervangen met de medische intake die DJI conform regulier beleid binnen 24 uur na binnenkomst in bewaring uitvoert.
De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is de screeningsautoriteit op het grondgebied, daarbij voert de IND de identificatie en registratie, de veiligheidscontrole en voorlopige kwetsbaarheidscheck uit. Voor wat betreft de voorlopige medische controle is het voornemen dat de Gezondheidszorg Asielzoekers (GZA) een rol gaat spelen.
Vraag 388
Is de regering het eens met de stelling dat voor screening op kwetsbaarheid de inzet van professionele deskundigen is vereist zoals dokters, (kinder-)psychologen etcetera? Op welke wijze wordt dit proces ingeregeld? Komt een werkwijze hiervoor naar de Kamer?
Tijdens de screening wordt een voorlopige check op kwetsbaarheid en een eerste medische check gedaan. Hierbij is dus sprake van de inzet van medische professionals. Het COA betrekt deze informatie bij de beoordeling van eventuele bijzondere opvangbehoeften en bij de plaatsing in de opvang. Voor IV-aanpassingen wordt verwezen naar het antwoord op vraag 437. Wat betreft personele inzet wordt verwezen naar het antwoord op vraag 413.
Vraag 389
Wie beslist op basis van de resultaten in welke volgende procedure de vreemdeling gaat? Is deze beslissing aan te vechten en te herroepen?
Na de screeningsfase vindt de zogeheten triage plaats. Hierbij wordt aan de hand van de beschikbare informatie uit het screeningsproces bepaald welke procedure van toepassing is, welke onderzoeken moeten worden opgestart en worden er kaders meegegeven aan de planning met betrekking tot de prioritering en complexiteit van de aanvraag. Deze triage wordt door ervaren IND medewerkers gedaan. De vraag welke procedure van toepassing is volgt uit het Asiel- en migratiepact. Het is altijd mogelijk dat een vreemdeling bijvoorbeeld vanuit de versnelde procedure naar de niet-versnelde procedure gaat.
Vraag 390
Hoe wordt gelijke behandeling tijdens deze procedures gewaarborgd? Hoe lang worden mensen opgehouden aan de grens (lounge Schiphol) en waar wordt het screeningsproces afgerond nu mensen daar maar kort kunnen verblijven?
De KMar toetst vreemdelingen, in het kader van de grenstaak, aan de grensdoorlaatpost op de toegangsvoorwaarden uit de Schengengrenscode. Tevens is de KMar aan de buitengrens de screeningsautoriteit voor wat betreft de identificatie en registratie, het uitvoeren van de veiligheidscontrole en voorlopige kwetsbaarheidscheck bij onderdanen van derde landen die op irreguliere wijze de Europese buitengrens hebben overschreden of die aan de grensdoorlaatpost of in de transitzone een asielverzoek indienen.
Indien asiel niet aan de orde is en ook niet wordt voldaan de voorwaarden voor toegang, zal de KMar een toegangsweigering opleggen. De terugvoerplicht wordt dan ingeroepen, waarbij de vervoerder is verplicht om een vreemdeling die naar Nederland is vervoerd en aan wie de toegang tot het Schengengebied is geweigerd terug te brengen naar een plaats buiten het Schengengebied. De betreffende vreemdeling wordt totdat dit is geregeld door de luchtvaartmaatschappij dan airside gehouden voor maximaal 24 uur. Indien meer tijd nodig is, zal een inbewaringstelling in vreemdelingenbewaring ter fine van terugkeer aan de orde zijn. Aangezien geen sprake is van irreguliere grensoverschrijding vallen deze vreemdelingen niet onder de reikwijdte van de Screeningsverordening en hoeven zij niet in de zin van de Screeningsverordening gescreend te worden.
Vraag 391
Wat gebeurt er met gezinnen met kinderen en amv’ers? Op welke wijze wordt de informatie die voortkomt uit de screening op grond van de Screeningsverordening daadwerkelijk en structureel betrokken bij de beoordeling van bijzondere opvangbehoeften en bij (plaatsing)beslissingen over opvang?
Indien tijdens de screening door de IND wordt geconstateerd dat sprake is van bijzondere kwetsbaarheid wordt dit gedeeld met het COA. Bovendien worden alle asielzoekers gezien door GZA. Zowel de signalen van de IND als van het GZA kunnen voor het COA aanleiding geven om te voorzien in bijzondere opvang.
Vraag 392
Welke ruimte biedt de Screeningsverordening voor verplichte detentie, in de zin van vrijheidsontneming, tijdens de screeningsfase, zo vragen de leden van de JA21-fractie. De memorie van toelichting spreekt van een ‘beschikbaarheidsregime’ in plaats van structurele detentie.
In de Screeningsverordening ligt een verplichting voor de lidstaten om in hun nationale recht bepalingen op te nemen om de aanwezigheid van vreemdelingen tijdens de screening te garanderen, teneinde onderduiken te voorkomen. Alleen in de gevallen waarin zulks nodig blijkt en op grond van een individuele beoordeling van elk geval, mogen de lidstaten een persoon die aan screening wordt onderworpen in bewaring houden wanneer andere, minder dwingende maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. Er mag alleen tot bewaring worden overgegaan als laatste redmiddel. De Screeningsverordening verplicht dus niet tot bewaring.
Vraag 393
Kan de regering uiteenzetten waarom niet wordt gekozen voor maximale toepassing van vrijheidsontneming tijdens de screening in het nationaal kader, gegeven het aanzienlijke risico op onttrekking in deze fase? Deze leden wijzen erop dat een groot deel van de asielzoekers die onder de Dublinverordening moesten worden overgedragen, verdween met onbekende bestemming.
Ingevolge artikel 7 van de Screeningsverordening moeten de lidstaten middels het opnemen van bepalingen in hun nationaal recht ervoor zorgen dat vreemdelingen voor de duur van de screening (op het grondgebied) ter beschikking blijven van de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van screening, om elk risico op onderduiken en mogelijke bedreigingen voor de binnenlandse veiligheid als gevolg van dergelijk onderduiken te voorkomen. De Europese Commissie heeft herhaaldelijk aangegeven dat lidstaten ruimte hebben om op basis van een individuele beoordeling het beschikbaarheidsregime in te vullen voor een vreemdeling die aan de screening wordt onderworpen. In die individuele beoordeling ten aanzien van (de benodigde invulling van) het beschikbaarheidsregime is het risico op onderduiken, oftewel het onttrekkingsgevaar, een belangrijke overweging. Daarbij is het opleggen van een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel een optie en bewaring het laatste redmiddel, namelijk enkel wanneer minder dwingende maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
Het structureel opleggen van verdergaande toezichtsmaatregelen tijdens screening moet gerechtvaardigd zijn. Daarnaast zou het structureel opleggen van dergelijke maatregelen ook zorgen voor een disproportionele uitvoeringslast voor de betreffende uitvoeringsorganisaties. Het screeningsproces op het grondgebied duurt immers maar maximaal 72 uur, waarbij het streven is om de screening (in ieder geval in grote mate) binnen een dag te hebben afgerond. In individuele gevallen kan uiteraard, indien nodig en waar mogelijk, aanvullend een verdergaande vrijheidsbeperkende maatregel of vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd.
Het kabinet heeft per doelgroep te screenen onderdanen van een derde land, waarin het aannemelijke onttrekkingsgevaar wordt meegewogen, keuzes gemaakt ten aanzien van de invulling van het beschikbaarheidsregime. Voor het beschikbaar houden van de groep vreemdelingen die zich spontaan melden voor asiel bij een aanmeldlocatie zal bijvoorbeeld een minder dwingende maatregel voldoende zijn. Deze vreemdelingen hebben zich immers spontaan gemeld voor het indienen van een asielaanvraag, zijn op locatie in Ter Apel waar screening zal plaatsvinden en zullen daar tevens de asielprocedure starten.
8.2. Screening aan de buitengrens en screening op het grondgebied van de lidstaten
Vraag 394
De leden van de CDA-fractie lezen dat op grond van artikel 6 van de Screeningsverordening de te screenen personen in juridische zin niet tot het grondgebied van de lidstaat worden toegelaten. Hoe gaat dit praktisch in zijn werk als een vreemdeling zich niet aan de buitengrens meldt, maar op een andere plek in Nederland? Wordt deze persoon dan naar een centrale plek overgebracht waar de screening plaatsvindt? Wordt hierbij een scherp onderscheid gemaakt tussen vreemdelingen die een asielaanvraag doen en vreemdelingen die vallen onder de Terugkeerrichtlijn?
Als een vreemdeling zich al bevindt op het grondgebied, vindt de screening plaats in Ter Apel. Indien de vreemdeling vanuit bewaring asiel aanvraagt, wordt de vreemdeling beveiligd overgebracht naar Ter Apel. Ook vreemdelingen die geen asiel aanvragen, kunnen onder de Screeningsverordening vallen. Als de vreemdeling tijdens de screeningsfase aangeeft geen asiel te willen aanvragen, vindt er wel screening plaats maar zal de vreemdeling worden overgedragen aan de DTenV en is de Terugkeerrichtlijn van toepassing.
De leden van de CDA-fractie lezen dat voor zowel identificatie en verificatie van de identiteit als voor de veiligheidscontrole geldt dat voor zover relevant nationale databanken overeenkomstig het nationale recht worden geraadpleegd. Naast de vreemdelingenadministratie kan volgens de regering gedacht worden aan (N)SIS en politiegegevens op grond van de Wet politiegegevens.
Vraag 395
Acht de regering de Wet politiegegevens op dit moment daar toereikend genoeg voor, nu al jaren de discussie loopt om deze wet te moderniseren omdat de bepalingen niet meer aansluiten bij de maatschappelijke ontwikkelingen op bijvoorbeeld het gebied van informatie-uitwisseling? Is de regering op de hoogte van de beslissing van de minister van Justitie en Veiligheid om deze genoemde wet toch niet te moderniseren, terwijl dit wel noodzakelijk is om goede gegevensdeling te bewerkstelligen?
In het Uitvoerings- en implementatiebesluit Asiel- en migratiepact 2026 is een wijziging opgenomen van het Besluit politiegegevens om uitvoering te kunnen geven aan de Screeningsverordening.
Ten aanzien van de modernisering van de Wet politiegegevens geldt dat de toenmalige Minister voor Rechtsbescherming in een brief van 29 maart 2022 heeft aangegeven dat er geen nieuwe integrale gegevenswet komt omdat voor de realisatie en implementatie daarvan geen financiële middelen beschikbaar zijn en de betrokken taakorganisaties met het realiseren en implementeren van een nieuw wettelijk kader zouden worden overvraagd wat betreft hun veranderkracht, gelet op de opgaven die al op hen rusten met betrekking tot de implementatie van het nieuwe Wetboek van Strafvordering en EU-regelgeving (Kamerstukken II 2021/22, 32761, nr. 218). Wel wordt een aantal bepalingen over strafvorderlijke gegevensverwerking uit het huidige Wetboek van Strafvordering alsnog opgenomen in het nieuwe Wetboek van Strafvordering door middel van de eerste aanvullingswet. Verder worden nog wijzigingen van de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens voorbereid om een aantal knelpunten in de praktijk aan te pakken.
De leden van de BBB-fractie constateren dat deze verordening lidstaten verplicht om derdelanders die de buitengrens van de EU illegaal overschrijden, na een reddingsoperatie op zee aan land worden gebracht, of in bepaalde gevallen zonder rechtmatig verblijf worden aangetroffen, eerst te onderwerpen aan een verplichte screeningprocedure. Deze screening vindt plaats vóórdat betrokkene formeel toegang krijgt tot het grondgebied.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de screening is bedoeld als een snelle, gestandaardiseerde voorfase en verschillende onderdelen omvat. Allereerst wordt de identiteit vastgesteld, onder meer via registratie en controle van reis- en identiteitsdocumenten. Daarnaast vinden veiligheidscontroles plaats, bijvoorbeeld door raadpleging van relevante nationale en Europese databanken. Ook wordt een gezondheidscheck uitgevoerd. Tot slot volgt een eerste juridische beoordeling: een voorlopige inschatting van de situatie van de betrokkene en van de procedure die passend is. Op basis van deze eerste beoordeling wordt bepaald welk traject iemand moet volgen. Dat kan de reguliere asielprocedure zijn, de grensprocedure (waarbij de aanvraag wordt behandeld zonder formele toelating tot het grondgebied) of de terugkeerprocedure, als duidelijk is dat geen recht op verblijf bestaat.
De leden van de BBB-fractie constateren dat in de Nederlandse context dit betekent dat de Koninklijke Marechaussee (voor grensbewaking en registratie) en de IND (voor de procedurele beoordeling) een expliciete poortwachtersfunctie krijgen. Zij bepalen in deze vroege fase welk juridisch traject wordt ingezet. Deze leden vinden dat deze verordening een technische verordening is die ervoor zorgt dat de nieuwe Europese screeningsprocedure juridisch aansluit op bestaande EU-regels en databanken. De screening controleert snel identiteit, veiligheid en gezondheid van mensen die de buitengrens oversteken of onrechtmatig verblijven, voordat zij in een asiel-, grens- of terugkeerprocedure komen. Deze leden constateren dit omdat oudere EU-verordeningen nog niet op deze screening waren afgestemd. Deze verordening past bestaande regels aan zodat gegevens uit de screening correct kunnen worden vergeleken met systemen zoals Eurodac, VIS of ECRIS TCN. Zij wijzigt geen rechten of procedures voor asielzoekers en is volledig technisch van aard. Nederland hoeft de verordening niet apart om te zetten; alleen nationale regels die strijdig zijn worden aangepast of geschrapt. Zo zorgt de verordening ervoor dat de screening juridisch sluitend en foutloos kan functioneren binnen het EU-recht.
8.3. Toezicht en rechten van betrokkenen
Vraag 396
De leden van de D66-fractie steunen het principe van een onafhankelijk toezichtmechanisme en kunnen de regering volgen in het feit dat deze taak voor een deel wordt belegd bij onder andere de Inspectie Justitie en Veiligheid. Deze leden achten het daarnaast van belang dat ook maatschappelijke organisaties onderdeel worden van een dergelijk toezichtmechanisme, gezien de andersoortige rol en positie die zij hebben ten opzichte van de minister. Is de regering bereid dergelijke organisaties een rol binnen het onafhankelijk toezichtmechanisme te geven?
Tijdens de screening en in de asielgrensprocedure wordt voorzien in een onafhankelijk toezichtmechanisme dat toeziet op grondrechten van vreemdelingen en naleving van het Unierecht en het internationaal recht, met inbegrip van het Handvest. De Inspectie Justitie en Veiligheid en het College voor de Rechten van de Mens zijn elk vanuit hun eigen deskundigheid en in lijn met bestaande taken en bevoegdheden geschikte partijen om een volwaardig toezichtmechanisme te vormen met een onafhankelijke positie van het Ministerie van Justitie en Veiligheid.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat individuen tijdens de screening en de asielgrensprocedure ter beschikking van de autoriteiten moeten blijven. Zoals volgt uit EU- en internationaal recht mag detentie alleen als laatste redmiddel gebruikt worden. Deze leden hebben hier enkele vragen bij.
Vraag 397
Op welke manier wordt ervoor gezorgd dat individuen ter beschikking blijven van de autoriteiten? Resulteert dit de facto in detentie?
De regering verwijst naar het antwoord op vraag 393.
Vraag 398
In welke gevallen is de regering van plan om tot detentie over te gaan bij toepassing van de asielgrensprocedure? Hoe gaat de regering ervoor waken dat mensenrechten worden gewaarborgd aan de grens?
Grensbewaring kan volgen in die zaken waarin het asielverzoek in de asielgrensprocedure moet worden behandeld ;in de gevallen dat de vreemdeling een nationaliteit heeft waarvan het EU-brede inwilligingspercentage lager dan 20% is, de vreemdeling de overheid misleidt of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. In overige gevallen kan de asielgrensprocedure worden toegepast. Het opleggen van grensbewaring is - zoals nu ook het geval is - een maatregel gebaseerd op een individuele beoordeling. Daarbij wordt altijd geverifieerd of de vreemdeling in bewaring kan worden geplaatst en of bewaring proportioneel is. Indien dat niet het geval is, verkrijgt de asielzoeker alsnog toegang. Deze systematiek is geregeld in artikel 6 en 6a van de Vreemdelingenwet 2000.
Vraag 399
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat iedere lidstaat moet voorzien in een onafhankelijk toezichtmechanisme. Deze leden hebben hier nog enkele vragen over. Hoe wordt de onafhankelijkheid van dit toezichtmechanisme gewaarborgd? Hoe wordt ervoor gezorgd dat dit toezichtmechanisme ook toegankelijk is voor asielzoekers? Het toezichtmechanisme wordt neergelegd bij het ministerie van Asiel en Migratie. Waarom wordt er niet voor gekozen om deze taak bij de Nationale Ombudsman te beleggen? Eventueel in samenwerking met het College voor de Rechten van de Mens?
Het onafhankelijk toezichtmechanisme heeft tot doel toe te zien op naleving van het Unierecht en internationaal recht, met inbegrip van het Handvest, tijdens de screening en in de asielgrensprocedure. Het toezichtmechanisme buigt zich niet over individuele meldingen.
Voor individuele klachten of meldingen van inbreuk op grondrechten is de Nationale Ombudsman beschikbaar voor asielzoekers, conform de huidige praktijk.
9. Uitvoering herziene Eurodac-verordening (EU) 2024/1358
9.1 Algemeen
De leden van de BBB-fractie constateren dat Eurodac, dat oorspronkelijk was ontworpen om vingerafdrukken van asielzoekers te vergelijken en zo te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielaanvraag, wordt uitgebreid tot een breed migratie- en handhavingsinstrument. Het systeem verwerkt nu meer soorten biometrische gegevens, zoals mogelijk gezichts- of irisscans, en de bewaartermijnen voor deze gegevens worden verlengd.
De leden van de BBB-fractie constateren dat een bredere groep autoriteiten toegang tot het systeem krijgt, waardoor het niet langer beperkt is tot gebruik bij asielprocedures. Deze uitbreidingen maken het voor de lidstaten mogelijk om migranten beter te volgen, ongecontroleerde doorreis binnen de EU tegen te gaan en overdrachten tussen lidstaten en terugkeer naar derde landen te vergemakkelijken.
9.2 Verplichting tot afname biometrische gegevens en invoer gegevens in Eurodac
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat wanneer personen die weigeren om biometrische gegevens te laten afnemen in het uiterste geval gedwongen kunnen worden dit te doen. Deze leden hebben hier enkele vragen bij.
Vraag 400
Hoe ziet deze dwang eruit? Wordt hierbij rekening gehouden met kwetsbare mensen die bijvoorbeeld angstig zijn en een trauma hebben? Zo ja, op welke manier? Hoe wordt gewaarborgd dat niet meer dan ‘proportionele dwang’ op personen wordt toegepast tijdens de procedure? Wordt ook bij minderjarigen zo nodig dwang toegepast? Zo ja, wordt dit door iemand gedaan die speciale kwalificaties heeft om dit bij kinderen af te nemen?
De wijze waarop fysieke dwang wordt toegepast, is afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval. Op voorhand kan niet worden vastgesteld met welke situaties een ambtenaar in de praktijk wordt geconfronteerd en welke specifieke fysieke handelingen noodzakelijk zullen zijn. Daarom worden geen gedetailleerde inzetcriteria voor fysiek geweld gehanteerd. In plaats daarvan gelden onverkort de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit, redelijkheid en gematigdheid zoals neergelegd in de Politiewet 2012. Conform de Politiewet is de toepassing van (lichte) dwang voorbehouden aan de ambtenaren die zijn vastgesteld voor de politietaak, in dit geval de AVIM en de KMar. Deze beginselen waarborgen dat niet meer dwang wordt toegepast dan noodzakelijk is.
Bij minderjarigen wordt eventuele dwang ook altijd proportioneel toegepast. Gedurende de procedure wordt het kind begeleid door een volwassen familielid of een onafhankelijke vertegenwoordiger die het belang van het kind beschermt, terwijl de biometrische gegevens alleen door speciaal opgeleide ambtenaren worden afgenomen op een kindvriendelijke manier.
9.3 Toegang voor rechtshandhavingsdoeleinden
De leden van de CDA-fractie lezen dat de toegang tot Eurodac voor rechtshandhavingsdoeleinden geen inhoudelijke wijziging beoogt ten opzichte van de huidige situatie en dat de controlerende rol bij de officier van justitie blijft belegd.
Vraag 401
Deze leden vragen of de regering kan toelichten of verwacht wordt dat het aantal verzoeken tot vergelijking van gegevens voor rechtshandhavingsdoeleinden zal toenemen onder de nieuwe Eurodac-verordening en, zo ja, of de betrokken instanties hier qua capaciteit voldoende op zijn voorbereid.
In het vernieuwde Eurodac worden meer biometrische en biografische gegevens opgeslagen, waardoor het systeem vaker relevant kan zijn voor rechtshandhavingsdoeleinden. Naar verwachting zal het aantal bevragingen hierdoor toenemen. De betrokken instanties zijn hierop voorbereid: vanaf het tweede kwartaal van 2027 wordt het bevragingsproces grotendeels geautomatiseerd via de BOB-module. Dit geautomatiseerde proces beperkt de uitvoeringslast zoveel mogelijk. Tot die tijd verlopen de bevragingen handmatig.
9.4 Overige onderdelen van de verordening
De leden van de BBB-fractie vinden dat deze verordening fungeert als een ingebouwd noodrecht voor uitzonderlijke situaties, zoals een plotselinge massale instroom van migranten of asielzoekers. Zij maakt het mogelijk tijdelijk af te wijken van de reguliere termijnen en procedures en activeert tegelijkertijd aanvullende solidariteitsmaatregelen onder de lidstaten. Deze leden vinden dat het doel van de verordening is om te dienen als vangnet, zodat het systeem niet instort bij onverwachte druk. Tegelijkertijd introduceert zij een structureel mechanisme waarmee lidstaten in crisissituaties tijdelijk kunnen afwijken van de normale rechtsbescherming en procedures, terwijl de continuïteit van het migratie- en asielbeheer wordt gewaarborgd.
Vraag 402
Wie bepaalt wanneer sprake is van een crisis, en welke democratische controle bestaat daarop op nationaal niveau?
Er is volgens de Crisisverordening sprake van crisis bij “een uitzonderlijke situatie van massale aankomsten van onderdanen van derde landen of staatlozen in een lidstaat over land, door de lucht of over zee, met inbegrip van personen die ontscheept werden na opsporings- en reddingsoperaties, van een zodanige omvang en aard — rekening houdend met, onder meer, de bevolking, het bbp en specifieke geografische kenmerken van de lidstaat, waaronder de omvang van het grondgebied dat ze het goed voorbereide asielstelsel, opvangstelsel, met inbegrip van kinderbeschermingsdiensten, of terugkeerstelsel van de lidstaat doet vastlopen, onder meer als gevolg van een situatie op lokaal of regionaal vlak, met mogelijk ernstige gevolgen voor de werking van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel” of bij een situatie van instrumentalisering van migratie. Als Nederland van oordeel is dat er sprake is van crisis kan de regering bij de Europese Commissie een verzoek indienen voor solidariteitsmaatregelen. Uw Kamer wordt over een eventueel voornemen voor een dergelijk verzoek uiteraard geïnformeerd.
De leden van de BBB-fractie constateren dat parallel aan de aanscherping van de grens- en asielprocedures het Pact een legaal alternatief voor irreguliere migratie via de Uniekaderverordening voor hervestiging en humanitaire toelating introduceert. Deze verordening creëert een gemeenschappelijk Europees kader voor de toelating van personen die internationale bescherming nodig hebben en zich nog buiten de EU bevinden, bijvoorbeeld in vluchtelingenkampen in derde landen. Deze leden lezen dat deze verordening op Europees niveau bepaalt wie voor hervestiging of humanitaire toelating in aanmerking kan komen, hoe de selectieprocedure verloopt, welke veiligheids- en identiteitstoetsen moeten worden uitgevoerd en welke rechten betrokkenen na aankomst in de lidstaat verkrijgen. Het gaat dus om een vooraf gecontroleerde en georganiseerde toegang tot bescherming, in plaats van bescherming na irreguliere binnenkomst.
Vraag 403
De leden van de BBB-fractie constateren dat hervestiging in het Pact nadrukkelijk wordt gepresenteerd als het complement van strengere grensprocedures. De gedachte daarachter is dat personen die daadwerkelijk bescherming nodig hebben, bij voorkeur via veilige en gecontroleerde routes naar Europa komen, in plaats van via gevaarlijke en ongereguleerde migratieroutes. Strengere buitengrenscontroles en versnelde terugkeerprocedures worden zo gecombineerd met een gereguleerd kanaal voor legale toegang. Deze leden constateren dat in de praktijk hervestiging echter afhankelijk is van de politieke bereidheid van de lidstaten om plaatsen beschikbaar te stellen. De verordening schept geen individueel afdwingbaar recht op hervestiging: een persoon kan niet zelfstandig aanspraak maken op toelating tot de EU via dit systeem. Het aantal beschikbare plaatsen en de concrete uitvoering blijven dus in belangrijke mate afhankelijk van politieke keuzes op nationaal niveau. Kan de regering toelichten hoe zij hiermee om wil gaan?
In antwoord op deze vraag verwijst de regering naar het coalitieakkoord waarin het volgende is opgenomen: “Voor de modernisering van het internationaal vluchtelingenrecht neemt Nederland samen met andere Europese landen de leiding om draagvlak te vinden. We organiseren een asieltop en nemen diplomatieke initiatieven. Doel is uiteindelijk dat asielaanvragen buiten Europa kunnen worden ingediend en afgehandeld, en dat in Nederland geen asielprocedures meer hoeven worden doorlopen. Zo kunnen erkende vluchtelingen via hervestiging worden verdeeld over Europa, waar ze met een vluchtelingenstatus hun leven kunnen opbouwen. Zo breken we het wrede verdienmodel van mensensmokkelaars op de Middellandse Zee.”
10. Wet arbeid vreemdelingen
10.1 Hoofdlijnen van het voorstel
Vraag 404
De leden van de CDA-fractie lezen dat reeds verleende tewerkstellingsvergunningen worden ingetrokken indien een verzoeker onder één van de categorieën valt waarvoor de toegang tot de arbeidsmarkt is uitgesloten. Deze leden vragen hoe wordt geborgd dat deze intrekking zorgvuldig en tijdig plaatsvindt en of de betrokken uitvoeringsinstanties hier organisatorisch op zijn voorbereid.
Met deze wijziging van de Wet arbeid vreemdelingen, als onderdeel van de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026, wordt een dwingende intrekkings- en weigeringsgrond voor de tewerkstellingsvergunningaanvraag opgenomen. Hiermee wordt de aanvraag voor een tewerkstellingsvergunning geweigerd of zal een reeds verleende tewerkstellingsvergunning worden ingetrokken als de aanvraag van de asielzoeker versneld is behandeld op basis van één van de categorieën asielzoekers voor wie de toegang tot de arbeidsmarkt is uitgesloten. Wanneer een asielzoeker niet (meer) mag werken volgt dit uit de titelcodes die zijn opgenomen in de BRP. UWV kan dit straks aan de hand van het burgerservicenummer zien. Vanaf het moment dat de tewerkstellingsvergunning is ingetrokken mag de werkgever de asielzoeker geen werkzaamheden meer laten verrichten. De datum waarop de asielzoeker geen rechtmatig verblijf meer heeft is daarmee niet leidend, maar het moment dat de werkgever geïnformeerd is door UWV dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden voor de toegang tot de arbeidsmarkt en per welke datum de tewerkstellingsvergunning daarom is ingetrokken.
Vraag 405
Voorts vragen deze leden of de regering kan bevestigen dat de benodigde gegevensuitwisseling tussen de IND en het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) tijdig operationeel is om implementatie per 12 juni 2026 mogelijk te maken.
De lagere regelgeving waarin dit geregeld wordt is in voorbereiding, en zal op korte termijn in het kader van de voorhangprocedure aan uw Kamer worden gestuurd. Na afloop van deze voorhangprocedure zal advies worden gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State. De gegevensuitwisseling tussen IND en UWV is daarom nog niet operationeel. In onderling overleg zal met de betrokken uitvoerende partijen worden gekeken hoe de implementatie zo snel mogelijk gereed kan zijn. Voor de IND geldt dat de benodigde gegevensuitwisseling via de BRP operationeel zal zijn op 12 juni 2026. Daarvoor zijn nieuwe verblijfstitels aangemaakt die in de BRP zichtbaar zullen zijn. Of het UWV ook geautomatiseerd gebruik kan maken van de nieuwe verblijfstitels via de BRP hangt af van de vraag wanneer de benodigde lagere regelgeving gereed is. IND en UWV zijn aan het kijken of er nog een andere manier is om de gegevensuitwisseling geautomatiseerd plaats te laten vinden.
11. Verhouding tot hoger recht
Vraag 406
De leden van de CDA-fractie lezen dat een kortere verblijfsduur kan leiden tot meer verlengingsprocedures. Deze leden vragen de regering welke gevolgen zij verwacht voor het aantal verlengingsaanvragen en voor de uitvoeringslast van de IND.
Hieronder is een tabel opgenomen met de extra verlengingsaanvragen die per jaar verwacht worden tot 2034.
De extra kosten lopen tot 2034 op naar in totaal 2,7 miljoen euro. De extracapaciteit bij de IND loopt tot 2034 op naar in totaal 19 FTE. De IND heeft met name extra personeel nodig vanwege extra administratieve handelingen en omdat er vaker verblijfspasjes aan statushouders moeten worden uitgereikt. Het ligt niet in de lijn der verwachting dat de extra verlengingsaanvragen die door dit wetsvoorstel verwacht worden, ook extra beroepszaken gaan opleveren.
| Extra zaken instroom (t.o.v. huidige situatie) | 2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | 2032 | 2033 | 2034 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| VVA verlenging | 4.269 | 7.424 | 10.379 | 34.894 | 41.309 | 28.369 | 46.845 | 49.071 | 31.881 | 49.474 |
| VVA onbep | -3.907 | -6.794 | -9.499 | -10.218 | -11.199 | -11.199 | -11.713 | -11.970 | -11.970 | -11.970 |
| Naturalisatie (na VVA bep) | -362 | -629 | -880 | -946 | -1.037 | -1.037 | -1.085 | -1.109 | -1.109 | -1.109 |
| Totaal | 0 | 0 | 0 | 23.730 | 29.073 | 16.133 | 34.047 | 35.992 | 18.803 | 36.396 |
Vraag 407
De leden van de CDA-fractie lezen dat het niet verlenen van verblijfsvergunningen voor onbepaalde tijd kan leiden tot een structureel tijdelijk karakter van bescherming. Deze leden vragen de regering of zij verwacht dat dit zal leiden tot een toename van herhaalde procedures of langdurige onzekerheid over de verblijfsstatus.
De regering benadrukt met deze maatregel het tijdelijke karakter van asielbescherming, waarbij de verleende internationale beschermingsstatus van toepassing is zolang er geen redenen zijn om deze in te trekken. Hoewel onbedoeld, kan onzekerheid over de status een gevolg zijn van de maatregel tot afschaffen van de asielvergunning voor onbepaalde tijd. In dat kader is het van belang te benadrukken dat asielstatushouders na minimaal vijf jaar onder voorwaarden in aanmerking kunnen komen voor de EU-status als langdurig ingezetene of een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Daarbij is het relevant te verwijzen naar de voorgenomen plannen in het coalitieakkoord waarbij naturalisatie mogelijk wordt gemaakt op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Met deze maatregelen verwacht de regering dat een asielstatushouder niet langdurig in onzekerheid hoeft te verkeren over zijn recht op verblijf in Nederland. De regering verwacht wel dat de vreemdeling daarvoor de nodige inspanningen verricht om deel uit te maken van de Nederlandse maatschappij.
De regering verwacht evenmin dat het afschaffen van de
asielvergunning voor onbepaalde tijd zal leiden tot meer herhaalde
procedures. De vreemdeling behoudt zijn de asielstatus zolang er geen
redenen zijn om die in te trekken. Derhalve is er in die situatie geen
aanleiding om een herhaalde procedure voor asielbescherming te starten.
Indien met herhaalde procedures de verlengingsaanvraag wordt bedoeld
verwijst de regering naar het antwoord op vorenstaande vraag van de
leden van de CDA-fractie.
12. Overgangsrecht en inwerkingtreding
Vraag 408
De leden van de D66-fractie constateren dat er veel op de uitvoeringsorganisaties afkomt, zowel door de inwerkingtreding van het Pact als de verschillende wets- en beleidswijzigingen vanuit het vorige en huidige kabinet. Veel van deze organisaties benadrukken dan ook dat het van belang is om deze wijzigingen te laten plaats vinden op één verandermoment. Kan de regering toezeggen aan deze vraag te voldoen?
De regering blijft erop inzetten de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel zo spoedig mogelijk in te voeren. Bij het bepalen van het precieze tijdstip van invoering zal zoveel mogelijk rekening worden gehouden met de (on)mogelijkheden van de relevante uitvoeringsorganisaties. Daarbij is het van belang te noemen dat na aanvaarding van deze wetsvoorstellen er enige implementatietijd voor de IND nodig is om alle maatregelen in te voeren en in de praktijk tot uitvoer te kunnen brengen.
Vraag 409
De leden van de D66-fractie lezen dat onder andere het COA de zorg uitspreekt dat als er door de vele wijzigingen verschillende procedures langs elkaar gaan lopen, dit kan leiden tot onduidelijkheid bij aanvragers en daarmee ook tot onrust op de opvanglocaties. Deze leden delen deze zorgen en wijzen erop dat dit voor zowel de medewerkers in de opvang als de buurtbewoners én de aanvragers zelf negatieve consequenties kan hebben. Zij vragen de regering daarom om te garanderen dat de informatievoorziening op de opvanglocaties voldoende is.
Het kabinet is zich er bewust van dat asielzoekers tijdig en volledig geïnformeerd dienen te worden over de gevolgen van de nieuwe wetgeving voor hun asielprocedure en de rechten en plichten ten aanzien van de opvang. Ook nu is heldere communicatie over de procedures waarin een asielzoeker zich bevindt van belang. Deze informatie is ook na inwerkingtreding van het Pact van belang. Deze zal worden aangepast aan de dan geldende procedures.
Vraag 410
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de vreemdeling de mogelijkheid kan krijgen om correcties en aanvullingen te doen op het verslag van een gehoor. Waarom is er niet voor gekozen om de vreemdeling altijd de mogelijkheid te geven om correcties en aanvullingen te doen op het gehoor? Wanneer wordt ervoor gekozen dit niet te doen en op basis van welke objectieve criteria?
Het onthouden van het aanbod van de mogelijkheid om correcties en aanvullingen te doen zal alleen in uitzonderlijke gevallen van toepassing zijn, bijvoorbeeld wanneer het indienen van correcties en aanvullingen geen wezenlijke bijdrage levert aan de zorgvuldigheid van de besluitvorming dan wel belang bestaat bij het spoedig kunnen nemen van een besluit op de aanvraag. De wijze waarop hieraan toepassing zal worden gegeven, zal nader vorm worden gegeven in de Vreemdelingencirculaire 2000. Dat in voorkomende gevallen geen gelegenheid voor het indienen van correcties en aanvullingen zal worden geboden, laat onverlet dat een asielzoeker aan het einde van de administratieve procedure van de asielprocedure een advocaat heeft. Een advocaat kan altijd uit eigen beweging correcties en aanvullingen indienen. Indien dat gebeurt op een moment dat het besluit op het asielverzoek nog niet is genomen, zullen de correcties en aanvullingen bij de besluitvorming moeten worden betrokken.
Vraag 411
De leden van de CDA-fractie lezen dat de voorgestelde maatregelen in beginsel onmiddellijke werking krijgen en daarmee direct van toepassing zijn op lopende asielprocedures en bestaande werkvoorraden bij de IND. Deze leden vragen de regering hoe wordt voorkomen dat vergelijkbare gevallen ongelijk worden behandeld afhankelijk van het moment van besluitvorming.
De regering verwijst hier naar de uitleg op vraag 127.
Vraag 412
De leden van de CDA-fractie lezen dat dit wetsvoorstel samenloopt met de Wet invoering tweestatus en de Asielnoodmaatregelenwet en dat voor een aantal onderwerpen inhoudelijk dezelfde maatregelen gelden. Deze leden vragen de regering toe te lichten hoe wordt gewaarborgd dat de verschillende overgangsregimes op elkaar aansluiten en niet leiden tot uitvoeringsonduidelijkheid of rechtsongelijkheid.
Daartoe heeft de regering in artikel X en XI van onderhavig wetsvoorstel een uitvoerige samenloopregeling opgenomen. Deze samenloopregeling moet borgen dat opeenvolgende wijzigingen kunnen worden doorgevoerd, zonder dat er onduidelijkheid ontstaat over het van toepassing zijnde recht.
De leden van de JA21-fractie maken zich zorgen over de vraag of het goed kan worden uitgevoerd. De memorie van toelichting erkent dat de implementatietermijn ‘zeer kort’ is, dat de IND verwacht dat de nieuwe asielprocedure per 12 juni 2026 ‘operationeel werkbaar maar nog niet volledig afgerond’ is en dat er gedurende een overgangsperiode twee parallelle asielsystemen naast elkaar moeten functioneren. Daarnaast is de achterstand bij de IND opgelopen tot 51.000 openstaande aanvragen en is de wachttijd voor het nader gehoor gestegen naar 67 weken.
Vraag 413
Hoeveel extra personeel is nodig bij de IND, het COA en de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) om het Pact volledig uit te voeren? Kan de regering dit per organisatie en per functiegroep specificeren?
Voor de IND verwijst de regering naar het antwoord op vraag 60. COA zal in beperkte mate personeel moeten werven voor de uitvoering van taken die volgen uit het Asiel- en migratiepact, om zodoende voldoende begeleiding te bieden aan de bewoners. DTenV verwacht met de huidige capaciteit hun taak uit te kunnen voeren en monitort aan de hand van de praktijk na implementatie van het Pact of extra personeel nodig is.
Vraag 414
De leden van de JA21-fractie constateren dat de memorie van toelichting vermeldt dat voor de screeningsprocedure naar schatting 45 tot 140 fte nodig is bij de IND. Kan de regering aangeven of deze capaciteit reeds beschikbaar is of dat aanvullende werving noodzakelijk is? Kunnen deze mensen op tijd worden getraind?
De regering verwijst naar haar antwoord op vraag 57. De IND kan het benodigde personeel tijdig trainen.
Vraag 415
Wat zijn de structurele kosten van de implementatie op de lange termijn, inclusief IV-systemen, opleiding, rechtsbijstand, tolken en medisch personeel?
In de voorjaarsnota 2025 is € 21 euro miljoen structureel vrijgemaakt voor de implementatie van het Asiel- en migratiepact. De aanpassingen in taken en systemen lopen na implementatie mee in de reguliere begrotingen van de organisaties in de asiel- en migratieketen. Voor de overige asielwetsvoorstellen is aanvullend 69 mln. beschikbaar gesteld waarmee het totaal op 90 miljoen uitkomt.
Vraag 416
De leden van de JA21-fractie constateren dat de financiële gevolgen in de memorie van toelichting slechts als ‘globale inschatting’ worden gepresenteerd en dat een businesscase nog wordt uitgewerkt. Wanneer is deze businesscase gereed?
De budgetten die in de memorie van toelichting van het wetsvoorstel zijn opgenomen, zijn structureel aan de budgettaire kaders van de uitvoeringsorganisaties toegevoegd. Jaarlijks zal in de opdrachtbrieven aan deze organisaties bezien worden hoe de implementatiekosten zich ontwikkelen en welke budgetten noodzakelijk zijn voor het implementeren van het Asiel- en migratiepact.
Vraag 417
In de beslisnota bij de memorie van toelichting staat ‘extra geld lijkt op korte termijn het werklast en capaciteitsprobleem niet op te lossen’ (Kamerstuk 36871, nr. 3). Wat is de verwachting en prognose van de regering hiervoor?
De regering verwijst naar het antwoord op vraag 63.
Vraag 418
De leden van de JA21-fractie constateren dat afzonderlijke bepalingen separaat in werking kunnen treden. Is de regering voornemens om bepaalde aspecten of bepalingen in de wet op verschillende momenten in werking te laten treden en zo ja, wanneer? Kan de regering een toelichting geven op de huidige planning voor alle onderdelen?
De regering blijft erop inzetten de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel zo spoedig mogelijk in te voeren. Bij het bepalen van het precieze tijdstip van invoering zal zoveel mogelijk rekening worden gehouden met de (on)mogelijkheden van de relevante uitvoeringsorganisaties. Daarnaast zullen beide voorstellen nog door de Eerste Kamer moeten worden aangenomen. De regering houdt daarbij ook rekening met de mogelijkheid specifieke onderdelen eerder in te voeren, zoals het onderdeel van de Asielnoodmaatregelenwet waarmee de rechterlijke dwangsommen worden afgeschaft. Daarnaast is het van belang te noemen dat na aanvaarding van deze wetsvoorstellen er enige implementatietijd voor de IND nodig is om alle maatregelen in te voeren en in de praktijk tot uitvoer te kunnen brengen. Een planning daarvoor is op dit moment niet te geven omdat dat sterk afhankelijk is van de parlementaire behandeling.
Vraag 419
Krijgen asielzoekers straks vanaf de eerste opvangdag leefgeld en wordt dit dan direct de eerste dag al verstrekt? Om hoeveel geld gaat dat? Welke naturaverstrekkingen vervallen dan door verstrekken van het bedrag?
Het Asiel- en migratiepact verplicht om asielzoekers vanaf de eerste dag van hun asielaanvraag een financiële vergoeding te verstrekken. Zodat zij in hun dagelijks leven een minimum aan autonomie kunnen genieten. Dit bedrag van € 14,87 zal op de Yoursafecard geplaatst worden. Wanneer de asielzoekers hun Yoursafecard ontvangen, kunnen ze hier gebruik van maken.
Vraag 420.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering wat haar reactie is op de wens van diverse organisaties zoals de Rvdr om eerst dit wetsvoorstel in werking te laten treden en daarna de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel, omdat dit voor de uitvoering beter te behappen is dan als eerst de nationale wetten zouden worden ingevoerd.
Die volgorde ligt niet voor de hand nu de regering met de voorstellen voor de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel vooral heeft beoogd om een aantal onderdelen die ook in onderhavig wetsvoorstel zijn opgenomen eerder in werking te laten treden. Inhoudelijk sluiten de voorstellen voor de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel dan ook aan bij het onderhavige wetsvoorstel. In aanvulling daarop bevat de Asielnoodmaatregelenwet, zoals in het antwoord op vraag 54 uiteen is gezet, een aantal maatregelen die niet in het onderhavige wetsvoorstel zijn opgenomen. De regering heeft zich er sterk voor gemaakt dat er voor de asielketen zo snel mogelijk duidelijkheid komt over de invoering van beide wetten.
De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat er nauwelijks overgangsrecht is geformuleerd en dat is gekozen voor onmiddellijke werking om geen onevenredige druk op de opvang te creëren. In dat licht wijzen deze leden er op dat ook de oude voorraad zwaar drukt op de samenleving en de opvang.
Vraag 421
Welke capaciteit zet de regering in om de oude voorraad weg te werken? Hoelang moeten mensen die een aanvraag vóór juni 2026 hebben gedaan wachten op een beslissing? Herkent de regering dit beeld? Erkent de regering dat dit grote maatschappelijke gevolgen heeft: meer dan een miljoen aanvragen die meerdere jaren (extra) moeten wachten op een beslissing, die jaren van onzekerheid zullen kennen en deels niet uit de opvang kunnen uitstromen? Welke verantwoordelijkheid neemt de regering voor deze mensen?
De IND zet een deel van haar asielcapaciteit in op het bijhouden en tijdig beslissen van de nieuwe aanvragen, zodat het ontstaan van nieuwe achterstanden wordt voorkomen. Alle asielcapaciteit die overblijft wordt ingezet op de aanvragen die voor 12 juni 2026 zijn ingediend. De regering is zich bewust van de taak om in deze zaken zo snel mogelijk te beslissen en beziet derhalve welke aanvullende maatregelen er genomen kunnen worden om dit te bewerkstelligen.
13. Uitvoerings- en administratieve lasten en financiële gevolgen
13.1 Uitvoeringsgevolgen vreemdelingenketen
Vraag 422
De leden van de PVV-fractie hebben vernomen dat wanneer het aantal herplaatsingen via vrijwillige bijdragen niet gehaald wordt, Nederland mogelijk de Dublin-claimanten niet meer over kan dragen en vervolgens zelf deze asielprocedures zal moeten behandelen. Zeker nu de Griekse minister Plevris heeft aangegeven dat in het geval er opeens veel meer mensen richting het land komen, de Dublin-claimanten niet meer teruggenomen worden, maken deze leden zich ernstige zorgen. Hoe groot acht de regering de kans dat deze situatie van verplichte verantwoordelijkheidscompensaties zich voor zal doen en over hoeveel extra asielzaken kunnen wij ongeveer verwachten?
In antwoord op deze vraag verwijst de regering naar haar antwoord op vraag 286.
Vraag 423
De leden van de CDA-fractie lezen dat de voorgestelde maatregelen gevolgen hebben voor de bestaande werkvoorraden en uitvoeringscapaciteit van de IND. Deze leden vragen de regering hoe de extra werklast structureel wordt opgevangen en hoe wordt voorkomen dat doorlooptijden verder oplopen.
Uit de uitvoeringstoetsen Tweestatusstelsel en de nareismaatregelen blijkt dat deze maatregelen extra werk met zich meebrengen. Zo zorgen beide maatregelen er onder andere voor dat meer werk in de beroepsprocedure ontstaat. Dat is een vraagstuk, omdat de IND niet onbeperkt kan groeien en ook niet in staat zal zijn tijdig al het benodigde personeel om dit extra werk op te vangen te werven. De IND heeft om die reden in de brief met het totaalbeeld dan ook aangegeven dat – voorzover het deze maatregelen aan gaat – het niet reëel is te verwachten dat de IND hetzelfde aantal zaken blijft behandelen, terwijl er meer werk op de IND afkomt. De inzet van de regering is er echter op gericht de instroom te verlagen zodat de druk op de gehele keten afneemt. Dit zal niet direct gerealiseerd worden, maar zodra de instroom daalt is de verwachting dat het extra werk dat hiermee gepaard gaat uiteindelijk ook zal dalen.
Vraag 424
De leden van de CDA-fractie lezen dat de verkorting van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel en het afschaffen van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd zullen leiden tot een toename van verlengingsaanvragen. Deze leden vragen de regering te concretiseren hoeveel extra aanvragen per jaar worden verwacht.
De regering verwijst naar haar antwoord op vraag 406.
Vraag 425
De leden van de CDA-fractie lezen dat verschillende behandelprocedures en beslistermijnen naast elkaar zullen bestaan. Deze leden vragen de regering hoe wordt gewaarborgd dat deze differentiatie uitvoerbaar blijft en niet leidt tot extra administratieve lasten of foutgevoeligheid binnen de vreemdelingenketen.
Er zit een volgordelijkheid in de procedures die juist leidt tot een efficiënte behandeling van de aanvragen. Als eerste beoordeelt de IND of Nederland de verantwoordelijke lidstaat is. Dit gebeurt in de zogeheten AMBv-procedure. Dit is een procedure met specifieke processtappen dat wordt uitgevoerd door een gespecialiseerd team. Als Nederland de verantwoordelijke lidstaat blijkt te zijn, vindt de nationale asielprocedure plaats. Deze procedure kan versneld worden als een van de gronden voor de versnelde procedure van toepassing is. Inhoudelijk en procedureel is er geen verschil tussen de versnelde procedure en de niet-versnelde procedure, dit is slechts een prioriteringsvraagstuk.
Dit proces van het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat en de inhoudelijke procedure kan ook aan de grens plaatsvinden. Dit gebeurt als de asielzoeker aan de buitengrens asiel heeft aangevraagd en niet voldoet aan de voorwaarden voor toelating. Er wordt dan gesproken van de grensprocedure. Deze procedure wordt door een speciaal team van de IND gedaan en heeft zijn eigen termijnen.
In alle procedures, op de AMBv-procedure na, moet een onderzoek naar de ontvankelijkheid gedaan worden. Dit onderzoek moet binnen twee maanden worden afgerond. Dit wordt de ontvankelijkheidsprocedure genoemd maar is integraal onderdeel van alle procedures.
Vraag 426
De leden van de CDA-fractie lezen dat de implementatie van de herschikte Opvangrichtlijn en de Screeningsverordening aanzienlijke IV-aanpassingen en personele inzet vergt. Deze leden vragen de regering hoe wordt geborgd dat deze systemen en personele uitbreidingen tijdig gereed zijn voor implementatie en welke risico’s bestaan voor de beoogde inwerkingtreding.
Voor IV-aanpassingen wordt verwezen naar het antwoord op vraag 437. Wat betreft personele inzet wordt verwezen naar het antwoord op vraag 413.
Vraag 427
De leden van de CDA-fractie lezen dat de voorgestelde maatregelen gevolgen hebben voor de uitvoering door het COA en de DT&V, onder meer bij versoberde opvang na een overdrachtsbesluit en bij overdrachtsprocedures. Deze leden vragen de regering of de huidige capaciteit toereikend is om deze extra taken op te vangen.
De voorgestelde maatregelen vergen extra capaciteit: extra personele inzet op de Dublin locaties, voor het grootschalig opleggen van art. 56 verwacht de DTenV 7–10 fte extra nodig te hebben (circa €0,8–1,15 miljoen per jaar) of, bij een kleinere doelgroep, 4 fte (€0,57–0,8 miljoen). Ook wordt inzet gevraagd van AVIM, OM, KMar en beveiliging. Het kabinet blijft in samenwerking met de keten nauw monitoren of de capaciteit voldoet.
Vraag 428.
De leden van de SGP-fractie lezen in de uitvoeringsanalyse dat de IND geen mogelijkheid ziet om de Asielnoodmaatregelenwet en Wet Tweestatusstelsel in te voeren voor inwerkingtreding van Pact. Wel zouden onderdelen eerder geïmplementeerd kunnen worden. De IND noemt daarbij zelf het afschaffen van de rechterlijke dwangsommen, als gevolg van het aangenomen amendement-Diederik van Dijk. Is de regering bereid toe te zeggen dat dit onderdeel inderdaad zo spoedig mogelijk en als dat kan vóór datum van inwerkingtreding Pact geïmplementeerd wordt?
De regering blijft erop inzetten de voorstellen voor Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel zo spoedig mogelijk in te voeren. Bij het bepalen van het precieze tijdstip van invoering zal zoveel mogelijk rekening worden gehouden met de (on)mogelijkheden van de relevante uitvoeringsorganisaties. Ook zal de Eerste Kamer de voorstellen nog moeten aannemen. De regering zegt toe daarbij bijzondere aandacht te hebben voor de spoedige invoering van het onderdeel van de Asielnoodmaatregelenwet waarmee de rechterlijke dwangsommen worden afgeschaft. Daarnaast is het van belang te noemen dat na aanvaarding van deze wetsvoorstellen er enige implementatietijd voor de IND nodig is om alle maatregelen in te voeren en in de praktijk tot uitvoer te kunnen brengen.
12.2 Uitvoeringsgevolgen voor de AbRvS en rechtspraak
Vraag 429
De leden van de CDA-fractie lezen dat de voorgestelde maatregelen gevolgen hebben voor de werklast van de Rechtspraak en de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS). Deze leden vragen de regering of de benodigde capaciteit structureel beschikbaar is en hoe wordt voorkomen dat doorlooptijden in asiel- en bewaringszaken verder oplopen.
Om te voorkomen dat doorlooptijden in asiel- en bewaringszaken verder oplopen, treft de regering verschillende maatregelen. De IND draagt hieraan bij door versnelling van de besluitvorming: het afschaffen van de voornemenprocedure maakt eerdere besluitvorming mogelijk en beperkt het aantal beroepen wegens niet tijdig beslissen. Daarnaast worden dossiers vroegtijdig gescreend door de directie Juridische Zaken van de IND, zodat gebrekkige besluiten kunnen worden hersteld of ingetrokken voordat zij de rechtbank bereiken. Daarmee wordt onnodige belasting van de Rechtspraak voorkomen.
De Rechtspraak werkt via het programma Tijdige rechtspraak aan het verkorten van doorlooptijden en het vergroten van voorspelbaarheid. De bestuurlijke dwangsom is inmiddels afgeschaft.
Een aanzienlijk deel van de voorraad vreemdelingenzaken betreft beroepen wegens niet tijdig beslissen. Deze zaken veroorzaken hoge werkdruk en bemoeilijken prioritering. De afschaffing van de rechterlijke dwangsom kan de Rechtspraak in de praktijk meer ruimte geven om zich te concentreren op de inhoudelijke beoordeling van primaire zaken, wat de doorlooptijden ten goede komt. Tegelijkertijd wordt gewerkt aan de onderliggende oorzaak van de hoge instroom van deze beroepen, namelijk de lange doorlooptijden bij de IND. De inzet van het kabinet is dat de doorlooptijden in asiel en bewaringszaken niet verder oplopen en waar mogelijk dalen.
Vraag 430
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering verwacht dat de capaciteitstekorten die op dit moment in het gevangeniswezen aan de orde zijn, ook van toepassing (gaan) zijn op de vreemdelingendetentie. Zo ja, hebben de tekorten in de vreemdelingendetentie op termijn ook gevolgen voor de algemene capaciteitstekorten in het gevangeniswezen?
Momenteel is er geen sprake van capaciteitstekorten bij vreemdelingendetentie. Binnen de migratieketen wordt gestuurd op optimaal gebruik van de beschikbare bewaringscapaciteit. Vreemdelingenbewaring en het gevangeniswezen werken volgens gescheiden regimes. Wel worden momenteel 48 plekken voor vreemdelingenbewaring gebruikt door het gevangeniswezen. Wanneer de bezetting binnen de vreemdelingebewaring toeneemt, is de afspraak dat deze plekken snel weer voor de vreemdelingenbewaring ter beschikking komen. Als zich dat voordoet, heeft een stijgende bezetting binnen de vreemdelingenbewaring een negatief effect op de operationele capaciteit van het gevangeniswezen.
12.3 Financiële gevolgen
Vraag 431
De leden van de CDA-fractie lezen dat de financiële gevolgen afhankelijk zijn van instroomontwikkelingen en uitvoeringskeuzes. Deze leden vragen de regering nader te concretiseren welke structurele en incidentele middelen zijn gereserveerd en welke onzekerheidsmarges in de ramingen zijn meegenomen.
De budgetten die in de memorie van toelichting van het wetsvoorstel zijn opgenomen, zijn structureel aan de budgettaire kaders van de uitvoeringsorganisaties toegevoegd. Jaarlijks zal in de opdrachtbrieven aan deze organisaties bezien worden hoe de implementatiekosten zich ontwikkelen en welke budgetten noodzakelijk zijn voor het implementeren van het Migratiepact.
14. Consultatie en advies
Vraag 432.
De leden van de JA21-fractie constateren dat de IND aangeeft dat niet alle analyses gereed zijn, omdat enkele keuzes pas recent zijn gemaakt (Kamerstuk 32317, nr. 992). Welke keuzes betreft dat en wanneer zullen die analyses wel gereed zijn?
Het betrof onder meer het besluit om de IND te vragen de juridische counseling uit te voeren. De IND werkt momenteel de uitvoeringsgevolgen hiervan nader uit. Zoals aangekondigd in de brief van 23 januari jl. zal de IND op korte termijn een rapport delen waarin de uitvoeringsgevolgen voor de IND en de ketenpartners van de nieuwe asielprocedure worden geschetst.
Vraag 433
Wanneer kan de screening ook in andere locaties dan Ter Apel worden uitgevoerd en wat is het streven van de regering? Op hoeveel locaties wil de regering dit kunnen doen?
De IND voorziet dat de screening per 12 juni a.s. kan worden uitgevoerd op de aanmeldlocatie in Ter Apel. Er is voldoende capaciteit voorzien om de verwachte instroom bij te houden en eventuele pieken op te vangen. Indien er aanvullende aanmeldlocaties worden ingericht, zal worden bezien of en op welke wijze de screening ook daar kan worden uitgevoerd.
Vraag 434
De leden van de JA21-fractie constateren dat de IND schrijft dat er geen structuur is voor uitwisseling van screeningsformulieren tussen lidstaten. Kan de regering dit toelichten? Hoe ziet de regering dit? Welke maatregelen worden genomen om die uitwisseling mogelijk te maken?
De regering verwijst naar het antwoord op vraag 35.
Vraag 435
De IND geeft aan tot een instroom van 25.000 aanvragen de wettelijke termijn te kunnen naleven. In hoeverre is daarbij het uitgangspunt dat er ook voldoende capaciteit is vrijgemaakt voor het herbeoordelen van statussen, bijvoorbeeld van Syriërs?
Bij het uitgangspunt dat de IND de instroom tot een maximaal aantal zaken van 25.000 eerste aanvragen per jaar bij kan houden is geen rekening gehouden met eventualiteiten van een niet aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid.
Vraag 436
De leden van de JA21-fractie constateren dat de Adviesraad Migratie vreest dat een korte beroepstermijn en andere maatregelen mogelijk zullen leiden tot extra beroepsprocedures. Kan de regering toelichten waarom dat niet het geval zal zijn of waarom toch die keuze wordt gemaakt?
De regering kiest ervoor om gebruik te maken van de ruimte die het Asiel- en migratiepact biedt om de termijn voor het instellen van beroep te verkorten. Hiermee wordt beoogd de doorstroom in de asielketen te bevorderen. De regering acht het niet waarschijnlijk dat een kortere termijn voor het instellen van beroep tot meer beroepen gaat leiden. Ook onder de huidige regels voor termijnen voor het instellen van beroep gaat een groot aantal vreemdelingen in beroep tegen de beschikking op de asielaanvraag. De mate van kans van slagen van het beroep lijkt daarbij slechts een beperkte rol te spelen.
Vraag 437
Zijn de ICT-systemen van de verschillende betrokken organisaties nu toegerust op de nieuwe systematiek?
De invoering van het Asiel- en migratiepact vereist zowel een aantal noodzakelijke wijzigingen van ICT-systemen van de organisaties in de migratieketen, als wijzigingen die zorgen voor de samenwerking met Europese systemen. De organisaties in de keten hebben in beeld welke wijzigingen doorgevoerd moeten worden voor hun organisatie en werken daaraan. De werkzaamheden met betrekking tot de Europese systemen verlopen volgens Europese planning. Deze planning staat los van het Asiel- en migratiepact, met uitzondering van Eurodac. De ontwikkelingen met betrekking tot Eurodac liggen op schema en de dagelijkse werkzaamheden waarvoor het system gebruikt wordt kunnen doorgang vinden.
Vraag 438
Wat beschouwt de regering als de belangrijkste risico’s voor de uitvoering en hoe staat het met het mitigeren daarvan? In hoeverre vindt de regering dat de randvoorwaarden voor effectieve uitvoering van het Pact nu aanwezig zijn?
De regering werkt er hard aan en heeft er ook vertrouwen in dat de uitvoering van het Pact in Nederland op 12 juni op orde is (al moet er altijd rekening worden gehouden met onverwachte kinderziektes). De regering ziet risico’s in die factoren waarover zij minder of geen invloed heeft, maar die wel belangrijk zijn voor het succes van het Pact. Uw Kamer heeft recentelijk een rondetafelgesprek gehad met enkele asielketenpartners waarbij de belangrijkste aandachtspunten voor de komende tijd aan bod kwamen. De grootste aanpassing zit in de asielprocedure. Dit is een belangrijke stap naar snellere doorstroom en het terugdringen van de voorraden van de IND. Tegelijkertijd heeft het kabinet er oog voor dat de voorraden en de druk op de opvangcapaciteit niet enkel met implementatie van het Pact per 12 juni opgelost zijn. Hiervoor zet het kabinet tevens in op andere maatregelen.
Vraag 439
De leden van de SGP-fractie lezen dat Nederland kan gaan werken met een eigen lijst van veilige landen van herkomst. Hierover moest besluitvorming nog plaatsvinden. Welke voornemens heeft de regering op dit punt?
Uw Kamer is hierover geïnformeerd in reactie op de vragen en opmerkingen van de vaste commissie voor Asiel en Migratie over de brief van 15 januari 2026 inzake de Geannoteerde agenda van de informele JBZ-Raad, en over de brief van 3 december 2025 inzake Antwoorden op vragen commissie over o.a. de geannoteerde agenda van de formele JBZ-Raad. Daarin werd aan uw Kamer gemeld dat het onderhandelingsresultaat lidstaten de mogelijkheid biedt om een aanvullende nationale lijst van veilige landen van herkomst te hanteren, naast de landen op de EU-lijst, maar dat het zeer de vraag is of het hanteren van een nationale lijst opportuun is. Dit komt doordat naast het bestaan van de Europese lijst van veilige landen van herkomst, er met de invoering van het Pact een verplichting is om personen uit herkomstlanden met een gemiddeld Europees inwilligingspercentage van minder dan 20% versneld af te doen. Het ligt voor de hand dat landen die kunnen worden aangemerkt als veilig veelal ook een laag gemiddeld inwilligingspercentage kennen. Die combinatie maakt dat het daar bovenop hanteren van een nationale lijst geen of beperkte toegevoegde waarde zal kunnen hebben. Daarbij is tevens van belang dat de ervaring leert dat het niet (langer) aanmerken van een derde land als veilig land van herkomst in het kader van een nationale lijst bij dat herkomstland kan stuiten op onbegrip en negatieve gevolgen kan hebben voor de bilaterale (terugkeer-) samenwerking. Om die reden kiest het kabinet ervoor initieel geen nationale lijst te hanteren, maar wel steeds te monitoren of er situaties zijn of ontstaan waarvoor het hanteren van zo’n nationale lijst een meerwaarde heeft.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel I Vreemdelingenwet 2000
Onderdeel F [artikel 6 grensdetentie]
Vraag 440
De leden van de CDA-fractie lezen dat artikel 6 voorziet in grensdetentie in het kader van de asielgrensprocedure. Deze leden vragen de regering hoe wordt geborgd dat deze vorm van detentie proportioneel wordt toegepast en niet langer duurt dan strikt noodzakelijk.
Grensbewaring kan volgen in zaken waarin het asielverzoek in de asielgrensprocedure moet worden behandeld (in de gevallen dat de vreemdeling een nationaliteit heeft waarvan het EU-brede inwilligingspercentage lager dan 20% is, de vreemdeling de overheid misleidt of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid). In overige gevallen kan de asielgrensprocedure worden toegepast. Het opleggen van grensbewaring is -zoals nu ook het geval is - een maatregel gebaseerd op een individuele beoordeling. Daarbij wordt altijd geverifieerd of de vreemdeling in bewaring kan worden geplaatst en of bewaring proportioneel is. Indien dat niet het geval is, krijgt de asielzoeker alsnog toegang. De regering is het ermee eens dat de termijnen van vrijheidsontneming zo kort mogelijk dienen te zijn. Vertaald naar de termijn van grensbewaring in het kader van de verplichte asielgrensprocedure betekent dit dat bewaring ten hoogste 12 weken kan duren vanaf het tijdstip waarop de asielaanvraag wordt geregistreerd totdat de aanvrager niet langer het recht heeft om te blijven en geen toestemming krijgt om te blijven.
Onderdeel AM [artikel 44a rechtsgevolgen overdrachtsbesluit]
Vraag 441
De leden van de CDA-fractie lezen dat artikel 44a rechtsgevolgen verbindt aan het overdrachtsbesluit. Deze leden vragen de regering toe te lichten hoe wordt voorkomen dat betrokkenen tussen wal en schip raken indien overdracht feitelijk niet plaatsvindt.
Ingevolge de Asiel- en migratiebeheerverordening dient de overdracht, in beginsel, binnen zes maanden te zijn gerealiseerd. Het overschrijden van die termijn heeft tot gevolg dat de overdracht niet meer mag worden doorgezet en de lidstaat waar de asielzoeker verblijft zelf, van rechtswege, verantwoordelijk wordt voor het inhoudelijk behandelen van het asielverzoek. Op dat moment ontstaat er ook weer een recht op de volledige opvangvoorzieningen. Daarmee is een situatie voorkomen dat de asielzoeker tussen wal en schip zou geraken.
Onderdeel AL
Vraag 442
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom de regering ervoor heeft gekozen om artikel 44 lid 2 zo te wijzigen dat de verblijfsvergunning ingaat op de datum van de beschikking in plaats van op de datum van ontvangen van de aanvraag. Deze leden lezen de redenatie van de regering in de memorie van toelichting, maar vragen aandacht voor de gevolgen voor de vreemdeling als het gaat om de voorwaarden die worden gesteld aan bijvoorbeeld gezinshereniging. Hoe reflecteert de regering op deze consequenties?
Zoals in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is toegelicht, vormt de huidige regeling ten aanzien van de ingangsdatum een uitzondering op de situatie in de meeste lidstaten. Door de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel vast te stellen op de dag na de bekendmaking van de beschikking, wordt een gunstigere nationale norm afgeschaft en aangesloten bij het minimale Unierechtelijke vereiste. Het kabinet heeft de samenloop met de voorwaarden die zullen worden gesteld aan gezinshereniging van personen met een subsidiaire beschermingsstatus onder ogen gezien en besloten het EU minimum aan te houden. Een ingangsdatum in het verleden zou het nuttig effect van de invoering van een wachttermijn van twee jaar ondergraven.
Vraag 443
Klopt het bovendien dat de voorgestelde wijziging niet volgt uit de asielprocedurerichtlijn maar een nationale keuze is?
Ja, dat klopt.
Onderdeel AT [nieuw artikel 55.0a toewijzing aan geografisch gebied]
Vraag 444
De leden van de CDA-fractie lezen dat met artikel 55.0a een bevoegdheid wordt geïntroduceerd tot toewijzing aan een geografisch gebied. Deze leden vragen de regering hoe wordt gewaarborgd dat deze maatregel niet feitelijk neerkomt op vrijheidsontneming zonder de daarbij behorende waarborgen.
De regering verwijst naar haar antwoord op de gelijksoortige vraag 29.
Overig
Vraag 445
De leden van de PVV-fractie hebben vernomen dat slechts de helft van de EU-lidstaten tot nu toe een verplichte grensprocedure heeft. Hoever zijn de andere lidstaten met het implementeren van het Pact? Zijn met name de capaciteit van de detentieplekken en de screeningsfaciliteiten al op orde in de landen aan de buitengrens?
De Commissie monitort de implementatie nauw in de voortgangsrapportage over de implementatie van het Pact gepubliceerd op 11 november jl. Daarin geeft de Commissie geen aanleiding om aan te nemen dat er lidstaten vertraging oplopen met de implementatie van de asielgrensprocedure en screening. Nederland blijft er bij de Commissie op aandringen de implementatie van het Pact goed te monitoren en waar nodig mitigerende maatregelen te nemen
Vraag 446
De leden van de PVV-fractie vragen hoeveel kilometer van de buitengrenzen niet wordt omheind met hekken en asielzoekers dus met gemak het Europese grondgebied kunnen betreden.
Het kabinet heeft geen precies beeld van hoeveel kilometer hekken er aan de Europese buitengrens staan. Het bouwen van een buitengrenshek is een nationale maatregel. Verschillende lidstaten waaronder Griekenland hebben ervoor gekozen om op gerichte plekken, zoals bij de grensovergang met Turkije, een hek te plaatsen.
Vraag 447
De leden van de PVV-fractie vragen wanneer zij de uiteindelijke bijdragen van de lidstaten kunnen verwachten, aangezien de vorige minister van Asiel en Migratie aangaf dat er mogelijk een korting zou volgen voor de financiële bijdrage naar aanleiding van de deal met Griekenland.
Het kabinet is nog in gesprek met de Europese Commissie over een mogelijke vermindering van de financiële bijdrage. Dit moet voor 12 juni helder zijn.
De Minister van Asiel en Migratie,
G. van den Brink
Vóór 2022 werd de reden van intrekking niet op gestructureerde wijze geregistreerd.↩︎
NOS, 11 februari 2026, IND neemt maatregelen voor kortere asielprocedure, twijfels over effectiviteit (https://nos.nl/nieuwsuur/artikel/2601946-ind-neemt-maatregelen-voor-kortere-asielprocedure-twijfels-over-effectiviteit).↩︎