[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [šŸ§‘mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [šŸ” uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. de geannoteerde agenda voor de Raad Buitenlandse Zaken van 16 maart 2026 en verslag Raad Buitenlandse Zaken van 1 maart 2026 (Kamerstuk 21501-02-3355)

Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken

Verslag van een schriftelijk overleg

Nummer: 2026D11548, datum: 2026-03-12, bijgewerkt: 2026-03-13 10:57, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 21501 02-3361 Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken .

Onderdeel van zaak 2026Z05078:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (šŸ”— origineel)


21501 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld, … 2026

Nr. xxx

Binnen de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken hebben de onderstaande fracties de behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen aan de minister van Buitenlandse Zaken over de Geannoteerde agenda voor de Raad Buitenlandse Zaken van 16 maart 2026 en verslag Raad Buitenlandse Zaken van 1 maart 2026 (Kamerstuk 21501-02, Nr. 3355), het Verslag Raad Buitenlandse Zaken van 23 februari 2026 (Kamerstuk 21501-02, Nr. 3354) en het Verslag van de 24e zitting van de Vergadering van verdragspartijen bij het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (Kamerstuk 28498, Nr. 59).

De op 10 maart 2026 aan de minister toegezonden vragen en opmerkingen zijn met de door de minister bij brief van … toegezonden antwoorden hieronder afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Klaver

De griffier van de commissie,

AB Coco Martin

Inhoudsopgave

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie


II Antwoord / Reactie van de minister

III Volledige agenda

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

Russische agressie tegen OekraĆÆne

Financiƫle Steun

De leden van de D66-fractie verwelkomen het besluit van de EU (Europese Unie) om 90 miljard euro aan financiële steun vrij te maken voor Oekraïne. Deze middelen zijn essentieel om de Oekraïense overheid draaiende te houden, burgers van basisvoorzieningen te voorzien en de strijdkrachten in staat te stellen zich te blijven verdedigen tegen de Russische agressie. Tegelijkertijd constateren deze leden met zorg dat Hongarije de besluitvorming hierover blijft blokkeren. Hongarije torpedeert hiermee op onacceptabele wijze doelbewust de Europese eenheid en geloofwaardigheid en ondermijnt daarmee de steun aan de moedige strijd van Oekraïne tegen Rusland, evenals de veiligheid op het Europese continent. Deze leden vragen de minister hoe hij deze impasse wil doorbreken. Welke inzet pleegt de minister, zowel bilateraal richting Hongarije als binnen de EU, om deze blokkade zo snel mogelijk te beëindigen?

  1. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet acht het onacceptabel en onverantwoord dat Hongarije regelmatig belangrijke steun aan OekraĆÆne blokkeert of dreigt te blokkeren. In gezelschap van een brede groep lidstaten zet het kabinet zich in voor onverminderde EU steun voor OekraĆÆne. Het kabinet roept op tot een spoedig akkoord op de steunlening. Hierbij steunt het kabinet de inzet van de voorzitters van de Europese Raad en de Europese Commissie, die op dit moment in gesprek zijn met Hongarije, Slowakije en OekraĆÆne. Hierbij stelt het kabinet zich constructief op en bekijkt het hoe deze inzet zo goed mogelijk te ondersteunen. Zowel tijdens de eerste bezoeken van dit kabinet aan OekraĆÆne, als in EU verband, is dit onderstreept.

  1. Antwoord van het kabinet:

Voor het verstrekken van een lening aan Oekraïne op basis van een headroomgarantie is een aanpassing nodig van de MFK-verordening, waarover de Raad met unanimiteit besluit. Nederland spant zich in, samen met andere lidstaten en de EU-instellingen, voor een zo spoedig mogelijk akkoord op de steunlening om Oekraïne tijdig van de cruciale financiële steun te voorzien. Alternatieve financieringsconstructies, bijvoorbeeld in de vorm van bilaterale garanties, kosten meer tijd en geven minder zekerheid op een eerlijke lastenverdeling onder deelnemende lidstaten. Dit heeft gezien de urgente noden van Oekraïne op dit moment niet de voorkeur van het kabinet.

Steun Luchtafweer

De leden van de D66-fractie constateren dat de escalatie in het Midden-Oosten en de aanhoudende Iraanse aanvallen op buurlanden leiden tot snel slinkende voorraden luchtverdedigingsmunitie. Dit zal naar verwachting leiden tot een grotere vraag naar anti-raketverdediging en daarmee tot verdere druk op de toch al beperkte leveringen van luchtverdedigingssystemen en -munitie aan OekraĆÆne. Deelt de minister deze analyse?

  1. Antwoord van het kabinet:

President Zelensky heeft zijn zorgen uitgesproken over het feit dat het conflict in het Midden-Oosten zou kunnen leiden tot meer druk op schaarse luchtverdedigingsmiddelen. Het kabinet deelt de analyse dat de escalatie in het Midden-Oosten kan leiden tot een nog grotere vraag naar luchtverdedigingsmiddelen. De situatie onderstreept het belang van een gelaagd luchtverdedigingssysteem en diversificatie van luchtverdedigingsmiddelen, om afhankelijkheden van schaarse geavanceerde munitie zoveel mogelijk te beperken. OekraĆÆne heeft zich de afgelopen jaren ontwikkeld tot een koploper in innovatie op gebied van drone-interceptors. Nederland steunt OekraĆÆne in het verder ontwikkelen van dit soort systemen, het opschalen van productiefaciliteiten en het delen van deze drone-expertise. Daarnaast blijft het kabinet internationale partners oproepen om de leveringen van luchtverdedigingssystemen en -munitie aan OekraĆÆne door te zetten.

De Europese defensiecommissaris (de heer Kubilius) waarschuwde recent voor deze ontwikkeling en riep, in antwoord daarop, op tot een snelle opschaling van de Europese productiecapaciteit voor luchtverdedigingsraketten. Onderschrijft de minister deze oproep? Welke mogelijkheden ziet de minister om op korte termijn op Europees niveau een impuls te geven aan de productiecapaciteit voor luchtverdedigingssystemen en bijbehorende munitie? Is de minister bereid hier in de komende Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) expliciet toe op te roepen en daarbij ook te verkennen hoe Nederland concreet kan bijdragen aan het versneld versterken van de Europese productiecapaciteit?

  1. Antwoord van het kabinet:

Een tekort aan luchtverdedigingsraketten is geen nieuw fenomeen en de EU-lidstaten trachten al sinds het uitbreken van de oorlog in Oekraïne de productiecapaciteit hiervan op te schalen. De EU speelt hierin een ondersteunende rol via coördinatie, regelgeving en financiering. Het kabinet onderschrijft het belang van opschaling van deze productiecapaciteit. Nederland draagt hier onder andere aan bij door deelname aan het opzetten van een productielijn voor Patriot-raketten in Duitsland. Het ministerie van Defensie kijkt doorlopend naar aanvullende mogelijkheden om productie van dit soort raketten op te schalen.

Schaduwvloot en 20e sanctiepakket

Tot slot merken de leden van de D66-fractie op dat Belgiƫ, met steun van Frankrijk, vorige week een tanker uit de Russische schaduwvloot heeft aangehouden. De Nederlandse minister heeft aangegeven bezig te zijn met het opstellen van aanvullende nationale maatregelen om ook over te kunnen gaan tot het juridisch houdbaar aanhouden van gesanctioneerde schaduwschepen, bijvoorbeeld wanneer zij onder valse vlag varen. Deze leden vragen of Belgiƫ reeds over dergelijke aanvullende nationale wetgeving beschikte op het moment van deze actie, of dat deze aanhouding heeft plaatsgevonden op basis van het internationale zeerecht en het eerdere statement van de Council of the European Union. Kan de minister toelichten op welke juridische grondslag deze actie heeft plaatsgevonden? En wat betekent dit voor de vraag of aanvullende nationale wetgeving in Nederland daadwerkelijk noodzakelijk is om vergelijkbare maatregelen te kunnen nemen?

  1. Antwoord van het kabinet:

De juridische grondslag die Belgiƫ in staat stelde te handelen is UNCLOS artikel 110 d. waarin boarding is toegestaan wanneer het schip niet over een nationaliteit beschikt. Ook beschikt Belgiƫ over nationale wetgeving op basis waarvan hun Openbaar Ministerie vervolgstappen kan ondernemen overeenkomstig het Belgisch nationaal recht. We verwijzen uw Kamer naar de Kamerbrief van 28 januari 20261 waarbij het kabinet is ingegaan op de beschikbare handelingsopties en het onderscheid dat het internationaal recht maakt tussen schepen met een IMO (International Maritime Organization) erkende vlag en schepen met een valse vlag. Daar is ook aangegeven dat er met spoed gewerkt wordt aan het versterken en robuuster maken van de Nederlandse wetgeving die gebruikt kan worden om schepen aan te houden, waaronder het systematisch kunnen inspecteren van schepen met een valse vlag. De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat en Justitie en Veiligheid werken hard aan deze wetgeving.

Dit betekent overigens niet dat in Nederland geen handelingsopties beschikbaar zijn in specifieke gevallen zonder aanvullende nationale wetgeving.

Deze leden spreken daarnaast hun steun uit voor het aangekondigde nieuwe sanctiepakket van de EU, waaronder de voorgenomen Ban on Maritime Services gericht op de Russische schaduwvloot. Deze leden sporen de minister aan zich in Brussel actief in te zetten om dit pakket zo spoedig mogelijk tot stand te brengen en in werking te laten treden.

Situatie Midden-Oosten

Libanon

De leden van de D66-fractie maken zich grote zorgen over de snel verslechterende humanitaire en veiligheidssituatie in Libanon. Grootschalige bombardementen en evacuatiebevelen hebben geleid tot massale ontheemding, waarbij mogelijk honderdduizenden mensen hun huizen hebben moeten verlaten. Kan de minister een actuele inschatting geven van de omvang van deze ontheemding en in hoeverre verwacht de minister dat deze aantallen verder zullen toenemen?

  1. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet maakt zich ernstige zorgen over de ontwikkelingen in Libanon. Op het moment van schrijven zijn er volgens UNHCR circa 700.000 mensen ontheemd geraakt sinds de geweldsescalatie van afgelopen week. Volgens UNHCR komen er dagelijks meer ontheemden bij. De opvang van ontheemden in openbare gebouwen, zoals scholen, schiet al ernstig tekort. Bij aanhoudende gevechten zal de nood alleen maar toenemen.

Hoe beoordeelt de minister de Israƫlische evacuatiebevelen en bombardementen in Libanon in het licht van het internationaal humanitair recht?

  1. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet maakt zich zorgen over de geweldsescalatie en de grootschalige ontheemding. Bij het uitvoeren van militaire operaties moet er voortdurend voor worden gewaakt, dat de burgerbevolking, burgers en burgerobjecten worden ontzien. Burgers of burgerobjecten mogen nooit het doelwit zijn van militaire operaties, ook niet in gebieden waar een oproep of bevel tot evacuatie voor is gegeven. Daarnaast verplicht het humanitair oorlogsrecht tot het nemen van voorzorgsmaatregelen om burgerslachtoffers en schade aan burgerobjecten te voorkomen of te minimaliseren. Daaronder valt ook het vooraf waarschuwen voor aanvallen die ook de burgerbevolking zouden kunnen treffen.

Welke humanitaire hulp is momenteel beschikbaar voor intern ontheemden en hoe kunnen Nederland en de EU bijdragen aan ondersteuning?

  1. Antwoord van het kabinet:

De humanitaire noden in Libanon nemen toe terwijl de humanitaire respons onder druk staat. Hulporganisaties hebben zich uit delen van het land moeten terugtrekken vanwege de veiligheidssituatie.

Nederland steunt VN-organisaties en fondsen die in Libanon actief zijn, zoals UNICEF, UNHCR, UNRWA, WFP, het VN Noodhulpfonds (CERF), evenals de Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging en de ngo-partners van de Dutch Relief Alliance. Nederland geeft ieder jaar meerjarige, flexibel inzetbare financiering aan deze organisaties en fondsen. Dit stelt ze in staat om wendbaar te blijven, en om in te spelen op snel veranderende noden.

Verschillende humanitaire partners van Nederland zijn reeds hulpoperaties gestart of hebben deze opgeschaald met behulp van deze Nederlandse financiering. Zo heeft het Nederlandse Rode Kruis EUR 500.000 vrijgemaakt uit het partnerschap met het ministerie van Buitenlandse Zaken. Met dit bedrag wordt de response van het Libanese Rode Kruis ondersteund. De Dutch Relief Alliance, het consortium van Nederlandse noodhulp-ngo’s, kondigde eveneens een hulpproject in Libanon aan waar EUR 3 miljoen aan Nederlandse middelen voor zullen worden ingezet.

Op 9 maart jl. kondigde de Europese Commissie bovendien aan dat additionele financiering vanuit de Emergency Aid Reserve vrijgemaakt zal worden voor humanitaire hulpverlening, waaronder EUR 28,5 miljoen voor Libanon.

Daarnaast vragen deze leden hoe de minister de militaire ontwikkelingen in Zuid-Libanon beoordeelt, waaronder berichten over Israƫlische troepenopbouw en aanwezigheid ten zuiden van de Litani River. Acht de minister het risico op verdere escalatie, waaronder een mogelijk grondoffensief, reƫel? Is de minister het met deze leden eens dat een dergelijk offensief desastreuze gevolgen zou kunnen hebben, en ziet hij mogelijkheden om in Europees verband diplomatieke druk uit te oefenen om een dergelijke escalatie te voorkomen?

  1. Antwoord van het kabinet:

Zoals bekend in uw Kamer heeft het kabinet begrip voor de veiligheidszorgen van Israƫl. Israƫl bevindt zich in een omgeving waar veel actoren, waaronder Hezbollah, een directe bedreiging vormen voor de veiligheid. Onder het internationaal recht heeft Israƫl het recht op noodzakelijke en proportionele zelfverdediging tegen gewapende aanvallen door niet-statelijke gewapende groepen zoals Hezbollah. Het kabinet roept alle partijen op zich aan het internationaal recht te houden.

Het kabinet benadrukt dat een diplomatieke oplossing de enige duurzame oplossing is. Het kabinet roept alle partijen op om terug te keren naar gesprekken over het staakt-het-vuren. Ter uitvoering van motie Piri (Kamerstuk 32623, nr. 369) roept Nederland op tot de-escalatie en brengt deze boodschappen onverkort over aan alle partijen, inclusief in EU-verband. Het is belangrijk dat de Libanese regering zich heeft uitgesproken tegen de aanvallen van Hezbollah en verdere militaire activiteiten van Hezbollah als illegaal heeft verklaard. Hezbollah moet onmiddellijk de aanvallen staken en ontwapenen.

Deze leden hebben voorts kennisgenomen van de oproep van de Libanese president Joseph Aoun aan de EU om directe gesprekken met Israƫl te ondersteunen, gericht op een staakt-het-vuren en versterking van de rol van de Lebanese Armed Forces bij het herstellen van staatsgezag en het ontwapenen van Hezbollah. Hoe beoordeelt de minister deze oproep en is hij bereid dit tijdens de komende Raad Buitenlandse Zaken aan de orde te stellen?

  1. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet steunt de oproep van de Libanese president Aoun. Ter uitvoering van motie Piri (Kamerstuk 32623, nr. 369) roept Nederland op tot de-escalatie en brengt deze boodschappen onverkort over aan alle partijen, inclusief in EU-verband.

Het is belangrijk dat de Libanese regering zich heeft uitgesproken tegen de aanvallen van Hezbollah en verdere militaire activiteiten van Hezbollah verbiedt. Nederland is een partner van de Lebanese Armed Forces (LAF) en draagt jaarlijks bij aan versterking van de LAF via verschillende sporen. Vanwege de noden van de LAF heeft deze steun in 2025 een impuls gekregen met ca. EUR 7,5 miljoen additionele financiering gericht op ontmijning, grensmanagement, tactical operations and intelligence centers en trainingscentra in voornamelijk Zuid-Libanon. Ook in Europees verband wordt de LAF met EUR 100 miljoen gesteund via de Europese Vredesfaciliteit.

Palestijnse Gebieden

De leden van de D66-fractie maken zich ernstige zorgen over de situatie in de Palestijnse gebieden. Deze leden wijzen in het bijzonder op recente aankondigingen en beleidsontwikkelingen die wijzen op verdere stappen richting annexatie van de Westelijke Jordaanoever. De minister en zijn voorgangers hebben in de afgelopen jaren meermaals hun zorgen uitgesproken over de voortgaande annexatie van land en de uitbreiding van Israƫlische nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever. Desondanks constateren deze leden dat Israƫlische wetgeving en beleidsmaatregelen de uitbreiding en legalisering van nederzettingen verder lijken te faciliteren en daarmee de facto annexatie mogelijk onomkeerbaar maken.

De leden van de D66-fractie vragen de minister welke concrete resultaten de Nederlandse en Europese inzet tot dusver heeft opgeleverd om deze ontwikkelingen tegen te gaan. In hoeverre ziet de minister aanwijzingen dat diplomatieke druk vanuit Nederland en de EU daadwerkelijk bijdraagt aan het afremmen van verdere stappen richting annexatie?

  1. Antwoord van het kabinet:

Nederland veroordeelt de besluiten waarmee het Israƫlische kabinet zijn controle over de bezette Westelijke Jordaanoever verder wil uitbreiden. Deze besluiten zijn onacceptabel en gaan in tegen het internationaal recht. Het is dan ook zaak dat de besluiten worden teruggedraaid. Nederland heeft zich hierover publiekelijk uitgesproken, onder andere op 17 februari jl. in New York in een breed gezelschap van 80 VN-landen. Daarnaast is deze boodschap bilateraal, op politiek niveau, aan Israƫl overgebracht. Ook volgt Nederland de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof, waarin is bepaald dat de bezetting onrechtmatig is. Nederland ziet dat uitspreken alleen onvoldoende effect sorteert. Om deze reden heeft Nederland, bij uitblijven van EU-sancties, in augustus 2025 de Israƫlische ministers Smotrich en Ben-Gvir tot persona non grata verklaard en hen als ongewenste vreemdelingen geregistreerd in het Schengen Informatie Systeem. Dit omdat zij uit hoofde van hun functie als bewindspersoon herhaaldelijk geweld door kolonisten tegen de Palestijnse bevolking hebben aangewakkerd, zij voortdurend de uitbreiding van illegale nederzettingen bepleiten en oproepen tot etnische zuivering in de Gazastrook. Daarnaast heeft Nederland in juli jl. besloten om over te gaan tot het actiever uitdragen van het ontmoedigingsbeleid. Tevens blijft Nederland werken aan nationale maatregelen om producten uit onrechtmatige nederzettingen te weren. In het kader van de recente Israƫlische besluiten heeft Nederland tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 23 februari benadrukt dat o.a. de ontwikkelingen op de Westelijke Jordaanoever het nodig kunnen maken om de voorgestelde EU-maatregelen in het kader van artikel 2 opnieuw te agenderen.

Voorts vragen deze leden of de minister mogelijkheden ziet om de politieke druk in internationaal verband te vergroten, bijvoorbeeld binnen de EU of via andere multilaterale fora. Is de minister bereid recente wetgeving en verdere stappen richting annexatie expliciet aan de orde te stellen tijdens de komende Raad Buitenlandse Zaken?

  1. Antwoord van het kabinet:

Nederland zal tijdens de aanstaande Raad Buitenlandse Zaken wederom aandacht vragen voor de verslechterende situatie op de Westelijke Jordaanoever.

De leden van de D66-fractie hebben met grote zorg kennisgenomen van de actuele situatie rondom de grensovergangen naar Gaza, zoals Rafah Border Crossing. Deze leden constateren dat de grensovergang Rafah momenteel gesloten is, waardoor cruciale medische evacuaties via deze route stilliggen. Deze leden vragen de minister zich, zowel bilateraal als in EU-verband, te blijven inzetten voor de volledige opening van deze cruciale grensovergang.

  1. Antwoord van het kabinet:

Op 28 februari jl. heeft Israël aangekondigd alle grensovergangen met Gaza te sluiten. Op 3 maart jl. werd de Kerem Shalom grensovergang gedeeltelijk heropend. De toevoer van goederen ligt hiermee aanzienlijk lager dan vóór het gewapend conflict in Iran, terwijl de noden reeds hoog waren. Ook de grensovergang met Rafah is nog steeds gesloten.

Nederland onderstreept consistent dat alle grensovergangen naar Gaza open moeten voor ongehinderde, grootschalige humanitaire hulp. Nederland roept Israƫl eveneens op de aanhoudende belemmeringen bij grensovergangen te verhelpen, waaronder beperkingen op in- en uitreismogelijkheden voor humanitair personeel en de restricties op invoer van essentiƫle humanitaire goederen die Israƫl als dual use bestempelt. Nederland zal hier bilateraal, evenals in EU-verband, aandacht voor blijven vragen.

Deze leden constateren bovendien dat de voortgang van het humanitaire werk van cruciale ngo’s in Gaza nog steeds in het geding is, ook nu het IsraĆ«li Supreme Court de verbanning van deze organisaties uit het gebied voorlopig heeft uitgesteld. Welke stappen onderneemt de minister, zowel in bilateraal als in Europees verband, om IsraĆ«l ervan te weerhouden deze organisaties daadwerkelijk – op basis van zeer arbitraire voorwaarden – de toegang tot Gaza te ontzeggen?

  1. Antwoord van het kabinet:

Het besluit van IsraĆ«l om verschillende internationale ngo’s te weren is zorgwekkend en zal negatieve consequenties hebben voor de hulpverlening in de bezette Palestijnse Gebieden. Een deel van de hulporganisaties die door de maatregel worden geraakt hebben een rechtszaak tegen de IsraĆ«lische autoriteiten aangespannen inzake de herregistratieplicht. Het IsraĆ«lische constitutioneel hof zal hier op 23 maart een uitspraak over doen.

Het kabinet steunt de Nederlandse ngo’s onvoorwaardelijk, en staat in voortdurend contact met deze professionele organisaties om de ontwikkelingen nauwlettend te volgen. Nederland heeft de zorgen over de IsraĆ«lische herregistratieplicht in de afgelopen maanden veelvuldig, en op alle niveaus, aan de IsraĆ«lische autoriteiten kenbaar gemaakt. Nederland roept IsraĆ«l daarbij op het besluit terug te draaien om verschillende Nederlandse hulporganisaties de toegang tot de Palestijnse Gebieden te ontzeggen. Nederland neemt de IsraĆ«lische veiligheidszorgen serieus, maar ziet de herregistratieplicht zoals IsraĆ«l die nu toepast niet als de juiste weg voorwaarts.

Zoals verzocht in motie Dijk (Kamerstuk 36 715, nr. 16), zal Nederland zich in EU-verband blijven inzetten voor vrije, veilige humanitaire toegang in de Palestijnse Gebieden, zoals het in afgelopen maanden heeft gedaan. Tijdens de Raad van Buitenlandse Zaken zal Nederland aandacht vragen voor de nijpende humanitaire situatie, o.a. door de herregistratieplicht voor internationale ngo’s en de toegangsbeperkingen.

Zoals bekend in uw Kamer heeft Nederland tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 23 februari jl. benadrukt dat de ontwikkelingen in de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever het nodig kunnen maken om de voorgestelde EU-maatregelen in het kader van artikel 2 opnieuw te agenderen.

De leden van de D66-fractie vragen de minister tevens te reflecteren op het succes van eerdere diplomatieke inspanningen om humanitaire toegang te waarborgen en vragen welke ruimte de minister ziet om de politieke druk op de Israƫlische regering verder te verhogen indien hij ervoor kiest dit beleid voort te zetten.

  1. Antwoord van het kabinet:

Zie beantwoording van vraag 13. Nederland heeft zich in afgelopen jaren diplomatiek ingespannen om humanitaire toegang te verbeteren en zal dat blijven doen. In sommige gevallen is deze inzet succesvol geweest, en in veel andere gevallen is dat moeilijk vast te stellen. Het is duidelijk dat de humanitaire situatie en toegang in de Gazastrook, ondanks alle diplomatieke inzet, nog steeds ernstig ondermaats zijn.

Tot slot vragen deze leden de minister deze kwestie wederom expliciet aan de orde te stellen tijdens de komende Raad Buitenlandse Zaken. Daarnaast maken deze leden zich blijvende zorgen over Palestijnse representatie in het vredesproces en het toekomstige bestuur van Gaza. Deze leden verzoeken om een nadere toelichting op de specifieke acties die Nederland en de EU ondernemen om de bestuurlijke capaciteit en politieke vertegenwoordiging van de Palestijnen te ondersteunen en te versterken.

  1. Antwoord van het kabinet:

Voor Nederland is Palestijnse betrokkenheid in het toekomstig bestuur van Gaza essentieel. Deze boodschap draagt Nederland naar alle partners uit. De oprichting van de National Committee for the Administration of Gaza als technocratisch orgaan onder de Board of Peace is daarmee een stap in de juiste richting, evenals het recent aangekondigde liaison-kantoor tussen de Board of Peace en de Palestijnse Autoriteit. Tegelijkertijd steunen Nederland en de EU de Palestijnse Autoriteit, met als doel diens capaciteiten te versterken om toe te werken naar het bestuur van een onafhankelijke Palestijnse staat. De Nederlandse inzet richt zich met name op veiligheid en rechtsorde, water en voedselzekerheid, en private sectorontwikkeling. De EU ondersteunt de Palestijnse Autoriteit daarnaast ook middels directe begrotingssteun, waar afspraken over hervormingen aan ten grondslag liggen.

Syriƫ

De leden van de D66-fractie maken zich daarnaast zorgen over recente berichten over geweld door regeringstroepen in Koerdische gebieden in Syriƫ. Tegelijkertijd constateren deze leden dat er recent een akkoord is bereikt tussen Damascus en Koerdische vertegenwoordigers, dat mogelijk kan bijdragen aan de-escalatie in het noordoosten van het land. Hoe beoordeelt de minister de huidige stand van zaken?

  1. Antwoord van het kabinet:

Op 30 januari jl. kwamen de Syrische overgangsregering en de Syrian Democratic Forces (SDF), na meerdere weken van gevechten, een permanent staakt-het-vuren overeen. Onderdeel van deze overeenkomst is ook de integratie van de SDF, en de gebieden in het noordoosten, in de Syrische staat. Sindsdien lijkt sprake van geleidelijke implementatie van de overeenkomst. Zo zijn er stappen gezet rond de overdracht van het civiele bestuur en lokale administratieve functies van de SDF naar de Syrische overgangsregering, wordt een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor ordehandhaving gecreƫerd, en worden Koerdisch taalonderwijs en curricula in het onderwijs opgenomen.

Het kabinet verwelkomt de overeenkomst tussen de Syrische overgangsregering en de SDF, en de geleidelijke implementatie hiervan. Tegelijkertijd blijft de situatie kwetsbaar, zijn er uitdagingen met betrekking tot humanitaire hulpverlening, en dient gewerkt te worden aan het herstel van vertrouwen.

Welke mogelijkheden ziet de minister voor Nederland en de EU om diplomatiek bij te dragen aan het waarborgen van de rechten en veiligheid van minderheden, waaronder Koerdische gemeenschappen, terwijl tegelijkertijd de territoriale integriteit van Syriƫ wordt gerespecteerd?

  1. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet zet zich zowel bilateraal als in multilateraal verband, inclusief de EU, in voor de bescherming van de rechten en veiligheid van alle gemeenschappen in Syriƫ, waaronder de Koerden. Dit gebeurt onder meer via contacten met de Syrische overgangsautoriteiten, door steun aan internationale mechanismen die mensenrechtenschendingen monitoren en onderzoeken, en via gerichte inzet van het EU-sanctie-instrumentarium bij ernstige schendingen.

In contacten met de Syrische overgangsautoriteiten benadrukt het kabinet consequent het belang van een inclusieve politieke transitie waarin alle Syrische gemeenschappen worden vertegenwoordigd en hun rechten worden beschermd. In dat verband volgt het kabinet ook de ontwikkelingen rond de Syrische overgangsregering en de Syrian Democratic Forces (SDF), waaronder afspraken over integratie van bestuurlijke- en veiligheidsstructuren in Noordoost-Syriƫ binnen de Syrische staatsstructuren. Implementatie van deze afspraken, inclusief over de rechten van Koerdische gemeenschappen, zijn van belang voor duurzame stabiliteit en inclusiviteit.

Daarnaast draagt Nederland financieel bij aan internationale organisaties die zich inzetten voor de bescherming van de rechten van minderheden. Zo ontving het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Mensenrechten (OHCHR) in 2025 een Nederlandse bijdrage van EUR 1.2 miljoen.

De leden van de D66-fractie constateren dat verschillende Europese landen hun diplomatieke betrokkenheid bij Syrië de afgelopen periode hebben geïntensiveerd, onder meer door het heropenen van diplomatieke vertegenwoordigingen of het vergroten van diplomatieke aanwezigheid in Damascus. Deze leden vragen het kabinet een overzicht te geven van welke EU-lidstaten momenteel diplomatieke vertegenwoordiging in Syrië hebben en welke landen hun engagement voornamelijk via speciale gezanten of via de EU vormgeven.

  1. Antwoord van het kabinet:

Een beperkt aantal EU-lidstaten beschikt momenteel over een diplomatieke vertegenwoordiging in Damascus. Zo hebben Oostenrijk, Roemeniƫ en Tsjechiƫ hun ambassades gedurende de Syrische burgeroorlog opengehouden. Daarnaast hebben enkele lidstaten hun diplomatieke vertegenwoordiging in Damascus recent hersteld of uitgebreid, waaronder Italiƫ en Spanje. Veel andere EU-lidstaten, waaronder Nederland, hebben momenteel geen officiƫle diplomatieke vertegenwoordiging in Damascus en onderhouden hun contacten met de Syrische overgangsautoriteiten en andere actoren in Syriƫ via gezanten en/of hun ambassades in de regio, onder meer vanuit Beiroet en Amman.

Hoe beoordeelt de minister het belang van diplomatieke aanwezigheid op de grond voor het bevorderen van stabilisatie, wederopbouw en veilige terugkeer van Syriƫrs? In hoeverre ziet het kabinet ruimte om de diplomatieke bewegingsruimte van de Nederlandse Syriƫ-gezant verder te vergroten, zodat deze vaker in Syriƫ aanwezig kan zijn, Nederland een betere vinger aan de pols kan houden en beter contact kan onderhouden met de Syrische autoriteiten, ook over ontwikkelingen die ons zorgen baren?

  1. Antwoord van het kabinet:

Sinds 2012 is de Nederlandse ambassade in Damascus gesloten. De Nederlandse SyriĆ«-gezant reist, net als bijvoorbeeld collega’s uit BelgiĆ«, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk, regelmatig naar SyriĆ« om belangen ten aanzien van stabiliteit, veiligheid, wederopbouw en terugkeer te behartigen. Bij bezoeken aan Damascus, maar ook daarbuiten, wordt ook contact met de Syrische overgangsregering onderhouden. In deze contacten worden zorgen, bijvoorbeeld ten aanzien van de borging van de rechten en veiligheid van alle Syrische gemeenschappen, ook consequent gedeeld. Ten aanzien van het vergroten van de aanwezigheid in SyriĆ« onderzoekt het kabinet de mogelijkheden. Hierbij worden onder andere de Nederlandse belangen in SyriĆ«, de politieke situatie aldaar, de veiligheidssituatie, en huisvesting meegewogen. Daarbij moeten ook keuzes worden gemaakt in het kader van de taakstelling.

Daarnaast vragen de leden van de D66-fractie of de minister verwacht op korte termijn een Nederlandse minister naar Syriƫ op werkbezoek te zenden, mede in het licht van de toenemende diplomatieke activiteit van andere Europese partners. Onder welke voorwaarden acht de minister een dergelijk bezoek wenselijk?

  1. Antwoord van het kabinet:

Nederland volgt de ontwikkelingen in Syriƫ nauwgezet, ook in het licht van toenemende diplomatieke activiteiten van Europese partners. Het kabinet beziet of en wanneer een volgend ministerieel bezoek opportuun is.

De voormalig staatssecretaris van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp, Aukje de Vries, bracht op 21 oktober 2025 een werkbezoek aan Damascus, waar onder meer is gesproken over de wederopbouw van Syriƫ, het belang van een inclusieve politieke transitie, en de representatie en bescherming van alle Syrische gemeenschappen.

De leden van de D66-fractie merken op dat Nederland via verschillende programma’s actief is in SyriĆ«, onder meer op het gebied van ontmijning, humanitaire hulp, rechtsstaatontwikkeling, transitional justice, vrouwenrechten en perspectief- en migratieprogramma’s. Deze leden vragen de minister toe te lichten hoe deze inzet wordt gebruikt als diplomatiek instrument in contacten met Syrische autoriteiten en regionale partners.

  1. Antwoord van het kabinet:

Nederland zet zich in SyriĆ« via verschillende programma’s in op onder meer humanitaire hulp, ontmijning, rechtsstaatontwikkeling, transitional justice, vrouwenrechten en migratiesamenwerking. Via deze programma’s benadrukt Nederland consequent het belang van veiligheid en stabiliteit, een inclusieve politieke transitie en het tegengaan van irreguliere migratie. Samen met de EU staat het kabinet in nauw contact met de Syrische overgangsautoriteiten en Syrische partners over de noden in SyriĆ« en de wijze waarop de internationale gemeenschap kan bijdragen. Nederland levert daarbij ondersteuning vanuit specifieke expertise, bijvoorbeeld op het gebied van rechtsstaatontwikkeling. Zo heeft recent een bezoek van het Syrische National Commission for Transitional Justice (NCTJ) plaatsgevonden aan Nederland om kennis en ervaringen te delen over internationaal recht, transitional justice en slachtofferondersteuning.

Voorts vragen de leden van de D66-fractie hoe de EU haar diplomatieke contacten met regionale spelers, waaronder Turkije en de staten van de Gulf Cooperation Council, inzet om stabilisatie en wederopbouw van SyriĆ« te ondersteunen. In hoeverre verkent de minister daarbij de mogelijkheid om gebruik te maken van EU-instrumenten zoals Delegated Cooperation, zodat Nederlandse organisaties een grotere rol kunnen spelen bij de uitvoering van Europese programma’s in SyriĆ«?

  1. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet verkent doorlopend de mogelijkheden om bij te dragen aan de wederopbouw van Syriƫ. Deze verkenning doet Nederland niet alleen, maar in samenwerking met de EU. In lijn met de motie Kamminga (Kamerstuk 36 550 XVII, nr. 16) streeft Nederland er in algemene zin naar om zoveel mogelijk gebruik te maken van Delegated Cooperation en verkent deze mogelijkheid voor Syriƫ ook.

Tot slot vragen de leden naar de uitvoering van de motie -Van der Werf over steun aan lokale overheden in Syriƫ (Kamerstuk 36800 V, Nr. 47). Welke concrete stappen ziet de minister om lokale bestuursstructuren te ondersteunen, en welke resultaten denkt de minister daarmee te kunnen bereiken?

  1. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet onderschrijft het belang van het versterken van lokale bestuursstructuren in Syriƫ, zoals verzocht in de motie-Van der Werf (Kamerstuk 36 800 V, nr. 47). Het kabinet draagt hier reeds op verschillende manieren aan bij. Zo ondersteunt Nederland via het Syria Recovery Trust Fund (SRTF) projecten die bijdragen aan herstel van basisvoorzieningen, zoals water, elektriciteit, gezondheidszorg, onderwijs en voedselzekerheid. Deze inzet draagt bij aan het functioneren van lokale publieke dienstverlening en versterkt daarmee ook lokale bestuursstructuren. Daarnaast draagt Nederland bij aan het Syria Resilience Initiative (SRI), een gezamenlijk programma van internationale organisaties zoals CARE, Mercy Corps en de International Rescue Committee. Dit programma richt zich onder meer op het versterken van bestaanszekerheid, landbouw, klimaatbestendigheid en sociale cohesie binnen lokale gemeenschappen, met als doel de veerkracht van gemeenschappen te vergroten en de onderliggende oorzaken van instabiliteit te adresseren. Ook in de bredere Nederlandse inzet op veiligheid, stabiliteit en vredesopbouw wordt doorlopend gekeken naar mogelijkheden om lokale structuren en gemeenschappen in Syriƫ verder te ondersteunen. Met deze inzet beoogt het kabinet bij te dragen aan het versterken van lokale gemeenschappen en dienstverlening, het vergroten van maatschappelijke veerkracht, en het creƫren van voorwaarden voor stabiliteit en herstel in Syriƫ.

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda en het verslag van de ingelaste Raad Buitenlandse Zaken van 16 maart 2026. Zij hebben hiertoe nog de volgende vragen en opmerkingen.

De leden van de VVD-fractie benadrukken dat Poetin niet beloond mag worden voor zijn agressieoorlog en steunen de onverminderde militaire, financiële en humanitaire steun aan Oekraïne, zoals ook vastgelegd in budgettaire tabel van het regeerakkoord. Hoe staat het in dit kader met de toegezegde financiële steun vanuit de EU (EU) voor Oekraïne?

  1. Antwoord van het kabinet:

De Raad bereikte op 24 februari jl. akkoord op de Verordening over de steunlening van EUR 90 mld. voor OekraĆÆne. waarvan EUR 30 mld. is beoogd voor begrotingssteun en EUR 60 mld. voor ondersteuning van de OekraĆÆense defensiecapaciteiten. Om de lening vanuit de headroom te kunnen garanderen is aanvullend op de Verordening ook aanpassing van de MFK-verordening nodig, waarvoor unanimiteit geldt. Hongarije heeft aangegeven nog niet te kunnen instemmen met de aanpassing van de MFK-verordening. Het streven blijft om in april de eerste steun aan OekraĆÆne te verstrekken.

Naast de steunlening loopt ook de financiële steun vanuit de EU Oekraïne-faciliteit door tot en met 2027. Dit betreft ruim EUR 11 mld. na uitbetaling van EUR 26,8 mld. sinds 2024. Het EU-aandeel van EUR 18,1 mld. in de Extraordinary Revenue Acceleration (ERA)-lening op basis van de buitengewone inkomsten over Russische centrale banktegoeden is in 2025 volledig uitbetaald. Duidelijk is echter dat Oekraïne in 2026 en 2027 aanvullende steun nodig heeft. Met de steunlening van in totaal EUR 90 mld. streeft de Europese Commissie ernaar twee derde van de financieringsnoden van Oekraïne te dekken, door middel van begrotingssteun en ondersteuning van de Oekraïense defensie-capaciteiten.

Deze leden constateren dat de effectiviteit van het sanctieregime tegen Rusland ernstig onder druk staat door de activiteiten van de zogenoemde schaduwvloot. Zij herinneren de minister aan de toezegging in de brief van 28 januari 2026 om wetgeving aan te passen ter versterking van de Nederlandse handelingsopties op zee en vragen op welke termijn de Kamer deze voorstellen precies tegemoet kan zien (Kamerstuk 36124, Nr. 57).

  1. Antwoord van het kabinet:

Tegen schepen die daadwerkelijk een valse vlag varen (schepen zonder nationaliteit, zonder vlaggenstaat) bestaan mogelijk meer opties tot ingrijpen, ook in de Nederlandse exclusieve economische zone. Om die reden wordt door de ministeries van Infrastructuur en Waterstaat en Justitie en Veiligheid met spoed gewerkt aan het versterken en robuuster maken van de Nederlandse wetgeving die gebruikt kan worden om deze schepen aan te houden en wordt wetgeving opgesteld voor het systematisch kunnen inspecteren van schepen met een valse vlag. Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 28 januari 20262 zal de wetgeving voor de zomer van dit jaar naar de Kamer worden gestuurd. Dit betekent overigens niet dat in Nederland zonder aanvullende nationale wetgeving geen handelingsopties beschikbaar zijn in specifieke gevallen.

Reeds in juni 2024 heeft de Raad mede op initiatief van Nederland in het kader van de Rusland-sancties besloten tot het instellen van een lijst met schepen die de toegang tot Europese havens en dienstverlening wordt ontzegd. Op moment van schrijven staan er 605 schepen op deze lijst.

Kan de minister daarbij specifiek ingaan op de huidige juridische belemmeringen voor handhaving in de exclusieve economische zone tegen schepen onder dubieuze vlaggen, en is de minister bereid om tijdens de aanstaande Raad te pleiten voor een EU-brede zwarte lijst van schepen en rederijen die sancties omzeilen, inclusief het definitief blokkeren van toegang tot alle EU-havens voor deze entiteiten?

  1. Antwoord van het kabinet:

Zie het antwoord op vraag 26.

En wat kan de EU doen aan handhaving op zee wanneer vrachten met gesanctioneerde goederen buiten de territoriale wateren worden overgeladen op een ander schip?

  1. Antwoord van het kabinet:

Er zijn reeds maatregelen getroffen met betrekking tot ship-to-ship transfers. Voor zover handhaving in de exclusieve economische zone (EEZ) mogelijk is, wordt deze uitgevoerd en gecontroleerd, in het bijzonder wanneer sanctiemaatregelen van kracht zijn. Voor schepen die betrokken zijn bij ship-to-ship transfers en daarbij mogelijk het olieprijsplafond overtreden, geldt een havenverbod. Een havenverbod geldt eveneens voor schepen die hun ship-to-ship transfers niet tijdig melden.

De leden van de VVD-fractie zijn zeer bezorgd over de escalatie in het Midden-Oosten sinds de gebeurtenissen van 28 februari 2026 en de destabiliserende rol van het Iraanse regime in de regio. Zij vragen de minister hoe hij de effectiviteit beoordeelt van de huidige plaatsing van de Iraanse Revolutionaire Garde (IRGC) op de EU-terreurlijst en welke aanvullende stappen worden gezet om de financiƫle stromen van dit regime binnen Europa volledig droog te leggen.

  1. Antwoord van het kabinet:

De plaatsing van de IRGC op de EU terrorismelijst is een maatregel vanuit de EU die een belangrijk signaal afgeeft. Zoals eerder aangegeven viel de IRGC hiervoor ook al onder EU-sancties, vanwege het nucleaire programma van Iran. De IRGC mag op geen enkele manier gebruik maken van de Europese markt en onze inzet richt zich dan ook op het tegengaan hiervan. Dit vergt blijvende aandacht en inspanning, waaronder het toevoegen van IRGC gerelateerde bedrijven of personen aan de sanctielijst.

In dat kader vragen deze leden ook welke mogelijkheden de minister ziet om, in navolging van de Amerikaanse koers, Europese secundaire sancties op te leggen aan entiteiten die de as van het kwaad tussen Rusland, Iran en Noord-Korea faciliteren, specifiek waar het gaat om de uitwisseling van raket- en dronetechnologie.

  1. Antwoord van het kabinet:

In het kader van de Ruslandsancties beschikt de Unie reeds over een breed instrumentarium om omzeiling tegen te gaan. Zo kunnen gerichte sancties en exportcontrolemaatregelen getroffen worden tegen personen en bedrijven in derde landen die omzeiling faciliteren, alsook tegen financiƫle instellingen en schepen. Nederland spant zich in om een aantal van deze best practices uit de sancties tegen Rusland te incorporeren in andere sanctieregimes, waaronder die tegen Iran, waar dit van waarde is om omzeiling en proliferatie van raket- en dronetechnologie door kwaadwillende actoren tegen te gaan.

Wat verwacht de minister van de Europese oproep tot naleving van het internationaal recht?

  1. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet steunt de Europese oproep aan alle betrokken partijen om het internationaal recht te respecteren. Een gezamenlijke Europese boodschap kan bijdragen aan diplomatieke druk om verdere escalatie te voorkomen. Tegelijk is het kabinet realistisch dat een oproep op zichzelf het conflict niet beƫindigt. Het kabinet blijft zich in samenwerking met Europese partners en partners in de regio inzetten voor de-escalatie.

En gaat de solidariteit met het Iraanse volk, waarvan de Raad het belang onderstreept, zich materialiseren in concrete steun en welke vorm krijgt die steun? Is dit iets wat de minister van plan is tijdens de aankomende Raad aan de orde te stellen?

  1. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet staat pal achter het Iraanse volk en steunt nadrukkelijk de solidariteit van de EU met het Iraanse volk. Het kabinet kijkt hoe we de Iraanse bevolking en het maatschappelijk middenveld kunnen blijven ondersteunen. Omwille van de veiligheid kunnen er geen uitspraken worden gedaan over concrete steun en de vorm hiervan.

Ziet de minister kansen om via proactieve energiediplomatie nieuwe strategische partnerschappen te sluiten die onze energiezekerheid versterken en onze afhankelijkheid van onbetrouwbare routes en regimes structureel verkleinen?

  1. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet zet actief in op energiediplomatie om de leveringszekerheid van te importeren energie te bevorderen. De overheid zelf sluit geen contracten af voor de import van gas/LNG. Wel ziet het kabinet het belang om samenwerking te faciliteren tussen inkopende marktpartijen en betrouwbare partners uit derde landen. Er vindt daarom regelmatig overleg plaats met landen als Noorwegen en de VS.

Ook voor duurzame (bijvoorbeeld met groene waterstof gemaakte) brandstoffen en grondstoffen zal Nederland voor een deel aangewezen zijn op import, zowel van binnen als buiten de EU. Om de risico’s van nieuwe afhankelijkheden te verkleinen is het belangrijk om in te zetten op diversificatie. Voor het opzetten van de toekomstige import-exportketens voor groene waterstof werkt de overheid aan een breed netwerk met strategische partnerlanden met potentieel voor export. Waar gepast gebeurt dit met inbreng van expertise van de staatsdeelnemingen Havenbedrijf Rotterdam, Gasunie en Invest International.

De leden van de VVD-fractie verwelkomen de bespreking over het Zuidelijk Nabuurschap, maar wijzen op de acute risico's die de oorlog in Iran met zich meebrengt voor migratiestromen vanuit de regio. Zij vragen de minister in hoeverre hij bereid is om zich in te spannen voor een nauwere koppeling tussen de inzet van EU-middelen en de concrete resultaten die landen in deze regio boeken bij de terugname van uitgeprocedeerde asielzoekers en het tegengaan van illegale migratie. Hoe beoordeelt de minister de risico's van grootschalige nieuwe vluchtelingenstromen uit Iran en omliggende landen als gevolg van de huidige militaire escalatie, en is hij bereid om tijdens de Raad te pleiten voor een preventieve strategie gericht op effectieve opvang in de regio om een nieuwe migratiecrisis aan de Europese buitengrenzen te voorkomen?

  1. Antwoord van het kabinet:

De kabinets- en EU-inzet in de Zuidelijk Nabuurschapsregio wordt onder meer vormgegeven aan de hand van EU-partnerschappen. Daarin worden Nederlandse en Europese belangen op het gebied van veiligheid en stabiliteit, migratie, en economische samenwerking integraal meegenomen en in samenhang bezien. Dat geldt ook voor de koppeling tussen EU-middelen en resultaten. Daarbij hecht het kabinet prioriteit aan de samenwerking op het gebied van migratie, inclusief terugkeersamenwerking, maar ook de bescherming van migranten en vluchtelingen.

Het kabinet volgt de ontwikkelingen in deze regio en de effecten hiervan op migratiebewegingen nauwgezet. Het aantal intern ontheemden Iraniƫrs neemt toe, vanwege beperkte toegang kunnen internationale organisaties geen nauwkeurige schatting van de aantallen geven. Organisaties zoals UNHCR zien op dit moment nog geen grootschalige grensoverschrijdende bewegingen uit Iran, maar wijzen op basis van gegevens uit eerdere crises voor toenemende druk op Afghaanse vluchtelingen in Iran. Iran vangt momenteel 4,4 miljoen Afghaanse vluchtelingen op. UNHCR waarschuwt dat een deel van hen bij voortduren van de crisissituatie terugkeert naar Afghanistan of doorreist naar een derde land.

In de EU is het crisismechanisme van de Raad geactiveerd dat indien dat nodig is ook kijkt naar de benodigde inzet op migratie. Bovendien werd in de JBZ-Raad van 5-6 maart jl. breed opgeroepen tot continuering van Europese migratiesamenwerking met Libanon, ook tegen het licht van het conflict. Hierover wordt uw Kamer ook middels het verslag van de JBZ-Raad nader geĆÆnformeerd. Indien er aanleiding voor is, zal het ook in Europees verband oproepen maatregelen te treffen. Daarnaast blijft het kabinet inzetten op opvang en bescherming van ontheemden in de regio.

Welke acties onderneemt de minister in EU-verband om de veiligheid van vitale energie-infrastructuur in het Zuidelijk Nabuurschap te borgen?

  1. Antwoord van het kabinet:

De EU ondersteunt de veiligheid van energie-infrastructuur in de Zuidelijke Nabuurschapsregio met programma’s die zich onder meer richten op het diversifiĆ«ren van aanvoerroutes, het verbeteren van connectiviteit en het versnellen van de overgang naar hernieuwbare energie. Met deze inzet draagt de EU bij aan de weerbaarheid van het mondiale energiesysteem in de regio en ten behoeve van de energiezekerheid van de EU. Nederland steunt deze inzet.

De leden van de VVD-fractie kijken tot slot uit naar de presentatie van de Europese veiligheidsstrategie en vragen wanneer de minister de Kamer zal informeren over de specifieke Nederlandse inzet hiervoor. Deze leden vragen de minister om te borgen dat deze strategie in de eerste plaats recht doet aan de ernst van de oorlog op het Europese continent en een geloofwaardige afschrikking van de Russische agressie borgt, waarbij de onmisbare trans-Atlantische relatie als hoeksteen van onze veiligheid wordt gekoesterd. Voor deze leden is specifiek van belang dat de koers van de EU gericht blijft op een integrale benadering waarbij diplomatieke, economische en militaire instrumenten elkaar versterken om de strategische autonomie van Europa te vergroten zonder de eenheid van de NAVO uit te hollen. Kan de minister bevestigen dat de strategie ook voorziet in het versterken van onze economische weerbaarheid en het beschermen van onze kennispositie tegen ongewenste invloeden van buitenaf?

  1. Antwoord van het kabinet:

De Europese veiligheid staat onder zware druk. Russische agressie bedreigt niet alleen OekraĆÆne, maar heeft ook gevolgen voor de veiligheid van heel Europa. Daarnaast verandert de internationale veiligheidsomgeving waarin de EU zich de afgelopen 80 jaar heeft ontwikkeld snel en structureel. Gezien de groeiende veiligheidsdreigingen op het Europese continent moeten Europese landen dringend een aanzienlijk grotere rol en verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen veiligheid en defensie. Dit begint met een verschuiving van de lasten binnen de NAVO, waarbij Europese bondgenoten een grotere rol op zich nemen ten opzichte van de Verenigde Staten en wordt ondersteund door een sterke Europese Unie. De EU zal, waar nodig, krachtiger en transactioneler moeten optreden. Een sterk Europa vereist ook sterke partnerschappen.

Het kabinet stelt daartoe onderstaande prioriteiten voor de EU veiligheidsstrategie voor, die verder worden toegelicht in een non-paper met de Nederlandse inzet voor de Veiligheidsstrategie.

  1. Steun aan OekraĆÆne;

  2. Versterking van het GBVB/GVDB en de Europese bijdrage aan de NAVO;

  3. Verminderen van risicovolle strategische afhankelijkheden op het gebied van geneesmiddelen, de energietransitie en digitale prioriteitsdomeinen, via een strategischer economisch buitenlands beleid en economische veiligheid;

  4. Versterking van de Europese defensie-industrie en innovatie, inclusief samenwerking met derde landen;

  5. Tegengaan van hybride dreigingen en versterking van de weerbaarheid.

Verzending van dit non-paper met de Nederlandse inzet voor de Europese Veiligheidsstrategie is voorzien na de Ministerraad van 13 maart a.s.

Tevens vragen deze leden hoe de minister borgt dat de focus blijft liggen op concrete resultaten bij het doorbreken van industriƫle knelpunten in de defensieproductie en dat de soevereine zeggenschap over de inzet van de Nederlandse krijgsmacht het onvervreemdbare uitgangspunt blijft bij elke vorm van versterkte Europese veiligheidssamenwerking.

  1. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet zet zich doorlopend in voor opschaling van de defensie-industrie in EU-verband. Dit gebeurt onder andere via EU-instrumenten die deze opschaling stimuleren, zoals het Europees Defensie-Industrie Programma (EDIP), en door middel van het wegnemen van juridische obstakels voor opschaling van de krijgsmacht middels de EU defensie-omnibus. De inzet van de krijgsmacht blijft een soevereine nationale aangelegenheid, verankerd in de Grondwet. Dit staat niet ter discussie bij de versterking van de Europese veiligheidssamenwerking.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de Raad Buitenlandse Zaken van 16 maart 2026, het verslag van de Raad Buitenlandse Zaken van 23 februari 2026 en het verslag van de 24e zitting van de Vergadering van verdragspartijen bij het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen.

Russische agressie tegen OekraĆÆne

De leden van de CDA-fractie lezen in de geannoteerde agenda dat tijdens de Raad opnieuw zal worden gesproken over voortgezette steun aan OekraĆÆne, sancties en de aanpak van de Russische schaduwvloot. Ook blijkt uit het verslag van de vorige Raad dat Nederland heeft aangedrongen op spoedige aanname van het twintigste sanctiepakket en op intensivering van bilaterale steun aan OekraĆÆne.

De leden van de CDA-fractie vragen de minister hoe Nederland zich in deze Raad concreet zal inzetten om de blokkade op het twintigste sanctiepakket en de steunlening aan OekraĆÆne te helpen doorbreken. Welke diplomatieke en politieke opties ziet de minister als lidstaten Europese besluitvorming blijven frustreren?

  1. Antwoord van het kabinet:

Juist nu is het van belang OekraĆÆne te steunen en de druk op Rusland verder op te voeren. Het kabinet roept in dit licht op tot spoedig akkoord op zowel de steunlening als het twintigste pakket. De voorzitters van de Europese Raad en Europese Commissie spannen zich nu in voor een oplossing op korte termijn, onder meer door diplomatieke druk. Het kabinet steunt deze inzet en bekijkt hoe deze zo goed mogelijk te ondersteunen. Dit doet het in gezelschap van een brede groep EU-lidstaten.

De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast welke aanvullende stappen Nederland in Europees verband wil zetten tegen de Russische schaduwvloot. Wanneer kan de Kamer de eerder aangekondigde aanpassing van wetgeving verwachten die de Nederlandse handelingsopties moet versterken? Kan de minister ook aangeven welke ā€˜goede voorbeelden’ van andere lidstaten Nederland bruikbaar acht voor betere handhaving op zee?

  1. Antwoord van het kabinet:

Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 28 januari 2026 zal de wetgeving voor de zomer van dit jaar naar de Kamer worden gestuurd. Bij het opstellen van deze wetgeving wordt onder meer gekeken naar wetgeving die een rol speelde in onder meer de recente Franse, Belgische en Estse casussen. Het doel is de handelingsopties voor Nederland in de Exclusieve Economische Zone te vergroten door het internationaal zeerecht (de basis), te vertalen naar Nationale wetgeving.

De leden van de CDA-fractie vragen verder hoe de minister aankijkt tegen de discussie over Europese veiligheidsgaranties voor OekraĆÆne en de mogelijkheid van versnelde of gefaseerde EU-toetreding. Welke Nederlandse inzet kiest de minister hier, mede gezien signalen dat hierover in Brussel verdeeldheid bestaat?

  1. Antwoord van het kabinet:

Om tot een duurzaam einde van de Russische agressie tegen OekraĆÆne te komen, heeft OekraĆÆne veiligheidsgaranties nodig. Het kabinet steunt de inspanningen van de Coalition of the Willing om tot robuuste en geloofwaardige veiligheidsgaranties te komen. Ook waardeert het kabinet de inspanningen van de EU om een rol te spelen bij de ondersteuning van de veiligheidsgaranties. Het EU toetredingsproces staat hier los van en is een traject tussen EU lidstaten en OekraĆÆne. De vele hervormingen die OekraĆÆne doorvoert gedurende het toetredingsproces maken het land weerbaarder, rechtstatelijker en stabieler. Nederland steunt OekraĆÆne bij dit hervormingsproces waar mogelijk. Voor meer informatie over het toetredingsproces van OekraĆÆne, verwijs ik u graag naar de beantwoording van het schriftelijk overleg voor de Raad Algemene Zaken van 17 maart.

Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie of de minister deelt dat Europa, juist nu de internationale steun onder druk staat, meer strategische verantwoordelijkheid moet nemen voor de veiligheid van het continent. Hoe wordt die inzet meegenomen in zowel deze Raad als in de voorbereiding van de Europese veiligheidsstrategie? Hierbij is het voor deze leden van belang dat Europa in zijn veiligheid minder afhankelijk wordt van wisselingen in de Amerikaanse koers.

  1. Antwoord van het kabinet:

Verzending van het non-paper met de Nederlandse inzet voor de Europese Veiligheidsstrategie aan de Kamer is voorzien voor het einde van deze week. Het kabinet deelt de visie van de CDA-fractie dat Europa meer strategische verantwoordelijkheid moet nemen voor de veiligheid van het continent. Zie ook het antwoord op vraag 36.

Situatie in het Midden-Oosten

Uit de geannoteerde agenda blijkt dat in de Raad gesproken zal worden over additionele maatregelen tegen Iran, de voortgang van het vredesplan voor Gaza, de situatie op de Westelijke Jordaanoever en Syriƫ.

De leden van de CDA-fractie vragen ten aanzien van Iran welke additionele maatregelen het kabinet in EU-verband wenselijk en haalbaar acht. Hoe beoordeelt de minister de effectiviteit van eventuele nieuwe sancties?

  1. Antwoord van het kabinet:

Nederland is in de EU voorloper op het gebied van sancties tegen Iran en zoekt altijd naar extra mogelijkheden. Hierbij is het uitgangspunt niet de kwantiteit, maar het verhogen van de daadwerkelijke druk op het regime. De sanctie-inzet is o.a. gericht tegen het nucleaire programma van Iran, de militaire steun die Iran geeft aan Rusland en groeperingen in het Midden-Oosten, en mensenrechtenschendingen door het Iraanse regime. De verwachting is dat er komende Raad weer nieuwe mensenrechtensancties zullen worden aangenomen omdat de situatie hierom vraagt.

En hoe wordt tegelijk voorkomen dat verdere escalatie de veiligheid van burgers in de regio en van Europeanen ter plaatse extra schaadt?

  1. Antwoord van het kabinet:

De veiligheid van Nederlanders en andere EU-burgers in het Midden-Oosten heeft voor het kabinet de hoogste prioriteit. In gesprekken met landen in de regio, zoals de Golflanden, benadrukt het kabinet het belang van de veiligheid van Nederlandse burgers. Sinds het begin van de crisis heeft het kabinet volop gewerkt aan het ondersteunen van Nederlanders bij hun vertrek uit de regio. Via meerdere (repatriĆ«rings)vluchten heeft het kabinet, onder andere met inzet van chartervluchten en luchttransport van het Ministerie van Defensie, meer dan 1000 gestrande Nederlandse reizigers en tientallen andere EU-burgers ondersteund bij vertrek uit de regio. Ook heeft het kabinet tientallen Nederlanders kunnen helpen het Midden-Oosten te verlaten met repatriĆ«ringsvluchten van (EU-)partnerlanden. Gelukkig zien we dat het ook in toenemende mate grote groepen Nederlanders en andere EU-burgers lukt om de regio op eigen gelegenheid te verlaten, bijvoorbeeld via lokale vliegtuigmaatschappijen. Het kabinet brengt voortdurend de actuele hulpvraag in kaart en stemt de crisisinzet daarop af. Verder informeert het ministerie van Buitenlandse Zaken Nederlanders doorlopend via de reisadviezen en Informatieservice over de veiligheidsrisico’s en geldende adviezen in het Midden-Oosten.

In het verslag van de ingelaste Raad van 1 maart 2026 staat dat Nederland specifiek aandacht vroeg voor de secundaire gevolgen van escalatie. Kan de minister toelichten welke gevolgen het daarbij voor ogen heeft en welke voorbereidingen daarop worden getroffen?

  1. Antwoord van het kabinet:

Door de ontwikkelingen in het Midden-Oosten lopen bijvoorbeeld de prijzen op de internationale olie- en gasmarkten op. Dat raakt ook Nederland. Zoals eerder is toegezegd aan uw Kamer volgt een Kamerbrief van de betrokken ministers over de brede economische effecten van deze crisis. Daarnaast brengt de EU op o.a. het verzoek van Nederland ook de secundaire risico’s van deze oorlog voor Europa in kaart.

De leden van de CDA-fractie vragen wat volgens de minister de huidige stand van zaken is rond de implementatie van het vredesplan voor Gaza en de zogeheten Board of Peace.

  1. Antwoord van het kabinet:

Zoals bekend in uw Kamer is de inzet van het kabinet gericht op het laten slagen van het vredesplan van president Trump, zodat het vechten duurzaam stopt, Hamas ontmantelt, de humanitaire noden worden gebezigd en de Palestijnse Autoriteit kan terugkeren naar Gaza en verenigd wordt met de Westelijke Jordaanoever.

Het staakt-het-vuren houdt stand, ook al is het fragiel. In januari jl. kondigde de VS de start van de tweede fase van het vredesplan aan. Nederland is geen directe partij bij onderhandelingen over de verdere implementatie van het vredesplan, maar stelt op basis van diplomatieke contacten vast dat deze moeizaam zijn. Belangrijkste knelpunten zijn de ontwapening van Hamas en terugtrekking van de Israƫlische strijdkrachten. Het kabinet staat in nauw contact met betrokken partijen bij de onderhandelingen.

Nederland is niet toegetreden tot de Board of Peace, maar benadrukt het belang van samenwerking met het oog op vrede en stabiliteit in Israƫl en de bezette Palestijnse Gebieden. Nederland was daarom op hoogambtelijk niveau aanwezig bij de meest recente bijeenkomst van de Board of Peace op 19 februari jl. Nederland heeft de Executive Boards en het Nationale ComitƩ voor het bestuur van Gaza verwelkomd. Op dit moment is nog onduidelijk hoe deze organen, en de Board of Peace vorm zullen worden gegeven.

Welke concrete invloed heeft de EU op dit proces?

  1. Antwoord van het kabinet:

De EU kan als constructieve partner bijdragen aan uitwerking en implementatie van het vredesplan zonder direct lid te zijn van de Board of Peace. Dit kan onder andere via bestaande GVDB-missies, steun aan de Palestijnse Autoriteit, en toekomstige steun aan de wederopbouw van Gaza, bijvoorbeeld via bestaande EU-programmering en door betrokkenheid van relevante expertise uit de EU.

Hoe wordt geborgd dat de Palestijnse Autoriteit, bestaande EU-missies en regionale partners een serieuze rol krijgen in governance, veiligheid, humanitaire hulp en wederopbouw?

  1. Antwoord van het kabinet:

Voor Nederland is Palestijnse betrokkenheid essentieel. Zie ook de beantwoording van vraag 16 en 46.

Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie hoe de minister aankijkt tegen de aanhoudende belemmering van humanitaire hulp aan Gaza. Welke extra druk wil Nederland in EU-verband organiseren om meer en veilige humanitaire toegang af te dwingen, inclusief voldoende open grensovergangen?

  1. Antwoord van het kabinet:

Nederland zet zich zowel bilateraal als in EU-verband in om de zorgen over de aanhoudende belemmeringen van humanitaire hulp in Gaza aan te kaarten. De voortzetting van deze inzet is van onverminderd belang gelet op de aanhoudende toegangsbelemmeringen voor hulporganisaties en de schrijnende humanitaire situatie in Gaza.

Zoals bekend in uw Kamer heeft Nederland tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 23 februari jl. benadrukt dat de ontwikkelingen in de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever als gevolg van Israƫlisch handelen het nodig kunnen maken om de door de Commissie voorgestelde EU-maatregelen in het kader van artikel 2 van het Associatieakkoord tussen de EU en Israƫl opnieuw te agenderen.

De leden van de CDA-fractie maken zich ook ernstige zorgen over de situatie op de Westelijke Jordaanoever. Uit het verslag van de Raad van 23 februari 2026 blijkt dat Nederland samen met andere lidstaten zorgen heeft uitgesproken over uitbreiding van Israƫlische controle, schending van internationaal recht, de ondermijning van de tweestatenoplossing en de ngo-registratiewetgeving. Ook blijkt dat sancties tegen gewelddadige kolonisten nog steeds worden geblokkeerd.

De leden van de CDA-fractie vragen daarom welke inzet Nederland op dit punt kiest in de komende Raad. Blijft de minister aandringen op gerichte sancties tegen gewelddadige kolonisten en tegen organisaties of bedrijven die betrokken zijn bij illegale nederzettingen?

  1. Antwoord van het kabinet:

Nederland veroordeelt kolonistengeweld en kijkt met zorg naar de toename hiervan. Zoals bekend in uw Kamer is Nederland initiatiefnemer in de EU als het gaat om sancties tegen gewelddadige kolonisten en organisaties. Nederland zal tijdens de komende Raad Buitenlandse Zaken opnieuw pleiten voor de aanname van het derde sanctiepakket gericht tegen gewelddadige kolonisten en organisaties.

Welke andere Europese maatregelen liggen op tafel als een formeel sanctiebesluit opnieuw wordt geblokkeerd?

  1. Antwoord van het kabinet:

Op dit moment zijn er geen andere voorstellen voor Europese maatregelen naast het eerder genoemde derde sanctiepakket tegen gewelddadige kolonisten en organisaties, en de maatregelen van de Europese Commissie naar aanleiding van de artikel 2 evaluatie.

Nederland blijft nationaal druk houden op Israƫl om diens koers in de Westelijke Jordaanoever te veranderen. Het kabinet gaat daarom door met de voorbereiding van nationale maatregelen om producten uit de onrechtmatige nederzettingen in de door Israƫl bezette gebieden te weren van de Nederlandse markt.

Ook vragen de leden van de CDA-fractie naar de stand van zaken rond de evaluatie van artikel 2 van het EU-Israƫl Associatieakkoord. In het verslag van 23 februari 2026 staat dat Nederland als een van de weinige lidstaten heeft aangegeven dat de situatie in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever aanleiding kan geven om eerder voorgestelde EU-maatregelen opnieuw te agenderen. Welke vervolgstappen zet Nederland hier nu concreet op?

  1. Antwoord van het kabinet:

Zoals bekend in uw Kamer was in mei 2025 de catastrofale humanitaire situatie in de Gazastrook, maar ook de verslechterende situatie op de Westelijke Jordaanoever en Israƫlische stappen die een tweestatenoplossing verder op afstand plaatsten, reden om de EU Hoge Vertegenwoordiger (HV) Kallas te verzoeken om een evaluatie van artikel 2 van het Associatieakkoord met Israƫl. Naar aanleiding van de conclusie van de HV en de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) dat er aanwijzingen zijn dat Israƫl in strijd zou handelen met zijn verplichtingen onder artikel 2 van het Associatieakkoord heeft Nederland zich in EU-verband ingezet voor concrete EU-maatregelen. Het beoogde doel van de Nederlandse inzet voor maatregelen was de druk op te voeren en Israƫl van koers te doen veranderen en de situatie in de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever te verbeteren. Met het staakt-het-vuren, het Vredesplan van Trump, en VNVR-resolutie 2803, is de situatie op de grond in Gaza veranderd, maar zijn niet alle zorgen weggenomen. Nederland heeft daarom steun uitgesproken voor de inzet van HV Kallas om de voorgestelde EU-maatregelen op tafel te houden. Tegen de achtergrond van de i-ngo-registratiewetgeving en de Israƫlische besluiten voor maatregelen waarmee de controle over de Westelijke Jordaanoever verder kan worden uitgebreid, benadrukte Nederland tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 23 februari jl. dat de ontwikkelingen in de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever als gevolg van Israƫlisch handelen het nodig kunnen maken om de door de Commissie voorgestelde EU-maatregelen opnieuw te agenderen.

De leden van de CDA-fractie vragen ten aanzien van Syriƫ hoe Nederland zich inzet voor bescherming van minderheden en onbelemmerde humanitaire toegang. Kan de minister ook toelichten hoe de rechten en veiligheid van Koerdische gemeenschappen in de Nederlandse inzet worden meegenomen?

  1. Antwoord van het kabinet:

In aanvulling op de beantwoording op vraag 17, zet het kabinet zich onverminderd in voor een stabiel SyriĆ« waarin de rechten van alle gemeenschappen worden gerespecteerd. Het kabinet draagt op verschillende manieren bij aan de bescherming van de verschillende gemeenschappen (waaronder Koerden) in SyriĆ«, waaronder bijdrages aan stabilisatieprogramma’s, ondersteuning van mechanismen die mensenrechtenschendingen monitoren en onderzoeken, en gerichte inzet van het EU sanctie-instrumentarium.

Het kabinet spreekt in directe contacten, en via de VN en EU, de Syrische overgangsregering consequent aan op haar verantwoordelijkheden, waaronder het bieden van volledige, ongehinderde en veilige humanitaire toegang voor hulporganisaties en het waarborgen van de rechten en veiligheid van alle Syriƫrs, ongeacht religie of etnische achtergrond.

EU-Zuidelijk Nabuurschap

De leden van de CDA-fractie lezen dat de minister het positief vindt dat de Raad spreekt over een geĆÆntegreerde EU-aanpak voor het Zuidelijk Nabuurschap, gezien het belang van de regio voor migratie, veiligheid, stabiliteit, handel en investeringen.

De leden van de CDA-fractie vragen de minister wat de Nederlandse inzet precies is bij dit agendapunt. Welke landen en thema’s krijgen voor Nederland prioriteit? Hoe zorgt de minister ervoor dat een geĆÆntegreerde aanpak niet te smal wordt opgevat als alleen migratiesamenwerking, maar ook inzet op economische ontwikkeling, rechtsstaat, conflictpreventie en weerbaarheid tegen Russische en Chinese invloed?

  1. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet onderschrijft dat de Zuidelijk Nabuurschapsregio van groot belang is voor Nederland en de EU. Nederland zet binnen de EU in op regionale veiligheid en stabiliteit, migratie, handel en economische samenwerking als prioriteiten voor de samenwerking met de Zuidelijk Nabuurschapsregio. Daarbij is de inzet om belangen breed te blijven afwegen en daarmee, juist in de context van geopolitieke competitie, de EU als partner te positioneren. Een uitgebreide appreciatie van de Nederlandse en EU-inzet op dit thema kunt u vinden in het fiche over het EU Pact voor het Middellandse Zeegebied.3

De leden van de CDA-fractie vinden dat stabiliteit aan de zuidgrens van Europa vraagt om een lange adem en om partnerschappen die wederkerig zijn. Investeren in ontwikkelingssamenwerking, diplomatieke aanwezigheid en lokale weerbaarheid is ook in het eigen belang van Nederland, juist om instabiliteit, ongecontroleerde migratie en geopolitieke invloed van rivalen tegen te gaan. Kan de minister aangeven hoe deze bredere benadering terugkomt in de Nederlandse inzet voor het Zuidelijk Nabuurschap?

  1. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet steunt de brede en integrale aanpak die de EU via het Pact voor het Middellandse Zeegebied heeft gepubliceerd en waarvan bijvoorbeeld ook inzet op ontwikkelingssamenwerking, samenwerking op het gebied van innovatie en hernieuwbare energie, lokale weerbaarheid inclusief rampenparaatheid, en versterking van het maatschappelijk middenveld onderdeel uit maken. In EU-verband zet Nederland zich ervoor in om die integrale aanpak te behouden en daarbij nadrukkelijk de wensen van de partnerlanden in de Zuidelijk Nabuurschapsregio mee te nemen in de inzet in de geest van de partnerschapsbenadering, ook om zo een alternatief te vormen voor geopolitieke rivalen. Een gedeelde aanpak tussen de EU, de lidstaten en de partnerlanden kan helpen de uitdagingen die op de genoemde onderwerpen spelen in de Zuidelijke Nabuurschapsregio zo goed mogelijk het hoofd te bieden.

Informeel werkontbijt over een Europese veiligheidsstrategie

De leden van de CDA-fractie lezen dat de Raad tijdens een informeel werkontbijt zal spreken over een toekomstige Europese veiligheidsstrategie en dat de Commissie deze voor de zomer wil presenteren.

De leden van de CDA-fractie vragen de minister welke hoofdlijnen Nederland voor deze strategie voor ogen heeft. Hoe wordt gezorgd dat dit een realiseerbare exercitie wordt, met concrete verbeteringen voor investeringen, defensie-industrie, militaire mobiliteit, weerbaarheid tegen hybride dreigingen en strategische autonomie?

  1. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet heeft een non-paper met concrete actiepunten voor de Europese Commissie en EDEO op genoemde thema’s opgesteld. Verzending hiervan is voorzien voor het einde van deze week. De door de CDA-fractie genoemde onderwerpen komen daarin aan de orde (zie ook het antwoord op vraag 35).

De leden van de CDA-fractie vinden dat de Europese veiligheidsstrategie scherp moet aansluiten bij de nieuwe werkelijkheid: een agressief Rusland, onzekerheid over de Amerikaanse veiligheidsgarantie, instabiliteit in het Midden-Oosten en de Zuidelijke buurlanden en toenemende hybride dreigingen. Wat is volgens de minister de plaats van OekraĆÆne, NAVO-samenwerking en Europese defensie-industrie in deze strategie?

  1. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet deelt de visie van de CDA fractie dat de genoemde ontwikkelingen centraal dienen te staan in de Europese Veiligheidsstrategie. Zoals gemeld in het antwoord op vraag 35 zijn OekraĆÆne, NAVO-samenwerking en de Europese defensie-industrie voor Nederland prioriteiten.

Kan de minister ook uiteenzetten hoe hij de Kamer tijdig zal betrekken bij de totstandkoming van de Nederlandse inzet? De geannoteerde agenda stelt dat de Nederlandse inzet nog wordt uitgewerkt en de Kamer daarover later zal worden geĆÆnformeerd. Deze leden horen graag wanneer dat gebeurt.

  1. Antwoord van het kabinet:

Verzending van het non-paper met de Nederlandse inzet voor de Europese Veiligheidsstrategie aan de Kamer is voorzien voor het einde van deze week.

Verslag van de 24e zitting van de Vergadering van verdragspartijen bij het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het verslag van de 24e zitting van de Vergadering van verdragspartijen bij het Statuut van Rome. Deze leden spreken hun grote waardering uit voor de inzet van Nederland als gastland van het Internationaal Strafhof (ISH) en onderstrepen het grote belang van een sterk, onafhankelijk en goed functionerend Hof. Juist in een tijd van oorlog en geopolitieke volatiliteit moet de internationale rechtsorde overeind blijven.

De brief maakt duidelijk dat de jaarlijkse vergadering in belangrijke mate in het teken stond van externe bedreigingen voor het Hof, waaronder aanhoudende cyberaanvallen, Russische arrestatiebevelen tegen ambtsdragers van het ISH en sancties van de VS tegen ambtsdragers van het Hof, een VN-Speciaal Rapporteur en betrokken ngo’s.

Kan de minister toelichten in hoeverre de sancties van de VS op dit moment het effectief functioneren van het Hof raken? Ziet de minister risico’s voor de uitvoerbaarheid van onderzoeken, de rechtsbijstand, de financiering of de internationale samenwerking?

  1. Antwoord van het kabinet:

Er zijn op dit moment sancties opgelegd tegen de hoofdaanklager, de beide plaatsvervangend aanklagers en acht rechters van het Internationaal Strafhof (ISH). Daarnaast zijn sancties opgelegd tegen drie Palestijnse ngo’s en een VN-Speciaal Rapporteur. Hoewel de huidige sancties de elf gesanctioneerde ambtsdragers van het ISH in hun persoonlijke leven treffen, is het Hof vooralsnog in staat geweest om de meeste werkzaamheden ongehinderd voort te zetten, zowel in Nederland als in de verschillende landen waar het Hof actief is.

Zo heeft het ISH in 2025 de voormalige Filipijnse president Duterte en de Libische verdachte El Hishri in hechtenis genomen en voorgeleid aan de rechters. De strafzaken in eerste aanleg tegen twee verdachten uit de Centraal-Afrikaanse Republiek en een verdachte uit Soedan zijn afgerond en daarnaast heeft het Hof voor het eerst bij verstek een hoorzitting inzake de bevestiging van de tenlastelegging gevoerd tegen de oprichter van de Oegandese Lord's Resistance Army, Joseph Kony.

De sancties tegen drie Palestijnse ngo’s hebben echter wel een zeker effect gehad op hun werkzaamheden en daarmee ook hun samenwerking met het ISH. Voor de rechtsbijstand, de financiering en de internationale samenwerking ziet het kabinet momenteel geen bijzondere risico’s. Zowel het kabinet als het Hof houden de gevolgen van de sancties zorgvuldig in de gaten.

De leden van de CDA-fractie lezen dat de Assembly of States Parties (ASP) unaniem heeft besloten verdragspartijen aan te moedigen om de dialoog met niet-verdragspartijen aan te gaan, primair gericht op de VS, met nadruk op eerbiediging van het internationaal recht, het Statuut van Rome en de onafhankelijkheid van het Hof. De leden van de CDA-fractie steunen dialoog binnen het uitgangspunt van onafhankelijkheid van het Hof. Hoe kijkt de minister aan tegen de reikwijdte van deze dialoog?

  1. Antwoord van het kabinet:

De reikwijdte van de dialoog zal de komende tijd nader moeten worden bepaald door zowel de ā€˜interne’ dialoog binnen de Assembly of States Parties (ASP), als de ā€˜externe’ dialoog met de VS. Het kabinet ziet mogelijkheden om binnen de door de ASP gestelde kaders te komen tot een constructieve dialoog over toekomstige verbeteringen van het systeem van het Statuut van Rome, die zowel zorgen van de verdragspartijen als de VS adresseren. Daarbij zal onder andere kunnen worden gekeken naar thema’s die in de afgelopen jaren ook al centraal stonden in de aanbevelingen van de onafhankelijke experts uit 2020 en het daaropvolgende hervormingsproces (Review).4

De leden van de CDA-fractie vragen ook welke rol Nederland als gastland voor zichzelf ziet in dit proces. Is Nederland voornemens hierin een actieve rol te spelen binnen het Bureau van de ASP? Zo ja, op welke manier?

  1. Antwoord van het kabinet:

Als gastland van het ISH heeft Nederland een aantal bijzondere verplichtingen om ervoor te zorgen dat het Hof zo onbelemmerd mogelijk kan functioneren. Deze verplichtingen zijn vastgelegd in het Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland.5 Daarnaast is het Koninkrijk der Nederlanden ƩƩn van de momenteel 125 partijen bij het Statuut van Rome. Het kabinet is in beide hoedanigheden op verschillende terreinen betrokken bij de mitigatie van de gevolgen van de sancties en de inzet op de preventie van verdere sancties.

Nederland is momenteel geen lid van het Bureau van de ASP, dat bestaat uit 21 van de 125 verdragspartijen. Nederland staat wel in nauw contact met leden van het Bureau, met andere relevante verdragspartijen en met het ISH zelf.


Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie willen beginnen met het vestigen van de aandacht op de oorlog in Iran. Deze leden zien onrechtmatige bombardementen voor geopolitieke en economische redenen, zoals de toegang van de VS tot olie. Deze aanvallen van de VS en Israƫl zijn een schending van het internationaal recht. Is de minister daarom bereid deze aanvallen te veroordelen? Kan de minister aangeven dat Nederland geen steun zal verlenen, politiek noch militair, aan verdere aanvallen op Iran? Hoe gaat de minister inzetten op een diplomatieke oplossing om tot vrede te komen?

  1. Antwoord van het kabinet:

Nederland zet in op de-escalatie en gebruikt hiervoor de beschikbare diplomatieke kanalen. In dit verband, en ter illustratie, verwijs ik u onder andere naar het antwoord op vraag 31 en het verslag over de bijeenkomst van de Raad Buitenlandse Zaken met GCC-landen van 5 maart, dat uw Kamer morgen toekomt.

Deze leden ontvangen berichten over de aanval op een meisjesschool in Iran waarbij 175 doden zijn gevallen door een aanval van de VS en Israƫl. Is de minister bekend met dit bericht? Hoe gaat de minister zich inzetten voor waarheidsvinding en het verzamelen van bewijzen, zodat er geen straffeloosheid op deze aanval kan zijn, en welke rol speelt de Fact Finding Mission in het documenteren van misdaden die niet alleen door het Iraanse regime worden gepleegd, maar ook door aanvallen vanuit de VS en Israƫl op het Iraanse volk?

  1. Antwoord van het kabinet:

Het is hartverscheurend dat zoveel jonge meisjes zijn omgekomen bij deze aanval. Het moet duidelijk zijn dat burgers of burgerobjecten nooit het doelwit mogen zijn van militaire operaties. Op dit moment is nog onduidelijk wat het precieze doelwit van de aanval was en of voldoende voorzorgsmaatregelen zijn genomen; dit zal onafhankelijk onderzoek moeten uitwijzen. Op basis van uitspraken van president Trump begrijp ik dat momenteel een onderzoek gaande is. De Fact-Finding Mission on Iran kan in principe ook schendingen door andere landen in Iran onderzoeken als onderdeel van haar mandaat.

De leden van de SP-fractie hebben aanhoudende zorgen over de situatie van de Palestijnen. De Israƫlische regering blijft, in strijd met humanitair oorlogsrecht, humanitaire hulp voor Gaza blokkeren. Sinds de aanval op Iran heeft Israƫl alle grensposten met de Gazastrook weer gesloten, waarna het een aantal dagen duurde voordat deze weer geopend werden. Vrachtwagens met belangrijke humanitaire hulp komen daardoor weer moeilijk op gang en medische evacuaties werden geblokkeerd. Deelt de minister dat Israƫl hiermee het internationaal recht schendt en dat Nederland de verplichting heeft dit te veroordelen? Gaat de minister maatregelen nemen om de humanitaire grensovergang structureel te openen en dat deze niet opnieuw gesloten kan worden, zoals is afgesproken tijdens het staakt-het-vuren?

  1. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet maakt zich zorgen over de ernstige toegangsbelemmeringen voor de VN, Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en de relevante internationale ngo’s in Gaza. Het is van cruciaal belang dat toegang via de grensovergangen onmiddellijk verbetert, dat grensovergangen open gaan, en dat hulp ongehinderd en op grote schaal kan worden geleverd. zodat de humanitaire situatie in Gaza niet nog verder verslechtert.

In het advies van oktober 2025, stelde het Internationaal Gerechtshof dat volgens het humanitair oorlogsrecht op IsraĆ«l, als bezettende macht, de verplichting rust humanitaire hulpacties ten behoeve van de bevolking in de bezette Palestijnse gebieden toe te staan en deze met alle haar ten dienste staande middelen te vergemakkelijken, indien de bevolking onvoldoende bevoorraad is – zoals het geval is geweest in de Gazastrook, waaronder hulp van de VN en haar entiteiten, in het bijzonder hulpprojecten van UNRWA. In het advies van oktober 2025, stelde het Internationaal Gerechtshof dat volgens het humanitair oorlogsrecht op IsraĆ«l, als bezettende macht, de verplichting rust humanitaire hulpacties ten behoeve van de bevolking in de bezette Palestijnse gebieden toe te staan en deze met alle haar ten dienste staande middelen te vergemakkelijken, indien de bevolking onvoldoende bevoorraad is – zoals het geval is geweest in de Gazastrook, waaronder hulp van de VN en haar entiteiten, in het bijzonder hulpprojecten van UNRWA. Het blokkeren van humanitaire hulp voor de noodlijdende burgerbevolking druist evident in tegen het internationaal recht.

Zoals bekend in uw Kamer heeft Nederland tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van februari jl. benadrukt dat de ontwikkelingen in de situatie in de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever als gevolg van Israƫlisch handelen het nodig kunnen maken om de door de Commissie voorgestelde EU-maatregelen in het kader van de evaluatie van artikel 2 van het Associatieakkoord tussen de EU en Israƫl opnieuw te agenderen.

Zie ook de beantwoording van vraag 13.

Tegelijkertijd zien de leden van de SP-fractie dat Israƫl de onrechtmatige oorlog in Iran ook gebruikt om andere landen binnen te vallen, zoals Libanon. Israƫlische troepen trekken verder en verder het Libanese gebied in. Veroordeelt de minister deze aanvallen en wat gaat hij doen om druk uit te oefenen op het Israƫlische regime om de aanvallen op Libanon te stoppen?

  1. Antwoord van het kabinet:

Onder het internationaal recht heeft Israƫl het recht op noodzakelijke en proportionele zelfverdediging tegen gewapende aanvallen door niet-statelijke gewapende groepen zoals Hezbollah. Het kabinet roept alle partijen op zich aan het internationaal recht te houden.

De leden van de SP-fractie stellen dat er ondertussen nog steeds Palestijnse kinderen zijn die acuut zorg nodig hebben omdat ze ernstig ziek of gewond zijn. Zij kunnen niet in de regio worden behandeld. De minister gaat in een brief van 30 januari 2026 in op de maatregelen die hij neemt om de capaciteit van de gezondheidszorg in de regio te vergroten (Kamerstuk 23432, Nr. 629). Deze leden vinden dat positief en noodzakelijk. Het biedt echter geen oplossing voor de kinderen die nu acuut zorg nodig hebben, omdat opschaling van capaciteit voor hen te lang duurt en te laat komt. Het vorige kabinet heeft de afweging over medische evacuaties van Palestijnse kinderen aan het nieuwe kabinet gelaten. Deze leden gaan ervan uit dat het nieuwe kabinet wel bereid is tot het evacueren van deze kinderen, voor wie geen medische hulp in de regio geboden kan worden. Kan de minister aangeven of dit inderdaad klopt en wanneer de medische evacuaties weer opgestart zullen worden?

  1. Antwoord van het kabinet:

Met het oog op een zorgvuldige beantwoording en de benodigde interdepartementale afstemming kunnen deze vragen op dit moment niet worden beantwoord. Uw Kamer ontvangt de gevraagde informatie zo spoedig mogelijk, zoals ook aangegeven in de Kamerbrief ā€˜Uitstel over kabinetsbesluit t.a.v. medische evacuaties uit Gaza’ d.d. 6 maart 2026.

De leden van de SP-fractie stellen dat Nederland militair bijdraagt aan de NAVO-missie Artic Sentry. Ondanks dat de minister aangeeft dat er geen verplichting is onder artikel 100 om het parlement te informeren over deze missie vinden deze leden het belangrijk dat het parlement over deze missie goed en volledig wordt geïnformeerd. Bent u bereid om een brief te sturen over de Nederlandse bijdrage aan de missie Artic Sentry met daarin: een contextanalyse, gronden voor deelname, rechtsbasis, mandaat en doelstellingen, voorziene Nederlandse bijdragen, operationele haalbaarheid, risico; zowel veiligheidsrisico's als risico op burgerslachtoffers, verdere informatievoorziening naar de Kamer, financiën, monitoring, evaluatie en leren van inzet.

  1. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet hecht eveneens zeer aan zorgvuldige informatievoorziening over inzet van de krijgsmacht. Het kabinet geeft die informatievoorziening vorm in lijn met de afspraken met het parlement, die zijn vastgelegd in het artikel 100 toetsingskader (Kamerstuk 29-521, nr. 226). Zoals daarin verankerd is het artikel 100 toetsingskader van toepassing in geval van inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht in het kader van handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde, of humanitaire hulpverlening in het kader van een gewapend conflict. Arctic Sentry betreft een NAVO-initiatief dat bestaande oefeningen, aanwezigheid en patrouilles van NAVO-bondgenoten in het Arctisch gebied en Hoge Noorden samenbrengt. Nederland neemt deel aan oefeningen binnen Arctic Sentry ten behoeve van de voorbereiding op de collectieve verdediging van het NAVO-grondgebied. Een concreet voorbeeld hiervan is de Nederlandse deelname aan Cold Response in het Hoge Noorden. Hierop is het artikel 100 toetsingskader niet van toepassing. Uw Kamer is in algemene zin reeds geĆÆnformeerd over Arctic Sentry in het Verslag RBZ Defensie 11 februari en NAVO DMM en UDCG 12 februari (Kamerstuk 21501-28, nr. 299).

De leden van de SP-fractie stellen dat de situatie in Noordoost SyriĆ«, ondanks de verbetering van humanitaire toegang, nog steeds zorgelijk is. Meer dan 150.000 inwoners zijn ontheemd, waarvan 91 procent vrouwen en kinderen. De UNFPA (United Nations Population Fund) ziet een stijging van geweldrisico’s gebaseerd op gender en de gezondheidszorg is ernstig verstoord. Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat de situatie niet verergert? Hoe worden humanitaire organisaties, zoals UNICEF, hierbij ondersteund door de minister?

  1. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet blijft aandacht houden voor de humanitaire situatie en toegang in het Noordoosten van Syriƫ. Nederland ondersteunt de humanitaire hulpverlening in Syriƫ door middel van flexibel inzetbare, meerjarige financiering aan humanitaire partners. Dat gaat om de relevante VN-organisaties, waaronder UNICEF, maar ook om de Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en de ngo-partners van de Dutch Relief Aliance. Nederland draagt tevens bij aan het door de VN beheerde humanitaire landenfonds voor Syriƫ. Net zoals in de andere contexten maken humanitaire partnerorganisaties geen onderscheid op basis van etniciteit, nationaliteit, religie of andere kenmerken, en spannen zij zich in om humanitaire hulp te bieden op basis van de hoogste humanitaire noden, ook in Noordoost Syriƫ. Nederland volgt de humanitaire ontwikkelingen in Syriƫ nauwgezet, en onderhoudt in dit kader nauw contact met de hulporganisaties die in Syriƫ (waaronder in Noordoost Syriƫ) actief zijn.

Tot slot vragen de leden van de SP-fractie opnieuw aandacht voor Soedan. In een artikel van Follow the Money blijkt dat Nederland wapenvergunningen heeft verleend aan de VAE (Verenigde Arabische Emiraten), ondanks de risico’s op grote mensenrechtenschendingen in Jemen. Is de minister bereid te stoppen met wapenexportvergunningen uit te geven aan de VAE, gezien niet uitgesloten kan worden dat deze worden gebruikt in mensenrechtenschendingen in Soedan? Zo nee, hoe verhoudt zich dat tot onze verplichtingen onder het internationaal recht, onze wapenexportcriteria die dit risico niet toestaan en tot de aangenomen moties van de Kamer?

  1. Antwoord van het kabinet:

Het kabinet toetst alle vergunningaanvragen voor de uitvoer van militaire goederen, ook die naar de Verenigde Arabische Emiraten (VAE), per geval en zorgvuldig conform het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole (2008/944/GBVB), waarbij duidelijke risico’s op ernstige schendingen van mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht leiden tot een afwijzing van de vergunningaanvraag. Daarin is er verder specifieke aandacht voor het risico op omleiding van de goederen naar ongewenste eindgebruikers. Dit geldt ook voor het omleidingsrisico naar Soedan. Er zijn bij de regering geen aanwijzingen bekend dat dergelijke omleiding onder Nederlandse vergunningen voor de uitvoer van militaire goederen plaatsgevonden heeft.

Het kabinet heeft conform motie-Ceder c.s. (21501-02, nr. 3276) in EU-verband meermaals gewezen op het belang om met bijzondere aandacht te kijken naar eventuele risico’s op omleiding van militaire goederen naar Soedan. Daarnaast spreekt Nederland binnen de brede bilaterale relatie met de VAE ook over de situatie in Soedan, zowel op politiek als hoogambtelijk niveau.

Op dit moment is er al een EU-wapenembargo van kracht op geheel Soedan. Verder roept de EU, onder meer op Nederlands initiatief, op tot de uitbreiding van het VN-wapenembargo naar heel Soedan. Dat wapenembargo geldt nu alleen voor de regio Darfoer.

Graag verzoeken we de minister om alle vragen in deze inbreng per vraag te beantwoorden.

II Antwoord/ Reactie van de minister

III Volledige agenda


- de brief van de minister van Buitenlandse Zaken van 3 maart 2026 over de Geannoteerde agenda voor de Raad Buitenlandse Zaken van 16 maart 2026 en verslag Raad Buitenlandse Zaken van 1 maart 2026 (Kamerstuk 21501-02, Nr. 3355)

- de brief van de minister van Buitenlandse Zaken van 27 februari 2026 over het Verslag Raad Buitenlandse Zaken van 23 februari 2026 (Kamerstuk 21501-02, Nr. 3354)

- de brief van de minister van Buitenlandse Zaken van 10 februari 2026 over het Verslag van de 24e zitting van de Vergadering van verdragspartijen bij het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (Kamerstuk 28498, Nr. 59)


  1. Kamerstuk 36 124, nr. 57ā†©ļøŽ

  2. Kamerstuk 36 124, nr. 57ā†©ļøŽ

  3. Kamerstuk 22 112, nr. 4209ā†©ļøŽ

  4. Zie: Review of the International Criminal Court and the Rome Statute system | International Criminal Court.ā†©ļøŽ

  5. Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland (Trb. 2007, 125).ā†©ļøŽ