Antwoord op vragen van de leden Boomsma en Nanninga over de publicatie van ''Het 7 Oktober-effect'', een studie naar antisemitisme en zionistenhaat in het hoger onderwijs
Antwoord schriftelijke vragen
Nummer: 2026D11719, datum: 2026-03-13, bijgewerkt: 2026-03-13 17:51, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Onderdeel van zaak 2026Z01620:
- Gericht aan: G. Moes, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
AH 1325
Antwoord van minister Letschert (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 13 maart 2026)
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025-2026, nr. 1089
Vraag 1
Kent u het onderzoeksrapport ''Het 7 Oktober-effect, Joodse en
Israëlische ervaringen te midden van anti-Israëlische stromingen,
zionistenhaat en antisemitisme aan Nederlandse hogescholen en
universiteiten'', een studie van Amanda Kluveld en Eliyahu V. Sapir?
1)
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Kunt u een reactie geven op de constateringen, overwegingen, conclusies
en aanbevelingen van dit rapport dat een documentatie bevat van
gebeurtenissen op Nederlandse universiteiten en hogescholen vanaf 7
oktober 2023 en dat een proces schetst van radicalisering, een toename
van antisemitisme en een sluipende normalisatie daarvan?
Antwoord 2
Er is in onze samenleving, en zeker ook op onze onderwijsinstellingen,
geen plek voor antisemitisme. Ik vind het dan ook onacceptabel dat
Joodse studenten en medewerkers antisemitisme ervaren en zich niet
altijd veilig voelen op hun onderwijsinstelling. Ik blijf mij daarom
samen met onderwijsinstellingen inzetten om antisemitisme te bestrijden
en de veiligheid van (Joodse) studenten en medewerkers te
verbeteren.
Om na te gaan welke maatregelen mogelijk zijn om de veiligheid van Joodse studenten en medewerkers op universiteiten en hogescholen te verbeteren heeft het kabinet in februari 2025 de Taskforce Antisemitismebestrijding (hierna: Taskforce) ingesteld. Deze Taskforce heeft begin februari 2026 haar eindverslag gepubliceerd.1 Het kabinet zal uw Kamer in het voorjaar een beleidsreactie op dit eindverslag sturen en aangeven op welke wijze we antisemitisme op universiteiten en hogescholen bestrijden.
Vraag 3
Bent u van mening dat sinds de publicatie van het eerdere
onderzoek ''Onveilige Ruimtes: de opkomst van antisemitisme in de
Nederlandse academische wereld'' waarin één van de bevindingen was dat
bijna dertig procent van de ondervraagden aangaven dat hun universiteit
geen betekenisvolle actie ondernam na melding van antisemitisme, er
significante vooruitgang is geboekt ten aanzien van de meldingen en de
opvolging ervan? [2]
Antwoord 3
Ja, ik ben van mening dat onderwijsinstellingen zich continue inzetten
om de veiligheid van Joodse studenten en medewerkers te verbeteren. Ook
zetten zij zich dagelijks in om klacht- en meldvoorzieningen te
verbeteren. Het kabinet heeft eind 2024, grofweg gelijktijdig met
publicatie van het door u aangehaalde onderzoek, de kabinetsbrede
Strategie Bestrijding Antisemitisme gepubliceerd.2 Als
onderdeel van deze strategie is in juli 2025, in opdracht van het
ministerie van OCW, een verkenning naar de ervaringen van Joodse
studenten en medewerkers met klacht- en meldvoorzieningen uitgevoerd,
als onderdeel van een breed onderzoek naar klacht- en
meldvoorzieningen.3 Uit het onderzoek blijkt dat
(Joodse) studenten en medewerkers een gebrek aan opvolging bij klachten
ervaren en dat zij bij ongelijke machtsverhoudingen afhoudend zijn bij
het doen van meldingen over een docent of collega. De onderzoekers
concluderen dat er soms beperkte kennis lijkt te zijn bij
functionarissen van meld- en klachtvoorzieningen en andere medewerkers
die met Joodse studenten werken over welke uitingen, specifiek voor
Joden, als kwetsend of antisemitisch kunnen worden ervaren. Voor een
uitgebreide reactie op dit onderzoek naar klacht- en meldvoorzieningen,
verwijs ik u naar de Kamerbrief van mijn ambtsvoorganger over sociale en
fysieke veiligheid op universiteiten en hogescholen.4
Om, in lijn met de aanbevelingen uit de verkenning, de kennis over antisemitisme bij functionarissen en medewerkers van klacht- en meldvoorzieningen te verbeteren werk ik samen met de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) aan handreikingen voor vertrouwenspersonen en andere functionarissen, docenten en leidinggevenden over het herkennen van en omgaan met antisemitisme. Ook hebben instellingen in reactie op de verkenning aangegeven, dat zij nagaan hoe de infrastructuur in den brede beter kan worden ingericht op kwetsbare en gemarginaliseerde groepen, waaronder Joodse studenten en medewerkers.
Vraag 4
Hoe beoordeelt u de veiligheid van joodse studenten en docenten op dit
moment, in het licht van de getuigenissen zoals opgenomen in dit
rapport?
Vraag 5
In hoeverre herkent u de bevinding van het rapport dat de
intimiderende, agressieve sfeer van protesten en manifestaties en het
onversneden antisemitisme dat hierbij geregeld de kop opsteekt, bij een
groot aantal Joodse studenten en medewerkers heeft geleid tot angst,
stress en/of het verbergen van tekenen van joodse identiteit? Over welke
andere gegevens, onderzoeken of rapporten beschikt u op dat vlak?
Vraag 6
Herkent u de signalen in het rapport dat Joodse, Israëlische of
andere studenten in sommige gevallen hun studie afbraken en dat
medewerkers hun heil elders zochten? In hoeverre wordt nu in kaart
gebracht of studenten en/of medewerkers om de bovenstaande redenen
stoppen met hun studie of hun betrekking beëindigen? Deelt u de mening
dat dit onacceptabel is en dat dit moet worden gemonitord?
Antwoord vraag 4, 5 en 6:
Ik herken het beeld dat Joodse studenten en medewerkers zich niet
(altijd) veilig voelen op de instelling en dat zij daar ernstige
gevolgen van ondervinden. Zoals in mijn beantwoording van vraag 2
aangegeven heeft het kabinet in februari 2025 de Taskforce
Antisemitismebestrijding ingesteld, voor de duur van één jaar. De
Taskforce heeft gewerkt aan voorstellen om de veiligheid van Joden te
bevorderen, in het bijzonder de veiligheid van Joodse studenten op
universiteiten, het weren van antisemitische sprekers op hogescholen en
universiteiten en veiligheidsconsequenties van de sit-ins op
ov-stations. De Taskforce heeft onlangs haar eindverslag opgeleverd.5
De Taskforce concludeert dat, ondanks inspanningen van instellingen,
Joodse studenten en medewerkers (sociale) onveiligheid ervaren op
onderwijsinstellingen. De Taskforce constateert daarbij ook dat Joodse
studenten en medewerkers hier ernstige gevolgen van ondervinden, zoals
het zich genoodzaakt voelen om de identiteit te verbergen, het mijden
van de campus of het stoppen met de opleiding aan de instelling. Ik vind
dit onacceptabel. Studenten en medewerkers moeten zich veilig weten op
hun onderwijsinstelling.
Er wordt niet gemonitord hoe vaak studenten en medewerkers stoppen met
hun studie of hun betrekking beëindigen wegens (ervaren) antisemitisme
of onveiligheid. Universiteiten en hogescholen registreren de
geloofsovertuigingen van studenten en medewerkers niet. Het is daarom
niet bekend hoe vaak en waarom Joodse studenten en medewerkers stoppen
met hun studie of hun betrekking beëindigen. Ik vind het van groot
belang dat Joodse studenten en medewerkers zich veilig voelen op hun
instelling. In de kabinetsreactie op het advies van de Taskforce zal ik
hier nader op ingaan.
Het kabinet stuurt uw Kamer in het voorjaar een uitgebreide reactie op
het eindverslag van de Taskforce Antisemitismebestrijding.
Vraag 7
Hoe ziet u de conclusie in het rapport dat universiteiten en
hogescholen op dit moment tekortschieten om Joodse studenten en
medewerkers te beschermen? Welke concrete maatregelen zijn genomen of
worden nog genomen om ervoor te zorgen dat onderwijsinstellingen in
dezen aan hun zorgplicht voldoen?
Antwoord 7
Zie ook mijn antwoord op vraag 4, 5 en 6.
Er worden, zowel door mij als door de onderwijsinstellingen,
verschillende acties ondernomen om de veiligheid op universiteiten en
hogescholen te verbeteren. Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer onlangs
per brief uitgebreid geïnformeerd over de sociale en fysieke veiligheid
op universiteiten en hogescholen en de maatregelen die in dit kader
worden ingezet.6 Zo spreken de managers Integrale
Veiligheid van universiteiten elkaar wekelijks om een dreigingsbeeld te
maken door actuele situaties te bespreken en ervaringen, kennis en good
practices te delen. Ook zijn er gesprekken met de veiligheidsdiensten om
effectief te kunnen handelen als protesten uit de hand lopen. Ik werk
aan een handreiking voor vertrouwenspersonen over het herkennen van en
omgaan met antisemitisme. Daarnaast bespreek ik het onderwerp en alle
lopende acties regelmatig met de Nationaal Coördinator
Antisemitismebestrijding (NCAB) en met Joodse studenten en
medewerkers.
Zoals aangegeven ontvangt uw Kamer nog een uitgebreide kabinetsreactie
op het eindverslag van de Taskforce Antisemitismebestrijding. In deze
reactie gaat het kabinet ook in op de aanbevelingen uit het
eindverslag.
Vraag 8
Welke lessen heeft u getrokken uit het verloop van protesten en sit-ins
en de manier waarop universiteiten daar de afgelopen twee jaar mee zijn
omgegaan? Welke mogelijkheden tot verbetering ziet u en in hoeverre ziet
u dat deze verbeteringen nu worden opgepakt en geïmplementeerd? Graag
een toelichting.
Antwoord 8
Ik zie dat bestuurders zich dagelijks inspannen om de veiligheid van
(Joodse) studenten en medewerkers op de instelling te borgen. Ook zie ik
dat er veel acties worden en zijn verricht op dit vlak (zie ook mijn
antwoord op vraag 7). Het eindrapport van de Taskforce
Antisemitismebestrijding onderkent dit ook en geeft aan dat instellingen
acties hebben ondernomen, zoals het opstellen van een richtlijn
protesten7, het evalueren van veiligheidsbeleid
en het versterken van de afstemming met de lokale driehoek.
De Taskforce geeft ook aan dat er nog verbeteringen mogelijk zijn en
doet verschillende aanbevelingen. Zoals aangegeven in beantwoording op
voorgaande vragen ontvangt u in het voorjaar een uitgebreide reactie op
het eindverslag en de aanbevelingen van de Taskforce.
Vraag 9
Hoe beoordeelt u de uitspraken van de universitair docent die
tot voor kort werkzaam was aan de Radboud Universiteit te Nijmegen, die
Hamas verheerlijkte op zijn X-account en pleitte voor steun en
bewapening van deze terreurorganisatie? Wat vindt u van de aansporing
van deze docent aan zijn studenten - te horen op een audio-opname - om
bij te dragen aan de strijd voor het ''voor eens en altijd beëindigen
van het zionisme''? [3][4][5]
Antwoord 9
Het spreekt voor zich dat ik het verheerlijken van en het uitspreken van
steun aan terreurorganisaties van de hand wijs. Het is verder niet aan
mij als minister van OCW om uitspraken te doen over individuele
casuïstiek. Instellingen hebben aangegeven dat zij altijd aangifte doen
bij vermoedens van strafbare feiten, en zij studenten en medewerkers
bijstaan die aangifte willen doen. Het is aan het OM en uiteindelijk de
rechter om te bepalen of er in een bepaald geval sprake is van een
strafbaar feit.
Vraag 10
Hoe beoordeelt u de handelswijze van de universiteit ten aanzien van
deze geradicaliseerde docent?
Antwoord 10
Instellingsbesturen zijn verantwoordelijk voor een veilige leer– en
werkomgeving, ik zie dat zij zich hier dagelijks voor inspannen. Het is
aan een instellingsbestuur om, als werkgever, zo nodig maatregelen te
nemen richting haar medewerkers. Het is dan ook niet aan mij als
minister van OCW om het handelen van een instellingsbestuur in een van
haar arbeidsrelaties te beoordelen. Ik vind dat in het onderwijs,
onderzoek en bij verschillende activiteiten die op instellingen
georganiseerd worden van docenten mag worden verwacht dat zij zich
bewust zijn van hun voorbeeldfunctie en dat zij zorgen voor ruimte voor
diversiteit aan inzichten. Ik verwacht dat instellingen hun
verantwoordelijkheid nemen in de zorg voor een veilige leer- en
werkomgeving voor studenten en medewerkers en hierbij het reguliere
instrumentarium inzetten dat zij hiervoor beschikbaar hebben, variërend
van aanspreken, berispen tot en met ontslag en aangifte. De inzet en
proportionaliteit van de maatregelen hangt af van de aard en ernst van
de situatie, dit ter beoordeling door de instelling als werkgever.
Vraag 11
Bent u van mening dat eerder had moeten worden opgetreden tegen
een docent die zich op een dergelijke manier gedraagt? Welke lessen
kunnen/moeten universiteiten leren ten aanzien van deze situatie?
Antwoord 11
Zie mijn antwoord op vraag 10. Daarbij heeft mijn
ambtsvoorganger uw Kamer onlangs per brief uitgebreid geïnformeerd over
de sociale en fysieke veiligheid op universiteiten en hogescholen en de
maatregelen die in dit kader worden ingezet.8 In
deze brief gaat mijn ambtsvoorganger onder andere in op het gezamenlijk
leren van instellingen in de vorm van kennisdeling tussen instellingen,
wat bijdraagt aan een gedeelde kennispositie en harmonisering van
advisering aan besturen. Daarbij geeft hij aan dat de managers Integrale
Veiligheid van de universiteiten wekelijks bij elkaar komen om een
gezamenlijk dreigingsbeeld te maken door onder andere de actuele
situatie te bespreken en ervaringen, kennis en good practices
uit te wisselen. De hogescholen delen kennis en ervaringen met name
tussen instellingen die in hetzelfde geografische gebied liggen, tussen
instellingen van vergelijkbaar karakter, tussen
(vertrouwens)functionarissen en breder in het landelijke Platform
Integrale Veiligheid en op bestuurlijk niveau. Zo wordt eenduidig en
efficiënt omgegaan met de ontwikkelde kennis en ervaring.
Vraag 12
Heeft u overwogen om in het kader van deze problematiek een beroep te
doen op de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek die
de mogelijkheid biedt om instellingen die falen in het beoefenen van hun
publieke taken een aanwijzing te geven of andere maatregelen te nemen
als onderdeel van de systeemverantwoordelijkheid van de minister,
wanneer sprake is van wanbeheer? Graag een toelichting.
Antwoord 12
Ik ga niet in op individuele casuïstiek. Zie mijn antwoord op vraag 13
voor een algemene toelichting.
Vraag 13
Kunt u schetsen in welke gevallen de minister zou overgaan tot
het geven van een aanwijzing en/of het treffen van een maatregel tegen
instellingen? Wanneer zou hier sprake van zijn?
Antwoord 13
Wanneer de Inspectie van het Onderwijs na gedegen onderzoek in
een rapport tot de conclusie komt dat er sprake is van wanbeheer in de
zin van de Wet op hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW),
heb ik als minister van OCW de mogelijkheid de Raad van Toezicht van de
betreffende instelling een aanwijzing te geven. Een aanwijzing houdt in
dat ik de Raad van Toezicht een opdracht geef tot het nemen van een of
meer maatregelen. Het geven van een aanwijzing is het ultimum remedium
en dient daarom, net als de inhoud, proportioneel te zijn. Eerst moet
worden geprobeerd om het doel van de aanwijzing met een minder zwaar
middel te bereiken. In welke gevallen en op welk moment ik overga tot
het geven van een aanwijzing moet ik per casus en binnen de context
daarvan bezien.
Vraag 14
Wat vindt u van de aanbeveling in het rapport om verplichte voorlichting
te geven over antisemitisme, vergelijkbaar met trainingen over
grensoverschrijdend gedrag?
Antwoord 14
De Taskforce Antisemitismebestrijding gaat in haar aanbevelingen ook in
op de kennis over antisemitisme bij (vertrouwenspersonen van)
instellingen. Zoals aangegeven zal het kabinet aan het eind van het
voorjaar uitgebreid reageren op het eindverslag en de aanbevelingen van
de Taskforce.
Vraag 15
Zijn er op dit moment organisaties actief op Nederlandse universiteiten
en hogescholen die in andere Europese landen zijn verboden en/of worden
beschouwd als terroristische of radicale bewegingen dan wel daar nauwe
banden mee hebben? Welke informatie is daarover beschikbaar en in
hoeverre wordt dit onderzocht?
Antwoord 15
Ik kan niet ingaan op de betrokkenheid en activiteiten van organisaties
bij Nederlandse universiteiten en hogescholen. Deze bevoegdheid ligt bij
de lokale driehoek, zijnde de burgemeester, de politie en het Openbaar
Ministerie. Het is niet aan mij als minister van OCW om in deze
bevoegdheid te treden.
[1] Amanda Kluveld en Eliyahu V. Sapir, december 2025, ''Het 7 oktober-effect: Joodse en Israëlische ervaringen te midden van anti-Israëlische stromingen, zionistenhaat en antisemitisme aan Nederlandse universiteiten en hogescholen'', Tzedek Research & Publishing
[2] Amanda Kluveld en Eliyahu V. Sapir, 7 oktober 2024, ''Onveilige Ruimtes: De Opgang van Antisemitisme in de Nederlandse Academische Wereld'' (cdn.prod.elseone.nl/uploads/2024/10/REPORTKLUVELDSAPIR.pdf)
[3] Nijmans Nieuwsbriefje, 4 juni 2025, ''Tofik Dibi en Harry Pettit pleiten voor gewapende strijd tegen zionisten'' (www.nijmansnieuwsbriefje.nl/p/harry-pettitler?utm_source=publication-search)
[4] X, 9 oktober 2025 (https://x.com/HarrygPettit/status/1976176214235885730)
[5] Facebook, 7 oktober 2025 (www.facebook.com/photo/?fbid=1389049203091885&set=door-goed-gezegd-te-reageren-op-een-bericht-waarin-7-oktober-de-dag-van-de-massa)
Kamerstukken II 2025-2026 30 950, nr. 508↩︎
Kamerstukken II 2024-2025 30 950, nr. 429↩︎
Kamerstukken II 2025-2026 29 240, nr. 179↩︎
Kamerstukken II 2025-2026 29 240, nr. 179↩︎
Kamerstukken II 2025-2026 30 950, nr. 508↩︎
Kamerstukken II, 2025/26, 29.240, nr. 179↩︎
Zie: https://www.universiteitenvannederland.nl/files/publications/Richtlijn%20protesten%20%20UNL%20%26%20VH_2.pdf↩︎
Kamerstukken II, 2025/26, 29.240, nr. 179.↩︎