[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Nederlandse verklaring tot interventie in zaak Zuid-Afrika tegen Israël bij het Internationaal Gerechtshof

De situatie in het Midden-Oosten

Brief regering

Nummer: 2026D12020, datum: 2026-03-17, bijgewerkt: 2026-03-18 15:43, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 23432 -667 De situatie in het Midden-Oosten.

Onderdeel van zaak 2026Z05259:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


23 432 De situatie in het Midden-Oosten

Nr. 667 Brief van de minister van Buitenlandse Zaken

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 17 maart 2026

Hierbij informeer ik u nader over de door het Koninkrijk der Nederlanden (hierna: Nederland) ingediende verklaring tot interventie in de rechtszaak van Zuid-Afrika tegen Israël bij het Internationaal Gerechtshof (IGH), conform mijn toezegging gedaan tijdens het plenaire debat over Iran van 12 maart 2026.

Allereerst wenst het kabinet te benadrukken dat het met het indienen van deze verklaring tot interventie geen inhoudelijke positie inneemt in deze zaak. De verklaring tot interventie gaat niet in op de feiten van de zaak of de situatie ter plaatse, maar geeft een louter juridische interpretatie over delen van het Genocideverdrag. Daarmee dient de interventie niet ter ondersteuning van een van de partijen binnen de lopende zaak, maar ter ondersteuning van het algemene doel om de ontwikkeling van het internationaal recht te bevorderen. Het indienen van een dergelijke verklaring tot interventie heeft Nederland daarom eveneens gedaan in de andere lopende zaken van het IGH onder het Genocideverdrag in de afgelopen jaren, namelijk in de zaak van Gambia tegen Myanmar uit 2019 en de zaak van Oekraïne tegen de Russische Federatie uit 2022. Daarmee is overigens niet gezegd dat genoemde zaken inhoudelijk overeenkomen.

Zuid-Afrika tegen Israël en het recht te interveniëren

Zuid-Afrika heeft op 29 december 2023 met de indiening van een verzoekschrift bij het IGH een rechtszaak tegen Israël aangespannen vanwege vermeende genocide jegens Palestijnen in de Gazastrook, in strijd met de verplichtingen van Israël onder het Verdrag inzake de voorkoming en bestraffing van genocide (Genocideverdrag).

Op 6 februari 2024 hebben alle 153 verdragspartijen bij het Genocideverdrag, waaronder Nederland, een notificatie van het IGH gekregen waarin zij zijn gewezen op de mogelijkheid tot interventie in de procedure. Dit recht vloeit voort uit het Statuut van het IGH, dat alle verdragspartijen bij een multilateraal verdrag – zoals het Genocideverdrag – de mogelijkheid biedt te interveniëren.

Indien een staat gebruik wenst te maken van deze mogelijkheid tot interventie, wordt eerst een verklaring tot interventie ingediend. In dit geval verliep de deadline voor het indienen van deze verklaring op 12 maart 2026. Vervolgens beoordeelt het IGH of Nederland, en alle andere staten die een verklaring tot interventie hebben ingediend, toegelaten worden als interveniënt. De staten die toegelaten worden krijgen vervolgens de mogelijkheid een schriftelijke zienswijze in te dienen, waarin een uitgebreidere toelichting gegeven wordt op de interpretatie van het verdrag, en ook ingegaan kan worden op interventies van andere staten.

Een verklaring tot interventie en de daaropvolgende schriftelijke zienswijzen moeten, op grond van het Statuut van het IGH en de vaste jurisprudentie hierover van het IGH, beperkt zijn tot de interpretatie van het relevante verdrag, in dit geval het Genocideverdrag. Zij mogen niet ingaan op de feiten en situatie ter plaatse, in dit geval de gebeurtenissen in Gaza. Een staat mag enkel een juridische interpretatie geven van het verdrag. Mocht een staat zich hier niet aan houden, dan heeft het IGH de bevoegdheid (een deel van) de verklaring tot interventie als ‘niet ontvankelijk’ te verklaren. Als de staat geheel niet ontvankelijk verklaard wordt, dan mag deze staat geen schriftelijke zienwijzen indienen. Als een deel van de verklaring tot interventie niet ontvankelijk verklaard wordt, dan moet de staat zich in zijn schriftelijke zienswijzen beperken tot de wel ontvankelijk verklaarde onderwerpen.

Inhoud van de Nederlandse verklaring tot interventie in de zaak van Zuid-Afrika tegen Israël

In de zaak van Zuid-Afrika tegen Israël heeft Nederland op 11 maart 2026 een verklaring tot interventie ingediend. De inhoud van de verklaring is openbaar en gepubliceerd op de website van het IGH.1 De volgende landen hebben tevens voor de deadline van 12 maart een verklaring tot interventie ingediend in deze zaak: Hongarije, Verenigde Staten, IJsland, Fiji, Namibië, Paraguay, Colombia, Mexico, Spanje, Turkije, Chili, Malediven, Bolivia, Ierland, Cuba, Belize, Nicaragua, Libië, Brazilië, Comoren en België. Ook de Palestijnse Autoriteit heeft een verklaring ingediend.

Het kabinet beschouwt het van belang dat Nederland bijdraagt aan de bevordering van het internationaal recht. Interveniëren komt tegemoet aan deze wens. Daarnaast acht het kabinet het van belang dat Nederland met deze interventie een bijdrage kan leveren aan een consistente uitleg van het Genocideverdrag, en zijn visie op de reikwijdte van de relevante bepalingen kan geven. Het indienen van de interventie behelst daarmee geen inhoudelijke stellingname. Nederland heeft de afgelopen jaren in alle andere lopende zaken van het IGH onder het Genocideverdrag geïntervenieerd; in de zaak van Gambia tegen Myanmar uit 2019 en de zaak van Oekraïne tegen de Russische Federatie uit 2022. Derhalve heeft het kabinet ook in deze zaak besloten een verklaring tot interventie in te dienen.

Het kabinet benadrukt dat de verklaring tot interventie niet ingaat op de feiten van de zaak of de situatie ter plaatse, maar zich uitsluitend richt op de interpretatie van delen van het Genocideverdrag. Met het indienen van deze verklaring neemt het kabinet dan ook geen inhoudelijk standpunt in ten aanzien van de voorliggende zaak. Het kabinet wacht de uitspraak van het IGH af.

De minister van Buitenlandse Zaken,
T.B.W. Berendsen


  1. https://icj-cij.org/sites/default/files/case-related/192/192-20260311-int-01-00-en.pdf↩︎