[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Tweeminutendebat Internetconsultatie Landelijke vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties (28973-288) (ongecorrigeerd)

Stenogram

Nummer: 2026D12223, datum: 2026-03-17, bijgewerkt: 2026-03-18 09:15, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Internetconsultatie landelijke vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties

Internetconsultatie landelijke vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties

Aan de orde is het tweeminutendebat Internetconsultatie landelijke vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties (28973, nr. 288).

De voorzitter:
Ik stel voor meteen door te gaan met het volgende tweeminutendebat, het tweeminutendebat Internetconsultatie landelijke vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties. Ik heet de minister van harte welkom in ons midden en geef als eerste het woord aan mevrouw Van der Plas voor haar inbreng namens de BBB.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel. Wederom twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat agrarische bedrijven niet alleen voedsel produceren, maar ook bijdragen aan natuurbeheer, recreatie, zorg, educatie en sociale binding op het platteland;

constaterende dat duizenden boerenbedrijven agrarisch natuurbeheer uitvoeren, recreatieve activiteiten aanbieden of een zorgfunctie of educatieve functie vervullen;

overwegende dat het verdwijnen van agrarische bedrijven daarom niet alleen economische gevolgen heeft, maar ook een enorm effect heeft op de leefbaarheid, sociale samenhang en voorzieningen op het platteland;

overwegende dat deze bredere maatschappelijke functies van boerenbedrijven momenteel nauwelijks in beeld worden gebracht bij beleid rondom beëindigingsregelingen;

verzoekt de regering in beeld te brengen welke maatschappelijke functies agrarische bedrijven vervullen naast voedselproductie en economische waarde, waaronder natuurbeheer, zorg, recreatie, educatie en sociale binding op het platteland, en bij verdere beëindigingsregelingen ook de gevolgen voor deze maatschappelijke functies en de leefbaarheid van het platteland mee te wegen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 291 (28973) (#1).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat beëindigingsregelingen in de veehouderij kunnen leiden tot veranderingen in landgebruik en mogelijk tot een afname van het areaal blijvend grasland;

constaterende dat blijvend grasland een belangrijke bijdrage levert aan onder andere bodemkwaliteit, waterkwaliteit en biodiversiteit;

overwegende dat agrariërs in verschillende regio's werken met rotatieteelten waarbij grasland en andere gewassen elkaar afwisselen;

overwegende dat het beperken van de mogelijkheid om grasland te scheuren of om te zetten deze teeltrotaties kan bemoeilijken en daarmee ook gevolgen kan hebben voor de waarde en het gebruik van landbouwgrond;

overwegende dat het onwenselijk is wanneer boeren eerst worden gestimuleerd of gedwongen hun veehouderij te beëindigen en vervolgens geconfronteerd worden met nieuwe beperkingen op het gebruik van hun landbouwgrond;

verzoekt de regering bij eventuele afname van het areaal blijvend grasland in te zetten op stimulering en beloning van het behoud van blijvend grasland, en daarbij te voorkomen dat dwingende beperkingen op het scheuren of omzetten van grasland worden opgelegd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 292 (28973) (#2).

Dank u wel, mevrouw Van der Plas. Het woord is aan het lid Kostić voor haar inbreng namens de Partij voor de Dieren. Gaat uw gang.

Kamerlid Kostić (PvdD):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur in het rapport Grond voor verbetering heeft geadviseerd om grondtransacties te toetsen op hun bijdrage aan het oplossen van maatschappelijke opgaven;

verzoekt de regering bij grondtransacties te toetsen op de mate waarin ze bijdragen aan onder andere dierwaardigheid, en daarover aan de Kamer te rapporteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kostić.

Zij krijgt nr. 293 (28973) (#3).

Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik wil daarbij meegeven dat het ons er vooral om gaat dat de Kamer de boodschap meegeeft dat het belangrijk is om bij grondtransacties altijd ook te kijken naar dierwaardigheid. Dat staat nog los van het rapport zelf. Dat is maar een voorbeeld. Het doel is om dierwaardigheid mee te nemen.

De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Chris Jansen voor zijn inbreng namens de Partij voor de Vrijheid. Gaat uw gang.

De heer Chris Jansen (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de minister de vrijwillige beëindigingsregeling al voor prenotificatie aan de Europese Commissie aanbiedt voordat de Tweede Kamer hier inhoudelijk over heeft kunnen debatteren;

van mening dat dit de budgettaire en beleidsmatige regelruimte van het parlement feitelijk aan banden legt;

verzoekt de regering om vanaf nu pas over te gaan tot notificatie van beëindigingsregelingen bij de Europese Commissie nadat de Kamer formeel heeft ingestemd met de kaders en de doelmatigheid van een regeling,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Chris Jansen.

Zij krijgt nr. 294 (28973) (#4).

Dank u wel, meneer Jansen. Tot slot is het woord aan de heer Koorevaar als laatste spreker van de zijde van de Kamer. Hij spreekt namens de fractie van het CDA.

De heer Koorevaar (CDA):
Voorzitter, dank u wel. Als we geld uitgeven aan een regeling om boeren de gelegenheid te geven om hun bedrijf te beëindigen, laat het dan besteed worden aan bedrijven die relatief oud zijn en dicht bij gevoelige natuur liggen. Dan wordt het geld goed besteed, wordt de ruimte effectief benut en is het logisch dat we zo'n regeling instellen. Vandaar de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Landelijke vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Vbr) bedoeld is om stikstofreductie te realiseren en bij te dragen aan natuurherstel;

constaterende dat het risico bestaat dat via deze regeling relatief dure en moderne veehouderijbedrijven worden opgekocht die per bestede euro relatief weinig stikstofreductie en natuurwinst opleveren;

overwegende dat publieke middelen doelmatig en effectief moeten worden ingezet, zodat met het beschikbaar gestelde budget de maximaal mogelijke stikstofreductie wordt gerealiseerd;

overwegende dat een groot deel van de bedrijven met hoge emissies die overwegen te stoppen al zijn gestopt middels eerdere beëindigingsregelingen;

overwegende dat juist in gebieden rond zwaar overbelaste Natura 2000- gebieden, zoals de Veluwe en de Peel, substantiële stikstofreductie noodzakelijk is;

verzoekt de regering de Landelijke vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties zodanig vorm te geven dat bij de toekenning van middelen nadrukkelijk wordt gestuurd op maximale stikstofreductie en natuurwinst door prioriteit te geven aan bedrijven die een relatief grote bijdrage leveren aan stikstofdepositie op overbelaste Natura 2000-gebieden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Koorevaar.

Zij krijgt nr. 295 (28973) (#5).

Dank u wel, meneer Koorevaar. Ik schors tot 17.27 uur voor de beantwoording van de zijde van de minister.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:
Ik heropen de vergadering en geef het woord aan de minister.

Minister Van Essen:
Dank u wel, voorzitter. Ook dank aan de Kamerleden voor de moties. Ik begin met de motie van mevrouw Van der Plas over de sociale consequenties op het platteland. Aandacht voor sociaal-economische aspecten ziet het kabinet als essentieel onderdeel van het beleid om landbouw en natuur in evenwicht te brengen en ook om de vergunningenproblematiek op te lossen. Ik wil dit onderwerp dan ook onderdeel maken van en een plaats geven in een taskforce. Er wordt alleen al aardig wat onderzoek gedaan naar de sociaal-economische effecten van onder andere de beëindiging, waarvan gebruik kan worden gemaakt. Dus mijn oordeel is: oordeel Kamer, mits ik de motie zo mag interpreteren dat het lopende onderzoek onderdeel is van deze motie en dat de noodzaak tot vervolgonderzoek mag worden bepaald aan de hand van de uitkomsten van het lopende onderzoek.

De voorzitter:
Ik kijk naar mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Kan de minister aangeven wanneer wij dat onderzoek of die onderzoeken — volgens mij had hij het in meervoud over allerlei onderzoeken — kunnen verwachten?

Minister Van Essen:
Het is een onderzoek van PBL en WUR naar de sociaal-economische effecten van stikstofbronmaatregelen en natuurmaatregelen. Op 12 maart jongstleden heeft u ook een dergelijke rapportage ontvangen, heb ik begrepen. Maar ik moet bij u terugkomen ten aanzien van de exacte datum. Ik wil graag uw pleidooi meenemen richting de taskforce.

De voorzitter:
En de minister spreekt via de voorzitter. Mevrouw Van der Plas, tot slot.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik stel wel prijs op een lijstje vanuit het ministerie van LVVN met de onderzoeken die er lopen. Ik weet dat ik zelf ook om een onderzoek heb gevraagd, een impactanalyse van de gevolgen van het stikstofbeleid. Dan kan ik even een beetje bepalen wat er aankomt en hoe snel dat komt. Dus voorlopig houd ik 'm even zo. Als ik dan voor de stemmingen van volgende week even op een rijtje kan krijgen wat er allemaal loopt, dan ga ik nog even kijken.

De voorzitter:
Ik kijk of de minister dat kan toezeggen.

Minister Van Essen:
Ik begrijp dat mevrouw Van der Plas ook graag wil weten wanneer dat onderzoek komt. Dat kan ik toezeggen.

De voorzitter:
De minister heeft dat toegezegd. Wat betekent dat voor het oordeel van de minister over de motie zonder de interpretatie van de minister? Wordt die dan ontraden?

Minister Van Essen:
Ja, de motie wordt ontraden als de interpretatie niet door kan gaan. Maar ik snap ook dat mevrouw Van der Plas behoefte heeft aan een tijdstip.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Even voor de duidelijkheid: ik kan akkoord gaan met de interpretatie. Maar ik wil er even goed naar kunnen kijken. Ik kan dan altijd alsnog beslissen om 'm gewoon ongewijzigd in te dienen. Dus ik ga nu akkoord met de interpretatie. Ik kan 'm ook aanhouden. Ik ga akkoord met de interpretatie, maar daarbij wil ik graag een lijstje hebben van de verwachte onderzoeken en wanneer die komen.

De voorzitter:
De minister heeft die informatie toegezegd. Mevrouw Van der Plas gaat voor nu akkoord met de interpretatie. Als het anders wordt, zien we dat op de stemmingslijst.

Dan de motie op stuk nr. 292.

Minister Van Essen:
Ja, de motie op stuk nr. 292, ook van mevrouw Van der Plas. Ik deel het belang dat wordt geschetst van grasland, en blijvend grasland, ook voor de waterkwaliteit. Voor de zomer komt het kabinet, zoals u allen weet, met een pakket om invulling te geven aan het coalitieakkoord. Ik kan nu nog niet vooruitlopen op de wijze waarop het kabinet daarin zal sturen op het behoud van grasland. Maar ik wil bepaalde maatregelen niet toezeggen of uitsluiten. Daarom ontraad ik deze motie.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 292 wordt ontraden. Dan de motie op stuk nr. 293.

Minister Van Essen:
De motie op stuk nr. 293 zou ik het oordeel "ontijdig" willen geven. De kabinetsreactie op het Rli-rapport waar net over werd gesproken, wordt nu opgesteld. Ook daar wil ik niet op vooruitlopen.

De voorzitter:
Dan is de vraag aan het lid Kostić of zij bereid is om de motie aan te houden. Dat mag non-verbaal eventueel, maar ook verbaal. Gaat uw gang.

Kamerlid Kostić (PvdD):
Nou, ik ben altijd heel constructief, zoals de voorzitter weet. Maar in dit geval gaat het mij, zoals ik nadrukkelijk zei, om een boodschap van de Kamer om de toets voor dierwaardigheid in ieder geval mee te nemen. Dat staat los van het Rli-rapport. Het is maar een voorbeeld. Ik denk dat deze minister dat toch zou moeten begrijpen. Dus ik hoop dat hij dit alsnog aan het oordeel van de Kamer overlaat.

Minister Van Essen:
Dan wordt het oordeel: ontraden. Ik ga ervan uit dat de kabinetsreactie er voor de zomer is. Volgens mij wordt mevrouw Kostić …

De voorzitter:
Het lid Kostić.

Minister Van Essen:
Volgens mij wordt het lid Kostić dan snel bediend.

Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik neem aan dat het niet "ontraden" maar "ontijdig" is, dan?

Minister Van Essen:
Dan is het ontijdig.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 293 krijgt de appreciatie "ontijdig" wanneer het lid Kostić die in stemming brengt. Dan de motie op stuk nr. 294.

Minister Van Essen:
Ja, dat is de motie van de heer Jansen. De motie vraagt mij eigenlijk om te handelen in lijn met wat gebruikelijk is. Uw Kamer is door mijn voorganger geïnformeerd over de inhoud van de regeling die zojuist werd bedoeld. Dat geldt ook voor de startnotificatie. Uiteindelijk — maar dat weet u als geen ander, voorzitter — is bij de financiële besluitvorming het parlement ook aan zet. Daarmee ontraad ik deze motie.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 294: ontraden. Tot slot de motie op stuk nr. 295.

Minister Van Essen:
De motie op stuk nr. 295 wil ik oordeel Kamer geven met de volgende interpretatie. Wij willen in de vrijwillige beëindigingsregeling maximaal gaan sturen op veehouderijen binnen een strook van 1.000 meter rondom Natura 2000-gebieden en die subsidie daar dan ook met voorrang verlenen. Buiten de strook willen we maximaal sturen op kostenefficiëntie door subsidie te verlenen middels een tender die aanvragen rangschikt. Als de heer Koorevaar kan leven met deze interpretatie, kan ik 'm oordeel Kamer geven.

De voorzitter:
Ik zie dat hij dat kan, want hij stemt daar non-verbaal mee in. Daarmee krijgt de motie op stuk nr. 295 oordeel Kamer. Bent u daarmee aan het einde van uw beantwoording?

Minister Van Essen:
Ja.

De voorzitter:
Dat is het geval.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
Daarmee zijn we aan het einde gekomen van dit tweeminutendebat.