[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Tweeminutendebat Landelijk Gebied, Stikstof en Mest (35334-415) (ongecorrigeerd)

Stenogram

Nummer: 2026D12224, datum: 2026-03-17, bijgewerkt: 2026-03-18 09:16, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Landelijk gebied, stikstof en mest

Landelijk gebied, stikstof en mest

Aan de orde is het tweeminutendebat Landelijk gebied, stikstof en mest (35334, nr. 415).

De voorzitter:
Ik stel voor om meteen door te gaan met het volgende tweeminutendebat. Dat betreft het tweeminutendebat Landelijk gebied, stikstof en mest. Als zij zover is, geef ik het woord aan mevrouw Van der Plas, wederom de eerste spreker, voor haar inbreng namens de BBB. Gaat uw gang.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel. Ik heb wederom twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in het coalitieakkoord is opgenomen dat vóór de zomer afspraken worden gemaakt over generieke stikstofreductiemaatregelen;

constaterende dat tijdens het debat over de regeringsverklaring is aangegeven dat generieke stikstofreductie onder meer kan plaatsvinden via afroming, grondgebondenheid en vrijwillige beëindiging;

constaterende dat generieke maatregelen grote onzekerheid veroorzaken voor boeren en tuinders, met name voor ondernemers die momenteel niet volledig grondgebonden zijn en dat ook niet op korte termijn kunnen worden;

overwegende dat generieke kortingen op productierechten of dieraantallen grote economische gevolgen kunnen hebben voor individuele bedrijven en afbreuk doen aan de inzet op doelsturing en maatwerk;

verzoekt de regering bij de uitwerking van generieke reductiemaatregelen niet te kiezen voor generieke kortingen op productierechten of dieraantallen, ook niet voor bedrijven die momenteel niet grondgebonden zijn,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 430 (35334) (#1).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat stikstofreductie in het huidige beleid vaak wordt gepresenteerd als noodzakelijke voorwaarde voor natuurherstel;

constaterende dat volgens gegevens van het Compendium voor de Leefomgeving de Nederlandse stikstofemissies sinds 1990 zijn gehalveerd, maar dat door veel partijen nog steeds wordt gezegd dat de natuur verder achteruit zou gaan;

overwegende dat vermindering van stikstofdepositie op zichzelf dus geen oplossing is voor herstel van natuurkwaliteit;

spreekt uit dat stikstofreductie niet gelijkgesteld kan worden aan natuurherstel en dat de staat en ontwikkeling van natuurgebieden primair beoordeeld moeten worden op hun feitelijke ecologische kwaliteit en het gevoerde natuurbeheer,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 431 (35334) (#2).

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dan wil ik afsluiten met iedereen morgen heel veel succes te wensen, ook van de collega-partijen, bij de gemeenteraadsverkiezingen. Ik zou de mensen willen oproepen om vooral te gaan stemmen: maak morgen gebruik van uw democratisch recht. Donderdag weten we meer.

Dank u wel.

De voorzitter:
Zo is dat! Dank u wel, mevrouw Van der Plas. Het woord is aan mevrouw Bromet namens GroenLinks-Partij van de Arbeid.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Dit kabinet gaat het stikstofprobleem oplossen. Ik heb twee moties om daar een beetje bij te helpen. De eerste gaat over borging.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er wettelijke stikstofdoelen zijn voor 2030;

overwegende dat uitstel van doelen en maatregelen leidt tot verdere achteruitgang van natuur en Nederland op het stikstofslot laat;

overwegende dat tijdige en juridisch houdbare stikstofborging noodzakelijk is voor zowel natuurherstel als perspectief op vergunningverlening;

verzoekt de regering een maatregelenpakket op te stellen waarmee de 2030-doelen worden gehaald, en de effectiviteit van de maatregelen juridisch te borgen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Bromet.

Zij krijgt nr. 432 (35334) (#3).

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
En de tweede.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet voor de zomer met een maatregelenpakket komt op stikstof;

overwegende dat de natuuropgaven in het landelijk gebied breder zijn dan stikstof alleen, en ook gaan over water, klimaat, biodiversiteit, dierenwelzijn en zoönosen;

verzoekt de regering om deze opgaven in samenhang te bezien en voor de zomer een op de hierboven genoemde onderdelen doorgerekend pakket met de Kamer te delen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Bromet.

Zij krijgt nr. 433 (35334) (#4).

Dank u wel. Dan is het woord aan het lid Kostić namens de Partij voor de Dieren.

Kamerlid Kostić (PvdD):
Voorzitter. Ik heb slechts één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het coalitieakkoord meer inzet op agrarisch natuurbeheer en tegelijkertijd belang hecht aan "heldere verantwoording voor effectief natuurbeheer" en "hoe dit de meeste winst oplevert voor natuur en water";

overwegende dat de ecologische evaluatie van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer laat zien dat er nauwelijks vooruitgang wordt geboekt en dat slechts 2,5% van de landbouwgrond wordt ingezet voor "zwaar beheer", terwijl volgens de adviezen minstens 41% nodig is om soorten te behouden;

overwegende dat het belangrijk is om belastinggeld van Nederlanders zo doelmatig en effectief mogelijk te besteden;

verzoekt de regering de conclusies van de ecologische evaluatie van agrarisch natuurbeheer, waaronder de noodzaak voor meer "zwaar beheer", door te vertalen in beleid, en hierover voor de zomer aan de Kamer terug te koppelen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kostić.

Zij krijgt nr. 434 (35334) (#5).

Kamerlid Kostić (PvdD):
Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Chris Jansen namens de PVV.

De heer Chris Jansen (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Wederom één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de overheid eindelijk heeft erkend dat een wintergarten onder voorwaarden als dierenverblijf kan gelden;

overwegende dat ondernemers met een feitelijk identieke situatie nog steeds worden uitgesloten van regelingen enkel door het ontbreken van een specifiek stalcertificaat;

van mening dat deze papieren werkelijkheid leidt tot stuitende rechtsongelijkheid en onnodige uitsluiting van boeren;

verzoekt de regering om aanvullende, objectieve bewijsmiddelen toe te staan voor de wintergarten, zodat de feitelijke situatie op het bedrijf leidend wordt in plaats van starre, papieren formaliteiten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Chris Jansen.

Zij krijgt nr. 435 (35334) (#6).

Dank u wel, meneer Jansen. Het woord is aan de heer Grinwis namens de ChristenUnie. Gaat uw gang.

De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel voor het woord. Ik zag in de voorbereiding voor dit tweeminutendebat dat ik bij het schriftelijk overleg ook al aandacht vroeg voor de vergunningverlening en het gegeven dat daar zo weinig duidelijkheid over is. Daar had ik het bij de begrotingsbehandeling natuurlijk ook al over. Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat ondanks diverse inspanningen de afgelopen jaren nog steeds niet volledig duidelijk en zeker is hoe Rijk en provincies de vergunningverlening (Nb-vergunningen) weer op gang brengen én dat vergunningen vervolgens standhouden in de rechtszaal;

overwegende dat in het coalitieakkoord en de opdrachtbrief Landbouw, Natuur en Stikstof wel de nodige aandacht is voor emissiereductie en natuurherstel, maar nog weinig voor het weer op gang brengen van de vergunningverlening, behalve dat een nieuwe vergunningsverleningssystematiek gebaseerd op doelvoorschriften wordt aangekondigd;

overwegende dat de huidige vergunningenproblematiek niet alleen schadelijk is voor Nederland, maar dat ook kansen worden gemist om stikstofreducerende maatregelen te implementeren;

verzoekt de regering om, naast de inzet op emissiereductie en natuurherstel, te komen met een analyse en aanpak om de vergunningverlening in Nederland op zo kort mogelijke termijn weer op gang te brengen, en daarbij onder andere de mogelijkheid te verkennen om te gaan werken met concrete gebiedsplafonds voor stikstofemissies, waarbij ondernemers/initiatiefnemers binnen de hun toebedeelde emissieruimte voor langere termijn rechtszekerheid krijgen, en de Kamer daarover voor de zomer te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Grinwis.

Zij krijgt nr. 436 (35334) (#7).

Dank u wel, meneer Grinwis. Er is één interruptie voor u, van mevrouw Bromet.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Er wordt gevraagd om een verkenning. Dat lijkt me prima, maar wat zijn daar dan de consequenties van? Is dat dan een verplichting voor de boeren in dat gebied of blijft het allemaal vrijblijvend bij de ChristenUnie?

De heer Grinwis (ChristenUnie):
Volgens mij is er nog te weinig helderheid over de manier waarop we uit de vergunningenklem komen. Je kunt stikstof reduceren en je kunt de natuur herstellen. Heb je dan vervolgens ook de problematiek met de vergunningen echt opgelost? Dat is een beetje de suggestie die vaak min of meer door de debatten heen is geslopen, maar dat is niet per se zo. Daar hebben we het bij de landbouwbegroting over gehad. Het idee hierachter is dat emissieruimte als oplossingsrichting wordt verkend. Die moet passend zijn bij de Natura 2000-gebieden in de omgeving, zodat de situatie niet verder verslechtert, maar verbetert. Ondernemers gaan dan binnen die emissieruimte met een duurzaam ondernemersplan aan de slag, waarin ze duidelijk maken op welke manier ze binnen de emissieruimte blijven. Vervolgens kun je misschien zelfs zover gaan dat bij een passende beoordeling een vergunningplicht voor die individuele onderneming niet meer nodig is, maar het gaat erom dat je op die manier de boel weer aan het rollen krijgt. Dat is de oplossingsrichting die ik in de eerste termijn van de afgelopen begrotingsbehandeling ook heb geschetst. Ik heb geprobeerd dat op hoofdlijnen in deze motie neer te leggen. Dat is eigenlijk het verhaal.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik heb nog niet echt een antwoord gehoord of misschien heb ik het niet goed begrepen. Wat bedoelt de heer Grinwis met dat het misschien niet mogelijk is voor sommige ondernemers? Er zijn namelijk gebieden waar gewoon nog heel weinig mogelijk is. Dan kun je wel een opdracht geven, maar als dat een onmogelijke opdracht is …

De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik doe hier geen uitspraak over hoe groot de emissieruimte precies moet zijn in het gebied. Ik doe ook geen uitspraak over hoe dat er precies uit moet gaan zien. Ik vraag alleen aan de regering: geef alsjeblieft niet alleen prioriteit aan emissiereductie en natuurherstel, maar ook aan vergunningverlening en verken daarbij ook deze mogelijkheid. Collega Koorevaar en ik hebben ons allebei al een beetje verdiept in die mogelijkheid. Het klinkt veelbelovend. Laten we dat alsjeblieft verkennen. Ik ben bang dat we anders blijven hangen in de huidige manier van vergunningverlening, waarbij je voor elk individueel project tegen het additionaliteitsvereiste aan loopt en je eigenlijk geen stap verder komt. Ik denk dat dit een mogelijkheid kan zijn om uit de klem te komen. Betekent dat dat er in sommige gebieden nog steeds niet veel kan? Ja, dat zou zomaar kunnen. Gaat dit echt een panacee zijn om elk project weer mogelijk te maken in Nederland? Nee, want in sommige gebieden zal de emissieruimte inderdaad mogelijk beperkt zijn. Dit is meer logica dan dat ik nu helemaal aan mevrouw Bromet kan schetsen dat het er zo en zo uit gaat zien.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Grinwis. Het woord is aan de heer Flach namens de SGP.

De heer Flach (SGP):
Voorzitter, dank u wel. Ik heb twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de Kamer heeft gevraagd de aanwijzing van de met nutriënten verontreinigde gebieden (NV-gebieden) in te perken door beter rekening te houden met de invloed van fosfaatrijke kwel en met een eventueel beperkte bijdrage van de landbouw (motie-Flach/Grinwis (28973, nr. 278)), mede op basis van de uitgevoerde landelijke bronnenanalyse door Wageningen Environmental Research (WER);

overwegende dat in de motie-Grinwis c.s. (33037, nr. 631) is verzocht in overleg te gaan met de waterschappen over een heldere en voor ieder navolgbare aanwijzing van de NV- of aandachtsgebieden;

verzoekt de regering op de kortst mogelijke termijn het overleg met de waterschappen goed af te ronden en de lijst van NV-gebieden te actualiseren op basis van de criteria in het huidige actieprogramma Nitraatrichtlijn,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Flach, Grinwis en Van der Plas.

Zij krijgt nr. 437 (35334) (#8).

De heer Flach (SGP):
Voorzitter. Dan nog een hele korte.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering meerjarige boomkwekerijgewassen op te nemen als rustgewas onder het zevende actieprogramma Nitraatrichtlijn,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Flach.

Zij krijgt nr. 438 (35334) (#9).

Dank u wel, meneer Flach. Tot slot is het woord aan de heer Goudzwaard voor zijn inbreng namens JA21. Gaat uw gang.

De heer Goudzwaard (JA21):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb één motie namens de fractie van JA21.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat RENURE volgens het kabinet kan bijdragen aan het verlichten van de druk op de mestmarkt;

constaterende dat in de praktijk vergunningverlening kan vertragen door verschillen in uitvoering en beoordeling tussen decentrale overheden;

overwegende dat RENURE bijdraagt aan het sluiten van nutriëntenkringlopen, doordat nutriënten uit mest opnieuw als meststof worden ingezet;

overwegende dat vergunningverlening een noodzakelijke stap is richting het reduceren van stikstofemissies en dat uniformiteit en duidelijkheid in vergunningverlening kunnen bijdragen aan snellere realisatie van installaties;

verzoekt de regering in overleg te treden met provincies en gemeentes over het beoordelingskader, eventuele knelpunten te identificeren, en de Kamer hierover voor de zomer te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Goudzwaard.

Zij krijgt nr. 439 (35334) (#10).

Dank u wel, meneer Goudzwaard. Ik schors tot 17.55 uur voor de beantwoording. De vergadering is geschorst tot 17.55 uur.

De vergadering wordt van 17.46 uur tot 17.55 uur geschorst.

De voorzitter:
Ik heropen de vergadering en geef het woord aan de minister.

Minister Van Essen:
Dank u wel, voorzitter. Ik begin bij de motie op stuk nr. 430, van mevrouw Van der Plas, over generieke krimp via afroming en grondgebondenheid. Het kabinet komt voor de zomer met de inzet op het gebied van stikstofreductie. Zoals ik net ook al aangaf, vind ik het onwenselijk om nu al bepaalde maatregelen uit te sluiten of om vast te leggen dat we daar niet op in kunnen gaan. Daarom zou ik deze motie willen ontraden.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 430 is ontraden. Dan de motie op stuk nr. 431.

Minister Van Essen:
Die motie spreekt uit dat stikstofreductie niet hetzelfde is als natuurherstel. Het is een spreekt-uitmotie, dus ik laat het oordeel daarover graag aan deze Kamer.

De voorzitter:
Zo is dat. Dan de motie op stuk nr. 432.

Minister Van Essen:
Dat is de motie van mevrouw Bromet, gericht op een maatregelenpakket voor de 2030-doelen en op juridisch geborgde maatregelen. De aanpak van het kabinet is erop gericht om de stikstofemissiedoelen per sector, zoals opgenomen in het coalitieakkoord, vast te leggen. Voor de landbouw hebben we een streefdoel bepaald. Ook wordt voor Natura 2000-gebieden gebiedsgerichte inzet gepleegd op basis van wat nodig is voor die gebieden. Wij kiezen ervoor om die aanpak ambitieus in te richten en om ook al grote stappen vóór 2030 te zetten. We vinden het belangrijk om daarbij effectieve en juridisch geborgde maatregelen te nemen.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Dat klinkt goed, maar als iets in de wet staat, is een streefdoel niet genoeg. Dan moet je gewoon het doel halen, toch? Is de minister dat met mij eens?

Minister Van Essen:
Ik ga niet voor niets over naar die gebiedsgerichte aanpak. Ik geloof er namelijk heilig in dat we met de gebiedsgerichte aanpak meer kunnen halen dan we nu denken; dat heeft de premier hier ook al betoogd. Er zit energie in. Er liggen plannen. Ik heb dat zelf kunnen zien in de twee werkbezoeken die ik heb afgelegd aan De Peel en de Veluwe. Ik geloof dat we daar aan de slag moeten gaan en de energie moeten benutten. Ik denk dat we dan meer kunnen halen dan we in eerste instantie denken.

De voorzitter:
Welke appreciatie hoort bij deze motie?

Minister Van Essen:
Bij deze motie van mevrouw Bromet hoort de appreciatie "ontraden".

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 432 is ontraden. Dan de motie op stuk nr. 433.

Minister Van Essen:
De motie op stuk nr. 433 gaat over de opgaven in samenhang, in een doorgerekend pakket voor de zomer. Dat laatste, voor de zomer, is inderdaad de bedoeling van dit kabinet. Ik zou deze motie oordeel Kamer willen geven, met de interpretatie om kennisinstellingen de ruimte te geven om het zomerpakket goed door te kunnen rekenen en de rol te pakken die hun past. Niet alle genoemde opgaven in de motie zullen makkelijk door te rekenen zijn, maar ik ga mijn uiterste best doen om zo snel mogelijk het maatregelenpakket aan te bieden en het zo snel mogelijk doorgerekend te hebben. Dan zullen we gebruikmaken van de inzichten die de kennisinstellingen hebben.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Betekent dit dat wij als Kamer in ieder geval voor de zomer het maatregelenpakket krijgen, maar dat het dan misschien nog niet helemaal doorgerekend is?

Minister Van Essen:
Mijn streven is om voor de zomer een pakket aan te bieden en de doorrekening zo snel mogelijk te doen. Ook wij zijn namelijk heel erg benieuwd naar wat het PBL en andere kennisinstellingen daarover rapporteren.

De voorzitter:
Kan mevrouw Bromet instemmen met de interpretatie van de minister? Dat is het geval. Met die interpretatie krijgt de motie oordeel Kamer.

Dan de motie op stuk nr. 434.

Minister Van Essen:
De motie op stuk nr. 434, van het lid Kostić, verzoekt de regering om de conclusies van de ecologische evaluatie van agrarisch natuurbeheer door te vertalen in beleid. We hebben de adviezen uit de ecologische evaluatie van het ANLb verwerkt, dus ik zou deze motie oordeel Kamer willen geven.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 434 krijgt oordeel Kamer.

Minister Van Essen:
Voorzitter. De motie op stuk nr. 435 zou ik ook oordeel Kamer willen geven. In de beëindigingsregelingen bieden we de ruimte waarom wordt gevraagd. Voorwaarde is wel dat objectief kan worden vastgesteld dat de oppervlakte van de wintergarten meetelt voor het aantal dieren dat een ondernemer mag houden. Daarmee kom ik tot oordeel Kamer.

De voorzitter:
Dan de motie op stuk nr. 436.

Minister Van Essen:
Die gaat over vergunningverlening. Het is uiteraard, naast de sporen die de heer Grinwis benoemde, belangrijk om ook in te zoomen op de vergunningverlening en om die los te trekken. Dat is ook ons hele doel. Ik zou deze motie graag oordeel Kamer willen geven, want het kabinet gaat voortvarend aan de slag om de vergunningverlening los te trekken. We verkennen dat verder in de taskforce. Verschillende oplossingen, ook de gebiedsgerichte aanpak en de gebiedsaanpak, wat de heer Grinwis benoemde, maken daar onderdeel van uit.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 436: oordeel Kamer.

Minister Van Essen:
De motie op stuk nr. 437 gaat over de aanwijzing van NV-gebieden. Zoals de Kamer weet — dat heeft mijn ambtsvoorganger op 19 februari jongstleden ook aangegeven — gelden, zolang we geen achtste actieprogramma hebben, de regelgeving uit het zevende actieprogramma en de derogatiebeschikking. Die blijven in ieder geval gehandhaafd tot het nieuwe programma er is. Ik ben wel in overleg met provincies en waterschappen om zo snel mogelijk tot een oplossing te komen, zodat het programma er ook ligt. Ja, er is een geactualiseerde bronnenanalyse beschikbaar. Ik wil die ook zo snel mogelijk gebruiken in dat actieprogramma. Als ik de motie zo mag lezen, kan ik die oordeel Kamer geven. Anders is de motie ontijdig.

De voorzitter:
Ik kijk naar de heer Flach.

De heer Flach (SGP):
Even voor de duidelijkheid: bedoelt de minister dat het nog onder het zevende actieprogramma geregeld kan worden of schuift hij dit door naar het achtste actieprogramma? Want het kan eigenlijk geen uitstel lijden. Het kan op basis van de criteria ook nog gewoon onder het zevende.

Minister Van Essen:
Ik bedoel inderdaad het achtste actieprogramma. Daarin kan ik dit meenemen. Zoals mijn voorganger aan uw Kamer heeft gemeld, blijven alle maatregelen in het zevende programma vooralsnog van kracht. Ik zet wel alles op alles om zo snel mogelijk tot een achtste actieprogramma te komen.

De voorzitter:
Afrondend.

De heer Flach (SGP):
Als dat mijn bedoeling zou zijn, had ik deze motie natuurlijk niet ingediend, want ik ging er al van uit dat dit in het achtste actieprogramma geregeld zou worden. De bedoeling van de indieners is om het nog in het zevende actieprogramma in te dienen. Ik handhaaf de motie zoals die is. Dan begrijp ik dat het oordeel daarmee "ontijdig" is.

Minister Van Essen:
Ja.

De voorzitter:
Daarmee krijgt de motie op stuk nr. 437 de appreciatie ontijdig. De motie op stuk nr. 438.

Minister Van Essen:
De motie op stuk nr. 438: oordeel Kamer, mits ik daar een interpretatie op los mag laten. Als ik de motie zo mag lezen dat die uitsluitend betrekking heeft op meerjarige boomkwekerijgewassen die in de afgelopen drie jaar zijn aangeplant, kan ik de motie oordeel Kamer geven.

De voorzitter:
Ik zie dat dat het geval is. Met die interpretatie krijgt de motie op stuk nr. 438 oordeel Kamer.

Kamerlid Kostić (PvdD):
Waar ik me dan wel een beetje zorgen over maak, is dat daarbij dan ook landbouwgif wordt gebruikt. Ik neem aan dat de minister dat niet zou willen en dat hij dat ook niet bedoelt.

Minister Van Essen:
Dit gaat om boomkweekgewassen die er juist voor zorgen dat er zo min mogelijk uitspoeling plaatsvindt. In die zin kan ik de suggestie begrijpen. Het gaat niet om het gebruik van landbouwbestrijdingsmiddelen.

De voorzitter:
Tot slot.

Kamerlid Kostić (PvdD):
Het is fijn dat de minister bevestigt dat als dit doorgaat, er inderdaad geen landbouwgif mag worden gebruikt. Dank.

Minister Van Essen:
Dat zijn woorden van het lid Kostić.

De voorzitter:
Waarvan akte. Tot slot, de motie op stuk nr. 439.

Minister Van Essen:
De motie op stuk nr. 439 zou ik graag oordeel Kamer willen geven. Ik kan het verzoek in de motie steunen. Er wordt verzocht om te overleggen met provincies en gemeenten vanwege het belang van het opschalen van het gebruik van RENURE. Oordeel Kamer dus.

De voorzitter:
Bent u daarmee aan het einde gekomen van uw beantwoording?

Minister Van Essen:
Ja.

De voorzitter:
Daarmee zijn we ook aan het einde gekomen van dit tweeminutendebat Landelijk gebied, stikstof en mest.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
Over alle ingediende moties zal dinsdag worden gestemd.

Mevrouw Van der Plas gaf het al aan: morgen is de kiezer aan het woord. Dat betekent dat er vanavond geen plenaire vergadering zal zijn, net als morgen, omdat het woord aan de kiezer is. Dat betekent dus ook dat we aan het einde gekomen zijn van deze plenaire vergadering, die ik sluit. De vergadering is gesloten.

Sluiting

Sluiting 18.03 uur.

ONGECORRIGEERD STENOGRAM
Verslag TK 52 - 2025-2026

Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend.
Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd.