Besluit- en vertrekmoratorium Iran
Brief regering
Nummer: 2026D12730, datum: 2026-03-19, bijgewerkt: 2026-03-19 17:03, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie (Ooit CDA kamerlid)
Onderdeel van zaak 2026Z05540:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Asiel en Migratie
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-03-26 11:15 ⇒ (Concept voorstel)
- 2026-03-26 11:15: Procedurevergadering Asiel en Migratie (Procedurevergadering), vaste commissie voor Asiel en Migratie
Preview document (🔗 origineel)
Sinds 28 februari jl. is er een gewapend conflict tussen Israël, de Verenigde Staten enerzijds en Iran anderzijds. Inmiddels zien we dat in Iran de onoverzichtelijke situatie langer aanhoudt en lijkt dit zich niet snel te stabiliseren. Het landgebonden asielbeleid Iran is ten gevolge hiervan gestoeld op een situatie die niet langer actueel is. Daarom heb ik besloten een besluit- en vertrekmoratorium in te stellen voor Iran voor in beginsel de duur van zes maanden.
Een besluit- en vertrekmoratorium wordt als beleidsinstrument ingezet in gevallen waarin er naar verwachting voor een korte periode onzekerheid zal bestaan over de algemene veiligheidssituatie in een land waardoor redelijkerwijs niet zorgvuldig op asielaanvragen van vreemdelingen uit dat land kan worden beslist en niet kan worden overgegaan tot gedwongen uitzettingen naar dat land.
Met het instellen van een besluitmoratorium kunnen asielaanvragen tijdelijk worden aangehouden totdat er meer duidelijkheid ontstaat over de situatie in Iran. Indien er asielaanvragen zijn die ouder zijn dan 21 maanden – en daarmee de maximale termijn van het besluitmoratorium overschrijden – beslist de IND op de individuele merites van de zaak en de dan bekende informatie.
Uitgezonderd van zowel het besluit-, als het vertrekmoratorium zijn onder meer Dublinclaimanten, vreemdelingen ten aanzien van wie een veilig derde land wordt tegengeworpen, vreemdelingen die reeds in het bezit zijn van internationale bescherming in een andere EU-lidstaat of zijn erkend als vluchteling in een derde land dan wel in een derde land anderszins voldoende bescherming genieten, en zogenoemde openbare-orde en 1F-zaken (zie voor het volledige overzicht paragraaf C3/2 van de Vreemdelingencirculaire 2000). Op deze aanvragen kan ondanks het moratorium worden beslist.
Als het gaat om eerste asielaanvragen dan stond Iran in 2025 niet in de top 10
nationaliteiten die eerste asielaanvragen hebben gedaan in Nederland. Volgens de
gegevens van de IND (asylum trends) was de instroom in 2025 van Iraanse
asielzoekers 431 en 36 in de maand januari van dit jaar. Het aantal
asielaanvragen van Iraniërs vormt daarmee een beperkt deel van het totaal.
Omdat de Iraanse autoriteiten geen (vervangende) reisdocumenten afgeven vond gedwongen vertrek in de praktijk nauwelijks plaats de laatste jaren. Als gevolg van het vertrekmoratorium is ook in formele zin gedwongen vertrek van afgewezen asielzoekers niet aan de orde en behouden personen onder de werking van het moratorium recht op opvang. Gezamenlijk zullen de gevolgen van het besluit- en vertrekmoratorium voor de uitvoering naar verwachting beperkt zijn.
Het ministerie van Buitenlandse Zaken is verzocht een ambtsbericht over de situatie in Iran op te stellen. De verwachting is dat dit in het derde kwartaal van 2026 verschijnt. Aan de hand van dit ambtsbericht zal worden bezien welke beleidsmatige stappen aangewezen zijn. De situatie wordt ook tussentijds nauwlettend gevolgd.
De Minister van Asiel en Migratie,
Bart van den Brink