[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Verslag Raad voor Concurrentievermogen 26 en 27 februari 2026

Brief regering

Nummer: 2026D13272, datum: 2026-03-23, bijgewerkt: 2026-03-23 17:08, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2026Z05850:

Preview document (🔗 origineel)


Geachte Voorzitter,

Op 26 en 27 februari 2026 vond de formele Raad voor Concurrentievermogen plaats in Brussel. Deze Raad stond in het teken van de onderdelen interne markt & industrie en onderzoek & innovatie. Met deze brief stuur ik u het verslag van de Raad. Het verslag over het onderdeel onderzoek & innovatie stuur ik u mede namens de Minister van Onderwijs, Cultuur, en Wetenschap.

Verder maak ik van de gelegenheid gebruik om een non-paper in het kader van de lopende onderhandelingen over het Europees Concurrentievermogenfonds (ECF) met uw Kamer te delen. In het non-paper bepleiten Nederland en negen andere lidstaten onder andere voor een ECF met sterke en heldere toekenningscriteria en competitieve project selectie, een sterke rol voor het InvestEU-instrument, coherente implementatie en governance in synergie met Horizon Europe en vereenvoudiging van toegang tot financiering, zoals in lijn met het BNC-fiche voor het ECF.1

Heleen Herbert

Minister van Economische Zaken en Klimaat

Inleiding

De Raad voor Concurrentievermogen (hierna: Raad) op 26 en 27 februari jl. stond in het teken van twee onderdelen: 1. Interne markt en industrie op 26 februari en 2. Onderzoek en innovatie op 27 februari. Deze indeling wordt ook aangehouden in dit verslag.

Verslag van het Industrie en Interne Marktdeel van de formele Raad voor Concurrentievermogen op 26 februari

Het jaarlijkse Interne Markt en Concurrentievermogen rapport 2026

(Gedachtewisseling)

Het Raadsvoorzitterschap vroeg de lidstaten waar het de prioriteiten ziet in het versterken van de interne markt. Ook vroeg het voorzitterschap naar de strategische afhankelijkheden die wat lidstaten betreft het eerste moeten worden aangepakt.

De Europese Commissie (hierna: de Commissie) opende het debat door het belang van het afbouwen van strategische afhankelijkheden te benoemen. Daarbij benadrukte Eurocommissaris Séjourné dat Europa weliswaar een sterke mondiale concurrentiepositie en een relatief stabiele geo-economische positie heeft, maar tegelijk ook kampt met een industrie die onder druk staat. Séjourné wees daarbij op het belang van het robuuster maken van toeleveringsketens en het verdiepen van de interne markt.

Om de interne markt te verdiepen, benadrukten veel lidstaten dat de in de Mededeling horizontale interne-marktstrategie geïdentificeerde “Terrible Ten” met prioriteit geadresseerd dienen te worden. Verschillende lidstaten wezen daarbij in de eerste plaats op het elektronisch meldformulier grensoverschrijdende detacheringen (e-declaration). Aanvullend verwelkomde een brede groep lidstaten het rapport, dat inzicht helpt te bieden in de verschillende barrières op de interne markt.

Ook werd opgemerkt dat lidstaten te vaak nationale koppen aan Europese wetgeving toevoegen. Enkele lidstaten waren kritisch over dit zogenoemde goldplating en riepen op tot een geharmoniseerde implementatie van regelgeving.

Meerdere lidstaten, waaronder Nederland, gaven aan uit te kijken naar het verwachte voorstel voor een 28ste regime. Daarbij gaven deze lidstaten aan dat het voorstel tot een duidelijke juridische status voor bedrijven moet leiden, en duidelijke meerwaarde moet hebben. Ook wezen verschillende lidstaten op de noodzaak tot verdere voortgang in het creëren van een kapitaalmarktunie.

Noodplannen voor industriële weerbaarheid: follow-up van de industriële actieplannen voor de Europese staal-, automobiel- en chemische industrie in het kader van de Clean Industrial Deal

(gedachtewisseling)

Tijdens dit beleidsdebat werden de lidstaten gevraagd naar hun prioriteiten in de actieplannen voor de Europese staal-, automobiel- en chemische industrie.

De drie actieplannen voor specifieke sectoren werden in algemene zin verwelkomd. Meerdere lidstaten onderstreepten het belang van ambitie rond de zogenoemde Battery Booster-strategie.2 Nederland vroeg daarbij expliciet aandacht voor de opschaling van de productie van batterijen van de volgende generatie.

Op het gebied van betere regelgeving werd aandacht gevraagd voor verdere vereenvoudiging van wetgeving voor de automotivesector, de regelgeving voor chemische stoffen (REACH), vergunningsprocedures en biotechnologie. Rond de inhoud van het automotivepakket riepen enkele lidstaten opnieuw op om de CO₂-normen voor lichte voertuigen in 2030 en 2035 te herzien.

Ten aanzien van het Europees voorkeursprincipe verwelkomden verschillende lidstaten het concept en gaven aan constructief te willen kijken naar de invulling ervan. De discussie ontwikkelde zich langs twee lijnen. Aan de ene kant een ‘Made in Europe’-benadering, met een sterke oproep voor een Europees voorkeursprincipe. Aan de andere kant een meer terughoudende ‘Made with Europe’-benadering, met een sterke oproep voor openheid en een gerichte en proportionele toepassing in louter strategische sectoren. Ook pleitte een aantal lidstaten voor een voorzichtige implementatie om negatieve effecten op handelspartners te voorkomen.

Verder werden de hoge energieprijzen unaniem aangemerkt als een van de grootste problemen voor de energie-intensieve industrie. Andere landen legden de nadruk op investeringen in elektriciteitsnetwerken en elektromobiliteit als cruciale hefbomen om prijzen te drukken, terwijl weer anderen pleitten voor meer investeringen in hernieuwbare energie om de energiekosten op langere termijn te verlagen.

Verschillende lidstaten gingen hierbij ook in op de aankomende herziening van het emissiehandelssysteem (ETS) in juli 2026, en het functioneren van het koolstofcorrectiemechanisme aan de grens (CBAM). Een brede groep lidstaten benadrukte het belang om prijsstabiliteit te vergroten en de Europese industrie beter te beschermen tegen koolstoflekkage. Enkele lidstaten pleitten hierbij voor het afzwakken en/of opschorten van het huidige emissiehandelssysteem. Enkele lidstaten, waaronder Nederland, benadrukten dat een sterke en stabiel ETS investeringszekerheid biedt, bedrijven stimuleert investeringen te doen in schone productie en een belangrijk instrument is voor een kosteneffectieve transitie. Daarbij gaven deze lidstaten aan dat afzwakking of opschorting van het ETS de prikkel tot verduurzaming vermindert, afbreuk doet aan de investeringszekerheid en bedrijven benadeelt die al geïnvesteerd hebben.

Eurocommissaris Séjourné benadrukte dat het ETS ook een investeringsvehikel is en verwacht in de huidige periode tussen de 300 en 500 miljard euro aan investeringen via het systeem te mobiliseren.

Terrible ten

Lunchdebat

Tijdens het lunchdebat vond een brede discussie plaats over de vraag hoe de interne markt verder kan worden verdiept.

Eurocommissaris Séjourné toonde zich terughoudend over het openbaar maken van zogeheten ‘heat maps’ waarin de naleving van interne-marktregels per lidstaat zichtbaar wordt gemaakt. Daarentegen wilde hij wel meer publieke aandacht voor inbreukprocedures. Verder zal de Eurocommissaris een overzicht rondsturen van regels die inmiddels zijn afgeschaft, als onderdeel van de inspanningen om de regeldruk te verminderen.

Op korte termijn komt de Commissie met voorstellen ten aanzien van een aantal prioriteiten voor verdieping van de interne markt. Daarbij gaat het onder meer om een zogenoemd “28e regime”, evenals verdere integratie van de kapitaalmarkt, de energiemarkt en de telecommunicatiemarkt. Daarnaast wil hij specifiek de interne markt voor diensten verder verdiepen, met name waar het de industrie betreft. Daarbij zal sector voor sector worden gekeken, te beginnen met de knelpunten die de grootste economische impact hebben.

Meerdere lidstaten, waaronder Nederland, onderstreepten het belang van een sector-specifieke aanpak van barrières voor diensten. Daarbij gaven verschillende lidstaten aan dat innovatieve oplossingen niet geschuwd moeten worden.

Raadsconclusies Consumentenagenda

Aanname

De Raad heeft de Raadsconclusies over de Consumentenagenda 2025-2030 unaniem aangenomen. De lidstaten die intervenieerden herhaalden hun eigen prioriteiten t.a.v. de Raadsconclusies. Zo klonk er vanuit enkele lidstaten een sterke oproep voor de revisie van de Consumer Protection Cooperation (CPC) Verordening met Europese toezichtsbevoegdheden. Verder kwam het belang van bescherming van consumenten online aan bod, met focus op minderjarigen, middels de aankomende Digital Fairness Act (DFA). Hierbij legde een enkele lidstaat een sterke nadruk op simplificatie en alleen reguleren waar nodig. De laatste prioriteit die werd besproken door de lidstaten was de bescherming van consumenten die lokaal last hebben van toerisme en de aanpak van territoriale leveringsbeperkingen.

Eurocommissaris McGrath bevestigde dat in de DFA rekening zal worden gehouden met simplificatie. McGrath benadrukte hierbij dat er bij het uitblijven van Europese aanpak van o.a. dark patterns en verslavend ontwerp nationale initiatieven zouden kunnen ontstaan, met fragmentatie als gevolg.

Tot slot benadrukte McGrath het belang van de revisie van de CPC-verordening (verwacht Q4 2026), o.a. om de afschrikkende werking van boetes en straffen bij overtredingen van consumentenwetgeving te vergroten.

Europees Concurrentievermogenfonds (ECF)

Beleidsdebat

Het beleidsdebat besprak de vragen hoe de rol van het Europese mkb het best kan worden geïntegreerd in het ECF en hoe privaat kapitaal losgetrokken kan worden om doorgroei van bedrijven te bevorderen.

De Commissie opende het debat door het belang van het ECF voor een weerbare economie te onderstrepen. Eurocommissaris Séjourné benadrukte daarbij het belang van een goede toegang voor het mkb tot het ECF. Wel wees de Commissie er daarbij op dat het mkb geen homogene groep is, hetgeen een doelgerichte en sectorale aanpak van belang maakt.

Zo goed als alle lidstaten onderschreven het belang van het mkb, in het bijzonder ook het innovatieve mkb en start-en scale-ups, maar er waren verschillen in hoe dit in het ECF te reflecteren. Sommige lidstaten riepen op tot verplichtingen en criteria rondom (grensoverschrijdende) deelname van mkb in toekenningsprocedures en projecten, bonuspunt systemen of zelfs een budgetoormerking. Anderen, inclusief Nederland, legden de nadruk op een ECF dat by design meer rekening houdt met het mkb door makkelijkere en toegankelijkere procedures. Meerdere lidstaten benoemden dat het ECF moet zorgen voor het aantrekken van privaat kapitaal, waarbij veel lidstaten, waaronder Nederland, zich uitspraken voor een sterke(re) rol voor het InvestEU-instrument onder het ECF.

De discussie ging met name over de vraag hoe excellentie en impact criteria zich verhouden tot geografische spreiding. Meerdere zogenaamde ‘spreidingslanden’ onderstreepten de noodzaak van geografische spreiding van de ECF-middelen en een ‘eerlijke’ verdeling voor de minderontwikkelde lidstaten. Daarbij benadrukten deze lidstaten dat de route daarnaartoe ook voor hen mogelijk moet worden in het ECF, met name voor het mkb.

Een andere groep lidstaten, inclusief Nederland, benadrukte juist het belang van selectie op basis van open en competitieve procedures en kwaliteit en impact als criteria waarbij innovatie en EU toegevoegde waarde voorop moeten staan. Veel lidstaten verwezen hierbij naar het Zweedse ECF non-paper, dat Nederland en negen andere lidstaten hebben meegetekend. In het non-paper bepleiten Nederland en negen andere lidstaten onder andere voor een ECF met sterke en heldere toekenningscriteria en competitieve project selectie, een sterke rol voor het InvestEU-instrument, coherente implementatie en governance in synergie met Horizon Europe en vereenvoudiging van toegang tot financiering.

Diversenpunten

Mededingingsbeleid

Finland agendeerde een non-paper over mededingingsrecht, gesteund door verschillende lidstaten. Finland bepleitte dat modernisering van het EU-mededingingsbeleid niet ten koste mag gaan van effectieve concurrentie, die op haar beurt betaalbare prijzen, betere kwaliteit, innovatie, meer keuze en diversiteit in de toeleveringsketen garandeert. Nederland sprak steun uit voor het non-paper.

In reactie beaamde Eurocommissaris Ribera dat innovatie gebaat is bij heldere fusierichtsnoeren. Tegelijk onderschreef zij belang van modernisering. Ze plaatste daarbij wel de kanttekening dat er voor concurrentievermogen naast fit-for-purpose mededingingsbeleid ook een sterke interne markt nodig is, en het niet mededingingsbeleid maar een verdiepte interne markt is die van Europese bedrijven Europese kampioenen maakt.

Bio-economie strategie

De Commissie lichtte in een diversenpunt de recent gepubliceerde bio-economie strategie toe.3 Enkele lidstaten verwelkomden de gepubliceerde strategie, daarbij erop wijzend dat de strategie met name moet voortbouwen op bestaande kaders. Ook wezen verschillende lidstaten erop dat regeldruk voorkomen moet worden.

Biotech Act II

Denemarken agendeerde een non-paper over de aankomende Biotech Act II, dat is opgesteld in nauwe samenwerking met Nederland. Het non-paper is gesteund door 7 lidstaten, inclusief Nederland. In het non-paper roepen deze lidstaten op tot een ambitieuze tweede Biotech Act, waarbij samenhang met de recent gepubliceerde Biotech Act I van belang is. Daarnaast roepen de lidstaten op tot het faciliteren van opschaling in de biotech-sector, middels onder andere vereenvoudiging van regelgeving en een helder regelgevend kader. De Commissie onderschreef de benoemde prioriteiten in het non-paper.

Herziene richtlijn hernieuwbare energie (REDIII)

België agendeerde een non-paper over de herziene richtlijn hernieuwbare energie (REDIII). Gesteund door zes andere lidstaten, schetste het non-paper uitdagingen waar de sector voor waterstofproductie mee te kampen zou hebben. Deze groep lidstaten riep daarbij op tot een pragmatischere omgang met de doelen in de richtlijn.

Verslag van het onderzoeks- en innovatiedeel van de formele Raad voor Concurrentievermogen op 27 februari 2026 te Brussel

Dit deel van het verslag is mede namens de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en gaat enkel over het onderzoeks-en innovatiedeel van de Raad.

Fonds voor Onderzoek inzake Kolen en Staal

Aanname verordening

De Raad heeft de herziening van de verordening voor het Fonds voor Onderzoek inzake Kolen en Staal (RFCS) aangenomen. Het Europees Parlement zal hier vervolgens over worden geraadpleegd.

Het Cypriotische voorzitterschap lichtte toe dat de herziening zal leiden tot investeringen in innovatief staalonderzoek, gericht op decarbonisatie en transitie naar schone productie. Hiermee wordt ingezet op het behoud van het technologische en industriële leiderschap van Europa waarmee de herziening het concurrentievermogen en de strategische autonomie van de EU bevordert. Het fonds wordt voortgezet tot 2034. De Eurocommissaris en enkele lidstaten namen het woord en bevestigden hun steun aan dit voorstel.

Horizon Europe (2028-2034), het tiende kaderprogramma voor onderzoek en innovatie

Beleidsdebat

De onderhandelingen over het tiende kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (voorgesteld budget € 175 miljard) zijn in volle gang. Nederland zet, conform het BNC-fiche4, in op een kaderprogramma dat op een samenhangende en integrale wijze het hele spectrum van onderzoek en innovatie (O&I) ondersteunt: van fundamenteel onderzoek tot innovatie, commercialisatie en maatschappelijke impact, en van nieuwsgierigheid-gedreven tot thematisch gestuurd O&I.

Door gerichte inzet kunnen O&I-ecosystemen op strategische thema’s binnen Europa groeien, in goede verbinding met de benodigde expertise en talent wereldwijd. Hiermee levert het programma een cruciale bijdrage aan excellente en impactvolle O&I in Nederland en het bereiken van de doelstelling om minimaal 3% van het bruto binnenlands product aan onderzoek en ontwikkeling te besteden.

De volgende stap in de onderhandelingen is het bereiken van een voorlopig politiek akkoord in de Raad over de hoofdlijnen van het programma, zonder dat de definitieve begrotingscijfers of eventuele gevoelige of beladen onderwerpen worden vastgesteld; een zogenaamde gedeeltelijke algemene oriëntatie (PGA). Het Cypriotisch voorzitterschap zet in op een PGA in de Raad van 29 mei aanstaande. In haar inleiding van het beleidsdebat benadrukte het voorzitterschap het belang van Horizon Europe (2028-2034) voor de EU. Zij vroeg de lidstaten om aan te geven op welke onderdelen zij al overeenstemming zien en op welke onderdelen zij vinden dat verdere onderhandelingen nodig zijn.

De Eurocommissaris drong in haar interventie aan op urgentie, pragmatisme en ambitie. Ze benadrukte dat ze een ambitieus programma met moderne programmering nastreeft dat in kan spelen op de actualiteit. Het is daarbij de bedoeling dat de vormgeving samen met de lidstaten gebeurt.

De lidstaten onderschreven de inzet van de Eurocommissaris, maar benadrukten tegelijkertijd dat er nog stappen moeten worden gezet om in mei tot een PGA te komen. Over het algemeen gaven veel lidstaten aan dat de opzet van het programma en de inhoud van de eerste pijler (excellente wetenschap) vrijwel afgerond is. De verschillende lidstaten gaven daarnaast aan dat er op vele onderdelen nog wel wat werk te doen was. Nagenoeg alle lidstaten, inclusief Nederland, benoemden de noodzaak van een naadloos investeringstraject van fundamenteel en toegepast onderzoek tot startup, scale-up en wereldwijde productie. Een goede wisselwerking tussen Horizon Europe en het Europees Concurrentievermogen Fonds (ECF) kan hiervoor zorgen.

Nederland benoemde, samen met veel andere lidstaten, dat het belangrijk is dat de Commissie de lidstaten en stakeholders goed betrekt bij implementatie van Horizon Europe en de opzet van de werkprogramma’s. Een deel van de lidstaten benadrukte dat de inbedding van onder andere dual-use O&I goed geregeld moet zijn, op dit moment wordt er nog weinig duidelijkheid gegeven hoe de Commissie dit in wil richten. Hierbij werd meer dan eens door een lidstaat opgemerkt dat financiering van defensiegerelateerde O&I alleen vanuit het budget van het ECF moet komen.

Verschillende, met name Centraal-Europese, lidstaten riepen ook op om de onderhandeling over verdeling van een deel van de middelen op basis van geografische criteria (‘widening participation’) te openen. Andere lidstaten, waaronder Nederland, benadrukten dat inzet op het verbreden van de deelname via geografische criteria zich dient te beperken tot het daartoe voorgestelde instrument onder de vierde pijler (Europese onderzoeksruimte (ERA)). Excellentie en impact moeten wat betreft Nederland en veel andere lidstaten de uitgangspunten blijven voor de verdeling van de middelen uit Horizon Europe.

Lidstaten hebben daarnaast een nationale verantwoordelijkheid voor capaciteitsopbouw voor O&I. Verder werd de noodzaak tot het opvolgen van de aanbevelingen van Draghi genoemd en daarbij keuzes te maken om te komen tot een beperkt aantal technologische en onderzoeksgebieden.

Andere punten die ter tafel kwamen, waren kennisveiligheid, de onzekerheid over de voortzetting van het European Institute of Innovation and Technology (EIT) en de noodzaak tot voorspelbaarheid en vereenvoudiging van het programma voor deelnemers.

De Eurocommissaris gaf aan dat een gezamenlijk doel en pragmatisme nodig zijn om de onderhandelingen tot een goed resultaat te brengen. Ze erkende dat er meer duidelijkheid nodig is op de punten die de lidstaten aanhaalden. Zij gaf aan dat wat de Commissie betreft de onderhandelingen idealiter voor het einde van het jaar afgerond zijn via een zorgvuldig proces. Het voorzitterschap gaf aan dat het nu tijd is voor meer technische discussies. Zij heeft er vertrouwen in dat de knelpunten zullen worden opgelost en er aan het eind van de voorzitterschapsperiode een deelakkoord ligt.

Diversenpunt

Spanje had een diversenpunt aangevraagd waarbij het een oproep deed aan de Commissie en de lidstaten om het belang te onderkennen van een verduidelijking van de link tussen Horizon Europe en het ECF, waarbij speciaal aandacht werd gevraagd voor het ontwikkelen van een mechanisme voor het kiezen van strategische prioriteiten en de betrokkenheid daarin van lidstaten en stakeholders.

Dit diversenpunt werd gesteund door verschillende lidstaten, inclusief Nederland, vanwege de noodzaak tot een goede verbinding tussen Horizon Europe en het ECF. Nederland ziet deze link met het ECF als kans om het gehele ontwikkeltraject van idee tot toepassing (seamless investment journey) zo goed mogelijk te ondersteunen, zodat resultaten niet onbenut blijven. Dit zal een positieve uitwerking hebben op het Nederlandse concurrentievermogen en sluit aan bij de nationale inzet op het optimaliseren van de kennisketen, zodat beschikbare kennis maximaal benut kan worden.

De Eurocommissaris stelde in haar reactie dat President Von der Leyen juist heeft aangegeven O&I in het hart van de Europese economie te willen plaatsen. Dit was ook een van de belangrijkste adviezen van het Draghi-rapport. O&I is daarbij niet ondergeschikt aan de industrie. Desalniettemin moet de link tussen Horizon Europe en het ECF inderdaad nog verder uitgewerkt worden, waarbij de Commissie graag het gesprek aangaat met de lidstaten.


  1. Fiche 11: [MFK] Europees Concurrentievermogenfonds | Publicatie | Rijksoverheid.nl↩︎

  2. Voor de Nederlandse inzet ten aanzien van deze strategie zie: Fiche 10 Mededeling Battery Booster Strategy | Publicatie | Rijksoverheid.nl↩︎

  3. https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=celex%3A52025DC0960↩︎

  4. Fiche 12: [MFK] Voorstel Verordening en Besluit Horizon Europa – het Europese kaderprogramma voor onderzoek en innovatie | Publicatie | Rijksoverheid.nl↩︎