[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

WODC-rapport "De Staat van het Notariaat deel II"

Brief regering

Nummer: 2026D13338, datum: 2026-03-24, bijgewerkt: 2026-03-24 09:34, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2026Z05883:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Hierbij bied ik aan uw Kamer het WODC-rapport “Staat van het Notariaat deel II” aan. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum door Pro Facto, op verzoek van het ministerie van Justitie en Veiligheid. De auteurs van het rapport zijn mr. E. Krol, mr. C. Bartlema, mr. dr. R. Helder, dr. ir. J.B. Geertsema, prof. dr. H.B. Winter en prof. dr. M.J. ter Voert. Het eindrapport is ontvangen op 9 februari 2026.

Dit rapport bevat het vervolgonderzoek naar de staat van het notariaat. Het eerste deel van het onderzoek, vervat in het WODC-rapport dat op 14 november 2024 aan de Kamer is aangeboden, richt zich op de toegankelijkheid van de notariële dienstverlening voor burgers en kleine bedrijven. Het tweede deel van het onderzoek richt zich op de aanbodzijde binnen het notariaat, met specifieke aandacht voor de positie van kandidaat-notarissen, toegevoegd notarissen en notaris-ondernemers. Beide onderzoeken zijn verricht naar aanleiding van de toezegging aan de Tweede Kamer van de voormalige minister voor Rechtsbescherming, Franc Weerwind, om onderzoek te verrichten naar de staat van het notariaat en de toegankelijkheid van de notariële dienstverlening.1

Namens het ministerie dank ik de auteurs, het WODC, Pro Facto en de begeleidingscommissie voor het verrichte onderzoek en het uiteenzetten van de bevindingen.

Notarissen zijn openbare ambtenaren en verschaffen rechtszekerheid door rechtsverhoudingen vast te leggen in authentieke akten. Op de leden van deze beroepsgroep rust een zorg- en informatieplicht jegens hun klanten en zij vervullen tevens een poortwachtersrol bij bestrijding van witwassen en andere vormen van criminaliteit. In het rapport is het onderzoek uiteengezet naar vier specifieke onderwerpen binnen de beroepsgroep, zijnde:

  1. Aanbod en vraag naar notariële dienstverlening;

  2. Toegang tot en kwaliteit van de beroepsopleiding en uitoefening;

  3. Aantrekkelijkheid van het beroep; en

  4. Toekomstbestendigheid van het beroep.

Het aantal notarieel personeel, kandidaat-notarissen en toegevoegd notarissen is in de periode 2020-2025 toegenomen, maar het aantal notaris-ondernemers is gedaald. Door de vergrijzing, beperkte instroom van kandidaat-notarissen en toegevoegd notarissen en uitstroom van kandidaat-notarissen bestaan er zorgen of er in de toekomst voldoende beroepsbeoefenaars notaris-ondernemer willen worden. De verwachting is dat het aantal notaris-ondernemers blijft afnemen, terwijl de vraag naar de notariële diensten gelijk blijft of toeneemt. In het rapport zijn daarom diverse aanbevelingen gedaan om de toestroom binnen de beroepsgroep te vergroten en het ondernemerschap binnen het notariaat te stimuleren. Enkele voorbeelden hiervan zijn:

  • Bezie en verbeter de poortwachtersrol van de notaris;

  • Investeer om de werkdruk te verlagen;

  • Heroverweeg de toelatingsdrempels en toelatingsprocedure.

Dit rapport wordt aan uw Kamer aangeboden zonder een inhoudelijke reactie. De uitkomst van het onderzoek en de daaruit voortvloeiende aanbevelingen zien met name op de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie en dienen derhalve eerst met hen te worden besproken, voordat inhoudelijk op het rapport kan worden gereageerd. Naar verwachting zal ik voor de zomer een inhoudelijke reactie aan uw Kamer doen toekomen.

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

Claudia van Bruggen


  1. Verslag vaste commissie voor Justitie en Veiligheid d.d. 4 november 2021, vergaderjaar 2021–2022, 35 925 VI, nr.29, blz. 41; Verslag commissiedebat over juridische beroepen, 6 oktober 2022, blz. 35↩︎