Reactie op de motie van het lid Van der Plas over bij verdere beëindigingsregelingen ook de gevolgen voor de maatschappelijke functies van agrarische bedrijven meewegen (Kamerstuk 28973-291)
Toekomst veehouderij
Brief regering
Nummer: 2026D13403, datum: 2026-03-24, bijgewerkt: 2026-03-24 14:25, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Onderdeel van kamerstukdossier 28973 -296 Toekomst veehouderij.
Onderdeel van zaak 2026Z05899:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
- 2026-03-25 00:00: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-04-08 11:15: Procedurevergadering Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (Procedurevergadering), vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Preview document (🔗 origineel)
Geachte Voorzitter,
Tijdens het tweeminutendebat Internetconsultatie landelijke vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties van dinsdag 17 maart jl. heeft het lid Van der Plas (BBB) een motie ingediend die de regering verzoekt een onderzoek in te stellen naar de effecten van beëindiging van agrarische bedrijven op de vitaliteit en de leefbaarheid van het platteland. Ik heb hierop aangegeven dat het kabinet aandacht voor sociaaleconomische effecten ziet als een essentieel onderdeel van het beleid om landbouw en natuur in evenwicht te brengen en de vergunningenproblematiek op te lossen. Dit neem ik dan ook mee in de taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof.
Verder heb ik erop gewezen dat er al veel onderzoek gedaan wordt naar de sociaaleconomische effecten van het landbouw-, natuur- en stikstofbeleid, waar vrijwillige beëindigingsregelingen onderdeel van uitmaken. Hiervan kan gebruik worden gemaakt en eventueel nieuw onderzoek op voortbouwen. Daarom heb ik de motie het oordeel Kamer gegeven, mits ik de motie zo mag interpreteren dat het lopende onderzoek onderdeel is van deze motie, en dat de noodzaak tot vervolgonderzoek mag worden bepaald aan de hand van de uitkomsten van het lopende onderzoek. Daarop heeft het lid Van der Plas gevraagd om voorafgaand aan de stemmingen hierover een overzicht te krijgen van de lopende onderzoeken en wanneer de uitkomsten daarvan verwacht worden. Met deze Kamerbrief geef ik invulling aan dit verzoek. Met deze brief geef ik tevens invulling aan de toezegging die mijn ambtsvoorganger aan het lid Van der Plas deed om schriftelijk informatie te delen over wat er bekend is over de effecten van het stoppen van boerenbedrijven. Dit, door een overzicht te geven van de verschillende onderzoeken.
Structureel, periodiek onderzoek
Een consortium bestaande uit het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en Wageningen University & Research (WUR) monitort structureel de voortgang en resultaten van beleid voor stikstofreductie en natuurverbetering. Als onderdeel van deze monitoring wordt ook standaard onderzoek gedaan naar, en een rapportage opgeleverd over, de sociaaleconomische effecten van de maatregelen. Op 12 maart jl. heb ik de meest recente rapportage aan uw Kamer toegezonden.1 Naast dit structurele onderzoek zijn op lokaal niveau door diverse provincies sociaaleconomische impactanalyses (SEIA’s) uitgevoerd in het kader van de provinciale aanpak voor het landelijk gebied. Ook heeft bijvoorbeeld ABN AMRO onderzoek gedaan naar sociaaleconomische effecten2.
Globaal beeld
Het globale beeld zoals dat uit de rapportages volgt, is dat het effect van getroffen maatregelen op werkgelegenheid en de toegevoegde waarde van het agrocomplex voor Nederland als geheel naar verwachting beperkt is. Er zullen wel regionale verschillen optreden: in regio’s waar de agrarische sector relatief groot is en de opgave voor stikstofreductie ook, kunnen de (sociaaleconomische) effecten omvangrijker zijn. Dat geldt ook in gemeenten waar het relatieve belang van de veehouderij voor de werkgelegenheid en toegevoegde waarde groot is. Tegelijkertijd kan ook een verplaatsing plaatsvinden naar nieuwe economische activiteiten, die het negatieve effect gedeeltelijk teniet doet.
Lopend en komend onderzoek
Mijn ambtsvoorganger heeft in aanvulling op het bovenstaande aan het CBS gevraagd om cijfers aan te leveren op basis waarvan de aard en omvang van werkgelegenheidseffecten duidelijker in beeld kan worden gebracht. Dit, als onderdeel van de uitvoering van de motie Van der Plas3 over een transitieplan voor werknemers in de voedsel- en agrisector. Ik streef ernaar om uw Kamer nog in de eerste helft van dit jaar over deze cijfers en de duiding hiervan te informeren. In 2026 verwacht ik ook de uitkomsten van een aantal case studies die de WUR momenteel doet naar sociaaleconomische impact van (met name) stoppers voor regio’s en gebieden.
Relevante inzichten verwacht ik verder uit de Maatschappelijke Verkenning Landelijk Gebied, waaraan PBL momenteel de basis legt en waarmee de wensen en waarden voor een toekomstbestendig landelijk gebied worden verkend. Een tussenrapportage wordt in 2026 verwacht en het eindrapport in 2028. En tot slot heeft mijn voorganger in samenwerking met de Europese Commissie (via een Technical Support Instrument) het initiatief genomen voor een Rural Review, ofwel een plattelandsdoorlichting, die door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) wordt uitgevoerd. Daarin wordt in beeld gebracht wat de staat van het platteland is, hoe beleid hierop uitwerkt en wat hieraan verbeterd kan. De uitkomsten hiervan worden begin 2027 verwacht.
Jaimi van Essen
Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Kamerstukken II 2025/26, 35334, nr. 429.↩︎
https://www.abnamro.nl/nl/media/Krimp-veestapel-reikt-verder-dan-het-boerenerf_tcm16-266593.pdf↩︎
Kamerstukken II 2024/25, 36600, XIV, nr. 51.↩︎