Conceptverslag Marktordening en consumentenbescherming
Verslag van een commissiedebat
Nummer: 2026D13627, datum: 2026-03-19, bijgewerkt: 2026-03-24 16:40, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-03-19 14:30: Marktordening en consumentenbescherming (Commissiedebat), vaste commissie voor Economische Zaken
Preview document (🔗 origineel)
Tweede Kamer, Marktordening en consumentenbescherming
VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Concept
De vaste commissie voor Economische Zaken heeft op 19 maart 2026 overleg gevoerd met mevrouw Herbert, minister van Economische Zaken en Klimaat, over:
de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 1 oktober 2025 inzake vervolg toekomst mededingingsbeleid (24036, nr. 437);
de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 1 oktober 2025 inzake true pricing bij aanbesteden (26485, nr. 457);
de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 18 februari 2026 inzake marktremediebevoegdheid (24036, nr. 438).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken,
Van Eijk
De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken,
Reinders
Voorzitter: Raijer
Griffier: Krijger
Aanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Bühler, Frederik Jansen, Kisteman, Van der Lee, Prickaertz, Raijer en Schoonis,
en mevrouw Herbert, minister van Economische Zaken en Klimaat.
Aanvang 14.30 uur.
De voorzitter:
Goedemiddag. We gaan beginnen. De vaste commissie voor Economische Zaken
heeft vandaag een commissievergadering over marktordening en
consumentenbescherming. Ik heet de aanwezige leden en de minister van
Economische Zaken en Klimaat, mevrouw Herbert, van harte welkom. Aan
tafel ziet u links van mij de heer Prickaertz van de PVV, de heer Van
der Lee van GroenLinks-Partij van de Arbeid, de heer Kisteman van de
VVD, de heer Schoonis van D66 en mevrouw Bühler van het CDA. Tevens heet
ik alle mensen op de tribune en de kijkers die dit debat volgen
welkom.
Er staan drie uur gepland voor dit commissiedebat. We hebben dus de tijd
tot 17.30 uur. U heeft maximaal vier minuten spreektijd in de eerste
termijn. Ik stel voor om het aantal interrupties te bepalen op vier in
de eerste termijn. Ik wil u ook vragen om deze kort te houden. Ik stel
voor dat we nu beginnen en geef het woord aan de heer Prickaertz van de
PVV.
De heer Prickaertz (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Dan begin ik maar meteen met mijn tekst. Op het
mededingingsbeleid in Nederland valt nog veel af te dingen. In het
coalitieakkoord staat dat dit kabinet de ACM nieuwe instrumenten wil
geven, zoals de New Competition Tool, maar het blijft nog enigszins
onduidelijk hoe dit vormgegeven gaat worden. Mijn vraag is dan ook hoe
de minister deze bevoegdheid voor zich ziet en op welke termijn we een
uitgewerkt en kant-en-klaar voorstel hiervoor kunnen verwachten.
We zien steeds vaker dat markten ten onder gaan aan killer acquisitions
en kralen rijgen. Een mooi voorbeeld hiervan zijn de
dierenartsenpraktijken, die in sommige regio's worden opgekocht door één
grote speler. Wat op papier nog lijkt op een vrije markt met meerdere
aanbieders, verandert in de praktijk in een situatie waarin één partij
de overhand krijgt. Hierdoor ontstaat feitelijk een monopoliepositie.
Voor huisdiereigenaren is namelijk niet vanzelfsprekend om uit te wijken
naar een dierenarts in een andere gemeente. Afstand, reistijd en de
noodzaak tot snelle zorg bij spoedgevallen spelen daarbij een heel grote
rol.
Voorzitter. In een aantal landen, waaronder de VS, wordt veel strenger
opgetreden tegen marktmacht. De VS hebben bijvoorbeeld
antitrustwetgeving voor kleinere bedrijven, onder andere om te voorkomen
dat grote bedrijven onbeperkt kunnen doorprocederen. Deze wetgeving,
mededingingsrecht, zorgt voor eerlijke concurrentie en voorkomt misbruik
van machtsposities, zodat consumenten beschermd blijven tegen hoge
prijzen. In Nederland zijn kleinere ondernemingen juist steeds
kwetsbaarder voor dit soort druk. Een ingreep die we vanuit het
ministerie hebben gehoord, is de omzetdrempel voor fusietoezicht
verhogen. Ons inziens is dat een kansloze ingreep, die totaal niet de
kern van het probleem raakt. Die drempel zegt namelijk weinig over de
feitelijke machtspositie binnen een specifieke sector of regio. Daarom
is mijn vraag aan de minister of zij ook oog heeft voor de regionale
marktmacht en of zij bereid is maatregelen te nemen, zodat er ook
voldoende toezicht is op regionale machtsposities. De PVV juicht het toe
dat de ACM, zoals al beschreven, meer bevoegdheden krijgt. Zo beschermen
we zowel consumenten als ondernemers tegen markten zonder eerlijke
concurrentie.
Voorzitter. Ik kom bij true pricing. Wat hier allemaal onder geschaard
wordt, is verbazingwekkend. Als we allemaal andere effecten in
aanbestedingen gaan meerekenen, waarom besteden we dan überhaupt nog
aan? Een van de belangrijkste redenen om tot de Aanbestedingswet te
komen, was juist het voorkomen van verspilling van belastinggeld. Maar
wat doen we nu? We kijken steeds minder naar de feitelijke prijs en gaan
allerlei linkse hobby's en bijeffecten meewegen. Dat staat haaks op het
oorspronkelijke doel van het aanbesteden. Het gevolg is dat de overheid
onnodig extra geld gaat uitgeven. Aanbestedingen worden duurder, omdat
bijeffecten worden meegenomen die helemaal niet in geld zijn uit te
drukken. Zo wordt er bijvoorbeeld een prijs gehangen aan effecten op
biodiversiteit, wel of geen elektrische voertuigen en de
CO2-uitstoot. Daarmee raakt de daadwerkelijke prijs steeds
verder uit beeld, terwijl de belastingdruk voor de gewone Nederlanders
verder oploopt.
De minister schrijft zelf dat ze het gebruik van true pricing
stimuleert, maar niet verplicht stelt, juist omdat het kan leiden tot
hogere kosten en meer regeldruk. Waarom wordt het dan alsnog
gestimuleerd? Ons advies zou dan ook zijn: kap ermee. Zorg dat die
aanbestedingen weer draaien om waar ze oorspronkelijk voor bedoeld
waren, namelijk eerlijke concurrentie en zorgvuldige omgang met ons
belastinggeld. Daarom wil ik de minister ook vragen hoe zij zelf kijkt
naar deze ontwikkeling. Waarom worden al deze bijeffecten in
aanbestedingen meegenomen, terwijl het doel juist was om efficiënt met
publiek geld om te gaan?
Voorzitter. Tot slot colportage. Die praktijk wordt door veel mensen als
onprettig en onbetrouwbaar ervaren. Mensen worden aan hun eigen voordeur
overvallen door opdringerige deurverkopers, die op een dwingende manier
iets proberen aan te smeren. Wat de PVV betreft is dat een kwalijke
praktijk, die zo snel mogelijk verboden moet worden. Achter zogenaamde
goede doelen schuilen namelijk vaak louche marketingbureaus, die er
vooral zelf aan verdienen. Onderzoek heeft uitgewezen dat het 15 tot 23
maanden kan duren voordat de eerste euro daadwerkelijk bij het goede
doel terechtkomt. Terwijl opa en oma denken dat ze iets goeds steunen,
betalen ze in werkelijkheid mee aan de nieuwe Porsche van de
bureaueigenaar. Is de minister bekend met de schimmige constructies die
dit soort bureaus hanteren? Heeft ze inzicht in welk deel van het
gedoneerde geld daadwerkelijk bij het goede doel terechtkomt en welk
deel bij de commerciële verkopers blijft hangen? Is ze bereid om dit
soort praktijken te verbieden?
Dan ben ik al aan het eind van mijn stuk. Ik weet niet of de vier
minuten al vol zijn. Ik heb het snel gedaan.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Prickaertz. U bent binnen de tijd gebleven. Ik heet
eerst de heer Jansen van FVD welkom. Meneer Prickaertz, u heeft nog een
interruptie.
De heer Kisteman (VVD):
De heer Prickaertz ging heel snel, dus ik heb hem zijn spreektijd laten
afmaken. Ik wou hem eigenlijk eerst een vraag stellen over de ACM, maar
ik denk toch dat ik even naar de colportage ga. De heer Prickaertz
vraagt wat de minister kan doen en wat ze kan verbieden, maar hoe ziet
de PVV het zelf voor zich? Hoever wil de PVV hierin gaan?
De heer Prickaertz (PVV):
Goede vraag. Wij willen gaan tot een verbod op commerciële partijen aan
de deur. Dat betreft dus de echt commerciële partijen, partijen die
ingeschreven staan bij de Kamer van Koophandel. Het gaat dus niet om de
kinderpostzegelverkopers, niet om de jonge meisjes en jongens die eieren
verkopen aan de deur en ook niet om de vrijwilligers. Zij staan namelijk
niet ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Het gaat ons puur om de
commerciële partijen, de marketingbureaus.
De heer Kisteman (VVD):
Ingeschreven bij de Kamer van Koophandel zijn ook de kaasboer die door
de wijk rijdt, het meisje van 16 jaar dat eieren verkoopt aan de deur en
de SRV-wagen. Dat zijn enorm belangrijke ondernemers in de wijk. Ze
hebben veel contact met de ouderen en onderhouden sociale contacten. Als
ik het goed begrijp, is de PVV er voorstander van om dat soort
activiteiten in de wijk te verbieden. Daarmee wil ze een einde maken aan
de kleine ondernemers, die gewoon hard werken en hun boterham
verdienen.
De voorzitter:
Graag via de voorzitter, meneer Prickaertz. U mag nog een antwoord
geven.
De heer Prickaertz (PVV):
Ja, voorzitter. Antwoord op deze vraag is eigenlijk dat het de bedoeling
is ... De heer Kisteman noemt de kaasboer die aan de deur komt. Ik weet
niet of dat nog gebeurt. Er zijn misschien hele kleine gemeentes waar er
hier en daar nog een SRV-wagen rijdt. Dat moet natuurlijk in principe
gewoon kunnen blijven bestaan. Het grote verschil is natuurlijk dat de
kaasboer bij mensen langsgaat die daar specifiek om gevraagd hebben. De
commerciële marketingbureaus die namens de goede doelen optreden, komen
aan de deur zonder dat je daarom gevraagd hebt. Ik denk dat dat wel heel
veel uitmaakt. Het is absoluut niet ons idee om de SRV-wagen te
verbieden. De heer Kisteman noemt het meisje van 16 dat eieren verkoopt.
Ik begrijp niet helemaal waarom dat ingeschreven zou staan bij de Kamer
van Koophandel. Dat is toch geen ondernemer?
De voorzitter:
Meneer Kisteman, uw derde interruptie.
De heer Kisteman (VVD):
Ik twijfel, maar ik vind het nou natuurlijk heel interessant worden.
Zodra iemand een onderneming start, schrijft diegene zich volgens mij in
bij de Kamer van Koophandel. Dan kan diegene namelijk belasting
afdragen. Volgens mij werkt ons systeem zo. Toevallig hebben we in
Zwolle zat kaasboeren in de straat en eierenverkopers. Het gaat niet
over kleine dorpjes ver weg; het gebeurt overal. Volgens mij moet de PVV
dus een veel beter onderscheid maken. Ze moet niet zeggen dat het gaat
om inschrijving bij de Kamer van Koophandel of het hebben van
economische activiteiten. Er zou een veel grotere afbakening moeten
komen. Op deze manier zorg je er namelijk voor dat alle economische
activiteiten door ondernemers, die ingeschreven staan bij de Kamer van
Koophandel, niet langer kunnen doorgaan. Volgens mij moeten we de kleine
ondernemers juist helpen en zorgen dat ze kunnen blijven
ondernemen.
De voorzitter:
Ik hoor geen vraag, maar eigenlijk een opmerking. Ik stel dus voor dat
we doorgaan naar ... U wil nog reageren, meneer Prickaertz?
De heer Prickaertz (PVV):
Ja, graag.
De voorzitter:
Heel kort.
De heer Prickaertz (PVV):
Ik wil nog even reageren op de interruptie van de heer Kisteman. Laat ik
vooropstellen dat het absoluut niet onze bedoeling is om dat soort
kleine ondernemers buitenspel te zetten. Het gaat ons om de commerciële
partijen, de marketingbureaus, die namens energiebedrijven, goede doelen
en dat soort zaken optreden. Dat is de intentie. Ik denk dat als wij het
daarover eens zijn, wij daar uiteindelijk, in de eindfase van zo'n plan,
absoluut de juiste formulering voor weten te vinden.
De voorzitter:
De heer Kisteman en daarna de heer Jansen.
De heer Kisteman (VVD):
Dan wijd ik daar toch maar mijn vierde interruptie aan. Een kaasboer in
een winkelstraat is gewoon een commerciële ondernemer, die geld verdient
en activiteiten organiseert. Nu zegt de heer Prickaertz weer die
commerciële activiteiten te willen aanpakken. Dat is dus precies waar
mijn fractie zo veel moeite mee heeft, namelijk colportage zo noemen.
Die ondernemers zijn namelijk ook gewoon ondernemers die thuis de
hypotheek of de huur moeten betalen en die dus ook commerciële
activiteiten organiseren. Noem het dan dus niet langer "commerciële
activiteiten", want die kaasboer of dat meisje dat eieren verkoopt, zijn
gewoon ondernemers. Die zijn commercieel actief.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Ik vind dit wel een heel interessante discussie. Is dit niet eigenlijk
met een hamer op een mug willen slaan? Er zijn natuurlijk een heleboel
marketingbureaus die zich netjes aan de regels houden. Voor welk
probleem zijn we nu eigenlijk een oplossing aan het zoeken? Ik heb ook
het filmpje gezien van de jongen die gaat lopen schreeuwen aan de deur
en zo. Dat is natuurlijk heel vervelend, maar dat is misschien al wel
strafbaar; dat valt misschien onder intimidatie of iets dergelijks.
Moeten we niet veel meer in die hoek zoeken in plaats van categorisch
hele marktsectoren hiermee raken?
De heer Prickaertz (PVV):
Het gaat hier specifiek om het volgende. Dan kom ik ook even terug op de
laatste interruptie van de heer Kisteman. Wij hebben het specifiek over
marketingbureaus die aan de deur komen. We hebben het niet over de
SRV-man of de plaatselijke kaasboer, maar heel specifiek over de
commerciële marketingbureaus die dit doen.
Slaan we met een hele grote hamer op een heel klein mugje? Nee, dat
geloof ik niet. Ik weet niet hoe het gesteld is waar de heer Jansen
woont, maar op de dagen dat ik thuis ben, heb ik er gewoon echt last
van. Dan merk ik dat meerdere partijen continu aan de deur komen. Het
bizarre is dat het vaak dezelfde personen zijn die namens verschillende
doelen optreden. Dat zijn die marketingbureaus. Onderzoek heeft ook
uitgewezen dat een meerderheid van de Nederlanders daar gewoon niet op
zit te wachten, dus dat is eigenlijk ook de insteek van het hele
verhaal.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Ja, maar ik vind het persoonlijk best wel een legitieme
marketingstrategie om gewoon bij mensen langs te gaan. Ik snap dat dat
irritant kan zijn, maar het is niet dermate indringend dat je er schade
van ondervindt of zo. Is het niet beter als we bijvoorbeeld zouden gaan
werken met een ja-neesticker, met daarop "bel niet aan" of iets
dergelijks? Er zijn toch ook andere mogelijkheden dan helemaal dingen
gaan verbieden?
De voorzitter:
De heer Prickaertz en dan de laatste beantwoording, voordat we naar de
volgende spreker gaan.
De heer Prickaertz (PVV):
Ja en nee. Ik heb toevallig een nee-neesticker op mijn deur en toch
ontvang ik heel veel ongeadresseerde post, bijna wekelijks. Heel veel
partijen houden zich dus al niet aan die nee-neesticker. Ik ben bang dat
het weinig helpt en weinig zal uitmaken als je straks een sticker op de
deur plakt waarop staat dat je niet zit te wachten op dat soort mensen.
Daar komt het volgende bij. Dat vind ik het grootste probleem. Vaak zijn
de jongelui die namens die marketingbureaus colporteren, zeer gehaaid.
Daar zijn gewoon heel veel mensen in onze samenleving bijna niet tegen
opgewassen. Ik vind ook dat we die mensen een beetje in bescherming
moeten nemen. Dat is ook een van de achterliggende gedachten bij een
mogelijk verbod op dit soort commerciële marktpartijen.
Mevrouw Bühler (CDA):
Ik hoor deze discussie. Ik denk dat het een waardevolle discussie is,
omdat heel veel mensen zich ontzettend ergeren aan agressieve verkoop
aan de deur. Ik weet ook dat we, mede op initiatief van het CDA, een
motie hebben ingediend om de minister uit te laten zoeken hoe we deze
wens, die we hier in de commissie ook uitspreken, verder kunnen
vormgeven. Ik zou het heel fijn vinden als we die kunnen
afwachten.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Mag ik heel kort als punt van orde vragen om welke motie dat precies
gaat?
Mevrouw Bühler (CDA):
Dat is een motie geweest bij een debat van Economische Zaken. Ik ken de
naam niet, maar het is een motie met de tekst "verzoekt de regering in
kaart te brengen welke opties er zijn, landelijk en lokaal, om
ongevraagde commerciële verkoop aan de deur zo veel mogelijk te
beperken, waarbij ruimte moet blijven voor goede doelen, zoals
kinderpostzegels, en kleinschalige initiatieven, zoals de
SRV-wagen".
De voorzitter:
Meneer Schoonis.
De heer Schoonis (D66):
Dat is een motie waar Forum ook voor heeft gestemd. Een goede
voorbereiding is het halve werk, wat dat betreft. Dank u.
De voorzitter:
Dank u wel. Meneer Prickaertz, bedankt voor uw inbreng. Dan ga ik verder
met meneer Van der Lee van GroenLinks-Partij van de Arbeid voor zijn
eerste termijn.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Ik wil trouwens de minister ook bedanken voor de
brief die ze heeft gestuurd over de economische gevolgen van de oorlog
in het Midden-Oosten. Daar gaan we een apart debat over hebben, dus ik
ga daar nu niet heel uitvoerig op in, maar ik ga wel in op één punt. Dat
betreft de snelle stijging van de olie- en gasprijzen, met name ook in
Nederland, waar de prijs binnen no time met 30% steeg. In België was dat
maar 12%. Een belangrijk verschil met België, en trouwens ook met een
paar andere landen, is dat in Nederland de adviesprijs wordt vastgesteld
door de vijf grootste leveranciers, maar in België de staat daarbij
betrokken is. Dat verklaart ook dat daar de prijsstijgingen veel minder
snel plaatsvinden dan in Nederland. In het verleden heeft de ACM ook
uitgezocht dat er bij zo'n crisis in Nederland al gauw bijna vijf cent
extra in rekening wordt gebracht. Het is dus echt een probleem dat de
grote spelers hier de prijzen bepalen. Ik zou van de minister willen
weten of ze vindt dat de ACM moet worden toegerust om hiertegen op te
treden.
Ik zou ook willen weten of er als het gaat om de energieprijzen geen
bevoegdheid moet komen, al dan niet via de wet, waarbij de overheid
hierbij betrokken raakt om die snelle prijsstijgingen toch enigszins in
toom te houden. Is dat iets wat bijvoorbeeld betrokken kan worden bij de
grondslag voor de marktremediebevoegdheid? Ik vermoed dat de minister
dan nee zegt, omdat dat een politieke afweging is en we dat juridisch in
wetgeving moeten vastleggen, maar is dat een traject waar dit kabinet
ook eens serieus naar zou willen kijken? In onze optiek is dat best wel
noodzakelijk.
Breder, en dat is ook de ervaring uit de vorige energieprijspiek en
inflatiepiek, hebben we gezien dat er ook sprake is van overwinsten,
zeker bij de olie en gas producerende bedrijven. Die zijn toen onder
Europees regime ook één keer afgeroomd. Hoe kijkt het kabinet daar nu
naar? We lezen er helemaal niets over in de brief die is gekomen.
Een ander belangrijk punt is de call-inbevoegdheid en de New Competition
Tool. Mijn partij is daar voorstander van. Sterker nog, we hebben een
initiatiefwet, die al in vergaande staat van voorbereiding is, op die
call-inbevoegdheid. We zijn bijna klaar met de verwerking van het advies
van de Raad van State, dus die wet komt binnenkort naar de commissie. De
schriftelijke inbreng kan vrij snel starten. Ik roep de minister op om
met mijn collega Julian Bushoff in gesprek te gaan, ook persoonlijk. Ik
proef namelijk wel enige terughoudendheid bij het ministerie op dit
terrein; er zijn toch veel zorgen over de administratieve last voor
bedrijven in plaats van dat de noodzaak wordt gevoeld om de markt beter
te laten werken. Dat is goed voor bedrijven, maar zeker ook voor
consumenten. Ik hoop dat de minister gehoor geeft aan die oproep en
daarbij ook kijkt hoe we de zorgen die het ministerie heeft, misschien
kunnen adresseren. We moeten geen tempo verliezen doordat het ministerie
zelf een heel wetstraject gaat starten, want dan zijn we zo weer twee
jaar verder en hebben we een volgende crisis aan de broek hangen. Graag
met de nodige urgentie dat oppakken.
Mijn laatste punt gaat in op true pricing. Bedankt voor de brief en voor
de informatie. Het nieuwe aanbesteden biedt inderdaad veel
mogelijkheden, en heel terecht, want het gaat hier niet om linkse
hobby's maar om grote maatschappelijke opgaven. Het gaat om
CO₂-reductie, om stikstofreductie, maar trouwens ook om maatschappelijk
verantwoord ondernemen. Mij valt wel op dat het MVOI-programma, dus het
maatschappelijk verantwoord opdrachtgeven en inkopen, niet echt genoemd
wordt in de brief. Naar ons gevoel is dit iets waar wel nog een stevige
push aan kan worden gegeven en ik hoop dat de minister dat ook oppakt.
Natuurlijk blijft het altijd zo dat de prijs een rol speelt, maar alleen
maar aanbesteden op basis van de laagste prijs helpt niet bij het
oplossen van een aantal grote maatschappelijke opgaven. Het gaat om heel
veel geld, om meer dan 100 miljard op jaarbasis. De overheid kan dus ook
nieuwe markten creëren of mede creëren, ook in sectoren waar wij nieuw
verdienvermogen kunnen ontwikkelen. Ik roep de minister dus op om ook
daar werk van te maken. Dank u wel.
De voorzitter:
U heeft een interruptie van meneer Prickaertz.
Mevrouw Bühler was eerder? Dan gaan we naar mevrouw Bühler.
Mevrouw Bühler (CDA):
Ik zeg natuurlijk altijd dat ik eerder was, maar ik heb het niet gezien,
hoor.
Ik wilde graag nog even teruggaan naar het eerste punt dat de heer Van
der Lee aangaf. Ik vind het natuurlijk altijd heel mooi om over de grens
te kijken wat we kunnen leren van onze buurlanden. U gaf aan dat er in
België — ik zeg het even in mijn woorden — een prijsinterventie wordt
gedaan door de Belgische staat. We hebben het hier over de bevoegdheden
van de ACM, die nu zijn gericht op marktordening. Je zou dan eventueel
een prijsinterventie-onderdeel moeten toevoegen aan de ACM. Is dat
hetgeen u voorstelt?
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Nou, het is een combinatie. Het feit dat wij het alleen maar overlaten
aan de grootste aanbieders om de prijs te bepalen, heeft in het verleden
aantoonbaar geleid tot hogere prijzen dan noodzakelijk is. Ik vind dat
we daar wat tegen moeten doen. Dat kan ook preventief, doordat je als
overheid betrokken bent bij de prijsvorming, zoals in België. Dat is
niet de enige route, maar je kunt ook constateren dat er overwinsten
worden gemaakt en daarop ingrijpen, bijvoorbeeld achteraf met het
afromen van winsten. Ook dat is gebeurd, in de vorige crisis. Maar ik
zou er niet op tegen zijn als een onafhankelijke toezichthouder ook iets
meer grip krijgt op de prijsvorming van bepaalde producten. Want nu
wordt het onderdeel van het politieke spel. Omdat wij zelf niet
beslissen tot instrumenten die heel gericht zijn, bijvoorbeeld in handen
van een toezichthouder, krijgen we algemene debatten over heel generieke
inkomenspolitieke maatregelen, die miljarden kosten, om een bepaalde
groep te compenseren. Dat vind ik niet een houdbare en gezonde situatie,
zeker omdat we in de transitie die we doormaken qua energie nog heel erg
afhankelijk zijn, want we gaan naar hernieuwbare energie en we zullen
die energieonafhankelijkheid wel vergroten, maar dat gaat nog even
duren. Nu zijn we ontzettend kwetsbaar voor die crisissen en we hebben
geen grip op de prijs. En dan moeten we als politiek achteraf en vaak
voor heel veel geld corrigeren. Ja, dat is het paard achter de wagen
spannen. Ik denk dus dat het kabinet er goed aan doet om hier
instrumentarium voor te ontwikkelen en ook de ACM ruimte te geven,
bijvoorbeeld via een remediebevoegdheid, om daar iets aan te doen.
De voorzitter:
Meneer Van der Lee, ik wil u wel even verzoeken volgende keer te wachten
met het woord te pakken totdat de voorzitter u het woord geeft.
De heer Prickaertz (PVV):
Ik heb een vraag aan meneer Van der Lee. Ik begrijp dat hij gezien zijn
politieke achtergrond groot voorstander is van true pricing, maar wat
vindt hij dan van het feit dat true pricing zal gaan leiden tot een
enorme stijging van de kosten van publieke middelen? Wat vindt hij
daarvan?
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Dat is in algemene zin een onbewezen stelling, ook omdat goedkoop vaak
duurkoop is. We hebben collectief een verantwoordelijkheid bij het
beslechten van een aantal maatschappelijke opgaven. Het Rijk kan dat
niet alleen, maar het kan wel bevorderen dat duurzamere varianten ruimte
krijgen in de technieken die worden toegepast en in de producten die
worden gekocht, bijvoorbeeld in het type asfalt dat wordt aangelegd of
het type beton dat wordt gebruikt. Zo ontstaat daar een nieuwe markt
voor, waardoor die prijzen van dat soort producten ook weer gaan dalen.
Dat heeft zich op een aantal terreinen al bewezen. Het lijkt me heel
verstandig om daarmee door te gaan. Daar is dit een heel mooi instrument
voor.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw bijdrage. Dan gaan we nu naar de eerste termijn van
de heer Kisteman van de VVD.
De heer Kisteman (VVD):
Voorzitter, dank u wel. Goede marktwerking is essentieel. Ondernemers
concurreren, houden elkaar zo scherp en innoveren. Ondernemers zorgen er
op deze manier voor dat consumenten kunnen kiezen uit verschillende
kwaliteiten van hetzelfde product. Ik vind het belangrijk om op te
merken dat verreweg de meeste ondernemers in Nederland het beste
voorhebben met hun klanten, de consumenten. Ze staan iedere dag op om de
wereld vooruit te helpen en een beetje beter te maken. Toch zien we dat
consumenten in sommige gevallen op het verkeerde been worden gezet. Dan
moet er worden opgetreden.
Voorzitter. Een voorbeeld daarvan zijn verzekeringen die bedrijven
aanbieden als consumenten bijvoorbeeld een mobiele telefoon, tv of
stofzuiger kopen. Sommige winkels bieden bij deze aankoop een
verzekering aan als manier om schade of defecten te dekken. Klanten
kunnen bijvoorbeeld een eenmalig bedrag of een maandelijkse premie
betalen om een apparaat te verzekeren tegen schade door vallen, stoten
of andere ongelukken. Uit onderzoek van de Consumentenbond blijkt echter
dat deze verzekeringen vaak onnodig zijn. In veel gevallen is de schade
namelijk al gedekt door de wettelijke garantie of door een
inboedelverzekering. Zo vallen brand- of waterschade meestal onder de
standaard inboedelverzekering, terwijl consumenten bij een defect
product vaak recht hebben op reparatie of vervanging, zolang het product
binnen de verwachte levensduur kapotgaat.
Voorzitter. Mijn fractie vindt het onwenselijk als consumenten worden
verleid tot een verzekering voor schadegevallen die gewoon al gedekt
zijn. Ik wil graag dat de minister hier stappen op gaat zetten. Hoe gaat
de minister ervoor zorgen dat consumenten geen verzekering afsluiten die
ze helemaal niet nodig hebben? Welke rol ziet zij hier voor zichzelf? Is
de minister het met mijn fractie eens dat consumenten nu soms worden
misleid en dat deze situatie onwenselijk is?
Voorzitter. Dan naar een eerlijk en dus gelijk speelveld voor onze
ondernemers. Dagelijks komen er 3 miljoen pakketjes Nederland binnen,
waarvan ruim 2 miljoen uit China. Met de voorgangers van de minister
hebben wij het hier al vaak over gehad. Veel van deze producten voldoen
niet aan de Nederlandse of Europese eisen. Ze zijn bijvoorbeeld
kankerverwekkend of brandgevaarlijk. De NVWA en de Douane kunnen de
toestroom niet aan. Onze ondernemers merken dagelijks dat deze
oneerlijke concurrentie bestaat. In Brussel is afgesproken dat er een
Europese taks van €3 per product komt. Mijn vraag aan de minister is
wanneer die definitief ingaat en hoe zij ervoor zorgt dat deze taks
uiteindelijk ook in Nederland terechtkomt.
Veel belangrijker is dat wij deze bedrijven in Europa kunnen aanspreken,
zodat consumenten hun producten retour kunnen sturen, want dat kan nu
niet. Om dit mogelijk te maken, hebben deze bedrijven een entiteit nodig
in Europa. Mijn vraag is hoe de minister zich in Europa ervoor hard gaat
maken om deze bedrijven te dwingen in Europa aanspreekbaar te worden.
Hoe gaat zij samen met haar collega's hierin optrekken? Hoe gaat zij
vanuit Brussel onze Nederlandse ondernemers beschermen tegen een
stortvloed aan producten die niet voldoen aan onze gezondheidseisen of
veiligheidseisen?
Tot slot, voorzitter. Een langgekoesterde wens van de politiek en het
bedrijfsleven is dat wordt toegestaan om de etiketten op bijvoorbeeld
supermarktproducten te vervangen door QR-codes. Consumenten kunnen dan
door het scannen van de QR-code zien wat er in het product zit. Dit
biedt supermarkten de mogelijkheid om producten over de grens in te
kopen. Producenten kunnen sneller aanpassingen aan het product
doorvoeren zonder dat ze eerst de oude verpakkingen op moeten maken. In
mei 2025 maakte Brussel al het volgende bekend. Ik citeer: "op langere
termijn is digitale etikettering op basis van een gegevensdrager, zoals
een QR-code, de oplossing om toegang tot etiketten voor consumenten te
vereenvoudigen". Ook in Nederland zijn meerdere moties aangenomen om
hier iets mee te doen. Welke rol ziet de minister voor zich om meer
vaart te maken met QR-codes op verpakkingen? Wat is de stand van zaken
met betrekking tot onder andere de territoriale
leveringsbeperkingen?
Daar wil ik het bij laten, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Kisteman. Mooi binnen de tijd. Meneer Van der Lee
heeft een interruptie.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ja, toch een vraag aan de VVD over de sterke stijging van de olie- en
gasprijzen, want ik weet hoe de VVD altijd begaan is met autorijden, tot
aan een beetje vreemde advertenties in deze campagne aan toe. Is de VVD
bereid om op zoek te gaan naar instrumenten die hier wat gerichter iets
aan doen dan dat we miljarden moeten uitgeven aan
koopkrachtreparaties?
De heer Kisteman (VVD):
Ik ga uiteraard graag onze vreemde campagne evalueren met de heer Van
der Lee. Volgens mij heeft die vreemde campagne voor de VVD best goed
uitgepakt. Volgende week is er een debat over de gevolgen van de oorlog
in Iran. Daar had de heer Van der Lee het net ook al over. Daar kunnen
we deze discussie bespreken. Wat mij betreft gaan we die daar ook
voeren. Dat is een goede plek voor dit debat, en niet het debat
hier.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Nou, dat vind ik toch een beetje laf, hoor. In de campagne roep je hoe
je opkomt voor de automobilist. En dan vraag ik in dit debat of de VVD
een instrument voor marktordening wil om iets aan de gas- en olieprijzen
te doen, maar word ik doorverwezen naar de toekomst. Een beetje partij
weet wat zij vindt. Ik hoor dus graag een duidelijk antwoord van meneer
Kisteman.
De heer Kisteman (VVD):
Als we het gaan hebben over een instrument voor marktordening, dan is
het een heel andere vraag. Als het echt gaat over de hogere benzine- en
brandstofprijzen, dan zegt mijn fractie: volgende week is het debat over
de gevolgen van de oorlog in Iran en laten we daar die discussie
voeren.
De voorzitter:
Helder. Bedankt voor uw bijdrage. Dan geef ik nu in de eerste termijn
het woord aan meneer Schoonis van D66.
De heer Schoonis (D66):
Dank u wel, voorzitter. We hebben het over marktordening en
consumentenbescherming. Waar hebben we het dan eigenlijk over? Dan
hebben we het over de vraag of de spelregels in de economie wel eerlijk
zijn. De economie gaat over waarden, waarden die nu uitgedrukt zijn in
euro's, oftewel financiële waarden. Er is echter een bredere kijk op die
waarden nodig. Naast de belangrijke euro's moeten ook de ecologische en
sociale waarden worden meegenomen. Wie heeft namelijk iets aan geld op
de bank als er geen bossen meer zijn om in te wandelen en als er geen
verenigingen meer zijn om samen dingen te beleven? Met andere woorden,
de economie moet duurzaam werken, ook voor toekomstige generaties. Wij
noemen dat: het progressief kapitalisme. Mijn voorganger, Joost Sneller,
heeft dat al opgeschreven in zijn initiatiefnota Nieuwe en slimme
economie. Dit zeggen wij overigens niet alleen. Dit werd vorige week
nogmaals bevestigd door CEO's in ons rondetafelgesprek over het bouwen
van een economie die werkt. Vele andere economen, zoals Willem Schramade
en Dirk Schoenmaker, pleitten hier al voor. Met dit idee maken we
spelregels voor een economie die werkt voor iedereen. Dit wilde ik even
zeggen als de belangrijke context en gedachte vanwaaruit ik
spreek.
Nu naar vandaag. De brieven die we vandaag bespreken, zijn geschreven
door een demissionair minister, die erbij schreef dat de besluitvorming
aan het volgende kabinet is. Dat kabinet is er nu. D66 wil doorpakken.
Ik bespreek dus kort de drie kansrijke tools in de gereedschapskist van
de minister.
Ten eerste de zogenaamde call-inbevoegdheid. Collega Van der Lee heeft
die al genoemd, dus ik kan heel kort zijn. Hier is brede consensus over.
Collega Bushoff van GroenLinks-PvdA heeft hier al een initiatiefwet
voor, het coalitieakkoord is er ook expliciet over en de vorige minister
zat ook op die lijn. Eigenlijk is het dus vrij simpel: wanneer komt het
wetsvoorstel, minister?
Ten tweede de New Competition Tool in de gereedschapskist. De vorige
minister — dat was minister Adriaansens; nee, sorry, het was minister
Karremans — koos voor de veilige route: alleen individuele tikjes
uitdelen aan bedrijven. Dat is begrijpelijk, maar soms moet je niet
alleen pleisters plakken, maar ook de oorzaak aanpakken. In het Verenigd
Koninkrijk werkt het ook al anders. Daar bespaart zo'n instrument al
meer dan 40 jaar jaarlijks meer dan 1,5 miljard pond voor consumenten.
Daarom vraag ik de minister: durven wij ook een stap verder te gaan? Het
hoeft niet ingewikkeld te zijn: als de wet transparantie wil en de ACM
vervolgens zegt dat dat prima is, komt er in deze sector gewoon een
duidelijke prijslijst. Trouwens, dit doet de AFM ook al jaren. Het is
dus niet onbekend.
Ten derde true pricing. Dat is hier ook al ter tafel gekomen. De vorige
minister — deze keer was dat wel minister Adriaansens — noemde het een
goed idee, maar deed er vervolgens weinig mee. Dat is een beetje alsof
je zegt dat sporten gezond is en daarna lekker op de bank blijft liggen.
De overheid koopt voor 90 miljard per jaar in. Dat is een megahefboom en
die moeten we gaan gebruiken. Het is hier net ook al gezegd: de MKI in
de bouw is een goed begin, maar waarom stopt het daar? Want nu hebben we
een vreemde situatie: duurzame bedrijven betalen de rekening en de
vervuiler krijgt eigenlijk korting. Dat is de omgekeerde wereld, dus
mijn vraag is hoe we true pricing breder gaan toepassen.
Voorzitter. Ik sluit af. De diagnose is voor ons duidelijk. Het recept
ligt klaar. Nu is het tijd om niet alleen te praten over de behandeling,
maar ook het gereedschap te benutten, om te bouwen aan de slimme
economie van morgen.
Dank je.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Schoonis. Ook mooi binnen de tijd. Dan geef ik nu het
woord aan mevrouw Bühler van het CDA voor haar eerste termijn.
Mevrouw Bühler (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Een sterke markt maakt een sterke samenleving,
en concurrentie hoort daarbij. Marktwerking en concurrentie zijn geen
doel op zich, maar een middel om een brede welvaart te bereiken. Een
gezonde markt laat ruimte voor nieuwe ideeën en creatieve destructie.
Deze innovatie is de basis voor langdurige economische groei.
Tegelijkertijd vraagt dit om een doordachte marktordening.
Ik heb drie aandachtspunten in mijn betoog. Allereerst de concurrentie
en de ACM, punten die al eerder zijn benoemd. Het CDA is positief over
de nieuwe instrumenten voor de ACM, de New Competition Tool en de
call-inbevoegdheid. Die staan immers ook in het coalitieakkoord, maar we
willen wel zeker weten dat ze ook bijdragen aan het oplossen van de
gesignaleerde problemen. Daarbij moet de regeldruk proportioneel zijn en
moet er sprake zijn van rechtszekerheid voor ondernemers, want het gaat
ergens over. Het moet niet zo zijn dat ondernemers een bedrijf overnemen
en pas achteraf horen dat ze onderdeel zijn van een onderzoek en dat het
dan niet mag, of dat men onnodig lang in onzekerheid zit. Kan de
minister aangeven welke route zij voor zich ziet ten aanzien van deze
voorstellen, ook in relatie tot de EU? Daarnaast moeten de neveneffecten
zo veel mogelijk gemitigeerd worden. Hoe gaat de minister dit bewaken in
het wetsvoorstel? Wanneer kunnen we de uitwerking tegemoetzien?
De heer Frederik Jansen (FVD):
Ik heb een vraag. Ik ben ook erg geïnteresseerd in de New Competition
Tool. In de brief zag ik, best wel summier eigenlijk, opgesomd wat dat
dan voor bevoegdheden zijn: informatieverplichtingen,
toegangsverplichtingen, non-discriminatieverplichtingen,
overstapverplichtingen en verplichte contractvoorwaarden. U zei net dat
het CDA positief kijkt naar die nieuwe bevoegdheden en dat u denkt dat
die goed werken voor de geconstateerde problemen. Ik vroeg me af: wat
zijn die geconstateerde problemen en welke van de bevoegdheden uit dit
rijtje zouden die problemen dan oplossen?
Mevrouw Bühler (CDA):
De New Competition Tool gaat over marktfalen. Dat kun je op
verschillende manieren oplossen. In de brief van de minister, de vorige
minister overigens, worden daar een aantal oplossingsrichtingen voor
aangegeven. Wij geven daarvoor drie randvoorwaarden mee waaraan ze wat
ons betreft moeten voldoen. Het is namelijk belangrijk dat we de
zekerheid hebben dat de instrumenten die we gaan verstrekken
daadwerkelijk een oplossing zijn voor de problemen die we signaleren. Is
dat op het niveau van de markt? Is dat op het niveau van de sector? Is
dat op het niveau van specifieke bedrijven? Het moet proportioneel zijn
en het moet niet echt veel extra regeldruk met zich meebrengen. In de
uitwerking zagen we dat er best veel vragen waren over de regeldruk.
Daar is ook nog behoorlijk op geantwoord en dan bekruipt je wel het
gevoel: o jee, wat we hier straks gaan doen, zal voor nóg meer regels
zorgen; ik weet niet of bedrijven daar echt bij gebaat zijn. Dat zijn
dus de randvoorwaarden die ik de minister graag zou willen meegeven, met
het verzoek om daar in de uitwerking op te letten, zodat we een
instrument krijgen dat doet wat nodig is.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Mag ik dan toch nog heel kort een vraag stellen?
De voorzitter:
Heel kort, meneer Jansen. Dit is trouwens uw laatste interruptie.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Dat is niet erg. Het moet dus doen wat nodig is, maar wat is er dan
nodig en wat moet het dan doen?
Mevrouw Bühler (CDA):
We zien in sommige situaties dat zich dingen voordoen waarbij je graag
zou willen ingrijpen. We hebben een aantal casussen gehad, zoals de
Solvinitycasus, waarin je ziet dat er iets gebeurt waar je misschien
niet gelukkig van wordt. Vervolgens zeg je: de ACM heeft geen instrument
om daar iets aan te doen, dus dan kun je niet ingrijpen. Zo zijn er
meerdere voorbeelden waarbij je zegt: dat instrument hebben we
nodig.
De voorzitter:
Dan is er nog een interruptie van meneer Van der Lee en daarna ga ik
naar de heer Schoonis.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij weten we dat er sprake is van killer acquisitions en kralen
rijgen in diverse markten, dus het is heel terecht dat er nieuwe tools
worden gezocht. We roepen dan al heel snel: regeldruk, regeldruk,
regeldruk. Maar bedrijven hebben zelf belang bij een goede marktwerking.
Dat ten eerste.
Ten tweede: de ACM dringt zelf aan op deze bevoegdheid, bijvoorbeeld de
call-inbevoegdheid. De ACM geeft aan dat het, naar haar inschatting,
gaat om vijf à tien cases op jaarbasis. Het is dus echt niet zo dat
ieder bedrijf bij iedere aankoop met de billen bloot zal moeten. Het is
echt relatief beperkt, maar het is wel cruciaal dat we haar op dit
terrein wat instrumenten in handen geven. Ik hoop dus dat het CDA ook
van mening is dat het belangrijk is dat dit instrument er komt en dat we
ons niet te snel bang moeten laten maken door het feit dat het tot
regels leidt, want die zijn dan juist bedoeld om de bedrijven te
beschermen.
Mevrouw Bühler (CDA):
Ik hoor wat de heer Van der Lee zegt. Net werd er een vraag gesteld over
de New Competition Tool, maar u heeft het nu over de call-inbevoegdheid.
Ik moet u ook heel eerlijk zeggen dat ik deze portefeuille pas twee
weken heb, dus voor mij was het ook nog even studeren om te weten waar
we het precies over hebben. Ik heb gezegd dat het CDA het echt eens is
met deze methodieken en deze instrumenten. Wij staan daar echt achter.
Daarom vinden we het ook heel belangrijk dat het op zorgvuldige wijze
wordt vormgegeven. Vandaar dat wij daarvoor nog een aantal
aandachtspunten meegeven.
De voorzitter:
Had u nog een interruptie, meneer Schoonis?
De heer Schoonis (D66):
Ja, het was meer een aanvulling op meneer Jansen. Volgens mij hoorde ik
hier al dat de call-inbevoegdheid oké is. Die New Competition Tool is
wel voor de situatie waarin die markten niet goed werken, ook al is er
geen sprake van daadwerkelijk de wet overtreden. De ACM vraagt daar ook
naar. We hebben het dan bijvoorbeeld over ICT in zorginstellingen. Daar
is gewoon geen competitie of concurrentie, waardoor de prijzen heel hoog
worden. Het gaat ook om de spaarmarkt waar de rentes te laag zijn voor
consumenten. Het heeft echt wel zin om die New Competition Tool daar in
te zetten. Dat even als aanvulling.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw aanvulling. Mevrouw Bühler, u heeft nog twee minuten
en een beetje voor de eerste termijn.
Mevrouw Bühler (CDA):
Dan ga ik mijn best doen. Als tweede de staatssteun. Het CDA wil niet
dat de Staat de markt of de samenleving verdringt. De markt en de
samenleving zijn dynamisch genoeg om veel zelf op te pakken. Stimuleren
waar de markt het laat afweten en rechtvaardig overheidsingrijpen: mede
hierom heeft het CDA ook gepleit voor de nationale
investeringsinstelling. Steunkaders voorzien in een functie, maar werken
soms verlammend. Het staatssteunkader is rigide en zorgt voor veel
regeldruk en daarmee voor vertraging. De toepassing van
staatssteunkaders houdt broodnodige innovatie tegen — ik moet "soms
tegen" zeggen — zeker bij de ondersteuning van start-ups en scale-ups in
de vervolgfinanciering. Daarbij zijn zij soms genoopt tot maatregelen
die je liever niet treft, zoals bijvoorbeeld de DEAB in de kinderopvang.
Is de minister bereid om in EU-verband te onderzoeken in hoeverre
staatssteunregels beknellend zijn voor het opschalen van start-ups en om
in te zetten op het verminderen van regeldruk? Kan zij op nationaal
niveau onderzoeken of onze risicoperceptie van de staatssteun afwijkt
van andere EU-landen?
Als laatste de KVK, die zegt onvoldoende wettelijke mogelijkheden te
hebben om ondermijning tegen te gaan. Kan de minister haar inzet hierop
kenbaar maken? Hoe kunnen we de poortwachtersfunctie van de KVK
versterken? Wat is de status van eventuele wetgeving?
Afrondend. Het CDA staat voor een economie waarin we duidelijke kaders
stellen waarbinnen de markt kan floreren om zo bij te dragen aan een
bredere welvaart.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank, mevrouw Bühler. Dat was mooi binnen de tijd. Dan gaan we nu naar
de eerste termijn van meneer Jansen van Forum voor Democratie.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Dank u wel. We bespreken vandaag of de Autoriteit Consument & Markt
nieuwe bevoegdheden moet krijgen om marktfalen tegen te gaan en
concurrentie te bevorderen. Dit debat volgt deels op het debat van 2
oktober 2025. Hierin werd gesproken over de rol van de overheid in het
oplossen van vermeend marktfalen en een mogelijke New Competition Tool,
die hierbij een uitkomst zou moeten bieden. Ik zat toen nog niet in de
Kamer, dus ik heb de Handelingen erbij gepakt, want ik vroeg me namelijk
af waarom we het hier eigenlijk over hebben. Is er daadwerkelijk sprake
van wat men "marktfalen" noemt en zo ja, in welke vorm en in welke
mate?
De heer Sneller van D66 betoogde op 2 oktober dat de markt niet
vanzelfsprekend vrij is, maar dat overheidsingrijpen noodzakelijk is.
Een van de dingen die mij opviel, is dat hij sprak over zogenaamde
"sleepers": consumenten die niet overstappen en als gevolg daarvan te
veel betalen. Dit is nogal een aanname. Het veronderstelt dat alle
actoren op de markt rationele actoren zijn die enkel het prijsmechanisme
in overweging nemen bij het maken van aankoopbeslissingen. In de
praktijk is de mens veel complexer dan dat en spelen tal van factoren
hierbij een rol, zoals vertrouwen, merkloyaliteit, gemak, tijdskosten et
cetera. Wie zijn wij om voor mensen te bepalen of zij het juiste product
kopen?
In lijn hiermee zag ik ook een opmerking van de heer Thijssen van de
Partij van de Arbeid over monopolievorming met als voorbeeld PostNL.
PostNL heeft inderdaad een hele sterke positie op de Nederlandse post-
en pakketmarkt, namelijk ongeveer 95%. De heer Thijssen zag dit in het
debat van oktober als een probleem. Ook zag hij winstflatie als een
probleem. Dat is het fenomeen dat de winsten stijgen, maar dat de lonen
binnen een bedrijf niet stijgen. PostNL is hiervan wellicht het
slechtste voorbeeld, omdat het vorig jaar nog verlies heeft
gedraaid.
Voorzitter. Zo kunnen we wel door blijven gaan over dat debat. Ik ben
hier ook niet om dat debat te herhalen, maar ik vond het wel interessant
om het als achtergrond te gebruiken bij het nadenken over die New
Competition Tool. Het hele idee dat er sprake zou zijn van marktfalen,
vind ik namelijk zeer dubieus. Het berust op de aanname dat de markt kán
falen, met andere woorden: dat het prijsmechanisme een modelmatige
voorspelbare uitkomst zou moeten produceren, dat elke afwijking daarvan
als falen kan worden bestempeld, dat je dus een optimale prijs voor een
product of dienst kan vaststellen, dat een door de consument betaalde
prijs niet overeenkomt met de daadwerkelijke waarde van het product of
de dienst en dat dit dus van bovenaf beter kan worden bepaald dan in de
interactie tussen deelnemers in de markt. Om falen als gevolg van
markteigenschappen op te lossen, stelt het kabinet voor om de ACM
marktremediebevoegdheden te verschaffen. Hiermee krijgt de ACM de
bevoegdheid om in te grijpen bij marktverstorende ontwikkelingen, zoals
toetredings- en overstapdrempels, fusies en overnameacties.
De voorzitter:
Meneer Jansen, er is een interruptie voor u van meneer Van der
Lee.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ik dacht: misschien moet ik één voorbeeld noemen dat vrij pregnant is.
Dat is niet per se een monopolie, maar een oligopolie en dan kijk ik
gewoon naar onze grootbanken. Dat probleem is er al jarenlang en met
algemene consensus is geconstateerd dat er te weinig concurrentie is
tussen banken op de Nederlandse markt. DNB, de WRR en de regering zelf
hebben dat allang erkend, maar er wordt heel weinig aan gedaan. Een van
de zaken is bijvoorbeeld de koppelverkoop van een rekening-courant en
een spaarrekening. Daar kan zelfs niet tegen worden opgetreden. Ik ben
wel benieuwd of Forum nou erkent dat er op plekken echt wel sprake is
van marktfalen. Dan kan Forum misschien met voorbeelden komen waarbij
het daarvan niet overtuigd is, maar ik denk dat dit echt een onomstreden
voorbeeld is. Daar krijg ik graag een reactie op.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Dank u wel. Ik vind het een heel goed voorbeeld, een heel interessant
voorbeeld, omdat het een voorbeeld is van overregulering, volgens mij.
Het is ontzettend moeilijk om een bank te beginnen in Nederland. Er zijn
tal van vergunningen die te maken hebben met financiële instellingen. Om
die te verkrijgen ben je jaren bezig. Het gaat echt over
vergunningstrajecten van meerdere jaren per vergunning. Ik ken ook
mensen in de fintech die daarmee bezig zijn. Sommigen lukt dat en dat is
heel mooi voor ze, maar het is echt ontzettend moeilijk, want daar heb
je enorme legal-afdelingen voor nodig en dat gaat allemaal ten koste van
de ontwikkeling van die bedrijven zelf. Ik ben het er heel erg mee eens
dat die markt een oligopolie is, maar ik denk dat we die juist zouden
moeten openbreken door deregulering, zodat concurrenten op de markt
kunnen stappen.
De voorzitter:
Er zijn interrupties van de heren Prickaertz en Schoonis. We beginnen
met de heer Prickaertz.
De heer Prickaertz (PVV):
Meneer Jansen begint er eigenlijk zelf over: PostNL. Vindt meneer Jansen
dat een goed functionerende markt? PostNL heeft gewoon op alle fronten
winst gemaakt en heeft een bizarre monopoliepositie. Ik begrijp uit zijn
verhaal dat hij ingrijpen eigenlijk helemaal niet nodig vindt, maar
daarom vroeg ik mij af of meneer Jansen dat een goed functionerende
markt vindt.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Dit gaat eigenlijk terug naar waar ik het over had. Wij kunnen in zekere
zin niet beoordelen of een markt goed functioneert. Dat is aan de
deelnemers van de markt zelf. Je kunt vaststellen dat er sprake is van
een hele grote positie op die markt. Dat zorgt er dus ook voor dat die
heel dominant kan zijn in zijn werkwijze, maar dat betekent niet dat er
geen concurrentie is. Er zijn echt wel uitdagers en er zijn echt wel
nieuwe bedrijven die hiertegenin opkomen. PostNL is een best wel log en
fors bedrijf, dat niet heel wendbaar is in termen van innovatie en
nieuwe ontwikkelingen. Neem bijvoorbeeld de CMD-deliverymarkt. Daarop
zijn zij geen speler. Er zijn steeds meer bedrijven die daar wel in
willen stappen en die worden daar dus een hele sterke concurrent van. Ik
denk dus eigenlijk dat PostNL ten onder gaat aan z'n omvang en het juist
door kleinere spelers heel goed kan worden uitgedaagd. Ik heb best wel
vaak gedacht: kan een bedrijf via overnames en zijn positie op de markt
zo groot worden dat het geen concurrenten meer kan hebben? Voor mij was
Google lange tijd het beste voorbeeld. Google heeft natuurlijk een hele
dominante positie op de zoekmarkt, en überhaupt op het internet met
verschillende diensten. Toch is ChatGPT opgekomen. Toch is er een
uitdager gekomen die via nieuwe technologie, via een volledig nieuwe
dienst, heeft kunnen inbreken op die markt. Die is niet opgekocht en is
een hele grote speler aan het worden. Ik geloof eigenlijk heel erg in
het functioneren van de markt. Ik geloof heel erg dat mensen daarin zelf
beslissingen kunnen nemen.
De voorzitter:
Er is een interruptie van meneer Schoonis. O, nee. Meneer Prickaertz
heeft nog een laatste reactie.
De heer Prickaertz (PVV):
Meneer Jansen refereert bij PostNL voornamelijk aan de pakketmarkt, denk
ik, maar wij hebben het hier eigenlijk over de postmarkt. Die 95% is van
toepassing op de postmarkt. Even ter verduidelijking: er is geen
concurrentie voor PostNL op de postmarkt. Het is namelijk heel simpel:
alle regionale postbedrijven werken voor PostNL. Er is dus helemaal geen
sprake van concurrentie. Dat is nou juist het hele probleem. Dat hebben
wij in het verleden ook gezien bij het Postbesluit. Hopelijk bespreken
we dat straks, na de zomer, bij de nieuwe wijziging van de Postwet. Er
is hier helemaal geen sprake van marktwerking. Dat is mijns inziens
juist datgene waar we in Nederland problemen mee hebben, wat we aan
moeten pakken en wat we beter moeten reguleren.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Ja, maar hoe denkt de heer Prickaertz dat dat komt? PostNL wás
natuurlijk een staatsbedrijf. Het heeft van nature een dominante
positie, een monopoliepositie, gehad. Daarmee heeft het een enorme
voorsprong gehad ten opzichte van andere bedrijven. Ik denk juist dat
regionale uitdagers, als die er komen, een hele mooie rol kunnen spelen.
Het is namelijk heel moeilijk om een fijnmazig nationaal netwerk op te
tuigen; dat vergt enorme investeringen. Ik snap dus wel dat toegang tot
die markt heel moeilijk is. Ik ben niet supergoed thuis in de postmarkt,
dus ik wil hier straks graag met een sigaretje over verder praten. Maar
zoals ik het begrijp — misschien kunt u dat verduidelijken — is het
nodig om als UPD of UDD … Wat is het ook alweer? Het is UPD, hoor ik van
mijn collega's. Je moet landelijke dekking kunnen garanderen. Dat is een
regel. Je zou kunnen zeggen: we gaan die regels losser maken, door te
zeggen dat je geen landelijke fijnmazige dekking hoeft te garanderen.
Dan kunnen heel veel bedrijven ineens wél instappen in zo'n markt.
De voorzitter:
Meneer Prickaertz, dit is uw allerlaatste interruptie.
De heer Prickaertz (PVV):
Wat betreft PostNL: hoe zijn die aan die positie gekomen? Dat is heel
simpel: er was een concurrerend bedrijf, Sandd. Sandd is door PostNL
overgenomen. Ondanks het feit dat de ACM daar strikt op tegen was, heeft
het ministerie toch besloten om akkoord te gaan met die overname.
Daarmee is de monopoliepositie van PostNL enorm versterkt. U heeft het
over de periode waarin het nog een staatsbedrijf was, maar volgens mij
moeten we daarvoor terug naar PTT Post; dat is heel lang geleden. Ik ben
al best heel oud, maar … Maar goed, dat is dus het probleem. De huidige
situatie is dat andere postbedrijven, ook mogelijke nieuwe commerciële
bedrijven, geen toegang hebben tot het netwerk. Daar zit het
probleem.
De voorzitter:
Ik hoor geen vraag, alleen een opmerking. Ik ga dus even naar de heer
Schoonis, voor zijn interruptie.
De heer Schoonis (D66):
Een laatste opmerking over die post: ik nodig meneer Jansen uit om mee
te denken, want we hebben hem nog niet gezien in die commissie.
Mijn collega Joost Sneller werd net even genoemd, die het mooie
initiatief Progressief kapitalisme heeft geschreven. Even een
voorbeeldje om te laten zien dat het inderdaad niet altijd gaat over
prijs bij marktfalen; daar heeft de heer Jansen gelijk in. We hebben nu
bijvoorbeeld het actuele probleem van Odido. Daar is een behoorlijk
datalek geweest; daar is iedereen van op de hoogte. Als je dan niet snel
kunt overstappen, is dat in principe ook marktfalen. Dan heb ik het over
het feit dat mensen niet snel naar een ander bedrijf kunnen, omdat ze
moeite hebben om die overstap te maken. Dat wordt ze ook niet
gemakkelijk gemaakt, omdat het om een vrij grote speler gaat. Ik geef
even een voorbeeldje; dat kan ook marktfalen zijn.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Ja, dat is ook een heel interessant voorbeeld. Ik kan nu niet een knop
omzetten en een telecomaanbieder worden; daarvoor moet je ook weer
allerlei vergunningstrajecten doorlopen. Elke keer komt het toch weer op
hetzelfde neer. Voor een heel groot deel is de toegang tot markten heel
erg onderhevig aan vergunningstrajecten, regelgeving, administratieve
lasten en juridische lasten. Die zaken maken het voor start-ups
ontzettend moeilijk om daarin te stappen. Als je dereguleert, krijg je
dus concurrentie. Dan kunnen consumenten veel meer kiezen. Dan kunnen ze
veel eerder zeggen: oké, Odido bleek niet zo'n betrouwbare IT-partner;
misschien kan ik toch maar beter kiezen voor een bedrijf dat hiervan
echt een speerpunt maakt. Dat zou dan kunnen. Maar dat kan op dit moment
natuurlijk niet. Dat geldt voor ontzettend veel markten in
Nederland.
De heer Schoonis (D66):
Gewoon even een reactie: ik ben vóór meer concurrentie. Dat is helemaal
niet het probleem. Maar als iets eenmaal geconcentreerd is, dan moet de
ACM kunnen ingrijpen. Dat is volgens mij wat we met die
call-inbevoegdheid en die New Competition Tool beogen.
De voorzitter:
Ik hoor geen vraag. Ik geef u het woord, meneer Jansen. U kunt dan ook
gelijk uw eerste termijn afmaken.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Dank u wel. In de New Competition Tool worden een aantal nieuwe
bevoegdheden voorgesteld: informatieverplichtingen,
toegangsverplichtingen, non-discriminatieverplichtingen,
overstapverplichtingen en verplichte contractvoorwaarden. Ik vraag de
minister wanneer we daar een wat meer uitgewerkte variant van kunnen
verwachten, want dit is tot nu toe nog best wel high level. Zoals ik al
in heel veel interruptiedebatjes heb betoogd, geloven wij juist dat de
oorzaak van bepaalde gebrekkige concurrentie in de markt ligt bij
marktinmenging door de overheid, via regelgeving, vergunningen en dat
soort dingen. Ik zal dat stukje overslaan, want eigenlijk hebben we dat
al uitvoerig besproken; dat vond ik erg waardevol.
MKB-Nederland schat dat de algehele regeldrukkosten voor het midden-en
kleinbedrijf in Nederland jaarlijks ruim 20 miljard euro bedragen. Dat
is 20 miljard euro die had kunnen gaan naar het uitbreiden en
concurrerender maken van talloze bedrijven, maar nu gedwongen verspild
wordt aan het uitvoeren van regeltjes.
Voorzitter. Tot slot. Marktfalen bestrijden met meer
overheidsbevoegdheden is als vuur bestrijden met benzine. Wij zouden in
plaats daarvan moeten aansturen op deregulatie. De oplossing ligt voor
ons dan ook niet bij uitbreiden, maar bij het ingrijpend afschalen van
administratieve verplichtingen en regeldruk.
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik zie dat de heer Schoonis nog een interruptie voor u heeft.
De heer Schoonis (D66):
Ik vind dit interessant. Het gaat hier over marktfalen. Juist die
call-inbevoegdheid is voor het mkb heel belangrijk, zodat ze niet door
grote bedrijven eruit worden geduwd en er niet zo'n hoge drempel wordt
neergelegd omdat die grote bedrijven de kleine bedrijven hebben
opgekocht. Die zou dus juist in het voordeel van het mkb zijn, en vaak
dus ook juist in het voordeel van de consument. Ik ben het met u eens
dat je voor deregulering moet gaan waar het kan, maar hier gaat het
juist om het punt waar die markt vastzit; die moet je dan met de koevoet
proberen open te krijgen. Dan krijg je juist meer marktwerking, lagere
prijzen en meer kwaliteit. Dat wilde ik nog even zeggen.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Ik wil dat echt nog wel een keer door mijn hoofd laten gaan. Heel
theoretisch kan ik me dat soort situaties voorstellen. Toch vind ik dat
je vaak weer andere barrières aantreft als je dan inzoomt. Maar
misschien moeten we daar een keer wat uitvoeriger over spreken met
elkaar.
Mevrouw Bühler (CDA):
Ik hoor wat mijn buurman, de heer Jansen, zegt. Ik hoor hem een heel
sterk pleidooi houden voor regeldrukvermindering. Aan de andere kant is
het natuurlijk ook zo dat we dingen zoals consumentenbescherming met
elkaar moeten blijven organiseren en regelen. Ik vraag me af: waar zit
bij u het omslagpunt als het gaat om enerzijds die regeldruk en
anderzijds die consumentenbescherming?
De heer Frederik Jansen (FVD):
Dank voor de vraag. Ik heb in een eerder debat verteld dat ik ook een
eigen bedrijf heb. Ik mocht niet vertellen welk bedrijf dat was. Ik zal
dat nu ook achterwege laten. Maar het is voor mij altijd fijn om het
daarnaar terug te brengen. Het ging hierover tijdens het begrotingsdebat
over de begroting Economische Zaken. Toen ging het bijvoorbeeld over
klantenservices. Wij hebben juist in ons eigen bedrijf gemerkt dat het
ontzettend waardevol is — we hebben dat best een tijdje onderschat — om
een heel goed functionerende klantenservice te hebben. Dat lijkt duur en
dan denk je "dat doen we er wel even bij", maar eigenlijk is die voor
het bedrijf juist heel gunstig.
Om het dan terug te brengen naar het meer algemene punt over
marktwerking: ik denk dat bedrijven die uitblinken in dat soort dingen,
ook juist meer klanten gaan aantrekken. Als er echte excessen zijn
waarbij er echt gewoon strafbare feiten worden gepleegd, dan heeft
justitie gewoon al een heleboel bevoegdheden om daar iets aan te doen.
De markt dwingt volgens mij dus juist af dat bedrijven goed met hun
klanten moeten omgaan, want anders besta je gewoon niet heel lang.
De voorzitter:
Ik dank de Kamer voor de eerste termijn. Voordat ik ga schorsen, wil ik
graag van de minister horen hoeveel tijd zij ongeveer nodig heeft.
Minister Herbert:
Mag ik twintig minuten van u, voorzitter?
De voorzitter:
Ja, dat is prima. Dan schors ik bij dezen voor twintig minuten.
De vergadering wordt van 15.30 uur tot 15.50 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik open het debat weer. Ik geef de minister het woord in eerste termijn.
Ik wil u wel vragen om uw beantwoording kort en bondig te houden, zodat
ik de Tweede Kamer nog de gelegenheid kan geven voor een tweede termijn.
Ik wil ook melden dat als de tweede termijn voor 17.00 uur kan
plaatsvinden, ik de heer Van der Lee het eerste het woord geef. Hij moet
namelijk om 17.00 uur weg.
Minister Herbert:
Dank, voorzitter. Ik ga mijn best doen. Marktordening en
consumentenbescherming zijn belangrijke onderwerpen. Ik merk dat er in
de commissie verschillend wordt gedacht over de vraag of er eigenlijk
een probleem is en of het iets is wat vraagt om een rol van de overheid.
Mijn visie daarop is dat het belangrijk is dat er ruimte is om te
concurreren en dat er dus een goedwerkende markt is. Consumenten moeten
soms, nee altijd, beschermd worden tegen gedrag dat niet passend is bij
hun belangen. Dat vraagt om een bescheiden maar krachtige rol van de
overheid om daarbij een fair proces te borgen. Dat gaat om spelregels en
effectieve handhaving. En ja, daarbij moeten we er ontzettend voor
oppassen dat dat niet doorslaat in onnodige regeldruk. Dat is iedere
keer een balans die je moet vinden; dat is precies wat er moeilijk aan
is. Ik snap daarmee ook de beide uiteinden die u mij wil meegeven. Het
zoeken van die balans is precies waar ik me verantwoordelijk voor
voel.
Ik ga graag in op een paar specifieke blokjes met onderwerpen. Ik stel
de volgende volgorde voor: marktordening en mededinging als eerste; ten
tweede wat over aanbesteden; ten derde wat over de interne markt,
inclusief e-commerce; en ten vierde consumentenbescherming.
De voorzitter:
Ik ga u heel even heel kort onderbreken, want ik ben helemaal vergeten
te vertellen dat de Kamerleden vier interrupties hebben.
Minister Herbert:
Dank u wel. Ik begin dus met marktordening en mededinging. Ik begin
eerst even met mijn sturing op dit moment, met waar ik zit in een
ontwikkellijn. Er zijn een paar krachtige instrumenten in het
Nederlandse mededingingsbeleid. Dat gaat over het voorkomen van
kartelvorming en misbruik van machtsposities en over controle op fusies.
Eigenlijk zien we dat er een paar nieuwe dingen aan de hand zijn, met
nieuw marktgedrag en nieuwe marktstructuren, waardoor we een paar dingen
toe moeten voegen. Daarvoor zijn die nieuwe instrumenten, de
marktremediebevoegdheid en de inroepbevoegdheid, de call-inbevoegdheid,
bedoeld. Daarvan zijn eigenlijk al voorbeelden genoemd door uzelf. Dat
gaat over de dierenartsenpraktijken en de schoolboekenmarkt, die net
iets te geconcentreerd is. Daar zijn meerdere voorbeelden van genoemd.
Voor dat soort zaken zoeken we ingrijpmogelijkheden.
Ik neem u eerst even mee in waar ik sta. De marktremediebevoegdheid, ook
wel de New Competition Tool genoemd, vind ik dus een goed idee. Ik ben
zover dat we een wetsvoorstel maken en in het najaar een
internetconsultatie daarover starten. Bij die nadere uitwerking zullen
we dus oog hebben voor de angst dat er te veel regeldruk en onzekerheid
voor bedrijven ontstaan. Daar ging met name mevrouw Bühler op in. Er
moet ook een goede bevoegdheidsverdeling zijn tussen aan de ene kant de
ACM en aan de andere kant het kabinet. Dat die bevoegdheid er moet gaan
komen, staat ook in het coalitieakkoord; dat is ook al door u benoemd.
Daar gaan we dus in mee. De eerste actie is dus de internetconsultatie
in het najaar. Misschien kan ik straks kijken of er nog meer over te
zeggen is.
Ik ga eerst even naar de call-inbevoegdheid, de inroepbevoegdheid. Ik
ben inderdaad op de hoogte gesteld van het wetsvoorstel dat door de heer
Bushoff is gemaakt. Ik ben er sowieso in algemene zin erg op uit om
samen te werken aan voorstellen. Ik help liever om iets zo goed mogelijk
te maken zodat we door kunnen, dan dat ik allerlei concurrerende
voorstellen ga doen. Het hartstochtelijke pleidooi van de heer Van der
Lee omarm ik dus. Er is namens mij inmiddels al contact gezocht met de
heer Bushoff. Ik hoop hem snel te kunnen spreken. Natuurlijk moeten we
daarbij samen goed kijken naar het verwerken van de reactie van de Raad
van State. Ik weet zeker dat hij daar ook mee bezig is. Dan moeten we
ook even goed kijken of we goed genoeg naar de regeldruk en
rechtszekerheid gekeken hebben.
De heer Prickaertz vroeg nog specifiek naar de omzetdrempels. Die
bestaan dus al bij fusies. Laten we even goed kijken hoe die drempels
goed ingesteld worden. Mijn doel is om die effectief te maken op een
manier waarbij de ACM niet overstroomd wordt met allemaal werk; daarbij
hebben we ook gewoon prioritering nodig. Uw angst, of zorg — laat ik het
zo noemen — ging over regionale ongelijkheden. Een van uw vragen ging
erover dat daar eigenlijk iets niet geregeld zou moeten worden; ik zoek
even in mijn papieren. Bij de inroepbevoegdheid delen we het doel dat u
voor ogen heeft, namelijk ook kleine overnames beoordelen die op
regionaal of soms zelfs lokaal niveau tot mogelijke
mededingingsproblemen leiden. Dus ja, daar ziet het ook op.
Mevrouw Bühler (CDA):
Dank u wel voor de beantwoording. Ik vroeg me alleen even af hoe wat de
minister nu gaat doen, zich verhoudt tot wat er al op EU-niveau gebeurt,
aangezien er inmiddels ook EU-wetgeving in de maak is op het niveau van
de New Competition Tool. Waar raken wij elkaar?
Minister Herbert:
Het is inderdaad zo dat altijd een beetje de vraag is wat je op Europees
niveau doet en wat op Nederlands niveau. Alles met risico op opgetopt
beleid in Nederland vind ik spannend. Daar ben ik niet op uit, maar ik
wil ook voortgang. In dit geval loopt er nog geen Europees traject. Ik
pleit daar wel voor, maar het loopt nog niet, omdat er in Europa ook nog
gezegd wordt: laten we vooral kijken hoe we goed handhaven met de
bestaande instrumenten. Dat moet ook, maar ik vind het ook nodig om in
Nederland iets te doen met die New Competition Tool. Naast het feit dat
ik daar in Europa voor pleit, zetten we daarom in Nederland door met de
introductie daarvan, zoals ik u verteld heb.
De heer Schoonis (D66):
Dank voor de antwoorden alvast. Ik wil alvast één ding inbrengen. De
minister sprak er ook over dat er op dit moment al redelijk wat
instrumenten zijn. Daar wilde ik nog even op ingaan. Kan de bewijslast
daarvoor ook lichter worden? Kunnen we het sneller vaststellen wanneer
een bedrijf echt te machtig wordt? Daar hoeven we niet op te wachten.
Dat gaat er dus om dat de bewijslast lichter wordt, zodat de ACM
makkelijker kan ingrijpen waar nodig. Daar vragen ze ook zelf om.
Daarmee hoeven we ook niet te wachten, want daar is geen nieuwe
wetgeving voor nodig. Kunt u daar iets op toezeggen?
Minister Herbert:
Dit klinkt als een behoefte om onnodige regeldruk te verminderen, hè? O,
sorry. Ik mag geen vragen stellen! Knikken is genoeg.
De heer Schoonis (D66):
Ja, uiteindelijk gaat het erom een scherpere marktmeester te zijn, zodat
je inderdaad minder regelgeving hebt, maar het gaat erom het makkelijker
te maken voor de ACM door de bewijslast te verminderen. Dan hoeft die
het alleen aannemelijk te maken dat er iets is. Nu komt de ACM niet toe
aan bepaalde gevallen. Dat zou makkelijker moeten worden.
Minister Herbert:
Alles wat meneer Schoonis benoemt, klinkt mij als muziek in de oren. Ik
heb alleen geen idee hoe dit zich verhoudt tot de werkelijke situatie.
Misschien wil de heer Schoonis mij dus de ruimte geven om me hier zelf
in te verdiepen voordat ik hier iets op toezeg, maar ik ga helemaal mee
in de lijn van denken.
Ik zal even kijken of ik binnen het blokje mededinging en marktordening
nog vragen kan oppikken die gesteld zijn.
De heer Van der Lee heeft om heel begrijpelijke redenen vooruitgeblikt
naar het debat dat wij volgende week gaan voeren over de economische
gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten. Alle precieze dingen daar
gaan we volgende week oppakken, maar ik kan er in algemene zin even naar
kijken. Eigenlijk noemt u vooral de zorg of de energieprijzen wel genoeg
worden gereguleerd. Wat betreft de rol van de ACM: die monitort op dit
moment al wel de benzineprijzen. Ik wil kijken of we dit soort
gereguleerde sectoren onder die bevoegdheid kunnen trekken. Die zijn al
gereguleerd, dus hoe gaan we zorgen dat een eventuele
marktremediebevoegdheid daarbovenop zorgt voor een toevoeging, en niet
voor onduidelijkheid? U hoort hopelijk in mijn antwoord dat ik het een
interessant onderwerp vind.
De voorzitter:
Minister, ik ga u even onderbreken. Er is een interruptie voor u van de
heer Jansen.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Ik heb een kleine vraag ter verduidelijking. Moeten we tot het najaar
wachten totdat we meer horen over de inrichting van de New Competition
Tool? Of komt er misschien al eerder een brief over wat op hoofdlijnen
de strekking zal zijn?
Minister Herbert:
Ik vind het een goed idee om eerder alvast wat kaders duidelijk te
maken, zodat het niet een raadsel blijft tot het najaar. Dan maken we
een tussenstapje richting de internetconsultatie.
Ik ga nog even terug naar meneer Van der Lee. Hij vroeg: zou het
denkbaar zijn dat we weer gaan afromen op overwinsten van de olie- en
gasproducerende bedrijven? U moet weten dat ik enorm voor het geven van
een stabiel beeld naar bedrijven toe ben. Dat zeg ik vanuit mijn vorige
wekende leven en de sterke beleving die ik daaruit meeneem. Ik wil
eigenlijk proberen om zo voorspelbaar mogelijk te zijn als het gaat om
wat de overheid wel en niet gaat doen. Ik probeer daar vooraf zo helder
mogelijk over te zijn in plaats van het achteraf toe te passen. Voor mij
is de situatie zoals die was in 2022 niet een-op-een vergelijkbaar met
die van nu, dus ik zie niet meteen een gevolgtrekking die vanuit de
vorige situatie vertaald kan worden naar de huidige situatie.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Op zich ben ik het daar in algemene zin mee eens. Hoe meer stabiliteit
in het overheidsbeleid, hoe beter. Maar gelet op de politieke
fragmentatie en de wijze waarop we elkaar voortdurend in de haren
vliegen, zie ik het niet gauw gebeuren. Ik zou eigenlijk vooral willen
dat er een instrument komt dat kan worden ingezet als we vinden dat het
echt noodzakelijk is. De vorige keer is dat ad hoc gebeurd, na heel veel
gedoe. Er moest eerst overeenstemming over worden gevonden in Europa.
Het moest dus eerst via een omweg, via de Mijnbouwwet. Dat was heel
ingewikkeld. Stabiliteit is ook duidelijkheid geven, zo van: er is een
instrument, dat we eventueel inzetten onder bepaalde condities. Die
condities kunnen we dan nader bepalen. Maar het heeft ook een
preventieve werking. Ik zou wel willen dat de regering daarnaar gaat
kijken. Dat is mijn verzoek aan de minister.
De voorzitter:
Minister, er is een verzoek aan u gedaan.
Minister Herbert:
Er is een verzoek aan mij gedaan om dit ter harte te nemen. Ik heb dit
verzoek goed gehoord. Dank u wel.
Mevrouw Bühler heeft nog gevraagd hoe ik kijk naar start-ups en
scale-ups: moeten we daarbij wel of niet iets doen wat je ook zou kunnen
zien als staatssteun? Het woord "staatssteun" heeft meteen een bepaalde
betekenis. Eigenlijk was de vraag: heeft de minister het idee dat wij
daar in Nederland wat meer risicoavers in zijn in vergelijking met
andere Europese landen? Dat is vooralsnog niet mijn beeld. Ik zal altijd
graag willen blijven onderzoeken of we genoeg gebruikmaken van de
mogelijkheden die we hebben binnen de Europese context. Ik herken wel
heel erg waar mevrouw Bühler denk ik op doelt, namelijk dat start-ups en
scale-ups een fase door moeten waarin ze eigenlijk gezien kunnen worden
als een onderneming in de problemen. Die moet je soms net even wat meer
rugwind geven. Ik vind het belangrijk om dat te creëren. We zijn niet
voor niks bezig met een nationale investeringsinstelling en met manieren
om financieringen los te brengen. Dat doen we om ervoor te zorgen dat
partijen door die fase heen kunnen bewegen en daarmee belangrijke
partijen kunnen worden in de toekomst.
Mevrouw Bühler (CDA):
Ik hoor de minister niet zeggen dat ze onderzoek gaat doen. Er wordt
straks inderdaad gekeken naar een nationale investeringsinstelling. We
gaan vervolgens kijken naar het NADI. Dat betekent dat ik graag aan de
voorkant zou willen zien dat we het staatssteunvehikel wel ergens kunnen
plaatsen. Anders gaan we oplossingen bedenken die binnen de kaders van
staatssteun, zoals wij daarnaar kijken, worden opgesteld. Dat vind ik
lastig. In sommige situaties kun je de vraag stellen: zijn dit situaties
waarin er sprake kan zijn van staatssteun? Dat geldt zeker voor
innovaties. Als je iets nieuws maakt wat nog niet bestaat, hoe moet je
dan concurrenten beschermen? Ik zou daar graag een onderzoek over willen
hebben. Dan hebben we dat al bedacht als we straks verder zijn met de
uitwerking van andere instrumenten.
Minister Herbert:
Ik vind het belangrijk om volledige helderheid te hebben. Begrijpen we
elkaar goed? Wat is er nou wel en niet geoorloofd? Op Europees niveau is
onderkend dat we wat verruiming nodig hebben, gelet op de herziening van
dat staatssteunkader. Daar gaan we sowieso in mee. Ik zal een Kamerbrief
sturen voorafgaand aan het commissiedebat Innovatie, dat in april
plaatsvindt. Daarin zal ik hier nog verder op ingaan.
Dan ga ik door naar het volgende onderwerp. Ik beantwoord ook nog een
losse vraag, die ik maar even geplakt heb binnen marktordening en
mededinging. Dat was ook een vraag van mevrouw Bühler, over de Kamer van
Koophandel, die zich met handen gebonden voelt als het gaat om het
tegengaan van ondermijning. Zijn er nou voldoende wettelijke
mogelijkheden om ondermijning tegen te gaan? Daarin moeten we wel goed
onder ogen blijven zien dat de Kamer van Koophandel niet een opsporings-
of een handhavingsinstantie is. Het is ook niet mijn insteek om dat van
ze te maken. Tegelijkertijd is die poortwachtersrol die zij hebben — dat
benoemde u ook in uw vraag — wel degelijk interessant. Ik wil
onderzoeken — dat ben ik eigenlijk al aan het doen — hoe die bestaande
regels slimmer ingezet kunnen worden of dat er toch nieuwe regelgeving
nodig is. Laten we niet te snel nieuwe regelgeving maken, maar laten we
goed kijken naar hoe we binnen die poortwachtersrol zo veel mogelijk
kunnen doen. Of er echt nog iets extra nodig is, weet ik in de tweede
helft van 2026. Na de zomer mag u daar dus weer uitsluitsel van mij op
verwachten.
Hopelijk heb ik hiermee de vragen in het eerste blokje beantwoord. Zal
ik doorgaan met het blokje aanbestedingen?
De voorzitter:
U kunt doorgaan met de aanbestedingen.
Minister Herbert:
Goed. Eigenlijk was het heel overzichtelijk wat daarin door de commissie
opgeworpen is. Ik merk dat er op dat punt verschillende meningen zijn.
Wat is nou wel en niet goed als het gaat om de rol die de overheid
inneemt in aanbestedingen? U kunt zich vast voorstellen dat ik hier in
mijn vorige werkomgeving elke dag mee te maken had. Dat was in de
bouwsector, die bijna alleen maar werkt in aanbestedingen. Ik heb
daarmee een persoonlijke opvatting over wat er goed is qua
aanbestedingen of wat misschien nog iets beter kan. Als het gaat over
true pricing of het meenemen van andere kenmerken dan alleen maar de
prijs, heb ik de volgende opvatting, die ik meeneem in mijn rol als
minister. Het is wel degelijk goed om bij aanbestedingen te bekijken of
er maatschappelijke doelen gehaald moeten worden naast alleen maar het
halen van een laagste prijs. Dat is zo omdat er soms maatschappelijke
kosten ontstaan als je de maatschappelijke meerwaarde niet meeneemt in
de aanbestedingen; volgens mij werd dat ook zo verwoord door meneer Van
der Lee. Als je als overheid inkoopt, vind ik dat je daar verantwoord
mee om moet gaan. Dat is mijn opvatting daarover. Overigens vind ik wel
dat aanbestedende diensten daar hun keuzes in moeten kunnen maken.
Daarom zal ik er bijvoorbeeld niet voor kiezen om het true
pricing-mechanisme op te leggen. Wel zal ik er alles aan doen om ervoor
te zorgen dat aanbestedende diensten weten hoe ze hier gebruik van
kunnen maken als het passend is bij de opgave die zij hebben. Stel dat
je wilt verduurzamen in de betonketen. Dan zul je een aantal projecten
moeten aanwijzen in de grote ruimtelijke omgeving waarvan je zegt: daar
gaan we eens expliciet naar vragen. Anders gaat het nooit lukken om te
verduurzamen in die keten. Daarmee haal je uiteindelijk je andere doelen
niet. Denk aan de klimaatdoelen, die er nu eenmaal ook zijn.
De heer Prickaertz (PVV):
Dank aan de minister voor de antwoorden. Als het om true pricing gaat,
denk ik: wat heeft het überhaupt nog voor nut om aan te besteden?
Volgens mij is aanbesteden ooit bedacht om zo zuinig mogelijk met
publieksgeld om te gaan en om te bekijken waar je goedkoper kan inkopen,
zodat er minder geld wordt uitgegeven. Maar op het moment dat je true
pricing gaat toepassen en je verschillende ministeries daar zelf de
keuze in gaat geven, denk ik, met alle respect, dat je dat hele
aanbesteden gewoon kan afschaffen. Dan heb je het namelijk niet meer
over aanbesteden, maar over gericht inkopen. Volgens mij is dat het
tegenovergestelde van aanbesteden.
Minister Herbert:
Ik kon net niet verstaan wat de heer Prickaertz aan het eind zei: dan
heb je het niet over aanbesteden, maar over … Kunt u dat nog een keer
herhalen?
De heer Prickaertz (PVV):
Dan heb je het niet meer over aanbesteden, maar over gericht
inkopen.
Minister Herbert:
Voor mij is de essentie van aanbesteden dat er binnen een eerlijk
speelveld een vraag is voor meerdere partijen, die daar een aanbieding
op kunnen doen. Dan ga je die aanbiedingen vergelijken op basis van de
criteria waarop je vooraf hebt gezegd: hier ga ik het op beoordelen. Dat
is voor mij de essentie van aanbesteden. Dan iets over een ander
onderdeel van uw zienswijze. U zegt eigenlijk: je moet gewoon altijd
voor de laagste kosten gaan. Ikzelf vind dat je daarbij ook moet kijken
naar de maatschappelijke kosten die ontstaan en die niet in die ene
uitwisseling tussen de aanbieder en de vrager zitten, maar ontstaan voor
bijvoorbeeld de omgeving. Ik vind dat je die mee moet nemen in zo'n
inkoop, zeker als je een publieke aanbestedende partij bent. Dit is mijn
opvatting hierover. U kunt ook van mij verwachten dat ik die in deze
periode verder ga brengen.
De voorzitter:
U had nog een vervolgvraag, meneer Prickaertz? Dan ga ik daarna naar
meneer Schoonis.
De heer Prickaertz (PVV):
Toch nog even over dat aanbesteden. Volgens mij is er in het verleden
gekozen voor aanbesteding om te zorgen dat ook kleinere bedrijven die in
staat zijn een bepaald product relatief goedkoop te leveren in
aanmerking kunnen komen voor leveringen aan bijvoorbeeld de overheid.
Mijn angst is dat je met true pricing te maken krijgt met het feit dat
juist de grote ondernemingen kunnen voldoen aan alle eisen die daarbij
gesteld worden, en dat de relatief kleine ondernemer, het mkb in dit
geval, dan juist weer buiten de boot valt omdat zij niet in staat zijn
om hun proces dusdanig snel om te draaien, waardoor ze ook niet meer in
aanmerking komen om mee te doen met een aanbesteding. Dat zou ik heel
jammer vinden, omdat we dan eigenlijk weer teruggaan naar het oude
systeem waarbij grote bedrijven in staat zijn om in te spelen op de
aanbestedingen en kleine bedrijven eigenlijk amper mee kunnen doen. Dat
is, denk ik, ook een heel belangrijk sociaal aspect in dit verhaal. Is
de minister het daarmee eens?
Minister Herbert:
Ik denk dat meneer Prickaertz en ik het meer met elkaar eens zijn dan
hij misschien vermoedt. Ik heb persoonlijk niet zo heel veel zorgen dat
er de komende tijd geen werk is in Nederland. Ik heb wel zorgen over hoe
we dat werk allemaal gedaan krijgen. Daar hebben we het mkb ook heel
hard voor nodig. Het is voor mij geen of-of tussen het grootbedrijf en
het mkb. Ik zou het juist heel goed vinden als duidelijker zichtbaar
wordt wat het domein is waarop de grootbedrijven met elkaar moeten
concurreren — misschien zijn dat de wat complexere opgaves — en waarop
het mkb kan concurreren, dat misschien juist heel specifieke oplossingen
heeft. In ieder geval zie ik daarin geen of-ofvraag. Ik ben het eens met
meneer Prickaertz dat er een ruime markt moet zijn voor het mkb. Dat
laat onveranderd dat ik nog steeds vind dat het bij bepaalde
aanbestedingsopgaves heel nuttig is om een aantal extra waardes mee te
vragen naast alleen de laagste prijs, bijvoorbeeld veiligheid. Het hoeft
dus niet alleen te gaan over dingen zoals verduurzaming. Ik zie dat
breder.
De voorzitter:
Een interruptie van meneer Schoonis. Dan ga ik naar meneer Jansen, en
dan is er nog een interruptie van meneer Van der Lee.
De heer Schoonis (D66):
True pricing is natuurlijk wel de werkelijke prijs. Het gaat dus niet
alleen over het financiële aspect. Die kosten bestaan al, alleen betaal
je die dan later, door middel van gezondheidsschade, milieuvervuiling of
sociale uitkeringen. Daarom doen we aan true pricing. Volgens mij zei
collega Van der Lee het al: goedkoop is duurkoop. Dat is even heel
simpel gezegd. Volgens mij is de bouw een van de voorbeelden waar het
heel goed werkt; daar krijg je minder materiaalverbruik of een lager
brandstofverbruik. Volgens mij werkt het juist heel goed, zeg ik ook
even tegen collega Prickaertz. Mijn vraag is de tegenovergestelde: waar
gaan we het, naast in de bouw, ook nog invoeren? We moeten daar juist
vaart achter zetten als we die transities voor elkaar willen
krijgen.
Minister Herbert:
Ik onderstreep wat meneer Schoonis zegt. Ik ga niet zover dat ik ga
opleggen waar het móét, maar u mag van mij aannemen dat ik overal waar
ik kom ga onderzoeken of het meer zou kunnen dan nu, om de goede redenen
zoals u die nu beschrijft.
De voorzitter:
U mag heel kort reageren, meneer Schoonis.
De heer Schoonis (D66):
Dan wil ik de minister even meegeven om die hefboom te gebruiken voor de
inkoop van die ministeries, met 90 miljard. Volgens mij kan de overheid
daar als launching customer goed aan bijdragen.
De voorzitter:
U wilt daar nog op antwoorden, minister?
Minister Herbert:
Ja. Ik herken dit mechanisme. Ik heb al meerdere keren laten vallen in
de afgelopen weken sinds ik hier ben dat we moeten durven om launching
customer te zijn, om bepaalde marktontwikkelingen los te trekken.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Ik vond de vraag van meneer Prickaertz eigenlijk heel goed, want hoe
voorkom je dat hier willekeur ontstaat? De prijs is natuurlijk heel
duidelijk en hard. Die kun je met elkaar vergelijken, die kun je
duidelijk uitsplitsen. Maar dingen als sociale effecten en
milieueffecten zijn niet echt terug te brengen tot een kwantificeerbaar
criterium. Hoe voorkom je dan, als je dit al zou willen doen, dat een
bedrijf daar van alles over kan verzinnen en dat dat heel mooi klinkt
voor een of andere commissie maar dat het ondertussen — dat is waar het
uiteindelijk om gaat — een heel duur project wordt? Hoe voorkom je dat
heel ambigu wordt waarop wordt gestuurd?
Minister Herbert:
Hier gaan we nu wel echt het risico lopen dat ik veel te veel
voorbeelden uit mijn verleden in de bouw ga noemen. Dat ga ik niet doen.
Dat bespaar ik u, en dat is ook niet de weg om te gaan. Ik pak even de
vraag achter de vraag: hoe voorkomen we dat het middel het doel op zich
wordt? Daar ben ik altijd op aanspreekbaar. Ik ga voor impact, niet voor
het inzetten van zo veel mogelijk instrumenten. Mijn angst is in eerste
instantie niet wat uw zorg is, maar juist omdat ik nu weet dat het wel
uw zorg is, zal ik er nog meer op gaan letten. We moeten inderdaad
zinnige dingen blijven doen. Ik ben niet uit op windowdressing of
greenwashing, dus laten we elkaar daarin ook niet voor de gek houden.
Daar ben ik voor.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Mag ik daar nog heel kort op reageren?
De voorzitter:
Heel kort, en dan ga ik door naar de heer Van der Lee. Mevrouw Bühler
heeft ook nog een interruptie.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Volgens mij is dit eigenlijk wat de heer Prickaertz bedoelde met "niet
meer aanbesteden, maar gericht inkopen". Omdat je zulke vage criteria
hebt, kun je gewoon kiezen, van "o, we doen dat bedrijf". Maar als je
het puur op prijs doet, dan dwing je mensen om concurrerend te zijn. Hoe
kun je dit zo kwantificeren dat je dit op die vlakken kan
toepassen?
Minister Herbert:
Ik begrijp de vraag goed. Die gaat erover of het nog wel objectief is.
Ik ben er echt van overtuigd dat er meer is wat objectief te meten is
dan alleen euro's. Dat is wel iets om goed naar te blijven kijken; daar
ben ik het mee eens. Er zijn heel veel geleerden in hoe je
aanbestedingen netjes doet, hoe je dit soort vragen moet formuleren en
hoe je die moet beoordelen. Dat is een vak op zich, dus daar moet goed
mee omgegaan worden.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Zeker op groen terrein kun je heel veel dingen kwantificeren. Het is
belangrijk dat vooraf duidelijk is wat de criteria zijn. Dat is, denk
ik, de essentie. Tegelijkertijd — dat is mijn vraag — zijn er nog twee
ontwikkelingen gaande op het terrein van aanbesteden. Dat is de bredere
discussie over economische weerbaarheid, Buy European. Daar gaan we het
binnenkort vast vaker over hebben met de minister, ook gelet op wat op
de Europese agenda is gezet door de Commissie. Mijn andere vraag gaat
over het ingediende wetsvoorstel over aanbesteden. Dat ziet toe op het
compliceren van de procedure en het verlengen van de klachten- en
beroepstermijnen. Daar is een vrij kritische reactie op van de Raad van
State. We zijn al bezig met de behandeling van het wetsvoorstel, en ik
kan me voorstellen dat de minister die wet nog niet helemaal heeft
bekeken, maar ik ben wel benieuwd wat ze ervan vindt en of zij nog wel
enthousiast is over het voorstel dat bij de Kamer voorligt.
Minister Herbert:
Meneer Van der Lee ziet mij lachen, omdat ik denk: ja, hier heb ik iets
over gelezen, maar hoe zat dat ook alweer? Als hij mij nog even de tijd
geeft, zoek ik dat er weer even bij. Overigens ben ik niet voor het doel
om te compliceren. We hebben het in dit commissiedebat al de hele tijd
over het feit dat alles een balans is. Hoe je die balans goed kunt
vinden, is inderdaad ingewikkeld. Daar moeten we goed naar blijven
kijken.
De voorzitter:
U kunt verder met uw blokjes.
Minister Herbert:
Dank u wel. Dan ga ik door naar het blok interne markt en e-commerce.
Daar raken eigenlijk een paar dingen aan. Ik ga proberen dat een beetje
op te splitsen. We komen nu natuurlijk volop in het domein van de
Europese samenwerking. Daarin moeten we kijken waar we lol van hebben en
waar we dingen willen aanvullen voor Nederland.
Ik begin met de QR-codes. Meneer Kisteman vroeg daar volgens mij naar.
Dat ging over de e-commerce … O ja, dat gaan we straks doen. Ik doe
eerst even de QR-codes. Daar was een vraag over. Wanneer kunnen die
dingen nou komen? Dat was eigenlijk de vraag. Dit gaat er natuurlijk
over dat we ons een beetje willen wapenen tegen die territoriale
leveringsbeperkingen. Dat is iets waar we in ieder geval in de Europese
Commissie het gesprek over voeren. We overwegen om te stoppen met al die
leveringsbeperkingen. Ik blijf mij daar met volle ambitie voor inzetten.
Tegelijkertijd is er nu al een mogelijkheid om over de grens in te
kopen, als dat voordeliger is. Dan moet je wel iets doen met de
etikettering. Dat is een boel handelingen en niet altijd aantrekkelijk.
Dan klinken QR-codes weer als een aantrekkelijk alternatief, want dat is
een simpelere vorm. U weet op dit moment misschien wel beter dan ik dat
er een onderscheid te maken is tussen het volgende. Je hebt de groep
levensmiddelen, waarvan wij in Nederland hebben gezegd dat er een
Nederlands geschreven uitleg op het etiket moet staan, zodat voor
iedereen klip-en-klaar is dat als je ergens een allergie voor hebt, je
dan meteen kunt zien dat dit een product is waarbij je geen gevaar
loopt. Een QR-code is geen afdoende invulling. Er is Nederlandse
regelgeving die daarop ziet. Die zit overigens bij mijn collega van VWS,
want dit gaat over voedselzekerheid. Zeg ik dat goed, voedselzekerheid?
Nou, dit zit in ieder geval bij VWS. Dan hebben we nog een groot deel
waar ik wél wat aan kan doen. Dat gaat over alles wat niet over
levensmiddelen gaat in Nederland. Ik zal even kijken wat ook alweer de
termijn was waarop dit ging gebeuren. U vroeg namelijk: wanneer komt dat
nou? De Europese Commissie wil een QR invoeren. Dat gaat ze doen via het
Digitaal Product Paspoort. Het wetgevingsvoorstel van de Commissie
verwacht ik in het najaar. Dat heeft in ieder geval mijn volle steun.
Het concrete antwoord is dus: in het najaar. Dat was wat ik wilde zeggen
over de QR-codes.
Dan e-commerce. Meneer Kisteman droeg de bizarre stroom pakketjes die
elke dag binnenkomt in Nederland aan. Ik ben mij eerlijk gezegd het
apelazarus geschrokken toen ik de aantallen hoorde. Ik heb het getal 3
miljoen ook gehoord. We zien dat onze markt hierin echt veranderd is,
dus dat er ook wat nieuwe regelgevingsdingen nodig zijn. Dit is een
voorbeeld daarvan. Ik zou daarin drie lijnen willen noemen.
Ten eerste moeten we ervoor zorgen dat we onze Douane en
markttoezichthouders hun werk goed kunnen laten doen. Ze hebben veel te
verhapstukken. Daar stonden ze niet goed voor gesteld. We hebben ervoor
gezorgd dat daar in ieder geval een uitbreiding komt. We hebben er nu al
op gehandeld om meer controles te kunnen doen.
Ten tweede moeten we zorgen voor Europese heffingen die het duurder
maken om die producten naar Nederland te brengen. Het is goed om dat in
Europees verband af te spreken, want als je alleen in Nederland het
duurder maakt om producten naar binnen te halen, dan krijg je het
waterbedeffect. Dat hebben we ook in het echt zien gebeuren. De
oplossing is dus om hier op Europees niveau afspraken over te maken.
Heel concreet zijn daar nu twee dingen aan de hand. Per 1 juli komt er
een invoerheffing van €3 per pakketje en per 1 november komt daar een
handling fee bovenop van €2. Dat betekent dus €5 extra per pakketje. Dat
betekent ook dat daarmee het aantrekkelijker wordt voor versturende
partijen om meer in bulk te gaan versturen. Daarmee wordt het voor de
Douane en de toezichthouders weer makkelijker om toezicht te houden,
omdat dat nou eenmaal makkelijker gaat op bulk dan op losse pakketjes.
Dat is dus wat er in een tweede lijn gebeurt. Overigens is dit, dat
opleggen van die EU-heffingen, het domein van Financiën. Daar is eerder,
in januari, een brief over verstuurd. Maar goed, ik herhaal de inhoud
hier nog maar even.
Ten derde — dat was ook een vraag van meneer Kisteman — is er de vraag
of er voldoende bescherming is voor consumenten die denken: ik heb hier
een miskoop te pakken. Het is inmiddels zo dat er regels zijn, en dat er
een aanspreekpunt moet zijn waar consumenten naartoe kunnen met hun
klachten. De vraag blijft wel — laten we daar ook gewoon eerlijk over
zijn — of mensen dat gaan doen, als ze juist voor relatief weinig geld
iets hebben gekocht. Ik denk dat het wel belangrijk is, maar dat het
niet dé oplossing gaat zijn voor het grote probleem. Maar ik hoop in
ieder geval wel dat ik hiermee op drie assen antwoord heb gegeven.
Er was nog één aanvullende vraag. Meneer Kisteman vroeg namelijk ook
nog: "Als we meer heffingen gaan vragen, waar komt dat geld dan terecht?
Komt dat dan naar Nederland?". Daar zijn Europese afspraken over. 25%
van de heffingen komt naar het land waar de pakketjes binnenkomen.
De heer Schoonis (D66):
Naast deze drie is er volgens mij nog één belangrijke: hoe kunnen we
waarborgen dat we niet alleen troep binnenkrijgen vanuit China? Onze
Nederlandse en Europese producenten moeten natuurlijk aan allerlei
voorwaarden voldoen. De Chinezen — ik zeg het maar even kort — gaan daar
niet altijd in mee. Hoe kunnen we daar iets aan doen? Het is eigenlijk
gewoon een oneerlijk speelveld, economisch gezegd.
Minister Herbert:
Ook hier heb ik vragen over gesteld toen ik mij zat voor te bereiden op
dit debat. Ik moet eerlijk toegeven dat ik nu even niet meer weet hoe
het ook alweer precies zat. Geeft u mij even tijd om dit op te zoeken.
Ik vind dit ook een belangrijke vraag. Ik weet dat het niet zo makkelijk
was om daar ook allerlei acties op te nemen, maar het is vast niet zo
dat we niks doen. Ik moet dat weer even opzoeken.
De heer Schoonis (D66):
Dank, maar dit is echt een heel belangrijk punt voor het speelveld voor
de Europese leveranciers. Dat is consumentenbescherming, maar ook
bescherming voor onze eigen leveranciers.
De voorzitter:
U heeft nog een interruptie van meneer Kisteman. Daarna ga ik naar
meneer Van der Lee.
De heer Kisteman (VVD):
Voorzitter, ik heb eerst een ordevoorstel. Ik ben de interrupties aan
het bijhouden in de eerste termijn. U geeft er gewoon veel meer dan we
hebben afgesproken, want elke opmerking die hier wordt gemaakt is een
interruptie. Ik heb me in de eerste termijn ingehouden, maar ik ga ervan
uit dat we allemaal gelijk worden behandeld en dat wij ook gewoon meer
ruimte krijgen voor interrupties dan de vier die u heeft
aangegeven.
Even over de pakketjes. Als ik het goed begrijp, zegt de minister dat er
een uitbreiding is geweest bij de Douane en bij de NVWA en dat er
daarmee meer ruimte komt. Bedoelt de minister daar ook mee dat het
probleem dan is opgelost of begrijp ik haar verkeerd?
Minister Herbert:
Ik zou eigenlijk een vraag terug willen stellen om te kijken of ik de
vraag goed begrijp. Ik ga 'm even via u doen, voorzitter, want ik zou
willen weten of meneer Kisteman met "het probleem" "het probleem dat er
zo veel pakketjes binnenkomen" bedoelt. Als dat de vraag is, is daarvan
mijn beeld: goh, we hebben een situatie waarin het voor consumenten heel
aantrekkelijk is om tegen relatief lage prijzen producten te bestellen
die zij blijkbaar graag willen hebben. Dat is niet iets waar ik als
minister wat aan kan doen. Ik kan wel wat eraan doen om te zorgen dat we
in ieder geval bij de invoer de juiste controles doen. Daar helpt het
enorm voor als de Douane en de markttoezichthouder ook wat in capaciteit
gaan groeien, want het is veel wat ze te doen hebben. Is daarmee
geregeld dat er 100% gecontroleerd kan worden? Nou, dat zou ik niet
durven beloven. Dat het beter is dan het hiervoor was, ja, dat wel. En
dat heffingen helpen, zeker als de prijzen laag zijn, daar ben ik van
overtuigd.
De voorzitter:
Meneer Kisteman, zou u uw vraag kunnen verduidelijken of het gaat over
het aantal pakketjes? En dan wil ik nog even meegeven dat meneer
Schoonis net zijn vierde interruptie had en dat iedereen gelijk
behandeld wordt.
De heer Kisteman (VVD):
Voorzitter. Dan is het de vraag of u, als ik nu een uitleg ga geven aan
de minister, het als interruptie gaat zien of niet. Dat is volgens mij
de vraag, maar volgens mij is het gewoon een interruptie. Ik ga het niet
verder uitleggen, want volgens mij heeft de minister in het tweede deel
van haar beantwoording duidelijk uitgelegd wat het antwoord op mijn
vraag is.
Dan even naar de territoriale leveringsbeperkingen. Voorgangers van de
minister, onder anderen toenmalig minister Adriaansens, hebben hierbij
opgetrokken in Benelux-verband. De opvolgers daarna hebben het breder
proberen te trekken. Hoever is het nu met die territoriale
leveringsbeperkingen? Want juist als we hier eindelijk iets aan kunnen
doen en we die QR-codes krijgen, kunnen we eindelijk iets gaan doen
zodat de supermarkten kunnen gaan inkopen over de grens. Volgens mij
zijn we inmiddels toch wel een stap verder dan alleen de gesprekken die
de minister, als ik haar goed begreep, graag wil voeren op het niveau
van Brussel. Ik hoop dat we wat verder zijn qua stappen die hierop te
nemen zijn.
De voorzitter:
Meneer Kisteman, de verduidelijking had ik niet meegeteld als
interruptie, maar dit is inderdaad een nieuwe vraag.
Minister Herbert:
Voor zover ik geïnformeerd ben, is het zo dat de Europese Commissie
spreekt over het verbieden van de territoriale leveringsbeperkingen. Ik
heb begrepen dat mijn moment om me daar hard voor te maken is als ik
naar de Raad voor Concurrentievermogen ga. Daarvan staan er nog drie
gepland dit jaar. U mag van mij aannemen dat ik me hier echt uitgebreid
over ga uitspreken omdat ik dit echt een belangrijk onderwerp vind. Ik
ga dus alles doen wat ik kan om daar het Nederlandse geluid te laten
horen.
De voorzitter:
U kunt verdergaan met dit blokje. O, sorry. Meneer Van der Lee heeft nog
een interruptie. Hij zit net in een hoekje waar ik hem niet zie.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
We moeten eigenlijk spiegeltjes hebben! Ik kom even terug op de
e-commerce. Ik wil de minister op de een of andere manier een beetje
helpen, maar ook nog iets vragen. Die heffing kwam natuurlijk naar voren
omdat een aantal lidstaten een heffing op pakketjes wilden leggen. Wij
zijn al kampioen pakketjes ontvangen. Als zij die heffing zouden
opleggen, zouden we een nog grotere toestroom naar Nederland krijgen.
Maar die andere lidstaten hebben het uitgesteld, dus Nederland ook. De
Douane heeft wel wat meer capaciteit. Maar de beste oplossing is
eigenlijk als we leveranciers, ook die uit China, dwingen om producten
in bulk aan te leveren en niet elke keer met een enkel pakketje. De
minister gaat niet over de handel, over de introductie van heffingen —
dat zit bij Fiscaliteit — of over de Douane. Maar ze kan wel pushen dat
leveranciers snel de opdracht krijgen om in bulk te leveren. Ik denk dat
we daar het beste mee gediend zijn.
Minister Herbert:
Ik ben het ermee eens dat je moet proberen om dit voor elkaar te
krijgen. Zoals ik het inmiddels begrijp, helpt het om die heffingen te
doen. Zoals ik net heb uitgelegd, maken ze het namelijk onaantrekkelijk
om in allemaal losse leveringen te leveren. Misschien kunnen we hier
buiten de orde van deze vergadering nog een keer over doorpraten, om te
kijken of er nog meer slimmigheidjes zijn. We zitten volgens mij
namelijk op dezelfde lijn in wat we proberen voor elkaar te
krijgen.
De voorzitter:
Dan kunt u verder met uw blok, minister.
Minister Herbert:
Dan ben ik aangekomen bij wat voor mij het laatste blokje is. Dat gaat
over het consumentenbeleid. Zoals ik al zei, zien we de afgelopen jaren
in grote lijnen natuurlijk een enorm veranderende markt. Dat vraagt ook
om nieuwe dingen omtrent handhaving en zo. Er zijn vragen gesteld over
verzekeringen en colportage. Met name over dat laatste heb ik levendige
discussies gehoord.
Ik begin even bij de verzekeringen. Meneer Kisteman stelde daar een
vraag over. Eigenlijk vroeg hij mij of ik er niet wat aan kan doen dat
er soms onzinverzekeringen met allerlei producten meeverkocht worden.
Net als meneer Kisteman kan ook ik me druk maken over wat sommige mensen
proberen te verkopen. Dat gebeurt trouwens breder dan alleen maar
verzekeringen. Als minister heb ik al mogelijkheden daar waar mensen
iets proberen te verkopen wat echt onzin is. Dat betreft dingen die gaan
over wettelijke garanties en zo. Ik weet dat meneer Kisteman het breder
bedoelde, maar om het eerst even daartoe te beperken: daar heeft de ACM
een rol. Die kan daar al op toezien. Dat doet ze ook.
Je kan hem ook iets breder trekken. Er zijn ook dingen waarbij je kan
betwisten of het heel aantrekkelijk is om ze erbij te kopen. Ik zal u
zeggen: ik heb ook weleens een extra verzekering afgesloten bij een
huurauto, toen ik vakantie had. Ik wist ook wel dat ik eigenlijk bekocht
werd. Toch wilde ik even het gevoel hebben dat er niks mis kon gaan.
Hier kom ik toch op een gebied waar ik als minister minder kan
ingrijpen. Je kunt misschien nog iets doen aan mensen bewustmaken: "Denk
goed na voordat je je zomaar iets aan laat smeren." Maar het verbieden
... Als er iets aangeboden wordt wat iemand niet al had, dan is het aan
de consument om te kiezen. Dan moet hij wel goed geïnformeerd zijn. Dat
zou eigenlijk mijn wat genuanceerde antwoord zijn over deze
materie.
De heer Kisteman (VVD):
Wil de minister nog doorgaan op dit onderwerp? Nee, zie ik. De consument
sluit zo'n verzekering af omdat hij denkt: "Ik koop een duur product.
Ben ik goed verzekerd? Heb ik wel garantie?". Het voorbeeld dat de
minister geeft, is precies de reden. Uiteindelijk wordt er uit een
emotie een keuze gemaakt. Ik snap dat de minister zegt het niet te
kunnen verbieden. Zou de minister wel willen onderzoeken hoeveel van dit
soort verzekeringen door consumenten in winkels worden afgesloten?
Misschien daarop aanvullend: hoeveel van die verzekeringen zijn
eigenlijk gewoon een soort dubbele dekking? Dan bedoel ik dat de
consument die vanuit een andere verzekering al had. Mijn vraag aan de
minister is dus of ze dit zou willen onderzoeken en in beeld zou willen
brengen.
Minister Herbert:
Kort en goed: ja, ik ben daar ook wel nieuwsgierig naar. Ik vind het
interessant om te weten: is dit nou eigenlijk een heel groot probleem of
niet? Het is altijd goed om op basis van dat soort inzichten na te
denken over wat daarna ... Dus: ja, dat wil ik toezeggen.
Dan ga ik door naar het laatste onderwerp binnen dit blokje, dat over
consumentenbescherming gaat, namelijk het onderwerp colportage. Ik heb
gemerkt dat dat een levendige discussie opriep, ook tussen de
commissieleden. Laten we kijken naar colportage. Ik ga een aantal feiten
oplezen, want er lopen echt wel al dingen op dit onderwerp.
Mijn voorganger — dat is misschien een paar voorgangers geleden — heeft
in april 2024 al een voorstel ingezet voor een afkoelperiode van drie
werkdagen bij colportage. Bij colportage heb je veertien dagen
bedenktijd. Dat is nu al geregeld. Er zijn trouwens een heleboel dingen
die consumenten eigenlijk al best beschermen tegen wat je koopt aan de
deur. Je moet alleen als consument wel weten dat je dit soort
bescherming eigenlijk al geniet. Als het goed is, wordt het er ook bij
gezegd. Bij vervelende optredens kun je de ACM benaderen. Je hebt al
bedenktijd na het afsluiten van de overeenkomst. Er wordt nu ook gewerkt
aan extra bescherming. Die extra bescherming gaat over een extra
afkoelperiode van drie dagen na het eerste verkoopgesprek.
Er wordt op dit moment ook in kaart gebracht, naar aanleiding van een
motie van het lid Van Lanschot, of er nog meer beperkingen kunnen komen
op commerciële verkoop aan de deur. Daarbij is het precies zoals u
onderling ook al aan het zoeken was: wat moet je eigenlijk raken om goed
te schieten? Je wilt namelijk niet de SRV-wagen raken. Daar wordt dus
nog onderzoek naar gedaan naar aanleiding van die motie. Eigenlijk zijn
er dus twee dingen die nog onderweg zijn voor verdere
aanscherpingen.
Dat gaat leiden tot een wetsvoorstel. Dat is in de tweede helft van 2025
in internetconsultatie geweest. De reacties worden op dit moment
verwerkt. Ik verwacht dat die wet deze zomer naar de Raad van State kan.
Ik hoop dat daar volgend jaar wat uit komt. Dat is wat er aan de hand is
qua aanscherpingen op colportage.
Laat ik ook nog een keer herhalen — dit is het laatste ding, voorzitter
— dat een verbod op colportage volgens het Europese recht niet mogelijk
is. Dat is ook een soort helderheid waar we mee te doen hebben.
De heer Prickaertz (PVV):
Ik heb een vraag aan de minister. Ik heb begrepen dat goede doelen zijn
uitgesloten van die extra drie dagen en de eventueel mogelijke veertien
dagen, terwijl de goede doelen toch gebruikmaken van dezelfde
marketingbureaus. Hoe staat de minister daarin?
Minister Herbert:
De minister staat er nu even feitelijk in. Wat de heer Prickaertz zegt,
klopt. De goede doelen zijn inderdaad uitgesloten van deze dingen.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Feitelijk zijn we het daarover eens, maar er is ook een maatschappelijk
doel voor toestemming geven aan goede doelen. Zij willen namelijk niet
op een commerciële manier winst maken, maar willen hun maatschappelijke
missies gefinancierd krijgen. Daarom heeft de wetgever in haar wijsheid
besloten om dit zo te regelen. Het lijkt me heel verstandig dat we
daaraan vasthouden. Ik kan me voorstellen dat een bewindspersoon van
CDA-huize zich daar zeker helemaal bij wil aansluiten.
De voorzitter:
Meneer Van der Lee, dat was uw laatste interruptie.
Minister Herbert:
Ik dank de heer Van der Lee voor het politieke advies. Ik begrijp goed
waar meneer Prickaertz zich zorgen over maakt. Dat wil ik wel nog even
adresseren. Eigenlijk zegt u: gaat dat geld dan wel echt naar de door de
heer Van der Lee bedoelde goede doelen? Volgens mij is dat een heel
ander soort vraagstuk, waar ook op toegezien wordt, dus in hoeverre het
geld ook terechtkomt bij de doelen waarvoor mensen het bedoelen. Dat is
niet iets waar ik me in het kader van dit debat in verdiept heb, maar
het is wel iets wat natuurlijk goed beschermd moet worden.
De heer Prickaertz (PVV):
Waarom maakte ik die opmerking net? Gewoon omdat die goede doelen
gebruikmaken van dezelfde marketingbureaus die ook voor de
energieleveranciers op pad gaan en die vaak een heel opdringerige manier
van werken hebben, omdat die marketingbureaus heel veel geld verdienen
aan elk contract dat ze binnen kunnen slepen. Ik heb in mijn inleiding
in de eerste termijn al aangegeven dat het probleem is dat onderzoek
heeft uitgewezen dat het vooral voor goede doelen 15 tot 23 maanden kan
duren voordat de eerste euro daar terechtkomt. Al het geld dat die
eerste 15 tot 23 maanden binnenkomt, is voor het bureau. Dat is iets
waar wij tegen ageren. Wij begrijpen het belang van goede doelen en wij
begrijpen dat die goede doelen graag zo veel mogelijk geld willen
ophalen, maar ten eerste ben ik er persoonlijk voorstander van om zelf
mijn goede doelen te kiezen. Ik wil niet iemand aan de deur hebben die
voor mij gaat kijken of ik een goed doel kan steunen. Maar daarbij komt
dat zoals het vroeger was, toen vrijwilligers op pad gingen voor een
goed doel, een veel betere situatie creëert dan wat er nu gebeurt. Die
commerciële bureaus werken ook voor die goede doelen. Dat maakt het best
vreemd dat die goede doelen uitgesloten zijn van voorwaarden, terwijl
andere, commerciële partijen dat niet zijn, hoewel datzelfde
marketingbureau uiteindelijk op pad gaat voor dat goede doel. Vandaar
mijn opmerking.
Minister Herbert:
Ik begrijp nu heel goed wat meneer Prickaertz onder mijn aandacht wil
brengen. Ik ken de feitelijke situatie echter niet. Die zou ik graag
zelf willen kennen. Daar ga ik mij dus in verdiepen. Ik stel voor dat ik
dit uiteindelijk verwerk in het wetsvoorstel, zoals dat toch nog
voorgelegd gaat worden. Ik ga mij hier dus zelf even in verdiepen.
Dank.
Mevrouw Bühler (CDA):
Soms raak ik een beetje in de war, want dit is ook pas de tweede keer
dat ik in deze commissie zit. We hebben het zojuist gehad over die motie
en dat onderzoek. Volgens mij hebben we het daar nu juist over, wordt
dat uitgezocht en hebben we daar straks met elkaar het gesprek over.
Want ik ben het eens met meneer Prickaertz en met meneer Van der Lee,
die dit zojuist ook zei: ook het CDA wil graag dat die goede doelen
langs de deuren gaan.
Minister Herbert:
Ik heb inmiddels het idee dat we met z'n allen hetzelfde willen en dat
we alleen nog even moeten zorgen dat dit netjes in een goede
aanscherping van de regels terechtkomt. Daar ga ik me enorm voor
inspannen.
De voorzitter:
U kunt verder met uw blok.
Minister Herbert:
Dank, voorzitter, maar ik denk en hoop dat ik hiermee ben ingegaan op de
vragen die aan mij gesteld zijn.
De voorzitter:
Ik wil de Kamerleden vragen of wij door kunnen gaan met de tweede
termijn. Dat is het geval. Ik geef het woord eerst aan meneer Van der
Lee voor zijn tweede termijn, omdat hij straks weg moet.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Dank aan de minister. Het is fijn dat zij met
mijn collega Bushoff het gesprek zal aangaan over het snel wettelijk
verankeren van de call-inbevoegdheid. Ik heb goede hoop dat een goed
gesprek de partijen bij elkaar zal brengen. Ik ben op zich gevoelig voor
het argument van regeldruk, maar ik denk dat daar wel remedies voor zijn
en dat die verankering cruciaal is. Je ziet namelijk gewoon dat er
killerdeals worden gesloten. Ik denk ook dat Forum een beetje
voorbijgaat aan het feit dat grote Amerikaanse techbedrijven aan de
lopende band kleine spelers opkopen om de concurrentie om zeep te
helpen. We zien natuurlijk ook hoe private equity in een aantal sectoren
oprukt door meerdere bedrijven te kopen en daardoor posities op te
bouwen. Die verankering lijkt mij dus echt noodzakelijk.
We gaan volgende week praten over de economische gevolgen van de oorlog.
Met betrekking tot strategisch aankopen ben ik wel benieuwd hoe de
minister aankijkt tegen de nieuwe Industrial Accelerator Act en Buy
European: wat betekenen die concreet op welke termijn, nog even los van
fair price? Ook strategisch aankopen lijkt mij cruciaal in deze
geopolitieke fase.
Verder nog even over goede doelen. Ook voor hen geldt dat, wil je meer
inkomsten hebben, je eerst moet investeren.
De voorzitter:
Meneer Van der Lee, ik wil u vragen om af te ronden.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ja, ja, ja. Dat het even duurt voordat je een investering terug hebt, is
nu eenmaal zo. Er zijn 45.000 anbi-statushouders en het idee dat
consumenten zelf 45.000 kunnen identificeren en zonder marketing zelf
kunnen bepalen waar ze hun goededoelengeld aan gaan besteden, lijkt me
een beetje naïef.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Van der Lee. Meneer Prickaertz.
De heer Prickaertz (PVV):
Dank u, voorzitter. Ik heb een toch nog een vraag aan de minister over
de New Competition Tool. Ik vraag me oprecht af waarom we de
omzetdrempel met betrekking tot fusietoezicht zouden verhogen. Die gaat
van 30 miljoen naar 50 miljoen, heb ik begrepen. Tegelijkertijd kan met
de New Competition Tool ook toezicht worden gehouden op overnames van
bedrijven die veel minder omzet draaien. Wordt het fusietoezicht zoals
we dat nu kennen, dan niet enigszins overbodig? Is het niet veel
handiger om te zeggen dat we die hele controlerende functie gewoon in
één systeem stoppen, zodat er niet twee dingen naast elkaar gaan
fungeren? We hebben het fusietoezicht — voorheen was dat vanaf 30
miljoen omzet en het wordt vanaf 50 miljoen — en daarnaast hebben we dan
de ACM, die ook regionaal toezicht kan houden en ook op kleinere
bedrijven. Is het niet veel eenvoudiger om dat ineen te doen? Dat
betekent ook veel minder regeldruk. Dat is mijn vraag.
Verder heb ik nog een opmerking over de interruptie van meneer Jansen.
Hij heeft een punt. Kijk, sociaal verantwoord ondernemen is geweldig. Ik
ben 25 jaar ondernemer geweest en ik kan zeggen dat ik 25 jaar sociaal
verantwoord heb ondernomen ...
De voorzitter:
Meneer Prickaertz, wilt u ...
De heer Prickaertz (PVV):
Ja, ik ga het kort houden, voorzitter. Ik heb dat gedaan door mijn hele
productie onder te brengen bij een sociale werkvoorziening; geweldig
werk. Het probleem is echter dat het arbitrair blijft, hoe je het ook
wendt of keert. Wie gaat uiteindelijk beslissen wat wel maatschappelijk
verantwoord is, wat wel beter is voor het milieu of het klimaat? Dat
vind ik wel heel ingewikkeld, omdat het arbitrair is.
De voorzitter:
Meneer Prickaertz, ik ga u toch onderbreken. Dadelijk zijn we al een
minuut uitgelopen en ik wil ook de andere leden van de Kamer nog een
tweede termijn geven.
De heer Prickaertz (PVV):
Ik snap het, voorzitter. Ik wilde alleen nog graag — daar sluit ik mee
af — een tweeminutendebat aanvragen ...
De voorzitter:
Prima.
De heer Prickaertz (PVV):
... en dan ben ik klaar.
De voorzitter:
Meneer Kisteman, maakt u gebruik van uw tweede termijn?
De heer Kisteman (VVD):
Zeker, voorzitter.
De voorzitter:
Dan geef ik u het woord.
De heer Kisteman (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Dank aan de minister voor de beantwoording en
voor de toezegging over het onderzoek naar de verzekeringen.
Ik heb nog twee vragen over de Europese taks. De minister zei dat het
idee van die taks, van die €3, is dat er in bulk geleverd gaat worden.
Ik neem aan dat als er in bulk geleverd gaat worden, de taks op die
pakketjes wel blijft bestaan. Als ik het goed heb, zei de minister dat
25% van die €3 naar Nederland komt. Dat betekent ongeveer €0,70, zeg ik
uit mijn hoofd. Waar blijft dat andere geld dan, vraag ik mij af.
Ik snap dat de minister af en toe verwijst naar collega's, maar volgens
mij is deze minister van Economische Zaken ook verantwoordelijk voor
ruimte voor ondernemers om te ondernemen en voor een gelijk speelveld.
Ik zal de minister in de toekomst hierop zeker blijven bevragen.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Kisteman. Meneer Schoonis, u maakt ook gebruik van uw
tweede termijn?
De heer Schoonis (D66):
Ja, dank je, voorzitter. Ik wilde nog even heel kort van de minister
weten of ze kan toezeggen dat de gereedschappen waarover we het nu
hebben ook gaan gelden voor gereguleerde industrieën, zoals de telecom,
banken en de zorg, en dat deze niet uitgezonderd worden. Daar moet geen
ambiguïteit over bestaan. Dat wilde ik voor de zekerheid nog even vragen
aan de minister.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Schoonis. Mevrouw Bühler, u maakt ook gebruik van uw
tweede termijn?
Mevrouw Bühler (CDA):
Ja, graag. Dank u wel, voorzitter. Ik ben blij met de antwoorden van de
minister. Ten aanzien van het staatssteuntraject zou ik nog wel wat
verdieping willen, maar ik moet nog even nadenken over hoe dat zou
kunnen.
Dan de EU-wetgeving ten aanzien van de nieuwe instrumenten. Optoppen
willen we voorkomen, maar als we nu beginnen met een instrument dat
vervolgens zwaarder blijkt te zijn dan wat de EU voorstelt, ben ik wel
benieuwd hoe we eventueel gaan aftoppen of een en ander terugdraaien. Ik
zou het fijn vinden als u die gedachte ook nog even zou meenemen in het
voorstel dat u gaat uitwerken.
De voorzitter:
Meneer Jansen, wilt u gebruikmaken van uw tweede termijn?
De heer Frederik Jansen (FVD):
Ja, heel kort.
De voorzitter:
Ga uw gang.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Ik vond het heel interessant wat er allemaal is gewisseld, onderling en
met de minister. Ik was ook heel blij met haar antwoord over de
autoverzekering, want soms denk je inderdaad: ik doe dat toch maar. Dat
is nou eenmaal zo met het kopen van diensten en producten. De heer
Schoonis had het over het kopen van troep. Ik vroeg me af of de minister
daarop ook nog even wil bespiegelen in hetzelfde licht. Ik heb namelijk
ook weleens iets gekocht waarvan ik dacht "nou, dit wordt mooi", en dan
kwam het in huis en was het echt totaal niet wat ik had verwacht. Maar
ja, dat hoort ook wel een beetje bij het leven. Volgens mij zijn er ook
hele mooie marktmechanismen met bijvoorbeeld keurmerken of
reviewwebsites. In hoeverre is het nou eigenlijk nodig dat de overheid
zich hiermee bemoeit?
De heer Schoonis (D66):
Ik werd aangesproken, dus mag ik hier een opmerking over maken?
De voorzitter:
Ja, meneer Schoonis.
De heer Schoonis (D66):
Dank, collega Jansen. Nu kan ik nog even verduidelijken wat ik daarmee
bedoel. Ik bedoel natuurlijk producten die niet aan de kwaliteitseisen
voldoen van Nederland en Europa. Daar heb ik het over als ik het heb
over "troep", niet over iets wat tegenvalt.
De voorzitter:
We hebben de tweede termijn van de Kamer gehad. Mijn vraag aan de
minister is of zij direct kan antwoorden. Of heeft zij korte schorsing
nodig?
Minister Herbert:
Ja, als u me toestaat dat ik af en toe even eerst lees, kan ik direct
antwoorden. Het lijkt me fijner om gewoon meteen door te gaan. Vindt u
dat goed?
De voorzitter:
Dat vind ik goed. Dan gaan we gelijk door met de beantwoording.
Minister Herbert:
Dan doe ik het even in willekeurige volgorde.
Ik begin inderdaad even bij de laatste vraag. De heer Jansen wil graag
weten of ik ook weleens troep gekocht heb. Ja, ik heb ook weleens troep
gekocht! Ik probeer sindsdien om dat niet nog een keer te doen, dus daar
leer je inderdaad van. Ik ga helemaal mee met de aanscherping die de
heer Schoonis ook gaf. Ik vind wel, zeker binnen mijn
verantwoordelijkheid, dat ik mensen moet beschermen tegen gevaarlijke
troep. Daar hebben we onlangs weer dingen over in het nieuws zien
verschijnen, over zandbakzand en noem het maar op. Dat moet gewoon niet
gebeuren. Daarin voel ik dus wel dat er een rol voor mij is.
Dan is er een heel interessante, filosofische vraag gesteld: wat doe je
nou als je moet wachten op iets en je zelf alvast begint, waarna je iets
hebt gemaakt dat weer net anders is? Kortom, dit is volgens mij precies
het grote spel van op landelijk en Europees niveau naar elkaar toe
bewegen. De grote uitdaging is om uiteindelijk bij meer geharmoniseerd
beleid uit te komen, omdat bedrijven ook gek worden van allemaal
verschillende regelgeving in verschillende landen. Tegelijkertijd kom je
soms ook niet verder als dat betekent dat je eeuwig wacht op iets wat je
samen gaat doen. Ik vind dit ook een dilemma. De aandacht die mevrouw
Bühler daarvoor vraagt, is inderdaad de aandacht die ik er ook aan wil
geven. Dat betekent niet dat ik alvast een magische oplossing in mijn
hoofd heb voor hoe dat moet, maar mijn antwoord is dat ik daar erg mijn
best voor ga doen — voor zover dat een bevredigend antwoord kan
zijn.
Ik antwoord een beetje in willekeurige volgorde, uit mijn hoofd. De heer
Kisteman vroeg: waar zou dat geld blijven als het niet bij de
Nederlandse Douane en toezichthouders terechtkomt? Het antwoord daarop
is dat het in Europees verband terechtkomt. Ik ga ervan uit dat er daar
dan ook heel goede dingen mee gebeuren voor dit doel. Eerlijk gezegd
weet ik niet precies waar dat dan voor is. Ik check even of ik daar een
verdere toevoeging op heb. Nee.
De heer Kisteman (VVD):
Dan hoop ik dat de minister daar het antwoord op heeft. In het vorige
debat hadden we vaak die discussie. We wilden wel dat die taks dan
uiteindelijk bij de Nederlandse Douane terechtkwam, aangezien we
daarvoor extra geld nodig hebben. Als ik het goed begrijp, komt nu 25%
in Nederland terecht en blijft 75% aan een Europese strijkstok hangen.
Is dat dan de afdronk van deze taks? Begrijp ik dat dan goed? Dat is
namelijk niet helemaal hoe ik het voor ogen had.
Minister Herbert:
Ik word natuurlijk eerst getriggerd door het woord "strijkstok", want
daarmee wordt een suggestie gewekt. Die neutraliseer ik dus even. 25%
van de heffingen komt in ieder geval in Nederland terecht. Nu is echt
het antwoord dat ik voor de precieze details moet verwijzen naar mijn
collega op Financiën. Overigens heeft de heer Kisteman eerder de oproep
gedaan dat hij van mij verwacht dat ik een heleboel dingen bij elkaar
breng die goed zijn voor het Nederlandse bedrijfsleven. Ja, dat beaam
ik, maar voor het technische antwoord hierop wil ik graag verwijzen naar
Financiën. Overigens zeg ik dan ook meteen dat u mij altijd dingen mag
vragen die uiteindelijk goed bij elkaar moeten komen voor het
Nederlandse bedrijfsleven.
De heer Kisteman vroeg ook nog hoe het zit met de €3 bij bulk. Het is
precies de bedoeling dat met een heffing op de losse elementen
gestimuleerd wordt om meer in bulk te gaan sturen. Dat maakt weer betere
controle mogelijk. Het is niet zo dat er dan nog steeds voor alle losse
pakjes die in bulk verstuurd worden, €3 gevraagd wordt. Ik check nog
eens bij degene rechts van me of ik nu de waarheid spreek. Ja, ik spreek
nu de waarheid. Ik kan me voorstellen dat er hierbij in uw hoofd twee
dingen met elkaar crashen, want zou je niet moeten proberen om zo veel
mogelijk heffing te krijgen? Maar ja, je wil dus ook stimuleren dat er
meer in bulk gestuurd wordt. Dat is in ieder geval de afweging die nu
gemaakt is. Dit is het feitelijke antwoord.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Ik vond de vraag van de heer Kisteman waar dat geld blijft, wel heel
terecht. De minister verwees naar de minister van Financiën. Kan dat
worden doorgeleid en kunnen we daar dan een schriftelijk antwoord op
krijgen?
Minister Herbert:
Ja, dat kan.
De voorzitter:
Meneer Schoonis, had u nog een vraag?
De heer Schoonis (D66):
Ik zal mijn vraag verduidelijken. Ik vroeg me af of u kan toezeggen dat
de nieuwe gereedschappen ook gaan gelden in de gereguleerde markten, dus
bij de zorg, de telecom en de banken. Kunt u toezeggen dat die niet
uitgesloten worden?
Minister Herbert:
Ik weet het weer, inderdaad. Ja, ik kan toezeggen dat dat niet bij
voorbaat uitgesloten wordt. Bij het onderzoek wordt juist gekeken hoe je
voorkomt dat je te veel regulering op elkaar stapelt. Ik heb daar eerder
in een andere context wat over gezegd tegen de heer Prickaertz. Toen
ging het over regionale werking. Dat geldt ook hiervoor. Volgens mij
zijn we het met elkaar eens. Het moet niet per definitie uitgesloten
worden. We moeten hier goed naar kijken. Hier kom ik dus op terug op het
moment dat het concreter aan u voorgelegd wordt.
De heer Schoonis (D66):
Ja, maar ik wil juist voorkomen dat het een soort van onderhandeling
wordt. Het gaat erom dat daar ook juist die problemen zijn, dat het
daarop aangepast moet worden en dat het daar dus niet bij voorbaat weg
moet worden gehaald. Nu heb ik toch een beetje het gevoel dat het idee
is: er zijn al zo veel regels voor de gereguleerde markt, dus daar doen
we het niet meer voor. Maar juist de ACM zegt ook dat het hiervoor nodig
is.
Minister Herbert:
Ook hierbij hoop ik weer dat de heer Schoonis en ik het meer met elkaar
eens zijn dan misschien lijkt. Het is dus goed dat u mij het laat
verduidelijken. Ja, ik ga kijken hoe we het ook op deze sectoren kunnen
toepassen. Dat we daarin misschien een andere afweging moeten maken dan
voor een aantal andere sectoren, is omdat er al sprake is van
gereguleerde markten. Dat is gewoon een gegeven.
De voorzitter:
U kunt verder met de beantwoording van de vragen. Er zijn geen
interrupties meer. Of heeft u nog een interruptie, meneer Schoonis? Nee.
Dan kunt u verder.
Minister Herbert:
Ik probeer uit mijn hoofd te bedenken wat de vragen waren. Er is nog de
lege stoel van de heer Van der Lee, maar die had niet echt een vraag.
Hij heeft nog een aantal dingen voor mij benadrukt. Die heb ik goed
gehoord. Hij zei bijvoorbeeld dat strategisch inkopen ook een
belangrijke werking heeft in het kader van onze nieuwe geopolitieke
werkelijkheid of in ieder geval de versterkte geopolitieke
werkelijkheid. Dat klopt. Daar hebben we het ook in ons vorige
commissiedebat over gehad, toen het over economische veiligheid ging.
Daar ben ik mij dus zeer van bewust.
Volgens mij eindig ik dan weer bij de heer Prickaertz. Ik merk hoezeer u
geïnteresseerd bent in de precieze invulling van de werking van de New
Competition Tool en hoezeer u verlangt dat dat een effectief middel gaat
zijn. Daarin willen wij hetzelfde, in ieder geval dat het effectief gaat
zijn. Wat betreft de precieze vragen die u daarover nu al aan mij stelt
over hoe het precies moet met die drempel, denk ik nou net: laten we dat
in samenhang blijven bekijken met het totaal. Maar ik steun de zoektocht
naar effectiviteit. Ik kom daar dus zeker op terug. Ik heb beloofd dat
ik u daarin verder mee ga nemen.
Dan denk ik dat ik daarmee alle gesteld vragen beantwoord heb.
De voorzitter:
Zijn er nog vragen van de leden van de Kamer?
De heer Schoonis (D66):
Ik wil nog één verduidelijking, maar niet van de minister, maar van mijn
collega. De heer Prickaertz vroeg een tweeminutendebat aan. Wat wordt
het onderwerp?
De heer Prickaertz (PVV):
Het indienen van moties.
De voorzitter:
Dan dank ik de minister voor haar antwoorden en dank ik de Kamer.
Ik lees nog even de toezeggingen op.
Aan de heer Jansen is de toezegging gedaan dat de minister voor het najaar al een kader stuurt over het aankomende wetsvoorstel over de New Competition Tool.
De tweede toezegging is gedaan aan mevrouw Bühler. De minister stuurt voor het commissiedebat Innovatie in april een brief over het onderzoek naar staatssteun.
Dan kom ik bij de toezegging die is gedaan aan de heer Kisteman. De minister wil een onderzoek starten hoeveel verzekeringen worden afgesloten bij een aankoop.
Dan kom ik bij de toezegging die is gedaan aan de heren Jansen en Kisteman. De minister vraagt de bewindspersoon Financiën antwoord te geven op de vragen over de Europese taks op pakjes.
Verder is door de heer Prickaertz een tweeminutendebat aangevraagd. Dan sluit ik bij dezen het commissiedebat. Ik wil wel nog de mensen op de tribune bedanken, ik bedank de minister van Economische Zaken, ik bedank de Kamerleden voor hun komst en ik bedank natuurlijk de mensen die thuis kijken. Fijne avond allemaal.
Sluiting 17.07 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |
|---|