[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Conceptverslag Marktordening en consumentenbescherming

Verslag van een commissiedebat

Nummer: 2026D13627, datum: 2026-03-19, bijgewerkt: 2026-03-24 16:40, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Tweede Kamer, Marktordening en consumentenbescherming

VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Concept

De vaste commissie voor Economische Zaken heeft op 19 maart 2026 overleg gevoerd met mevrouw Herbert, minister van Economische Zaken en Klimaat, over:

  • de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 1 oktober 2025 inzake vervolg toekomst mededingingsbeleid (24036, nr. 437);

  • de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 1 oktober 2025 inzake true pricing bij aanbesteden (26485, nr. 457);

  • de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 18 februari 2026 inzake marktremediebevoegdheid (24036, nr. 438).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken,
Van Eijk

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken,
Reinders

Voorzitter: Raijer
Griffier: Krijger

Aanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Bühler, Frederik Jansen, Kisteman, Van der Lee, Prickaertz, Raijer en Schoonis,

en mevrouw Herbert, minister van Economische Zaken en Klimaat.

Aanvang 14.30 uur.

De voorzitter:
Goedemiddag. We gaan beginnen. De vaste commissie voor Economische Zaken heeft vandaag een commissievergadering over marktordening en consumentenbescherming. Ik heet de aanwezige leden en de minister van Economische Zaken en Klimaat, mevrouw Herbert, van harte welkom. Aan tafel ziet u links van mij de heer Prickaertz van de PVV, de heer Van der Lee van GroenLinks-Partij van de Arbeid, de heer Kisteman van de VVD, de heer Schoonis van D66 en mevrouw Bühler van het CDA. Tevens heet ik alle mensen op de tribune en de kijkers die dit debat volgen welkom.

Er staan drie uur gepland voor dit commissiedebat. We hebben dus de tijd tot 17.30 uur. U heeft maximaal vier minuten spreektijd in de eerste termijn. Ik stel voor om het aantal interrupties te bepalen op vier in de eerste termijn. Ik wil u ook vragen om deze kort te houden. Ik stel voor dat we nu beginnen en geef het woord aan de heer Prickaertz van de PVV.

De heer Prickaertz (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Dan begin ik maar meteen met mijn tekst. Op het mededingingsbeleid in Nederland valt nog veel af te dingen. In het coalitieakkoord staat dat dit kabinet de ACM nieuwe instrumenten wil geven, zoals de New Competition Tool, maar het blijft nog enigszins onduidelijk hoe dit vormgegeven gaat worden. Mijn vraag is dan ook hoe de minister deze bevoegdheid voor zich ziet en op welke termijn we een uitgewerkt en kant-en-klaar voorstel hiervoor kunnen verwachten.

We zien steeds vaker dat markten ten onder gaan aan killer acquisitions en kralen rijgen. Een mooi voorbeeld hiervan zijn de dierenartsenpraktijken, die in sommige regio's worden opgekocht door één grote speler. Wat op papier nog lijkt op een vrije markt met meerdere aanbieders, verandert in de praktijk in een situatie waarin één partij de overhand krijgt. Hierdoor ontstaat feitelijk een monopoliepositie. Voor huisdiereigenaren is namelijk niet vanzelfsprekend om uit te wijken naar een dierenarts in een andere gemeente. Afstand, reistijd en de noodzaak tot snelle zorg bij spoedgevallen spelen daarbij een heel grote rol.

Voorzitter. In een aantal landen, waaronder de VS, wordt veel strenger opgetreden tegen marktmacht. De VS hebben bijvoorbeeld antitrustwetgeving voor kleinere bedrijven, onder andere om te voorkomen dat grote bedrijven onbeperkt kunnen doorprocederen. Deze wetgeving, mededingingsrecht, zorgt voor eerlijke concurrentie en voorkomt misbruik van machtsposities, zodat consumenten beschermd blijven tegen hoge prijzen. In Nederland zijn kleinere ondernemingen juist steeds kwetsbaarder voor dit soort druk. Een ingreep die we vanuit het ministerie hebben gehoord, is de omzetdrempel voor fusietoezicht verhogen. Ons inziens is dat een kansloze ingreep, die totaal niet de kern van het probleem raakt. Die drempel zegt namelijk weinig over de feitelijke machtspositie binnen een specifieke sector of regio. Daarom is mijn vraag aan de minister of zij ook oog heeft voor de regionale marktmacht en of zij bereid is maatregelen te nemen, zodat er ook voldoende toezicht is op regionale machtsposities. De PVV juicht het toe dat de ACM, zoals al beschreven, meer bevoegdheden krijgt. Zo beschermen we zowel consumenten als ondernemers tegen markten zonder eerlijke concurrentie.

Voorzitter. Ik kom bij true pricing. Wat hier allemaal onder geschaard wordt, is verbazingwekkend. Als we allemaal andere effecten in aanbestedingen gaan meerekenen, waarom besteden we dan überhaupt nog aan? Een van de belangrijkste redenen om tot de Aanbestedingswet te komen, was juist het voorkomen van verspilling van belastinggeld. Maar wat doen we nu? We kijken steeds minder naar de feitelijke prijs en gaan allerlei linkse hobby's en bijeffecten meewegen. Dat staat haaks op het oorspronkelijke doel van het aanbesteden. Het gevolg is dat de overheid onnodig extra geld gaat uitgeven. Aanbestedingen worden duurder, omdat bijeffecten worden meegenomen die helemaal niet in geld zijn uit te drukken. Zo wordt er bijvoorbeeld een prijs gehangen aan effecten op biodiversiteit, wel of geen elektrische voertuigen en de CO2-uitstoot. Daarmee raakt de daadwerkelijke prijs steeds verder uit beeld, terwijl de belastingdruk voor de gewone Nederlanders verder oploopt.

De minister schrijft zelf dat ze het gebruik van true pricing stimuleert, maar niet verplicht stelt, juist omdat het kan leiden tot hogere kosten en meer regeldruk. Waarom wordt het dan alsnog gestimuleerd? Ons advies zou dan ook zijn: kap ermee. Zorg dat die aanbestedingen weer draaien om waar ze oorspronkelijk voor bedoeld waren, namelijk eerlijke concurrentie en zorgvuldige omgang met ons belastinggeld. Daarom wil ik de minister ook vragen hoe zij zelf kijkt naar deze ontwikkeling. Waarom worden al deze bijeffecten in aanbestedingen meegenomen, terwijl het doel juist was om efficiënt met publiek geld om te gaan?

Voorzitter. Tot slot colportage. Die praktijk wordt door veel mensen als onprettig en onbetrouwbaar ervaren. Mensen worden aan hun eigen voordeur overvallen door opdringerige deurverkopers, die op een dwingende manier iets proberen aan te smeren. Wat de PVV betreft is dat een kwalijke praktijk, die zo snel mogelijk verboden moet worden. Achter zogenaamde goede doelen schuilen namelijk vaak louche marketingbureaus, die er vooral zelf aan verdienen. Onderzoek heeft uitgewezen dat het 15 tot 23 maanden kan duren voordat de eerste euro daadwerkelijk bij het goede doel terechtkomt. Terwijl opa en oma denken dat ze iets goeds steunen, betalen ze in werkelijkheid mee aan de nieuwe Porsche van de bureaueigenaar. Is de minister bekend met de schimmige constructies die dit soort bureaus hanteren? Heeft ze inzicht in welk deel van het gedoneerde geld daadwerkelijk bij het goede doel terechtkomt en welk deel bij de commerciële verkopers blijft hangen? Is ze bereid om dit soort praktijken te verbieden?

Dan ben ik al aan het eind van mijn stuk. Ik weet niet of de vier minuten al vol zijn. Ik heb het snel gedaan.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Prickaertz. U bent binnen de tijd gebleven. Ik heet eerst de heer Jansen van FVD welkom. Meneer Prickaertz, u heeft nog een interruptie.

De heer Kisteman (VVD):
De heer Prickaertz ging heel snel, dus ik heb hem zijn spreektijd laten afmaken. Ik wou hem eigenlijk eerst een vraag stellen over de ACM, maar ik denk toch dat ik even naar de colportage ga. De heer Prickaertz vraagt wat de minister kan doen en wat ze kan verbieden, maar hoe ziet de PVV het zelf voor zich? Hoever wil de PVV hierin gaan?

De heer Prickaertz (PVV):
Goede vraag. Wij willen gaan tot een verbod op commerciële partijen aan de deur. Dat betreft dus de echt commerciële partijen, partijen die ingeschreven staan bij de Kamer van Koophandel. Het gaat dus niet om de kinderpostzegelverkopers, niet om de jonge meisjes en jongens die eieren verkopen aan de deur en ook niet om de vrijwilligers. Zij staan namelijk niet ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Het gaat ons puur om de commerciële partijen, de marketingbureaus.

De heer Kisteman (VVD):
Ingeschreven bij de Kamer van Koophandel zijn ook de kaasboer die door de wijk rijdt, het meisje van 16 jaar dat eieren verkoopt aan de deur en de SRV-wagen. Dat zijn enorm belangrijke ondernemers in de wijk. Ze hebben veel contact met de ouderen en onderhouden sociale contacten. Als ik het goed begrijp, is de PVV er voorstander van om dat soort activiteiten in de wijk te verbieden. Daarmee wil ze een einde maken aan de kleine ondernemers, die gewoon hard werken en hun boterham verdienen.

De voorzitter:
Graag via de voorzitter, meneer Prickaertz. U mag nog een antwoord geven.

De heer Prickaertz (PVV):
Ja, voorzitter. Antwoord op deze vraag is eigenlijk dat het de bedoeling is ... De heer Kisteman noemt de kaasboer die aan de deur komt. Ik weet niet of dat nog gebeurt. Er zijn misschien hele kleine gemeentes waar er hier en daar nog een SRV-wagen rijdt. Dat moet natuurlijk in principe gewoon kunnen blijven bestaan. Het grote verschil is natuurlijk dat de kaasboer bij mensen langsgaat die daar specifiek om gevraagd hebben. De commerciële marketingbureaus die namens de goede doelen optreden, komen aan de deur zonder dat je daarom gevraagd hebt. Ik denk dat dat wel heel veel uitmaakt. Het is absoluut niet ons idee om de SRV-wagen te verbieden. De heer Kisteman noemt het meisje van 16 dat eieren verkoopt. Ik begrijp niet helemaal waarom dat ingeschreven zou staan bij de Kamer van Koophandel. Dat is toch geen ondernemer?

De voorzitter:
Meneer Kisteman, uw derde interruptie.

De heer Kisteman (VVD):
Ik twijfel, maar ik vind het nou natuurlijk heel interessant worden. Zodra iemand een onderneming start, schrijft diegene zich volgens mij in bij de Kamer van Koophandel. Dan kan diegene namelijk belasting afdragen. Volgens mij werkt ons systeem zo. Toevallig hebben we in Zwolle zat kaasboeren in de straat en eierenverkopers. Het gaat niet over kleine dorpjes ver weg; het gebeurt overal. Volgens mij moet de PVV dus een veel beter onderscheid maken. Ze moet niet zeggen dat het gaat om inschrijving bij de Kamer van Koophandel of het hebben van economische activiteiten. Er zou een veel grotere afbakening moeten komen. Op deze manier zorg je er namelijk voor dat alle economische activiteiten door ondernemers, die ingeschreven staan bij de Kamer van Koophandel, niet langer kunnen doorgaan. Volgens mij moeten we de kleine ondernemers juist helpen en zorgen dat ze kunnen blijven ondernemen.

De voorzitter:
Ik hoor geen vraag, maar eigenlijk een opmerking. Ik stel dus voor dat we doorgaan naar ... U wil nog reageren, meneer Prickaertz?

De heer Prickaertz (PVV):
Ja, graag.

De voorzitter:
Heel kort.

De heer Prickaertz (PVV):
Ik wil nog even reageren op de interruptie van de heer Kisteman. Laat ik vooropstellen dat het absoluut niet onze bedoeling is om dat soort kleine ondernemers buitenspel te zetten. Het gaat ons om de commerciële partijen, de marketingbureaus, die namens energiebedrijven, goede doelen en dat soort zaken optreden. Dat is de intentie. Ik denk dat als wij het daarover eens zijn, wij daar uiteindelijk, in de eindfase van zo'n plan, absoluut de juiste formulering voor weten te vinden.

De voorzitter:
De heer Kisteman en daarna de heer Jansen.

De heer Kisteman (VVD):
Dan wijd ik daar toch maar mijn vierde interruptie aan. Een kaasboer in een winkelstraat is gewoon een commerciële ondernemer, die geld verdient en activiteiten organiseert. Nu zegt de heer Prickaertz weer die commerciële activiteiten te willen aanpakken. Dat is dus precies waar mijn fractie zo veel moeite mee heeft, namelijk colportage zo noemen. Die ondernemers zijn namelijk ook gewoon ondernemers die thuis de hypotheek of de huur moeten betalen en die dus ook commerciële activiteiten organiseren. Noem het dan dus niet langer "commerciële activiteiten", want die kaasboer of dat meisje dat eieren verkoopt, zijn gewoon ondernemers. Die zijn commercieel actief.

De heer Frederik Jansen (FVD):
Ik vind dit wel een heel interessante discussie. Is dit niet eigenlijk met een hamer op een mug willen slaan? Er zijn natuurlijk een heleboel marketingbureaus die zich netjes aan de regels houden. Voor welk probleem zijn we nu eigenlijk een oplossing aan het zoeken? Ik heb ook het filmpje gezien van de jongen die gaat lopen schreeuwen aan de deur en zo. Dat is natuurlijk heel vervelend, maar dat is misschien al wel strafbaar; dat valt misschien onder intimidatie of iets dergelijks. Moeten we niet veel meer in die hoek zoeken in plaats van categorisch hele marktsectoren hiermee raken?

De heer Prickaertz (PVV):
Het gaat hier specifiek om het volgende. Dan kom ik ook even terug op de laatste interruptie van de heer Kisteman. Wij hebben het specifiek over marketingbureaus die aan de deur komen. We hebben het niet over de SRV-man of de plaatselijke kaasboer, maar heel specifiek over de commerciële marketingbureaus die dit doen.

Slaan we met een hele grote hamer op een heel klein mugje? Nee, dat geloof ik niet. Ik weet niet hoe het gesteld is waar de heer Jansen woont, maar op de dagen dat ik thuis ben, heb ik er gewoon echt last van. Dan merk ik dat meerdere partijen continu aan de deur komen. Het bizarre is dat het vaak dezelfde personen zijn die namens verschillende doelen optreden. Dat zijn die marketingbureaus. Onderzoek heeft ook uitgewezen dat een meerderheid van de Nederlanders daar gewoon niet op zit te wachten, dus dat is eigenlijk ook de insteek van het hele verhaal.

De heer Frederik Jansen (FVD):
Ja, maar ik vind het persoonlijk best wel een legitieme marketingstrategie om gewoon bij mensen langs te gaan. Ik snap dat dat irritant kan zijn, maar het is niet dermate indringend dat je er schade van ondervindt of zo. Is het niet beter als we bijvoorbeeld zouden gaan werken met een ja-neesticker, met daarop "bel niet aan" of iets dergelijks? Er zijn toch ook andere mogelijkheden dan helemaal dingen gaan verbieden?

De voorzitter:
De heer Prickaertz en dan de laatste beantwoording, voordat we naar de volgende spreker gaan.

De heer Prickaertz (PVV):
Ja en nee. Ik heb toevallig een nee-neesticker op mijn deur en toch ontvang ik heel veel ongeadresseerde post, bijna wekelijks. Heel veel partijen houden zich dus al niet aan die nee-neesticker. Ik ben bang dat het weinig helpt en weinig zal uitmaken als je straks een sticker op de deur plakt waarop staat dat je niet zit te wachten op dat soort mensen. Daar komt het volgende bij. Dat vind ik het grootste probleem. Vaak zijn de jongelui die namens die marketingbureaus colporteren, zeer gehaaid. Daar zijn gewoon heel veel mensen in onze samenleving bijna niet tegen opgewassen. Ik vind ook dat we die mensen een beetje in bescherming moeten nemen. Dat is ook een van de achterliggende gedachten bij een mogelijk verbod op dit soort commerciële marktpartijen.

Mevrouw Bühler (CDA):
Ik hoor deze discussie. Ik denk dat het een waardevolle discussie is, omdat heel veel mensen zich ontzettend ergeren aan agressieve verkoop aan de deur. Ik weet ook dat we, mede op initiatief van het CDA, een motie hebben ingediend om de minister uit te laten zoeken hoe we deze wens, die we hier in de commissie ook uitspreken, verder kunnen vormgeven. Ik zou het heel fijn vinden als we die kunnen afwachten.

De heer Frederik Jansen (FVD):
Mag ik heel kort als punt van orde vragen om welke motie dat precies gaat?

Mevrouw Bühler (CDA):
Dat is een motie geweest bij een debat van Economische Zaken. Ik ken de naam niet, maar het is een motie met de tekst "verzoekt de regering in kaart te brengen welke opties er zijn, landelijk en lokaal, om ongevraagde commerciële verkoop aan de deur zo veel mogelijk te beperken, waarbij ruimte moet blijven voor goede doelen, zoals kinderpostzegels, en kleinschalige initiatieven, zoals de SRV-wagen".

De voorzitter:
Meneer Schoonis.

De heer Schoonis (D66):
Dat is een motie waar Forum ook voor heeft gestemd. Een goede voorbereiding is het halve werk, wat dat betreft. Dank u.

De voorzitter:
Dank u wel. Meneer Prickaertz, bedankt voor uw inbreng. Dan ga ik verder met meneer Van der Lee van GroenLinks-Partij van de Arbeid voor zijn eerste termijn.

De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Ik wil trouwens de minister ook bedanken voor de brief die ze heeft gestuurd over de economische gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten. Daar gaan we een apart debat over hebben, dus ik ga daar nu niet heel uitvoerig op in, maar ik ga wel in op één punt. Dat betreft de snelle stijging van de olie- en gasprijzen, met name ook in Nederland, waar de prijs binnen no time met 30% steeg. In België was dat maar 12%. Een belangrijk verschil met België, en trouwens ook met een paar andere landen, is dat in Nederland de adviesprijs wordt vastgesteld door de vijf grootste leveranciers, maar in België de staat daarbij betrokken is. Dat verklaart ook dat daar de prijsstijgingen veel minder snel plaatsvinden dan in Nederland. In het verleden heeft de ACM ook uitgezocht dat er bij zo'n crisis in Nederland al gauw bijna vijf cent extra in rekening wordt gebracht. Het is dus echt een probleem dat de grote spelers hier de prijzen bepalen. Ik zou van de minister willen weten of ze vindt dat de ACM moet worden toegerust om hiertegen op te treden.

Ik zou ook willen weten of er als het gaat om de energieprijzen geen bevoegdheid moet komen, al dan niet via de wet, waarbij de overheid hierbij betrokken raakt om die snelle prijsstijgingen toch enigszins in toom te houden. Is dat iets wat bijvoorbeeld betrokken kan worden bij de grondslag voor de marktremediebevoegdheid? Ik vermoed dat de minister dan nee zegt, omdat dat een politieke afweging is en we dat juridisch in wetgeving moeten vastleggen, maar is dat een traject waar dit kabinet ook eens serieus naar zou willen kijken? In onze optiek is dat best wel noodzakelijk.

Breder, en dat is ook de ervaring uit de vorige energieprijspiek en inflatiepiek, hebben we gezien dat er ook sprake is van overwinsten, zeker bij de olie en gas producerende bedrijven. Die zijn toen onder Europees regime ook één keer afgeroomd. Hoe kijkt het kabinet daar nu naar? We lezen er helemaal niets over in de brief die is gekomen.

Een ander belangrijk punt is de call-inbevoegdheid en de New Competition Tool. Mijn partij is daar voorstander van. Sterker nog, we hebben een initiatiefwet, die al in vergaande staat van voorbereiding is, op die call-inbevoegdheid. We zijn bijna klaar met de verwerking van het advies van de Raad van State, dus die wet komt binnenkort naar de commissie. De schriftelijke inbreng kan vrij snel starten. Ik roep de minister op om met mijn collega Julian Bushoff in gesprek te gaan, ook persoonlijk. Ik proef namelijk wel enige terughoudendheid bij het ministerie op dit terrein; er zijn toch veel zorgen over de administratieve last voor bedrijven in plaats van dat de noodzaak wordt gevoeld om de markt beter te laten werken. Dat is goed voor bedrijven, maar zeker ook voor consumenten. Ik hoop dat de minister gehoor geeft aan die oproep en daarbij ook kijkt hoe we de zorgen die het ministerie heeft, misschien kunnen adresseren. We moeten geen tempo verliezen doordat het ministerie zelf een heel wetstraject gaat starten, want dan zijn we zo weer twee jaar verder en hebben we een volgende crisis aan de broek hangen. Graag met de nodige urgentie dat oppakken.

Mijn laatste punt gaat in op true pricing. Bedankt voor de brief en voor de informatie. Het nieuwe aanbesteden biedt inderdaad veel mogelijkheden, en heel terecht, want het gaat hier niet om linkse hobby's maar om grote maatschappelijke opgaven. Het gaat om CO₂-reductie, om stikstofreductie, maar trouwens ook om maatschappelijk verantwoord ondernemen. Mij valt wel op dat het MVOI-programma, dus het maatschappelijk verantwoord opdrachtgeven en inkopen, niet echt genoemd wordt in de brief. Naar ons gevoel is dit iets waar wel nog een stevige push aan kan worden gegeven en ik hoop dat de minister dat ook oppakt. Natuurlijk blijft het altijd zo dat de prijs een rol speelt, maar alleen maar aanbesteden op basis van de laagste prijs helpt niet bij het oplossen van een aantal grote maatschappelijke opgaven. Het gaat om heel veel geld, om meer dan 100 miljard op jaarbasis. De overheid kan dus ook nieuwe markten creëren of mede creëren, ook in sectoren waar wij nieuw verdienvermogen kunnen ontwikkelen. Ik roep de minister dus op om ook daar werk van te maken. Dank u wel.

De voorzitter:
U heeft een interruptie van meneer Prickaertz.

Mevrouw Bühler was eerder? Dan gaan we naar mevrouw Bühler.

Mevrouw Bühler (CDA):
Ik zeg natuurlijk altijd dat ik eerder was, maar ik heb het niet gezien, hoor.

Ik wilde graag nog even teruggaan naar het eerste punt dat de heer Van der Lee aangaf. Ik vind het natuurlijk altijd heel mooi om over de grens te kijken wat we kunnen leren van onze buurlanden. U gaf aan dat er in België — ik zeg het even in mijn woorden — een prijsinterventie wordt gedaan door de Belgische staat. We hebben het hier over de bevoegdheden van de ACM, die nu zijn gericht op marktordening. Je zou dan eventueel een prijsinterventie-onderdeel moeten toevoegen aan de ACM. Is dat hetgeen u voorstelt?

De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Nou, het is een combinatie. Het feit dat wij het alleen maar overlaten aan de grootste aanbieders om de prijs te bepalen, heeft in het verleden aantoonbaar geleid tot hogere prijzen dan noodzakelijk is. Ik vind dat we daar wat tegen moeten doen. Dat kan ook preventief, doordat je als overheid betrokken bent bij de prijsvorming, zoals in België. Dat is niet de enige route, maar je kunt ook constateren dat er overwinsten worden gemaakt en daarop ingrijpen, bijvoorbeeld achteraf met het afromen van winsten. Ook dat is gebeurd, in de vorige crisis. Maar ik zou er niet op tegen zijn als een onafhankelijke toezichthouder ook iets meer grip krijgt op de prijsvorming van bepaalde producten. Want nu wordt het onderdeel van het politieke spel. Omdat wij zelf niet beslissen tot instrumenten die heel gericht zijn, bijvoorbeeld in handen van een toezichthouder, krijgen we algemene debatten over heel generieke inkomenspolitieke maatregelen, die miljarden kosten, om een bepaalde groep te compenseren. Dat vind ik niet een houdbare en gezonde situatie, zeker omdat we in de transitie die we doormaken qua energie nog heel erg afhankelijk zijn, want we gaan naar hernieuwbare energie en we zullen die energieonafhankelijkheid wel vergroten, maar dat gaat nog even duren. Nu zijn we ontzettend kwetsbaar voor die crisissen en we hebben geen grip op de prijs. En dan moeten we als politiek achteraf en vaak voor heel veel geld corrigeren. Ja, dat is het paard achter de wagen spannen. Ik denk dus dat het kabinet er goed aan doet om hier instrumentarium voor te ontwikkelen en ook de ACM ruimte te geven, bijvoorbeeld via een remediebevoegdheid, om daar iets aan te doen.

De voorzitter:
Meneer Van der Lee, ik wil u wel even verzoeken volgende keer te wachten met het woord te pakken totdat de voorzitter u het woord geeft.

De heer Prickaertz (PVV):
Ik heb een vraag aan meneer Van der Lee. Ik begrijp dat hij gezien zijn politieke achtergrond groot voorstander is van true pricing, maar wat vindt hij dan van het feit dat true pricing zal gaan leiden tot een enorme stijging van de kosten van publieke middelen? Wat vindt hij daarvan?

De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Dat is in algemene zin een onbewezen stelling, ook omdat goedkoop vaak duurkoop is. We hebben collectief een verantwoordelijkheid bij het beslechten van een aantal maatschappelijke opgaven. Het Rijk kan dat niet alleen, maar het kan wel bevorderen dat duurzamere varianten ruimte krijgen in de technieken die worden toegepast en in de producten die worden gekocht, bijvoorbeeld in het type asfalt dat wordt aangelegd of het type beton dat wordt gebruikt. Zo ontstaat daar een nieuwe markt voor, waardoor die prijzen van dat soort producten ook weer gaan dalen. Dat heeft zich op een aantal terreinen al bewezen. Het lijkt me heel verstandig om daarmee door te gaan. Daar is dit een heel mooi instrument voor.

De voorzitter:
Dank u wel voor uw bijdrage. Dan gaan we nu naar de eerste termijn van de heer Kisteman van de VVD.

De heer Kisteman (VVD):
Voorzitter, dank u wel. Goede marktwerking is essentieel. Ondernemers concurreren, houden elkaar zo scherp en innoveren. Ondernemers zorgen er op deze manier voor dat consumenten kunnen kiezen uit verschillende kwaliteiten van hetzelfde product. Ik vind het belangrijk om op te merken dat verreweg de meeste ondernemers in Nederland het beste voorhebben met hun klanten, de consumenten. Ze staan iedere dag op om de wereld vooruit te helpen en een beetje beter te maken. Toch zien we dat consumenten in sommige gevallen op het verkeerde been worden gezet. Dan moet er worden opgetreden.

Voorzitter. Een voorbeeld daarvan zijn verzekeringen die bedrijven aanbieden als consumenten bijvoorbeeld een mobiele telefoon, tv of stofzuiger kopen. Sommige winkels bieden bij deze aankoop een verzekering aan als manier om schade of defecten te dekken. Klanten kunnen bijvoorbeeld een eenmalig bedrag of een maandelijkse premie betalen om een apparaat te verzekeren tegen schade door vallen, stoten of andere ongelukken. Uit onderzoek van de Consumentenbond blijkt echter dat deze verzekeringen vaak onnodig zijn. In veel gevallen is de schade namelijk al gedekt door de wettelijke garantie of door een inboedelverzekering. Zo vallen brand- of waterschade meestal onder de standaard inboedelverzekering, terwijl consumenten bij een defect product vaak recht hebben op reparatie of vervanging, zolang het product binnen de verwachte levensduur kapotgaat.

Voorzitter. Mijn fractie vindt het onwenselijk als consumenten worden verleid tot een verzekering voor schadegevallen die gewoon al gedekt zijn. Ik wil graag dat de minister hier stappen op gaat zetten. Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat consumenten geen verzekering afsluiten die ze helemaal niet nodig hebben? Welke rol ziet zij hier voor zichzelf? Is de minister het met mijn fractie eens dat consumenten nu soms worden misleid en dat deze situatie onwenselijk is?

Voorzitter. Dan naar een eerlijk en dus gelijk speelveld voor onze ondernemers. Dagelijks komen er 3 miljoen pakketjes Nederland binnen, waarvan ruim 2 miljoen uit China. Met de voorgangers van de minister hebben wij het hier al vaak over gehad. Veel van deze producten voldoen niet aan de Nederlandse of Europese eisen. Ze zijn bijvoorbeeld kankerverwekkend of brandgevaarlijk. De NVWA en de Douane kunnen de toestroom niet aan. Onze ondernemers merken dagelijks dat deze oneerlijke concurrentie bestaat. In Brussel is afgesproken dat er een Europese taks van €3 per product komt. Mijn vraag aan de minister is wanneer die definitief ingaat en hoe zij ervoor zorgt dat deze taks uiteindelijk ook in Nederland terechtkomt.

Veel belangrijker is dat wij deze bedrijven in Europa kunnen aanspreken, zodat consumenten hun producten retour kunnen sturen, want dat kan nu niet. Om dit mogelijk te maken, hebben deze bedrijven een entiteit nodig in Europa. Mijn vraag is hoe de minister zich in Europa ervoor hard gaat maken om deze bedrijven te dwingen in Europa aanspreekbaar te worden. Hoe gaat zij samen met haar collega's hierin optrekken? Hoe gaat zij vanuit Brussel onze Nederlandse ondernemers beschermen tegen een stortvloed aan producten die niet voldoen aan onze gezondheidseisen of veiligheidseisen?

Tot slot, voorzitter. Een langgekoesterde wens van de politiek en het bedrijfsleven is dat wordt toegestaan om de etiketten op bijvoorbeeld supermarktproducten te vervangen door QR-codes. Consumenten kunnen dan door het scannen van de QR-code zien wat er in het product zit. Dit biedt supermarkten de mogelijkheid om producten over de grens in te kopen. Producenten kunnen sneller aanpassingen aan het product doorvoeren zonder dat ze eerst de oude verpakkingen op moeten maken. In mei 2025 maakte Brussel al het volgende bekend. Ik citeer: "op langere termijn is digitale etikettering op basis van een gegevensdrager, zoals een QR-code, de oplossing om toegang tot etiketten voor consumenten te vereenvoudigen". Ook in Nederland zijn meerdere moties aangenomen om hier iets mee te doen. Welke rol ziet de minister voor zich om meer vaart te maken met QR-codes op verpakkingen? Wat is de stand van zaken met betrekking tot onder andere de territoriale leveringsbeperkingen?

Daar wil ik het bij laten, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Kisteman. Mooi binnen de tijd. Meneer Van der Lee heeft een interruptie.

De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ja, toch een vraag aan de VVD over de sterke stijging van de olie- en gasprijzen, want ik weet hoe de VVD altijd begaan is met autorijden, tot aan een beetje vreemde advertenties in deze campagne aan toe. Is de VVD bereid om op zoek te gaan naar instrumenten die hier wat gerichter iets aan doen dan dat we miljarden moeten uitgeven aan koopkrachtreparaties?

De heer Kisteman (VVD):
Ik ga uiteraard graag onze vreemde campagne evalueren met de heer Van der Lee. Volgens mij heeft die vreemde campagne voor de VVD best goed uitgepakt. Volgende week is er een debat over de gevolgen van de oorlog in Iran. Daar had de heer Van der Lee het net ook al over. Daar kunnen we deze discussie bespreken. Wat mij betreft gaan we die daar ook voeren. Dat is een goede plek voor dit debat, en niet het debat hier.

De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Nou, dat vind ik toch een beetje laf, hoor. In de campagne roep je hoe je opkomt voor de automobilist. En dan vraag ik in dit debat of de VVD een instrument voor marktordening wil om iets aan de gas- en olieprijzen te doen, maar word ik doorverwezen naar de toekomst. Een beetje partij weet wat zij vindt. Ik hoor dus graag een duidelijk antwoord van meneer Kisteman.

De heer Kisteman (VVD):
Als we het gaan hebben over een instrument voor marktordening, dan is het een heel andere vraag. Als het echt gaat over de hogere benzine- en brandstofprijzen, dan zegt mijn fractie: volgende week is het debat over de gevolgen van de oorlog in Iran en laten we daar die discussie voeren.

De voorzitter:
Helder. Bedankt voor uw bijdrage. Dan geef ik nu in de eerste termijn het woord aan meneer Schoonis van D66.

De heer Schoonis (D66):
Dank u wel, voorzitter. We hebben het over marktordening en consumentenbescherming. Waar hebben we het dan eigenlijk over? Dan hebben we het over de vraag of de spelregels in de economie wel eerlijk zijn. De economie gaat over waarden, waarden die nu uitgedrukt zijn in euro's, oftewel financiële waarden. Er is echter een bredere kijk op die waarden nodig. Naast de belangrijke euro's moeten ook de ecologische en sociale waarden worden meegenomen. Wie heeft namelijk iets aan geld op de bank als er geen bossen meer zijn om in te wandelen en als er geen verenigingen meer zijn om samen dingen te beleven? Met andere woorden, de economie moet duurzaam werken, ook voor toekomstige generaties. Wij noemen dat: het progressief kapitalisme. Mijn voorganger, Joost Sneller, heeft dat al opgeschreven in zijn initiatiefnota Nieuwe en slimme economie. Dit zeggen wij overigens niet alleen. Dit werd vorige week nogmaals bevestigd door CEO's in ons rondetafelgesprek over het bouwen van een economie die werkt. Vele andere economen, zoals Willem Schramade en Dirk Schoenmaker, pleitten hier al voor. Met dit idee maken we spelregels voor een economie die werkt voor iedereen. Dit wilde ik even zeggen als de belangrijke context en gedachte vanwaaruit ik spreek.

Nu naar vandaag. De brieven die we vandaag bespreken, zijn geschreven door een demissionair minister, die erbij schreef dat de besluitvorming aan het volgende kabinet is. Dat kabinet is er nu. D66 wil doorpakken. Ik bespreek dus kort de drie kansrijke tools in de gereedschapskist van de minister.

Ten eerste de zogenaamde call-inbevoegdheid. Collega Van der Lee heeft die al genoemd, dus ik kan heel kort zijn. Hier is brede consensus over. Collega Bushoff van GroenLinks-PvdA heeft hier al een initiatiefwet voor, het coalitieakkoord is er ook expliciet over en de vorige minister zat ook op die lijn. Eigenlijk is het dus vrij simpel: wanneer komt het wetsvoorstel, minister?

Ten tweede de New Competition Tool in de gereedschapskist. De vorige minister — dat was minister Adriaansens; nee, sorry, het was minister Karremans — koos voor de veilige route: alleen individuele tikjes uitdelen aan bedrijven. Dat is begrijpelijk, maar soms moet je niet alleen pleisters plakken, maar ook de oorzaak aanpakken. In het Verenigd Koninkrijk werkt het ook al anders. Daar bespaart zo'n instrument al meer dan 40 jaar jaarlijks meer dan 1,5 miljard pond voor consumenten. Daarom vraag ik de minister: durven wij ook een stap verder te gaan? Het hoeft niet ingewikkeld te zijn: als de wet transparantie wil en de ACM vervolgens zegt dat dat prima is, komt er in deze sector gewoon een duidelijke prijslijst. Trouwens, dit doet de AFM ook al jaren. Het is dus niet onbekend.

Ten derde true pricing. Dat is hier ook al ter tafel gekomen. De vorige minister — deze keer was dat wel minister Adriaansens — noemde het een goed idee, maar deed er vervolgens weinig mee. Dat is een beetje alsof je zegt dat sporten gezond is en daarna lekker op de bank blijft liggen. De overheid koopt voor 90 miljard per jaar in. Dat is een megahefboom en die moeten we gaan gebruiken. Het is hier net ook al gezegd: de MKI in de bouw is een goed begin, maar waarom stopt het daar? Want nu hebben we een vreemde situatie: duurzame bedrijven betalen de rekening en de vervuiler krijgt eigenlijk korting. Dat is de omgekeerde wereld, dus mijn vraag is hoe we true pricing breder gaan toepassen.

Voorzitter. Ik sluit af. De diagnose is voor ons duidelijk. Het recept ligt klaar. Nu is het tijd om niet alleen te praten over de behandeling, maar ook het gereedschap te benutten, om te bouwen aan de slimme economie van morgen.

Dank je.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Schoonis. Ook mooi binnen de tijd. Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Bühler van het CDA voor haar eerste termijn.

Mevrouw Bühler (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Een sterke markt maakt een sterke samenleving, en concurrentie hoort daarbij. Marktwerking en concurrentie zijn geen doel op zich, maar een middel om een brede welvaart te bereiken. Een gezonde markt laat ruimte voor nieuwe ideeën en creatieve destructie. Deze innovatie is de basis voor langdurige economische groei. Tegelijkertijd vraagt dit om een doordachte marktordening.

Ik heb drie aandachtspunten in mijn betoog. Allereerst de concurrentie en de ACM, punten die al eerder zijn benoemd. Het CDA is positief over de nieuwe instrumenten voor de ACM, de New Competition Tool en de call-inbevoegdheid. Die staan immers ook in het coalitieakkoord, maar we willen wel zeker weten dat ze ook bijdragen aan het oplossen van de gesignaleerde problemen. Daarbij moet de regeldruk proportioneel zijn en moet er sprake zijn van rechtszekerheid voor ondernemers, want het gaat ergens over. Het moet niet zo zijn dat ondernemers een bedrijf overnemen en pas achteraf horen dat ze onderdeel zijn van een onderzoek en dat het dan niet mag, of dat men onnodig lang in onzekerheid zit. Kan de minister aangeven welke route zij voor zich ziet ten aanzien van deze voorstellen, ook in relatie tot de EU? Daarnaast moeten de neveneffecten zo veel mogelijk gemitigeerd worden. Hoe gaat de minister dit bewaken in het wetsvoorstel? Wanneer kunnen we de uitwerking tegemoetzien?

De heer Frederik Jansen (FVD):
Ik heb een vraag. Ik ben ook erg geïnteresseerd in de New Competition Tool. In de brief zag ik, best wel summier eigenlijk, opgesomd wat dat dan voor bevoegdheden zijn: informatieverplichtingen, toegangsverplichtingen, non-discriminatieverplichtingen, overstapverplichtingen en verplichte contractvoorwaarden. U zei net dat het CDA positief kijkt naar die nieuwe bevoegdheden en dat u denkt dat die goed werken voor de geconstateerde problemen. Ik vroeg me af: wat zijn die geconstateerde problemen en welke van de bevoegdheden uit dit rijtje zouden die problemen dan oplossen?

Mevrouw Bühler (CDA):
De New Competition Tool gaat over marktfalen. Dat kun je op verschillende manieren oplossen. In de brief van de minister, de vorige minister overigens, worden daar een aantal oplossingsrichtingen voor aangegeven. Wij geven daarvoor drie randvoorwaarden mee waaraan ze wat ons betreft moeten voldoen. Het is namelijk belangrijk dat we de zekerheid hebben dat de instrumenten die we gaan verstrekken daadwerkelijk een oplossing zijn voor de problemen die we signaleren. Is dat op het niveau van de markt? Is dat op het niveau van de sector? Is dat op het niveau van specifieke bedrijven? Het moet proportioneel zijn en het moet niet echt veel extra regeldruk met zich meebrengen. In de uitwerking zagen we dat er best veel vragen waren over de regeldruk. Daar is ook nog behoorlijk op geantwoord en dan bekruipt je wel het gevoel: o jee, wat we hier straks gaan doen, zal voor nóg meer regels zorgen; ik weet niet of bedrijven daar echt bij gebaat zijn. Dat zijn dus de randvoorwaarden die ik de minister graag zou willen meegeven, met het verzoek om daar in de uitwerking op te letten, zodat we een instrument krijgen dat doet wat nodig is.

De heer Frederik Jansen (FVD):
Mag ik dan toch nog heel kort een vraag stellen?

De voorzitter:
Heel kort, meneer Jansen. Dit is trouwens uw laatste interruptie.

De heer Frederik Jansen (FVD):
Dat is niet erg. Het moet dus doen wat nodig is, maar wat is er dan nodig en wat moet het dan doen?

Mevrouw Bühler (CDA):
We zien in sommige situaties dat zich dingen voordoen waarbij je graag zou willen ingrijpen. We hebben een aantal casussen gehad, zoals de Solvinitycasus, waarin je ziet dat er iets gebeurt waar je misschien niet gelukkig van wordt. Vervolgens zeg je: de ACM heeft geen instrument om daar iets aan te doen, dus dan kun je niet ingrijpen. Zo zijn er meerdere voorbeelden waarbij je zegt: dat instrument hebben we nodig.

De voorzitter:
Dan is er nog een interruptie van meneer Van der Lee en daarna ga ik naar de heer Schoonis.

De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij weten we dat er sprake is van killer acquisitions en kralen rijgen in diverse markten, dus het is heel terecht dat er nieuwe tools worden gezocht. We roepen dan al heel snel: regeldruk, regeldruk, regeldruk. Maar bedrijven hebben zelf belang bij een goede marktwerking. Dat ten eerste.

Ten tweede: de ACM dringt zelf aan op deze bevoegdheid, bijvoorbeeld de call-inbevoegdheid. De ACM geeft aan dat het, naar haar inschatting, gaat om vijf à tien cases op jaarbasis. Het is dus echt niet zo dat ieder bedrijf bij iedere aankoop met de billen bloot zal moeten. Het is echt relatief beperkt, maar het is wel cruciaal dat we haar op dit terrein wat instrumenten in handen geven. Ik hoop dus dat het CDA ook van mening is dat het belangrijk is dat dit instrument er komt en dat we ons niet te snel bang moeten laten maken door het feit dat het tot regels leidt, want die zijn dan juist bedoeld om de bedrijven te beschermen.

Mevrouw Bühler (CDA):
Ik hoor wat de heer Van der Lee zegt. Net werd er een vraag gesteld over de New Competition Tool, maar u heeft het nu over de call-inbevoegdheid. Ik moet u ook heel eerlijk zeggen dat ik deze portefeuille pas twee weken heb, dus voor mij was het ook nog even studeren om te weten waar we het precies over hebben. Ik heb gezegd dat het CDA het echt eens is met deze methodieken en deze instrumenten. Wij staan daar echt achter. Daarom vinden we het ook heel belangrijk dat het op zorgvuldige wijze wordt vormgegeven. Vandaar dat wij daarvoor nog een aantal aandachtspunten meegeven.

De voorzitter:
Had u nog een interruptie, meneer Schoonis?

De heer Schoonis (D66):
Ja, het was meer een aanvulling op meneer Jansen. Volgens mij hoorde ik hier al dat de call-inbevoegdheid oké is. Die New Competition Tool is wel voor de situatie waarin die markten niet goed werken, ook al is er geen sprake van daadwerkelijk de wet overtreden. De ACM vraagt daar ook naar. We hebben het dan bijvoorbeeld over ICT in zorginstellingen. Daar is gewoon geen competitie of concurrentie, waardoor de prijzen heel hoog worden. Het gaat ook om de spaarmarkt waar de rentes te laag zijn voor consumenten. Het heeft echt wel zin om die New Competition Tool daar in te zetten. Dat even als aanvulling.

De voorzitter:
Dank u wel voor uw aanvulling. Mevrouw Bühler, u heeft nog twee minuten en een beetje voor de eerste termijn.

Mevrouw Bühler (CDA):
Dan ga ik mijn best doen. Als tweede de staatssteun. Het CDA wil niet dat de Staat de markt of de samenleving verdringt. De markt en de samenleving zijn dynamisch genoeg om veel zelf op te pakken. Stimuleren waar de markt het laat afweten en rechtvaardig overheidsingrijpen: mede hierom heeft het CDA ook gepleit voor de nationale investeringsinstelling. Steunkaders voorzien in een functie, maar werken soms verlammend. Het staatssteunkader is rigide en zorgt voor veel regeldruk en daarmee voor vertraging. De toepassing van staatssteunkaders houdt broodnodige innovatie tegen — ik moet "soms tegen" zeggen — zeker bij de ondersteuning van start-ups en scale-ups in de vervolgfinanciering. Daarbij zijn zij soms genoopt tot maatregelen die je liever niet treft, zoals bijvoorbeeld de DEAB in de kinderopvang. Is de minister bereid om in EU-verband te onderzoeken in hoeverre staatssteunregels beknellend zijn voor het opschalen van start-ups en om in te zetten op het verminderen van regeldruk? Kan zij op nationaal niveau onderzoeken of onze risicoperceptie van de staatssteun afwijkt van andere EU-landen?

Als laatste de KVK, die zegt onvoldoende wettelijke mogelijkheden te hebben om ondermijning tegen te gaan. Kan de minister haar inzet hierop kenbaar maken? Hoe kunnen we de poortwachtersfunctie van de KVK versterken? Wat is de status van eventuele wetgeving?

Afrondend. Het CDA staat voor een economie waarin we duidelijke kaders stellen waarbinnen de markt kan floreren om zo bij te dragen aan een bredere welvaart.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Dank, mevrouw Bühler. Dat was mooi binnen de tijd. Dan gaan we nu naar de eerste termijn van meneer Jansen van Forum voor Democratie.

De heer Frederik Jansen (FVD):
Dank u wel. We bespreken vandaag of de Autoriteit Consument & Markt nieuwe bevoegdheden moet krijgen om marktfalen tegen te gaan en concurrentie te bevorderen. Dit debat volgt deels op het debat van 2 oktober 2025. Hierin werd gesproken over de rol van de overheid in het oplossen van vermeend marktfalen en een mogelijke New Competition Tool, die hierbij een uitkomst zou moeten bieden. Ik zat toen nog niet in de Kamer, dus ik heb de Handelingen erbij gepakt, want ik vroeg me namelijk af waarom we het hier eigenlijk over hebben. Is er daadwerkelijk sprake van wat men "marktfalen" noemt en zo ja, in welke vorm en in welke mate?

De heer Sneller van D66 betoogde op 2 oktober dat de markt niet vanzelfsprekend vrij is, maar dat overheidsingrijpen noodzakelijk is. Een van de dingen die mij opviel, is dat hij sprak over zogenaamde "sleepers": consumenten die niet overstappen en als gevolg daarvan te veel betalen. Dit is nogal een aanname. Het veronderstelt dat alle actoren op de markt rationele actoren zijn die enkel het prijsmechanisme in overweging nemen bij het maken van aankoopbeslissingen. In de praktijk is de mens veel complexer dan dat en spelen tal van factoren hierbij een rol, zoals vertrouwen, merkloyaliteit, gemak, tijdskosten et cetera. Wie zijn wij om voor mensen te bepalen of zij het juiste product kopen?

In lijn hiermee zag ik ook een opmerking van de heer Thijssen van de Partij van de Arbeid over monopolievorming met als voorbeeld PostNL. PostNL heeft inderdaad een hele sterke positie op de Nederlandse post- en pakketmarkt, namelijk ongeveer 95%. De heer Thijssen zag dit in het debat van oktober als een probleem. Ook zag hij winstflatie als een probleem. Dat is het fenomeen dat de winsten stijgen, maar dat de lonen binnen een bedrijf niet stijgen. PostNL is hiervan wellicht het slechtste voorbeeld, omdat het vorig jaar nog verlies heeft gedraaid.

Voorzitter. Zo kunnen we wel door blijven gaan over dat debat. Ik ben hier ook niet om dat debat te herhalen, maar ik vond het wel interessant om het als achtergrond te gebruiken bij het nadenken over die New Competition Tool. Het hele idee dat er sprake zou zijn van marktfalen, vind ik namelijk zeer dubieus. Het berust op de aanname dat de markt kán falen, met andere woorden: dat het prijsmechanisme een modelmatige voorspelbare uitkomst zou moeten produceren, dat elke afwijking daarvan als falen kan worden bestempeld, dat je dus een optimale prijs voor een product of dienst kan vaststellen, dat een door de consument betaalde prijs niet overeenkomt met de daadwerkelijke waarde van het product of de dienst en dat dit dus van bovenaf beter kan worden bepaald dan in de interactie tussen deelnemers in de markt. Om falen als gevolg van markteigenschappen op te lossen, stelt het kabinet voor om de ACM marktremediebevoegdheden te verschaffen. Hiermee krijgt de ACM de bevoegdheid om in te grijpen bij marktverstorende ontwikkelingen, zoals toetredings- en overstapdrempels, fusies en overnameacties.

De voorzitter:
Meneer Jansen, er is een interruptie voor u van meneer Van der Lee.

De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ik dacht: misschien moet ik één voorbeeld noemen dat vrij pregnant is. Dat is niet per se een monopolie, maar een oligopolie en dan kijk ik gewoon naar onze grootbanken. Dat probleem is er al jarenlang en met algemene consensus is geconstateerd dat er te weinig concurrentie is tussen banken op de Nederlandse markt. DNB, de WRR en de regering zelf hebben dat allang erkend, maar er wordt heel weinig aan gedaan. Een van de zaken is bijvoorbeeld de koppelverkoop van een rekening-courant en een spaarrekening. Daar kan zelfs niet tegen worden opgetreden. Ik ben wel benieuwd of Forum nou erkent dat er op plekken echt wel sprake is van marktfalen. Dan kan Forum misschien met voorbeelden komen waarbij het daarvan niet overtuigd is, maar ik denk dat dit echt een onomstreden voorbeeld is. Daar krijg ik graag een reactie op.

De heer Frederik Jansen (FVD):
Dank u wel. Ik vind het een heel goed voorbeeld, een heel interessant voorbeeld, omdat het een voorbeeld is van overregulering, volgens mij. Het is ontzettend moeilijk om een bank te beginnen in Nederland. Er zijn tal van vergunningen die te maken hebben met financiële instellingen. Om die te verkrijgen ben je jaren bezig. Het gaat echt over vergunningstrajecten van meerdere jaren per vergunning. Ik ken ook mensen in de fintech die daarmee bezig zijn. Sommigen lukt dat en dat is heel mooi voor ze, maar het is echt ontzettend moeilijk, want daar heb je enorme legal-afdelingen voor nodig en dat gaat allemaal ten koste van de ontwikkeling van die bedrijven zelf. Ik ben het er heel erg mee eens dat die markt een oligopolie is, maar ik denk dat we die juist zouden moeten openbreken door deregulering, zodat concurrenten op de markt kunnen stappen.

De voorzitter:
Er zijn interrupties van de heren Prickaertz en Schoonis. We beginnen met de heer Prickaertz.

De heer Prickaertz (PVV):
Meneer Jansen begint er eigenlijk zelf over: PostNL. Vindt meneer Jansen dat een goed functionerende markt? PostNL heeft gewoon op alle fronten winst gemaakt en heeft een bizarre monopoliepositie. Ik begrijp uit zijn verhaal dat hij ingrijpen eigenlijk helemaal niet nodig vindt, maar daarom vroeg ik mij af of meneer Jansen dat een goed functionerende markt vindt.

De heer Frederik Jansen (FVD):
Dit gaat eigenlijk terug naar waar ik het over had. Wij kunnen in zekere zin niet beoordelen of een markt goed functioneert. Dat is aan de deelnemers van de markt zelf. Je kunt vaststellen dat er sprake is van een hele grote positie op die markt. Dat zorgt er dus ook voor dat die heel dominant kan zijn in zijn werkwijze, maar dat betekent niet dat er geen concurrentie is. Er zijn echt wel uitdagers en er zijn echt wel nieuwe bedrijven die hiertegenin opkomen. PostNL is een best wel log en fors bedrijf, dat niet heel wendbaar is in termen van innovatie en nieuwe ontwikkelingen. Neem bijvoorbeeld de CMD-deliverymarkt. Daarop zijn zij geen speler. Er zijn steeds meer bedrijven die daar wel in willen stappen en die worden daar dus een hele sterke concurrent van. Ik denk dus eigenlijk dat PostNL ten onder gaat aan z'n omvang en het juist door kleinere spelers heel goed kan worden uitgedaagd. Ik heb best wel vaak gedacht: kan een bedrijf via overnames en zijn positie op de markt zo groot worden dat het geen concurrenten meer kan hebben? Voor mij was Google lange tijd het beste voorbeeld. Google heeft natuurlijk een hele dominante positie op de zoekmarkt, en überhaupt op het internet met verschillende diensten. Toch is ChatGPT opgekomen. Toch is er een uitdager gekomen die via nieuwe technologie, via een volledig nieuwe dienst, heeft kunnen inbreken op die markt. Die is niet opgekocht en is een hele grote speler aan het worden. Ik geloof eigenlijk heel erg in het functioneren van de markt. Ik geloof heel erg dat mensen daarin zelf beslissingen kunnen nemen.

De voorzitter:
Er is een interruptie van meneer Schoonis. O, nee. Meneer Prickaertz heeft nog een laatste reactie.

De heer Prickaertz (PVV):
Meneer Jansen refereert bij PostNL voornamelijk aan de pakketmarkt, denk ik, maar wij hebben het hier eigenlijk over de postmarkt. Die 95% is van toepassing op de postmarkt. Even ter verduidelijking: er is geen concurrentie voor PostNL op de postmarkt. Het is namelijk heel simpel: alle regionale postbedrijven werken voor PostNL. Er is dus helemaal geen sprake van concurrentie. Dat is nou juist het hele probleem. Dat hebben wij in het verleden ook gezien bij het Postbesluit. Hopelijk bespreken we dat straks, na de zomer, bij de nieuwe wijziging van de Postwet. Er is hier helemaal geen sprake van marktwerking. Dat is mijns inziens juist datgene waar we in Nederland problemen mee hebben, wat we aan moeten pakken en wat we beter moeten reguleren.

De heer Frederik Jansen (FVD):
Ja, maar hoe denkt de heer Prickaertz dat dat komt? PostNL wás natuurlijk een staatsbedrijf. Het heeft van nature een dominante positie, een monopoliepositie, gehad. Daarmee heeft het een enorme voorsprong gehad ten opzichte van andere bedrijven. Ik denk juist dat regionale uitdagers, als die er komen, een hele mooie rol kunnen spelen. Het is namelijk heel moeilijk om een fijnmazig nationaal netwerk op te tuigen; dat vergt enorme investeringen. Ik snap dus wel dat toegang tot die markt heel moeilijk is. Ik ben niet supergoed thuis in de postmarkt, dus ik wil hier straks graag met een sigaretje over verder praten. Maar zoals ik het begrijp — misschien kunt u dat verduidelijken — is het nodig om als UPD of UDD … Wat is het ook alweer? Het is UPD, hoor ik van mijn collega's. Je moet landelijke dekking kunnen garanderen. Dat is een regel. Je zou kunnen zeggen: we gaan die regels losser maken, door te zeggen dat je geen landelijke fijnmazige dekking hoeft te garanderen. Dan kunnen heel veel bedrijven ineens wél instappen in zo'n markt.

De voorzitter:
Meneer Prickaertz, dit is uw allerlaatste interruptie.

De heer Prickaertz (PVV):
Wat betreft PostNL: hoe zijn die aan die positie gekomen? Dat is heel simpel: er was een concurrerend bedrijf, Sandd. Sandd is door PostNL overgenomen. Ondanks het feit dat de ACM daar strikt op tegen was, heeft het ministerie toch besloten om akkoord te gaan met die overname. Daarmee is de monopoliepositie van PostNL enorm versterkt. U heeft het over de periode waarin het nog een staatsbedrijf was, maar volgens mij moeten we daarvoor terug naar PTT Post; dat is heel lang geleden. Ik ben al best heel oud, maar … Maar goed, dat is dus het probleem. De huidige situatie is dat andere postbedrijven, ook mogelijke nieuwe commerciële bedrijven, geen toegang hebben tot het netwerk. Daar zit het probleem.

De voorzitter:
Ik hoor geen vraag, alleen een opmerking. Ik ga dus even naar de heer Schoonis, voor zijn interruptie.

De heer Schoonis (D66):
Een laatste opmerking over die post: ik nodig meneer Jansen uit om mee te denken, want we hebben hem nog niet gezien in die commissie.

Mijn collega Joost Sneller werd net even genoemd, die het mooie initiatief Progressief kapitalisme heeft geschreven. Even een voorbeeldje om te laten zien dat het inderdaad niet altijd gaat over prijs bij marktfalen; daar heeft de heer Jansen gelijk in. We hebben nu bijvoorbeeld het actuele probleem van Odido. Daar is een behoorlijk datalek geweest; daar is iedereen van op de hoogte. Als je dan niet snel kunt overstappen, is dat in principe ook marktfalen. Dan heb ik het over het feit dat mensen niet snel naar een ander bedrijf kunnen, omdat ze moeite hebben om die overstap te maken. Dat wordt ze ook niet gemakkelijk gemaakt, omdat het om een vrij grote speler gaat. Ik geef even een voorbeeldje; dat kan ook marktfalen zijn.

De heer Frederik Jansen (FVD):
Ja, dat is ook een heel interessant voorbeeld. Ik kan nu niet een knop omzetten en een telecomaanbieder worden; daarvoor moet je ook weer allerlei vergunningstrajecten doorlopen. Elke keer komt het toch weer op hetzelfde neer. Voor een heel groot deel is de toegang tot markten heel erg onderhevig aan vergunningstrajecten, regelgeving, administratieve lasten en juridische lasten. Die zaken maken het voor start-ups ontzettend moeilijk om daarin te stappen. Als je dereguleert, krijg je dus concurrentie. Dan kunnen consumenten veel meer kiezen. Dan kunnen ze veel eerder zeggen: oké, Odido bleek niet zo'n betrouwbare IT-partner; misschien kan ik toch maar beter kiezen voor een bedrijf dat hiervan echt een speerpunt maakt. Dat zou dan kunnen. Maar dat kan op dit moment natuurlijk niet. Dat geldt voor ontzettend veel markten in Nederland.

De heer Schoonis (D66):
Gewoon even een reactie: ik ben vóór meer concurrentie. Dat is helemaal niet het probleem. Maar als iets eenmaal geconcentreerd is, dan moet de ACM kunnen ingrijpen. Dat is volgens mij wat we met die call-inbevoegdheid en die New Competition Tool beogen.

De voorzitter:
Ik hoor geen vraag. Ik geef u het woord, meneer Jansen. U kunt dan ook gelijk uw eerste termijn afmaken.

De heer Frederik Jansen (FVD):
Dank u wel. In de New Competition Tool worden een aantal nieuwe bevoegdheden voorgesteld: informatieverplichtingen, toegangsverplichtingen, non-discriminatieverplichtingen, overstapverplichtingen en verplichte contractvoorwaarden. Ik vraag de minister wanneer we daar een wat meer uitgewerkte variant van kunnen verwachten, want dit is tot nu toe nog best wel high level. Zoals ik al in heel veel interruptiedebatjes heb betoogd, geloven wij juist dat de oorzaak van bepaalde gebrekkige concurrentie in de markt ligt bij marktinmenging door de overheid, via regelgeving, vergunningen en dat soort dingen. Ik zal dat stukje overslaan, want eigenlijk hebben we dat al uitvoerig besproken; dat vond ik erg waardevol.

MKB-Nederland schat dat de algehele regeldrukkosten voor het midden-en kleinbedrijf in Nederland jaarlijks ruim 20 miljard euro bedragen. Dat is 20 miljard euro die had kunnen gaan naar het uitbreiden en concurrerender maken van talloze bedrijven, maar nu gedwongen verspild wordt aan het uitvoeren van regeltjes.

Voorzitter. Tot slot. Marktfalen bestrijden met meer overheidsbevoegdheden is als vuur bestrijden met benzine. Wij zouden in plaats daarvan moeten aansturen op deregulatie. De oplossing ligt voor ons dan ook niet bij uitbreiden, maar bij het ingrijpend afschalen van administratieve verplichtingen en regeldruk.

Dank u wel.

De voorzitter:
Ik zie dat de heer Schoonis nog een interruptie voor u heeft.

De heer Schoonis (D66):
Ik vind dit interessant. Het gaat hier over marktfalen. Juist die call-inbevoegdheid is voor het mkb heel belangrijk, zodat ze niet door grote bedrijven eruit worden geduwd en er niet zo'n hoge drempel wordt neergelegd omdat die grote bedrijven de kleine bedrijven hebben opgekocht. Die zou dus juist in het voordeel van het mkb zijn, en vaak dus ook juist in het voordeel van de consument. Ik ben het met u eens dat je voor deregulering moet gaan waar het kan, maar hier gaat het juist om het punt waar die markt vastzit; die moet je dan met de koevoet proberen open te krijgen. Dan krijg je juist meer marktwerking, lagere prijzen en meer kwaliteit. Dat wilde ik nog even zeggen.

De heer Frederik Jansen (FVD):
Ik wil dat echt nog wel een keer door mijn hoofd laten gaan. Heel theoretisch kan ik me dat soort situaties voorstellen. Toch vind ik dat je vaak weer andere barrières aantreft als je dan inzoomt. Maar misschien moeten we daar een keer wat uitvoeriger over spreken met elkaar.

Mevrouw Bühler (CDA):
Ik hoor wat mijn buurman, de heer Jansen, zegt. Ik hoor hem een heel sterk pleidooi houden voor regeldrukvermindering. Aan de andere kant is het natuurlijk ook zo dat we dingen zoals consumentenbescherming met elkaar moeten blijven organiseren en regelen. Ik vraag me af: waar zit bij u het omslagpunt als het gaat om enerzijds die regeldruk en anderzijds die consumentenbescherming?

De heer Frederik Jansen (FVD):
Dank voor de vraag. Ik heb in een eerder debat verteld dat ik ook een eigen bedrijf heb. Ik mocht niet vertellen welk bedrijf dat was. Ik zal dat nu ook achterwege laten. Maar het is voor mij altijd fijn om het daarnaar terug te brengen. Het ging hierover tijdens het begrotingsdebat over de begroting Economische Zaken. Toen ging het bijvoorbeeld over klantenservices. Wij hebben juist in ons eigen bedrijf gemerkt dat het ontzettend waardevol is — we hebben dat best een tijdje onderschat — om een heel goed functionerende klantenservice te hebben. Dat lijkt duur en dan denk je "dat doen we er wel even bij", maar eigenlijk is die voor het bedrijf juist heel gunstig.

Om het dan terug te brengen naar het meer algemene punt over marktwerking: ik denk dat bedrijven die uitblinken in dat soort dingen, ook juist meer klanten gaan aantrekken. Als er echte excessen zijn waarbij er echt gewoon strafbare feiten worden gepleegd, dan heeft justitie gewoon al een heleboel bevoegdheden om daar iets aan te doen. De markt dwingt volgens mij dus juist af dat bedrijven goed met hun klanten moeten omgaan, want anders besta je gewoon niet heel lang.

De voorzitter:
Ik dank de Kamer voor de eerste termijn. Voordat ik ga schorsen, wil ik graag van de minister horen hoeveel tijd zij ongeveer nodig heeft.

Minister Herbert:
Mag ik twintig minuten van u, voorzitter?

De voorzitter:
Ja, dat is prima. Dan schors ik bij dezen voor twintig minuten.

De vergadering wordt van 15.30 uur tot 15.50 uur geschorst.

De voorzitter:
Ik open het debat weer. Ik geef de minister het woord in eerste termijn. Ik wil u wel vragen om uw beantwoording kort en bondig te houden, zodat ik de Tweede Kamer nog de gelegenheid kan geven voor een tweede termijn. Ik wil ook melden dat als de tweede termijn voor 17.00 uur kan plaatsvinden, ik de heer Van der Lee het eerste het woord geef. Hij moet namelijk om 17.00 uur weg.

Minister Herbert:
Dank, voorzitter. Ik ga mijn best doen. Marktordening en consumentenbescherming zijn belangrijke onderwerpen. Ik merk dat er in de commissie verschillend wordt gedacht over de vraag of er eigenlijk een probleem is en of het iets is wat vraagt om een rol van de overheid. Mijn visie daarop is dat het belangrijk is dat er ruimte is om te concurreren en dat er dus een goedwerkende markt is. Consumenten moeten soms, nee altijd, beschermd worden tegen gedrag dat niet passend is bij hun belangen. Dat vraagt om een bescheiden maar krachtige rol van de overheid om daarbij een fair proces te borgen. Dat gaat om spelregels en effectieve handhaving. En ja, daarbij moeten we er ontzettend voor oppassen dat dat niet doorslaat in onnodige regeldruk. Dat is iedere keer een balans die je moet vinden; dat is precies wat er moeilijk aan is. Ik snap daarmee ook de beide uiteinden die u mij wil meegeven. Het zoeken van die balans is precies waar ik me verantwoordelijk voor voel.

Ik ga graag in op een paar specifieke blokjes met onderwerpen. Ik stel de volgende volgorde voor: marktordening en mededinging als eerste; ten tweede wat over aanbesteden; ten derde wat over de interne markt, inclusief e-commerce; en ten vierde consumentenbescherming.

De voorzitter:
Ik ga u heel even heel kort onderbreken, want ik ben helemaal vergeten te vertellen dat de Kamerleden vier interrupties hebben.

Minister Herbert:
Dank u wel. Ik begin dus met marktordening en mededinging. Ik begin eerst even met mijn sturing op dit moment, met waar ik zit in een ontwikkellijn. Er zijn een paar krachtige instrumenten in het Nederlandse mededingingsbeleid. Dat gaat over het voorkomen van kartelvorming en misbruik van machtsposities en over controle op fusies. Eigenlijk zien we dat er een paar nieuwe dingen aan de hand zijn, met nieuw marktgedrag en nieuwe marktstructuren, waardoor we een paar dingen toe moeten voegen. Daarvoor zijn die nieuwe instrumenten, de marktremediebevoegdheid en de inroepbevoegdheid, de call-inbevoegdheid, bedoeld. Daarvan zijn eigenlijk al voorbeelden genoemd door uzelf. Dat gaat over de dierenartsenpraktijken en de schoolboekenmarkt, die net iets te geconcentreerd is. Daar zijn meerdere voorbeelden van genoemd. Voor dat soort zaken zoeken we ingrijpmogelijkheden.

Ik neem u eerst even mee in waar ik sta. De marktremediebevoegdheid, ook wel de New Competition Tool genoemd, vind ik dus een goed idee. Ik ben zover dat we een wetsvoorstel maken en in het najaar een internetconsultatie daarover starten. Bij die nadere uitwerking zullen we dus oog hebben voor de angst dat er te veel regeldruk en onzekerheid voor bedrijven ontstaan. Daar ging met name mevrouw Bühler op in. Er moet ook een goede bevoegdheidsverdeling zijn tussen aan de ene kant de ACM en aan de andere kant het kabinet. Dat die bevoegdheid er moet gaan komen, staat ook in het coalitieakkoord; dat is ook al door u benoemd. Daar gaan we dus in mee. De eerste actie is dus de internetconsultatie in het najaar. Misschien kan ik straks kijken of er nog meer over te zeggen is.

Ik ga eerst even naar de call-inbevoegdheid, de inroepbevoegdheid. Ik ben inderdaad op de hoogte gesteld van het wetsvoorstel dat door de heer Bushoff is gemaakt. Ik ben er sowieso in algemene zin erg op uit om samen te werken aan voorstellen. Ik help liever om iets zo goed mogelijk te maken zodat we door kunnen, dan dat ik allerlei concurrerende voorstellen ga doen. Het hartstochtelijke pleidooi van de heer Van der Lee omarm ik dus. Er is namens mij inmiddels al contact gezocht met de heer Bushoff. Ik hoop hem snel te kunnen spreken. Natuurlijk moeten we daarbij samen goed kijken naar het verwerken van de reactie van de Raad van State. Ik weet zeker dat hij daar ook mee bezig is. Dan moeten we ook even goed kijken of we goed genoeg naar de regeldruk en rechtszekerheid gekeken hebben.

De heer Prickaertz vroeg nog specifiek naar de omzetdrempels. Die bestaan dus al bij fusies. Laten we even goed kijken hoe die drempels goed ingesteld worden. Mijn doel is om die effectief te maken op een manier waarbij de ACM niet overstroomd wordt met allemaal werk; daarbij hebben we ook gewoon prioritering nodig. Uw angst, of zorg — laat ik het zo noemen — ging over regionale ongelijkheden. Een van uw vragen ging erover dat daar eigenlijk iets niet geregeld zou moeten worden; ik zoek even in mijn papieren. Bij de inroepbevoegdheid delen we het doel dat u voor ogen heeft, namelijk ook kleine overnames beoordelen die op regionaal of soms zelfs lokaal niveau tot mogelijke mededingingsproblemen leiden. Dus ja, daar ziet het ook op.

Mevrouw Bühler (CDA):
Dank u wel voor de beantwoording. Ik vroeg me alleen even af hoe wat de minister nu gaat doen, zich verhoudt tot wat er al op EU-niveau gebeurt, aangezien er inmiddels ook EU-wetgeving in de maak is op het niveau van de New Competition Tool. Waar raken wij elkaar?

Minister Herbert:
Het is inderdaad zo dat altijd een beetje de vraag is wat je op Europees niveau doet en wat op Nederlands niveau. Alles met risico op opgetopt beleid in Nederland vind ik spannend. Daar ben ik niet op uit, maar ik wil ook voortgang. In dit geval loopt er nog geen Europees traject. Ik pleit daar wel voor, maar het loopt nog niet, omdat er in Europa ook nog gezegd wordt: laten we vooral kijken hoe we goed handhaven met de bestaande instrumenten. Dat moet ook, maar ik vind het ook nodig om in Nederland iets te doen met die New Competition Tool. Naast het feit dat ik daar in Europa voor pleit, zetten we daarom in Nederland door met de introductie daarvan, zoals ik u verteld heb.

De heer Schoonis (D66):
Dank voor de antwoorden alvast. Ik wil alvast één ding inbrengen. De minister sprak er ook over dat er op dit moment al redelijk wat instrumenten zijn. Daar wilde ik nog even op ingaan. Kan de bewijslast daarvoor ook lichter worden? Kunnen we het sneller vaststellen wanneer een bedrijf echt te machtig wordt? Daar hoeven we niet op te wachten. Dat gaat er dus om dat de bewijslast lichter wordt, zodat de ACM makkelijker kan ingrijpen waar nodig. Daar vragen ze ook zelf om. Daarmee hoeven we ook niet te wachten, want daar is geen nieuwe wetgeving voor nodig. Kunt u daar iets op toezeggen?

Minister Herbert:
Dit klinkt als een behoefte om onnodige regeldruk te verminderen, hè? O, sorry. Ik mag geen vragen stellen! Knikken is genoeg.

De heer Schoonis (D66):
Ja, uiteindelijk gaat het erom een scherpere marktmeester te zijn, zodat je inderdaad minder regelgeving hebt, maar het gaat erom het makkelijker te maken voor de ACM door de bewijslast te verminderen. Dan hoeft die het alleen aannemelijk te maken dat er iets is. Nu komt de ACM niet toe aan bepaalde gevallen. Dat zou makkelijker moeten worden.

Minister Herbert:
Alles wat meneer Schoonis benoemt, klinkt mij als muziek in de oren. Ik heb alleen geen idee hoe dit zich verhoudt tot de werkelijke situatie. Misschien wil de heer Schoonis mij dus de ruimte geven om me hier zelf in te verdiepen voordat ik hier iets op toezeg, maar ik ga helemaal mee in de lijn van denken.

Ik zal even kijken of ik binnen het blokje mededinging en marktordening nog vragen kan oppikken die gesteld zijn.

De heer Van der Lee heeft om heel begrijpelijke redenen vooruitgeblikt naar het debat dat wij volgende week gaan voeren over de economische gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten. Alle precieze dingen daar gaan we volgende week oppakken, maar ik kan er in algemene zin even naar kijken. Eigenlijk noemt u vooral de zorg of de energieprijzen wel genoeg worden gereguleerd. Wat betreft de rol van de ACM: die monitort op dit moment al wel de benzineprijzen. Ik wil kijken of we dit soort gereguleerde sectoren onder die bevoegdheid kunnen trekken. Die zijn al gereguleerd, dus hoe gaan we zorgen dat een eventuele marktremediebevoegdheid daarbovenop zorgt voor een toevoeging, en niet voor onduidelijkheid? U hoort hopelijk in mijn antwoord dat ik het een interessant onderwerp vind.

De voorzitter:
Minister, ik ga u even onderbreken. Er is een interruptie voor u van de heer Jansen.

De heer Frederik Jansen (FVD):
Ik heb een kleine vraag ter verduidelijking. Moeten we tot het najaar wachten totdat we meer horen over de inrichting van de New Competition Tool? Of komt er misschien al eerder een brief over wat op hoofdlijnen de strekking zal zijn?

Minister Herbert:
Ik vind het een goed idee om eerder alvast wat kaders duidelijk te maken, zodat het niet een raadsel blijft tot het najaar. Dan maken we een tussenstapje richting de internetconsultatie.

Ik ga nog even terug naar meneer Van der Lee. Hij vroeg: zou het denkbaar zijn dat we weer gaan afromen op overwinsten van de olie- en gasproducerende bedrijven? U moet weten dat ik enorm voor het geven van een stabiel beeld naar bedrijven toe ben. Dat zeg ik vanuit mijn vorige wekende leven en de sterke beleving die ik daaruit meeneem. Ik wil eigenlijk proberen om zo voorspelbaar mogelijk te zijn als het gaat om wat de overheid wel en niet gaat doen. Ik probeer daar vooraf zo helder mogelijk over te zijn in plaats van het achteraf toe te passen. Voor mij is de situatie zoals die was in 2022 niet een-op-een vergelijkbaar met die van nu, dus ik zie niet meteen een gevolgtrekking die vanuit de vorige situatie vertaald kan worden naar de huidige situatie.

De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Op zich ben ik het daar in algemene zin mee eens. Hoe meer stabiliteit in het overheidsbeleid, hoe beter. Maar gelet op de politieke fragmentatie en de wijze waarop we elkaar voortdurend in de haren vliegen, zie ik het niet gauw gebeuren. Ik zou eigenlijk vooral willen dat er een instrument komt dat kan worden ingezet als we vinden dat het echt noodzakelijk is. De vorige keer is dat ad hoc gebeurd, na heel veel gedoe. Er moest eerst overeenstemming over worden gevonden in Europa. Het moest dus eerst via een omweg, via de Mijnbouwwet. Dat was heel ingewikkeld. Stabiliteit is ook duidelijkheid geven, zo van: er is een instrument, dat we eventueel inzetten onder bepaalde condities. Die condities kunnen we dan nader bepalen. Maar het heeft ook een preventieve werking. Ik zou wel willen dat de regering daarnaar gaat kijken. Dat is mijn verzoek aan de minister.

De voorzitter:
Minister, er is een verzoek aan u gedaan.

Minister Herbert:
Er is een verzoek aan mij gedaan om dit ter harte te nemen. Ik heb dit verzoek goed gehoord. Dank u wel.

Mevrouw Bühler heeft nog gevraagd hoe ik kijk naar start-ups en scale-ups: moeten we daarbij wel of niet iets doen wat je ook zou kunnen zien als staatssteun? Het woord "staatssteun" heeft meteen een bepaalde betekenis. Eigenlijk was de vraag: heeft de minister het idee dat wij daar in Nederland wat meer risicoavers in zijn in vergelijking met andere Europese landen? Dat is vooralsnog niet mijn beeld. Ik zal altijd graag willen blijven onderzoeken of we genoeg gebruikmaken van de mogelijkheden die we hebben binnen de Europese context. Ik herken wel heel erg waar mevrouw Bühler denk ik op doelt, namelijk dat start-ups en scale-ups een fase door moeten waarin ze eigenlijk gezien kunnen worden als een onderneming in de problemen. Die moet je soms net even wat meer rugwind geven. Ik vind het belangrijk om dat te creëren. We zijn niet voor niks bezig met een nationale investeringsinstelling en met manieren om financieringen los te brengen. Dat doen we om ervoor te zorgen dat partijen door die fase heen kunnen bewegen en daarmee belangrijke partijen kunnen worden in de toekomst.

Mevrouw Bühler (CDA):
Ik hoor de minister niet zeggen dat ze onderzoek gaat doen. Er wordt straks inderdaad gekeken naar een nationale investeringsinstelling. We gaan vervolgens kijken naar het NADI. Dat betekent dat ik graag aan de voorkant zou willen zien dat we het staatssteunvehikel wel ergens kunnen plaatsen. Anders gaan we oplossingen bedenken die binnen de kaders van staatssteun, zoals wij daarnaar kijken, worden opgesteld. Dat vind ik lastig. In sommige situaties kun je de vraag stellen: zijn dit situaties waarin er sprake kan zijn van staatssteun? Dat geldt zeker voor innovaties. Als je iets nieuws maakt wat nog niet bestaat, hoe moet je dan concurrenten beschermen? Ik zou daar graag een onderzoek over willen hebben. Dan hebben we dat al bedacht als we straks verder zijn met de uitwerking van andere instrumenten.

Minister Herbert:
Ik vind het belangrijk om volledige helderheid te hebben. Begrijpen we elkaar goed? Wat is er nou wel en niet geoorloofd? Op Europees niveau is onderkend dat we wat verruiming nodig hebben, gelet op de herziening van dat staatssteunkader. Daar gaan we sowieso in mee. Ik zal een Kamerbrief sturen voorafgaand aan het commissiedebat Innovatie, dat in april plaatsvindt. Daarin zal ik hier nog verder op ingaan.

Dan ga ik door naar het volgende onderwerp. Ik beantwoord ook nog een losse vraag, die ik maar even geplakt heb binnen marktordening en mededinging. Dat was ook een vraag van mevrouw Bühler, over de Kamer van Koophandel, die zich met handen gebonden voelt als het gaat om het tegengaan van ondermijning. Zijn er nou voldoende wettelijke mogelijkheden om ondermijning tegen te gaan? Daarin moeten we wel goed onder ogen blijven zien dat de Kamer van Koophandel niet een opsporings- of een handhavingsinstantie is. Het is ook niet mijn insteek om dat van ze te maken. Tegelijkertijd is die poortwachtersrol die zij hebben — dat benoemde u ook in uw vraag — wel degelijk interessant. Ik wil onderzoeken — dat ben ik eigenlijk al aan het doen — hoe die bestaande regels slimmer ingezet kunnen worden of dat er toch nieuwe regelgeving nodig is. Laten we niet te snel nieuwe regelgeving maken, maar laten we goed kijken naar hoe we binnen die poortwachtersrol zo veel mogelijk kunnen doen. Of er echt nog iets extra nodig is, weet ik in de tweede helft van 2026. Na de zomer mag u daar dus weer uitsluitsel van mij op verwachten.

Hopelijk heb ik hiermee de vragen in het eerste blokje beantwoord. Zal ik doorgaan met het blokje aanbestedingen?

De voorzitter:
U kunt doorgaan met de aanbestedingen.

Minister Herbert:
Goed. Eigenlijk was het heel overzichtelijk wat daarin door de commissie opgeworpen is. Ik merk dat er op dat punt verschillende meningen zijn. Wat is nou wel en niet goed als het gaat om de rol die de overheid inneemt in aanbestedingen? U kunt zich vast voorstellen dat ik hier in mijn vorige werkomgeving elke dag mee te maken had. Dat was in de bouwsector, die bijna alleen maar werkt in aanbestedingen. Ik heb daarmee een persoonlijke opvatting over wat er goed is qua aanbestedingen of wat misschien nog iets beter kan. Als het gaat over true pricing of het meenemen van andere kenmerken dan alleen maar de prijs, heb ik de volgende opvatting, die ik meeneem in mijn rol als minister. Het is wel degelijk goed om bij aanbestedingen te bekijken of er maatschappelijke doelen gehaald moeten worden naast alleen maar het halen van een laagste prijs. Dat is zo omdat er soms maatschappelijke kosten ontstaan als je de maatschappelijke meerwaarde niet meeneemt in de aanbestedingen; volgens mij werd dat ook zo verwoord door meneer Van der Lee. Als je als overheid inkoopt, vind ik dat je daar verantwoord mee om moet gaan. Dat is mijn opvatting daarover. Overigens vind ik wel dat aanbestedende diensten daar hun keuzes in moeten kunnen maken. Daarom zal ik er bijvoorbeeld niet voor kiezen om het true pricing-mechanisme op te leggen. Wel zal ik er alles aan doen om ervoor te zorgen dat aanbestedende diensten weten hoe ze hier gebruik van kunnen maken als het passend is bij de opgave die zij hebben. Stel dat je wilt verduurzamen in de betonketen. Dan zul je een aantal projecten moeten aanwijzen in de grote ruimtelijke omgeving waarvan je zegt: daar gaan we eens expliciet naar vragen. Anders gaat het nooit lukken om te verduurzamen in die keten. Daarmee haal je uiteindelijk je andere doelen niet. Denk aan de klimaatdoelen, die er nu eenmaal ook zijn.

De heer Prickaertz (PVV):
Dank aan de minister voor de antwoorden. Als het om true pricing gaat, denk ik: wat heeft het überhaupt nog voor nut om aan te besteden? Volgens mij is aanbesteden ooit bedacht om zo zuinig mogelijk met publieksgeld om te gaan en om te bekijken waar je goedkoper kan inkopen, zodat er minder geld wordt uitgegeven. Maar op het moment dat je true pricing gaat toepassen en je verschillende ministeries daar zelf de keuze in gaat geven, denk ik, met alle respect, dat je dat hele aanbesteden gewoon kan afschaffen. Dan heb je het namelijk niet meer over aanbesteden, maar over gericht inkopen. Volgens mij is dat het tegenovergestelde van aanbesteden.

Minister Herbert:
Ik kon net niet verstaan wat de heer Prickaertz aan het eind zei: dan heb je het niet over aanbesteden, maar over … Kunt u dat nog een keer herhalen?

De heer Prickaertz (PVV):
Dan heb je het niet meer over aanbesteden, maar over gericht inkopen.

Minister Herbert:
Voor mij is de essentie van aanbesteden dat er binnen een eerlijk speelveld een vraag is voor meerdere partijen, die daar een aanbieding op kunnen doen. Dan ga je die aanbiedingen vergelijken op basis van de criteria waarop je vooraf hebt gezegd: hier ga ik het op beoordelen. Dat is voor mij de essentie van aanbesteden. Dan iets over een ander onderdeel van uw zienswijze. U zegt eigenlijk: je moet gewoon altijd voor de laagste kosten gaan. Ikzelf vind dat je daarbij ook moet kijken naar de maatschappelijke kosten die ontstaan en die niet in die ene uitwisseling tussen de aanbieder en de vrager zitten, maar ontstaan voor bijvoorbeeld de omgeving. Ik vind dat je die mee moet nemen in zo'n inkoop, zeker als je een publieke aanbestedende partij bent. Dit is mijn opvatting hierover. U kunt ook van mij verwachten dat ik die in deze periode verder ga brengen.

De voorzitter:
U had nog een vervolgvraag, meneer Prickaertz? Dan ga ik daarna naar meneer Schoonis.

De heer Prickaertz (PVV):
Toch nog even over dat aanbesteden. Volgens mij is er in het verleden gekozen voor aanbesteding om te zorgen dat ook kleinere bedrijven die in staat zijn een bepaald product relatief goedkoop te leveren in aanmerking kunnen komen voor leveringen aan bijvoorbeeld de overheid. Mijn angst is dat je met true pricing te maken krijgt met het feit dat juist de grote ondernemingen kunnen voldoen aan alle eisen die daarbij gesteld worden, en dat de relatief kleine ondernemer, het mkb in dit geval, dan juist weer buiten de boot valt omdat zij niet in staat zijn om hun proces dusdanig snel om te draaien, waardoor ze ook niet meer in aanmerking komen om mee te doen met een aanbesteding. Dat zou ik heel jammer vinden, omdat we dan eigenlijk weer teruggaan naar het oude systeem waarbij grote bedrijven in staat zijn om in te spelen op de aanbestedingen en kleine bedrijven eigenlijk amper mee kunnen doen. Dat is, denk ik, ook een heel belangrijk sociaal aspect in dit verhaal. Is de minister het daarmee eens?

Minister Herbert:
Ik denk dat meneer Prickaertz en ik het meer met elkaar eens zijn dan hij misschien vermoedt. Ik heb persoonlijk niet zo heel veel zorgen dat er de komende tijd geen werk is in Nederland. Ik heb wel zorgen over hoe we dat werk allemaal gedaan krijgen. Daar hebben we het mkb ook heel hard voor nodig. Het is voor mij geen of-of tussen het grootbedrijf en het mkb. Ik zou het juist heel goed vinden als duidelijker zichtbaar wordt wat het domein is waarop de grootbedrijven met elkaar moeten concurreren — misschien zijn dat de wat complexere opgaves — en waarop het mkb kan concurreren, dat misschien juist heel specifieke oplossingen heeft. In ieder geval zie ik daarin geen of-ofvraag. Ik ben het eens met meneer Prickaertz dat er een ruime markt moet zijn voor het mkb. Dat laat onveranderd dat ik nog steeds vind dat het bij bepaalde aanbestedingsopgaves heel nuttig is om een aantal extra waardes mee te vragen naast alleen de laagste prijs, bijvoorbeeld veiligheid. Het hoeft dus niet alleen te gaan over dingen zoals verduurzaming. Ik zie dat breder.

De voorzitter:
Een interruptie van meneer Schoonis. Dan ga ik naar meneer Jansen, en dan is er nog een interruptie van meneer Van der Lee.

De heer Schoonis (D66):
True pricing is natuurlijk wel de werkelijke prijs. Het gaat dus niet alleen over het financiële aspect. Die kosten bestaan al, alleen betaal je die dan later, door middel van gezondheidsschade, milieuvervuiling of sociale uitkeringen. Daarom doen we aan true pricing. Volgens mij zei collega Van der Lee het al: goedkoop is duurkoop. Dat is even heel simpel gezegd. Volgens mij is de bouw een van de voorbeelden waar het heel goed werkt; daar krijg je minder materiaalverbruik of een lager brandstofverbruik. Volgens mij werkt het juist heel goed, zeg ik ook even tegen collega Prickaertz. Mijn vraag is de tegenovergestelde: waar gaan we het, naast in de bouw, ook nog invoeren? We moeten daar juist vaart achter zetten als we die transities voor elkaar willen krijgen.

Minister Herbert:
Ik onderstreep wat meneer Schoonis zegt. Ik ga niet zover dat ik ga opleggen waar het móét, maar u mag van mij aannemen dat ik overal waar ik kom ga onderzoeken of het meer zou kunnen dan nu, om de goede redenen zoals u die nu beschrijft.

De voorzitter:
U mag heel kort reageren, meneer Schoonis.

De heer Schoonis (D66):
Dan wil ik de minister even meegeven om die hefboom te gebruiken voor de inkoop van die ministeries, met 90 miljard. Volgens mij kan de overheid daar als launching customer goed aan bijdragen.

De voorzitter:
U wilt daar nog op antwoorden, minister?

Minister Herbert:
Ja. Ik herken dit mechanisme. Ik heb al meerdere keren laten vallen in de afgelopen weken sinds ik hier ben dat we moeten durven om launching customer te zijn, om bepaalde marktontwikkelingen los te trekken.

De heer Frederik Jansen (FVD):
Ik vond de vraag van meneer Prickaertz eigenlijk heel goed, want hoe voorkom je dat hier willekeur ontstaat? De prijs is natuurlijk heel duidelijk en hard. Die kun je met elkaar vergelijken, die kun je duidelijk uitsplitsen. Maar dingen als sociale effecten en milieueffecten zijn niet echt terug te brengen tot een kwantificeerbaar criterium. Hoe voorkom je dan, als je dit al zou willen doen, dat een bedrijf daar van alles over kan verzinnen en dat dat heel mooi klinkt voor een of andere commissie maar dat het ondertussen — dat is waar het uiteindelijk om gaat — een heel duur project wordt? Hoe voorkom je dat heel ambigu wordt waarop wordt gestuurd?

Minister Herbert:
Hier gaan we nu wel echt het risico lopen dat ik veel te veel voorbeelden uit mijn verleden in de bouw ga noemen. Dat ga ik niet doen. Dat bespaar ik u, en dat is ook niet de weg om te gaan. Ik pak even de vraag achter de vraag: hoe voorkomen we dat het middel het doel op zich wordt? Daar ben ik altijd op aanspreekbaar. Ik ga voor impact, niet voor het inzetten van zo veel mogelijk instrumenten. Mijn angst is in eerste instantie niet wat uw zorg is, maar juist omdat ik nu weet dat het wel uw zorg is, zal ik er nog meer op gaan letten. We moeten inderdaad zinnige dingen blijven doen. Ik ben niet uit op windowdressing of greenwashing, dus laten we elkaar daarin ook niet voor de gek houden. Daar ben ik voor.

De heer Frederik Jansen (FVD):
Mag ik daar nog heel kort op reageren?

De voorzitter:
Heel kort, en dan ga ik door naar de heer Van der Lee. Mevrouw Bühler heeft ook nog een interruptie.

De heer Frederik Jansen (FVD):
Volgens mij is dit eigenlijk wat de heer Prickaertz bedoelde met "niet meer aanbesteden, maar gericht inkopen". Omdat je zulke vage criteria hebt, kun je gewoon kiezen, van "o, we doen dat bedrijf". Maar als je het puur op prijs doet, dan dwing je mensen om concurrerend te zijn. Hoe kun je dit zo kwantificeren dat je dit op die vlakken kan toepassen?

Minister Herbert:
Ik begrijp de vraag goed. Die gaat erover of het nog wel objectief is. Ik ben er echt van overtuigd dat er meer is wat objectief te meten is dan alleen euro's. Dat is wel iets om goed naar te blijven kijken; daar ben ik het mee eens. Er zijn heel veel geleerden in hoe je aanbestedingen netjes doet, hoe je dit soort vragen moet formuleren en hoe je die moet beoordelen. Dat is een vak op zich, dus daar moet goed mee omgegaan worden.

De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Zeker op groen terrein kun je heel veel dingen kwantificeren. Het is belangrijk dat vooraf duidelijk is wat de criteria zijn. Dat is, denk ik, de essentie. Tegelijkertijd — dat is mijn vraag — zijn er nog twee ontwikkelingen gaande op het terrein van aanbesteden. Dat is de bredere discussie over economische weerbaarheid, Buy European. Daar gaan we het binnenkort vast vaker over hebben met de minister, ook gelet op wat op de Europese agenda is gezet door de Commissie. Mijn andere vraag gaat over het ingediende wetsvoorstel over aanbesteden. Dat ziet toe op het compliceren van de procedure en het verlengen van de klachten- en beroepstermijnen. Daar is een vrij kritische reactie op van de Raad van State. We zijn al bezig met de behandeling van het wetsvoorstel, en ik kan me voorstellen dat de minister die wet nog niet helemaal heeft bekeken, maar ik ben wel benieuwd wat ze ervan vindt en of zij nog wel enthousiast is over het voorstel dat bij de Kamer voorligt.

Minister Herbert:
Meneer Van der Lee ziet mij lachen, omdat ik denk: ja, hier heb ik iets over gelezen, maar hoe zat dat ook alweer? Als hij mij nog even de tijd geeft, zoek ik dat er weer even bij. Overigens ben ik niet voor het doel om te compliceren. We hebben het in dit commissiedebat al de hele tijd over het feit dat alles een balans is. Hoe je die balans goed kunt vinden, is inderdaad ingewikkeld. Daar moeten we goed naar blijven kijken.

De voorzitter:
U kunt verder met uw blokjes.

Minister Herbert:
Dank u wel. Dan ga ik door naar het blok interne markt en e-commerce. Daar raken eigenlijk een paar dingen aan. Ik ga proberen dat een beetje op te splitsen. We komen nu natuurlijk volop in het domein van de Europese samenwerking. Daarin moeten we kijken waar we lol van hebben en waar we dingen willen aanvullen voor Nederland.

Ik begin met de QR-codes. Meneer Kisteman vroeg daar volgens mij naar. Dat ging over de e-commerce … O ja, dat gaan we straks doen. Ik doe eerst even de QR-codes. Daar was een vraag over. Wanneer kunnen die dingen nou komen? Dat was eigenlijk de vraag. Dit gaat er natuurlijk over dat we ons een beetje willen wapenen tegen die territoriale leveringsbeperkingen. Dat is iets waar we in ieder geval in de Europese Commissie het gesprek over voeren. We overwegen om te stoppen met al die leveringsbeperkingen. Ik blijf mij daar met volle ambitie voor inzetten. Tegelijkertijd is er nu al een mogelijkheid om over de grens in te kopen, als dat voordeliger is. Dan moet je wel iets doen met de etikettering. Dat is een boel handelingen en niet altijd aantrekkelijk. Dan klinken QR-codes weer als een aantrekkelijk alternatief, want dat is een simpelere vorm. U weet op dit moment misschien wel beter dan ik dat er een onderscheid te maken is tussen het volgende. Je hebt de groep levensmiddelen, waarvan wij in Nederland hebben gezegd dat er een Nederlands geschreven uitleg op het etiket moet staan, zodat voor iedereen klip-en-klaar is dat als je ergens een allergie voor hebt, je dan meteen kunt zien dat dit een product is waarbij je geen gevaar loopt. Een QR-code is geen afdoende invulling. Er is Nederlandse regelgeving die daarop ziet. Die zit overigens bij mijn collega van VWS, want dit gaat over voedselzekerheid. Zeg ik dat goed, voedselzekerheid? Nou, dit zit in ieder geval bij VWS. Dan hebben we nog een groot deel waar ik wél wat aan kan doen. Dat gaat over alles wat niet over levensmiddelen gaat in Nederland. Ik zal even kijken wat ook alweer de termijn was waarop dit ging gebeuren. U vroeg namelijk: wanneer komt dat nou? De Europese Commissie wil een QR invoeren. Dat gaat ze doen via het Digitaal Product Paspoort. Het wetgevingsvoorstel van de Commissie verwacht ik in het najaar. Dat heeft in ieder geval mijn volle steun. Het concrete antwoord is dus: in het najaar. Dat was wat ik wilde zeggen over de QR-codes.

Dan e-commerce. Meneer Kisteman droeg de bizarre stroom pakketjes die elke dag binnenkomt in Nederland aan. Ik ben mij eerlijk gezegd het apelazarus geschrokken toen ik de aantallen hoorde. Ik heb het getal 3 miljoen ook gehoord. We zien dat onze markt hierin echt veranderd is, dus dat er ook wat nieuwe regelgevingsdingen nodig zijn. Dit is een voorbeeld daarvan. Ik zou daarin drie lijnen willen noemen.

Ten eerste moeten we ervoor zorgen dat we onze Douane en markttoezichthouders hun werk goed kunnen laten doen. Ze hebben veel te verhapstukken. Daar stonden ze niet goed voor gesteld. We hebben ervoor gezorgd dat daar in ieder geval een uitbreiding komt. We hebben er nu al op gehandeld om meer controles te kunnen doen.

Ten tweede moeten we zorgen voor Europese heffingen die het duurder maken om die producten naar Nederland te brengen. Het is goed om dat in Europees verband af te spreken, want als je alleen in Nederland het duurder maakt om producten naar binnen te halen, dan krijg je het waterbedeffect. Dat hebben we ook in het echt zien gebeuren. De oplossing is dus om hier op Europees niveau afspraken over te maken. Heel concreet zijn daar nu twee dingen aan de hand. Per 1 juli komt er een invoerheffing van €3 per pakketje en per 1 november komt daar een handling fee bovenop van €2. Dat betekent dus €5 extra per pakketje. Dat betekent ook dat daarmee het aantrekkelijker wordt voor versturende partijen om meer in bulk te gaan versturen. Daarmee wordt het voor de Douane en de toezichthouders weer makkelijker om toezicht te houden, omdat dat nou eenmaal makkelijker gaat op bulk dan op losse pakketjes. Dat is dus wat er in een tweede lijn gebeurt. Overigens is dit, dat opleggen van die EU-heffingen, het domein van Financiën. Daar is eerder, in januari, een brief over verstuurd. Maar goed, ik herhaal de inhoud hier nog maar even.

Ten derde — dat was ook een vraag van meneer Kisteman — is er de vraag of er voldoende bescherming is voor consumenten die denken: ik heb hier een miskoop te pakken. Het is inmiddels zo dat er regels zijn, en dat er een aanspreekpunt moet zijn waar consumenten naartoe kunnen met hun klachten. De vraag blijft wel — laten we daar ook gewoon eerlijk over zijn — of mensen dat gaan doen, als ze juist voor relatief weinig geld iets hebben gekocht. Ik denk dat het wel belangrijk is, maar dat het niet dé oplossing gaat zijn voor het grote probleem. Maar ik hoop in ieder geval wel dat ik hiermee op drie assen antwoord heb gegeven.

Er was nog één aanvullende vraag. Meneer Kisteman vroeg namelijk ook nog: "Als we meer heffingen gaan vragen, waar komt dat geld dan terecht? Komt dat dan naar Nederland?". Daar zijn Europese afspraken over. 25% van de heffingen komt naar het land waar de pakketjes binnenkomen.

De heer Schoonis (D66):
Naast deze drie is er volgens mij nog één belangrijke: hoe kunnen we waarborgen dat we niet alleen troep binnenkrijgen vanuit China? Onze Nederlandse en Europese producenten moeten natuurlijk aan allerlei voorwaarden voldoen. De Chinezen — ik zeg het maar even kort — gaan daar niet altijd in mee. Hoe kunnen we daar iets aan doen? Het is eigenlijk gewoon een oneerlijk speelveld, economisch gezegd.

Minister Herbert:
Ook hier heb ik vragen over gesteld toen ik mij zat voor te bereiden op dit debat. Ik moet eerlijk toegeven dat ik nu even niet meer weet hoe het ook alweer precies zat. Geeft u mij even tijd om dit op te zoeken. Ik vind dit ook een belangrijke vraag. Ik weet dat het niet zo makkelijk was om daar ook allerlei acties op te nemen, maar het is vast niet zo dat we niks doen. Ik moet dat weer even opzoeken.

De heer Schoonis (D66):
Dank, maar dit is echt een heel belangrijk punt voor het speelveld voor de Europese leveranciers. Dat is consumentenbescherming, maar ook bescherming voor onze eigen leveranciers.

De voorzitter:
U heeft nog een interruptie van meneer Kisteman. Daarna ga ik naar meneer Van der Lee.

De heer Kisteman (VVD):
Voorzitter, ik heb eerst een ordevoorstel. Ik ben de interrupties aan het bijhouden in de eerste termijn. U geeft er gewoon veel meer dan we hebben afgesproken, want elke opmerking die hier wordt gemaakt is een interruptie. Ik heb me in de eerste termijn ingehouden, maar ik ga ervan uit dat we allemaal gelijk worden behandeld en dat wij ook gewoon meer ruimte krijgen voor interrupties dan de vier die u heeft aangegeven.

Even over de pakketjes. Als ik het goed begrijp, zegt de minister dat er een uitbreiding is geweest bij de Douane en bij de NVWA en dat er daarmee meer ruimte komt. Bedoelt de minister daar ook mee dat het probleem dan is opgelost of begrijp ik haar verkeerd?

Minister Herbert:
Ik zou eigenlijk een vraag terug willen stellen om te kijken of ik de vraag goed begrijp. Ik ga 'm even via u doen, voorzitter, want ik zou willen weten of meneer Kisteman met "het probleem" "het probleem dat er zo veel pakketjes binnenkomen" bedoelt. Als dat de vraag is, is daarvan mijn beeld: goh, we hebben een situatie waarin het voor consumenten heel aantrekkelijk is om tegen relatief lage prijzen producten te bestellen die zij blijkbaar graag willen hebben. Dat is niet iets waar ik als minister wat aan kan doen. Ik kan wel wat eraan doen om te zorgen dat we in ieder geval bij de invoer de juiste controles doen. Daar helpt het enorm voor als de Douane en de markttoezichthouder ook wat in capaciteit gaan groeien, want het is veel wat ze te doen hebben. Is daarmee geregeld dat er 100% gecontroleerd kan worden? Nou, dat zou ik niet durven beloven. Dat het beter is dan het hiervoor was, ja, dat wel. En dat heffingen helpen, zeker als de prijzen laag zijn, daar ben ik van overtuigd.

De voorzitter:
Meneer Kisteman, zou u uw vraag kunnen verduidelijken of het gaat over het aantal pakketjes? En dan wil ik nog even meegeven dat meneer Schoonis net zijn vierde interruptie had en dat iedereen gelijk behandeld wordt.

De heer Kisteman (VVD):
Voorzitter. Dan is het de vraag of u, als ik nu een uitleg ga geven aan de minister, het als interruptie gaat zien of niet. Dat is volgens mij de vraag, maar volgens mij is het gewoon een interruptie. Ik ga het niet verder uitleggen, want volgens mij heeft de minister in het tweede deel van haar beantwoording duidelijk uitgelegd wat het antwoord op mijn vraag is.

Dan even naar de territoriale leveringsbeperkingen. Voorgangers van de minister, onder anderen toenmalig minister Adriaansens, hebben hierbij opgetrokken in Benelux-verband. De opvolgers daarna hebben het breder proberen te trekken. Hoever is het nu met die territoriale leveringsbeperkingen? Want juist als we hier eindelijk iets aan kunnen doen en we die QR-codes krijgen, kunnen we eindelijk iets gaan doen zodat de supermarkten kunnen gaan inkopen over de grens. Volgens mij zijn we inmiddels toch wel een stap verder dan alleen de gesprekken die de minister, als ik haar goed begreep, graag wil voeren op het niveau van Brussel. Ik hoop dat we wat verder zijn qua stappen die hierop te nemen zijn.

De voorzitter:
Meneer Kisteman, de verduidelijking had ik niet meegeteld als interruptie, maar dit is inderdaad een nieuwe vraag.

Minister Herbert:
Voor zover ik geïnformeerd ben, is het zo dat de Europese Commissie spreekt over het verbieden van de territoriale leveringsbeperkingen. Ik heb begrepen dat mijn moment om me daar hard voor te maken is als ik naar de Raad voor Concurrentievermogen ga. Daarvan staan er nog drie gepland dit jaar. U mag van mij aannemen dat ik me hier echt uitgebreid over ga uitspreken omdat ik dit echt een belangrijk onderwerp vind. Ik ga dus alles doen wat ik kan om daar het Nederlandse geluid te laten horen.

De voorzitter:
U kunt verdergaan met dit blokje. O, sorry. Meneer Van der Lee heeft nog een interruptie. Hij zit net in een hoekje waar ik hem niet zie.

De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
We moeten eigenlijk spiegeltjes hebben! Ik kom even terug op de e-commerce. Ik wil de minister op de een of andere manier een beetje helpen, maar ook nog iets vragen. Die heffing kwam natuurlijk naar voren omdat een aantal lidstaten een heffing op pakketjes wilden leggen. Wij zijn al kampioen pakketjes ontvangen. Als zij die heffing zouden opleggen, zouden we een nog grotere toestroom naar Nederland krijgen. Maar die andere lidstaten hebben het uitgesteld, dus Nederland ook. De Douane heeft wel wat meer capaciteit. Maar de beste oplossing is eigenlijk als we leveranciers, ook die uit China, dwingen om producten in bulk aan te leveren en niet elke keer met een enkel pakketje. De minister gaat niet over de handel, over de introductie van heffingen — dat zit bij Fiscaliteit — of over de Douane. Maar ze kan wel pushen dat leveranciers snel de opdracht krijgen om in bulk te leveren. Ik denk dat we daar het beste mee gediend zijn.

Minister Herbert:
Ik ben het ermee eens dat je moet proberen om dit voor elkaar te krijgen. Zoals ik het inmiddels begrijp, helpt het om die heffingen te doen. Zoals ik net heb uitgelegd, maken ze het namelijk onaantrekkelijk om in allemaal losse leveringen te leveren. Misschien kunnen we hier buiten de orde van deze vergadering nog een keer over doorpraten, om te kijken of er nog meer slimmigheidjes zijn. We zitten volgens mij namelijk op dezelfde lijn in wat we proberen voor elkaar te krijgen.

De voorzitter:
Dan kunt u verder met uw blok, minister.

Minister Herbert:
Dan ben ik aangekomen bij wat voor mij het laatste blokje is. Dat gaat over het consumentenbeleid. Zoals ik al zei, zien we de afgelopen jaren in grote lijnen natuurlijk een enorm veranderende markt. Dat vraagt ook om nieuwe dingen omtrent handhaving en zo. Er zijn vragen gesteld over verzekeringen en colportage. Met name over dat laatste heb ik levendige discussies gehoord.

Ik begin even bij de verzekeringen. Meneer Kisteman stelde daar een vraag over. Eigenlijk vroeg hij mij of ik er niet wat aan kan doen dat er soms onzinverzekeringen met allerlei producten meeverkocht worden. Net als meneer Kisteman kan ook ik me druk maken over wat sommige mensen proberen te verkopen. Dat gebeurt trouwens breder dan alleen maar verzekeringen. Als minister heb ik al mogelijkheden daar waar mensen iets proberen te verkopen wat echt onzin is. Dat betreft dingen die gaan over wettelijke garanties en zo. Ik weet dat meneer Kisteman het breder bedoelde, maar om het eerst even daartoe te beperken: daar heeft de ACM een rol. Die kan daar al op toezien. Dat doet ze ook.

Je kan hem ook iets breder trekken. Er zijn ook dingen waarbij je kan betwisten of het heel aantrekkelijk is om ze erbij te kopen. Ik zal u zeggen: ik heb ook weleens een extra verzekering afgesloten bij een huurauto, toen ik vakantie had. Ik wist ook wel dat ik eigenlijk bekocht werd. Toch wilde ik even het gevoel hebben dat er niks mis kon gaan. Hier kom ik toch op een gebied waar ik als minister minder kan ingrijpen. Je kunt misschien nog iets doen aan mensen bewustmaken: "Denk goed na voordat je je zomaar iets aan laat smeren." Maar het verbieden ... Als er iets aangeboden wordt wat iemand niet al had, dan is het aan de consument om te kiezen. Dan moet hij wel goed geïnformeerd zijn. Dat zou eigenlijk mijn wat genuanceerde antwoord zijn over deze materie.

De heer Kisteman (VVD):
Wil de minister nog doorgaan op dit onderwerp? Nee, zie ik. De consument sluit zo'n verzekering af omdat hij denkt: "Ik koop een duur product. Ben ik goed verzekerd? Heb ik wel garantie?". Het voorbeeld dat de minister geeft, is precies de reden. Uiteindelijk wordt er uit een emotie een keuze gemaakt. Ik snap dat de minister zegt het niet te kunnen verbieden. Zou de minister wel willen onderzoeken hoeveel van dit soort verzekeringen door consumenten in winkels worden afgesloten? Misschien daarop aanvullend: hoeveel van die verzekeringen zijn eigenlijk gewoon een soort dubbele dekking? Dan bedoel ik dat de consument die vanuit een andere verzekering al had. Mijn vraag aan de minister is dus of ze dit zou willen onderzoeken en in beeld zou willen brengen.

Minister Herbert:
Kort en goed: ja, ik ben daar ook wel nieuwsgierig naar. Ik vind het interessant om te weten: is dit nou eigenlijk een heel groot probleem of niet? Het is altijd goed om op basis van dat soort inzichten na te denken over wat daarna ... Dus: ja, dat wil ik toezeggen.

Dan ga ik door naar het laatste onderwerp binnen dit blokje, dat over consumentenbescherming gaat, namelijk het onderwerp colportage. Ik heb gemerkt dat dat een levendige discussie opriep, ook tussen de commissieleden. Laten we kijken naar colportage. Ik ga een aantal feiten oplezen, want er lopen echt wel al dingen op dit onderwerp.

Mijn voorganger — dat is misschien een paar voorgangers geleden — heeft in april 2024 al een voorstel ingezet voor een afkoelperiode van drie werkdagen bij colportage. Bij colportage heb je veertien dagen bedenktijd. Dat is nu al geregeld. Er zijn trouwens een heleboel dingen die consumenten eigenlijk al best beschermen tegen wat je koopt aan de deur. Je moet alleen als consument wel weten dat je dit soort bescherming eigenlijk al geniet. Als het goed is, wordt het er ook bij gezegd. Bij vervelende optredens kun je de ACM benaderen. Je hebt al bedenktijd na het afsluiten van de overeenkomst. Er wordt nu ook gewerkt aan extra bescherming. Die extra bescherming gaat over een extra afkoelperiode van drie dagen na het eerste verkoopgesprek.

Er wordt op dit moment ook in kaart gebracht, naar aanleiding van een motie van het lid Van Lanschot, of er nog meer beperkingen kunnen komen op commerciële verkoop aan de deur. Daarbij is het precies zoals u onderling ook al aan het zoeken was: wat moet je eigenlijk raken om goed te schieten? Je wilt namelijk niet de SRV-wagen raken. Daar wordt dus nog onderzoek naar gedaan naar aanleiding van die motie. Eigenlijk zijn er dus twee dingen die nog onderweg zijn voor verdere aanscherpingen.

Dat gaat leiden tot een wetsvoorstel. Dat is in de tweede helft van 2025 in internetconsultatie geweest. De reacties worden op dit moment verwerkt. Ik verwacht dat die wet deze zomer naar de Raad van State kan. Ik hoop dat daar volgend jaar wat uit komt. Dat is wat er aan de hand is qua aanscherpingen op colportage.

Laat ik ook nog een keer herhalen — dit is het laatste ding, voorzitter — dat een verbod op colportage volgens het Europese recht niet mogelijk is. Dat is ook een soort helderheid waar we mee te doen hebben.

De heer Prickaertz (PVV):
Ik heb een vraag aan de minister. Ik heb begrepen dat goede doelen zijn uitgesloten van die extra drie dagen en de eventueel mogelijke veertien dagen, terwijl de goede doelen toch gebruikmaken van dezelfde marketingbureaus. Hoe staat de minister daarin?

Minister Herbert:
De minister staat er nu even feitelijk in. Wat de heer Prickaertz zegt, klopt. De goede doelen zijn inderdaad uitgesloten van deze dingen.

De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Feitelijk zijn we het daarover eens, maar er is ook een maatschappelijk doel voor toestemming geven aan goede doelen. Zij willen namelijk niet op een commerciële manier winst maken, maar willen hun maatschappelijke missies gefinancierd krijgen. Daarom heeft de wetgever in haar wijsheid besloten om dit zo te regelen. Het lijkt me heel verstandig dat we daaraan vasthouden. Ik kan me voorstellen dat een bewindspersoon van CDA-huize zich daar zeker helemaal bij wil aansluiten.

De voorzitter:
Meneer Van der Lee, dat was uw laatste interruptie.

Minister Herbert:
Ik dank de heer Van der Lee voor het politieke advies. Ik begrijp goed waar meneer Prickaertz zich zorgen over maakt. Dat wil ik wel nog even adresseren. Eigenlijk zegt u: gaat dat geld dan wel echt naar de door de heer Van der Lee bedoelde goede doelen? Volgens mij is dat een heel ander soort vraagstuk, waar ook op toegezien wordt, dus in hoeverre het geld ook terechtkomt bij de doelen waarvoor mensen het bedoelen. Dat is niet iets waar ik me in het kader van dit debat in verdiept heb, maar het is wel iets wat natuurlijk goed beschermd moet worden.

De heer Prickaertz (PVV):
Waarom maakte ik die opmerking net? Gewoon omdat die goede doelen gebruikmaken van dezelfde marketingbureaus die ook voor de energieleveranciers op pad gaan en die vaak een heel opdringerige manier van werken hebben, omdat die marketingbureaus heel veel geld verdienen aan elk contract dat ze binnen kunnen slepen. Ik heb in mijn inleiding in de eerste termijn al aangegeven dat het probleem is dat onderzoek heeft uitgewezen dat het vooral voor goede doelen 15 tot 23 maanden kan duren voordat de eerste euro daar terechtkomt. Al het geld dat die eerste 15 tot 23 maanden binnenkomt, is voor het bureau. Dat is iets waar wij tegen ageren. Wij begrijpen het belang van goede doelen en wij begrijpen dat die goede doelen graag zo veel mogelijk geld willen ophalen, maar ten eerste ben ik er persoonlijk voorstander van om zelf mijn goede doelen te kiezen. Ik wil niet iemand aan de deur hebben die voor mij gaat kijken of ik een goed doel kan steunen. Maar daarbij komt dat zoals het vroeger was, toen vrijwilligers op pad gingen voor een goed doel, een veel betere situatie creëert dan wat er nu gebeurt. Die commerciële bureaus werken ook voor die goede doelen. Dat maakt het best vreemd dat die goede doelen uitgesloten zijn van voorwaarden, terwijl andere, commerciële partijen dat niet zijn, hoewel datzelfde marketingbureau uiteindelijk op pad gaat voor dat goede doel. Vandaar mijn opmerking.

Minister Herbert:
Ik begrijp nu heel goed wat meneer Prickaertz onder mijn aandacht wil brengen. Ik ken de feitelijke situatie echter niet. Die zou ik graag zelf willen kennen. Daar ga ik mij dus in verdiepen. Ik stel voor dat ik dit uiteindelijk verwerk in het wetsvoorstel, zoals dat toch nog voorgelegd gaat worden. Ik ga mij hier dus zelf even in verdiepen. Dank.

Mevrouw Bühler (CDA):
Soms raak ik een beetje in de war, want dit is ook pas de tweede keer dat ik in deze commissie zit. We hebben het zojuist gehad over die motie en dat onderzoek. Volgens mij hebben we het daar nu juist over, wordt dat uitgezocht en hebben we daar straks met elkaar het gesprek over. Want ik ben het eens met meneer Prickaertz en met meneer Van der Lee, die dit zojuist ook zei: ook het CDA wil graag dat die goede doelen langs de deuren gaan.

Minister Herbert:
Ik heb inmiddels het idee dat we met z'n allen hetzelfde willen en dat we alleen nog even moeten zorgen dat dit netjes in een goede aanscherping van de regels terechtkomt. Daar ga ik me enorm voor inspannen.

De voorzitter:
U kunt verder met uw blok.

Minister Herbert:
Dank, voorzitter, maar ik denk en hoop dat ik hiermee ben ingegaan op de vragen die aan mij gesteld zijn.

De voorzitter:
Ik wil de Kamerleden vragen of wij door kunnen gaan met de tweede termijn. Dat is het geval. Ik geef het woord eerst aan meneer Van der Lee voor zijn tweede termijn, omdat hij straks weg moet.

De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Dank aan de minister. Het is fijn dat zij met mijn collega Bushoff het gesprek zal aangaan over het snel wettelijk verankeren van de call-inbevoegdheid. Ik heb goede hoop dat een goed gesprek de partijen bij elkaar zal brengen. Ik ben op zich gevoelig voor het argument van regeldruk, maar ik denk dat daar wel remedies voor zijn en dat die verankering cruciaal is. Je ziet namelijk gewoon dat er killerdeals worden gesloten. Ik denk ook dat Forum een beetje voorbijgaat aan het feit dat grote Amerikaanse techbedrijven aan de lopende band kleine spelers opkopen om de concurrentie om zeep te helpen. We zien natuurlijk ook hoe private equity in een aantal sectoren oprukt door meerdere bedrijven te kopen en daardoor posities op te bouwen. Die verankering lijkt mij dus echt noodzakelijk.

We gaan volgende week praten over de economische gevolgen van de oorlog. Met betrekking tot strategisch aankopen ben ik wel benieuwd hoe de minister aankijkt tegen de nieuwe Industrial Accelerator Act en Buy European: wat betekenen die concreet op welke termijn, nog even los van fair price? Ook strategisch aankopen lijkt mij cruciaal in deze geopolitieke fase.

Verder nog even over goede doelen. Ook voor hen geldt dat, wil je meer inkomsten hebben, je eerst moet investeren.

De voorzitter:
Meneer Van der Lee, ik wil u vragen om af te ronden.

De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ja, ja, ja. Dat het even duurt voordat je een investering terug hebt, is nu eenmaal zo. Er zijn 45.000 anbi-statushouders en het idee dat consumenten zelf 45.000 kunnen identificeren en zonder marketing zelf kunnen bepalen waar ze hun goededoelengeld aan gaan besteden, lijkt me een beetje naïef.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Van der Lee. Meneer Prickaertz.

De heer Prickaertz (PVV):
Dank u, voorzitter. Ik heb een toch nog een vraag aan de minister over de New Competition Tool. Ik vraag me oprecht af waarom we de omzetdrempel met betrekking tot fusietoezicht zouden verhogen. Die gaat van 30 miljoen naar 50 miljoen, heb ik begrepen. Tegelijkertijd kan met de New Competition Tool ook toezicht worden gehouden op overnames van bedrijven die veel minder omzet draaien. Wordt het fusietoezicht zoals we dat nu kennen, dan niet enigszins overbodig? Is het niet veel handiger om te zeggen dat we die hele controlerende functie gewoon in één systeem stoppen, zodat er niet twee dingen naast elkaar gaan fungeren? We hebben het fusietoezicht — voorheen was dat vanaf 30 miljoen omzet en het wordt vanaf 50 miljoen — en daarnaast hebben we dan de ACM, die ook regionaal toezicht kan houden en ook op kleinere bedrijven. Is het niet veel eenvoudiger om dat ineen te doen? Dat betekent ook veel minder regeldruk. Dat is mijn vraag.

Verder heb ik nog een opmerking over de interruptie van meneer Jansen. Hij heeft een punt. Kijk, sociaal verantwoord ondernemen is geweldig. Ik ben 25 jaar ondernemer geweest en ik kan zeggen dat ik 25 jaar sociaal verantwoord heb ondernomen ...

De voorzitter:
Meneer Prickaertz, wilt u ...

De heer Prickaertz (PVV):
Ja, ik ga het kort houden, voorzitter. Ik heb dat gedaan door mijn hele productie onder te brengen bij een sociale werkvoorziening; geweldig werk. Het probleem is echter dat het arbitrair blijft, hoe je het ook wendt of keert. Wie gaat uiteindelijk beslissen wat wel maatschappelijk verantwoord is, wat wel beter is voor het milieu of het klimaat? Dat vind ik wel heel ingewikkeld, omdat het arbitrair is.

De voorzitter:
Meneer Prickaertz, ik ga u toch onderbreken. Dadelijk zijn we al een minuut uitgelopen en ik wil ook de andere leden van de Kamer nog een tweede termijn geven.

De heer Prickaertz (PVV):
Ik snap het, voorzitter. Ik wilde alleen nog graag — daar sluit ik mee af — een tweeminutendebat aanvragen ...

De voorzitter:
Prima.

De heer Prickaertz (PVV):
... en dan ben ik klaar.

De voorzitter:
Meneer Kisteman, maakt u gebruik van uw tweede termijn?

De heer Kisteman (VVD):
Zeker, voorzitter.

De voorzitter:
Dan geef ik u het woord.

De heer Kisteman (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Dank aan de minister voor de beantwoording en voor de toezegging over het onderzoek naar de verzekeringen.

Ik heb nog twee vragen over de Europese taks. De minister zei dat het idee van die taks, van die €3, is dat er in bulk geleverd gaat worden. Ik neem aan dat als er in bulk geleverd gaat worden, de taks op die pakketjes wel blijft bestaan. Als ik het goed heb, zei de minister dat 25% van die €3 naar Nederland komt. Dat betekent ongeveer €0,70, zeg ik uit mijn hoofd. Waar blijft dat andere geld dan, vraag ik mij af.

Ik snap dat de minister af en toe verwijst naar collega's, maar volgens mij is deze minister van Economische Zaken ook verantwoordelijk voor ruimte voor ondernemers om te ondernemen en voor een gelijk speelveld. Ik zal de minister in de toekomst hierop zeker blijven bevragen.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Kisteman. Meneer Schoonis, u maakt ook gebruik van uw tweede termijn?

De heer Schoonis (D66):
Ja, dank je, voorzitter. Ik wilde nog even heel kort van de minister weten of ze kan toezeggen dat de gereedschappen waarover we het nu hebben ook gaan gelden voor gereguleerde industrieën, zoals de telecom, banken en de zorg, en dat deze niet uitgezonderd worden. Daar moet geen ambiguïteit over bestaan. Dat wilde ik voor de zekerheid nog even vragen aan de minister.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Schoonis. Mevrouw Bühler, u maakt ook gebruik van uw tweede termijn?

Mevrouw Bühler (CDA):
Ja, graag. Dank u wel, voorzitter. Ik ben blij met de antwoorden van de minister. Ten aanzien van het staatssteuntraject zou ik nog wel wat verdieping willen, maar ik moet nog even nadenken over hoe dat zou kunnen.

Dan de EU-wetgeving ten aanzien van de nieuwe instrumenten. Optoppen willen we voorkomen, maar als we nu beginnen met een instrument dat vervolgens zwaarder blijkt te zijn dan wat de EU voorstelt, ben ik wel benieuwd hoe we eventueel gaan aftoppen of een en ander terugdraaien. Ik zou het fijn vinden als u die gedachte ook nog even zou meenemen in het voorstel dat u gaat uitwerken.

De voorzitter:
Meneer Jansen, wilt u gebruikmaken van uw tweede termijn?

De heer Frederik Jansen (FVD):
Ja, heel kort.

De voorzitter:
Ga uw gang.

De heer Frederik Jansen (FVD):
Ik vond het heel interessant wat er allemaal is gewisseld, onderling en met de minister. Ik was ook heel blij met haar antwoord over de autoverzekering, want soms denk je inderdaad: ik doe dat toch maar. Dat is nou eenmaal zo met het kopen van diensten en producten. De heer Schoonis had het over het kopen van troep. Ik vroeg me af of de minister daarop ook nog even wil bespiegelen in hetzelfde licht. Ik heb namelijk ook weleens iets gekocht waarvan ik dacht "nou, dit wordt mooi", en dan kwam het in huis en was het echt totaal niet wat ik had verwacht. Maar ja, dat hoort ook wel een beetje bij het leven. Volgens mij zijn er ook hele mooie marktmechanismen met bijvoorbeeld keurmerken of reviewwebsites. In hoeverre is het nou eigenlijk nodig dat de overheid zich hiermee bemoeit?

De heer Schoonis (D66):
Ik werd aangesproken, dus mag ik hier een opmerking over maken?

De voorzitter:
Ja, meneer Schoonis.

De heer Schoonis (D66):
Dank, collega Jansen. Nu kan ik nog even verduidelijken wat ik daarmee bedoel. Ik bedoel natuurlijk producten die niet aan de kwaliteitseisen voldoen van Nederland en Europa. Daar heb ik het over als ik het heb over "troep", niet over iets wat tegenvalt.

De voorzitter:
We hebben de tweede termijn van de Kamer gehad. Mijn vraag aan de minister is of zij direct kan antwoorden. Of heeft zij korte schorsing nodig?

Minister Herbert:
Ja, als u me toestaat dat ik af en toe even eerst lees, kan ik direct antwoorden. Het lijkt me fijner om gewoon meteen door te gaan. Vindt u dat goed?

De voorzitter:
Dat vind ik goed. Dan gaan we gelijk door met de beantwoording.

Minister Herbert:
Dan doe ik het even in willekeurige volgorde.

Ik begin inderdaad even bij de laatste vraag. De heer Jansen wil graag weten of ik ook weleens troep gekocht heb. Ja, ik heb ook weleens troep gekocht! Ik probeer sindsdien om dat niet nog een keer te doen, dus daar leer je inderdaad van. Ik ga helemaal mee met de aanscherping die de heer Schoonis ook gaf. Ik vind wel, zeker binnen mijn verantwoordelijkheid, dat ik mensen moet beschermen tegen gevaarlijke troep. Daar hebben we onlangs weer dingen over in het nieuws zien verschijnen, over zandbakzand en noem het maar op. Dat moet gewoon niet gebeuren. Daarin voel ik dus wel dat er een rol voor mij is.

Dan is er een heel interessante, filosofische vraag gesteld: wat doe je nou als je moet wachten op iets en je zelf alvast begint, waarna je iets hebt gemaakt dat weer net anders is? Kortom, dit is volgens mij precies het grote spel van op landelijk en Europees niveau naar elkaar toe bewegen. De grote uitdaging is om uiteindelijk bij meer geharmoniseerd beleid uit te komen, omdat bedrijven ook gek worden van allemaal verschillende regelgeving in verschillende landen. Tegelijkertijd kom je soms ook niet verder als dat betekent dat je eeuwig wacht op iets wat je samen gaat doen. Ik vind dit ook een dilemma. De aandacht die mevrouw Bühler daarvoor vraagt, is inderdaad de aandacht die ik er ook aan wil geven. Dat betekent niet dat ik alvast een magische oplossing in mijn hoofd heb voor hoe dat moet, maar mijn antwoord is dat ik daar erg mijn best voor ga doen — voor zover dat een bevredigend antwoord kan zijn.

Ik antwoord een beetje in willekeurige volgorde, uit mijn hoofd. De heer Kisteman vroeg: waar zou dat geld blijven als het niet bij de Nederlandse Douane en toezichthouders terechtkomt? Het antwoord daarop is dat het in Europees verband terechtkomt. Ik ga ervan uit dat er daar dan ook heel goede dingen mee gebeuren voor dit doel. Eerlijk gezegd weet ik niet precies waar dat dan voor is. Ik check even of ik daar een verdere toevoeging op heb. Nee.

De heer Kisteman (VVD):
Dan hoop ik dat de minister daar het antwoord op heeft. In het vorige debat hadden we vaak die discussie. We wilden wel dat die taks dan uiteindelijk bij de Nederlandse Douane terechtkwam, aangezien we daarvoor extra geld nodig hebben. Als ik het goed begrijp, komt nu 25% in Nederland terecht en blijft 75% aan een Europese strijkstok hangen. Is dat dan de afdronk van deze taks? Begrijp ik dat dan goed? Dat is namelijk niet helemaal hoe ik het voor ogen had.

Minister Herbert:
Ik word natuurlijk eerst getriggerd door het woord "strijkstok", want daarmee wordt een suggestie gewekt. Die neutraliseer ik dus even. 25% van de heffingen komt in ieder geval in Nederland terecht. Nu is echt het antwoord dat ik voor de precieze details moet verwijzen naar mijn collega op Financiën. Overigens heeft de heer Kisteman eerder de oproep gedaan dat hij van mij verwacht dat ik een heleboel dingen bij elkaar breng die goed zijn voor het Nederlandse bedrijfsleven. Ja, dat beaam ik, maar voor het technische antwoord hierop wil ik graag verwijzen naar Financiën. Overigens zeg ik dan ook meteen dat u mij altijd dingen mag vragen die uiteindelijk goed bij elkaar moeten komen voor het Nederlandse bedrijfsleven.

De heer Kisteman vroeg ook nog hoe het zit met de €3 bij bulk. Het is precies de bedoeling dat met een heffing op de losse elementen gestimuleerd wordt om meer in bulk te gaan sturen. Dat maakt weer betere controle mogelijk. Het is niet zo dat er dan nog steeds voor alle losse pakjes die in bulk verstuurd worden, €3 gevraagd wordt. Ik check nog eens bij degene rechts van me of ik nu de waarheid spreek. Ja, ik spreek nu de waarheid. Ik kan me voorstellen dat er hierbij in uw hoofd twee dingen met elkaar crashen, want zou je niet moeten proberen om zo veel mogelijk heffing te krijgen? Maar ja, je wil dus ook stimuleren dat er meer in bulk gestuurd wordt. Dat is in ieder geval de afweging die nu gemaakt is. Dit is het feitelijke antwoord.

De heer Frederik Jansen (FVD):
Ik vond de vraag van de heer Kisteman waar dat geld blijft, wel heel terecht. De minister verwees naar de minister van Financiën. Kan dat worden doorgeleid en kunnen we daar dan een schriftelijk antwoord op krijgen?

Minister Herbert:
Ja, dat kan.

De voorzitter:
Meneer Schoonis, had u nog een vraag?

De heer Schoonis (D66):
Ik zal mijn vraag verduidelijken. Ik vroeg me af of u kan toezeggen dat de nieuwe gereedschappen ook gaan gelden in de gereguleerde markten, dus bij de zorg, de telecom en de banken. Kunt u toezeggen dat die niet uitgesloten worden?

Minister Herbert:
Ik weet het weer, inderdaad. Ja, ik kan toezeggen dat dat niet bij voorbaat uitgesloten wordt. Bij het onderzoek wordt juist gekeken hoe je voorkomt dat je te veel regulering op elkaar stapelt. Ik heb daar eerder in een andere context wat over gezegd tegen de heer Prickaertz. Toen ging het over regionale werking. Dat geldt ook hiervoor. Volgens mij zijn we het met elkaar eens. Het moet niet per definitie uitgesloten worden. We moeten hier goed naar kijken. Hier kom ik dus op terug op het moment dat het concreter aan u voorgelegd wordt.

De heer Schoonis (D66):
Ja, maar ik wil juist voorkomen dat het een soort van onderhandeling wordt. Het gaat erom dat daar ook juist die problemen zijn, dat het daarop aangepast moet worden en dat het daar dus niet bij voorbaat weg moet worden gehaald. Nu heb ik toch een beetje het gevoel dat het idee is: er zijn al zo veel regels voor de gereguleerde markt, dus daar doen we het niet meer voor. Maar juist de ACM zegt ook dat het hiervoor nodig is.

Minister Herbert:
Ook hierbij hoop ik weer dat de heer Schoonis en ik het meer met elkaar eens zijn dan misschien lijkt. Het is dus goed dat u mij het laat verduidelijken. Ja, ik ga kijken hoe we het ook op deze sectoren kunnen toepassen. Dat we daarin misschien een andere afweging moeten maken dan voor een aantal andere sectoren, is omdat er al sprake is van gereguleerde markten. Dat is gewoon een gegeven.

De voorzitter:
U kunt verder met de beantwoording van de vragen. Er zijn geen interrupties meer. Of heeft u nog een interruptie, meneer Schoonis? Nee. Dan kunt u verder.

Minister Herbert:
Ik probeer uit mijn hoofd te bedenken wat de vragen waren. Er is nog de lege stoel van de heer Van der Lee, maar die had niet echt een vraag. Hij heeft nog een aantal dingen voor mij benadrukt. Die heb ik goed gehoord. Hij zei bijvoorbeeld dat strategisch inkopen ook een belangrijke werking heeft in het kader van onze nieuwe geopolitieke werkelijkheid of in ieder geval de versterkte geopolitieke werkelijkheid. Dat klopt. Daar hebben we het ook in ons vorige commissiedebat over gehad, toen het over economische veiligheid ging. Daar ben ik mij dus zeer van bewust.

Volgens mij eindig ik dan weer bij de heer Prickaertz. Ik merk hoezeer u geïnteresseerd bent in de precieze invulling van de werking van de New Competition Tool en hoezeer u verlangt dat dat een effectief middel gaat zijn. Daarin willen wij hetzelfde, in ieder geval dat het effectief gaat zijn. Wat betreft de precieze vragen die u daarover nu al aan mij stelt over hoe het precies moet met die drempel, denk ik nou net: laten we dat in samenhang blijven bekijken met het totaal. Maar ik steun de zoektocht naar effectiviteit. Ik kom daar dus zeker op terug. Ik heb beloofd dat ik u daarin verder mee ga nemen.

Dan denk ik dat ik daarmee alle gesteld vragen beantwoord heb.

De voorzitter:
Zijn er nog vragen van de leden van de Kamer?

De heer Schoonis (D66):
Ik wil nog één verduidelijking, maar niet van de minister, maar van mijn collega. De heer Prickaertz vroeg een tweeminutendebat aan. Wat wordt het onderwerp?

De heer Prickaertz (PVV):
Het indienen van moties.

De voorzitter:
Dan dank ik de minister voor haar antwoorden en dank ik de Kamer.

Ik lees nog even de toezeggingen op.

  • Aan de heer Jansen is de toezegging gedaan dat de minister voor het najaar al een kader stuurt over het aankomende wetsvoorstel over de New Competition Tool.

  • De tweede toezegging is gedaan aan mevrouw Bühler. De minister stuurt voor het commissiedebat Innovatie in april een brief over het onderzoek naar staatssteun.

  • Dan kom ik bij de toezegging die is gedaan aan de heer Kisteman. De minister wil een onderzoek starten hoeveel verzekeringen worden afgesloten bij een aankoop.

  • Dan kom ik bij de toezegging die is gedaan aan de heren Jansen en Kisteman. De minister vraagt de bewindspersoon Financiën antwoord te geven op de vragen over de Europese taks op pakjes.

Verder is door de heer Prickaertz een tweeminutendebat aangevraagd. Dan sluit ik bij dezen het commissiedebat. Ik wil wel nog de mensen op de tribune bedanken, ik bedank de minister van Economische Zaken, ik bedank de Kamerleden voor hun komst en ik bedank natuurlijk de mensen die thuis kijken. Fijne avond allemaal.

Sluiting 17.07 uur.

ONGECORRIGEERD STENOGRAM
Verslag CD van 19 maart 2026

Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl