Kabinetsreactie op de initiatiefnota van het lid Ceder “Tegen christenvervolging, voor geloofsvrijheid: richtinggevende voorstellen voor een diplomatiek daadkrachtig buitenlandbeleid” (Kamerstuk 36888)
Brief regering
Nummer: 2026D13831, datum: 2026-03-25, bijgewerkt: 2026-03-25 15:18, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: T.B.W. Berendsen, minister van Buitenlandse Zaken
Onderdeel van zaak 2026Z06092:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Buitenlandse Zaken
Preview document (🔗 origineel)
Geachte voorzitter,
In deze brief reageert het kabinet op de initiatiefnota van het lid Ceder over christenvervolging: “Tegen christenvervolging, voor geloofsvrijheid: richtinggevende voorstellen voor een diplomatiek daadkrachtig buitenlandbeleid”.
Het kabinet waardeert de betrokkenheid van het lid Ceder bij het Nederlandse mensenrechtenbeleid in het algemeen en de vrijheid van religie en levensovertuiging in het bijzonder. De initiatiefnemer vraagt specifiek aandacht voor de vervolging, onderdrukking en discriminatie van christenen wereldwijd en doet voorstellen om christenvervolging tegen te gaan en vrijheid van religie en levensovertuiging te versterken. Het kabinet is daar dankbaar voor.
De bescherming en bevordering van mensenrechten vormt een kernonderdeel van het Nederlandse buitenlandbeleid. Vrijheid van religie en levensovertuiging is sinds 2007 een prioriteit binnen dit beleid. Een recht dat is verankerd in artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en in artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten. Het omvat de vrijheid om een religie of levensovertuiging te hebben of aan te nemen, deze te veranderen, geen religie te belijden en deze individueel of in gemeenschap met anderen, in het openbaar of privé, te uiten.
Het kabinet ziet dat geloofsvervolging in diverse regio’s een ernstige en hardnekkige realiteit vormt. Religieuze minderheden, onder wie christenen, worden in uiteenlopende landen geconfronteerd met discriminatie, geweld, misbruik van wetgeving en beperkingen op religieuze uitingen. Rapportages van diplomatieke posten, internationale organisaties en maatschappelijke netwerken bevestigen dat vrijheid van religie en levensovertuiging wereldwijd onder druk staat. Waar religieuze vrijheid wordt beperkt, is vaak ook sprake van bredere aantasting van rechtsstatelijke beginselen en andere fundamentele vrijheden.
De inzet van het kabinet richt zich op de bescherming van dit recht voor ieder individu, ongeacht religie of levensovertuiging. Mensenrechten zijn universeel en ondeelbaar. Tegelijkertijd is het duidelijk dat christenen in veel landen in absolute aantallen tot de grootste vervolgde religieuze groepen behoren. Onder andere de jaarlijkse rapportage van Open Doors over christenvervolging vraagt daar terecht aandacht voor. Voor dit kabinet verdienen specifieke vormen van christenvervolging daarom gerichte aandacht binnen de bredere inzet op vrijheid van religie en levensovertuiging.1
De Nederlandse inzet kent daarbij meerdere dimensies: diplomatieke agendering over vrijheid van religie en levensovertuiging in bilaterale contacten, multilaterale samenwerking binnen de Europese Unie en de Verenigde Naties, versterking van religieuze geletterdheid binnen de diplomatieke dienst en ondersteuning van maatschappelijke initiatieven via gerichte programmatische instrumenten. Daarbij wordt steeds gezocht naar een effectieve combinatie van politieke dialoog, normatieve inzet en concrete ondersteuning van lokale actoren. Aandacht voor het tegengaan van christenvervolging maakt daar, waar relevant, onderdeel van uit.
Tegelijkertijd geldt, net als bij andere mensenrechtenprioriteiten binnen het Nederlandse buitenlandbeleid, dat de inzet momenteel plaatsvindt binnen beperkte personele en financiële kaders. Dit noodzaakt tot scherpe keuzes in waar en hoe Nederland zich inzet. Dat betekent dat posten en het departement voortdurend afwegen waar diplomatieke inzet, programmering en multilaterale samenwerking het meeste effect kunnen hebben.
In de praktijk is inzet op vrijheid van religie en levensovertuiging vaak sterk contextafhankelijk en kan deze in sommige situaties complexer vorm te geven zijn dan andere mensenrechtenprioriteiten. Denk bijvoorbeeld aan situaties waarin blasfemiewetgeving wordt toegepast tegen religieuze minderheden, waarbij internationale druk zorgvuldig moet worden afgewogen om negatieve repercussies voor betrokken gemeenschappen te voorkomen. Ook kunnen soms spanningsvelden ontstaan met andere fundamentele rechten, zoals vrijheid van meningsuiting of gendergelijkheid. Denk daarbij aan situaties waarin religieuze overtuigingen worden aangevoerd ter rechtvaardiging van beperkingen op de rechten van vrouwen of lhbtiq+-personen. Het kabinet blijft zich daarom inzetten voor een benadering waarin mensenrechten in onderlinge samenhang worden bevorderd en waarin bescherming van een bepaald recht niet ten koste gaat van andere fundamentele vrijheden. In de context van christenvervolging zal het kabinet ook altijd sterk meewegen hoe Nederlandse steun het beste de rechten en positie van christenen beschermt, zonder dat hun positie onverhoopt verder onder druk komt te staan. In de praktijk betekent dat een mix van maatregelen voor en achter de schermen, zowel diplomatiek als financieel.
Tegen deze achtergrond gaat het kabinet hieronder in op de specifieke voorstellen die in de initiatiefnota zijn aangedragen.
Investeer in religieuze geletterdheid en in structurele contacten met religieuze actoren
De initiatiefnemer verzoekt het kabinet te investeren in religieuze geletterdheid en in structurele contacten met religieuze actoren om geloofsvervolging, waaronder christenvervolging, effectiever tegen te gaan. Het kabinet onderschrijft het belang van deze inzet en beschouwt religieuze geletterdheid zondermeer als een voorwaarde voor effectief mensenrechtenbeleid en diplomatie.
Religie is in veel landen diep verweven met maatschappelijke en politieke structuren. Begrip van religieuze dynamieken is essentieel voor conflictpreventie, het bevorderen van sociale cohesie en het beschermen van religieuze minderheden. Binnen het ministerie van Buitenlandse Zaken wordt reeds structureel geïnvesteerd in religie-sensitief werken. Diplomaten volgen acculturatiecursussen voorafgaand aan uitzending, waarin religieuze en culturele contexten integraal onderdeel vormen van landen- en conflictanalyses. Daarnaast biedt de Academie voor Internationale Betrekkingen een structureel cursusaanbod waarin mensenrechten, fragiliteit en de rol van religie in internationale betrekkingen aan bod komen. Vrijheid van religie en levensovertuiging is tevens vast onderdeel van de jaarlijkse mensenrechtencursus en van het opleidingstraject voor startende beleidsmedewerkers (IBBZ). In lijn met de aangenomen motie-Ceder (Kamerstuk 36 800 XVII, nr. 49) wordt binnen de begrotingskaders verkend hoe blijvend kan worden geïnvesteerd in deskundigheid, capaciteit en netwerken ter bevordering van religieuze geletterdheid.
Ten aanzien van structurele contacten met religieuze actoren deelt het kabinet de opvatting dat lokale religieuze leiders, kerken en andere faith-based organisaties een belangrijke rol kunnen spelen bij het bevorderen van dialoog, verzoening en maatschappelijke weerbaarheid. Ambassades worden aangemoedigd hun netwerken met religieuze actoren te verdiepen en religieuze dynamieken structureel te betrekken in politieke rapportages en landenstrategieën. Daarbij wordt nadrukkelijk ingezet op inclusiviteit, zodat ook religieuze minderheden, vrouwenorganisaties en jongerenvertegenwoordigers worden betrokken. In landen waar christenvervolging of andere vormen van geloofsvervolging aantoonbaar ernstig zijn, wordt dit onderwerp actief geagendeerd in bilaterale contacten.
Deze diplomatieke inzet wordt aanvullend ondersteund via het subsidieprogramma FOCUS (Focus on Freedom). Binnen dit programma is voor de periode 2026–2031 EUR 35 miljoen gereserveerd voor activiteiten gericht op vrijheid van religie en levensovertuiging. Met deze middelen worden maatschappelijke organisaties ondersteund die zich inzetten voor de bescherming van religieuze minderheden, het bevorderen van interreligieuze dialoog, het versterken van maatschappelijke weerbaarheid tegen discriminatie en uitsluiting en het bevorderen van inclusieve en vreedzame samenlevingen. Hiermee wordt de diplomatieke inzet van ambassades verbonden aan concrete maatschappelijke programma’s die lokale religieuze actoren in staat stellen een constructieve rol te spelen bij conflictpreventie en verzoening.
Ten aanzien van de versterking van de positie van de Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging verwijst het kabinet naar de aangenomen motie-Ceder c.s. (Kamerstuk 36 800 V, nr. 76). Religieuze geletterdheid en het bevorderen van vrijheid van religie en levensovertuiging maken nadrukkelijk onderdeel uit van diens portefeuille. Conform genoemde motie wordt momenteel verkend hoe binnen de bestaande begrotingskaders jaarlijks structureel de benodigde middelen vrij kunnen worden gemaakt voor de Speciaal Gezant voor Vrijheid van Religie en Levensovertuiging om deze daarmee een structurele positie te geven binnen het buitenlandbeleid van de Nederlandse overheid.
Versterk online weerbaarheid tegen religieus gemotiveerde haat en vervolging
De initiatiefnemer verzoekt het kabinet aandacht te besteden aan de rol van online platforms bij het aanwakkeren van religieus gemotiveerde haat, desinformatie en oproepen tot geweld, en te investeren in de online weerbaarheid van religieuze minderheden.
Het kabinet onderschrijft dat de online wereld in toenemende mate een belangrijke rol speelt bij polarisatie, haatzaaiing en het verspreiden van desinformatie (inclusief over religieuze minderheden). Online uitingen kunnen bijdragen aan stigmatisering, maatschappelijke uitsluiting en kunnen leiden tot fysiek geweld. Het versterken van online weerbaarheid en het adresseren van schadelijke online content is daarom een integraal onderdeel van de bredere mensenrechteninzet, inclusief de inzet op vrijheid van religie en levensovertuiging en de bescherming van religieuze minderheden.
Nederland zet zich internationaal in voor het versterken van informatie-integriteit online en het tegengaan van online haatspraak en opruiing. Hierbij wordt consequent het belang benadrukt van de naleving van internationale mensenrechtenstandaarden, waaronder de bescherming van vrijheid van meningsuiting en vrijheid van religie. De aanpak van ongewenste inhoud online mag niet als voorwendsel dienen om online vrijheden (in het bijzonder de vrijheid van meningsuiting) in te perken.
Internationaal wordt via programmatische inzet steun verleend aan maatschappelijke organisaties die werken aan digitale weerbaarheid, mediawijsheid en het tegengaan van online haatcampagnes, waaronder tegen religieuze minderheden. In landen waar online desinformatie of haatcampagnes bijdragen aan spanningen tussen religieuze groepen, kunnen ambassades via het Mensenrechtenfonds (MRF) lokale initiatieven ondersteunen die gericht zijn op het versterken van digitale vaardigheden, het bevorderen van verantwoord online gedrag en het beschermen van mensenrechtenverdedigers.
Programmatische inzet ter bevordering van digitale weerbaarheid is complementair aan diplomatieke inzet in contacten met partnerlanden. Nederland benadrukt dat regelgeving niet mag worden misbruikt om vreedzame religieuze uitingen te beperken en ook maatregelen tegen online haat niet mogen leiden tot disproportionele beperkingen van fundamentele vrijheden. Deze inzet is nauw verweven met de inzet van het kabinet ter bevordering van vrijheid van meningsuiting en persvrijheid online. De inzet ter versterking van online weerbaarheid enerzijds en ter bescherming van uitingen van vrijheid van religie en levensovertuiging online anderzijds vormen daarmee een geïntegreerd onderdeel van het bredere mensenrechtenbeleid, waarin bescherming van religieuze minderheden, bestrijding van haatzaaiing en bescherming van fundamentele vrijheden in samenhang worden benaderd.
Investeer in interreligieuze dialoog
De initiatiefnemer verzoekt het kabinet te investeren in interreligieuze dialoog als middel om spanningen tussen religieuze gemeenschappen te verminderen en geloofsvervolging tegen te gaan.
Het kabinet onderschrijft het belang van interreligieuze dialoog als instrument voor conflictpreventie, sociale cohesie en duurzame vrede. In veel landen waar religieuze minderheden onder druk staan, zijn religieuze spanningen verweven met politieke, etnische en sociaaleconomische factoren. Het bevorderen van dialoog tussen religieuze gemeenschappen draagt bij aan het verminderen van polarisatie, het versterken van wederzijds begrip en het vergroten van maatschappelijke weerbaarheid tegen extremisme en geweld.
In de periode 2021–2025 heeft Nederland via het programma Joint Initiative for Strategic Religious Action (JISRA) EUR 37 miljoen geïnvesteerd in interreligieuze samenwerking in zeven landen: Ethiopië, Indonesië, Irak, Kenia, Mali, Nigeria en Oeganda. Binnen dit strategisch partnerschap werkten Nederlandse en internationale maatschappelijke organisaties samen met lokale religieuze actoren aan het bevorderen van vreedzame en inclusieve samenlevingen waarin vrijheid van religie en levensovertuiging wordt gerespecteerd. De inzet richtte zich onder meer op capaciteitsversterking van religieuze leiders, het ondersteunen van lokale dialoogstructuren, het tegengaan van haatzaaiing en het bevorderen van participatie van vrouwen en jongeren binnen religieuze gemeenschappen.
De ervaringen uit JISRA hebben laten zien dat duurzame vooruitgang vraagt om langdurige betrokkenheid, lokale verankering en samenwerking tussen religieuze en seculiere actoren. Mede op basis van deze ervaringen wordt de inzet op vrijheid van religie en levensovertuiging, waaronder interreligieuze dialoog, voortgezet binnen het nieuwe FOCUS-programma (2026–2031). Binnen dit beleidskader is EUR 35 miljoen gereserveerd voor activiteiten gericht op vrijheid van religie en levensovertuiging en de bescherming van religieuze minderheden.
Daarnaast zetten ambassades in landen waar religieuze spanningen bijdragen aan instabiliteit actief in op het bevorderen van interreligieuze dialoog. Zij doen dit zowel via diplomatieke contacten als via ondersteuning van lokale initiatieven. Daarbij wordt gebruikgemaakt van het decentrale Mensenrechtenfonds (MRF), waarmee posten context specifieke projecten kunnen ondersteunen die gericht zijn op versterking van religieuze tolerantie, samenwerking tussen geloofsgemeenschappen en bescherming van kwetsbare minderheden. Het MRF stelt ambassades in staat om flexibel en doelgericht in te spelen op lokale behoeften en kansen voor dialoog en verzoening.
Ook in multilateraal verband ondersteunt Nederland initiatieven die gericht zijn op het bevorderen van tolerantie, wederzijds begrip en samenwerking tussen religies en levensovertuigingen. In dat kader blijft Nederland zich ook inzetten binnen het zogenoemde Istanbul Proces, dat voortvloeit uit de VN Mensenrechtenraadresolutie 16/18 en gericht is op het tegengaan van religieuze intolerantie en discriminatie. Nederland heeft in het verleden een internationale bijeenkomst in dit kader georganiseerd en zet zich in om via dit proces interreligieuze dialoog en samenwerking tussen landen met verschillende religieuze tradities te versterken. Daarbij zoekt Nederland nadrukkelijk de verbinding met landen en partners over religieuze lijnen heen. Het bevorderen van vrijheid van religie en levensovertuiging vraagt om samenwerking tussen staten, religieuze leiders en maatschappelijke organisaties uit verschillende religieuze en levensbeschouwelijke tradities.
Werk aan perspectief voor vervolgde religieuze minderheden
De initiatiefnemer verzoekt het kabinet niet alleen aandacht te hebben voor acute vervolging, maar ook te werken aan duurzaam perspectief voor religieuze minderheden die onder druk staan, zodat zij veilig en met gelijke rechten in hun land kunnen blijven wonen of, waar van toepassing, kunnen terugkeren.
Ook het kabinet is van mening dat bescherming tegen vervolging alleen duurzaam effect heeft wanneer ook wordt gewerkt aan toekomstperspectief. Voor veel religieuze minderheden, waaronder christelijke gemeenschappen, geldt dat langdurige onzekerheid, gebrek aan rechtsbescherming en beperkte toegang tot basisvoorzieningen leiden tot vertrek of blijvende marginalisering en instabiliteit. Het bevorderen van perspectief betekent daarom inzet op bescherming van burgers, een mensgerichte rechtsorde, gelijke burgerrechten, sociaaleconomische participatie en inclusief bestuur, en veilige leefomstandigheden.
Het kabinet benadrukt dat perspectief in de eerste plaats ligt in het versterken van omstandigheden waarin mensen veilig in hun eigen land kunnen leven, met gelijke rechten en bescherming onder de wet. Diplomatieke inzet richt zich daarom niet uitsluitend op het adresseren van individuele incidenten, maar ook op structurele verbetering van de positie van religieuze minderheden binnen de samenleving als geheel.
In landen waar religieuze gemeenschappen door conflict of extremistisch geweld zijn getroffen, wordt in gesprekken over stabilisatie en wederopbouw benadrukt dat inclusiviteit en gelijke rechten voor alle religieuze groepen randvoorwaarden zijn voor duurzame vrede. In Irak wordt bijvoorbeeld aandacht besteed aan veilige terugkeer, psychosociale hulp, sociale cohesie en registratie van landrechten van intern ontheemden, waaronder Jezidi’s. Ten aanzien van Syrië wordt in alle gesprekken met de overgangsautoriteiten het belang benadrukt van de borging van de rechten en veiligheid van álle Syrische gemeenschappen en de cruciale rol die dit speelt voor het bereiken van duurzame vrede en stabiliteit.
Daarnaast wordt via de OS-inzet vanuit het veiligheid en stabiliteitsbelang, ondersteuning geboden aan maatschappelijke organisaties die werken aan de versterking van rechtsorde, rechtsbescherming en versterking van politiek-bestuurlijke vertegenwoordiging van alle burgers, inclusief minderheden. Ook via het FOCUS-programma (2026–2031) wordt bijgedragen aan het versterken van de positie van religieuze minderheden en het bevorderen van inclusieve samenlevingen waarin vrijheid van religie en levensovertuiging daadwerkelijk wordt gewaarborgd.
Betrek diasporagemeenschappen bij de inzet tegen geloofsvervolging
De initiatiefnemer verzoekt het kabinet om diasporagemeenschappen in Nederland nadrukkelijker te betrekken bij de inzet tegen geloofsvervolging en bij de bevordering van vrijheid van religie en levensovertuiging.
Het kabinet onderschrijft dat diasporagemeenschappen een waardevolle bron van kennis, ervaring en netwerken vormen. Leden van diaspora beschikken vaak over diepgaand inzicht in de maatschappelijke en religieuze dynamiek van hun landen van herkomst en onderhouden contacten met lokale gemeenschappen. Deze betrokkenheid kan bijdragen aan beter geïnformeerde beleidsvorming en aan effectievere diplomatieke inzet.
In de praktijk vindt ook contact plaats met vertegenwoordigers van diasporagemeenschappen in Nederland, onder meer via gesprekken met maatschappelijke organisaties, kerken en andere religieuze netwerken. De Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging en de Mensenrechtenambassadeur spelen daarin een belangrijke rol. Deze gesprekken dragen bij aan het signaleren van ontwikkelingen, het duiden van lokale contexten en het verkrijgen van aanvullende informatie over de positie van religieuze minderheden in specifieke landen. Maatschappelijke organisaties en andere partners, zoals faith-based organisaties, worden daarbij aangemoedigd om diasporagemeenschappen waar relevant te betrekken bij hun programmering. Hierbij wordt zorgvuldig omgegaan met veiligheids- en vertrouwelijkheidsaspecten, mede gezien de mogelijke risico’s voor familieleden of contacten in het land van herkomst.
Structurele aandacht voor geloofsvervolgingen in diplomatie met consequenties
De initiatiefnemer verzoekt het kabinet te zorgen voor structurele aandacht voor geloofsvervolgingen, waaronder christenvervolging, binnen het Nederlandse buitenlandbeleid, en deze aandacht niet vrijblijvend te laten zijn.
Het kabinet is het ermee eens dat geloofsvervolging in diverse regio’s een ernstige en hardnekkige realiteit vormt. Religieuze minderheden, onder wie christenen, worden in uiteenlopende landen geconfronteerd met discriminatie, geweld, juridische beperkingen en maatschappelijke uitsluiting. Structurele aandacht betekent dat dergelijke signalen niet incidenteel worden opgepakt, maar systematisch worden betrokken bij diplomatieke inzet, politieke consultaties en multilaterale agendering.
In lijn met de aangenomen SGP-motie (Kamerstuk 36 600-V, nr. 45) is bij buitenlandse werkbezoeken in landen waar christenvervolging voorkomt nadrukkelijker aandacht besteed aan ontmoetingen met christelijke gemeenschappen en kerkleiders. Werkbezoeken door bewindspersonen, de Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging, de Mensenrechtenambassadeur en ambassades, onder meer in Nigeria, Pakistan, China en Syrië, hebben bijgedragen aan beter inzicht in lokale dynamiek en concrete knelpunten. Deze inzichten worden benut bij bilaterale contacten, bij de Nederlandse inzet in EU- en VN-verband en bij de programmering van mensenrechteninstrumenten. Over de uitvoering van deze motie wordt ook gerapporteerd in de jaarlijkse Mensenrechtenrapportage, die in het tweede kwartaal aan de Kamer gestuurd wordt.
In specifieke landencontexten krijgt deze inzet nadere invulling.2 In China worden zorgen over de positie van religieuze minderheden, waaronder christenen, zowel bilateraal als via gezamenlijke EU-verklaringen geadresseerd. In Algerije onderhoudt de Nederlandse ambassade contact met religieuze vertegenwoordigers en autoriteiten over onder meer de positie van christenen. In Indonesië worden ontwikkelingen rondom religieuze bijeenkomsten gevolgd en is er een goede samenwerking op het thema vrijheid van religie en geloof. In fragiele regio’s zoals delen van Oost-Congo wordt bescherming van religieuze gemeenschappen betrokken bij bredere gesprekken over veiligheid en stabilisatie. In de Israëlische en Palestijnse context spreekt Nederland zich uit tegen de toenemende druk op christelijke en islamitische gemeenschappen en steunt verschillende projecten gericht op de bevordering van vrijheid van religie.
Ook in Nigeria wordt in gesprekken met autoriteiten aandacht gevraagd voor het tegengaan van geweld en het waarborgen van bescherming van alle religieuze gemeenschappen. Tijdens de 57e zitting van de Mensenrechtenraad (september 2024) heeft Nederland Nigeria, conform motie 32 735 nr. 397, opgeroepen om religieuze gemeenschappen beter te beschermen. Daarnaast riep Nederland tijdens de UPR van Nigeria in 2024 op tot versterkte bescherming van burgers en het vergroten van accountability. Nederland blijft zich actief inzetten om aandacht te vragen voor religieus geweld en roept de VN-Speciaal Rapporteur voor vrijheid van religie of overtuiging (FoRB), Nazila Ghanea, op om de situatie te blijven monitoren.3 In Pakistan worden zorgen over de positie van religieuze minderheden en de toepassing van religie gerelateerde wetgeving in bilaterale en EU-kaders besproken. Tijdens recent bezoek van de Mensenrechtenambassadeur aan Pakistan (7-10 februari jl.) zijn deze zorgen specifiek opgebracht. In Syrië wordt in gesprekken over stabilisatie en wederopbouw benadrukt dat inclusiviteit en bescherming van religieuze gemeenschappen randvoorwaarden zijn voor duurzame vrede. In Irak wordt in contacten met de centrale autoriteiten en de Koerdische regionale autoriteiten aandacht besteed aan de positie van religieuze minderheden, waaronder Jezidi’s en christelijke gemeenschappen zoals de Aramese (Syrisch-christelijke) bevolking, met nadruk op gelijke rechten en terugkeer voor Jezidi’s. In lijn met de aangenomen motie 36 800 nr. 854 van kamerlid Stoffer blijft het kabinet zich, ook binnen een bredere strategische relatie met India, inzetten voor godsdienstvrijheid onder meer door het actief agenderen van dit onderwerp in de brede EU-India Mensenrechtendialoog. Hiermee komt het kabinet tegemoet aan de uitvoering van deze motie.
Naast deze bilaterale inzet werkt Nederland samen met gelijkgezinde landen in internationale coalities, waaronder de International Religious Freedom or Belief Alliance (IRFBA) om zorgelijke situaties gezamenlijk te agenderen en diplomatieke stappen te coördineren. Nederland blijft zich, samen met gelijkgezinde EU-lidstaten, actief inzetten voor een spoedige benoeming van een nieuwe EU-gezant voor godsdienstvrijheid via diplomatieke contacten in Brussel en door het belang van deze functie in relevante EU-fora te benadrukken. Het kabinet acht een nieuwe EU-gezant van groot belang voor een consistente, zichtbare en effectieve EU-inzet op het terrein van vrijheid van religie en levensovertuiging.5
De aandacht voor geloofsvervolging en de vrijheid van religie en levensovertuiging vormt zo een structureel terugkerend element in gesprekken met landen waar religieuze minderheden onder druk staan. Signalen die worden opgehaald via werkbezoeken, ambassades en maatschappelijke contacten worden systematisch betrokken bij politieke consultaties, mensenrechtendialogen en multilaterale inzet. Bevindingen werken door in de Nederlandse inzet in EU- en VN-verband, bij stemgedrag over resoluties en bij de prioritering binnen landenstrategieën.
Wanneer sprake is van ernstige of verslechterende situaties kan dit leiden tot intensivering van diplomatieke inzet, gezamenlijke stappen in EU- of IRFBA-verband of nadrukkelijkere politieke agendering in multilaterale fora. Daarmee is de inzet onderdeel van een bredere mensenrechtendialoog waarin vrijheid van religie en levensovertuiging als prioriteit is verankerd.
Structurele monitoring en rapportage inzake christenvervolging
De initiatiefnemer verzoekt het kabinet te voorzien in structurele monitoring en rapportage over christenvervolging en de bredere vrijheid van religie en levensovertuiging, zodat ontwikkelingen zorgvuldig worden gevolgd en beleidsinzet gericht kan worden vormgegeven.
Het kabinet onderschrijft het belang van consistente en zorgvuldige monitoring van schendingen van de vrijheid van religie en levensovertuiging. Inzicht in trends, patronen en contextuele factoren is van wezenlijk belang voor effectieve diplomatieke inzet, gerichte programmering en tijdige agendering in bilaterale en multilaterale fora.
Het kabinet wijst erop dat reeds op structurele wijze wordt gerapporteerd over de wereldwijde mensenrechtensituatie, waaronder vrijheid van religie en levensovertuiging, via de jaarlijkse Mensenrechtenrapportage aan de Tweede Kamer. In deze rapportage wordt ingegaan op mondiale ontwikkelingen, prioritaire landen en de Nederlandse inzet in bilaterale contacten, de Europese Unie en multilaterale instellingen zoals de VN-Mensenrechtenraad. Vrijheid van religie en levensovertuiging vormt daarin een vast onderdeel.
Daarnaast wordt gebruikgemaakt van diplomatieke rapportages van ambassades en politieke analyses van posten. Binnen de Europese Unie delen lidstaten structureel informatie over mensenrechtensituaties, waaronder de positie van religieuze minderheden. Ook rapportages van individuele EU-lidstaten en andere nationale overheden worden betrokken bij beleidsanalyse en gezamenlijke inzet. Voorts betrekt het kabinet informatie van VN-mechanismen, waaronder de Speciaal Rapporteur voor vrijheid van religie of levensovertuiging en het Universal Periodic Review-mechanisme, evenals rapportages van maatschappelijke organisaties, religieuze netwerken en academische instellingen. Deze bronnen bieden gezamenlijk een breed en diepgaand beeld van ontwikkelingen op landenniveau.
Gelet op deze reeds bestaande internationale en maatschappelijke monitoringsstructuren ziet het kabinet geen meerwaarde in het opzetten van een afzonderlijk nationaal monitoringsinstrument bovenop de reeds bestaande rapportages, ook gelet op de kosten die het met zich zou meebrengen in tijden van budgettaire krapte. Het kabinet zal blijven bezien hoe beschikbare informatie zo effectief mogelijk kan worden benut en geïntegreerd in beleidsvorming en diplomatieke inzet, en hoe relevante bevindingen helder kunnen worden meegenomen in de jaarlijkse mensenrechtenrapportage en andere reguliere Kamerbrieven. Tegelijkertijd begrijpt het kabinet de wens om de inhoudelijke dialoog over vrijheid van religie en levensovertuiging verder te verdiepen. In dat licht kan worden verkend of een periodiek overleg tussen de Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging en de Tweede Kamer, bijvoorbeeld op jaarlijkse basis, toegevoegde waarde kan hebben.
De minister van Buitenlandse Zaken,
T.B.W. Berendsen
Motie 36 600, nr. 22↩︎
Motie 36 800, nr. 56↩︎
Motie 32 735, nr. 397↩︎
Motie 36 800-V, nr. 85↩︎
Motie 36 476, nr. 7↩︎