Antwoord op vragen van het lid Claassen over politieke beïnvloeding en eenzijdige ideologische sturing in het voortgezet onderwijs
Antwoord schriftelijke vragen
Nummer: 2026D13906, datum: 2026-03-25, bijgewerkt: 2026-03-25 17:48, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Ooit VVD kamerlid)
Onderdeel van zaak 2026Z03716:
- Gericht aan: J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG |
|---|
| Datum | 25 maart 2026 |
|---|---|
| Betreft | Antwoord op schriftelijke vragen over politieke beïnvloeding en eenzijdige ideologische sturing in het voortgezet onderwijs |
Onderwijspersoneel en Primair Onderwijs Rijnstraat 50 Den Haag Postbus 16375 2500 BJ Den Haag www.rijksoverheid.nl Contactpersoon |
Onze referentie 62405258 |
Uw brief 25 februari 2026 |
Uw referentie |
Hierbij stuur ik u de antwoorden op de vragen van het lid Claassen (Groep Markuszower) over politieke beïnvloeding en eenzijdige ideologische sturing in het voortgezet onderwijs.
De vragen werden ingezonden op 25 februari 2026 met kenmerk 2026Z03716.
Hoogachtend,
de staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie,
Judith Zs.C.M. Tielen
De antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Claassen (Groep Markuszower) over politieke beïnvloeding en eenzijdige ideologische sturing in het voortgezet onderwijs met kenmerk 2026Z03716, ingezonden op 25 februari 2026.
Bent u bekend met de via LinkedIn verspreide oproep “Docenten: Vertel Palestijnse Verhalen!”, waarin wordt gesteld dat sprake zou zijn van een “koloniale politiek van vernietiging en plundering” door Israël en waarin docenten in het voortgezet onderwijs worden opgeroepen hun curriculum aan te passen op basis van het boek “Teaching Palestine: Lessons, Stories, Voices” (2025)? [1]
Ja, daar ben ik mee bekend.
Deelt u de opvatting dat het gebruik van expliciet normatieve en politiek geladen kwalificaties in onderwijsbijeenkomsten, georganiseerd voor docenten in het voortgezet onderwijs, spanning kan opleveren met eisen aan pluriformiteit, academische zorgvuldigheid en politieke neutraliteit in het funderend onderwijs?
Ik deel deze opvatting niet. De wettelijke burgerschapsopdracht vraagt van scholen dat ze kennis en respect bijbrengen van en voor verschillen, bijvoorbeeld in levensovertuiging en politieke gezindheid. Daarbij past het om leerlingen over verschillende perspectieven te onderwijzen.
Dat soort perspectieven kunnen een zekere normatieve of politieke geladenheid met zich meebrengen. Dat brengt voor scholen de extra verantwoordelijkheid met zich mee om evenwicht aan te brengen in de verschillende en soms tegengestelde perspectieven. Bovendien is het ook een verantwoordelijkheid van het onderwijs om scholieren en studenten te stimuleren om zelf kritisch na te denken over de eigen perspectieven.. Ik vertrouw erop dat scholen deze verantwoordelijkheid serieus nemen en op een professionele manier omgaan met de ruimte die ze daarbij hebben.
Kunt u aangeven in hoeverre dergelijke bijeenkomsten, georganiseerd aan de Universiteit Leiden, passen binnen de wettelijke kaders voor burgerschapsonderwijs?
De wettelijke burgerschapsopdracht ziet toe op het onderwijs dat op scholen in het primair en voortgezet onderwijs gegeven wordt. Universiteitsbijeenkomsten vallen buiten de reikwijdte van de wettelijke burgerschapsopdracht.
Hoe beoordeelt u het feit dat een betrokkene bij deze activiteiten tevens functies vervult binnen de lerarenopleiding (ICLON/Universiteit Leiden), binnen ProDemos en binnen de sectie maatschappijkunde en maatschappijwetenschappen bij SLO?
In algemene zin vind ik het getuigen van actieve participatie als een betrokken docent meerdere rollen binnen en flankerend aan het onderwijs vervult.Acht u het wenselijk dat één persoon vanuit meerdere institutionele posities invloed kan uitoefenen op curriculumontwikkeling, docentprofessionalisering en burgerschapsvorming, in het bijzonder rond een gevoelig thema, dat forse invloed heeft op de lespraktijk?
Zo lang personen blijven binnen de relevante wettelijke kaders, bijvoorbeeld ten aanzien van het burgerschapsonderwijs, zie ik geen bezwaren tegen betrokkenheid bij zowel curriculumontwikkeling, als docentprofessionalisering en burgerschapsonderwijs. Het proces bij zowel curriculumontwikkeling, docentprofessionalisering als burgerschapsonderwijs is gedegen ingericht en kent voldoende waarborgen om te voorkomen dat een enkel dominant is.Welke waarborgen bestaan er om belangenverstrengeling, netwerkcorruptie of eenzijdige ideologische beïnvloeding bij curriculumontwikkeling en docentprofessionalisering te voorkomen, met name wanneer het gaat om gevoelige internationale conflicten?
Bij de actualisatie van het curriculum wordt altijd een zorgvuldig proces doorlopen waarbij veel leraren, vakexperts, scholen en schoolleiders betrokken zijn. De recent ontwikkelde conceptkerndoelen zijn door leraren en lerarenteams door heel Nederland van feedback voorzien. Het ontwikkelteam heeft de feedback gewogen en verwerkt in de opgeleverde kerndoelen. Dat maakt dat er nu een gebalanceerd en weloverwogen curriculum ligt dat op breed draagvlak kan rekenen en dat niet eenzijdig ideologisch beïnvloed is.
Lerarenopleidingen bepalen de inhoud van hun onderwijsaanbod op basis van de landelijke kennisbases die hogescholen gezamenlijk met elkaar hebben geformuleerd. Bij de formulering van deze kennisbases worden ook diverse experts en onderwijsprofessionals geraadpleegd.
In hoeverre worden binnen door OCW gefinancierde of erkende instellingen richtlijnen gehanteerd om te voorkomen dat eenzijdige politieke framing van internationale conflicten structureel wordt geïntegreerd in lesmateriaal en/of docententrainingen? Bent u bereid richtlijnen waar nodig te ontwikkelen of te verscherpen?
Scholen zijn vrij om (internationale) conflicten in het onderwijs te benaderen op een manier die zij passend achten, mits binnen de kaders van bijvoorbeeld de wettelijke burgerschapsopdracht. Zo mag het onderwijs niet in strijd zijn met de basiswaarden van de democratische rechtstaat en moet scholen kennis over en respect voor verschillen in politieke gezindheid bijbrengen onder leerlingen. Deze vrijheid brengt een grote verantwoordelijkheid met zich mee. Ik vertrouw erop dat scholen hier op een professionele mee omgaan en dat zie ik ook in de praktijk. Er is geen noodzaak om hiervoor nadere richtlijnen te ontwikkelen.Acht u het risico reëel dat door systematische inbedding van één conflictframe met betrekking tot ‘Palestina’ en Israël in curricula en nascholingstrajecten een klimaat ontstaat waarin antisemitisme of vijanddenken jegens Joden (indirect) wordt genormaliseerd en op welke wijze monitort u dit risico?
De wettelijke burgerschapsopdracht draagt scholen op om zorg te dragen voor een schoolcultuur waarin alle leerlingen zich veilig voelen. Dit geldt voor alle scholen en leerlingen, ook Joodse. De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) ziet hierop toe.
Bent u bereid te onderzoeken in hoeverre binnen lerarenopleidingen, curriculumcommissies en gesubsidieerde instellingen sprake is van eenzijdige ideologische sturing rond het Israëlisch-Palestijns conflict en de Kamer hierover te informeren?
Zowel lerarenopleidingen als curriculumcommissies staan bij de ontwikkeling van nieuw curriculum in nauw contact met diverse experts en onderwijsprofessionals. Daarbovenop houdt de inspectie toezicht op de kwaliteit van het onderwijs en op de naleving van wettelijke kaders, in het geval van lerarenopleiding in samenwerking met de aangewezen accreditatieorganisatie. Zo zijn er voldoende checks and balances ingebouwd om eenzijdige ideologische sturing te voorkomen. Er is op dit moment geen noodzaak om daar aanvullend onderzoek naar te doen.Kunt u toezeggen dat bij de ontwikkeling van burgerschaps- en maatschappijleerprogramma’s expliciet wordt gewaarborgd dat geopolitieke thema’s feitelijk en historisch worden onderbouwd én binnen het kader van de democratische rechtsstaat worden behandeld?
Burgerschaps- en maatschappijleerprogramma’s worden ontwikkeld op basis van de kerndoelen en examenprogramma’s. Deze kerndoelen en examenprogramma’s worden door de overheid vastgesteld. Daarin staat wat leerlingen moeten weten, kunnen of hebben ervaren. De manier waarop een school de inhoud van de kerndoelen en examenprogramma’s aanleert aan de leerlingen en welke leermiddelen of lesmethodes zij daarbij gebruiken, is aan de school. OCW ondersteunt hen bij het maken van goed onderbouwde keuzes met een kwaliteitskader voor leermiddelen. Scholen kunnen naar verwachting vanaf volgend schooljaar gebruik gaan maken van dit kader. Scholen en leermiddelenmakers werken kennisgedreven aan geopolitieke thema’s en houden rekening met de kaders die de democratische rechtsstaat stelt.
[1] LinkedIn (https://www.linkedin.com/posts/arthur-pormes-88135365_teachers-tell-palestinian-stories-the-activity-7425822223652786177-XBjZ?utm_medium=ios_app&rcm=ACoAADHdNqMB8byQoIglBMcOzsdANhojMfjpjWM&utm_source=social_share_send&utm_campaign=copy_link)