Antwoord op vragen van het lid Claassen over het bericht dat aan het begin van het studiejaar 2024-2025 de totale schuld in Nederland 29 miljard euro bedroeg
Antwoord schriftelijke vragen
Nummer: 2026D13911, datum: 2026-03-25, bijgewerkt: 2026-03-25 18:48, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Onderdeel van zaak 2026Z03091:
- Gericht aan: G. Moes, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG |
|---|
| Datum | 25 maart 2026 |
|---|---|
| Betreft | Antwoord op schriftelijke vragen van het lid Claassen (groep Markuszower) over het bericht dat aan het begin van het studiejaar 2024-2025 de totale schuld in Nederland 29 miljard euro bedroeg |
Hoger Onderwijs en Studiefinanciering Rijnstraat 50 Den Haag Postbus 16375 2500 BJ Den Haag www.rijksoverheid.nl Contactpersoon |
Onze referentie 62583598 |
| Bijlagen |
Hierbij stuur ik de antwoorden op de vragen van het lid Claassen (groep Markuszower) over het bericht dat aan het begin van het studiejaar 2024-2025 de totale schuld in Nederland 29 miljard euro bedroeg.
De vragen werden ingezonden op 12 februari 2026 met het kenmerk 2026Z03091.
De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Rianne Letschert
De antwoorden op de vragen van het lid Claassen (groep Markuszower) over het bericht dat aan het begin van het studiejaar 2024-2025 de totale schuld in Nederland 29 miljard euro bedroeg met kenmerk 2026Z03091, ingezonden op 12 februari 2026.
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht over dat aan het begin van het studiejaar
2024-2025 de totale studieschuld in Nederland € 29 miljard bedroeg?
[1]
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Kunt u aangeven welk deel van deze schuld naar verwachting uiteindelijk
kwijtgescholden zal worden? Graag uitgesplitst naar de volgende
categorieën: overlijden van de schuldenaar, medische gronden en
kwijtschelding na afloop van de 35-jarige aflossingsperiode.
Antwoord 2
Het bedrag aan studieleningen dat niet wordt terugbetaald is afhankelijk van verschillende factoren. Denk daarbij aan leengedrag van de student, de economische omstandigheden en de rentestanden, die allemaal over een langere periode variëren. Een accurate raming van het bedrag dat wordt kwijtgescholden is voor de lange termijn daarom niet te geven, zeker niet wanneer de kwijtscheldingen verder in de toekomst liggen. Daarom wordt voor de lange termijn uitgegaan van het percentage dat het CPB bij de invoering van het leenstelsel heeft becijferd, 13,6% van de studieleningen wordt kwijtgescholden.1
Voor de beantwoording van deze vraag kijken we primair naar de kwijtscheldingen binnen de begrotingshorizon. Binnen de begrotingshorizon wordt zo nauwkeurig mogelijk geraamd op basis van realisatiecijfers van voorgaande jaren en op basis van verwachtingen over de uitstaande studieschulden en studiefinancieringsgebruik voor de komende jaren.
In navolgende tabel is de hoogte van de belangrijkste kwijtscheldingen weergegeven. Bij deze tabel zijn de volgende kanttekeningen van belang.
In aanvulling op de gevraagde categorieën is ook de kwijtschelding voor de aanvullende beurs2 en de kwijtscheldingen voor nieuwe aanspraak3 opgenomen.
De kwijtscheldingen op medische gronden worden om privacyredenen door DUO niet apart bijgehouden, maar worden toegeschreven aan de verschillende studiefinancieringsproducten. De hoogte van deze kwijtschelding kan daardoor niet los inzichtelijk worden gemaakt.
In onderstaande tabel is een stijging zichtbaar bij de kwijtschelding aan het einde van de 15-jaarstermijn. Binnen de huidige begrotingshorizon vinden voor het eerst kwijtscheldingen plaats voor debiteuren die onder het terugbetaalregime SF15-nieuw4 vallen en aan het einde van hun aflossingsfase zijn. Dit terugbetaalregime heeft voor de debiteur gunstigere regels in vergelijking met het vorige regime SF15-oud wat draagkracht betreft. Doordat de draagkrachtregeling voor deze debiteuren ruimer is, is de kans ook groter dat aan het einde van de looptijd een deel van de lening wordt kwijtgescholden.
Er zijn nog geen draagkrachtkwijtscheldingen voor debiteuren die onder het terugbetaalregime SF-35 vallen. De eerste debiteuren die onder dit regime vallen, zullen pas rond 2050 aan het einde van hun aflossingsfase zijn.
| Kwijtschelding x € 1 mln. |
Gerealiseerd | Begroot | |||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | |
| Aanvullende beurs | 26,4 | 29,0 | 31,0 | 33,0 | 36,0 | 36,0 | 36,0 |
| Overlijden | 14,2 | 15,0 | 15,0 | 15,0 | 15,0 | 16,0 | 16,0 |
| Kwijtschelding einde 15jaarstermijn | 54,9 | 55,0 | 68,0 | 85,0 | 105,0 | 125,0 | 142,0 |
| Nieuwe aanspraak | 10,5 | 12,5 | 11,0 | 9,5 | 8,0 | 8,0 | 8,0 |
Vraag 3
Hoe worden deze kwijtscheldingen administratief verwerkt? Wordt hiervoor
een specifiek budget gereserveerd, of worden deze kosten verwerkt binnen
de algemene begroting? Kunt u dit toelichten?
Antwoord 3
De meeste kwijtscheldingen worden in het financiële systeem van DUO apart geboekt, verantwoord en gemonitord. In het Departementaal Jaarverslag van OCW worden deze kwijtscheldingen vervolgens verantwoord onder de inkomensoverdracht Overig uitgaven (R) op het studiefinancieringsartikel (artikel 11). Naast kwijtscheldingen vinden op de Overige uitgaven (R) ook technische bijstellingen plaats.
Jaarlijks wordt in het voorjaar de studiefinancieringsraming bijgesteld. De kwijtscheldingen worden dan allemaal zo nauwkeurig mogelijk geraamd voor de jaren binnen de begrotingshorizon. Dit gebeurt op basis van realisatiecijfers van voorgaande jaren en op basis van verwachtingen over de uitstaande studieschulden en het studiefinancieringsgebruik voor de komende jaren.
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 wordt de kwijtschelding op basis van medische gronden niet afzonderlijk geraamd en verantwoord. DUO rekent de
kosten die voortvloeien uit deze kwijtschelding toe aan de verschillende studiefinancieringsproducten waar de kwijtschelding betrekking op heeft (hoofdzakelijk de rentedragende lening).
Vraag 4
Kunt u een overzicht geven van de spreiding van studieschulden onder
studenten in verschillende schuldcategorieën per € 10.000? Hierbij het
verzoek om per categorie het aantal studenten én de totale schuld in
euro’s vermelden.
Antwoord 4
Onderstaande tabel geeft de spreiding van de definitieve studieschulden (inclusief rente) onder (oud-)studenten in verschillende schuldcategorieën per € 10.000 weer. Hierbij is per categorie het aantal studenten en de totale schuld in euro’s opgenomen. De leningen ten aanzien het levenlanglerenkrediet en Caribisch Nederland (WSF BES) zijn buiten beschouwing gelaten. Ook de prestatiebeurzen die nog niet zijn omgezet naar een gift of definitieve lening zijn niet meegenomen.
Deze tabel, evenals de tabellen in de andere antwoorden, geeft de stand per 31 december 2025 weer. Er is gekozen om in de beantwoording de meest actuele stand van de studieschulden te presenteren. Hierdoor sluiten de tabellen niet aan op de stand die het CBS heeft gebruik voor hun publicatie.
| Schuldcategorieën | 0-10K | 10k-20K | 20K-30K | 30k-40k | 40k-50k | 50k-60K | 60k-70K | 70K+ | totaal |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Personen | 736.508 | 308.111 | 182.357 | 121.360 | 81.527 | 53.291 | 34.353 | 41.495 | 1.559.002 |
| Bedrag x € 1 mln. | € 2.955 | € 4.464 | € 4.494 | € 4.209 | € 3.641 | € 2.910 | € 2.220 | € 3.426 | € 28.319 |
Een kanttekening bij deze tabel is dat deze de actuele schulden weergeeft. Dit betekent dat een deel van de debiteuren nog studeert en hun schuld dus verder zal oplopen, terwijl een ander deel al is begonnen met aflossen, waardoor hun huidige schuld lager ligt dan aan het begin van de aflossingsfase.
Vraag 5
Volgens het bericht bedroeg de totale studieschuld € 29 miljard aan het
begin van studiejaar 2024-2025. Kunt u aangeven welk deel van deze
schuld valt onder het oude stelsel (SF15) en welk deel valt onder het
nieuwe stelsel (SF35)? Hierbij ook het verzoek om aan te geven om
hoeveel studenten het in beide gevallen gaat.
Antwoord 5
Onderstaande tabel geeft het aantal personen en de totale uitstaande schuld weer per terugbetaalregime. Hierbij zijn het terugbetaalregime SF15-oud en SF15-nieuw samengenomen als SF-15. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4, geven de tabellen de stand per 31 december 2025.
| Aantal personen | Totale studieschuld x € 1 mln. | |
|---|---|---|
| SF-15 | 759.727 | 12.241 |
| SF-35 | 537.888 | 12.231 |
| Nog studerend | 219.307 | 3.847 |
| Totaal | 1.516.922 | 28.319 |
Een kanttekening bij deze tabel is dat een persoon onder meerdere terugbetaalregimes van DUO kan vallen. Bijvoorbeeld als een debiteur een studieschuld heeft uit een eerdere studie en daarmee onder SF-15 valt maar inmiddels opnieuw is gaan studeren (onder SF-35). Hierdoor ligt het aantal personen in bovenstaande tabel hoger dan het aantal unieke personen voor alle fases. Het aantal unieke personen voor alle fases betreft 1.417.298.
Daarnaast zijn in de groep ‘nog studerend’ alleen studenten opgenomen die een collegegeldkrediet of een rentedragende lening hebben. Studenten die uitsluitend een voorlopige lening in de vorm van een prestatiebeurs ontvangen, zijn buiten beschouwing gelaten.
Vraag 6
Volgens het CBS zijn er 1,6 miljoen mensen met een studieschuld. Kunt
u aangeven hoe deze groep is onderverdeeld in de volgende categorieën:
nog studerend, afgestudeerd en in de aanloopfase (nog niet begonnen met
aflossen) en bezig met het afbetalen van de studieschuld.
Antwoord 6
In onderstaande tabel staan de gegevens voor het aantal personen uitgesplitst naar studiefase, aanloopfase en aflosfase.
| Studiefase | Aanloopfase | Aflosfase | |
|---|---|---|---|
| Aantal personen | 300.449 | 246.775 | 969.698 |
Een kanttekening bij deze tabel is dat één persoon in meerdere fases kan voorkomen, bijvoorbeeld wanneer iemand die al aan het aflossen is over een eerdere studie en vervolgens opnieuw besluit te gaan studeren.
Vraag 7
Kunt u aangeven hoeveel van de personen die zijn begonnen met het
aflossen van hun studieschuld daarvan het volledige wettelijke
maandbedrag betalen en hoeveel gebruik maken van de draagkrachtregeling
en daardoor een lager maandbedrag betalen?
Antwoord 7
Onderstaande tabel geeft het aantal personen weer dat aan het aflossen is en of zij onder draagkracht vallen. Dit aantal wijkt af van het totaal aantal personen in de aflosfase, omdat in deze tabel alleen debiteuren zijn meegenomen waarvoor in december 2025 door DUO een termijn in rekening is gebracht. Personen die zich in de aanloop- of studiefase bevinden, een schorsing of stopzetting hebben, in een aflossingsperiode zitten of onder de schuldsanering vallen, zijn niet in de tabel opgenomen.
| Totaal aantal aflossers | Aantal aflossers onder draagkracht | Aantal aflossers die niet onder draagkracht vallen |
|---|---|---|
| 909.748 | 414.682 | 495.066 |
Een kanttekening bij deze tabel is dat voor debiteuren onder het terugbetaalregime SF15-oud niet automatisch een draagkrachtmeting wordt uitgevoerd dat moeten de debiteuren zelf aanvragen. Voor debiteuren uit SF15-oud die zelf geen draagkracht hebben aangevraagd, is daardoor niet bekend of zij in aanmerking zouden zijn gekomen voor een verlaging van hun wettelijke maandbedrag.
Vraag 8
Wat is de voornaamste opleidingsrichting van personen met een
studieschuld van € 50.000 of meer? Gaat het voornamelijk om
alphastudies, betastudies of gammastudies?
Antwoord 8
Het is niet mogelijk om de gevraagde gegevens te leveren, omdat DUO de opleidingsrichting van studenten niet registreert in het studiefinancieringssysteem. Dit gegeven is namelijk niet noodzakelijk voor de uitvoering van de studiefinancieringswetgeving. Voor de benodigde koppeling tussen gegevensbestanden is daarom geen grondslag in de wet. De overheid moet bij het koppelen van gegevensbestanden zorgvuldig te werk gaan. De inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en de bescherming van de persoonsgegevens van betrokkenen moet daarbij in verhouding staan tot de noodzaak van deze koppeling.
Voorts merk ik op dat er veel verschillende factoren invloed hebben op de hoogte van een studieschuld, waardoor er geen causaal verband kan worden gelegd tussen enkel het type studie dat een debiteur heeft gevolgd en de hoogte van diens studieschuld. Door deze complexiteit van factoren zie ik geen overtuigende reden om deze koppeling van gegevensbestanden te realiseren.
CPB, Gemiddelde aflossing en inkomenseffecten sociaal leenstelsel, 22 mei 2014. Zie Kamerstukken II 2013/14, 24 724, nr. 131, p. 15.↩︎
Oud-studenten die niet binnen tien jaar hun diploma behalen, moeten de ontvangen prestatiebeurs terugbetalen. In bepaalde gevallen kan een oud-student echter in aanmerking komen voor kwijtschelding van de aanvullende beurs. Een van de voorwaarden hiervoor is dat de oud-student voldoet aan specifieke inkomenseisen.↩︎
Wanneer een student moet stoppen met zijn opleiding vanwege een functiebeperking of chronische ziekten, dan kan de student volledig nieuwe aanspraak op studiefinanciering krijgen. De prestatiebeurslening van de oude opleiding wordt dan kwijtgescholden, inclusief de lening van het studentenreisproduct.↩︎
Binnen het studiefinancieringsstelsel zijn er meerdere terugbetaalregimes. De terugbetaalregimes zijn SF15-oud, SF15 en SF35.↩︎