Uitvoering motie van het lid Ergin over inzicht in mogelijkheden om middelen voor onderwijshuisvesting te oormerken (Kamerstuk 36800-VIII-113)
Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2026
Brief regering
Nummer: 2026D14537, datum: 2026-03-27, bijgewerkt: 2026-03-30 09:56, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Ooit VVD kamerlid)
Onderdeel van kamerstukdossier 36800 VIII-141 Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2026.
Onderdeel van zaak 2026Z06435:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-04-16 10:15 ⇒ (Concept voorstel)
- 2026-04-16 10:15: Procedurevergadering Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Procedurevergadering), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Preview document (🔗 origineel)
De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG |
|---|
| Datum | 27 maart 2026 |
|---|---|
| Betreft | Motie 36800-VIII-113 van Ergin (DENK) |
Onderwijsprestaties en Voortgezet Onderwijs Rijnstraat 50 Den Haag Postbus 16375 2500 BJ Den Haag www.rijksoverheid.nl Contactpersoon |
Onze referentie 62566205 |
Het lid Ergin (DENK) heeft tijdens de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op 12 februari 2026 een motie (36800-VIII-113) ingediend. Uw Kamer heeft deze motie op 3 maart 2026 aangenomen.
In de motie wordt verzocht om vóór de behandeling in uw Kamer van de Wet planmatige en doelmatige aanpak onderwijshuisvesting inzichtelijk te maken welke mogelijkheden er zijn om middelen voor onderwijshuisvesting (deels) te oormerken, wat de juridische en financiële consequenties daarvan zijn en hoe dit kan bijdragen aan het versneld terugdringen van de onderwijshuisvestingsachterstand. Met deze brief geef ik uitvoering aan deze motie.
Vooraf
Eerder heeft mijn voorganger uitvoering gegeven aan de motie van 18 januari 20241 van het lid Ergin (DENK). In deze motie werd een verzoek gedaan om een effectenverkenning uit te voeren naar het oormerken van onderwijshuisvestingsmiddelen gericht op de landelijke verbeteropgave onderwijshuisvesting. Uw Kamer is in de periodieke voortgangsbrief onderwijshuisvesting (voorjaar 2024) over deze verkenning geïnformeerd.2 Omdat deze nog steeds actueel is, verwijs ik uw Kamer, in aanvulling op onderstaande beantwoording, ook naar deze brief.
Reactie op motie Ergin (36800-VIII-113)
Huidige manier van bekostiging onderwijshuisvesting
Schoolbesturen en gemeenten zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de onderwijshuisvesting. Het Rijk keert middelen aan schoolbesturen en gemeenten uit via respectievelijk de bekostiging en het Gemeentefonds. De bekostiging die schoolbesturen ontvangen is op grond van onderwijswetgeving bestemd voor personeel en exploitatie, waaronder onderhoud van het gebouw.3 Schoolbesturen zijn vrij om te kiezen hoeveel ze van deze middelen aan personeel en exploitatie besteden. Het gemeentebestuur is op grond van de onderwijswetgeving verantwoordelijk voor de onderwijshuisvesting en heeft hiertoe een wettelijke zorgplicht. Wat onder andere kan betekenen zorgen voor nieuwbouw.4 De middelen die gemeenten ontvangen in het Gemeentefonds zijn ook vrij besteedbaar. De gemeente is verplicht het bekostigingsplafond voor onderwijshuisvesting zodanig vast te stellen dat redelijkerwijs kan worden voorzien in de huisvesting van de scholen op het grondgebied van de gemeente.5 Daarom is het gemeentebestuur op grond van art. 193 Gemeentewet gehouden om de benodigde middelen op de begroting op te nemen.
Oormerken van middelen
In de motie wordt gevraagd naar de mogelijkheden van het oormerken van middelen en wat daarvan de juridische en financiële consequenties zijn.
Oormerking van middelen past op grond van de Financiële-verhoudingswet (FvW) niet binnen de bestaande bestedingsvrijheid van de middelen in het Gemeentefonds. Indien men over wil gaan tot oormerking dan ligt op grond van de FvW financiering middels een specifieke uitkering (SPUK) voor de hand. Dit vraagt een wijziging van de onderwijswetgeving omdat er op dit moment geen grondslag voor een SPUK onderwijshuisvesting bestaat. Daarnaast moet er ook bepaald worden hoeveel middelen er geoormerkt worden en waar deze middelen vandaan moeten komen, aangezien het gemeentefonds niet een specifiek bedrag voor onderwijshuisvesting bevat. De uitvoering van een dergelijke SPUK is een extra belasting voor gemeenten. Het betekent namelijk een grotere verantwoordings- en controlelast.
In het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) uit 2021 is geconcludeerd dat er op dit moment onvoldoende middelen zijn om de verouderde schoolgebouwen met een hoger vervangingstempo aan te pakken.6 Het oormerken van middelen is daarvoor op zichzelf geen oplossing. Er komen immers geen extra middelen beschikbaar met het oormerken. Het IBO noemt de optie tot oormerken, maar alleen in combinatie met het beleggen van álle verantwoordelijkheden voor onderwijshuisvesting bij gemeenten. Alleen via een fundamentele stelselwijziging kan deze combinatie gerealiseerd worden. Hiervoor is aanpassing van wetgeving nodig. De verwachting is dat alleen oormerken niet bij zal dragen aan het versneld terugdringen van de opgave.
Noodzakelijke stappen ter verbetering van het stelsel
Kortom, het oormerken van middelen, eventueel in combinatie met het beleggen van alle verantwoordelijkheden bij gemeenten, past niet in de huidige systematiek en integrale afweging van gemeenten. Bovendien vergt dit juridisch gezien nogal wat en het verandert de financiële opgave tot aanpak van verouderde schoolgebouwen niet. In het IBO wordt geadviseerd om eerst het bestaande stelsel te optimaliseren, alvorens eventuele stelselwijzigingen, zoals oormerken, te overwegen. Het kabinet zet stappen in lijn met dit advies en zet eerst in op voortzetting van de huidige aanpak. Het wetsvoorstel planmatige aanpak onderwijshuisvesting dat nu in uw Kamer voorligt, is daar onderdeel van. In de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel wordt uiteengezet hoe dit wetsvoorstel invulling geeft aan de door het IBO geadviseerde maatregelen.7 Tegelijkertijd zetten we met Programma Onderwijshuisvesting en het Innovatieprogramma Onderwijshuisvesting in op snellere, kostenefficiëntere en toekomstbestendige scholenbouw. Over deze programma’s bent u middels diverse periodieke voortgangsbrieven geïnformeerd, waaronder de hierboven onder ‘Vooraf’ genoemde periodieke voortgangsbrief.
Hoogachtend,
de staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie,
Judith Zs.C.M. Tielen
Tweede Kamer, vergaderjaar 2023-2024, 36 410 VIII-90↩︎
Tweede Kamer, vergaderjaar 2023-2024, 36 410-VIII-138↩︎
Art. 115 WPO, art. 5.4 WVO 2020, art. 113 WEC.↩︎
Art. 92 WPO, art. 6.2 WVO 2020, art. 90 WEC.↩︎
Art. 93 WPO, art. 6.3 WVO 2020, art. 91 WEC.↩︎
Tweede Kamer, vergaderjaar, 35 570 VII-213, IBO Onderwijshuisvesting funderend onderwijs (2021), ‘Een vak apart: Een toekomstbestendig onderwijshuisvestingsstelsel.’↩︎
Tweede Kamer, vergaderjaar 2024-2025, 36 692, nr. 6↩︎