[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [šŸ§‘mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [šŸ” uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Brief aan de Eerste Kamer inzake de antwoorden op de schriftelijke vragen gesteld door de Eerste Kamerleden van Hattem (PVV) en Hartog (Volt) over de voorstellen COM(2025)565 en COM(2025)552

Bijlage

Nummer: 2026D14748, datum: 2026-03-30, bijgewerkt: 2026-03-30 17:15, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Bijlage bij: Afschrift brief aan de Eerste Kamer inzake de antwoorden op de schriftelijke vragen gesteld door de Eerste Kamerleden van Hattem (PVV) en Hartog (Volt) over de voorstellen COM(2025)565 en COM(2025)552 (2026D14747)

Preview document (šŸ”— origineel)


Geachte voorzitter,

Hierbij bied ik u de antwoorden aan op de schriftelijke vragen gesteld door de leden van Hattem (PVV) en Hartog (VOLT) over voorstellen COM(2025)565 en COM(2025)552. Deze vragen werden ingezonden op 19 november 2025 met kenmerk 178927.

De minister van Buitenlandse Zaken,





T.B.W. Berendsen

Antwoorden van de minister van Buitenlandse Zaken op vragen van de leden van Hattem (PVV) en Hartog (VOLT) over voorstellen COM(2025)565 en COM(2025)552.

De leden van de vaste commissie voor Europese Zaken hebben met belangstelling kennisgenomen van voorstellen COM(2025)565 en COM(2025)5521 met betrekking tot fondsen in het toekomstige Meerjarig Financieel Kader (MFK) en de bijbehorende BNC-fiches. De leden van de fracties van PVV en Volt hebben naar aanleiding hiervan een aantal vragen en opmerkingen. Het lid van de fractie OPNL sluit zich aan bij een deel van de vragen van de leden van de Volt-fractie, namelijk vragen 11 tot en met 16 alsmede 21 en 22. Het lid van de Fractie-Walenkamp sluit zich aan bij alle gestelde vragen.

Vragen van de leden van de PVV-fractie

Vraag 1

Het BNC-fiche2 bij voorstel COM(2025)565 stelt: ā€œIn lijn met het huidige Cohesiebeleid en het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) vallen de NRPP’s onder gedeeld beheer. De NRPP’s dienen te worden opgesteld door de lidstaten, in samenspraak met medeoverheden. Lidstaten krijgen daarbij meer flexibiliteit bij de invulling van prioriteiten binnen deze plannen, waaronder de mogelijkheid om middelen over te hevelen tussen beleidsdomeinen en fondsen, binnen vooraf vastgestelde grenzen. De Commissie benadrukt hierbij dat het partnerschapsbeginsel, waarbij nationale, regionale en lokale actoren actief worden betrokken, ook centraal blijft staan in de programmering en uitvoering.ā€

De leden van de PVV-fractie vragen u om aan te geven op welke wijze en met welke uitgangspunten de samenspraak met medeoverheden vorm krijgt en op welke wijze de volksvertegenwoordiging van deze medeoverheden ook actief bij deze afspraken betrokken wordt.

Antwoord

De medeoverheden worden actief betrokken bij voorbereiding van inhoudelijke werkgroepen in Brussel. Tevens denken zij mee met de vormgeving van de Nederlandse positie ten aanzien van de Nationale en Regionale Partnerschapsplannen (hierna: NRPP). Daarnaast worden de medeoverheden betrokken bij de inrichting van de nationale invulling van de NRPP’s. De Kamer wordt voor de zomer geĆÆnformeerd over hoe het kabinet voornemens is het Plan vorm te geven en op welke manier regionale en lokale autoriteiten daar een rol in krijgen.

Vraag 2

Voorts wordt op. 10 het volgende gesteld over cofinanciering: ā€œDaarnaast stelt de Commissie minimumpercentages voor nationale cofinanciering voor. Deze zijn afhankelijk van de mate van economische ontwikkeling van de regio. Dit percentage wordt uitgedrukt als percentage van het bbp per hoofd van de bevolking ten opzichte van het EU-27 gemiddelde. Deze berekeningswijze is in lijn met het huidige cohesiebeleid. De Commissie stelt een minimaal cofinancieringspercentage voor van 15% voor de minder ontwikkelde regio’s (met een bbp per inwoner van minder dan 75% van het EU-27 gemiddelde). Voor transitieregio’s stelt de Commissie een cofinancieringspercentage van 40% voor. Deze regio’s hebben een bbp per inwoner tussen 75% en 100% van het EU-27 gemiddelde. Voor de meer ontwikkelde regio’s wordt een cofinancieringpercentage van 60% voorgesteld. Deze regio’s hebben een bbp per inwoner van boven 100% van het EU-27 gemiddelde. Daarnaast stelt de Commissie voor elk Interreghoofdstuk een minimaal cofinancieringspercentage van 20% voor. Dit percentage wordt met 5% verlaagd voor de hoofdstukken die betrekking hebben op samenwerking met ultraperifere gebieden en samenwerking aan de buitengrenzen. Voor het GLB en het GVB worden de cofinancieringpercentages anders ingevuld, waarbij vier GLB-interventies van nationale

cofinanciering zijn uitgezonderd.ā€

Deze leden vragen u om nader te duiden of deze nieuwe minimumpercentages financieel nadelig kunnen uitpakken voor Nederland. De leden vragen u daarnaast nader te duiden wat de financiƫle effecten zijn van Nederlandse cofinanciering (ook door medeoverheden) op de totale Nederlandse overheidsconsumptie.

Antwoord

De minimumpercentages voor cofinanciering die door de Europese Commissie (hierna: Commissie) worden voorgesteld zijn gelijk aan de percentages binnen het cohesiebeleid in het huidige Meerjarig Financieel Kader (hierna: MFK), maar worden breder toegepast (onder andere voor het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid, het Visserijfonds en ondersteuningsinstrumenten op het gebied van migratie, grensbeheer en visa en interne veiligheid). Nationale cofinanciering mag zowel van publieke als private partijen komen. In het BNC fiche NRPP van september 2025 geeft het kabinet aan voorstander te zijn van het cofinancieringsprincipe van de Commissie. Nationale cofinanciering draagt bij aan nationaal en regionaal eigenaarschap, versterkt de verantwoordingsplicht en mobiliseert private investeringen3. Hiermee worden investeringen uit het NRPP voorzien van een multiplier waardoor de impact van EU-middelen wordt vergroot. Het breder toepassen van cofinanciering in het toekomstig MFK heeft mogelijk budgettaire gevolgen voor de Rijksbegroting indien hiervoor publieke middelen nodig zijn. Nederland heeft voor de cofinancieringspercentages voor de ondersteuningsinstrumenten op het gebied van migratie, grensbeheer en visa en interne veiligheid voorgesteld de percentages anders in te vullen.

Vraag 3

Kunt u aan de leden van de PVV-fractie aangeven of deze opmerking ook impliceert dat Nederland (Rijksoverheid Ʃn medeoverheden) kritisch moet kijken naar het gebruikmaken van EU-financieringsinstrumenten, waarmee immers ook de EU-begroting/MFK opgestuwd zal worden evenals de nationale uitgaven?

Antwoord

In het algemeen vindt het kabinet dat er prudent moet worden omgegaan met (Europese) publieke middelen. Ook voor het NRPP geldt dat het kabinet van mening is dat de EU in het MFK scherp moet herprioriteren en kritisch moet kijken naar de besteding van Europese publieke middelen. Tevens is het kabinet voorstander van het benutten van Europese middelen voor doeleinden die Europese toegevoegde waarde hebben. In algemene zin is het kabinet geen voorstander van het aangaan van gemeenschappelijke schuld voor nieuwe Europese financieringsinstrumenten. Het kabinet merkt op dat gezamenlijke schulduitgifte vaker wordt toegepast om te kunnen reageren op onvoorziene omstandigheden waarbij meer middelen nodig zijn dan beschikbaar in het MFK. Het kabinet is echter tegen het voorgestelde generieke instrument met gemeenschappelijke leningen voor crisissituaties en een leenfaciliteit voor het ophogen van de NRPP-plannen (Catalyst Europe), die gefinancierd worden door middel van schulduitgifte door de Unie.

Vragen van de VOLT fractie

Vraag 4

De leden van de Volt-fractie hebben kennisgenomen van de verschillende verordeningen die betrekking hebben op de structuurfondsen. De vragen van de leden van de fractie gaan in het bijzonder over de verordening voor de gezamenlijke fondsen (COM(2025)565) en verordening COM(2025)552 over het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds. De leden van de Volt-fractie nemen ook kennis van de verschillende BNC-fiches en de door de Europese Commissie uitgevoerde impactanalyse.3

COM(2025)565: financieringssystematiek

Allereerst stellen de leden van de Volt-fractie vragen over de gekozen financieringssystematiek onder verordening COM(2025)565. De uiteindelijke keuze is voor een systeem van gedeeld beheer, afrekening op basis van mijlpalen, gecombineerd met een systeem van cofinanciering, zo zien deze leden. De leden van de Volt-fractie beoordelen dit als een mengeling van de huidige systemen voor de structuurfondsen en het systeem voor het herstel- en veerkrachtfonds (hierna: HVF). De impactanalyse geeft een redenering voor deze keuze, maar laat toch nog wel wat vragen:

In hoeverre is rekening gehouden met rapporten van de Europese Rekenkamer over zowel het herstel- en veerkrachtfonds als de fondsen die naar aanleiding van Brexit ter beschikking zijn gesteld?

Antwoord

In het NRPP-voorstel bouwt de Commissie voort op onder meer de ervaringen met het Herstel en Veerkracht Fonds, waarin ook aandachtspunten uit de rapporten van de Europese Rekenkamer (hierna: ERK) zijn meegenomen. Het kabinet neemt de rapporten en de lessen van de ERK ter harte. Een belangrijke signalering uit het ERK-rapport is dat er voldoende aandacht dient te zijn voor het beschermen van de financiƫle belangen van de Unie in de NRPP verordening. Het beschermen van de financiƫle belangen van de Unie ziet op het waarborgen dat middelen uit de EU-begroting rechtmatig, doelmatig en volgens de geldende regels worden beheerd en besteed. Het kabinet onderschrijft het belang van deze focus en neemt de adviezen van de ERK mee in de onderhandelingen over het volgend MFK en Eigenmiddelenbesluit (hierna: EMB).

Vraag 5

Is het niet zo dat de Rekenkamer, ook bij financiering op basis van mijlpalen, effectief ook een boekhouding op basis van gemaakte kosten verlangt?

Antwoord

Het uitgangspunt van het NRPP-voorstel van de Commissie is om prestatiegericht te financieren, waarbij de mijlpalen en doelstellingen centraal staan bij de uitbetaling. Wel zal een lidstaat een kostenraming moeten aanleveren om de uitbetalingswaarde van een mijlpaal/doelstelling te bepalen. Tevens is een lidstaat verplicht om de financiƫle belangen van de Unie te beschermen. Dit houdt in dat lidstaten waarborgen dat middelen uit de EU-begroting rechtmatig, doelmatig en volgens de geldende regels worden beheerd en besteed. Het richt zich met name op het voorkomen, detecteren en indien nodig rechtzetten van fraude, belangenverstrengeling, dubbele financiering en corruptie. Het is aannemelijk dat bij de invulling van deze verplichting wordt gekeken naar financieringsstromen en gerealiseerde kosten. De komende tijd zal het kabinet zich in de onderhandelingen in Brussel inzetten om meer duidelijkheid te krijgen over de invulling van de benodigde verantwoording over gemaakte kosten. Dit is voor het kabinet ook van belang in relatie tot het verminderen van de administratieve lasten.

Vraag 6

Hoe kan volgens u de rechtmatigheid en doelmatigheid van uitgaven worden gecontroleerd als die niet expliciet onderdeel zijn van de verordening?

Antwoord

Het afrekenen op basis van behaalde mijlpalen en doelstellingen draagt bij aan het vergroten van de doelmatigheid van de EU-begroting. Voor wat betreft de rechtmatigheid van uitgaven blijft het Financieel Reglement van de EU van toepassing. In het NRPP-voorstel van de Commissie geldt de verplichting dat lidstaten in hun nationale plan de financiƫle belangen van de Unie beschermen. Tevens moeten middelen in het nationale plan voldoen aan geldende (nationale) financiƫle wetgeving.

Vraag 7

Hoe interpreteert u deze verplichting voor Nederland? Moet dit tot alleen nationale mijlpalen leiden vanuit het Europees semester of ook tot regionale mijlpalen?

Antwoord

Op dit moment is het nog te vroeg om te spreken over de definitieve vormgeving van het Nederlandse NRPP en de concrete invulling hiervan. De onderhandelingen over het volgend MFK lopen nog. De Kamers zullen voor de zomer worden geĆÆnformeerd over het proces richting de uitwerking van het NRPP.

Vraag 8

De leden van de Volt-fractie stellen vast dat artikel 23(7) mijlpalen aan maatregelen lijkt te koppelen. In hoeverre moet iedere individuele maatregel een mijlpaal hebben? Hoe verhoudt zich dat met de suggestie, ook in de impactanalyse, dat een mijlpaal gerelateerd moet zijn aan de landenspecifieke aanbevelingen in het kader van het Europese semester?

Antwoord

Het NRPP-voorstel stelt dat een NRPP alle of een significant deel van de landenspecifieke aanbevelingen van het Europees Semester moet adresseren. Dit wordt vertaald naar maatregelen met minimaal ƩƩn, maar mogelijk meerdere mijlpalen en doelstellingen. Niet elke maatregel hoeft een landenspecifieke aanbeveling te adresseren.

Vraag 9

Heeft de regering hierover advies gevraagd aan de Algemene Rekenkamer?

Antwoord

Het kabinet heeft hierover geen advies gevraagd aan de Algemene Rekenkamer.

Vraag 10

Hoe beziet u de vastgestelde cofinancieringspercentages, ook in het licht van de recente herziening van de huidige structuurfondsen?

Antwoord

Het kabinet is voorstander van het cofinancieringsprincipe zoals voorgesteld door de Commissie. Nationale cofinanciering draagt bij aan nationaal en regionaal eigenaarschap, versterkt de verantwoordingsplicht en mobiliseert private investeringen. Het kabinet vindt het daarom positief dat, anders dan bij de tussentijdse herziening van het cohesiebeleid, de Commissie geen mogelijkheid tot 100% EU-cofinanciering voorstelt. De voorgestelde minimumpercentages voor cofinanciering in het NRPP zijn gelijk aan de bestaande percentages in het huidige MFK, behalve voor de ondersteuningsinstrumenten op het gebied van migratie, grensbeheer en visa en interne veiligheid. Nederland heeft voorgesteld de cofinancieringspercentages voor deze drie ondersteuningsinstrumenten anders in te vullen.

Vraag 11

Hoe beoordeelt u het idee van een ā€˜reversal period’ van vijf jaar? Is dit effectief uit te voeren als een programma na een bepaalde periode niet meer wordt opgevolgd? Wat gebeurt er na deze periode met revolverende fondsen, zoals bijvoorbeeld venture capital funds?

Antwoord

Nederland is ten algemene voorstander van een ā€˜reversal period’, met name om te waarborgen dat lidstaten die Europese middelen ontvangen voor hervormingen en investeringen, die niet kort na het aflopen van het programma weer ongedaan kunnen maken zonder consequenties voor de ontvangen middelen. De ā€˜reversal period’ ondersteunt daarmee de bestendigheid van hervormingen en investeringen uit het NRPP. Veel details rondom toepassing van deze bepaling op investeringen of andere interventies onder het GLB en de precieze werking moeten nog uitgewerkt worden. Belangrijk hier is wel om te noemen dat het gaat om een periode van 5 jaar na de uitbetaling door de Commissie (artikel 69.1 van de NRPP verordening) en dat voor wat betreft hervormingen en investeringen de lidstaat moet terugbetalen, niet de uiteindelijke belanghebbende.

Vraag 12

Bij de uitgangsprincipes wordt nog steeds de additionaliteitseis meegenomen. In hoeverre acht u dit reƫel?

Antwoord

Artikelen 2 en 3 in het voorstel van de Commissie voor de NRPP-verordening (COM(2025)565) bevatten de doelstellingen van het fonds. Voordat de Commissie met een voorstel komt voor een uitvoeringsbesluit van de Raad, zal zij zeker stellen dat de nationale plannen in overeenstemming zijn met de verordening en voldoen aan alle voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 22 van het voorstel van de Commissie. De inzet van het kabinet tijdens de onderhandelingen is erop gericht dat de EU-begroting focust op de EU-prioriteiten waar de EU toegevoegde waarde heeft.

Vraag 13

In artikel 26 wordt een EU-faciliteit benoemd. De leden van de Volt-fractie vragen in hoeverre hier een noodzaak voor is. Hoe werkt dit samen met leningen door de Europese Investeringsbank (EIB) en het Europese Investeringsfonds (EIF)?

Antwoord

Het kabinet is positief over het voorstel van de Commissie om een deel van het NRPP-budget onder te brengen in een EU-faciliteit. Het kabinet ziet voordelen in het behouden van een complementaire, flexibele schil rondom de NRPP’s. Op deze manier kan beter ingespeeld worden op waar de middelen tijdens een volgend MFK voor nodig zijn, ook in tijden van crisis. Hierdoor wordt de EU-begroting wendbaarder en responsiever. Tijdens het huidige MFK is gebleken dat het MFK deze flexibiliteit mist. Tevens kunnen met de EU-faciliteit ook projecten worden ondersteund met een transnationale dimensie die minder goed passen in de nationale plannen, zoals projecten uit het Interregionale Innovatie Investeringsinstrument (I3). De EIB en het EIF zijn instellingen die ook geld kunnen ontvangen uit de EU-faciliteit, waarmee de EU-faciliteit meer flexibiliteit heeft in hoe de middelen worden ingezet en er gebruik gemaakt kan worden van de opgebouwde expertise van deze instellingen in het effectief en efficiĆ«nt financieren van voor de EU belangrijke projecten.

COM(2025)565: Nationale en regionale partnerschapsplannen

Ten tweede hebben de leden van de Volt-fractie vragen over de nationale en regionale partnerschapsplannen. Daarbij worden de ruim 540 huidige programma’s ingewisseld voor 27 nationale programma’s. Deze keuze lijkt te zijn gebaseerd op efficiencyoverwegingen, maar doet volgens deze leden weinig recht aan het belang van regionaal-specifieke maatregelen en de oorspronkelijke reden waarom met name het regionale ontwikkelingsfonds is opgericht. Dat leidt de leden van de Volt-fractie tot een aantal vragen:

Vraag 14

Hoe ziet u de centralisatie van programmering, niet alleen voor Nederland maar ook voor federale staten, zoals Duitsland en Spanje? Welke garanties zijn er dat specifieke regionale problemen nog voldoende aandacht krijgen?

Antwoord

Het kabinet steunt het basisprincipe van het NRPP dat gericht is op het partnerschapsbeginsel en het kabinet geeft hier actief vorm aan door nauwe betrokkenheid bij de nationale uitwerking van het NRPP van medeoverheden en andere (maatschappelijke) partners. Het kabinet ziet het NRPP voorstel niet als een centralisatie van programmering, maar als een vereenvoudiging van de fondsenstructuur. De betrokkenheid van medeoverheden en andere (maatschappelijke) partners zijn ook in deze vereenvoudigde structuur van belang voor het kabinet.

Vraag 15

Ziet u een mogelijk politiek probleem in landen waar de nationale regeringen en regionale regeringen niet van dezelfde politieke kleur zijn?

Antwoord

Zoals toegelicht in beantwoording van vraag 14 is het partnerschapsbeginsel het uitgangspunt van het NRPP. Dat geldt voor de uitwerking en implementatie van alle nationale plannen in de verschillende EU-lidstaten.

Vraag 16

De Raad van Ministers stelt uiteindelijk de definitieve nationale programma’s vast. Bent u bereid de programma’s voor Hongarije, Slowakije en Polen voor te leggen aan de beide Kamers? Bent u bereid mee te gaan in de wens van het Europees Parlement om deze plannen ook aan dit parlement voor te leggen?4

Antwoord

In het voorstel van de Commissie worden de nationale plannen vastgesteld door middel van een uitvoeringsbesluit van de Raad. De Raad beslist op basis van een voorstel van de Commissie. Voordat de Commissie met een voorstel komt voor een uitvoeringsbesluit van de Raad, zal zij zeker stellen dat de nationale plannen in overeenstemming zijn met de verordening en voldoen aan alle voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 22 van het voorstel van de Commissie. Het Europees Parlement heeft geen rol in de vaststelling van de nationale plannen. Het kabinet is voorstander van de vaststelling van de nationale plannen door middel van een uitvoeringsbesluit van de Raad. Besluitvorming door de Raad moet in beginsel plaatsvinden binnen vier weken na vaststelling van het voorstel van de Commissie. Het kabinet zal het Nederlandse parlement informeren via de geannoteerde agenda van de desbetreffende Raad over de goedkeuring van de genoemde nationale programma’s.

Vraag 17

Welke rol moeten regionale organisaties volgens u spelen bij het vaststellen van de nationale programma’s via partnerschappen? Hoe zit dit met organisaties in de grensregio’s die buiten Nederland zijn gevestigd maar wel belang hebben bij de grensprogramma’s?

Antwoord

Er wordt momenteel gewerkt aan de uitwerking van het Nederlandse NRPP in nauwe afstemming met betrokken departementen en medeoverheden. De rol van regionale organisaties wordt hierin ook meegenomen. De Kamers zullen hier voor de zomer nader over worden geĆÆnformeerd. De grensoverschrijdende programma’s worden onderdeel van het Interreg Plan, waarbij elk programma een eigen hoofdstuk krijgt. Deze hoofdstukken worden vormgegeven met de betrokken grensregio’s aan beide zijden van de grens.

Vraag 18

De ervaring met het herstel- en veerkrachtfonds in verband met partnerschap en regionale en lokale betrokkenheid is in de ogen van de leden van de Volt-fractie teleurstellend. Hoe bent u van plan dit bij de komende structuurfondsen te regelen? Mag de Kamer ervan uitgaan dat de regionale en lokale autoriteiten een expliciete tevredenheidsgarantie mogen afgeven alvorens het Nederlandse plan bij de Europese Commissie wordt ingediend?

Antwoord

Het NRPP-voorstel is gericht op het partnerschapsbeginsel, waarbij medeoverheden en andere (maatschappelijke) partners actief worden betrokken. Het kabinet steunt dit basisprincipe. De Kamers worden voor de zomer geĆÆnformeerd over hoe het kabinet voornemens is het Plan vorm te geven en op welke manier regionale en lokale autoriteiten daar een gelijkwaardige rol in krijgen.

Vraag 19

Welk orgaan denkt u aan te wijzen als planautoriteit? Welk orgaan wordt de beheerautoriteit? Zal de regering de optie overwegen om deze rollen aan het Interprovinciaal Overleg (IPO) of aan een Nederlandse provincie te geven?

Antwoord

Er wordt momenteel gewerkt aan de uitwerking van het Nederlandse NRPP in nauwe afstemming met betrokken departementen, lokale en regionale overheden en andere relevante partijen. In dat kader wordt ook bezien hoe de governance van het plan, waaronder de aanwijzing van een planautoriteit en een of meerdere beheerautoriteiten, het best kan worden ingericht. De Kamers zullen voor de zomer worden geĆÆnformeerd over het proces inzake de verdere inrichting van de governance.

Overige vragen voorstel COM(2025)565

Dan hebben de leden van de Volt-fractie nog een aantal specifieke vragen met betrekking tot voorstel COM(2025)565.

Vraag 20

Het BNC-fiche bij voorstel COM(2025)565 geeft de visie van de regering over het visserijbeleid maar niet over de maritieme component van het fonds. Hoe kijkt u hier tegenaan?

Antwoord

Het BNC-fiche aangaande voorstel COM(2025)5654 betreft het NRPP onder het volgend MFK vanaf 2028. Het NRPP betreft het geïntegreerde fonds met een brede reikwijdte, waar onder meer landbouw, economische en sociale cohesie, migratie, grensbeheer en visa en interne veiligheid en ook visserij en maritieme zaken onder vallen. Voor de uitwerking van het NRPP bestaan sectorale verordeningen, waaronder één voor het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB), het Oceaan Pact en het maritiem beleid (COM(2025)559). Uit het BNC-fiche aangaande dit voorstel volgt dat het kabinet van mening is dat er ten aanzien van de maritieme component voldoende aandacht moet zijn voor de beschikbaarheid van middelen in het volgend MFK en dat middelen in verhouding moeten staan met de beoogde doelen en eisen die aan de lidstaten worden gesteld in onder andere het maritieme beleid.5 Het kabinet zal in de onderhandelingen over het NRPP ook oog hebben voor het aansluiten bij deze doelen en voor de specifieke uitdagingen van Nederland bij het maritieme beleid. Middels de gedane voorstellen worden lidstaten beter in de gelegenheid gesteld om budget in te zetten voor onder meer de implementatie van milieuwetgeving en het zetten van stappen in het in goede toestand herstellen van Europese zeeën. Daarnaast zet het kabinet zich ervoor in dat het voorstel wordt verduidelijkt ten aanzien van diepzeemijnbouw. Het kabinet merkt hierbij op dat de standpuntbepaling rondom diepzeemijnbouw een bevoegdheid van lidstaten is en dat dit zo moet blijven. Daarnaast staat voorop dat diepzeemijnbouw alleen kan plaatsvinden indien wetenschappelijk aantoonbaar binnen de draagkracht van het mariene ecosysteem met effectief toezicht.

Vraag 21

Ziet u mogelijkheden om op basis van artikel 35 van verordening COM(2025)565 met Franse vissers in gesprek te gaan, hen een zekere steun te verlenen en op deze manier pulsvisserij weer mogelijk te maken?

Antwoord

Pulsvisserij is onder het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) verboden in EU-wateren. Het kabinet verkent of er in samenwerking met omringende landen kleinschalig onderzoek naar de pulsvisserij mogelijk is. Dit doet het kabinet met het oog op het vergroten van het draagvlak onder andere landen. Het voorstel voor verordening COM(2025)565 (NRPP), waarover onderhandelingen nog lopen sluit steun voor pulsvisserij niet expliciet uit, maar de steun mag niet in strijd zijn met GVB. Er is dus momenteel geen mogelijkheid voor steun voor commerciƫle pulsvisserij in EU-wateren onder artikel 35 in het voorstel van de verordening COM(2025)565. Een gesprek met Franse vissers over pulsvisserij op basis van artikel 35 acht het kabinet hierom niet opportuun.

Vraag 22

Artikel 35(7) specificeert wat mag worden gedaan op het gebied van schoolmaaltijden. Daarbij staat expliciet dat dit nationale maatregelen niet mag vervangen. Hoe kijkt u hier in de Nederlandse context tegenaan?

Antwoord

Artikel 35, lid 7 van het Commissievoorstel COM(2025)565 verwijst naar de EU-Schoolregeling voor de verstrekking van fruit, groenten en melk. Dit voorstel is gelijk aan de regels die momenteel van kracht zijn, welke zijn opgenomen in artikel 23bis, lid 5 van Verordening 1308/2013. Met deze bepalingen wordt aangegeven dat de EU-Schoolregeling en bestaande nationale programma’s naast elkaar kunnen bestaan. Het is daarbij niet toegestaan om Europese middelen te gebruiken voor (vervanging van) bestaande nationale regelingen, behalve voor de gratis verstrekking van maaltijden aan kinderen in onderwijsinstellingen. Aanvullend is het mogelijk om de Europese middelen in te zetten om het toepassingsgebied of de doeltreffendheid van bestaande regelingen te vergroten, bijvoorbeeld door de regeling uit te breiden naar meer scholen of meer producten te verstrekken. Dit draagt eraan bij dat de inzet van bestaande nationale programma’s voor schoolmaaltijden aantrekkelijk blijft en om te borgen dat EU-financiering voor meerwaarde zorgt ten opzichte van bestaande nationale regelingen. Vanuit de Nederlandse context bezien acht het kabinet dit passend. Het kabinet zet zich ervoor in EU-middelen aanvullend in te zetten en daarmee meerwaarde te creĆ«ren.

Vraag 23

In artikel 41 legt de EU zich een zelfbeperking op met betrekking tot steun aan oliehoudende zaden. Waarom is deze bepaling nodig, vragen de leden van de Volt-fractie? Is het niet vanzelfsprekend dat de EU-wetgeving aan internationale verplichtingen moet voldoen? Wat gebeurt er als de Verenigde Staten van Amerika zich niet aan de afspraken houden, vragen deze leden?

Antwoord

De Commissie refereert in artikel 41 aan de internationale afspraken, in het kader van de GATT, die tussen de VS en EU zijn gemaakt over de omvang van de areaal-gebonden steun voor oliehoudende zaden. Om als EU aan deze internationale verplichting te kunnen voldoen, wordt middels artikel 41 verzekerd dat de totale omvang van de areaal steun door individuele lidstaten gezamenlijk het maximale steunareaal voor de gehele Unie niet overschrijdt. Net als de EU zijn ook de VS gehouden aan deze internationale afspraken. Bij het niet voldoen aan de afspraken kunnen partijen dit opbrengen in WTO-kader.

Vraag 24

In antwoord op een toezegging5 aan de Eerste Kamer hebt u aangegeven dat u geen inkomsten vanuit de structuurfondsen hebt op de begroting van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Kunt u aangeven hoeveel geld nu al door lokale en regionale overheden is ontvangen uit de structuurfondsen voor de periode 2020-2027, hoeveel geld wordt verwacht aan het einde van de betalingsperiode en hoeveel geld de regering verwacht te halen uit de periode 2028-2034?

Antwoord

De bijdrage uit structuurfondsen ligt vast in landenenveloppen. Voor het huidige MFK (2021-2027) zal Nederland uit de structuurfondsen in totaal circa EUR 1,5 miljard ontvangen, waarvan het grootste gedeelte regionaal of lokaal wordt uitgevoerd. Op basis van de verdeelsleutels in het Commissievoorstel voor de periode van het volgend MFK (2028-2034) verwacht Nederland in totaal EUR 7,9 miljard te ontvangen uit het NRPP (exclusief het SCF, vooralsnog een apart fonds).6 Hiervan is EUR 0,8 miljard gereserveerd voor migratie, grensbeheer en visa en interne veiligheid. Financiering voor het GLB en de structuurfondsen moet komen uit de resterende ruimte van EUR 7,1 miljard. Hiervan is bijna EUR 5,1 miljard specifiek gereserveerd in het Commissievoorstel voor inkomenssteun aan boeren en EUR 37 miljoen voor het Gemeenschappelijk Visserijbeleid. De overblijvende circa EUR 2 miljard is beschikbaar voor de structuurfondsen, het overige deel van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en mogelijke andere prioriteiten die onderdeel zijn van het NRPP. De Kamer zal voor de zomer worden geĆÆnformeerd over het proces richting de uitwerking van het NRPP in Nederland.

Voorstel COM(2025)552

De leden van de Volt-fractie hebben de volgende vragen over de voorgestelde verordening COM(2025)552 met betrekking tot het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en Interreg:

Vraag 25

In de nieuwe systematiek wordt meer met mijlpalen gewerkt die aan maatregelen zijn verbonden, zien de leden van de Volt-fractie. Hoe zit dat met de Interreg-programma’s? Welke mijlpalen zijn hier relevant? Kan er bijvoorbeeld een link worden gelegd met de uitvoering van interne marktwetgeving? Zou de uitvoering van deze wetgeving als conditionaliteit kunnen worden gesteld?

Antwoord

De Commissie stelt voor om het hele MFK veel sterker prestatiegedreven te maken. Interreg valt onder het regelgevend kader van het NRPP, maar het Interreg Plan wordt buiten de nationale plannen geplaatst vanwege de transnationale governance en krijgt een zelfstandig budget. Alle Interregprogramma’s krijgen een eigen hoofdstuk in het Interreg Plan, gebaseerd op de partnerschappen tussen de betrokken lidstaten en regio’s. Ook het prestatiekader is op Interreg van toepassing, maar hervormingen zijn hierbij minder van belang. Macro-economische conditionaliteiten zijn niet van toepassing op Interreg, omdat deze lidstaatspecifiek zijn en daarom worden gekoppeld aan de landenenveloppen van het NRPP.

Vraag 26

Hoe kijkt u aan tegen de toegekende middelen voor dit programma? Aangezien veel van de problemen volgens de leden van de Volt-fractie worden veroorzaakt door de niet-vervolmaking van de EU interne markt, vragen deze leden of het niet voor de hand zou liggen om in dit programma expliciet middelen toe te wijzen aan investeringen, juist ook voor interregionale samenwerking.

Antwoord

Het doel van Interreg is juist om Europese samenwerking te stimuleren en grensbarriĆØres tegen te gaan. Het kabinet vindt het belangrijk om in het toekomstig MFK samenwerking tussen Europese steden en regio’s te blijven stimuleren en vindt het positief dat er voor Interreg een zelfstandig budget beschikbaar staat opgenomen binnen het Commissievoorstel voor het NRPP.


  1. COM(2025)565 – Voorstel voor een Verordening tot oprichting van het Europees Fonds voor economische, sociale en territoriale cohesie, landbouw en platteland, visserij en maritieme zaken, welvaart en veiligheid voor de periode 2028-2034 en tot wijziging van Verordening (EU)2023/955 en Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 (d.d. 16 juli 2025) en COM(2025)552 – Voorstel voor een Verordening tot oprichting van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, met name voor de Europese territoriale samenwerking (Interreg), en van het Cohesiefonds in het kader van het bij Verordening (EU […] [NRP-verordening] opgerichte fonds, en tot

    vaststelling van de voorwaarden voor de uitvoering van de ondersteuning van de Unie voor de regionale ontwikkeling in de periode van 2028 tot en met 2034 (dd. 16 juli 2025).ā†©ļøŽ

  2. https://www.eerstekamer.nl/bijlage/20251022/bnc_fiche_bij_com_2025_565_2/document3, p.2ā†©ļøŽ

  3. BNC fiche NRPP (2025), https://open.overheid.nl/documenten/416d4fb9-ebb9-4694-a163-c11deeb1f7bc/fileā†©ļøŽ

  4. Kamerstuk 22112-4144ā†©ļøŽ

  5. Kamerstuk 22 112, nr. 4146ā†©ļøŽ

  6. https://op.europa.eu/en/publication-detail/-/publication/3b71c5de-d707-11f0-8da2-01aa75ed71a1/language-en?WT.mc_id=Searchresult&WT.ria_c=55576&WT.ria_f=9125&WT.ria_ev=search&WT.URL=https%3A%2F%2Fcommission.europa.eu%2Fā†©ļøŽ