Conceptverslag Tbs
Verslag van een commissiedebat
Nummer: 2026D14976, datum: 2026-03-25, bijgewerkt: 2026-03-31 14:17, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-03-25 14:00: Tbs (Commissiedebat), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
Preview document (🔗 origineel)
Tweede Kamer, Tbs
VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Concept
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft op 25 maart 2026 overleg gevoerd met mevrouw Van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, over:
de brief van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid d.d. 4 februari 2025 inzake hoger beroep inzake kortgeding jegens CTP Veldzicht (24587, nr. 1018);
de brief van de minister van Asiel en Migratie d.d. 19 maart 2025 inzake uitvoering van de motie van het lid Lahlah over een overgangsperiode van een jaar om een plan te kunnen opstellen om de kennis en expertise over asielzoekers met ernstige psychische problemen voldoende over te kunnen dragen (Kamerstuk 24587-1016) en van de motie van de leden Podt en Lahlah over de overgangsperiode pas beëindigen en de noodbedden in CTP Veldzicht pas afbouwen als er met de sector een volwaardig alternatief is gerealiseerd (Kamerstuk 24587-1013) (24587, nr. 1028);
de brief van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid d.d. 16 april 2025 inzake toekomst klinieken Den Dolder (33628, nr. 108);
de brief van de staatssecretaris Rechtsbescherming d.d. 1 juli 2025 inzake voortgang forensische zorg (33628, nr. 110);
de brief van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid d.d. 27 november 2025 inzake beleidsreactie op inspectierapporten "Incidentonderzoek dodelijk steekincident Erasmusbrug" en "Incidentonderzoeken onder de loep" (24587, nr. 1082);
de brief van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid d.d. 12 januari 2026 inzake beantwoording vragen commissie over de opzet van de periodieke rapportage forensische zorg (33628, nr. 113).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en
Veiligheid,
Eerdmans
De griffier van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid,
Burger
Voorzitter: Ellian
Griffier: Meijer
Aanwezig zijn zes leden der Kamer, te weten: Abdi, Ellian, Faber, Schilder, Sneller en Straatman,
en mevrouw Van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Aanvang 14.01 uur.
De voorzitter:
We gaan beginnen. Ik open deze vergadering van de vaste commissie voor
Justitie en Veiligheid. Op de agenda staat het commissiedebat over tbs.
Dat was voorheen het commissiedebat over het gevangeniswezen, maar de
onderwerpen zijn losgekoppeld. Ik denk dat dit onderwerp een debat op
zichzelf rechtvaardigt. Ik heet de staatssecretaris en haar
ondersteuning, geïnteresseerden in de zaal, geïnteresseerden die op
andere wijze dit debat volgen en uiteraard de collega's van harte
welkom. We gaan snel beginnen. Ik stel de standaardregel voor: drie
interrupties onder de 45 seconden. We gaan beginnen met mevrouw Faber
voor haar eerste termijn namens de PVV-fractie.
Mevrouw Faber (PVV):
Dank u wel, voorzitter. "Gekken worden niet beter. Die blijven gek. Dat
is hun tragiek." Dit citaat van Boudewijn Büch past bij de uitspraak van
de psycholoog en hoofdonderzoeker van de Van der Hoeven Kliniek in
Utrecht. "Wij genezen geen mensen", zegt Smid. "Je kunt iemand vaak ook
niet van pedofilie of autisme genezen. We richten ons op gedrag. Hoe kan
iemand met stoornissen omgaan zonder delicten te plegen?" Het doel van
tbs, namelijk gevaarlijke daders met psychische stoornissen behandelen
van een stoornis die eigenlijk niet te behandelen is, is wankel. De bron
van de ellende, de stoornis, blijft. Zo gaf Mels van B. zelf aan een
geboren pedofiel te zijn. Jarenlang misbruikte hij kinderen op
gruwelijke wijze. Hij was nog altijd verliefd op een van zijn
slachtoffertjes, waarmee hij het liefst een relatie zou willen beginnen.
Hij kreeg achttien jaar cel en tbs. Maar valt zo iemand wel te
behandelen?
Het is ook niet hard te maken of …
De voorzitter:
U heeft een interruptie. Ik was nog even aan het opwarmen als
voorzitter.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik sloeg aan op het citaat van mevrouw Faber. Zij haalde de Van der
Hoeven Kliniek aan. Toevallig ben ik daar twee weken geleden geweest. Ik
was zwaar onder de indruk van de manier waarop de mensen daar
samenwerken. Maar ik kan me geenszins herkennen in het citaat dat
mevrouw Faber voorleest. Mijn vraag is eigenlijk: is mevrouw Faber daar
ooit geweest en kan zij toelichten hoe zij aankijkt tegen de manier van
werken daar?
Mevrouw Faber (PVV):
Ik ben er nooit geweest, maar dit citaat van de psycholoog en
hoofdonderzoeker van de Van der Hoeven Kliniek heb ik uit de media
gehaald. Het is gewoon een citaat. Het stond ook tussen
aanhalingstekens, dus ik ga ervan uit dat dat ook echt gezegd is. Ik ben
er niet geweest, maar we hebben wel vaker debatten over locaties waar we
nooit zijn geweest. Ik ben bijvoorbeeld nooit in Afghanistan geweest,
maar ik heb het wel gehad over beveiligers die ik niet terug wilde
halen. Je hoeft er niet per se geweest te zijn om er toch een mening
over te hebben.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dat klopt. Ik kan ook niet overal komen. Wat mij bij de Van der Hoeven
Kliniek opviel — ik wil niet specifiek ingaan op deze kliniek, maar u
haalde deze aan — is dat er heel mensgericht wordt gewerkt, op een
manier die in Nederland uniek is. Men werkt niet eens met piepers, omdat
ze heel erg de patiënt als persoon centraal stellen. Ik kan mevrouw
Faber van harte aanbevelen om daar ook een keer langs te gaan. Dan zal
zij, denk ik, ook zien dat ze daar op een hele andere manier met mensen
omgaan. Want ook tbs-patiënten die de meest verschrikkelijke dingen
hebben gedaan, blijven mensen. Laten we die ook op een menswaardige
manier behandelen.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik wil hier natuurlijk nog wel eventjes nader op ingaan. Ik kom verder
in mijn inbreng nog op deze humane manier van werken terug. Er is
natuurlijk ook een andere kant van de medaille.
Voorzitter. Ik ga verder. Het is niet hard te maken of tbs'ers na hun
behandeling minder recidiveren. Er is geen controlegroep. Hoeveel
ex-tbs'ers kunnen weer zelfstandig functioneren? Er is hierover geen een
cijfer bekend. Opvallend, niet? Of zijn er wel cijfers bekend, maar
worden deze niet openbaar gemaakt? Graag een reactie van de
staatssecretaris. Ik geef u op een brief dat als tbs een succesverhaal
zou zijn, de betrokkenen over elkaar heen zouden buitelen om het succes
te claimen. Maar als de resultaten te pover zijn, wordt het eigen
verdienmodel natuurlijk niet ter discussie gesteld. Ik vraag de
staatssecretaris dan ook om het aantal ex-tbs'ers dat weer zelfstandig
kan functioneren, in kaart te brengen.
Voorzitter. De realiteit is dat tbs'ers na hun behandeling doorstromen
naar de ggz of beschermde woonvormen. Zij blijven dus begeleiding en
toezicht nodig hebben. Dat gaat gepaard met een gepeperde rekening. Als
ze er vervolgens uit komen, is huisvesting een probleem. Wellicht
geïnspireerd door de Spreidingswet, die van heel Nederland één groot azc
maakt, komt de directeur van de Mesdagkliniek, Harry Beintema, met het
idee om een spreidingswet voor tbs'ers en ex-tbs'ers in het leven te
roepen. Nederland wordt dan niet alleen één groot azc maar ook één groot
gekkenhuis. Het klinkt wel nobel om via tbs de weg te effenen voor
gestoorden om terug te keren naar de samenleving, maar hoe humaan is het
om de maatschappij bloot te stellen aan pedofielen, sadisten,
verkrachters, lustmoordenaars en andere gekken? Een van de doelen van
tbs is toch het beschermen van de samenleving tegen deze daders? Die
moet je opsluiten en niet meer loslaten. Graag een reactie van de
staatssecretaris.
Frappant zijn de voorbeelden waaruit blijkt dat de daders zich wel
bewust zijn van het feit dat hun gruwelijke gedrag fout is. Zo fietste
Jesse R. bewust naar de Praxis om een moordwapen te kopen. Nadat hij
zijn moeder had onthoofd met een bijl en haar vriend onverwachts voor de
deur stond, vluchtte hij weg met het afgehakte hoofd.
Voorzitter. Voor ieder kind is het eigen verjaardagsfeestje een van de
hoogtepunten van het jaar. Maar voor de 11-jarige Sohani en haar familie
werd het een gitzwarte dag. Voor de ogen van haar broertje, neefje en
nichtje werd zij doodgestoken door Hamzah L. De rechtbank oordeelde dat
de verdachte niet strafbaar is, omdat een psychose de verdachte volledig
in haar greep zou hebben gehad. Maar hij was wel genoeg bij zinnen om
zich te ontdoen van het door hem gebruikte mes en zijn bebloede jas. Het
mes werd op het schuurtje in de tuin gegooid, en de jas in de kliko. Dat
wekt toch sterk de indruk dat de verdachte zijn sporen heeft willen
uitwissen. Hij kreeg enkel een behandeling, geen straf. De slachtoffers
kregen geen genoegdoening.
Hamzah L. gaat de tbs-kliniek in. Alle tbs-klinieken hebben een eigen
kamer met een bed, zitje en toilet. Het is een kamer, geen cel. Een
tbs-deskundige geeft het volgende aan: "Het klinkt misschien gek, maar
tbs-patiënten mogen het soms ook leuk hebben in de kliniek. Denk aan
werken, hobby's en sport." Smid zegt dat het allemaal mogelijk en zelfs
verplicht is. Maar hoe denkt mevrouw Smid dat dit overkomt op de ouders
van Sohani?
Voorzitter. Het probleem wordt alleen maar groter: het aantal tbs'ers
neemt alleen maar toe. Een deel van de tbs'ers heeft een
migratieachtergrond. Dat is nog een extra reden om de grenzen te
sluiten. Tbs is een behandeling, geen straf, met een kostenplaatje van
ongeveer €500 per dag. Ter vergelijking: een alleenstaande AOW'er krijgt
€53 netto per dag.
Voorzitter. Tbs is een behandeling die niet werkt. Als je op een dood
paard zit, kan je beter afstappen. Wat kost een tbs'er op de longstay
eigenlijk? Schaf de tbs dus af. Sluit daders met een zware stoornis op
en laat ze nooit meer los op de maatschappij.
De voorzitter:
Ik heb u wat respijt gegeven, want we hebben tijd genoeg, denk ik. Dan
is het woord aan mevrouw Schilder van Groep Markuszower.
Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):
Voorzitter, dank u wel. We spreken vandaag over de
terbeschikkingstelling. Tbs is geen straf, maar een hele dure maatregel
die de samenleving moet beschermen door daders te behandelen en veilig
terug te laten keren in de maatschappij. Dat is een nobele gedachte met
zeer matige resultaten.
Het zoveelste onderzoek ligt vandaag voor, over de Erasmusbrugsteker.
Het laat zien hoe het falende tbs-systeem onze samenleving in gevaar
brengt. De dader was al bekend bij de politie voordat hij tbs kreeg
opgelegd. Ondanks het feit dat er aanwijzingen waren voor
radicalisering, greep niemand in. Tijdens zijn tbs-behandeling gebruikte
hij drugs, wat zijn psychische toestand verergerde. Maar volgens de
verantwoordelijke instanties was dat "normaal experimenteergedrag voor
een jongere". Ze gaven een ernstig psychotische tbs'er slechts een
waarschuwing. Het resultaat: een dodelijke steekpartij op de
Erasmusbrug.
De samenleving was geschokt, maar in het onderzoek naar de instanties
lezen we een aanbeveling waarin vooral geroepen wordt dat instanties zo
hard werken; dat is weer typisch overheidsbeleid. Ik heb respect voor
medewerkers van klinieken, maar hard werken is normaal. Waar je in het
bedrijfsleven wordt aangesproken of soms zelfs ontslagen als je fouten
maakt, zien we dat er bij overheidsinstanties geen verantwoording wordt
afgelegd. Het gaat hier om mensenlevens. Mijn vraag aan de
staatssecretaris is hoeveel ellende er nog nodig is voor er wél iemand
ter verantwoording wordt geroepen. Wanneer is het genoeg?
Dan de kosten. Volgens TBS Nederland zijn de kosten voor tbs gemiddeld
€465 per dag. Dat is bijna €170.000 per tbs'er per jaar. Dit is nog
zonder schadevergoedingen die worden uitgedeeld aan tbs'ers op de
wachtlijst. Vorig jaar ging dat om meer dan €350.000. De
belastingbetaler betaalt ten eerste dus voor de volledige behandeling,
en betaalt die tbs'er dan ook nog eens compensatie door
capaciteitsproblemen. Bij dit soort beleid vraag je je af wie er
eigenlijk behandeling nodig heeft: de dader of de mensen die dit systeem
blijven verdedigen? Hoe legt de staatssecretaris aan de hardwerkende
Nederlander uit dat die, naast de behandelingskosten waar tbs'ers zelf
geen cent aan bijdragen, ook opdraaien voor deze schadevergoedingen? Kan
zij toezeggen dat we hier direct mee stoppen? En wat krijgen we terug
voor al die honderden miljoenen aan behandeling? Een op de drie
ex-tbs'ers pleegt binnen vijf jaar weer een ernstig delict. Nuttig, die
tbs.
Voorzitter. Dan het aandeel vreemdelingen en asielzoekers in onze
tbs-klinieken; mensen die nooit iets bijdragen aan de samenleving, maar
alleen problemen veroorzaken, waarvoor Nederlanders weer de kosten
dragen. In Veldzicht gaat het om maar liefst 80%, terwijl bijna 300
mensen — betaald — op de wachtlijst staan. Dit zou per 1 april stoppen,
maar die termijn is inmiddels weer verlengd. Het is absurd dat bedden
worden bezet door ongedocumenteerden, illegalen die het recht niet
hebben hier te zijn, waarvan het thuisland zegt: wij willen ze niet. Zij
kunnen hier niet worden uitgezet vanwege een tbs-maatregel. Ik vraag de
staatssecretaris hoe het kan dat iemand die hier nooit had mogen zijn,
hier blijft omdat hij in een systeem zit waarin hij niet thuishoort.
Mijn fractie wil dat illegalen het land uitgaan. Ik wil van de
staatssecretaris de toezegging dat er geen één bed meer naar een
illegale gaat en dat er geen extra verlenging meer komt voor het
plaatsen van vreemdelingen in Veldzicht.
Afrondend, voorzitter.
De voorzitter:
Ja, rond eerst maar af.
Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):
Zoals u kunt merken, zijn wij geen fan van het tbs-systeem. Het is duur,
de dader wordt betutteld, een op de drie gaat weer de fout in en
instanties blijven fouten maken, waardoor de samenleving de prijs blijft
betalen.
Gezien de tijd laat ik het hierbij.
De voorzitter:
Oké. Een interruptie van mevrouw Abdi.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Mevrouw Schilder doet nu een oproep voor Veldzicht, dat het niet
verlengd mag worden en dat die extra bedden er niet bij mogen komen.
Mijn vraag aan mevrouw Schilder is dan: waar moeten die mensen dan
naartoe?
Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):
De illegalen horen hier niet thuis. Die moeten het land uit; daar hebben
we geen verplichtingen aan. Ik zou ook niet weten waarom we daar steeds
verplichtingen voor dragen. Als het gaat om asielzoekers: asielzoekers
die zich misdragen, wat hier dus aan de hand is, want anders zitten ze
hier niet, kunnen we het land uitzetten.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Ik ben eigenlijk blij dat ik hier zit, omdat ik ook het perspectief heb
van een lokaal politicus. Ik kan een voorbeeld meegeven van toen ik
gemeenteraadslid was in Amsterdam. Toen werd iemand op de trein gezet,
terwijl die behandeling nodig had in Veldzicht en een gevaar was voor
zichzelf en de samenleving, door een PVV-minister die hier naast u zit,
met het idee van "zoek het maar lekker uit" of "zet ze het land uit".
Ondertussen werden er moedwillig Amsterdammers in gevaar gebracht door
dit populistisch taalgebruik. Ik zou mevrouw Schilder willen vragen om
kritisch na te denken over het volgende. Gaat het u om de veiligheid van
onze samenleving en het behandelen van mensen die ziek zijn, of wilt u
alleen een verhaal ophouden dat heel stoer klinkt maar in de praktijk
eigenlijk niks oplevert voor diezelfde burgers?
Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):
Nou, ik denk dat als die mensen het land niet inkomen, en zeker ook als
die mensen het land uit worden gezet op het moment dat ze deze problemen
veroorzaken, we dit probleem ook niet hebben.
De voorzitter:
Oké. Mevrouw Faber, kunnen we het zo doen dat u hierop reageert? Ja, dat
klinkt een beetje gek, maar mevrouw Abdi adresseerde mevrouw Faber, dus
ik wil haar de kans geven daar in de vorm van een persoonlijk feitachtig
iets over te zeggen, zonder dat we daar een heel debat over
krijgen.
Mevrouw Faber (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Mevrouw Abdi had het over een persoon die op te
trein was gezet, die een gevaar voor de samenleving was, en ik zou
gezegd hebben "zoek het maar uit". Ten eerste: de individuele gevallen
ken ik niet. Waarschijnlijk had dit te maken met de lvv-regeling, de
bed-bad-broodregeling, die ik wilde afschaffen. Het was namelijk zo dat
er afspraken waren gemaakt betreffende lvv. Illegalen zouden tijdelijk
onderdak krijgen als ze zouden meewerken aan hun uitzetting, als ze
terug zouden gaan naar het land van herkomst. Dat was — hoe heet het
nou? — het initiatief voor de lvv. Maar daar werd misbruik van gemaakt
door de gemeente Amsterdam, want die zette daar ook haar eigen daklozen
in. Ik werd namelijk voor de rechter getrokken. Al die zaken werden
allemaal persoonlijk bekeken, want er waren altijd van die linkse
advocaten die daarin meegingen. Toen bleek dus dat er niet alleen maar
illegalen zaten. Het barstte er van de daklozen, die de gemeente
Amsterdam ander had moeten opvangen. Die werden op kosten van het
ministerie van Asiel en Migratie opgevangen. Daar ging ik tegenin. Dat
wilde ik afschaffen.
De voorzitter:
Oké. De toelichting is gegeven. Laten we niet … Volgens mij is dit
eerder al — ik zat daarbij — in een commissiedebat aan de orde geweest.
Toen zat mevrouw Abdi in Amsterdam, en was u minister.
Goed, mevrouw Schilder was aan het einde van haar betoog gekomen. Dan
gaan we naar mevrouw Straatman voor haar eerste termijn namens de
CDA-fractie.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank u wel, voorzitter. De afgelopen weken heb ik meerdere tbs-klinieken
mogen bezoeken. Ik ben onder de indruk geraakt van de inzet, toewijding
en mensgerichtheid waarmee medewerkers in de klinieken werken. Het
tbs-systeem werkt en houdt Nederland veilig; dat blijkt opnieuw uit
WODC-onderzoek, waarin staat dat recidive onder ex-tbs-gestelden
aanzienlijk lager is dan bij ex-gedetineerden en dat ernstige
geweldsrecidive beperkt blijft. Het tbs-systeem is dus een Nederlands
unicum om gewoon trots op te zijn.
Bijna verbloemt dit dat de problemen in de tbs ook groot zijn. Ook hier
geldt namelijk code zwart. Op dit moment wachten ongeveer 270
tbs-passanten in de gevangenis op plaatsing in een kliniek. Wachttijden
lopen soms op tot maanden of jaren. Dat ondermijnt het systeem, want
behandeling start niet en de druk op het gevangeniswezen neemt toe.
Daarom mijn belangrijkste vragen vandaag aan de staatssecretaris: hoe
gaat de staatssecretaris op korte termijn zorgen voor betere doorstroom
van tbs-passanten naar klinieken; hoe worden bestaande plekken beter
benut?
De staatssecretaris zet ook goed in op technologie en innovatie — dat
heeft zij in haar brief toegelicht — met een innovatiefonds. Maar hoe
ziet zij dat fonds voor zich? Hoe reageert zij op de conclusie van de
Rekenkamer dat beschikbare data nog onvoldoende worden benut? En
daarnaast: welke stappen onderneemt de staatssecretaris om capaciteit
structureel uit te breiden? Hoe zorgt zij daarbij voor lokaal draagvlak,
ook gezien de huisvestingsproblematiek bij bijvoorbeeld Fivoor? Tot slot
op dit punt: wat betekenen de huidige wachttijden voor patiënten met
gemaximeerde tbs? Hoe voorkomen we dat een vertraagde start een
effectieve behandeling belemmert? De staatssecretaris geeft aan in te
zetten op de start van behandeling in detentie. Dat is mooi, maar niet
alle gevangenissen hebben ppc's. Hoe ziet de staatssecretaris dit voor
zich, en kan zij aangeven of zij prioriteit kan geven aan de groep
tbs'ers met gemaximeerde tbs als het gaat om die behandeling in
detentie?
Voorzitter. Code zwart vraagt om actie op de korte termijn, maar ook om
structurele verbeteringen op de lange termijn. Ik wil daarbij drie
punten uitlichten.
Allereerst de financieringssystematiek. Die bestaat uit twee delen: een
variabel deel, een dagtarief op basis van de bedletter voor de inzet van
psychologen, psychiaters en sociotherapeuten, en een vast deel op basis
van dagbesteding. Financiële prikkels in het systeem sturen nu dus op de
inzet van behandelaren via het dagtarief, terwijl sommige klinieken
juist heel succesvol inzetten op dagbesteding als zwaartepunt van de
behandeling. Denk bijvoorbeeld aan de Van der Hoeven Kliniek, waar we
het zojuist over hadden. Die ruimte moet er wat het CDA betreft ook
zijn. Wat het CDA betreft moet de financieringssystematiek
beleidsneutraal zijn. Mijn vraag aan de staatssecretaris is hoe zij dat
ziet. Is zij bereid te onderzoeken of een meer beleidsneutrale
financiering, bijvoorbeeld via een geïntegreerd dagtarief, mogelijk
is?
Ten tweede: de eigen bijdrage in de forensische zorg. Daarvoor is al een
wettelijke basis gecreëerd; het komt nu alleen nog aan op de uitvoering.
De staatssecretaris wijst op impactanalyses, maar die stemmen nog niet
heel hoopgevend. Maar voortgang is wel belangrijk, niet alleen omdat het
verschil met de reguliere ggz lastig uit te leggen is, maar ook omdat
een financiële prikkel de doorstroom en resocialisatie kan bevorderen.
Wij krijgen namelijk signalen dat het ontbreken van een financiële
prikkel maakt dat patiënten in het lichtste tbs-behandelingsregime
liever nog wat langer van bijvoorbeeld die financieel gunstige
woonvormen gebruikmaken.
Herkent de staatssecretaris deze signalen? Met welk tijdspad houdt de
staatssecretaris nu rekening voor de zorgvuldige uitvoering van de eigen
bijdrage? Tot slot op dit punt: wat is de reactie van de
staatssecretaris op de aanbeveling van het CAK om de eigen bijdrage
mogelijk vorm te geven via een verlaging van de uitkering tot het zak-
en kleedgeldniveau?
Voorzitter. Mijn derde punt is de inzet van ervaringsdeskundigen. De
succesverhalen worden vaak niet gehoord, niet in de media, maar ook niet
binnen de muren van de tbs-klinieken. Steeds meer klinieken
experimenteren daarom met de inzet van ervaringsdeskundigen om patiënten
in de kliniek positief te motiveren. Welke mogelijkheden ziet de
staatssecretaris om de inzet van ervaringsdeskundigen breder toe te
passen? Welke stappen kan zij zetten om die praktijkbelemmeringen,
evenals wettelijke belemmeringen, weg te nemen?
Voorzitter, tot slot. Zoals ik net ook al zei, blijven succesverhalen
over tbs vaak onderbelicht. Maar ze zijn er wel, en veel ook. Als één
les mij bijbleef na mijn werkbezoeken, dan is dat: durf ook de
succesverhalen te benoemen. Daarom is mijn slotvraag als volgt. Hoe
zorgt de staatssecretaris ervoor dat we niet alleen leren van wat
misgaat, maar ook zichtbaar maken wat goed gaat? Zo versterken we het
vertrouwen in het stelsel.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u. U bent ruim over de tijd, maar ik heb het toegelaten.
De heer Sneller (D66):
Het was een mooi verhaal!
De voorzitter:
De tijdsbeperking geldt zonder aanzien des verhaals, zeg ik maar.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik heb even een vraagje. De spreekster zegt dat er veel succesverhalen
over tbs zijn. Waar baseert ze dat op? Heeft ze daar aantallen van? Weet
ze hoeveel mensen succesvol behandeld zijn en zonder begeleiding weer de
maatschappij in kunnen? Of is het enkel een gevoel?
Mevrouw Straatman (CDA):
Het is zeker geen gevoel. Volgens mij zaten er in de stukken voor dit
commissiedebat ook weer meerdere WODC-onderzoeken waaruit bijvoorbeeld
blijkt dat de recidive onder ex-tbs-gestelden gewoon lager is dan bij
een gedetineerde en dat de geweldsrecidive heel beperkt blijft. Die
cijfers zijn dus bekend. Ze worden keer op keer onderzocht en keer op
keer bevestigd.
Mevrouw Faber (PVV):
Even over die recidive. Daar kunnen we nog wel een boom over opzetten.
Ten eerste is er namelijk geen controlegroep. De mensen die uit de tbs
komen, zijn vaak oudere mensen. Het zijn vaak mensen met zedendelicten.
In de gevangenis zitten heel veel drugsverslaafden. Zij hebben een hele
grote kans om weer terug te vallen in hun oude patroon. Zij zitten daar
ook korter. Het zijn er in verhouding ook minder. Ik vind dus dat u dit
niet zomaar met droge ogen op deze manier op tafel kunt leggen, mevrouw
Straatman. U kunt het niet staven.
Mevrouw Straatman (CDA):
Volgens mij vroeg mevrouw Faber mij zojuist naar de cijfers. Die gaf ik.
Vervolgens zegt mevrouw Faber dat die cijfers niet kloppen. Er is
uitgebreid onderzoek naar gedaan. Daar verwijs ik naar. Het is ook de
ervaring van een heleboel experts. Als mevrouw Faber het niet eens is
met het onderzoek, kan ik daar niks aan veranderen.
De voorzitter:
Dan gaan we naar de eerste termijn van D66. Die wordt uitgesproken door
meneer Sneller.
De heer Sneller (D66):
Dank u wel, voorzitter. Net als bij het gevangeniswezen zit het muurvast
in de tbs. Mensen zitten te lang in een kliniek terwijl ze daar niet
horen en mensen zitten te lang in de gevangenis terwijl ze eigenlijk
naar de kliniek zouden moeten.
Dat komt door verschillende factoren. De opleggingen zijn toegenomen. De
uitstroom is gelijk gebleven. De behandelduur is toegenomen. Het aantal
plekken is afgenomen. Thuis zeiden wij dan: daar waar niet afgaat en wel
bijkomt, daar wordt meer. Dat loopt dus op een gegeven moment spaak. Dat
is nu het geval. Volgens mij wordt er in de voortgangsrapportage goed
uiteengezet dat dan ook het hele systeem moet meewerken. Mijn vraag aan
de staatssecretaris is wat zij daar precies voor gaat doen.
Er wordt gezegd en door advocaten gesuggereerd: kijk naar een taskforce.
Wat mij betreft volgt vorm functie. Wat is het doel? Wat moet er
gebeuren? Ik hoor graag wat de staatssecretaris denkt dat er nodig is.
Vervolgens kunnen we kijken welk instrument daar het beste bij past. Er
wordt gekeken naar de toch tamelijk ingewikkelde marktordening die er nu
is. Er wordt gekeken naar een beschikbaarheidsvergoeding en een
garantstelling. Mijn vraag, ook op basis van de input van het Forensisch
Netwerk, is naar welke reikwijdte door de staatssecretaris precies wordt
gekeken om dat vorm te geven. Gezien de dynamiek in deze sector, kan
algehele marktwerking zonder goeie overheidsgaranties gewoon niet
werken.
Dan ligt er ook een mooi onderzoek over lokaal draagvlak. Mijn vraag aan
de staatssecretaris is wat daar nu al mee gebeurt. Er wordt gezegd:
tijdige communicatie, transparantie in informatie over de locatie,
duidelijkheid over de beveiliging en het faciliteren van verbinding met
omwonenden. Dat geldt niet alleen bij de zoektocht naar alternatieve
huisvesting voor Den Dolder, maar ook voor de plekken waar nu al een
kliniek gevestigd is. Laten we vooral zorgen dat daar niet dezelfde
onrust ontstaat.
Dan het WODC-onderzoek. Dat zegt inderdaad dat het beleid
evidence-informed moet zijn. Dat was in 2017, bij de extra
wetswijziging, niet het geval. Ik ben dus erg benieuwd welke lessen de
staatssecretaris daar voor zichzelf uit haalt.
In 2023 hebben wij een rondetafelgesprek gehad met onder anderen een
ervaringsdeskundige, kan ik me herinneren. Hij vertelde over zijn
ervaringen en hoe hij weer op het goede pad gekomen was. Maar daar kwam
ook de Fokkensregeling langs. Daar is ook een Kamermotie over
aangenomen. Ik heb er in het verleden ook schriftelijke vragen over
gesteld. Mijn vraag is welke gevolgen de staatssecretaris ziet van
afschaffing of het op een andere manier weer invoeren van de huidige
regeling om wat aan de problematiek te doen. Welke effecten verwacht zij
op de doorstroming?
Dan de ggz-capaciteit. Door veel mensen wordt naar de werkagenda
verwezen, met het idee dat daar verbetering en betere doorstroming
vandaan moet komen. Tegelijkertijd zit het niet in de portefeuille van
deze staatssecretaris. Ze is er voor een deel echter wel van
afhankelijk. Hoe ziet zij die wederzijdse afhankelijkheid ten opzichte
van VWS? Wat gaat ze doen om die kokers te doorbreken? Uiteindelijk moet
het namelijk wel in het kader van het hele systeem werken. Ook de ggz
moet daarin meewerken.
Er werd al even verwezen naar Veldzicht. Ik ben blij dat nu enigszins
wordt uitgesteld wanneer dat helemaal moet zijn afgebouwd. Maar wat is
de garantie dat het op die datum wél geregeld is? Of is het een
voorlopige verlenging? Inderdaad, ik zie ook dat er ruimte moet komen
voor de tbs-populatie. Tegelijkertijd hebben de mensen die er nu vanuit
de doelgroep van het COA zitten, ook zorg nodig. Mijn vraag aan de
staatssecretaris is dus hoe ze dat op een goede manier gaat doen.
Ten slotte, voorzitter. Ik hou het heel kort. De laatste alinea van de
voortgangsbrief zegt: er is ook een langere termijn; we zijn net als bij
het gevangeniswezen veel op de korte termijn aan het sturen, omdat de
problemen zo groot zijn. Hoe houdt de staatssecretaris de lange termijn
in het oog? Laten we deze problemen zo snel mogelijk oplossen. Zo kunnen
we het ook weer over de langere termijn hebben.
Dank u wel.
De voorzitter:
We gaan naar mevrouw Abdi voor haar eerste termijn namens
GroenLinks-PvdA.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Het voordeel van als laatste gaan is dat heel veel
nuttige dingen al door collega's zijn gezegd. O ja, ik ben de
een-na-laatste! Excuus, voorzitter. In de eerste plaats wil ik mijn
complimenten uitdelen aan al het personeel dat werkzaam is in de
tbs-sector. Zij staan natuurlijk enorm onder druk. Zij doen hun werk met
heel veel passie en toewijding, omdat ze daarmee bijdragen aan de
veiligheid van Nederland.
Maar de tbs-sector staat inderdaad onder druk. Zo'n 270 veroordeelden
wachten gemiddeld twee jaar op een behandelplek. Dat is twee jaar zonder
behandeling. Dat is niet alleen onrechtvaardig, maar ook gevaarlijk. De
staatssecretaris heeft een reeks maatregelen gepresenteerd, waarvoor
dank. We waarderen die inzet. Maar ik vind het ook belangrijk om eerlijk
te benoemen dat 27 extra plaatsen op een wachtlijst van 270 mensen
natuurlijk niet in de buurt komen. Ik sluit me dus aan bij de eerdere
vragen die zijn gesteld. Hoe kijkt de staatssecretaris daarnaar? Wat
voor mogelijkheden hebben we om de capaciteitsuitbreiding te doen? Welke
opties liggen er eventueel op tafel?
De kern van het probleem zit uiteindelijk namelijk in de doorstroom. In
de ggz is het ook helemaal verstopt. Morgen is er ook een debat over de
ggz. Eerder heeft de ggz-sector vrij kritisch gereageerd op de
werkagenda. Ik ben dus benieuwd hoe de staatssecretaris daarnaar kijkt.
We zien nu namelijk dat patiënten die toe zijn aan een minder intensieve
setting, nergens naartoe kunnen. Dat remt de hele keten. Ik wil dus
graag weten hoe we de ggz hier actief bij kunnen betrekken. Kunnen we de
werkagenda ook weer herzien, om te kijken wat de opties zijn?
Dat hangt uiteraard ook samen met de financieringssystematiek. Ik ben
benieuwd hoe de staatssecretaris kijkt naar de aanbevelingen voor de
forensische zorg in Nederland. Die geven namelijk aan dat het nu niet
lukt om er voldoende op te sturen.
Dan over Veldzicht. We ontvingen afgelopen vrijdag inderdaad een brief.
Daarin stond dat de overgangssituatie wordt voortgezet tot 1 januari
2027. Mijn fractie heeft een vraag in lijn met een eerdere motie die we
hebben ingediend. In hoeverre kunnen we zeggen dat er al een alternatief
is, of dat er al een alternatief in zicht is, voor de transculturele
ggz-zorg die specifiek nodig is? Kan de staatssecretaris ook toezeggen
dat die twaalf plekken in ieder geval behouden blijven? Er is namelijk
een wachtrij. De situatie is heel nijpend, ook bij het COA.
Dan de eigen bijdrage voor forensische zorg. Het CAK twijfelt aan de
uitvoerbaarheid en zoekt ook naar een alternatief. Ik ben benieuwd welk
alternatief de staatssecretaris voor zich ziet. Ik weet niet goed hoe ik
dit diplomatiek kan zeggen, maar ziet de staatssecretaris ook echt een
meerwaarde in de eigen bijdrage voor forensische zorg? Kan zij daar
nader op ingaan?
Tot zover.
De voorzitter:
Dat was het? U heeft namelijk nog anderhalve minuut over.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Ja.
De voorzitter:
Oké. Kort, maar krachtig. Zou iemand het voorzitterschap even kunnen
overnemen? Dan kan ik namelijk mijn bijdrage leveren. Wilt u dat doen,
mevrouw Faber? Dank!
Voorzitter: Faber
De voorzitter:
Dan geef ik u gelijk het woord.
De heer Ellian (VVD):
Dank u wel, waarnemend voorzitter. Tbs is een uniek stelsel; dat is
duidelijk. Alleen, door tekorten en hoge werkdruk — ik benijd de
medewerkers in de tbs niet — zie je dat er steeds meer druk komt, ook
maatschappelijke druk, op het tbs-stelsel. Er is al veel gezegd door
collega's. Ik heb nog een aantal punten die ik aan de staatssecretaris
zou willen voorleggen.
Ik begin met de personen met gemaximeerde tbs. Ik zeg meteen: ik weet
het ook niet, anders dan dat er een groot capaciteitstekort is. Daar kom
ik zo op. De staatssecretaris heeft daar in de voortgangsbrief het een
en ander over gezegd, namelijk: ofwel de maximale duur wordt verlengd
ofwel dit wordt helemaal afgeschaft. Maar dan keren mensen ook
onbehandeld terug, en moeten ze in de gevangenis zitten, wat voor een
nieuwe uitdaging zorgt. Op welke termijn gaan we hier nu wat aan doen?
Ik zie deze groep namelijk alleen maar groeien. Dat zijn dus mensen die
lang in de gevangenis zitten. Zij moeten op dit moment lang wachten en
krijgen een korte behandeling. Daardoor zijn ze eigenlijk een risico
voor de samenleving. Mensen maken zich zorgen over die risico's. Ik denk
dat die zorgen terecht zijn. Ik maak me daar ook zorgen over. Dat doet
weer afbreuk aan het vertrouwen in tbs dat je wilt hebben als
samenleving.
Dan de oudere patiënten op hoogbeveiligde plekken. In de brief zie ik
dat de staatssecretaris, als ik het zo vrij mag vertalen, daarover
schrijft: je zult misschien toch iets moeten bedenken voor deze groep,
want ze houden plekken bezet die je eigenlijk keihard nodig hebt voor
anderen. Ik volg die redenering, maar wat gaan we dan doen? Dat betekent
dat je iets moet creëren voor de groep die heel oud is. Zomaar vrijlaten
zou ik geen optie vinden. Dat zou ik ook maatschappelijk onwenselijk
vinden. Succesvol behandelen wordt steeds ingewikkelder naarmate mensen
ouder worden. Je moet daar dus wel iets op bedenken. Ik ben benieuwd wat
dat dan wordt. Voor degenen waar je eigenlijk vrij zeker van weet dat de
behandeling zo weinig resultaat gaat hebben, zal je toch een soort
nieuwe longstayachtige voorziening moeten hebben waardoor je de
doorstroom op gang kan brengen. Die doorstroom is volgens mij de zorg
die de meesten van ons hebben. Doordat je niet kunt doorstromen, wordt
de situatie in de klinieken ook steeds onveiliger. Dat komt bijvoorbeeld
ook door de werkdruk. Daar zit ook mijn grootste zorg: dat de
forensische scherpte afneemt, waardoor er verkeerde beoordelingen
gemaakt worden.
Ik ben benieuwd naar Fivoor. Daar heb ik ook vragen over gesteld.
Meerdere bewindspersonen hebben de belofte gedaan dat Fivoor in Den
Dolder weggaat. Je moet je dan ook aan je belofte houden. Waar kunnen de
bewoners van Den Dolder en Zeist nu precies op rekenen?
Vanuit mijn ooghoek zie ik een interruptie.
De voorzitter:
Ja, meneer Ellian, u heeft een interruptie van mevrouw Schilder.
Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):
Ik hoorde meneer Ellian praten over de mensen die al ouder zijn, waarbij
behandeling eigenlijk weinig nut heeft. Ik hoor u ook spreken over de
longstay. Ik vraag de heer Ellian hoe hij die mensen op de
longstayafdeling ziet. Hadden die mensen überhaupt op een tbs-afdeling
geplaatst moeten worden?
De heer Ellian (VVD):
Dat is uiteindelijk de vraag: ben je voor of tegen tbs? Ik zeg er maar
meteen bij: als je tbs onzinnig vindt, dan moet je ... Ik redeneer
namelijk ook vanuit de veiligheid van de samenleving en denk aan de
risico's en de slachtoffers. Dat doe ik al vijf jaar lang. Ik heb er
lang over nagedacht, want ik wil ook best graag kunnen zeggen: ik vind
tbs niks. Dat doet het goed; laten we eerlijk zijn. De Telegraaf zit in
de zaal en pent dat natuurlijk meteen op.
Het probleem is alleen dat je ze dan levenslang moet vastzetten, vind
ik. Je hebt namelijk geen enkele garantie dat als ze vrij rondlopen, ze
minder risico vormen voor de samenleving. Levenslang is een heel
ingewikkeld vraagstuk in Nederland. Dat kun je ook niet garanderen. Ook
al zijn er voorbeelden waarin het gruwelijk fout gaat — dat vind ik
verschrikkelijk — voor deze groep, waarvan de rechter geoordeeld heeft
dat er een psychische stoornis is en dat tbs geboden is, kan tbs
uiteindelijk werken, zeker in een tijd waarin de gevangenissen toch vol
zitten en de politie haar handen vol heeft aan personen met verward
gedrag. Alleen, er is een groep die bijna uitbehandeld is. Daar moet je
dan wel iets op bedenken. Deze mensen kunnen namelijk niet terug de
samenleving in, maar je kunt ze ook niet in een gevangenis zetten. Je
moet daar wel iets op bedenken, om de samenleving te beschermen.
Voorzitter, ik ga verder. Ik was bij Den Dolder. Ik las in de brief dat
er allerlei maatregelen zijn genomen, maar ik was daar laatst en hoorde
dat de zorgen in het dorp toch nog steeds gigantisch zijn. Die mensen
hebben echt verschrikkelijke gebeurtenissen meegemaakt: twee
moorden.
Dan de Oostvaarderskliniek in mijn eigen mooie, zonnige Almere. Ik ben
er volgens mij een jaar geleden nog geweest. Ik probeer het te
begrijpen. Er zijn zo veel rapporten, zoals inspectierapporten en
werkklimaatrapporten. Er is ingegrepen op het gebied van aansturing; dat
wordt ook erkend door de DJI. Maar wat nu? Kan ik ervan op aan dat de
boel veilig is in de Oostvaarderskliniek? Kan ik ervan op aan dat we de
boel daar nu op orde hebben?
Er is al veel gezegd over de eigen bijdrage. Ik sluit me daarbij aan.
Het gaat namelijk om mijn amendement. Ik ben benieuwd wanneer we die
eigen bijdrage gaan invoeren.
Ik zie interessante passages in de brief van de staatssecretaris. Ze
heeft hier verstand van; laten we eerlijk zijn. We vergeten allemaal te
zeggen dat dit haar expertise is. We kijken natuurlijk vol verwachting
uit naar haar beantwoording. Ik zie vooral interessante passages in de
brief over financiering. Dat biedt perspectief voor de capaciteit.
Wanneer kunnen we daar dan iets over verwachten? Het zijn nu
denkrichtingen, maar ik denk dat de druk dermate hoog is dat we hier
snel duidelijkheid over zouden moeten krijgen.
Het punt vreemdelingen in tbs laat ik maar even. Daar kom ik een andere
keer wel op terug.
Dat was het.
De voorzitter:
Dank u wel. U heeft nog een interruptie van mevrouw Abdi.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Heel kort. Ik ben even benieuwd naar het volgende. De heer Ellian heeft
het over zijn eigen amendement over de eigen bijdrage voor forensische
zorg. Dat vindt hij heel belangrijk. Hoe kijkt hij naar de
kanttekeningen die het CAK heeft geplaatst over dat het best moeilijk te
innen is qua doelgroep en over de complexiteit? Ze hebben zelf gezegd
dat als je dit zou willen doen, dat bij hun 6 miljoen kost. We moeten
nog afwachten wat uit de andere uitvoeringstoetsen komt. Ik ben benieuwd
hoe de heer Ellian hiernaar kijkt.
De heer Ellian (VVD):
Het was voor mij geen verrassing dat het CAK dit zou opschrijven, omdat
dit al heel lang hun standpunt is. Dat is ook exact de reden waarom
meerdere bewindspersonen hebben gedacht: laat ik me er niet aan branden.
Ik heb toen gedacht: "Laat ik mijn werk goed doen. Laten we de wet
veranderen. Dan kunnen we daarna zien hoe de uitvoering ter hand kan
worden genomen." Het CAK ziet dat niet zitten. Het CJIB is nog een
optie. Het CAK geeft volgens mij wel aan — dat zei collega Straatman net
— dat het eventueel afgetrokken kan worden van andere bedragen. Feit is
wel dat ik vanuit de professionals, die verstand hebben van deze
materie, eigenlijk één geluid hoor, namelijk dat die eigen bijdrage
ingevoerd moet worden. Ik vind dat dat hier centraal moet staan. Die
eigen bijdrage moet dus ingevoerd worden, al is het maar vanwege de
rechtsongelijkheid die wordt gecreëerd in die klinieken. Het is ook
belangrijk voor een behandelaar of medewerker. De een moet namelijk wel
een bijdrage betalen en de ander niet. Dat is een vrij maffe situatie.
Het maakt mij dus eerlijk gezegd niet zo veel uit hoe dit gedaan wordt,
maar we moeten het gewoon doen.
Tot slot. Ik ben er altijd gevoelig voor als een maatregel meer geld
kost dan dat die oplevert. Dat is hier te overzien. Soms vind ik dat je
de uitvoeringskosten dan maar voor lief moet nemen. Het kan hier
namelijk leiden tot meer veiligheid in de klinieken. Daarnaast neemt het
een vrij onrechtvaardige situatie weg. Dat is mijn antwoord.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Ellian, voor uw inbreng. Ik geef u het
voorzitterschap weer terug.
Voorzitter: Ellian
De voorzitter:
Dank, mevrouw Faber, dat u dit weer wilde doen. Ik kijk even naar de
klok. Het is 14.40 uur. Dit is gesneden koek voor de staatssecretaris,
dus ik verwacht eigenlijk dat vijf minuten schorsing genoeg is. Nee, ik
pest u! Hoelang heeft u nodig? Maar u moet niet 45 minuten zeggen, want
dan word ik ... Een halfuur? Oké, oké, vooruit. Omdat u nog aan het
begin van uw termijn zit, is een halfuur prima. Dan schors ik de
vergadering tot 15.10 uur.
De vergadering wordt van 14.40 uur tot 15.11 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. We zijn nog steeds bij het commissiedebat
tbs. We zijn aanbeland bij de eerste termijn van de zijde van het
kabinet. Ik geef graag het woord aan de staatssecretaris. Ik vraag aan
elke bewindspersoon om alstublieft niet een te lange inleiding te
houden, om gewoon over te gaan op de vragen en om ook graag blokjes mee
te geven.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Hartelijk dank, voorzitter. Ik heb inderdaad een inleiding. Dat heeft er
natuurlijk alles mee te maken dat — u refereerde daar net al aan — ik
het veld enigszins ken. Tegelijkertijd is het natuurlijk ook zo'n
belangrijk onderwerp en noopt de actualiteit ons ook om steeds heel
alert te zijn op hoe we actie ondernemen, dat ik toch wel een algemene
inleiding heb. Dit was dus al een stukje van die inleiding, waar ik mee
ga beginnen. Vervolgens gaan we naar een aantal mapjes. Het eerste mapje
gaat over capaciteit, want daar zijn vragen over gesteld, het tweede
over veiligheid en het derde over de overige vragen. In die mapjes
hebben we het nu verzameld.
Voorzitter. Mijn eerste kennismaking met tbs was niet in een dossier,
maar in een theaterproductie. In deze productie stonden patiënten,
professionals en verhalen van slachtoffers naast elkaar. Daar zag ik in
één keer waar forensische zorg werkelijk over gaat. Het gaat over oog
hebben voor slachtoffers en de veiligheid van de samenleving, maar ook
over perspectief, doordat behandeling mensen ook daadwerkelijk kan
veranderen. Ik zag daar dat mensen meer zijn dan hun delict, zonder ooit
te vergeten wat er is gebeurd. Ik leerde dat veiligheid niet begint bij
afstand, maar juist bij contact maken en in contact blijven. Het is geen
zachte benadering. Het is een voorwaarde om herhaling te voorkomen. Met
internationaal lage recidivecijfers binnen de tbs laat Nederland zien
dat dit werkt. Ik kom daar naar aanleiding van de vragen die daarover
gesteld zijn straks graag nog op terug. Maar dat succes staat onder druk
als voldoende plekken en voldoende personeel achterblijven.
Daarnaast is alleen behandelen niet voldoende. Het is ook cruciaal dat
mensen na afloop van de behandeling weer onderdeel worden van onze
samenleving. We zullen ons daar samen voor moeten inspannen. Ik voel dit
als een grote verantwoordelijkheid, waar ik mezelf actief voor inzet, en
voer met gemeenten en burgemeesters de gesprekken om de uitstroom van
patiënten naar de samenleving te verbeteren. Die gesprekken voer ik nú.
Uiteraard werk ik daarvoor samen met mijn collega's binnen het kabinet,
zoals de ministers van VWS en van Volkshuisvesting en Ruimtelijke
Ordening, want dit gaat ook over plekken.
Het stelsel van de forensische zorg staat onder druk. Momenteel wachten
270 mensen in gevangenissen op hun tbs-behandeling. Dat is absoluut
onwenselijk. Deze situatie raakt niet alleen alle ketenpartners in het
veld; het raakt ook de tbs-gestelden, en vooral onze rechtsstaat.
Rechtelijke uitspraken moeten tijdig worden uitgevoerd. Dit vraagt om
meer inspanningen. Ik wil deze kabinetsperiode benutten om stappen te
zetten ten behoeve van de houdbaarheid van het forensisch zorgstelsel.
Ik zal daarom aanvullende maatregelen verkennen. Ik heb die in de brief
al enigszins aan u toegelicht, maar zal ze hier kort opsommen.
Ten eerste willen we het garantiestelsel, vooral de financiering, heel
goed bestuderen. Zeker voor de investeringen die we van klinieken vragen
om voor een lange termijn aan uitbreidingen te werken, dragen we een
gezamenlijke verantwoordelijkheid. We moeten dus ook kijken naar hoe we
die zorg samen kunnen dragen. Het garantiestelsel zou daar een oplossing
voor kunnen zijn.
Ten tweede voer ik een marktverkenning uit naar hoe de forensische zorg
op dit moment is gefinancierd. Het doel hiervan is om de wijze van
financiering ondersteunend te laten zijn bij de aanpak van de
capaciteitstekorten. Ik ben hierover in gesprek met de Nederlandse
Zorgautoriteit.
Ten derde verken ik de mogelijkheden om al in de gevangenissen nuttige
eerste stappen te zetten. Ik zal daar zo dadelijk ook iets uitgebreider
op terugkomen. Dit kan bijvoorbeeld door de tbs-gestelden voor te
bereiden op de behandeling. De tijd die mensen wachten op de plaatsing
in een kliniek wordt zo beter besteed.
Ten vierde richt ik een innovatiefonds in voor de forensische zorg. Uit
eigen ervaring weet ik namelijk dat technologische ontwikkelingen
arbeidsbesparend kunnen werken en dat ze kunnen bijdragen aan de
kwaliteit van de zorg.
Ten vijfde wil ik de doorstroom van specifieke groepen in de forensische
zorg versnellen. U kunt daarbij denken aan die geriatrische groep waar
ook wat vragen over gesteld zijn. Ook daar kom ik zo dadelijk graag op
terug.
Ten slotte zet ik me in om de uitstroom naar gemeenten te verbeteren. We
hebben verkend of een boegbeeld daar bijvoorbeeld bij zou kunnen helpen.
Tegelijkertijd denk ik dat het een-op-een voeren van gesprekken met
burgemeesters en wethouders die dagelijks te maken hebben met hun
inwoners en met de zorgen die daar leven, het belangrijkste is dat ik nu
te doen heb. Als een boegbeeld daarbij kan helpen, dan heel, heel
graag.
Ik benadruk dat ik de maatregelen die ik hier opnoem graag wil nemen
boven op de maatregelen die al genomen zijn. De maatregelen die genomen
zijn en genomen worden, gaan over waar u eerder over geïnformeerd bent:
de 200 bedden waar DJI nu aan werkt. De uitbreiding van 27 bedden
onlangs maakt daar onderdeel van uit, maar ik zie het als heel reëel om
ook die uitbreiding van 200 bedden te realiseren, samen met het veld.
Daar helpen natuurlijk wel de financiële voorwaarden bij waar ik het
zonet over had. De doorlooptijd daarvan is dus ook belangrijk, om hier
in ieder geval tempo op te houden.
De eerlijkheid gebiedt te zeggen — zo eerlijk wil ik ook zijn — dat het
stelsel nog geruime tijd onder druk zal staan. Er zitten grote
vraagstukken achter: een meer en meer risicoaverse samenleving, grote
problemen in de reguliere ggz, personeelsschaarste in de zorg en
tekorten op de woningmarkt. Dit is allemaal niet morgen weg. Het vraagt
om een brede aanpak. Daarvoor ga ik me, samen met de collega's in dit
kabinet en buiten deze Kamer, volledig inzetten.
Dan ga ik over naar de beantwoording van de verschillende vragen die
gesteld zijn. Ik begin daarbij wel graag met het volgende. Een aantal
van u heeft gevraagd naar de eigen bijdrage in de forensische zorg. Die
is in het coalitieakkoord opgenomen. Dit is belangrijk, omdat je ziet
dat het in het forensisch veld en bij de zorg die geleverd wordt, helpt
om juist de inkomensafhankelijke bijdrage te laten betalen door
patiënten, omdat je daarmee zorgt voor gelijkheid in de klinieken en je
de ongelijkheid die je anders in de hand werkt, tegen kunt gaan. Wij
vinden dat eigenlijk een volstrekt normale situatie. Op het moment dat
je ergens verblijft — de voorzitter refereerde daar in zijn eigen
spreektekst ook aan — is het juist heel erg belangrijk om de veiligheid
in de klinieken te waarborgen, doordat je daar eigenlijk allemaal op
dezelfde manier behandeld wordt. Op het moment dat je een eigen bijdrage
kunt betalen, kunt missen, dan is dat ook iets wat vanuit de klinieken
een grote wens is om te gaan doen. Tegelijkertijd zal ik zo dadelijk nog
iets verder ingaan op de vragen die gesteld zijn over het innen, de
daadwerkelijke zorgen die geuit zijn door het CAK hierover en hoe we
daar richting de zomer stappen in willen zetten.
Dat was mijn inleiding. Ik ga graag over naar de beantwoording van de
vragen die gesteld zijn over capaciteit.
Ik begin met een vraag van mevrouw Schilder van de Groep Markuszower
over de tbs'ers die een schadevergoeding krijgen. Zij wachten in
gevangenissen op een plek en worden daar na een bepaalde tijd voor
betaald. Zo is het afgesproken. Mensen die tbs-dwang opgelegd hebben
gekregen, moeten nu wachten in een p.i. totdat ze in een kliniek
geplaatst worden. Enige wachttijd is niet te voorkomen in dit stelsel.
Zo is het systeem ook ingericht. Het is praktisch niet mogelijk om
altijd plekken vrij te houden. Tegelijkertijd zitten we nu precies aan
de andere kant van het spectrum. Er zijn namelijk al heel lang geen
plekken beschikbaar. Daar zijn zaken over geweest bij het Europees Hof
voor de Rechten van de Mens. In 2004 is daarover geoordeeld dat een
wachttijd van zes maanden niet aanvaardbaar is. Met andere woorden, als
een passant langer dan vier maanden geen plek krijgt in een tbs-kliniek,
dan moeten we daar daadwerkelijk een vergoeding voor betalen. Dat is
vastgelegd in de Wet forensische zorg. Dat is gewoon hoe het systeem nu
is vastgelegd. Is het zonde geld? Absoluut. Ik zeg dit maar even in mijn
eigen woorden. Maar wat ik nog veel erger vind, is dat de mensen die
wachten op die plek, uiteindelijk niet in een tbs-kliniek terechtkomen.
Dat duurt veel te lang. Dit is dus hoe het systeem is ingeregeld. Mensen
krijgen daar een schadevergoeding voor. Daar hebben ze ook recht op.
Tegelijkertijd zie je dat je daar een hele onwenselijke situatie mee
creëert. Je wil namelijk heel graag dat ze gewoon tijdig naar een
tbs-kliniek gaan. Ik ga hier dus niet — dat is ook de toezegging die u
zocht — mee stoppen. Dat kan ik ook niet, want dat mag wettelijk niet.
We hebben hier met een groter probleem te maken dan de middelen die
hiervoor beschikbaar worden gesteld.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik heb een vraag aan de staatssecretaris. Ze zei wat over die zes
maanden. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vindt dat zo'n
wachttijd onaanvaardbaar is. Maar de basis hiervan ligt toch ook in de
Wet forensische zorg? Daarin staat namelijk dat men drie maanden op een
wachtlijst mag staan, met eventuele uitbreiding van een maand. In een
uitspraak van het EHRM zit vaak wel wat ruimte. Ze schrijven vaak iets
voor, maar zeggen daarin: mits bij wet anders is geregeld. Dan zouden
wij daar wettelijk gezien toch wel een verandering in kunnen
brengen?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dat zie ik zo niet. Ik snap wel wat mevrouw Faber bedoelt, dus de ruimte
die je daar zelf in hebt. Tegelijkertijd vind ik ook dat je niet moet
willen dat mensen langer wachten. We hebben het daar echt nodig dat er
binnen vier maanden of drie plus één maand een plek beschikbaar komt in
het tbs-systeem. Normaal gesproken zou dat ook moeten lukken. Die wet is
ons natuurlijk altijd gunstig gezind. Op het moment dat die ons niet
gunstig gezind is, kunnen we niet over één nacht ijs gaan en zeggen: dan
gaan we dat aanpassen. Ik vind het heel erg belangrijk om juist te
blijven benadrukken dat er binnen die vier maanden een plek beschikbaar
zou moeten zijn. Op het moment dat dat niet zo is, hebben volgens de wet
zoals we die nu hebben zeker te voldoen aan de eisen die gesteld
worden.
De voorzitter:
Kort, kort, kort. Kunt u het kort? Dat kan wel, toch?
Mevrouw Faber (PVV):
Als u dat goed vindt, dan vind ik dat prima natuurlijk. Daar ga ik niet
tegenin. De staatssecretaris zegt: dat zou je niet moeten willen. Dat
ligt natuurlijk maar aan wat je wil. Ik zeg dan: laten we dan in ieder
geval die termijn oprekken. Dan hoeven we niet al die sommen geld te
betalen aan mensen die op een wachtlijst staan. Het is dus maar net aan
welke kant je staat, wat je wil.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Het uitgangspunt is dat het EVRM zegt: zes maanden is te veel. In onze
Wet forensische zorg staat: drie plus één maand en daarna wordt er een
schadevergoeding uitgekeerd. Dat is wat erin staat. Daar sta ik ook
achter, omdat we dan zeker de prikkel houden om te zorgen dat er
voldoende plekken zijn in de tbs om deze mensen tijdig een goede
behandeling te geven.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dan ga ik verder met het innovatiefonds. Daar heeft mevrouw Straatman
een vraag over gesteld. Dat raakt natuurlijk juist aan de capaciteit en
een van de oplossingen die ik daar zie, die kunnen bijdragen aan een
andere manier van werken in de forensische zorg. Tegelijkertijd, als je
dat geen financiële impuls geeft — dat is wat we met het innovatiefonds
beogen — dan is het heel moeilijk om die veranderingen door te voeren.
Waar je aan moet denken, zijn bijvoorbeeld het spraakgestuurd werken,
werken met een zorgrobot, ook om de capaciteitsdruk wat te verlagen, en
de wearables, bijvoorbeeld een stressmonitor of een alcoholmeter. Wat we
ook zien, zeker binnen het forensisch netwerk — daar is aandacht aan
gegeven in de brief die u heeft ontvangen — is dat het veld van elkaar
leert. We weten dat het veld onder druk staat met te weinig plekken,
maar we weten natuurlijk ook dat het veld onder druk staat door te
weinig mensen. Op de lange termijn vissen we, zeker als het gaat over de
zorg, allemaal in dezelfde vijver als het gaat om ggz en forensische
zorg. Het is dus heel erg belangrijk om nu al te kijken. Daarbij
refereer ik aan de vraag van de heer Sneller of ik ook kijk naar de
lange termijn. Dit gaat ook over de lange termijn. Dit gaat juist ook
over hoe je er nu voor zorgt dat je het veld zo inricht dat je het over
vijf, tien en vijftien jaar nog steeds op deze manier kunt doen. Want
dat tbs werkt, zeker, maar als je dat op de lange termijn houdbaar wilt
houden, moet je ook kijken naar innovaties.
Er is ook gesproken over het garantiestelsel. Dat kwam in de algemene
tekst al even terug, maar daar kom ik graag nog even iets specifieker op
terug in een wat technisch verhaal op een later moment.
Dan de beleidsneutrale financiering. Mevrouw Straatman heeft een heel
specifieke vraag gesteld over het dagtarief. De capaciteit en de
continuïteit van de forensische zorg staan onder druk en zorgaanbieders
ervaren verschillende knelpunten als gevolg van de interactie tussen
juist de prestatiebekostiging zoals die nu is, de tarieven, de
zorginkoop van DJI en alles binnen dat forensische stelsel. U trok het
specifiek uit elkaar en vroeg: hoe heb je dat tarief dan vormgegeven?
Hoe kun je zorgen dat dagbesteding bijdraagt aan het herstel waarmee je
in je behandeling bezig bent? In dit verband heb ik met DJI in de
Nederlandse Zorgautoriteit besloten om dit jaar een marktverkenning te
laten uitvoeren. Het doel is om in kaart te brengen op welke manier het
bekostigingsstelsel kan bijdragen aan het oplossen van het
capaciteitstekort. De optie voor een integraal dagtarief wordt hierin
meegenomen. Ik zei eerder al dat we met de NZa kijken naar hoe dat
tarief is vormgegeven. Onderdeel daarvan is dus ook het integraal
dagtarief. Er moet ruimte zijn voor DJI om via de inkoop maatwerk te
kunnen leveren, zodat de verschillende doelgroepen goed worden bediend.
Het uitgangspunt is toegankelijkheid en betaalbaarheid van de
forensische zorg. Via de voortgangsbrief forensische zorg, die net na de
zomer komt, zal ik u hiervan op de hoogte stellen.
Dan de garantieregeling en de marktwerking. Dat was een vraag van de
heer Sneller. Er wordt gekeken naar de toch tamelijk ingewikkelde
marktordening, de beschikbaarheidsvergoeding en de garantstelling, al
dan niet voor de overige forensische zorg. De vraag van de heer Sneller
was: wat is nou precies de reikwijdte waarnaar gekeken wordt? Ik gaf 'm
net al even wat duidelijker aan. Je zou de beschikbaarheidsvergoeding
kunnen inzetten op het moment dat er zowel bij de hoogspecialistische of
tbs-zorg, de hoogbeveiligde zorg, als de overige forensische zorg
behoefte is aan bedden. O, ik zeg het niet goed. Het gaat om de
garantstelling. De beschikbaarheidsbijdrage is een complexer verhaal
voor de overige forensische zorg. Dat heeft ermee te maken dat de
locaties of de plekken waar de overige forensische zorg wordt
vormgegeven vaak niet klinieken zijn met alleen maar 30 forensische
bedden. Dat zijn locaties, beschermdwonenvoorzieningen, waar
bijvoorbeeld ook reguliere ggz, forensische zorg en deel van andere
populaties, groepen, die ergens gehuisvest moeten worden verblijven. Op
het moment dat je nu zou zeggen "daar gaan we ook een
beschikbaarheidsbijdrage voor afspreken", dan ga je dat veld ook in. Dat
is natuurlijk niet wat we met de middelen voor de forensische zorg
beogen. Als zo'n zorgaanbieder wil uitbreiden op forensische bedden,
willen wij heel graag meedenken over hoe wij daar met bijvoorbeeld een
garantstelling aan kunnen bijdragen, maar de
beschikbaarheidsfinanciering is een iets complexer geval op het moment
dat je in die gespikkelde woonvormen het gesprek voert. Ik zie u nog wat
verward kijken.
De heer Sneller (D66):
Dit is te gedetailleerd voor mijn kennis. Dus misschien kan de
staatssecretaris nog iets meer vertellen over waarom dat dan niet per
bed zou kunnen, ook al is het gespikkeld.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Omdat je dan ook de flexibiliteit van de zorgaanbieder weghaalt. Op het
moment dat er minder bedden forensisch beschikbaar zouden zijn en er
maatschappelijk gezien een grote behoefte is aan ggz-bedden, zou het
natuurlijk ingewikkeld zijn als wij daar forensische bedden, lege
forensische bedden, zouden financieren — dat is nu niet het geval — in
plaats van dat we de ggz-bedden zouden financieren. Dat is de afweging.
Voor de overige forensische zorg is het echt aan de zorgaanbieder om te
kijken waar op welk moment behoefte aan is. Kunnen we daaraan bijdragen?
Jazeker, door het verkennen van de garantstelling. Maar beschikbaarheid
is echt iets wat we juist met de tbs-klinieken, de fpc's, zouden willen
afspreken.
De heer Ellian heeft gevraagd wanneer de voorgenomen maatregelen voor
extra financiering tot extra capaciteit leiden. U heeft gehoord wat ik
daarover zei. Het is een gesprek dat we nu voeren. Het is natuurlijk ook
ingewikkeld om een financiering van de ene op de andere dag aan te
passen. We zijn nu wel echt in een vergevorderd stadium als het gaat om
ervoor te zorgen dat we daar in ieder geval in de garantstelling iets
kunnen doen. Dat gaat over de voorwaarden waaronder een kliniek zijn
uitbreiding kan afspreken met een bank. Dat zijn dingen waar we nu heel
ver mee zijn. We zijn natuurlijk ook aan het zoeken naar wat we voor de
overige forensische zorg kunnen doen, omdat het probleem niet alleen
voor de fpc's geldt, maar juist ook voor voorzieningen waar deze mensen
naar uitstromen. Hoe kunnen we zorgen dat ook op lagere niveaus, dus de
fpa's en de beschermdwonenvoorzieningen met een niveau 2 bijvoorbeeld,
voldoende plekken beschikbaar zijn?
Ik zie meneer Ellian nog even kijken.
De voorzitter:
Ja, het is ingewikkelder, moeilijker dan de buitenwereld vaak denkt. Ik
dank de staatssecretaris voor haar antwoord. Ik heb de toelichting in de
brief gezien en het stemt tot enig optimisme dat met de garantstelling —
zo noem ik het maar — en de nieuwe vorm van financiering hopelijk
uitbreidingen gerealiseerd kunnen worden, want dat is, denk ik, waar we
allemaal met smart op wachten. Tenzij je tbs wilt afschaffen,
natuurlijk. Dan hoeft het niet, maar dat terzijde. Ik ben zo benieuwd
naar om hoeveel capaciteit het dan gaat en hoe snel het dan gaat. Dan
heb je natuurlijk ook nog de kwestie van personeel en al dat soort
dingen. Het klinkt best veelbelovend, moet ik eerlijk zeggen. Dat geldt
ook voor de getallen die ik zag: 50 tot 100, 150 plekken. Daar ben ik
erg benieuwd naar.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ja, precies. We hebben die 200 plekken. Daar refereert u nu niet precies
aan. Dat is op korte termijn, laten we zeggen richting 2030. Dat is dus
niet morgen. Ik zie zelf ook eigenlijk veel meer heil in die 50 plekken
waar u het over heeft. Dat gaat over die doorstroom, dat je die kan
stimuleren met gemeenten en met zorgaanbieders die op die verschillende
gespikkelde voorzieningen juist forensische bedden beschikbaar stellen.
Daar zie ik zelf veel in. Dan nog refererend aan uw vraag over ouderen
in de tbs: je ziet ook dat bepaalde specifieke doelgroepen heel goed op
een andere manier gehuisvest zouden kunnen worden. Dan moet je kijken
naar welk beveiligingsniveau daadwerkelijk nog nodig is voor deze mensen
en hoe we ervoor kunnen zorgen dat er dan capaciteit beschikbaar komt
bij een zorgorganisatie die gespecialiseerd is in de zorg voor deze
mensen. Dat is a forensische zorg en b geriatrische zorg, oftewel mensen
die verstand hebben van omgaan met mensen die dement worden. Daar is de
afgelopen periode veel aandacht voor geweest en dat neem ik ook heel
graag mee. Daar zouden we in dit programma wel extra vaart achter willen
zetten, omdat we zien dat de uitstroom hierdoor stokt. Het heeft ook
geen perspectief als we het niet anders organiseren. Ik zeg het even
heel platgeslagen: een locatie voor ouderen met tbs heeft absoluut mijn
volle aandacht.
De voorzitter:
Als de collega's het goed vinden, heb ik een snelle vraag. Ik wil niet
dat er misverstanden over bestaan. Het is hartstikke goed dat de
staatssecretaris gaat kijken naar zo'n plek voor deze groep, maar ik
neem aan dat het niet de bedoeling is dat deze groep zich vrij kan
bewegen in de samenleving. Dat zou ik heel problematisch vinden.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dat is zeker niet de bedoeling. Er is namelijk nog steeds sprake van een
tbs-maatregel, dus je moet goed kijken welk beveiligingsniveau nodig is
voor de mensen met deze problematiek. We zijn met veel partijen in
gesprek en ik verwacht in 2027 plaatsen voor deze groep te hebben.
De voorzitter:
Wanneer gaan we daarover horen? In de volgende voortgangsbrief?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Exact. In de volgende voortgangsbrief kom ik daarop terug.
Dan ga ik over naar Veldzicht, waar ook een aantal vragen over zijn
gesteld. In Veldzicht verblijft een combinatie van doelgroepen. Door een
aantal partijen wordt gezegd dat de COA-doelgroep daar op bepaalde
onderdelen echt niet zou moeten zijn. Ook de geneesheer-directeur van
Veldzicht zegt dat. Die trekt ook echt aan de bel. Dat neem ik zeer ter
harte. Tegelijkertijd zijn er ook geen andere plekken voor deze mensen,
zo blijkt ook uit het gesprek met mijn collega van Asiel en Migratie. We
hebben in het afbouwplan met elkaar afgesproken dat we zo snel mogelijk
toewerken naar goede plekken voor de COA-doelgroep die niet per se in
Veldzicht hoeft te verblijven, maar kun je niet over één nacht ijs gaan
en deze mensen op straat zetten. Er is ook echt behoefte aan uitbreiding
voor deze specifieke doelgroep bij het COA zelf, en als het niet bij het
COA is, dan wel bij de reguliere ggz. We bekijken in dit construct met
deze drie partijen hoe we op een goede en nette manier het aantal bedden
kunnen afbouwen. Dat is in de afgelopen periode gebeurd met die twaalf
bedden. Dat was omdat die niet gevuld werden. Er is gekeken of het lukt
om, door de triage die Veldzicht zelf doet, deze mensen op een andere
plek te huisvesten. Dat is gelukt. Tegelijkertijd is mijn opgave om
Veldzicht bereikbaar en beschikbaar te houden voor tbs-gestelden. Dat
moet dus zorgvuldig en verantwoord gebeuren. Daarom doe ik dit samen met
mijn collega's. Maar we hebben de capaciteit binnen de tbs natuurlijk
keihard nodig.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Dank aan de staatssecretaris voor de toelichting. Mijn vraag was heel
concreet: is er een alternatief in zicht? Als dat nog niet in zicht is,
kunnen we er dan van uitgaan dat de twaalf COA-plekken die er nu zijn,
behouden blijven? Ik maak de vraag nog iets gerichter. Het COA is geen
zorginstelling. Er moet enige flexibiliteit zijn als je met een bepaalde
doelgroep te maken hebt. Die doelgroep is inderdaad heel specifiek. Ik
krijg van mensen op de vloer echter terug dat ze soms zulke nare
gevallen hebben, waarbij mensen rondgepompt worden door het land. Het
gaat om mensen die zorg behoeven en heel veel overlast veroorzaken, wat
enorme veiligheidsrisico's oplevert. Voor die mensen is niet alleen nu,
maar ook in de toekomst te weinig plek. Dat is ook uit het eigen
inspectierapport naar voren gekomen. Mijn vraag is concreet: wat is het
alternatief, wanneer is dat er en wat gaan we in de tussentijd
doen?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Die gesprekken vinden plaats met de regio. Het is belangrijk dat, op het
moment dat er ggz-zorg nodig is, er een ggz-aanbieder is die dit kan en
die de expertise in huis heeft om deze COA-doelgroep te behandelen.
Tegelijkertijd heeft het COA zelf ook een verantwoordelijkheid. Als de
complexiteit van de doelgroep die door het COA wordt opgevangen,
ingewikkelder wordt, is de hulpvraag vanuit hen aan ons, dus aan de ggz
en aan de forensische zorg: kunnen jullie meedenken over hoe we de
juiste zorg bij deze mensen krijgen? Daar ligt het initiatief en dat is
ook precies zoals we het gesprek voeren. Ik zie dat er bij het COA
ontzettend veel gebeurt op dit moment. Ik zeg dit niet om de vraag van
me af te houden, maar dit is ook echt een vraag die aan mijn collega
gesteld kan worden: wat is nou precies het beeld bij Asiel en Migratie
als het gaat om het opvangen van deze groep? Die twaalf bedden worden
niet meer opgebouwd voor het COA. Dat bleek ook niet nodig. Er zijn wel
tien bedden voor de groep ongedocumenteerden. Die zijn er en die blijven
er. Misschien refereerde u daaraan. Dat is niet het geval, hoor ik. De
groep die op die twaalf bedden lag, is op andere plekken terechtgekomen.
Dat is niet onzorgvuldig gegaan. Daar zijn we lang met elkaar over in
gesprek geweest. Feit blijft dat we ons nog steeds richten op 1 januari
2027 om daadwerkelijk alle bedden die nu beschikbaar worden gesteld voor
de COA-doelgroep, niet meer specifiek voor deze doelgroep te hebben,
tenzij Veldzicht ziet dat er voor deze mensen echt geen andere plek is
dan in Veldzicht. U kunt ervan uitgaan dat hier heel zorgvuldig naar
gekeken wordt, met de randvoorwaarden van door- en uitstroom. We kunnen
mensen niet zomaar blijven rondpompen. Tegelijkertijd is hier echt actie
op nodig, niet alleen vanuit ons en vanuit Veldzicht, maar ook vanuit
het COA.
De voorzitter:
Mevrouw Abdi met een vervolgvraag.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Ik heb inderdaad een vervolgvraag, want ik merk dat het voor mij nog
steeds niet helder is. Het is voor mij heel concreet: zolang er geen
gelijkwaardige andere locatie is. Ik zie het verschil dan niet. Voor mij
is er namelijk één overheid, als ik het even zo vrij mag formuleren. De
staatssecretaris gaf net aan dat ze een gesprek gaat voeren met haar
collega van Asiel om een goed beeld te krijgen. Kan in de
voortgangsbrief forensische zorg meegenomen worden welke gelijkwaardige
andere locaties er in beeld zijn, zodat we dat tijdig weten en niet pas
op 1 januari 2027? Ik vind het heel belangrijk dat daar duidelijkheid
over komt.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik zeg graag toe dat ik dat meeneem in de voortgangsrapportage. Ik kan
ook nog wel iets specifieker zijn over het aantal bedden. We hadden 36
bedden. Dat aantal is met 12 afgebouwd naar 24 bedden. Voor die 24
bedden zoeken we nu andere plekken. De vraag is of dat bij één
zorgaanbieder is of bij verschillende, en of dat in één regio is of in
verschillende. Dat is het gesprek dat nu gevoerd wordt.
De voorzitter:
Even voor mijn begrip. We hebben het hier toch over vreemdelingen, over
mensen die geen verblijfstitel hebben om in Nederland te zijn? Ja, oké.
Gaat u verder.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dan is er een vraag van mevrouw Straatman over de signalen dat patiënten
langer in gunstige, lichte tbs-regimes blijven voor een financiële
prikkel; deze raakt nog erg aan de eigen bijdrage. Ik herken dat signaal
niet. Tenminste, die signalen hebben mij niet bereikt; laat ik het iets
zorgvuldiger zeggen. Het doel van de marktverkenning met DJI en de NZa
is om in kaart te brengen op welke manieren het bekostigingsstelsel kan
bijdragen aan de oplossingen. Zolang ik geen signalen ontvang dat mensen
te lang op een "licht" bed blijven omdat ze geen plek willen, kan ik
daar niet zo veel mee. Wat ik me wel kan voorstellen, zeg ik in alle
eerlijkheid tegen mevrouw Straatman, is het volgende. Er zijn ook heel
erg weinig beschermdwonenvoorzieningen waar deze mensen naartoe kunnen
uitstromen. Dat is steeds de zoektocht. Het is niet zozeer de negatieve
prikkel van het niet hoeven betalen van een eigen, dus geen huur, als
wel de vraag of er plekken zijn voor deze mensen. Dat is volgens mij de
grote opgave waar we voor staan.
De voorzitter:
Bij welk blokje bent u?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik ben bij het blokje capaciteit. Ik zal even wat gas geven.
De voorzitter:
Oké. U kunt veel dingen tegelijk, want ik zag net een Kamerbrief van u
binnenkomen.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik heb daar vanochtend al heel goed naar gekeken, denk ik.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Er is door mevrouw Abdi en de heer Sneller een vraag gesteld over de
Werkagenda Aansluiting forensische zorg en reguliere zorg. Dat raakt aan
het werk dat ik dagelijks doe. We zien de afbouw van ggz-bedden en de
opbouw van forensische bedden met 350 — vergis je niet — in de afgelopen
jaren. Dat bleek te weinig. Daardoor hebben we op dit moment te weinig
capaciteit in de forensische zorg. We moeten heel goed kijken waar de
mensen uiteindelijk op de goede plek zitten. Voor een deel is dat in de
reguliere ggz, zeg ik erbij. Dat gesprek voer ik met mijn collega van
VWS. We hebben ook een aantal maatregelen aangekondigd in de werkagenda.
Die gaan bijvoorbeeld over een extra zorgmaatregel in het strafrecht —
dat is een diepe wens vanuit het veld — en een betere aansluiting tussen
de wettelijke stelsels van zorg en straf. Ik denk dat dit een van de
voorbeelden is. We zien dat bij mensen die net tussen wal en schip
raken. Als we het maar lang genoeg laten duren, worden ze vanzelf
forensisch, zeg ik altijd maar heel platgeslagen. Volgens mij moeten we
heel goed bekijken wat we kunnen doen om te voorkomen dat mensen die
juist die zorg nodig hebben, op enig moment in het forensisch stelsel
terechtkomen. Volgens mij heb ik dat in het debat over het
gevangeniswezen ook al gezegd.
Zicht houden op de lange termijn: doe ik. Er is een toekomstverkenning
uitgevoerd. Alle behoefteramingen zijn natuurlijk voor ons beschikbaar.
Ik zeg erbij dat daaruit blijkt dat het aantal tbs-opleggingen en het
aantal gevangenisstraffen die we de komende jaren te verhapstukken
hebben, nog steeds stijgt. Voorlopig hebben we met elkaar dus nog wel
iets te doen om dat op te lossen. Dat vraagt om creativiteit, maar
vooral ook om snelheid, want het gaat wel nog steeds over mensen.
Ik ben door het blokje capaciteit heen.
O ja, toch nog een goede. Hoe ga ik ervoor zorgen dat het lokale
draagvlak wordt verbeterd? Ik zei het net al: voor mij is het echt
belangrijk om die gesprekken ook met de lokale partners te voeren. Ik
zie wel dat de klinieken en TBS Nederland continu landelijke open dagen
houden, dat er appgroepen zijn met de buren, dat er
informatiebijeenkomsten zijn en dat er podcasts gemaakt worden. Door de
klinieken zelf wordt dus ontzettend veel gedaan, juist om het draagvlak
onder de buren, onder de omwonenden te creëren en vooral te behouden. Je
houdt dat door ze op allerlei manieren te informeren en te betrekken bij
wat er achter die hoge muren gebeurt. In de praktijk gebeurt er dus
ontzettend veel en vaak gaat dat ook heel goed. Is er dan sprake van een
incident, dan weet men elkaar ook te vinden en dan kan men de situatie
ook goed toelichten en uitleggen. Dus ik zie dat dit gebeurt. Het is een
ongelofelijk belangrijk onderdeel van de manier waarop wij de
forensische zorg op dit moment vormgeven in Nederland.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik heb in dit kader nog één vraag over het gebruikmaken van de
beschikbare data. Ik denk dat die onder het kopje capaciteit valt. Het
raakt natuurlijk een beetje aan innovatie. Hoe kunnen we ervoor zorgen
dat we voldoende in zicht hebben waar er nog capaciteit is en hoe hoog
de dekkingsgraad is? In dat kader las ik dat …
De voorzitter:
De staatssecretaris knikt. Zij gaat deze vraag beantwoorden; dat is
efficiënter. Gaat uw gang, staatssecretaris.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Deze vraag zit in een ander mapje. Ik weet dat die er is. Het hele
simpele antwoord is: ja, dat klopt. Er is inderdaad een onderzoek
geweest waaruit blijkt dat wij de data nog onvoldoende gebruiken en dat
we daar meer gebruik van moeten maken. Ik wil er wel altijd voor waken
dat de samenleving niet belandt in een "Excel-werkelijkheid". Als je
mensen binnen een voorziening of in een groep plaatst omdat zij daar
bijvoorbeeld — ik zeg maar even wat — door hun leeftijd, door het delict
dat zij hebben gepleegd of door de historie mee overeenkomen, dan kun je
je wel heel erg afvragen of je nog wel naar de mensen zelf kijkt. Soms
helpt het immers om mensen bij elkaar te plaatsen die een heel andere
achtergrond hebben, die heel andere delicten hebben gepleegd of met heel
andere vraagstukken te maken hebben. In die zin zou ik het oordeel van
de professional dus wel altijd bovenliggend laten zijn. In het onderzoek
heb ik echter ook gelezen dat we daar echt te weinig gebruik van maken.
Laat dat dus leidend zijn als we vervolgens goed nagaan hoe je de
capaciteit op de best mogelijke manier kunt verdelen. Kan ik hier in een
voortgangsbrief op terugkomen? Het is namelijk wel belangrijk om dat
voor de Kamer helder uiteen te zetten.
Mevrouw Straatman (CDA):
Misschien in dat kader een aanvullende vraag, want volgens mij heeft het
WODC …
De voorzitter:
Eerst even … Oké.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dat raakt heel erg aan dit punt, voorzitter. Het WODC zegt namelijk dat
je het Informatiesysteem Forensische Zorg moet vervangen om maximaal
gebruik te kunnen maken van die datasystemen. Uit de brief van de
staatssecretaris begrijp ik dat zij dat nu nog niet gaat doen, maar het
alleen gaat verbeteren. Zou zij dat nog nader kunnen toelichten? Waarom
wordt die aanbeveling van het WODC niet gevolgd?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Daar zal ik in de tweede termijn op moeten terugkomen, want dat moet ik
even goed uitvragen voordat ik dingen ga zeggen die niet helemaal
kloppen. Mijn vermoeden is dat dit iets te maken heeft met de kosten die
daarmee gemoeid zijn.
De voorzitter:
Ik zal het even uitleggen, mevrouw Straatman. De staatssecretaris wilde
u eigenlijk iets toezeggen. Dan mag u erop terugkomen. U stelt nu een
andere vraag, maar onze gewaardeerde griffier heeft 'm toch genoteerd
als een toezegging.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank u wel, voorzitter en griffier.
De voorzitter:
Alstublieft. Straks nemen we de toezeggingen even door. Het wordt
overigens een vrij dikke brief.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Het zou kunnen dat mijn antwoord in de tweede termijn op de vraag waarom
ik daar nu niet meteen actie op onderneem, afdoende is. Tegelijkertijd
denk ik dat het de toezegging niet weg hoeft te halen, omdat ik daar
juist in die voortgangsbrief informatie over kan delen.
De voorzitter:
Prima. We hebben 'm genoteerd. Gaat u verder.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dan de vraag van mevrouw Faber: hoeveel ex-tbs'ers kunnen zelfstandig
functioneren na afloop van de titel, en zijn daar cijfers over bekend?
Er werd al gerefereerd aan de onderzoeken van het WODC die gaan over
cijfers bij recidive. Uit onderzoek volgt dat binnen twee jaar na
uitstroom het percentage recidivisten bij tbs met dwangverpleging 18,2%
is en bij tbs met voorwaarden 20%. Daarnaast heb ik het Wetenschappelijk
Onderzoek- en Datacentrum, het WODC, gevraagd om onderzoek te doen naar
de behoefte die mensen hebben op het gebied van de vijf basisvoorwaarden
als ze na of tijdens de forensische zorg zijn teruggekeerd in de
gemeente. Denk hierbij aan het hebben van een geldig identiteitsbewijs,
werk, zorg en onderdak. Dat onderzoek, dat nu dus loopt, zal een eerste
beeld geven van hoe mensen ná de tbs functioneren.
Ik zie de vragende blik van mevrouw Faber. Misschien wil zij een
interruptie plegen, maar dat is aan de voorzitter. Ik zou zeggen: we
gaan door.
Mevrouw Faber, weer een vraag van u: hoe kan het dat gevaarlijke
personen zoals seksuele delinquenten gewoon met verlof kunnen? In het
algemeen kan ik u het volgende melden. Verlof is een belangrijk
onderdeel van de behandeling van een tbs-gestelde. Per jaar zijn er
90.000 verlofbewegingen. Van die 90.000 valt 0,04% onder de definitie
"onttrekking". Zij komen dus niet op het afgesproken moment terug naar
de plek waar ze zouden moeten zijn. Dat gaat dus om ongeveer 30
bewegingen op de 90.000 bewegingen per jaar. Om even een beeld te geven:
daaronder vallen ook mensen die met een lege telefoon op het station in
Wolvega staan en tien minuten te laat binnenkomen. Natuurlijk gaan dan
in een tbs-kliniek of tbs-voorziening alle radars draaien. Dat heet dan
een onttrekking, maar deze mensen komen uiteindelijk allemaal terug. Je
wil vooral dat door mensen die onder dat percentage vallen op dat moment
geen delicten worden gepleegd. Dat is natuurlijk wel de zorg die we
binnen de sector zien. Het desbetreffende percentage is nog veel lager.
Kun je helemaal voorkomen dat in deze samenleving überhaupt delicten
worden gepleegd? Nee. Ik had het net al over de risico-averse
samenleving. Daar leven we in. We zullen moeten accepteren dat er nou
eenmaal incidenten plaatsvinden. Binnen de tbs zijn dat aantal en dat
aandeel heel erg laag.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik heb geen vraag, alleen een opmerking. Ik dank de staatssecretaris
voor deze informatie, maar volgens mij had ik dit niet gevraagd. Het kan
zijn … Het maakt eigenlijk niet uit, maar …
De voorzitter:
Het maakt niet uit. We nemen het tot ons.
Mevrouw Faber (PVV):
We nemen het mee. Ja!
Staatssecretaris Van Bruggen:
Een andere vraag die mevrouw Faber heeft gesteld — maar misschien is die
dan ook te letterlijk genomen — is hoe het voor de ouders van een
slachtoffer is als iemand tbs krijgt en geen gevangenisstraf. Ik noem
bijvoorbeeld Hamzah L. Ik begrijp heel goed dat het verschrikkelijk is
wat er op zo'n moment gebeurt. Dat is ook waarom de slachtofferbelangen
zo ontzettend zwaar wegen, ook binnen de tbs. Ik vind het belangrijk dat
zowel de forensische zorg als het ministerie en het sociale domein
meekijken naar de zorg die zo'n persoon nodig heeft en dat we daar
lering uit trekken. Het is niet aan mij om te oordelen over de straf die
de rechter uiteindelijk heeft opgelegd. Daar ben ik heel duidelijk in.
Dat is immers aan de rechtspraak. Zo hebben we dat in Nederland
geregeld. Ook als een ander oordeel wordt gegeven dan het oordeel dat
bijvoorbeeld mevrouw Faber in dit geval wenselijk acht, ga ik daar als
staatssecretaris niet over. Is het verschrikkelijk wat er gebeurt?
Uiteraard.
Mevrouw Faber (PVV):
Deze vraag klopte wel. Nee, hoor, dat was een grapje. Ik zeg dat niet om
de staatssecretaris een vervelend gevoel te geven; zo bedoelde ik het
niet.
De staatssecretaris kan natuurlijk niet op de stoel van de rechter gaan
zitten. Dat begrijp ik. Niemand kan dat. Dat snap ik ook wel. Maar
Hamzah L. was wel een bekende. Er waren al tientallen jaren problemen
met deze man. Hij stond bekend om allerlei delicten die hij had
gepleegd. Ik vraag mij dan wel af hoe het kan dat zo iemand gewoon weer
vrij losloopt. Ik snap natuurlijk ook dat de staatssecretaris niet al
deze gevallen kent. Dit is één persoon van wie wij dat weten, maar
hoeveel van deze personen lopen er nog rond? Ik vraag mij toch wel af
welke belangen dan voorgaan. Gaat dan het belang voor om de maatschappij
tegen dit soort zaken te beschermen of gaan we dan uit van het
individu?
Staatssecretaris Van Bruggen:
We moeten van dit soort incidenten leren. Ik zal zo dadelijk nog
terugkomen op de vragen die zijn gesteld over het incident bij de
Erasmusbrug. Er vindt ook nog onderzoek plaats door de inspectie naar
het specifieke incident dat mevrouw Faber hier benoemt. Dat is wat ik
erover kan zeggen. We moeten ervan leren. Kunnen we het helemaal
voorkomen? Nee. Gaan we alle aanbevelingen die uit zo'n inspectierapport
komen heel goed bestuderen om te kijken wat we anders zouden kunnen doen
in dit soort situaties? Absoluut. Absoluut. Weet dat we dat, zeker als
het gaat over een zaak als Hamzah L., natuurlijk op de voet volgen.
Tegelijkertijd zijn er in deze samenleving nou eenmaal incidenten, hoe
afschuwelijk ook, en daar hebben we dus ook lering uit te trekken. Dat
is wat we met dit incident doen en bijvoorbeeld ook met het
steekincident op de Erasmusbrug.
De voorzitter:
Kort, mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Ja, heel kort. Wil de staatssecretaris ons dan op de hoogte houden als
de uitkomst van het onderzoek naar dit incident bekend is?
De voorzitter:
Wij krijgen dat onderzoek ook, denk ik.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Zeker. Dat zal ik zeker doen.
De voorzitter:
U continueert, want we zijn nog in blokje één, toch? In blokje twee al?
O, dat gaat goed! Gaat u verder, staatssecretaris.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Voorzitter, ik dacht dat we tot 17.00 uur hadden, maar ik zal iets
vlotter praten. Het is zeker aan u.
Dan ga ik naar het steekincident op de Erasmusbrug. Daar heeft mevrouw
Schilder een vraag over gesteld. Ik refereer ook even aan de vraag die
mevrouw Straatman daarover gesteld heeft. Welke leerpunten halen we uit
dit onderzoek? Het onderzoek daarnaar is namelijk wel afgerond. Je ziet
dat verschillende partijen bij de verdachte betrokken waren: een
zorgpartij, een beschermdwonenvoorziening en reclassering. Een van de
aanbevelingen is dat er goed gekeken moet worden naar hoe je omgaat met
alle verschillende signaleringsplannen. Op het moment dat er zoiets aan
de hand is, weet je dat verschillende partijen met hun eigen
risicotaxaties goed kijken naar wat nodig is voor deze patiënt. Van de
wens om te komen tot één signaleringsplan wordt eerlijk gezegd dat het
niet werkbaar is en tegelijkertijd ook niet wenselijk, omdat ze allemaal
vanuit hun eigen expertise goed kijken naar de risico's die ze zien. Het
belang is dat je dat juist in een multidisciplinair overleg bij elkaar
brengt. De aanbeveling die gegeven wordt, is: zorg dat het
multidisciplinair overleg structureel en gestructureerd plaatsvindt, om
uiteindelijk met elkaar een goede integrale risicotaxatie af te geven.
Dat is wat de inspectie gezegd heeft. Ik vind het ook ontzettend
belangrijk om deze aanbeveling mee te nemen naar het veld. Ik weet ook
dat zij dit heel serieus nemen en oppakken. Weet dus dat dat de
mogelijkheden zijn binnen de manier waarop we omgaan met risicotaxaties,
om juist tot een integrale afweging te komen.
Dat was mijn blokje veiligheid. Dan gaan we naar overig. Ik begin graag
met de Oostvaarderskliniek. De vraag van de heer Ellian was heel
concreet: wat is er aan de hand in de Oostvaarderskliniek? Ik ga daar
best uitgebreid op antwoorden, omdat ik ook weet dat dit natuurlijk al
langer speelt, dit al enige tijd de zorg van de Kamer heeft, er een
inspectierapport ligt en het belang van de voortgang daar ook zeker voor
mij heel relevant is. Ten aanzien van de betrokken personen wil ik
natuurlijk enigszins terughoudend zijn. Dit is een arbeidsrechtelijke
situatie, dus daar zal ik niet verder op ingaan. Het gaat vooral over de
vraag hoe in de aansturing van de kliniek stappen zijn gezet vanuit DJI
en wat het effect of de consequentie is van de verbetermaatregelen, dus
hoe we ervoor zorgen dat we datgene blijven borgen waarvan we hadden
gezegd dat we het zouden doen naar aanleiding van het
inspectierapport.
Als gevolg van de problemen in de organisatie en de cultuur van de
Oostvaarderskliniek heeft zich enkele jaren geleden een aantal
integriteitsschendingen en andere incidenten voorgedaan. Daarnaast waren
er twee niet-natuurlijke overlijdens in 2024 als gevolg van
middelengebruik. De kliniek wordt naar aanleiding hiervan gemonitord
door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Justitie en
Veiligheid, zoals u weet. De kliniek heeft op basis van een externe
analyse een stevig verbeterplan opgesteld. In dit kader is onder meer de
personele capaciteit van de kliniek uitgebreid. Ook daarover heeft u
kunnen lezen. Op dat moment heeft DJI ook twee gerenommeerde externe
deskundigen aangesteld die de uitvoering van het verbeterplan monitoren.
Ook adviseren zij de kliniek hierover. De deskundigen brengen verslag
uit aan DJI. Het gaat om een hoogleraar en een ervaren voormalig
bestuurder van een tbs-kliniek.
De externe deskundigen hebben hun rol vervuld en in dit kader bij DJI
gesignaleerd dat de interne aansturing van de kliniek en daarmee de
aansturing van de verbeteropgave belangrijke punten van aandacht zijn.
DJI heeft naar aanleiding hiervan met andere betrokkenen gesproken en
natuurlijk met de leiding van de kliniek. Dit leidde tot de constatering
dat er een verschil van inzicht is over de koers van de kliniek en het
tempo waarin de ontwikkelopgave wordt doorgevoerd. Het tempo van de
doorgevoerde veranderingen leek te hoog en de opgave werd steeds groter.
Daarom heeft DJI ingegrepen in de aansturing. We hebben er vertrouwen
in, zeg ik vanuit hier, dat de tijdelijke nieuwe directeur samen met het
managementteam en de medewerkers van de kliniek het tempo en de inhoud
van de veranderopgave gaan herijken en gaan kijken welke delen daarvan
nu met prioriteit moeten worden opgepakt. Het gaat dan om delen waarmee
de kliniek echt uit de voeten kan. Op dit moment is het belangrijk om
rust in de Oostvaarderskliniek te creëren, zodat de DJI-directeur aan de
slag kan met die verbeteropgave. Daar moet ik het voor nu dan ook bij
laten.
De voorzitter:
Ik heb een interruptie, als de collega's dat goedvinden. Ik waardeer het
zeer dat de staatssecretaris wat uitgebreider ingaat op de situatie in
de Oostvaarderskliniek, die natuurlijk al enige jaren zowel hier als in
de media aandacht krijgt. Dat helpt natuurlijk niet als je wilt
uitbreiden, want ik geloof dat er ook uitbreidingsplannen zijn. Het is
niet gek dat omwonenden, de gemeenteraad en het college dan wat
vraagtekens hebben. Iets wat mij verwondert — ik hoop dat de
staatssecretaris daar iets over kan zeggen — is dat wordt gezegd: het
tempo van de veranderingen lag te hoog. Je wilt toch juist dat die
veranderingen doorgevoerd worden opdat het beter gaat in de kliniek? Ik
volg 'm dus niet helemaal, moet ik eerlijk zeggen. Ik wil niet zelf gaan
invullen. Kunt u het iets duiden? Je wilt toch juist dat de boel snel op
orde is? Dat ontgaat me dan dus even.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik zal in algemeenheden blijven. Snelheid boven kwaliteit is natuurlijk
nooit een goed voorstel op het moment dat het raakt aan de kwaliteit van
zorg of aan de veiligheid in een kliniek. Juist daarom moet je goed
kijken naar het tempo van verbeteropgaven. Dat is gedaan. Op het moment
dat de externe deskundigen daarvan zeiden "let op" — dat is hun
signaleringsrol geweest — heeft DJI gehandeld en gedacht "nu moeten we
ingrijpen", en dat is wat er gebeurd is. Dat neemt niet weg dat die
verbeteropgave nog steeds staat. We moeten dus goed kijken naar wat de
IGJ daar precies over heeft gezegd en hoe we kunnen zorgen dat we al die
verbetermaatregelen een plek geven en in de tijd gaan prioriteren. Dat
is wat de DJI-directeur nu aan het doen is. Ten aanzien van de
uitbreiding heb ik geen signalen dat we dat niet meer gaan doen. Laat
dat ook duidelijk zijn.
Den Dolder. Even een bruggetje naar een andere vraag van de heer Ellian:
wat is de stand van zaken in het dossier Fivoor Den Dolder? Zoals ik
vorige week al schreef in de voortgangsbrief over forensische zorg zijn
er drie locaties in beeld voor de herhuisvesting van Fivoor. Met het oog
op het lokale draagvlak voor de nieuwe locatie, verloopt de
herhuisvesting volgens een zorgvuldig proces dat op dit moment wordt
uitgewerkt. Het doorkruisen van dit proces roept risico's op voor de
herhuisvesting. De betreffende locaties worden op dit moment dan ook
niet gedeeld. Ik kan ook geen mededelingen doen over het tijdpad, maar
ik kan wel zeggen dat we met deze partijen heel concreet in gesprek
zijn. In navolging van mijn ambtsvoorganger zet ik de nauwe
betrokkenheid van het ministerie van JenV voort, juist om in
gezamenlijkheid met gemeenten in de betreffende regio en de commissaris
van de Koning een nieuwe locatie te vinden.
Dan de gemaximeerde tbs. Daar zijn door de heer Ellian en de heer
Sneller vragen over gesteld. Eerst de vraag van de heer Ellian of de
gemaximeerde tbs wordt verlengd of afgeschaft en op welke termijn hier
een besluit over komt. Zoals bekend, ben ik bezig met de
beleidsverkenning naar de mogelijke afschaffing van gemaximeerde tbs.
Hierin zijn verschillende oplossingsrichtingen denkbaar en die worden
ook verkend, waaronder een mogelijke verlenging of een afschaffing. Een
samenvatting hiervan heb ik in de voortgangsbrief met uw Kamer gedeeld.
Op dit moment wordt een uitvoeringsanalyse uitgevoerd. Ik ben daar met
het OM, met DJI en met de klinieken over in gesprek. Het besluit over
hoe we hiermee verdergaan volgt voor de zomer en in de voortgangsbrief
van na de zomer, of zoveel eerder, zal hierover informatie verstrekt
worden aan u.
Dan de gemaximeerde tbs en voorrang. Mevrouw Straatman vroeg: wat
betekent het voor patiënten met een gemaximeerde tbs en kan de
staatssecretaris deze groep prioriteit geven indien de behandeling op
zich laat wachten? Het klopt. Het is zeer onwenselijk als een
behandeling lang op zich laat wachten voor deze specifieke groep. We
hebben het net nog even heel goed nagevraagd. Personen voor wie de
tbs-behandeling gemaximeerd is, worden nu met voorrang geplaatst.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dat is, denk ik, goed om te horen. Mijn vraag zag niet alleen op
prioriteit in doorplaatsing, maar ook in behandeling in de gevangenis.
Ik kan me voorstellen dat je deze groep ook voorrang geeft als er ruimte
is in de gevangenis, omdat er maar sprake is van een korte periode van
behandeling. Is dat al staand beleid of nog niet?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dat klopt. Dat is een hele belangrijke. Het is ook een van de zes
knoppen waar ik graag aan wil draaien. Wat natuurlijk een heel terecht
punt is van mevrouw Straatman, is dat de gevangenis een omgeving is die
zich minder goed leent voor een tbs-behandeling. Gaan we dan in de
tussentijd niks doen? Het zijn ook niet alleen maar ppc-patiënten. Het
zijn ook gedetineerden die op regulier verblijven en van wie we weten
dat ze uiteindelijk naar de tbs gaan. Kun je daar al iets van gesprekken
voeren? Kun je dan toch al iets met de manieren waarop je in de tbs de
zorg verleent? Dat ben ik aan het verkennen, omdat ik denk dat we daar
al mee aan de slag zouden kunnen in de periode dat mensen in detentie
verblijven, of dat nou op een ppc of regulier is. Die verhouding is
ongeveer 60-40. Het is dus niet zo dat alle tbs-patiënten al op een ppc
zitten. Ook hier speelt natuurlijk schaarste, ook waar het gaat om
mensen die behandelen. Hoe zorg je dat ze een plek en de goede middelen
hebben om in detentie dit soort gesprekken te voeren en behandelingen te
geven? Daar ben ik naar aan het kijken. Ik neem het wel heel serieus als
een van de zes knoppen om aan te draaien.
Mevrouw Straatman (CDA):
Een korte vervolgvraag. Ik begrijp goed dat er capaciteitsproblemen zijn
en dat er schaarste is. Dat is, denk ik, ook de kern van het probleem.
Zouden we dan in die schaarste bij die verkenning juist de groep met
gemaximeerde tbs voorrang en prioriteit kunnen geven, omdat het daar het
meest knelt in die effectieve behandeling?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dat zou ik zo snel niet willen toezeggen, omdat je daarmee misschien ook
wel weer iets heel ingewikkelds zou doen met de zittende populatie die
geen gemaximeerde tbs heeft. De vraag is of die zorgen nou zo veel
groter zijn dan bij de reguliere gedetineerde die wacht op een
tbs-behandeling. Ik vind dat wel een heel forse stap, moet ik heel
eerlijk zeggen. Dat is dus niet iets waar nu mijn voorkeur naar
uitgaat.
Goed, voorzitter. Dan ga ik met uw goedvinden door naar de eigen
bijdrage voor het verblijf. Hier had ik volgens mij al antwoord op
gegeven, met uitzondering van de uitvoerbaarheid voor het CAK. Die vraag
is ook gesteld door de heer Ellian. Het is belangrijk dat we het gaan
doen. Dat is het uitgangspunt. Hoe we het gaan doen, is nu een
uitvoeringskwestie. We zien dat het CAK daar zorgen over uit. We wachten
nog op het onderzoek dat we door het CJIB laten doen. Ik hoop natuurlijk
heel erg dat er mogelijkheden zijn, omdat het zo belangrijk is om dit in
te voeren. Tegelijkertijd moet het uitvoerbaar zijn. Ik zou de
maatschappelijke baten bijna ook mee willen nemen. Ik heb het dus niet
alleen over de kosten die ermee gemoeid zijn, maar juist ook over welke
maatschappelijke baten het oplevert. Daar ga ik gewoon niet op
vooruitlopen. Ik wacht op die analyse van het CJIB. Die krijg ik volgens
mij voor de zomer. Ik kijk even. Ja, die krijg ik voor de zomer en dan
neem ik een besluit over het vervolg. Punt. Ik zal daar dus ook in de
voortgangsbrief zeker op terugkomen, omdat het een belangrijk punt is
voor mij.
Mevrouw Straatman stelde een hele terechte vraag over de
ervaringsdeskundigen. Je ziet dat, zeker binnen het Kwaliteitskader
Forensische Zorg, de oproep is om te werken met ervaringsdeskundigen,
maar dat dat in de praktijk heel lastig is omdat het mensen zijn die
niet bovenaan het lijstje staan bij het afgeven van een vog met
goedkeuring. Daar heb je al de ingewikkeldheid van hoe we dan toch nader
tot elkaar komen als we de inzet van ervaringsdeskundigen in de
forensische zorg ontzettend belangrijk en waardevol vinden. Juist
doordat je de ervaringen kunt delen, kun je kijken waar het is misgegaan
en hoe je kunt voorkomen dat je straks weer terugvalt. We zien dat de
forensische zorg er zelf ook behoefte aan heeft om meer
ervaringsdeskundigen in te zetten. Inmiddels is door de sector een
conceptprofiel uitgewerkt voor de inzet van ervaringsdeskundigen in de
forensische zorg. Ik neem dat mee in de verdere uitwerking van de vraag
óf en hoe ervaringsdeskundigen in de forensische zorg veilig en
verantwoord kunnen worden ingezet. Ook hier kom ik graag na de zomer op
terug, in de voortgangsbrief over de forensische zorg.
Dan de vraag van de heer Sneller over het evidencebased werken, naar
aanleiding van het WODC-onderzoek; "evidence-informed", zei hij volgens
mij. Uit dat onderzoek volgt dat het beleid niet altijd evidencebased
is. "Wat gaat de staatssecretaris daaraan doen?" Ik onderstreep het
belang van evidencebased beleid. Ik hanteer dit als uitgangspunt. De
vraag is of zich situaties voor kunnen doen waarin je snel moet
ingrijpen en niet kunt wachten op de evidence, om het maar even zo te
zeggen, maar dat zal bij mij niet bovenliggen. Ik ga altijd uit van
evidencebased werken. Het zal per geval beoordeeld moeten worden,
waarbij, mede vanwege de conclusies van het WODC, steeds zorgvuldig moet
worden afgewogen of er al dan niet eerst een evaluatie moet
plaatsvinden. Weet dus dat dit voor mij het uitgangspunt is. Dat gaat
natuurlijk over toezicht na tbs. Tegelijkertijd duurt het soms lang
voordat je resultaten ziet en zou je misschien al eerder actie willen
ondernemen.
De heer Sneller (D66):
Het is natuurlijk deels wijsheid achteraf. Alleen, het WODC zegt wel zo
stellig dat eigenlijk gewoon gewacht had moeten worden op de evaluatie
van die wetswijziging uit 2008 voordat die van 2017 eroverheen kwam, dat
ik mij ook afvraag hoe de staatssecretaris hier in retrospectief naar
kijkt.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik denk dat het een hele belangrijke aanbeveling of conclusie van het
WODC is. Je moet altijd kijken naar wat wel werkt en wat niet. Er zijn
grote stappen gezet. De vraag is of het daadwerkelijk iets bijdraagt aan
de veiligheid van de samenleving.
Dan nog de combinatievonnissen/Fokkensregeling. Dat is de laatste vraag
die ik moet beantwoorden. Er was gevraagd: "Welke gevolgen ziet de
staatssecretaris van de afschaffing van de Fokkensregeling? Hoe denkt
zij over de herinvoering hiervan? Wat betekenen de wachttijden en de
vertraagde start voor het succes van de behandeling? En hoe kan in een
ppc al gestart worden met een behandeling als niet iedere p.i. over een
ppc beschikt?" Ik heb daar net al even heel kort iets over gezegd. De
Fokkensregeling maakte het mogelijk — ik ga even de techniek in — dat
veroordeelden met een combinatievonnis in beginsel na een derde van hun
vrijheidsstraf voor plaatsing in een forensisch psychiatrisch centrum in
aanmerking kwamen, een fpc. Door de afschaffing van de Fokkensregeling
starten justitiabelen met een combinatievonnis dus later aan hun
tbs-behandeling. Op dit moment is er onvoldoende wetenschappelijk
inzicht in het effect van lang wachten met de start van de behandeling,
ofwel door een lange gevangenisstraf ofwel door een lange
passantenperiode. Dat is ook het eerlijke verhaal. Mede om deze reden
voert juist het WODC nu onderzoek uit naar dat effect van een langdurige
gevangenisstraf op de behandeling van een tbs-gestelde. We hebben er
namelijk allemaal wel een gevoel bij dat het effect zou kunnen hebben.
De resultaten worden nog voor de zomer verwacht. Op basis van deze
uitkomsten beslis ik of het wenselijk is om wetgeving of beleid hierop
aan te passen. Daarnaast verken ik, wat ik net al zei, de mogelijkheden
om tijdens verblijf in de gevangenis in afwachting van de plaatsing in
de tbs-kliniek tbs-gestelden voor te bereiden op de behandeling.
Dan de vraag over ongedocumenteerden. Dat is de laatste vraag, van
mevrouw Schilder, in het blokje algemeen, namelijk: waarom mogen
illegalen hier blijven terwijl de bedden hard nodig zijn voor tbs'ers?
Dat raakt weer aan het eerdere blokje, over Veldzicht. In Nederland is
het zo dat ook ongedocumenteerde vreemdelingen die in Nederland
verblijven, delicten kunnen begaan. Zij komen voor de rechter. De
rechter kan tbs opleggen. De tbs moet dan ook gewoon in Nederland
uitgezeten worden. Wanneer deze personen in tbs komen, kunnen ze in de
knel raken tussen de stelsels van migratie en de strafrechtketen. Dat is
heel complex. Vanwege hun psychische problematiek en de lopende
tbs-maatregel zijn ze heel vaak moeilijk uitzetbaar. Dat is omdat we ons
daarbij ook aan internationale regelgeving hebben te houden. Op het
moment dat er geen veilige of goede plek in het land van herkomst
gegarandeerd kan worden, mag je als Nederland niet zomaar iemand
uitzetten. Op het moment dat iemand in de tbs verblijft en wij ontnemen
hem dat hij kan resocialiseren om te leren hoe hij zich buiten moet
gedragen, dan kom je in een ingewikkelde impasse terecht. Dat is precies
waar deze ketens elkaar raken en dat is ook precies de reden waarom het
een ingewikkelde discussie is. Feit blijft dat we deze mensen gewoon een
plek moeten bieden.
Ik ben aan het einde van mijn beantwoording, voorzitter. Dank u
wel.
De voorzitter:
Dan kijk ik even naar mevrouw Abdi.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Ik had natuurlijk vragen gesteld aan de staatssecretaris in het licht
van de capaciteit, met name over de ggz. Bij de werkagenda was er eerder
heel kritisch reageert vanuit de ggz, zo van: dit is niet werkbaar. De
vraag sluit ook aan bij eerdere vragen die collega's hebben gesteld over
de financieringssystematiek. Ik heb niet echt een antwoord gehoord op de
vraag of in de maatregelen die naar de Kamer zijn gestuurd, de ggz is
meegenomen en of er überhaupt contact is met haar collega Sterk over hoe
we dit gezamenlijk gaan doen. Het is namelijk niet alleen een opdracht
van deze staatssecretaris, maar ook van het bredere ggz-landschap. Kan
de staatssecretaris daar nader op ingaan?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Zeker. Dit is echt onze gezamenlijke agenda, onder regie van BZK. Vanuit
VWS en Justitie en Veiligheid staan we voor een bepaalde groep echt met
z'n tweeën aan de lat. Weet dat we hier actief met elkaar over in
contact zijn. Wat je moet willen voorkomen, is dat we naar elkaar gaan
wijzen, dus dat we zeggen "die hoort eigenlijk in de ggz thuis", terwijl
we weten hoe groot de problemen daar zijn, of dat we zeggen "dit is
iemand die forensisch is", terwijl we weten dat daar geen plek is. Op
alle mogelijke manieren staan we hier dus over in contact. We hebben het
juist ook over de uitvoerbaarheid van al die maatregelen, zoals het
realiseren van meer plekken of het nemen van strafrechtelijke
maatregelen terwijl er uiteindelijk geen bedden beschikbaar zijn. Dan
hebben we dus met elkaar uit te pluizen wat we daarvoor moeten
regelen.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Ik zal het heel concreet maken. Het zorgprestatiemodel in de ggz en in
de forensische zorg kan enkel goed werken met goede tarieven en maatwerk
bij de zwaarste soort patiënten. Er zijn eerder toezeggingen aan de
Kamer gedaan dat bewindspersonen dit samen met de Nederlandse
Zorgautoriteit in kaart zouden brengen en dat ze bij de Kamer zouden
terugkomen met een concreet voorstel. Dat komt niet terug in de brieven.
Ik begrijp dat er eerder heel veel dingen zijn toegezegd in de
voortgangsbrief. Morgen vindt er ook een debat plaats over de ggz. Ik
vind het jammer dat er soms, los van elkaar, lijkt te worden
gedebatteerd over dezelfde problematiek. Zou de staatssecretaris dus op
dit specifieke punt, over de verschillende vormen van financiering, de
tarieven, de zorgvraagtypering, iets concreter in kunnen gaan?
Dan wil ik misschien ook nog één suggestie meegeven. Ze kijken nu naar
een soort nieuwe woonvorm voor oudere patiënten met psychische
problematiek die aan het dementeren zijn. Dan denk ik: daarvoor is nu
een locatie gerealiseerd in Purmerend, terwijl wij hier nu zitten te
praten over een soortgelijke locatie voor tbs-patiënten. Daarmee wil ik
maar even in beeld brengen dat we soms gefragmenteerd discussies aan het
voeren zijn, terwijl het uiteindelijk om hetzelfde gaat. Misschien kan
de staatssecretaris toezeggen dat ze hier iets concreter op terugkomt —
dat mag van mij in een brief — zodat wij inzicht krijgen in wat er uit
die gesprekken komt, zo concreet mogelijk.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Sowieso wil ik er in de brief op terugkomen. We weten in de praktijk hoe
het werkt. Ik heb veel te maken met de collega van VWS op juist dit
dossier en voor jeugdbescherming en jeugdzorg. Wij trekken dus heel erg
nauw met elkaar op. De marktverkenning die nu plaatsvindt samen met de
NZa, gaat juist hierover; dat gebeurt ook in gezamenlijkheid. We zitten
samen in de stuurgroep. Het is dus niet iets wat we apart van elkaar
doen. Het is wel zo dat we steeds die verschillende vraagstukken goed
bij elkaar moeten brengen. Dat moeten we op bestuurlijk niveau doen en
ook ambtelijk. Weet dus dat we elkaar hierbij op alle mogelijke manieren
zoeken en ook vinden. Tegelijkertijd, als het gaat over de gesprekken
met de NZa, is er natuurlijk een belang vanuit de ggz en een belang
vanuit de forensische zorg. Die moeten we bij elkaar zien te krijgen,
juist om de reden die u net noemde, namelijk: als je met een voorziening
bezig bent, zorg er dan voor dat je niet naast elkaar exact hetzelfde
aan het ontwikkelen bent, maar kijk juist waarin je elkaar kunt
vinden.
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
Oké. U bent aan het einde gekomen, zie ik. Mevrouw Abdi?
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Een klein punt.
De voorzitter:
Heel klein dan.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Nou, ik zei "een klein punt", maar dat bedoelde ik helemaal niet. Zou
alsjeblieft de waardering van het personeel daarin meegenomen kunnen
worden? Wat mij opviel — daarom noemde ik de ggz — is dat ze eerder
kritisch waren, ook vanuit het oogpunt van het personeel. Daarvan zeiden
ze: we vinden het heel moeilijk om dingen op te trekken. Ik ben daar
zelf ook zoekende in, maar ik zou het fijn vinden als dat iets meer
meegenomen zou kunnen worden in de gesprekken.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik ben even op zoek naar hoe ik uw vraag kan beantwoorden, omdat ik
natuurlijk niet ga over de beloning van het personeel binnen de ggz.
Daar moet ik dus echt even heel voorzichtig in zijn. Volgens mij is dat
een vraag die goed terug zou kunnen komen in het debat dat later deze
week gevoerd wordt. Weet wat ik net zei: we trekken samen op. Wat je
niet wil — dat is wat we constant aan het doen zijn — is elkaar de markt
uitprijzen als het gaat over de beloning van het personeel, voor zowel
de ggz, het gevangeniswezen als de tbs. We weten dat we allemaal met
tekorten te maken hebben. Je wil de mensen op de juiste plek inzetten en
dat heeft ook te maken met de manier waarop we ze belonen.
Tegelijkertijd kan ik, zoals ik al zei, daar met betrekking tot de
reguliere ggz natuurlijk niks over zeggen.
Dank u wel.
De voorzitter:
All right. U bent aan het einde gekomen van uw termijn. Dan gaan we
gewoon door naar de tweede termijn van de Kamer. U heeft 1 minuut 20. Ik
begin bij mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Ik wil natuurlijk de staatssecretaris bedanken
voor haar beantwoording. Ik heb geen nadere vragen, maar ik wil wel
graag een tweeminutendebat aanvragen.
De voorzitter:
Dan noteren we dat, met u als eerste spreker. Mevrouw Schilder. O, er is
een interruptie van meneer Sneller.
De heer Sneller (D66):
Ja, vanwege de inbreng in de eerste termijn van mevrouw Faber over
bepaalde rapporten of cijfers die niet beschikbaar zouden zijn. Daar
kwam een antwoord op van de staatssecretaris. Op de agenda staat
natuurlijk ook de opzet van de periodieke rapportage over forensische
zorg. Zijn er nou concrete vragen die daarin zouden moeten worden
meegenomen om ervoor te zorgen dat mevrouw Faber dan wel het gevoel
heeft dat er daadwerkelijk naar gekeken is?
Mevrouw Faber (PVV):
Dank u wel voor deze interruptie, want daar helpt u mij zeker mee. Ik
zou wel graag een overzicht willen hebben van het aantal mensen dat in
de tbs zit en hoe die behandeling verloopt. Dat moet natuurlijk niet op
naam, maar gewoon: ze zitten er zo veel jaar, hoeveel zitten er zo veel
jaar, wat is het natraject, hebben ze begeleid wonen gehad, kunnen ze
zelfstandig wonen en hoeveel vallen er in recidive?
De voorzitter:
Oké. Even kijken, we waren aanbeland bij mevrouw Schilder.
Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):
Voorzitter, dank u wel. Ik wil de staatssecretaris ook bedanken voor de
beantwoording. Ondanks dat ik niet overal tevreden mee ben, dank ik u in
ieder geval wel voor de moeite. Ik sluit me aan bij mevrouw Faber. Ik
had graag een tweeminutendebat willen aanvragen, maar dat is al gedaan.
Ik laat het dus hierbij.
De voorzitter:
Oké. Mevrouw Straatman.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Ik houd het ook heel kort. Dank aan de
staatssecretaris voor de beantwoording. Volgens mij was het een hele
duidelijke beantwoording. Het is duidelijk dat de staatssecretaris hier
met veel passie over spreekt en uit dit werkveld komt. Complimenten voor
de daadkracht waarmee zij in korte tijd daarmee aan de slag is gegaan.
De opsomming aan maatregelen die boven op de maatregelen van het vorige
kabinet komen, zegt denk ik genoeg. Tegelijkertijd vertelt ze ook het
eerlijke verhaal dat het gewoon nog tijd zal kosten om het tbs-stelsel
weer op de rit te krijgen, maar daar gaan we met z'n allen hard aan
werken.
Dank u wel.
De voorzitter:
Meneer Sneller.
De heer Sneller (D66):
Dank u wel. Dank ook aan de staatssecretaris voor de beantwoording. Het
is nog een beetje zoeken. Over het gevangeniswezen heeft de
staatssecretaris gezegd: voor de zomer kom ik met een groot
overkoepelend plan. Hier wordt een aantal lijnen inderdaad additioneel
nog uitgezet. Ziet de staatssecretaris voor zich "ik ga hiermee aan de
slag en ik laat in die rapportages weten wat er gebeurt" of komt er wat
haar betreft, ook op basis van de verschillende garantstellingen en de
beschikbaarheidsstellingen, nog een soort overkoepelend plan bovenop?
Dat was de ene vraag.
De andere vraag gaat over dat rapport dat geagendeerd staat van Blauw
over het lokaal draagvlak. De staatssecretaris zei: ik weet dat er al
veel gebeurt. Tegelijkertijd kan je het bijna niet genoeg aandacht
geven. Komt er nou nog iets extra's naar aanleiding van dit onderzoek of
neemt ze dat gewoon mee in de reguliere contacten die zij aangaat met de
burgemeesters en wethouders, die zij ook gaat spreken?
Dank u wel.
De voorzitter:
Mevrouw Abdi.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Ik hou het ook kort. Ik wil ook de staatssecretaris en
haar ambtenaren bedanken voor de beantwoording. Ik denk dat het best
helder is dat staatssecretaris voortvarend aan de slag wil. Ik sluit me
wel aan bij de vragen van mijn collega, het lid Sneller. Ik zou het heel
fijn vinden om een soort algehele visie te hebben. Misschien dring ik
daarom ook zo aan op die ggz. Ik begrijp uiteraard dat u daar niet over
gaat, maar de samenhang is zo nauw dat ik het zonde zou vinden als we
een soort concreetheid missen. Ik wil toch een oproep doen om, waar
vaart gemaakt kan worden, juist de zwaarste patiënten sneller een
behandeling te doen toekomen. Dat zou ontzettend belangrijk zijn.
Ik wil ook de samenwerking met lokale gemeenten benadrukken. Je ziet
namelijk dat zij heel terughoudend zijn om daar een rol in te spelen,
omdat ze geen idee hebben of dat wordt geborgd. Ook de veiligheid van de
bewoners speelt daar een rol in. Dat weet de staatssecretaris uiteraard
ook.
Tot zover.
De voorzitter:
Oké.
Als jullie het goedvinden, zal ik tot slot mijn tweede termijn
uitspreken. Uiteraard dank ik de staatssecretaris voor de beantwoording.
Ik hoop dat de lat bij het debat over het gevangeniswezen net zo hoog
ligt als bij de beantwoording nu. Deze beantwoording biedt namelijk
perspectief. Ik verwacht dat op het gebied van het gevangeniswezen
hetzelfde gebeurt, ook als het gaat om gevaarlijke onderwerpen. Ik heb
het dan over voortgezet crimineel handelen vanuit detentie. Maar dat is
een ander debat.
Twee onderwerpen zijn toch wel wat fundamenteel van aard. Die puzzelen
mij. Ik weet niet of de staatssecretaris daar zo meteen op kan reageren,
maar het lijkt me goed dat ik die twee zorgen vanuit de VVD-fractie
deel.
De eerste zorg is de kwestie vreemdelingen in tbs. Die kwestie maak ik
nu vijf jaar mee, geloof ik, dus zolang ik Kamerlid ben. Dit begint wel
problematisch te worden. Het was al problematisch, maar het wordt steeds
problematischer. Het heeft iets heel geks dat mensen die geen recht
hebben op verblijf in Nederland, een strafbaar feit plegen en dan tbs
krijgen. Verlof heeft geen zin. Daar heeft de VVD eerder aandacht voor
gevraagd. In Nederland gaan ze immers niet resocialiseren. Ze moeten
terug, maar het land van herkomst heeft geen passende voorzieningen, dus
ze blijven hier. De vraag is of we dit op deze manier moeten blijven
doen, met alle kosten en capaciteit van dien, of dat we dit op een
andere manier moeten inrichten; laat ik voorzichtig zijn met het
gebruiken van termen. Ik denk dat we hier wel iets op moeten bedenken,
want op deze manier kan het niet. Ik vind het ook niet heel rechtvaardig
wat we nu doen.
Het tweede dat mij erg puzzelt, is Almere. Ik moet eerlijk zeggen: ik
begrijp het gewoon niet. Ik zal wel weer op bezoek gaan. Het kan zijn
dat er een angstcultuur is ontstaan. De staatssecretaris zegt: het ging
te snel. Dan denk ik: die verbeteringen moesten snel, want de rapporten
waren superernstig. Dus óf die verbeteringen worden doorgevoerd óf er is
iets anders. Ik maak me daar wel zorgen om, moet ik eerlijk zeggen,
zeker nu er ingegrepen is. Met die zorgen kunt u niets, maar dit puzzelt
mij wel enorm.
Dat van mijn kant.
Hoelang heeft u nodig, staatssecretaris? Een paar minuten? Oké. Ik
schors voor drie minuten.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. We gaan luisteren naar de tweede termijn van
de staatssecretaris.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Ik wil graag stilte in de zaal. Mevrouw de staatssecretaris.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik had aangegeven in de tweede termijn terug te komen op de vraag van
mevrouw Straatman over de vervanging van het Ifzo-systeem. Daar zal ik
dus mee beginnen. Wat is de stand van zaken? Het is niet nodig om het
systeem in z'n geheel te vervangen. Het systeem wordt verbeterd. Het
systeem is namelijk nog niet aan het eind van z'n levenscyclus. De
applicatie vervangen is nu dus gewoon niet nodig. Het is niet per se een
geldkwestie, maar het is niet nodig. Als alle ketenpartners daar klaar
voor zijn, volgt er aan het eind van het jaar een nieuwe release van
Ifzo. Voor de verbetering van het systeem is inmiddels het project
Digitalisering forensischezorgketen gestart, waarin DJI samen met 3RO en
de zorgaanbieders samenwerkt. Het integraal vervangen van het systeem
kost heel veel tijd, terwijl juist het stapsgewijs verbeteren eerder tot
resultaten leidt. Zo hebben we dat dus nu ingericht.
Dan kom ik bij de vragen die de heer Sneller in de tweede termijn stelde
over het landelijk plan. Hoe zorg je dat die samenhang er is? Het
belangrijkste vind ik dat we aan de slag zijn met het Actieplan
gevangenissen. De effecten die dat actieplan op de forensische zorg en
het tbs-systeem gaat hebben, zul je daarin moeten vinden. Ik zie
tegelijkertijd natuurlijk dat dat langer dan een maand duurt en dat dat
dus onvoldoende gaat zijn om op korte termijn stappen te zetten. Op de
korte termijn heb ik het dus juist ook over die aanvullende maatregelen
— dat zijn die zes maatregelen die ik al noemde — waarmee we juist
vanuit de forensische zorg stappen kunnen zetten. Een overkoepelend plan
lijkt mij voorbarig. Tegelijkertijd wil ik natuurlijk wel zeggen dat we
binnen de forensische zorg weer aanvullende maatregelen zullen moeten
treffen als we richting en na de zomer zien dat de effecten van het
Actieplan gevangenissen niet zichtbaarder worden. De communicerende
vaten moeten dus eigenlijk steeds heel goed met elkaar in evenwicht
blijven; ze staan nu allebei onder water. Mijn hoop is natuurlijk dat we
met het Actieplan gevangenissen en de maatregelen die ik in de
voortgangsbrief noem, al forse stappen kunnen zetten. Als dat te weinig
is, dan moeten we daar weer op anticiperen.
De tweede vraag, en ook een terecht punt, ging over het "onderzoek
blauw", zoals ik het maar even noem. Dat onderzoek gaat over het
nimby-effect en het draagvlak. Hoe zorgen we ervoor dat we dat goed in
beeld krijgen en houden? Gaan we nog iets extra's doen, naast al die
reguliere bezoeken die we nu met wethouders, burgemeesters en lokale
ambtsdragers voeren, om juist dat draagvlak in de regio goed te kunnen
borgen? Er komt een opvolging van dat rapport. Die gesprekken vinden dus
inderdaad regulier plaats. Ook voor onszelf zitten daar leerpunten in,
bijvoorbeeld kijken of we andersoortige gesprekken moeten voeren. Zijn
we nu altijd op zoek naar — ik zeg maar even wat — de wethouder sociaal
domein, terwijl we eigenlijk bij de burgemeester moeten zijn voor de
veiligheid? Het gaat dus om hele praktische dingen. Hoe kunnen we nou
zorgen dat we de goede gesprekken voeren? Je kunt niet de hele dag
overal zijn, dus we moeten ook in onze landelijke keuze goed kijken naar
welke gesprekken we waar en op welk moment voeren. Die opvolging komt
nog vanuit dat "rapport blauw". Weet dat dat voor ons een belangrijk
punt is.
Dan de vraag van mevrouw Abdi over het zorgen voor tempo en over het
vinden van de samenhang met VWS wat betreft alle vraagstukken die
hieraan raken. Dat komt samen in de werkagenda. De aansluiting tussen
forensische en reguliere zorg hebben we vormgegeven in de werkagenda.
Dat geldt dus ook voor onze visie op hoe we veranderingen binnen de
samenwerking tussen VWS en Justitie en Veiligheid voor ons zien.
Tegelijkertijd kan ik daar niet alleen op anticiperen in de
voortgangsbrief over de forensische zorg. Dat moet ik ook samen met mijn
collega VWS oppakken in de voortgangsbrief werkagenda aansluiting
forensische zorg. Volgens mij — dit zeg ik even uit mijn hoofd — staat
die brief ook aan het eind van het jaar gepland. Wij stemmen onderling
ook af wat daar in de tussenliggende periode allemaal voor nodig
is.
Dan de vraag van de heer Ellian over vreemdelingen in tbs. Dat is een
herkenbaar vraagstuk. Zo lang u er al mee stoeit, stoei ik er ook al
ongeveer mee. Ik ben er ook over in gesprek met mijn collega van Asiel
en Migratie. Het is een ongelofelijk complex vraagstuk. De oplossing is
niet eenvoudig. Tegelijkertijd moeten we daar wel iets mee doen, al zou
het alleen al gaan over humaan opvangbeleid. Die mensen zijn
uiteindelijk in een tbs-systeem terechtgekomen, omdat ze een delict
hebben gepleegd en er in ieder geval bij een deel van hen een stoornis
is vastgesteld. We gaan die mensen dus behandelen, maar we geven ze geen
perspectief op uiteindelijk weer uitstromen of op het maken van een
verlofbeweging; dat is iets wat ik me zeer aantrek. We moeten daar dus
juist in de gesprekken met Asiel en Migratie ook stappen in kunnen
zetten, maar we zitten klem. Weet dat dit voor mij dus een actueel
onderwerp is.
De voorzitter:
Als de collega's het goedvinden, wil ik een interruptie plegen namens de
VVD-fractie. Ik hoop dat de staatssecretaris mij niet verkeerd begrepen
heeft. Ik vind helemaal niet dat ze terug moeten keren in de samenleving
of verlof moeten krijgen. Ik zit er juist anders in. Ik vind het heel
onrechtvaardig dat zij nu maar continu op dure plekken zitten, op kosten
van de samenleving en ten koste van anderen die wachten op een
tbs-behandeling, met alle gevolgen van dien voor de veiligheid. Denk ook
aan het vreselijke incident in Veldzicht, ik geloof drie jaar terug. Ik
vind dat er iets sobers moet worden bedacht. Daar neigen wij inmiddels
toe. Ik hoop dus niet dat dít de insteek is van de
staatssecretaris.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Het is niet zozeer mijn insteek, als wel dat we moeten zorgen dat deze
mensen klaar zijn om terug te gaan naar het land van herkomst. Op het
moment dat je ze niet klaar maakt … Dat bedoel ik met resocialiseren.
Dat gaat niet over resocialiseren in de Nederlandse samenleving, maar
over dáár. Als we dat niet gaan doen, dus als we de kans niet aangrijpen
om daarin stappen te zetten zodat het ook veel eenvoudiger zou kunnen
worden om deze mensen weer naar het land van herkomst te brengen,
schieten we onszelf in de voet. Daar zouden we volgens mij stappen in
moeten kunnen zetten met elkaar.
Mevrouw Faber (PVV):
Nog even over de asielzoeker die in het tbs-systeem zit. Daar zijn wel
mogelijkheden voor als je afspraken maakt met het land van herkomst, om
ze daar onder te brengen in een psychiatrische inrichting. Er zijn ook
voorbeelden waarin het wel kan. Het is dus niet zo dat we helemaal klem
zitten. Die mogelijkheden zijn er en dan vind ik dat we die optimaal
moeten benutten. Er zijn ook best landen die ervoor openstaan om dat te
gaan doen. Het is wel moeizaam, maar het kan wel.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Zeker. U hoorde mij dat waarschijnlijk al bevestigen. Het klopt
inderdaad. Het gebeurt ook best vaak dat het succesvol is en dat een
land van herkomst heel goed meewerkt aan de terugkeer van een patiënt.
Tegelijkertijd doen niet alle landen dat. Dat is precies het vraagstuk:
hoe zorgen we nou dat de patiënt in kwestie toch zo klaar mogelijk is om
in ieder geval terug te keren naar het land van herkomst? Daarin hebben
we als Nederland wat te doen. Maar wat mevrouw Faber zegt, is helemaal
waar: er zijn ook echt hele goede voorbeelden waarin iemand
teruggebracht kon worden naar het land van herkomst. Ja, zeker.
De voorzitter:
Oké, dan de laatste vraag nog. O, mevrouw Schilder.
Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):
Mijn vraag is de volgende. Ik snap dat het een lastige kwestie is hoor,
maar Nederland lijkt altijd het liefste jongetje van de klas te zijn.
Waarom moet Nederland iets doen? Waarom moet het land van herkomst dat
niet doen?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dat is echt het internationale recht, waar we ons aan houden. Dat is
niet een kwestie van het braafste jongetje van de klas zijn. Het gaat
echt over hoe we met elkaar hebben afgesproken dat we de wet naleven,
ook internationaalrechtelijk gezien. In deze casus zie je die
rechtsgebieden bij elkaar komen en dat maakt het ingewikkeld. We kijken
steeds naar de juiste oplossing, want ja, iemand moet weer terug naar
het land van herkomst. Hoe zorg je dat diegene daar zo klaar mogelijk
voor is binnen het systeem dat wij hiervoor hebben ingericht?
De voorzitter:
Ja. U gaat verder.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dan de laatste vraag. U stelde niet echt een vraag over Almere,
voorzitter; dat heeft u ook aangegeven. Van mij is er dus ook geen
aanvullend antwoord op wat ik daarover eerder gezegd heb.
Dat was mijn beantwoording.
De voorzitter:
Dat begrijp ik. Dank, staatssecretaris. Ik kijk nog even rond, en ik
denk dat we er zijn.
Ik ga de toezeggingen doornemen.
De staatssecretaris komt in de volgende voortgangsbrief terug op de mogelijkheden voor een voorziening voor oudere tbs-patiënten, al dan niet met dementie. Dat was een toezegging aan mijzelf.
De staatssecretaris komt in de volgende voortgangsbrief terug op alternatieve locaties voor Veldzicht. Dat was een toezegging aan mevrouw Abdi.
De staatssecretaris komt in de volgende voortgangsbrief terug op het benutten van beschikbare data. Dat was een toezegging aan mevrouw Straatman.
De staatssecretaris komt in de volgende voortgangsbrief terug op de vraag of en hoe ervaringsdeskundigen kunnen worden ingezet in de forensische zorg. Dat is ook een toezegging aan mevrouw Straatman.
De staatssecretaris komt in de volgende voortgangsbrief ten slotte terug op het betrekken van de ggz in de werkagenda. Dat is een toezegging aan mevrouw Abdi.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Die laatste toezegging betreft de voortgangsbrief van de werkagenda. De
vraag is dus even of die dan ook in deze voortgangsbrief … Nee, dat zou
dubbelop zijn. Ik denk dus dat het goed is om die toezegging op te nemen
in de reguliere voortgangsbrief van de werkagenda.
De voorzitter:
Oké. Dan trekken we die los. Die voortgangsbrief over de werkagenda komt
dus niet van deze staatssecretaris.
Staatssecretaris Van Bruggen:
We doen dat samen. VWS en JenV doen dat samen.
De voorzitter:
Oké, maar dan trekken we die toezegging los en dan kan die eventueel in
die andere voortgangsbrief, toch? We bedenken er wat op. Wanneer komt
die brief dan?
Staatssecretaris Van Bruggen:
De voortgangsbrief forensische zorg komt in het najaar. De
voortgangsbrief werkagenda komt eind van het jaar.
De voorzitter:
Oké, dat is duidelijk, alhoewel ik in de veronderstelling verkeerde dat
die voortgangsbrief forensische zorg voor de zomer zou komen. Maar dan
heb ik niet goed geluisterd. Najaar, oké. Mevrouw Faber?
Mevrouw Faber (PVV):
Meneer Sneller was zo aardig om mij nog te wijzen op de cijfers die ik
graag zou willen krijgen over mensen die tbs hebben gekregen. Ik heb dit
wel gevraagd, maar er is verder geen reactie op gekomen, voor zover ik
weet. Is de staatssecretaris bereid om deze gegevens ook te verstrekken
in de voortgangsrapportage, of anderszins?
De voorzitter:
Dat moet kunnen, toch?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dat moet kunnen. Zeker, ja.
De voorzitter:
Oké. Die toezegging is dan ook genoteerd. Dan hebben we de toezeggingen
afgehandeld en kijk ik nog één keer rond. Mevrouw Abdi.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter, ik worstel hier een beetje mee. Ook ik was namelijk in de
veronderstelling dat de voortgangsbrief forensische zorg voor de zomer
zou komen. Nu begrijp ik dat dat het najaar wordt, en de werkagenda pas
aan het eind van het jaar. Ik worstel daar een beetje mee, want als je
iets wil doen als Kamer, helpt het natuurlijk om die informatie eerder
te hebben. Hierbij doe ik dus het verzoek om te kijken of het lukt om in
ieder geval de brief over forensische zorg eerder te sturen. Er wordt nu
heel moeilijk gekeken, maar ik zou het wel fijn vinden als dat kan. Als
het niet kan, hoor ik het graag.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Nee, ik ga die niet lostrekken. Dat zou niet handig zijn. Maar
natuurlijk komt die zo snel mogelijk. Dat zou ik zeker wel willen doen,
zeker omdat de druk hoog is binnen de aansluiting tussen reguliere en
forensische ggz. Dat is dus wel iets wat ik met VWS wil opnemen.
Tegelijkertijd staat de brief voor eind van het jaar gepland, en moeten
we daar natuurlijk ook zorgvuldig in zijn. Als je namelijk resultaten
wilt laten zien, is het fijn om echt iets te kunnen vertellen over
resultaten, in plaats van te vroeg te willen juichen op dit hele
complexe dossier.
De voorzitter:
De voortgangsbrief forensische zorg komt in ieder geval in het najaar.
Dat is ook prettig voor onze vergadercyclus, want dan kunnen wij
daarover ook een commissiedebat inplannen. Dan zijn we ook nog op tijd
richting de begrotingsbehandeling. Oké.
Ik sluit af met de melding dat het lid Faber om een tweeminutendebat
heeft verzocht. Dat gaan we dus doorgeven aan de Griffie en dat gaat
ingepland worden. Ik dank de staatssecretaris voor haar beantwoording en
haar aanwezigheid. Ik dank de aanwezige collega's en alle
geïnteresseerden, en zeker de mensen die in de forensische zorg werken.
Fijn dat u hier wilde zijn. Ik dank ook alle anderen die hebben gekeken
en ik sluit de vergadering.
Sluiting 16.38 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |
|---|