Evaluatie en vervolg 70+ regeling rechters-plaatsvervangers
Rechtsstaat en Rechtsorde
Brief regering
Nummer: 2026D15041, datum: 2026-03-31, bijgewerkt: 2026-04-02 12:29, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
- Verslag evaluatieonderzoek 70+ regeling Rechtspraak
- Beslisnota bij Kamerbrief over evaluatie en vervolg 70+ regeling rechters-plaatsvervangers
Onderdeel van kamerstukdossier 29279 -1016 Rechtsstaat en Rechtsorde.
Onderdeel van zaak 2026Z06645:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- 2026-04-02 12:50: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-04-15 14:30: Procedurevergadering Justitie en Veiligheid (Procedurevergadering), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
Preview document (🔗 origineel)
29 279 Rechtsstaat en Rechtsorde
Nr. 1016 Brief van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 31 maart 2026
Inleiding
Hierbij informeer ik uw Kamer over de bevindingen uit de evaluatie van de tijdelijke regeling op basis waarvan raadsheren en rechters die werkzaam zijn bij rechtbanken, gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep (CRvB) en het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) na het bereiken van de wettelijke ontslagleeftijd van zeventig jaar1 nog enige tijd kunnen worden ingezet als raadsheer- of rechter-plaatsvervanger (hierna: 70+ regeling). Voor het eerst geïntroduceerd in de Tweede Verzamelspoedwet COVID-192 is deze regeling per 16 november 2023 met drie jaar verlengd via de wet tot wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, de Tweede Verzamelspoedwet COVID-19 en enkele andere wetten in verband met het treffen van een tijdelijke voorziening voor het benoemen van rechters-plaatsvervangers in hun eenenzeventigste levensjaar (hierna: de verlengingswet).3 In artikel IX van de verlengingswet is bepaald dat de Minister voor Rechtsbescherming binnen anderhalf jaar na inwerkingtreding van de wet een evaluatieverslag aan de Staten-Generaal zendt over de doeltreffendheid en effecten van deze wet in de praktijk. Het evaluatieverslag treft u als bijlage aan. De toezending van het evaluatieverslag heeft helaas niet kunnen plaatsvinden binnen de in artikel IX van de verlengingswet genoemde termijn, omdat de uitvoering van het onderzoek en het analyseren van de bevindingen langer heeft geduurd dan voorzien.
Context en doel van de regeling
De Rechtspraak4 kampt al langere tijd met een tekort aan rechterlijke capaciteit. Via verschillende manieren probeert de Rechtspraak dit tekort op te lossen. Zo zet de Rechtspraak zich in om extra rechters5 aan te trekken en op te leiden. Het aantal opleidingsplekken is de laatste jaren flink uitgebreid. Daar zit echter een maximum aan omdat nieuwe rechters door ervaren rechters worden opgeleid. Ook is een nieuwe rechter in opleiding niet direct volledig inzetbaar. Het duurt een aantal jaar voordat deze nieuwe rechters volwaardig in de Rechtspraak kunnen meedraaien. De Rechtspraak verwacht dat het capaciteitstekort niet op korte termijn kan worden opgelost omdat het personeelsbestand de komende jaren qua omvang en samenstelling verder zal veranderen door onder andere de leeftijdsgebonden uitstroom, de structurele noodzaak tot het verkorten van doorlooptijden en het wegwerken van achterstanden.6 Het doel van de 70+ regeling is een extra bijdrage te leveren aan het terugdringen van dit tekort. De 70+ regeling maakt het mogelijk dat rechters na de wettelijke ontslagleeftijd van zeventig jaar nog enige tijd langer kunnen worden ingezet door middel van een benoeming als rechter-plaatsvervanger (hierna: 70+ plaatsvervangers).
De 70+ plaatsvervanger
Bij de Rechtspraak worden naast rechters ook rechters-plaatsvervangers ingezet. Sinds de inwerkingtreding van de 70+ regeling is de bestaande groep plaatsvervangers bij de Rechtspraak aangevuld met rechters die na het bereiken van de wettelijke ontslagleeftijd van zeventig jaar als rechter-plaatsvervanger zijn benoemd.7 Deze benoeming geschiedt met wederzijdse instemming van betrokkene en het gerechtsbestuur, en is gebaseerd op de persoonlijke wens van de betreffende rechter en het eerdere functioneren. De benoeming ingevolge de 70+ regeling eindigt bij het bereiken van de leeftijd van drieënzeventig jaar.8
Doel en opzet van de evaluatie
De evaluatie heeft tot doel gehad de doeltreffendheid en de effecten van de 70+ regeling te onderzoeken. Als evaluatiemethodiek is gekozen voor een invoeringstoets die door het Ministerie van Justitie en Veiligheid in samenwerking met de Raad is uitgevoerd.9 De invoeringstoets bestond uit een kwantitatief deel waarin alle gerechten een vragenlijst hebben ingevuld, en een kwalitatief deel waarin met vijf gerechten gesprekken zijn gevoerd. Daarnaast heeft de Raad cijfers over de inzet van 70+ rechters beschikbaar gesteld. In het evaluatieverslag worden de bevindingen van het onderzoek geschetst. De nadruk ligt daarbij op de mate waarin de 70+ plaatsvervangers effectief hebben bijgedragen aan de capaciteit van de Rechtspraak. Ook wordt uiteengezet hoe in de praktijk wordt omgegaan met het waarborgen van individuele geschiktheid voor de benoeming als 70+ plaatsvervanger. Ten slotte wordt ingegaan op de manier waarop 70+ plaatsvervangers een bijzondere bijdrage leveren, bijvoorbeeld als opleider van nieuwe rechters en door kennisoverdracht.
Bevindingen
Samenvattend blijkt uit de invoeringstoets dat de ervaringen met de inzet van 70+ plaatsvervangers zeer positief zijn. In de onderzochte periode leverde deze groep ca. 28 fte aan extra rechterlijke capaciteit en behandelde zij ruim 1% van het totaal aantal zaken dat in die periode door de Rechtspraak is afgedaan. De 70+ plaatsvervangers zijn ervaren en flexibel. Zij kunnen snel en veelzijdig worden ingezet, variërend van het behandelen van schriftelijke zaken, het ondersteunen van collega’s en het inlopen van achterstanden. Deze groep brengt waardevolle expertise, (specialistische) kennis en ervaring in en draagt die effectief over aan collega’s.
Conclusie en vervolg
Op basis van deze bevindingen concludeer ik dat de 70+ plaatsvervangers een waardevolle bijdrage leveren aan het verhogen van de capaciteit en kwaliteit van de Rechtspraak en dat zij daarnaast bijdragen aan het behoud van kennis en ervaring voor de gerechten. Tegelijkertijd is de verwachting dat de toegenomen instroom van nieuwe rechters niet zal leiden tot een grote capaciteitsuitbreiding. Het aantal rechters groeit weliswaar gestaag maar de Raad signaleert in zijn jaarverslag dat vergrijzing en de daarmee samenhangende leeftijdsgebonden uitstroom ook in de komende jaren gevolgen blijft hebben voor de samenstelling van het personeelsbestand.10 Daarnaast blijft voor het terugdringen van de doorlooptijden ook in de toekomst substantiële inzet nodig. Op dit moment, maar ook in de toekomst, is iedere extra mogelijke inzet van rechters hard nodig en de inzet van de ervaren 70+ plaatsvervangers levert daar een goede bijdrage aan. De Raad is om die redenen voorstander van het structureel maken van de regeling.
Ik onderken deze behoefte. Gelet op de bijdrage die de 70+ plaatsvervangers leveren aan het terugdringen van het capaciteitstekort en de positieve ervaringen die de gerechten hebben met de inzet van deze groep, ben ik voornemens een wetstraject voor te bereiden met het doel de tijdelijke regeling voor de inzet van 70+ plaatsvervangers structureel te maken. Hierbij merk ik op dat de huidige tijdelijke regeling ingevolge artikel VII van de verlengingswet per 16 november 2026 vervalt, tenzij vóór die datum een wetsvoorstel tot structureelmaking van de regeling is ingediend bij de Tweede Kamer. Vanzelfsprekend wordt gestreefd naar indiening van een wetsvoorstel vóór 16 november 2026. Mocht deze datum onverhoopt echter niet worden gehaald, dan vloeit uit artikel VIII van de verlengingswet voort dat de benoemingen van de tot dan toe benoemde 70+ plaatsvervangers gewoon in stand blijven. Via het wetsvoorstel tot structureelmaking kan er dan verder in worden voorzien dat rechters die vanaf 16 november 2026 de leeftijd van zeventig jaar hebben bereikt, spoedig na de inwerkingtreding van de nieuwe wet als 70+ plaatsvervanger aan de slag kunnen.
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
K.T. van Bruggen
Artikel 46h, derde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra).↩︎
Staatsblad 2020, nr. 245. Het betreft artikel 3.3 van die wet, in werking getreden per 15 juli 2020.↩︎
Staatsblad 2023, nr. 410. Zie de via de verlengingswet tot stand gebrachte artikelen 54a Wrra, 4a van de Beroepswet en 5a van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie. In artikel VIII van de verlengingswet is bepaald dat voornoemde artikelen vervallen drie jaar na inwerkingtreding, dus per 16 november 2023, tenzij er voor die datum bij de Tweede Kamer een wetsvoorstel is ingediend tot het regelen van de leeftijd waarop rechters in rechtbanken en gerechtshoven kunnen worden benoemd of ontslagen.↩︎
Onder de Rechtspraak wordt in deze brief verstaan: de rechtbanken, de gerechtshoven, de CRvB en het CBb.↩︎
Waar in het vervolg van deze brief wordt gesproken over ‘rechters(-plaatsvervangers)’ worden tevens bedoeld raadsheren(-plaatsvervangers).↩︎
Jaarverslag Rechtspraak 2024, p. 73.↩︎
Zie voor een beschrijving van de positie en functie van de rechter-plaatsvervanger in het algemeen en de 70+ plaatsvervanger in het bijzonder, p. 1-2 van het evaluatieverslag.↩︎
Artikel 54a, vierde lid, Wrra.↩︎
Jaarverslag Rechtspraak 2024, p. 73.↩︎