Goedkeuring van het op 21 juni 2019 te Genève tot stand gekomen Verdrag inzake het uitbannen van geweld en intimidatie op de werkvloer (Trb. 2020, 2 en Trb. 2020, 34) (36684) (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D15162, datum: 2026-03-31, bijgewerkt: 2026-04-01 09:24, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-03-31 19:50: Goedkeuring van het op 21 juni 2019 te Genève tot stand gekomen Verdrag inzake het uitbannen van geweld en intimidatie op de werkvloer (Trb. 2020, 2 en Trb. 2020, 34) (36684) (Plenair debat (wetgeving)), TK
Preview document (🔗 origineel)
Goedkeuring Verdrag inzake het uitbannen van geweld en intimidatie op de werkvloer
Goedkeuring Verdrag inzake het uitbannen van geweld en intimidatie op
de werkvloer
Aan de orde is de behandeling van:
het wetsvoorstel Goedkeuring van het op 21 juni 2019 te Genève tot stand gekomen Verdrag inzake het uitbannen van geweld en intimidatie op de werkvloer (Trb. 2020, 2 en Trb. 2020, 34) (36684).
De voorzitter:
We gaan beginnen met het debat over goedkeuring van het op 21 juni 2019
te Genève tot stand gekomen Verdrag inzake het uitbannen van geweld en
intimidatie op de werkvloer, met als eerste spreker vanavond mevrouw Van
Ark van het CDA.
De algemene beraadslaging wordt geopend.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Voorzitter. Vandaag spreken we over de goedkeuring van het ILO-verdrag
190, over het uitbannen van geweld en intimidatie op de werkvloer. Dat
is anno 2026 nog steeds hard nodig. Een paar jaar geleden zagen we nog
het schandaal bij The Voice, waar kwetsbare jongeren in een situatie
belanden waarin de bescherming op de werkvloer tekortschoot. Voor het
CDA is de kern helder: iedereen moet veilig kunnen werken. Geweld,
intimidatie en seksueel grensoverschrijdend gedrag horen nergens thuis
en zeker niet op de werkvloer. Dat raakt aan menselijke waardigheid, aan
fatsoen en aan goed werkgeverschap. Daarom staan wij heel positief
tegenover ratificatie van dit verdrag.
Tegelijkertijd vinden wij dat de echte toets niet op papier ligt, maar
in de praktijk. Merkt de werknemer hier straks ook daadwerkelijk iets
van? Dat is voor onze fractie de belangrijkste vraag. Voor de uitvoering
van het verdrag is volgens het kabinet geen specifieke wijziging van
wet- en regelgeving noodzakelijk. Tegelijkertijd zegt het kabinet dat er
wel degelijk meer nodig is om grensoverschrijdend gedrag krachtig aan te
pakken. Daarom werkt de regering aan trainingen, een sectorale aanpak,
publiekscommunicatie, hulpmiddelen voor werkgevers en werknemers. Ook
werkt de regering aan een apart wetsvoorstel voor een verplichte
gedragscode bij intern ongewenst gedrag bij werkgevers met tien of meer
werknemers.
Dan is voor het CDA de vraag: hoe zorgen we ervoor dat we niet vooral
nieuwe papieren verplichtingen optuigen, maar echt iets verbeteren op de
werkvloer? Daar zit ook een reëel risico. Werkgeversorganisaties
waarschuwen in het aparte traject rond de verplichte gedragscode voor
extra regeldruk en een one-size-fits-allbenadering. Tegelijkertijd zien
we dat ratificatie alleen niet genoeg is als gedrag, leiderschap en
aanspreekbaarheid op de werkvloer niet mee veranderen. Beide signalen
moeten we serieus nemen.
Voorzitter. Het CDA kiest daarom voor een lijn die op de werkvloer
uiteindelijk leidt tot echte verandering, geen papieren verandering. Als
eerste punt: normen moeten helder zijn, maar cultuur en gedrag zijn
minstens zo belangrijk. Een veilige werkvloer organiseer je niet alleen
met regels, maar ook met voorbeeldgedrag, aanspreekbaarheid, leiderschap
en een werkomgeving waarin mensen veilig hun grens kunnen aangeven. De
regering noemt als belangrijke elementen voor Nederland: aandacht voor
gedrag en cultuur en de primaire verantwoordelijkheid van de werkgever
voor een veilige werksfeer. Dat onderschrijven wij.
Twee: laagdrempelige hulp is cruciaal. In de stukken staat dat in het
bestaande stelsel mogelijke maatregelen bijvoorbeeld een
vertrouwenspersoon, een gedragscode of een klachtenregeling kunnen zijn.
Zulke instrumenten kunnen helpen. Tegelijkertijd werken ze alleen als
daar op de werkvloer ook een cultuur van aanspreekbaarheid, veiligheid
en goed leiderschap onder ligt. Voor onze fractie is het van belang dat
werknemers in de praktijk weten waar ze terechtkunnen; dus niet pas als
het helemaal escaleert maar juist eerder. Kan de minister aangeven hoe
hij bevordert dat werknemers in de praktijk altijd ergens terechtkunnen
en dat laagdrempelige ondersteuning beschikbaar is? Kan hij daarbij ook
ingaan op de rol van het Huis voor Klokkenluiders, juist waar het gaat
om de vraag of het voor werknemers helder genoeg is waar zij zich kunnen
melden en wat er vervolgens met hun signaal gebeurt?
Drie. De zorgvuldige opvolging van meldingen moet beter. De regering
schrijft dat een goede klachtenregeling bijdraagt aan zorgvuldige
afhandeling, maar dat het stellen van kwaliteitseisen het met name voor
kleinere bedrijven lastig kan maken om een klachtenregeling inclusief
klachtencommissie op te zetten. Daarom wordt die nu niet wettelijk
verplicht. Dat is op zichzelf begrijpelijk, maar dan moet er wel iets
tegenover staan. Hoe gaat de minister er samen met sociale partners voor
zorgen dat klachtenafhandeling in de praktijk echt verbetert, ook zonder
algemene wettelijke plicht? En hoe worden de lessen uit het werk van de
Regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel
geweld daarin op de langere termijn geborgd? Ik vraag dit, temeer omdat
we weten dat haar termijn eind dit jaar eindigt.
Vier. We willen oog houden voor het mkb. Juist kleinere werkgevers
willen vaak wel het goede doen, maar hebben minder capaciteit, minder
juridische kennis en minder hr-ondersteuning. Hoe voorkomt de minister
dat goedbedoeld beleid uitmondt in extra regeldruk? En hoe wordt straks
getoetst of maatregelen niet alleen op papier bestaan maar ook echt
bijdragen aan sociale veiligheid en cultuurverandering op de
werkvloer?
Voorzitter, tot slot. Nog een punt over Caribisch Nederland. Het kabinet
is daar eerlijk over: voor Bonaire, Sint-Eustatius en Saba geldt het
verdrag nog niet, omdat de juridische infrastructuur daar nog niet op
orde is. Kan de minister schetsen welke stappen nog nodig zijn om het
verdrag op termijn ook voor Caribisch Nederland te laten gelden?
Voorzitter. Het CDA steunt het verdrag, maar onze boodschap is wel: niet
tevreden zijn met alleen een mooie norm maar blijven sturen op wat
mensen op de werkvloer merken. Veilig werk vraagt om normen, maar ook om
cultuurverandering, toegankelijkheid en een goede uitvoering.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is nu het woord aan mevrouw Patijn van
GroenLinks-PvdA.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Dit is een belangrijk, maar ook een vrij technisch
debat. Ik denk dat we allemaal erg bezig zijn met de inhoud. Het deed me
dan ook goed om te horen dat collega Van Ark precies hetzelfde zei als
wat ik wil benadrukken, namelijk dat geweld en intimidatie niet
thuishoren op de werkvloer. Daar zullen we het allemaal over eens zijn.
Daarom is het juist zo belangrijk dat we zeggen dat we geweld en
intimidatie afkeuren.
Het verdrag dat we vandaag behandelen, stelt dat iedereen het recht
heeft op een wereld zonder geweld en intimidatie op de werkvloer. Maar
alleen ratificatie van het verdrag is niet genoeg. Het is nodig dat
bijvoorbeeld ook de arbowetgeving in lijn wordt gebracht met dit
verdrag. Het voorstel dat er nu ligt, stelt met zoveel woorden dat de
bestaande wetgeving volstaat. Tegelijkertijd zien we in de praktijk dat
geweld en intimidatie nog altijd structureel voorkomen. Ik sprak laatst
samen met collega Neijenhuis met een groep Bijenkorfmedewerkers. Zij
vertelden dat jonge uitzendkrachten in de avond een hele verdieping in
hun eentje moeten bemensen. Dat voelt niet veilig en dat is het ook
niet. Wat moet je doen als er gestolen wordt of als een klant agressief
wordt? Mijn eerste vraag aan de minister is dan ook simpel: als het
huidige systeem voldoende is, waarom werkt het dan niet voor een
Bijenkorfmedewerker die in zijn eentje op de werkvloer staat? Erkent de
minister dat de huidige aanpak tekortschiet en, zo ja, is hij bereid om
aanvullende actie te ondernemen en om zo nodig wetgeving te maken?
Voorzitter. We hebben bij de schriftelijke inbreng al vragen gesteld
over de reikwijdte van de wet. Wie valt eronder en wat is er nodig om
het effectief aan te pakken? Ik moet helaas concluderen dat er nog gaten
zitten in de implementatievoorstellen die er nu liggen. De tekst uit het
verdrag is helder. In een ingezonden artikel stellen onder andere Bureau
Clara Wichmann en FNV dat de Nederlandse wetgeving niet voldoet aan de
eisen van het verdrag. Het verdrag is duidelijk: de bescherming moet
breder van toepassing zijn dan nu in Nederland geldt. Ten eerste: hoe
zit het met de groepen die ook bescherming verdienen, zoals zzp'ers,
platformwerkers, sollicitanten en vrijwilligers?
De voorzitter:
Er is een interruptie van de heer Kisteman, maar ik dacht: ik wacht even
totdat u uw vragen heeft gesteld. Maar er valt nu toch een stilte, dus
meneer Kisteman, gaat uw gang.
De heer Kisteman (VVD):
Ik stond hier al aan het begin van het betoog van mevrouw Patijn, toen
ze zei dat er wel iets moet gebeuren. In de Arbowet staat wat
ondernemers moeten doen om voor minder discriminatie of een veilige
werkvloer te zorgen. Stel dat we wel voor extra wetgeving gaan zorgen
door dit verdrag in de Arbowet over te nemen. Wat gaat dat dan oplossen
op de werkvloer?
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
De belangrijkste punten ga ik nog maken. Er zijn groepen die nu niet
onder de werkingssfeer vallen. Er zijn momenten op de dag waarop mensen
niet onder de werkingssfeer van de Arbowet vallen en dus geen
bescherming hebben. Maar misschien wordt het duidelijker als ik nu
verder mag gaan met mijn bijdrage.
De heer Kisteman (VVD):
Ik ben er een beetje bang voor dat de goede ondernemers, die dit al
doen, gaan lijden onder nog meer regeldruk en dat de ondernemers die het
niet goed doen, zich toch niet aan de regels houden. Is mevrouw Patijn
het ermee eens dat als we dit niet overnemen maar we voor meer regels
gaan zorgen door het vast te leggen in de Arbowet, zoals mevrouw Patijn
voorstelt, de goede ondernemers daaronder gaan lijden omdat er nog meer
stapeling in de regels komt en de ondernemers die het niet goed doen er
uiteindelijk toch niks mee gaan doen?
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Ik ken het mantra van de heer Kisteman als het gaat over regels op het
gebied van veiligheid, gezondheid en bescherming tegen intimidatie en
geweld op de werkvloer. Hij heeft het altijd over de regeldruk, vooral
als het gaat om regels die werknemers moeten beschermen. Dat hoor ik u
vaak zeggen. Het gaat nu echt om regels die ik nodig acht voor deze
mensen. Het gaat niet om regeldruk, maar om de bescherming van
werknemers, zodat zij hun werk veilig kunnen doen, zodat zij weten dat
er geen sprake is van intimidatie en zodat zij erop kunnen rekenen dat
de werkgever verplicht is om daar wat aan te doen en de Arbeidsinspectie
zo nodig handhaaft als daar niet aan wordt voldaan.
De voorzitter:
Tot slot, meneer Kisteman.
De heer Kisteman (VVD):
Dit staat dus al in de Arbowet. Ondernemers moeten zich hier al aan
houden. Ze moeten ervoor zorgen dat werknemers veilig naar hun werk
kunnen gaan en dat werknemers niet gediscrimineerd worden. Dus wat gaat
er dan veranderen als wij dit zouden overnemen en er nieuwe regels aan
toe gaan voegen?
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Het gaat helemaal niet om nieuwe regels ten aanzien van wat een
werkgever moet doen voor de huidige groep werknemers. Er ontbreken
groepen werknemers in de definitie van de Arbowet. Er ontbreken momenten
van de werkdag die relevant zijn voor de handhaving. Het ILO-verdrag —
dat is waarom we hier zijn — zegt daarover dat die wel degelijk in de
wetgeving thuishoren. De vertaling van het ILO-verdrag naar de wetgeving
is nu dus niet compleet.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel. Ik had het over de groepen die ook bescherming verdienen en
die nu niet of niet volledig onder de arbowetgeving vallen, zoals
zzp'ers, platformwerkers, sollicitanten en vrijwilligers. Het verdrag
noemt deze groepen expliciet: "Dit Verdrag beschermt werknemers en
andere personen in de wereld van werk, met inbegrip van werknemers zoals
gedefinieerd door de nationale wetgeving en praktijk (…)". Dat is
geregeld in de wet, zoals de heer Kisteman net vroeg. Het verdrag
vervolgt: "(…) alsook werkende personen, ongeacht hun contractuele
status, personen in opleiding, met inbegrip van stagiaires en
leerlingen, werknemers van wie de arbeidsovereenkomst is beëindigd,
vrijwilligers, werkzoekenden en sollicitanten, en personen die het
gezag, de taken of de verantwoordelijkheden van een werkgever
uitoefenen". Deze groepen worden op dit moment niet benoemd in de
Arbowet. De minister zelf zegt hierover dat de Arbowet nu niet op alle
groepen van toepassing is: sollicitanten, ex-werknemers en zelfstandigen
vallen niet of niet volledig onder de Arbowet. Erkent de minister dat
dit niet strookt met het verdrag? Ik wil hier heel graag een duidelijk
antwoord op met een toelichting waarom dat wel of niet zo zou zijn
volgens de minister. Is de minister bereid de werkingssfeer van de
Arbowet aan te passen en de genoemde doelgroepen wel volledig onder de
werkingssfeer van de wet te brengen?
In de nota naar aanleiding van het verslag lezen we dat de groepen die
nu niet onder de Arbowet vallen een beroep kunnen doen op het civiele
recht. Wij verwachten dat mensen die stap niet gaan zetten. Ziet de
minister dat ook? Is de minister het met ons eens dat de
Arbeidsinspectie de mogelijkheid moet krijgen om te handhaven, ook waar
het om deze groepen gaat? Is de minister bereid de wet aan te passen
zodat deze overeenkomt met wat er in het verdrag staat? We moeten
bijvoorbeeld sollicitanten toch gewoon beschermen zoals het verdrag
benoemt, bijvoorbeeld tegen discriminatie bij de sollicitatie?
Wij zien ook een gat als het gaat om uitzendkrachten die zowel een baas
op de werkvloer hebben als een administratieve baas bij het
uitzendbureau. Wij vinden dat werkgevers nog te makkelijk naar elkaar
kunnen wijzen als het bijvoorbeeld gaat om voorlichting over veilig
werken. Ziet de minister dit ook? Kan hij aangeven wat hij daaraan zou
kunnen doen?
Als tweede wil ik het hebben over de momenten waarop de Arbowet volgens
het verdrag moet gaan gelden. Het verdrag benoemt in artikel 3 de
volgende punten: tijdens werkgerelateerde trips, zoals uitjes, via
werkgerelateerde communicatie, ook online, in een door de werkgever
verstrekte accommodatie en tijdens het woon-werkverkeer. Uit de
beantwoording begrijpen we dat woon-werkverkeer soms wel en soms niet
onder de reikwijdte van de Arbowet valt. Als er sprake is van
zeggenschap over de werknemer, dan is er sprake van een zorgplicht. Kan
de minister aangeven wanneer er sprake is van zorgplicht? Hoe zit het
als je carpoolt naar je werk vanaf de woonlocatie die je werkgever
regelt? Hoe zit het als je met je busje van de aannemer, je werkgever,
naar de andere kant van het land rijdt voor een klus? Hoe zit het als je
als thuiszorgmedewerker te maken hebt met een gebroken dienst en je dus,
dankzij het rooster dat je werkgever heeft gemaakt, vier keer op een dag
met woon-werkverkeer te maken hebt? Hoe zit het met de
callcentermedewerker die aan het einde van de avond over het donkere
industrieterrein naar een halte moet lopen om daar alleen op de bus te
wachten? Heeft de werkgever dan wel of geen verantwoordelijkheid? Is op
dat moment wel of niet de Arbowet van toepassing? Nee, nu nog niet. Deze
wet regelt dat ook niet. Is de minister met ons van mening dat dit beter
geregeld kan worden, ook omdat het ILO-verdrag dit voorschrijft? Graag
een reactie van de minister.
Verder ontbreekt ook de implementatie van veel andere bepalingen uit het
verdrag. Hoe zit het met online werken? Hoe zit het met woningen die
door werkgevers verstrekt worden en waarvan de huur op het inkomen wordt
ingehouden, dus locaties waar mensen niet beschermd worden door die
Arbowet? Hoe zit het met intimidatie van arbeidsmigranten buiten
werktijd? Hoe zit het met de kwetsbaarheid van flexwerkers? Hoe zit het
met doorwerking in huiselijk geweld? Dit zou allemaal in de wet moeten
staan. Kan de minister aangeven of hij dit alsnog gaat oppakken?
Voorzitter. Een ander punt is de meldingsbereidheid, die nog steeds te
laag is. Melden is heftig voor werkenden, zeker vanuit een kwetsbare
arbeidspositie. We weten ook dat afhankelijkheid van tijdelijke
contracten mensen tegenhoudt om melding te maken. Daarom stel ik opnieuw
de vraag: wat gaat het kabinet concreet doen om de drempels voor melden
weg te nemen en slachtoffers beter te beschermen? Geweld en intimidatie
op de werkvloer vraagt ook om een cultuurverandering. Het gaat er ook om
hoe mensen met elkaar omgaan. Juist daarom is het werk van de
Regeringscommissaris Seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel
geweld zo belangrijk. Kan de minister kort schetsen hoe het staat met
het werk en het nationaal actieprogramma? We zien dat er sinds het
aanstellen van de regeringscommissaris samen met sectoren echt dingen
verbeteren op de werkvloer, met concrete resultaten. Ziet de minister
dit ook? Ziet hij ook dat er daardoor verschil gemaakt wordt?
Ook de handhaving verdient aandacht. De Nederlandse Arbeidsinspectie
speelt een cruciale rol, maar het is de vraag of die voldoende uitgerust
is. Ziet de minister, net als wij, de noodzaak om de capaciteit van de
NLA uit te breiden? Is de capaciteit en inzet van de Arbeidsinspectie,
als het gaat om het tegengaan van geweld en intimidatie, voldoende? Zo
ja, waar blijkt dat uit?
Voorzitter. Ratificatie is alleen betekenisvol als die gepaard gaat met
een stevige agenda. Wij vragen de minister om met wetgeving te komen
zodat de Arbowet in lijn is met wat er letterlijk in het verdrag staat.
Mijn fractie overweegt te komen met moties om de reikwijdte van de wet
uit te breiden als het gaat om de doelgroepen én de momenten waarop
wetgeving van toepassing is, maar liever hebben wij een bereidwillige
minister die toezegt voor het einde van het jaar de wet aan te gaan
passen.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Kisteman van de VVD.
De heer Kisteman (VVD):
Voorzitter. Onze ondernemers houden dit land draaiende: ze investeren,
nemen risico's en komen met oplossingen voor de problemen van vandaag en
morgen. Dankzij onze ondernemers kunnen wij investeren in onderwijs en
zorg. Ondernemers zorgen voor werkgelegenheid, creëren banen en
investeren in hun mensen. Laten we eerlijk zijn: de meeste ondernemers
doen het gewoon heel goed. Ze investeren in hun mensen, zorgen voor een
bloemetje als de werknemer jarig is of voor een fruitmand als iemand
ziek is. Ze denken met iemand mee bij wie het thuis even tegenzit. Dat
is de realiteit op de werkvloer in Nederland: werkgevers en werknemers
die samen de schouders eronder zetten en ondernemers die niet op afstand
staan, maar gewoon tussen hun mensen samen de handen uit de mouwen
steken. Over het algemeen kunnen werknemers hun werk veilig doen, is er
geen geweld of intimidatie op de werkvloer en gaan werknemers met veel
plezier naar hun werk, zonder zorgen over wat er kan gebeuren op de
werkvloer.
Voorzitter. Het gaat niet altijd goed. Soms maken werknemers geweld mee
op de werkvloer of worden zij geïntimideerd en soms is hun werkomgeving
niet veilig. Wat mijn fractie betreft worden die ondernemers hierop
aangesproken en worden ze aangepakt. Ze hebben zich aan de wet te
houden. Dat brengt mij ook gelijk tot mijn vraag aan de minister. Is de
minister het met mijn fractie eens dat veruit de meeste werkgevers al
aan dit verdrag voldoen en dat zij gewoon goed zijn voor hun werknemers
en voor veilige en prettige werkomstandigheden zorgen? In hoeverre houdt
Nederland zich al aan dit verdrag? Ziet de Arbowet hier niet al op toe?
Ondernemers moeten op basis van de RI&E al een beleid voeren dat
discriminatie, intimidatie en geweld voorkomt. De Arbeidsinspectie
groeit al flink. Klopt het dat de Arbeidsinspectie de bestaande regels
daardoor veel beter kan handhaven? Mijn fractie snapt ook dat dit
kabinet dit verdrag beleidsarm wil overnemen. Kan de minister toezeggen
dat dit verdrag geen extra regeldruk voor onze ondernemers gaat
opleveren, zoals ook in het regeerakkoord is afgesproken? Ondernemers
lopen tenslotte al vast in alle onnodige regels, maar ook in alle
dubbele regels, ook als het gaat om de RI&E. Veel ondernemers lopen
hierin vast. Ik zal in mijn tweede termijn dan ook een motie indienen
die gaat over die RI&E.
Voorzitter. Mijn fractie wil dat iedereen in Nederland veilig naar zijn
werk kan, dat er geen geweld op de werkvloer is en dat er niet wordt
geïntimideerd. Laat dat vooropstaan, maar dit moet niet leiden tot meer
regeldruk waar de goede ondernemers onder lijden en de slechte
ondernemers zich toch niet aan houden.
Daar wou ik het bij laten.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Neijenhuis van D66.
De heer Neijenhuis (D66):
Voorzitter. Elk jaar krijgt een op de zes werknemers te maken met
ongewenst gedrag op het werk. Werk is de plek waar je je thuis hoort te
voelen en waar verbinding, ontwikkeling en meedoen centraal zouden
moeten staan, maar bij nog te veel mensen is er sprake van intimidatie,
uitsluiting, verlies van zingeving en uitval. Overal ter wereld waar
mensen aan de slag zijn of waar we producten of diensten afnemen, zouden
we er zeker van moeten zijn dat intimidatie en geweld uit den boze zijn
op de werkvloer. Daarom is het goed dat de ILO een verdrag aannam om
geweld en intimidatie op de werkvloer uit te bannen en is het goed dat
we dat vandaag kunnen bespreken.
Er zijn drie dingen die ik graag aan de orde wil stellen: het vraagstuk
in hoeverre wet- en regelgeving inderdaad echt volstaat, de impact op
specifiek de vrouwen en de impact op winkelpersoneel. Er is een lange
weg te gaan tussen verdragen en de dagelijkse praktijk, maar alles
begint met een goede wet. Het nu voorliggende verdrag is beleidsarm,
maar de komende tijd wordt op het ministerie wel verder gewerkt aan
voorstellen die aan dit onderwerp raken. Daarom vraag ik de minister of
hij bereid is om bij komende wetstrajecten opnieuw kritisch te kijken of
de gereedschapskist volstaat.
Laat ik maar meteen man en paard noemen: D66 is blij dat het kabinet
komt met een wetsvoorstel om een gedragscode intern ongewenst gedrag te
verplichten, al gebeurt dat dus nog niet in dit wetsvoorstel. Maar als
wij de beslisnota's erop nalezen, zien we dat het oorspronkelijke
wetsvoorstel wel toezag op een klachtenregeling; dat zat in ieder geval
nog in de naam. Het is niet echt goed duidelijk waarom hiervan is
afgezien. Daarom vraag ik de minister waarom er niet is gekozen voor
zo'n verplichte klachtenregeling. Was dit oorspronkelijk wél het plan,
waarom is dit er weer uit gehaald en is de minister bereid dit te
heroverwegen?
Nog zo'n twijfelpunt is de Arbowet. Geweld en intimidatie spelen zich
niet alleen af op de werkplek, maar ook bij een zzp-opdracht, online of
onderweg. Dat vraagt mogelijk om een bredere reikwijdte van de Arbowet.
In het onderliggende voorstel is dat niet aan de orde. Wederom blijkt
uit de beslisnota's dat het kabinet een uitbreiding van de Arbowet per
AMvB destijds nog wel als optie achter de hand hield om tegemoet te
komen aan de kritiek op de invulling van het verdrag. Ook in de memorie
van toelichting wordt gezinspeeld op deze mogelijkheid. Ik sluit me dus
aan bij de vragen van mevrouw Patijn: kan de minister dit nader
toelichten, welke voor- en nadelen ziet hij hierbij en is hij inderdaad
bereid om per AMvB die reikwijdte van de Arbowet aan te passen als de
Kamer hierom vraagt? Hoe kijkt de minister ook naar het verschil met het
verdrag dat ook groepen zoals sollicitanten en oud-werknemers betrekt,
terwijl zij niet onder de Arbowet vallen?
Voorzitter. Het is geen geheim dat vrouwen significant vaker slachtoffer
zijn van intimidatie dan mannen. Een derde van de vrouwen heeft op het
werk te maken met seksueel grensoverschrijdend gedrag. Het is daarmee
niet de uitzondering maar een breed verspreid probleem. Bescherming van
vrouwen is nog niet vanzelfsprekend. Dit gaat niet alleen om fysiek
geweld, maar ook om subtielere vormen van intimidatie, waardoor vrouwen
zich elke dag onveilig kunnen voelen op de werkvloer. Een dubbelzinnige
opmerking, te dichtbij staan of foute appjes; we zien ze nog veel te
vaak. Dit zorgt ervoor dat vrouwen met een knoop in de maag naar hun
werk gaan. Dat is onacceptabel en daarom vraag ik het volgende aan de
minister. Veel vrouwen ervaren een hoge drempel om ongewenst gedrag te
melden, zeker in sectoren met een groot machtsverschil. Welke
maatregelen treft de minister om deze meldingsdrempel te verlagen, zodat
slachtoffers zich daadwerkelijk durven te melden? En nog los van de
vraag of de huidige verplichtingen uit de Arbowet worden aangescherpt of
niet: hoe gaat de minister ervoor zorgen dat werkgevers daadwerkelijk
meer actie ondernemen om intimidatie, en in het bijzonder intimidatie
richting vrouwen, te voorkomen? Zijn de huidige capaciteiten en
bevoegdheden van de Nederlandse Arbeidsinspectie daarvoor wel
voldoende?
Voorzitter. Mijn laatste punt. Mevrouw Patijn noemde het net ook al: we
spraken enkele weken geleden met een diverse groep mensen die werken in
de winkelstraat. Wat mij sterk raakte, waren hun verhalen over hoe zij
dagelijks in de vuurlinie staan van een steeds asocialere samenleving,
waarin mensen een steeds korter lontje hebben en meteen agressief
reageren als iets ze niet zint of als ze worden aangesproken op hun
gedrag. Het moet gezegd: veel werkgevers staan echt vierkant achter hun
mensen als zij te maken krijgen met geweld of intimidatie van klanten.
Maar we zien het ook te vaak misgaan. Om logische redenen zal ik geen
namen of toenamen noemen, maar het is niet oké om voorbeelden te horen
waarin op complete verdiepingen van warenhuizen de beveiliging is
wegbezuinigd, of verhalen van personeel dat op de noodknop drukt, waarna
de politie er eerder is dan de manager. Er zijn ook verhalen van jonge
vrouwen die 's avonds laat alleen de winkel beheren en moeten afsluiten
en dan ook nog eens een minimumjeugdloon krijgen. Dat betekent dat we
nog een weg te gaan hebben. Is de minister bereid om aan de slag te gaan
zodat hij een goed beeld krijgt van hoe wijdverspreid deze problemen
zijn? Is hij bereid om met werkgevers in gesprek te gaan om oplossingen
en duidelijke normen af te spreken, en om te spreken over hoe om te gaan
met geweld en intimidatie in winkels? Ik overweeg een motie op dit
punt.
Dank u wel.
De voorzitter:
Er is een interruptie van de heer Mulder.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Ik vraag me af of de collega van D66 vindt dat de tweet van minister
Vijlbrief over zijn bitches ook valt onder intimidatie op de
werkvloer.
De heer Neijenhuis (D66):
Het afleggen van verantwoording over dat soort tweets laat ik graag aan
de minister zelf over.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Dat is een beetje een zwakke reactie. Ik krijg hier een hele redevoering
over hoe belangrijk het is dat vrouwen beschermd moeten worden, en dat
één op de drie lastig wordt gevallen en dat dat onacceptabel is.
Onacceptabel. Dus ik stel die vraag nog een keer. Valt die tweet over de
bitches van minister Vijlbrief ook onder intimidatie van een collega op
de werkvloer? Het was voor heel Nederland zichtbaar.
De heer Neijenhuis (D66):
Volgens mij hebben ze dat al helemaal uitgepraat. Daar is de heer Mulder
ook van op de hoogte. Daar ga ik hier nu niet op reageren. Dat moet u
aan de mensen in kwestie vragen.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Ja, tot slot. Maar dat is dus makkelijk. Dan mag ik iemand intimideren.
Daarna praat ik het uit en dan is het goed. Dat is makkelijk. Daarvoor
moet je een wetsvoorstel optuigen, natuurlijk.
De heer Neijenhuis (D66):
Ik ga niet mee in deze discussie.
De heer Kisteman (VVD):
Als ik de heer Neijenhuis goed hoor, lijkt hij toch te pleiten voor een
verruiming van de Arbowet, waardoor daar meer regels voor komen of
waardoor de regels ruimer worden geïnterpreteerd. Maar wat gaat dit dan
doen aan de problemen die er kunnen zijn, zoals een onveilige situatie
of discriminatie op de werkvloer?
De heer Neijenhuis (D66):
Die Arbowet hebben we niet voor niets. Die is er juist om ervoor te
zorgen dat we, als er geweld of intimidatie is, dat dan kunnen aanpakken
en zodat we de mensen die dat doen ook daadwerkelijk de straf kunnen
geven die ze daarvoor zouden moeten krijgen. Straf voor wie straf
verdient, dat zou de VVD toch moeten aanspreken? Daarom hebben we die
regels en daarom vind ik ook dat die moeten worden toegepast op het
moment dat er geweld of intimidatie is op de werkvloer. We hebben daar
nu dit verdrag voor, dat eigenlijk zegt dat dat helemaal nooit mag. Er
zijn wat dingen waarbij ik me afvraag of die onder de huidige Arbowet
eigenlijk wel goed geregeld zijn. Dus ja, daar stel ik wat vragen over.
Het lijkt me niet meer dan logisch dat we ervoor moeten zorgen dat we de
mensen die in de fout gaan ook echt kunnen aanpakken.
De heer Kisteman (VVD):
Daar ben ik het volledig mee eens. Zoals de heer Neijenhuis zegt, hebben
we daar de Arbowet voor. Daar staat het dan ook in. Waarom zouden er dan
nóg meer regels moeten komen, die ervoor gaan zorgen dat ondernemers die
zich al aan de regels houden nog meer moeten doen, en ondernemers die
het toch niet doen ermee wegkomen?
De heer Neijenhuis (D66):
Die moeten daar natuurlijk niet mee wegkomen. Die moeten we aanpakken
als ze in de fout gaan. De heer Kisteman zegt dat we er ook voor moeten
zorgen dat ondernemers die het goed doen, geen onnodige regeldruk
ervaren en niet eindeloos hoeven te rapporteren over wat ze allemaal
doen. Daar ben ik het helemaal mee eens. Laten we vooral kijken hoe we
dat kunnen verbeteren. Dat zeker. Maar als hij hier een soort beeld
schetst van "regels zijn toch zinloos wat niemand houdt zich eraan", ben
ik het daar echt niet mee eens. We hebben juist regels om te zorgen dat
mensen die de fout ingaan, de straf krijgen die zij verdienen.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Kisteman (VVD):
Het beeld dat ik schets, is dat er nóg meer regels voor ondernemers bij
komen als wij dit verdrag beleidsrijk gaan overnemen, terwijl wij juist
met z'n allen voorstander zijn van minder regels. Dat hebben we ook
afgesproken in het regeerakkoord. Laten we dus kijken hoe we dat kunnen
doen, en hoe we ervoor kunnen zorgen dat ondernemers zich aan de regels
houden. Laten we niet met extra regels komen, en laten we ondernemers
die zich er niet aan houden, harder aanpakken. Maar laten we alsjeblieft
niet zorgen voor nog meer regels, waar de goede ondernemers de dupe van
worden.
De heer Neijenhuis (D66):
Met dat laatste ben ik het uiteraard helemaal eens.
De voorzitter:
Dank u wel. O, mevrouw Patijn heeft ook nog een vraag.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Ik dacht: ik laat dit debatje over regels even gaan, en dan heb ik nog
een vervolgvraag over regels. Eigenlijk heb ik maar één vraag, dus dat
maakt het makkelijker. Ik zou graag van de heer Neijenhuis willen weten
of hij net zo bang is voor de RI&E als de VVD. Vindt hij ook dat de
RI&E overal maar moet verdwijnen en overal maar ingeperkt moet
worden? Of is de heer Neijenhuis ervan overtuigd dat het een belangrijk
instrument is om te zorgen dat er aan preventie gedaan wordt?
De heer Neijenhuis (D66):
Zeker. Het is een heel belangrijk instrument om ervoor te zorgen dat
dingen goed geregeld zijn op de werkvloer voor heel veel werknemers in
Nederland. Alleen zijn wij er ook wel voor om altijd te blijven kijken
hoe we het beter werkbaar kunnen maken voor ondernemers, en hoe we
ervoor kunnen zorgen dat zij niet overladen worden met heel veel
regeldruk in het rapporteren als zij toch al goed bezig zijn. U vindt
ons altijd aan uw zijde om te kijken hoe we die regeldruk kunnen
verminderen. Maar uw vraag was of ik het zie als een goed instrument om
ervoor te zorgen dat er goede dingen op de werkvloer gebeuren.
Jazeker.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het nu de beurt aan de heer Ceulemans van JA21.
De heer Ceulemans (JA21):
Yes, dank u wel, voorzitter. Mijn inbreng vanavond is mede namens de
collega's van de SGP.
Voorzitter. Dat geweld en intimidatie niet thuishoren op de werkvloer is
zo'n beetje de grootste open deur die je kunt bedenken. Als er een wet
voor nodig was om dat duidelijk te maken, of als een wet dat überhaupt
zou kunnen voorkomen, dan zou waarschijnlijk iedereen voor zijn, maar
daar is simpelweg geen sprake van. Niemand wil geweld of intimidatie op
de werkvloer, maar daar is het ratificeren van een verdrag in onze wet
niet voor nodig, in de eerste plaats omdat de huidige Nederlandse wet-
en regelgeving in de vorm van strafrecht, arbowetgeving en arbeidsrecht
nu al voldoet aan de eisen van dit verdrag. We hebben in Nederland al
een breed scala aan verplichtingen en regels voor ondernemers. Voor JA21
is het dus de vraag: wat voegt dit verdrag in de Nederlandse praktijk
nog toe?
Maar dat we in de huidige praktijk een voor Nederland overbodig verdrag
hebben, betekent niet dat het geen kwaad kan. Integendeel. Boven op alle
wet- en regelgeving die we al hebben, betekent de implementatie van dit
verdrag namelijk een nieuwe laag internationale normen en mogelijke
rechterlijke interpretaties. Ik citeer een wat dat betreft zorgwekkend
antwoord op een vraag van de SGP in de nota naar aanleiding van het
verslag: "Ratificatie geeft een belangrijk signaal aan de internationale
gemeenschap over de inzet van Nederland om alle nodige maatregelen te
nemen om geweld en intimidatie op de werkvloer te voorkomen en aan te
pakken. Daarnaast verbindt Nederland zich door ratificatie aan de in het
verdrag neergelegde arbeidsnormen en is Nederland gehouden aan de
verplichtingen van het verdrag. Het verdrag kan, net als alle andere
internationale beleidsnormen, een belangrijke rol spelen bij de
opstelling van nieuwe wet- en regelgeving. Ook toekomstige wet- en
regelgeving moet voldoen aan de verplichtingen van het verdrag." Kan de
minister hier nader op ingaan? Hoe gaat dit verdrag doorwerken in nieuwe
nationale wet- en regelgeving?
Ik zei het al: het verdrag zet de deur wijd open voor interpretatie. Ik
citeer hierover uit de memorie van toelichting: "In hoofdstuk 1 is een
brede definitie van geweld en intimidatie en van gendergerelateerd
geweld en gendergerelateerde intimidatie neergelegd die ziet op een
reeks onaanvaardbare gedragingen of de dreiging daarvan, hetzij
incidenteel, hetzij herhaaldelijk, die gericht zijn op of naar alle
waarschijnlijkheid resulteren in fysieke, psychologische, seksuele of
economische schade. Van gendergerelateerd geweld en/of
gendergerelateerde intimidatie is er sprake wanneer mensen op basis van
hun geslacht of gender disproportioneel getroffen worden. Dit omvat
tevens seksuele intimidatie." Wat is disproportioneel getroffen worden?
Op basis van deze definitie kan dat zowel ernstig geweld als een
loonschaal minder inhouden. Hoe ziet de minister dit? Ziet hij het
levensgrote risico dat deze definitie hierdoor tot in het oneindige kan
worden opgerekt, met alle gevolgen van dien voor ondernemers?
Hetzelfde geldt voor de reikwijdte. Wat onder de "wereld van het werk"
wordt verstaan, blijft ook na het lezen van de memorie van toelichting
en de nota naar aanleiding van het verslag erg vaag. Wat is nu de
concrete definitie, volgens de minister? Het betreft dus niet alleen de
werkplek, maar ook de wereld onderweg en online. Ik vraag aan de
minister: wat is nou de wereld van werk, waar ligt de grens en wie
bepaalt die? Ziet de minister het risico dat werkgevers straks
aangesproken kunnen gaan worden op incidenten tussen werknemers in een
in de praktijk totaal niet werkgerelateerde setting? En wat verandert er
wat dat betreft ten opzichte van de huidige situatie?
De regering schrijft dat het verdrag geen rechtstreeks werkende
bepalingen bevat, maar het verplicht wel tot beleid, toezicht en
handhaving in een — ik citeer — "integrated, inclusive and
gender-responsive approach". Dat zijn precies de containerbegrippen waar
rechters, hoven en comités later alle kanten mee op kunnen. Kan de
minister hierop reageren?
Wat JA21 extra zorgelijk vindt, is het hele circus van inclusietaal dat
hiermee binnen wordt gehaald. Er wordt niet gewoon gesproken over het
voorkomen van misstanden, maar over "inclusive, integrated and
gender-responsive beleid in de volledige wereld van het werk, inclusief
gender-based violence and harassment tegen allerlei vulnerable and
marginalized groups". Vandaag gaat het over evidente misstanden, waar
iedereen tegen is en waar Nederlandse werkenden al tegen beschermd
worden, maar morgen kan een college onder datzelfde label oordelen dat
een willekeurige loodgieter, bakker of boer te weinig doet aan allerlei
diversiteitsbeleid, met alle gevolgen van dien. Kan de minister in
gewoon Nederlands uitleggen wat er wordt bedoeld met een inclusive,
integrated and gender-responsive approach en met gender-based violence
tegen vulnerable groepen? Kan deze vage combinatie straks worden
gebruikt om bijvoorbeeld diversiteitsbeleid bij ondernemers juridisch af
te dwingen, zonder dat de Kamer daar ooit expliciet mee heeft ingestemd?
Kan de minister zwart-op-wit toezeggen dat een ondernemer die geweld en
intimidatie op de werkvloer netjes aanpakt, maar geen diversiteits- of
genderbeleid voert, nooit op basis van dit verdrag als in strijd met een
inclusive approach kan worden weggezet? Straks zitten Nederlandse
ondernemers die met alle goede bedoelingen gewoon een fatsoenlijke en
veilige werkvloer willen bieden, vast aan al deze vage begrippen, niet
aan een helder wetsartikel dat deze Kamer heeft vastgesteld, maar aan
een verdragstekst en soft law die door rechters stap voor stap kan
worden ingevuld. Dan is het nog maar een kleine stap voordat een
ondernemer niet alleen wordt afgerekend op het voorkomen van geweld,
maar ook op het niet voldoende uitvoeren van een gender responsive
agenda of diversiteitsprogramma omdat dat ergens uit die inclusive
approach wordt afgeleid.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Mooi betoog. Ik ben het er grotendeels mee eens. Die subjectieve en vage
criteria zijn ook een grote zorg van ons. Maar ik begrijp dat het als
het goed is al in onze arbowetgeving zit. Kan ik dan concluderen dat
JA21 de huidige wetgeving, die we dus al hebben in Nederland op dit
punt, vindt doorschieten?
De heer Ceulemans (JA21):
Nou, mijn punt is dat het kabinet zegt dat dit verdrag al min of meer
geïncorporeerd is op dit moment. Het verdrag schrijft bepaalde zaken
voor en doet bepaalde aanbevelingen. Het kabinet zegt dat dit al
allemaal in onze nationale wet- en regelgeving zit. Mijn punt is dat de
verdragstekst wel de verdragstekst blijft. Als er straks rechtszaken
zijn, kunnen rechters vrijelijk op basis van dit verdrag gaan
interpreteren dat Nederland daar niet aan voldoet en allerlei
aanvullende eisen gaan opleggen, bijvoorbeeld op het gebied van
diversiteitsbeleid, aan ondernemers die daar helemaal niet op zitten te
wachten.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Oké, afsluitend. Dus de wetgeving zoals die nu is gaat JA21 niet te ver
of is niet te subjectief? Maar u bent wel bang dat het verdrag ertoe kan
leiden dat het zo zou kunnen worden.
De heer Ceulemans (JA21):
Mijn punt gaat op dit moment niet zozeer over de huidige wet- en
regelgeving in Nederland. Mijn punt is dat het kabinet stelt dat
Nederlandse wet- en regelgeving op dit moment eigenlijk al voldoet aan
dit verdrag. Mijn angst is dat het daar niet bij blijft en dat dit
verdrag kan worden aangegrepen om tot allerlei vrijelijke interpretaties
te komen die weer tot nieuwe verplichtingen voor werkgevers kunnen
leiden. Dat is iets wat wij niet willen.
We hebben in andere dossiers gezien wat er gebeurt als je vage
internationale normen koppelt aan activistische jurisprudentie. Het
asielbeleid is feitelijk al bij de rechter komen te liggen. Nationale
keuzes zijn onder curatele gezet via EU-normen met een rechterlijke
uitleg. Iedere ondernemer in Nederland weet wat dat betekent: jaren van
onzekerheid, telkens strengere eisen en een politiek die zich verschuilt
achter verdragen en rechters. JA21 wil voorkomen dat we op het terrein
van arbeidsverhoudingen dezelfde film nog een keer gaan afdraaien ten
koste van de vrijheid van ondernemers.
Intussen is er in de Nederlandse praktijk allang geen blinde vlek meer
op dit terrein. Werkgevers zijn nu al verplicht om psychosociale
arbeidsbelasting zoals agressie, geweld of ongewenst gedrag op te nemen
in de RI&E. In sectoren waar de problematiek groot is, zoals zorg,
horeca en delen van de vleessector, bestaan uitgebreide sectorale
regelingen en protocollen van de arbeidsinspectie en de
brancheorganisaties. Dit verdrag helpt die sectoren geen steek verder.
Het voegt alleen een internationale laag toe die later tegen de sector
gebruikt kan worden.
JA21 wil niet dat dit verdrag straks als nieuw breekijzer wordt gebruikt
om nog een ronde extra verplichtingen aan ondernemers op te leggen of om
bestaande regeldruk niet meer te durven schrappen. Ondernemers in
Nederland snakken naar vermindering van regeldruk en niet naar een
verdere opeenstapeling. Daarom overwegen wij een motie die de regering
verzoekt te waarborgen dat implementatie en ratificatie van dit verdrag
niet zal leiden tot dergelijke aanvullende verplichtingen, toezichteisen
of juridische druk voor ondernemers, boven op het bestaande nationale
kader. We verzoeken ook te waarborgen dat dit verdrag niet wordt
gebruikt als argument om bestaande nationale regeldruk, waaronder zware
en kostbare regelingen, niet te kunnen verminderen of vereenvoudigen.
Wie vandaag zegt dat dit verdrag niets extra's betekent, kan geen
bezwaar hebben tegen het vastleggen van die belofte.
Daarnaast vragen wij de regering expliciet te garanderen dat ratificatie
niet zal worden aangegrepen om eerder door ATR neergesabelde
gedragscodewetgeving tegen ongewenst gedrag of vergelijkbare generieke
regels met extra regeldruk voor ondernemers, opnieuw of in aangepaste
vorm in te dienen. Dit wetsvoorstel kreeg niet voor niets een dictum
vier: nut en noodzaak niet aangetoond met regeldruk buiten proportie.
Dit verdrag mag geen achterdeur worden om via de internationale route
alsnog een gedragscodewet op te bouwen.
Voorzitter. JA21 is tegen geweld en intimidatie op de werkvloer. JA21 is
echter ook tegen de reflex om bij elk maatschappelijk probleem een nieuw
verdrag, een nieuwe laag juristerij en nieuwe verplichtingen voor
ondernemers te creëren. Nederland heeft al adequate bescherming. De
regering zegt dat zelf ook. Er is geen noodzaak om ons verder op te
sluiten in vage internationale normen die later door rechters worden
ingevuld. Daarom steunen wij deze exercitie niet.
Tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel. Er is een interruptie van de heer Neijenhuis.
De heer Neijenhuis (D66):
Als je de stukken onder dit verdrag en de stukken van de regering leest,
dan zie je dat het verdrag alleen toeziet op het beleid dat lidstaten
moeten voeren. De heer Ceulemans schetst hier het beeld dat dit verdrag
toch ook direct werking zou kunnen hebben op ondernemers of op de mensen
zelf. Natuurlijk is het altijd goed om bij dit soort verdragen nog even
het naadje van de kous te willen weten en te vragen hoe het precies zit
en wat precies de reikwijdte is. Accepteert de heer Ceulemans niet het
oordeel van de regering dat het echt alleen ziet op lidstaten en op het
beleid van lidstaten? Denkt hij toch dat het verdrag wel echt direct een
uitwerking heeft op mensen en ondernemers zelf?
De heer Ceulemans (JA21):
We zien dat de panelen in de praktijk altijd gaan schuiven, ook als er
aan de voorkant wordt gezegd dat iets geen directe werking heeft.
Nederland heeft officieel een eigen asielbeleid, terwijl we door
allerlei rechterlijke en juridische interpretaties feitelijk gewoon
vastzitten aan het internationale beleid, waardoor we heel weinig kanten
op kunnen. Dat zien we op veel terreinen. Ik wil voorkomen dat het
verdrag waar we het vandaag over hebben ook op arbeidsrechtelijk terrein
gaat gelden in de praktijk. Nederland kan het interpreteren. Nederland
kan zeggen dat de doelstellingen eigenlijk al zijn geïncorporeerd in de
nationale wetgeving die we nu kennen, maar de verdragtekst blijft wel de
verdragtekst. Een rechter kan daar straks aan gaan toetsen en aan de
hand daarvan straks vrijelijk gaan interpreteren met als gevolg: extra
regels of een verplichting voor inclusiebeleid voor ondernemers die daar
niet op zitten te wachten, maar gewoon hun boterham willen
verdienen.
De heer Neijenhuis (D66):
Het verdrag ziet echt alleen op lidstaten. Lidstaten kunnen elkaar
hierop aanspreken. Dat zou ik wel even recht willen zetten. Natuurlijk
snap ik dat de heer Ceulemans dan nog vraagt of het bij de rechter per
ongeluk toch nog wat verder opgerekt kan worden. Dat is helemaal goed,
maar ik zou het wel waarderen om het daar gewoon bij te houden. Op het
moment dat we hier met z'n allen constateren dat dit verdrag gewoon
tussen lidstaten bestaat, moeten we daar niet allemaal beelden bij
oproepen die nu in ieder geval nog niet de bedoeling zijn.
De heer Ceulemans (JA21):
Op het moment dat lidstaten elkaar kunnen gaan aanspreken en de
nationale rechter op dat feit moet gaan toetsen en dat vervolgens tot
een zaak leidt, dan kan dat wel degelijk tot interpretatie aan de hand
van dit verdrag leiden.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Ik hoor de heer Ceulemans bijna fulmineren tegen het ILO-verdrag. Het is
toch een in vrede tot stand gekomen verdrag, waarbij mensen elkaar
proberen op te zoeken. Zowel werkgevers als werknemers zijn overigens
vertegenwoordigd in de ILO. Het gaat over de grootte van de groep en
over wanneer de wet van toepassing is. Ik vraag me toch wel een klein
beetje af of de heer Ceulemans überhaupt nog iets vanuit het perspectief
van werkenden kan bespiegelen, in plaats van alleen maar een soort van
agressie over deze Kamer heen te storten.
De heer Ceulemans (JA21):
Ik heb niet het idee dat ik … Dadelijk word ik nog beticht van geweld en
intimidatie in deze Kamer. Ik ben volgens mij geen agressie aan het
uitstorten over u allemaal. Ik zeg gewoon dat ik grote vrees heb voor
wat dit verdrag gaat betekenen voor werkgevers. Mijn hele punt is juist
… Ik ben hartstikke op de hand van werknemers. Ik vind dat werknemers
veel meer moeten overhouden van het geld dat ze verdienen, in plaats van
dat zij het kwijt zijn aan de belastingen die u allemaal wilt heffen.
Wij staan dus altijd aan de kant van de werknemers. Ik ben er alleen van
overtuigd dat werknemers in dit land over het algemeen al uitstekend
worden beschermd en dat zij zeker geen internationaal verdrag nodig
hebben dat op deze manier geïnterpreteerd kan worden om voor hun rechten
te zorgen.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Bent u dan bekend met de 1,8 miljard euro die werknemers en de
maatschappij verliezen omdat die die door gebrekkig beleid en gebrekkige
bescherming verloren gaat? Onderzoek van TNO heeft dat inmiddels
aangetoond. Bent u het met mij eens dat het bizar is dat er heel zwaar
bezuinigd gaat worden op de WIA, met beleid om ervoor te zorgen dat er
voldoende preventie is en dat de instroom naar beneden gaat? Volgens mij
heeft de partij van Ceulemans heel nadrukkelijk gezegd dat het zo
belangrijk is om te zorgen dat de instroom naar beneden gaat. Is het dan
niet juist nodig dat mensen meer bescherming gaan krijgen?
De heer Ceulemans (JA21):
U haalt nu volgens mij echt vijf of zes dingen door elkaar. Op papier
zijn werknemers in Nederland over het algemeen goed beschermd. Dat
kunnen we volgens mij gewoon constateren met elkaar. Dat wil niet zeggen
dat er in de praktijk geen dingen fout lopen; er zullen in de praktijk
altijd dingen fout lopen. Maar het verschil tussen u en mij is dat u
denkt dat dit verdrag, en de doorvertaling ervan in Nederlandse
wetgeving, daar een groot verschil in gaat maken. Sterker nog, u zei aan
het begin van uw betoog zelf dat het verdrag nodig is, omdat geweld en
intimidatie nog altijd voorkomen op de werkvloer. U denkt toch niet dat
het ratificeren van zo'n verdrag, met allerlei ontzettend vage, brede,
inclusieve begrippen, ertoe gaat leiden dat er geen intimidatie of
geweld meer op de werkvloer is? Als ik dat zou kunnen oplossen met een
wet, zou ik ervoor zijn. Maar ik heb niet de illusie dat het met een wet
op te lossen is. De enige illusie die ik heb, is dat deze wet — daar ben
ik vrij zeker van — tot niets anders gaat leiden dan extra belasting
voor werkgevers, op een manier waar werknemers weinig mee opschieten.
Daar ben ik dus gewoon geen voorstander van.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij heeft de heer Ceulemans de wet- en regelgeving dan niet goed
gelezen. In het verdrag staat dat er groepen zijn die nu niet onder de
wet vallen en die juist wel onder die bescherming horen, zoals zzp'ers
en stagiaires. Zij verdienen de bescherming van de Arbowet die gewone
werknemers ook verdienen, maar hebben die op dit moment niet. Het is
bizar dat er alleen maar gezegd wordt "o, regels, o, zo erg, o, zo
vervelend en wat een belasting voor werkgevers", terwijl dit gewoon gaat
over de vraag: hoe ga je zorgen dat je iederéén op de werkvloer
voldoende beschermt, op dezelfde manier?
De heer Ceulemans (JA21):
Ik vind dat dit op dit moment via nationale wet- en regelgeving over het
algemeen voldoende geborgd is. Voor zover dat niet het geval is, heb ik
niet het idee dat dit verdrag een oplossing is, maar dat het eerder voor
nieuwe problemen zorgt.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Mulder van de PVV.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Laat ik net als de rest hier vanavond aanwezig
beginnen met te zeggen dat geweld en intimidatie op de werkvloer
volledig onacceptabel zijn. Iedereen moet veilig zijn op zijn werk. Daar
mag geen enkel misverstand over bestaan.
Voorzitter. De vraag die vandaag voorligt, is niet of wij tegen geweld
en intimidatie zijn. De vraag is of het verdrag iets toevoegt aan het
welzijn in Nederland en de manier waarop we hier met elkaar omgaan. In
Nederland hebben we al veel heel goed geregeld. We hebben al uitgebreide
regels via de Arbo. We hebben bepalingen in het Burgerlijk Wetboek als
iets buiten de Arbo valt. Werkgevers hebben een zorgplicht. Werknemers
kunnen naar de rechter. De Arbeidsinspectie houdt toezicht. We hebben in
Nederland eigenlijk alles al geregeld wat dit verdrag uitademt en zegt
te willen regelen.
Voorzitter. U weet dat wij als PVV kritisch zijn op het weggeven van
soevereiniteit, en terecht, want ook in dit geval kunnen we zelf
beslissen over dit soort zaken. Wat ik vandaag van de minister zou
willen weten, is of het echt klopt dat er geen extra regels en geen
nieuwe rapportageverplichtingen komen via dit verdrag. Klopt dat? Kan de
minister vandaag klip-en-klaar bevestigen en toezeggen dat dit verdrag
niet leidt tot meer regels voor ondernemers in Nederland? Ten tweede zou
ik willen weten of dit verdrag iets verandert aan de manier waarop we
kunnen ingrijpen als er overtredingen zijn. Of is dat nu in Nederland
ook al volledig goed geregeld via de Arbo en het Burgerlijk Wetboek? Dat
is de tweede vraag.
Dan kan ik naar een afronding gaan. Waar het vanavond volgens mij
voornamelijk om gaat, is of het klopt wat voortdurend door het kabinet
wordt gezegd, namelijk dat de uitvoering van dit verdrag, als we het
accepteren en goedkeuren, geen wijziging van onze huidige wet- en
regelgeving betekent. Kan de minister daar heel expliciet op ingaan?
Klopt het wat ik twee, drie keer heb gelezen? Dat is een beetje vreemd,
als ik de discussie hier volg. Voegt dit verdrag nou wel of niet iets
toe aan de huidige wet- en regelgeving? Als het vooral een bevestiging
is van wat we al doen in Nederland en het niet tot nieuwe verplichtingen
leidt, zeg dat dan ook gewoon. Dat maakt mijn fractie niet echt
enthousiast, maar het hoeft ook niet te betekenen dat we tegen gaan
stemmen. Wij laten onze beslissing afhangen van dit debat en vooral van
de duidelijke antwoorden van de minister.
De voorzitter:
Dank u wel. U heeft een interruptie van de heer Van Houwelingen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ik heb toch even een vraag. De PVV gaat dus niet per se tegenstemmen,
terwijl — dat werd ook duidelijk in het betoog van JA21 — we door het
verdrag te tekenen, er niet langer zelf over gaan. We kunnen onze
wetgeving niet meer aanpassen zoals wij dat wellicht in de toekomst in
de Kamer zouden willen. Het is toch een vorm van
soevereiniteitsoverdracht. Vindt de PVV dat geen probleem?
De heer Edgar Mulder (PVV):
Zoals ik heb geprobeerd te zeggen, zien wij er geen gevaar in als wij op
papier klip-en-klaar de garantie krijgen dat het niks verandert en dat
het niks toevoegt. Als de minister echter zegt dat dat wel zo is, dan
verandert de zaak, want dan komen er opeens 26 genders bij en dan moeten
we het ook accepteren als die rare dingen willen op de werkvloer. Maar
laten we eerst de antwoorden afwachten en dan bepalen of je ook als hond
verkleed naar je werk mag en of je werkgever dan een hondenhok moet
hebben of een bak water of zo. Daarom vraag ik of dat heel duidelijk kan
worden toegezegd. Daar wachten we op.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ziet de heer Mulder dan niet één punt over het hoofd? Wij gaan dit via
dat verdrag vastleggen en in zekere zin internationaal codificeren. Stel
dat wij in de toekomst als Kamer zaken willen aanpassen in de Arbowet;
dat zou kunnen gebeuren. Dan heb je kans dat het kabinet gaat zeggen dat
het niet meer kan, omdat we het verdrag getekend hebben. Dat gebeurt ook
bij Europese regelgeving, zoals u weet. Ook al komen er nu geen extra
verplichtingen bij, we geven dat toch uit handen. Is dat niet
problematisch?
De heer Edgar Mulder (PVV):
Daarom wil ik een heel duidelijk antwoord, zwart-op-wit. Ik ben nog
steeds niet zo argwanend dat ik een belofte … Alhoewel, als ik zie wat
er gebeurd is rondom JA21 en de SGP en de toezegging omtrent UNRWA …
Laat ik ervan uitgaan dat ik nog steeds vertrouwen heb in de antwoorden
van ons kabinet.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Tot slot. Ik denk dat mijn ambtsgenoot dezelfde vraag had. Logischerwijs
is het simpelweg zo dat als wij dit verdrag tekenen, we eraan gebonden
zijn. In ieder geval voor tien jaar, begrijp ik. Dat belemmert de
handelsruimte voor deze Tweede Kamer. Dat is een logische
gevolgtrekking. Dat vinden wij problematisch, en ik hoop de PVV ook.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Daarom wil ik weten wat we gaan tekenen. Vandaar mijn vragen aan de
minister en mijn vraag of hij dat wil bevestigen.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Ik hoor de heer Mulder een beetje een karikatuur maken van de wet
waarover we vandaag praten. Ik zou willen melden dat een op de twee
vrouwen op dit moment last heeft van intimidatie op de werkvloer. Dat
kunnen kleine dingen zijn, maar soms is het helaas groter. Ik wil de
heer Mulder graag vragen of hij het belangrijk vindt dat we dit goed
geregeld hebben voor werknemers, voor vrouwen. Ik hoor hem alleen zeggen
dat het voor ondernemers goed te doen moet zijn. Dat ben ik met u eens,
maar uiteindelijk gaat het erom hoe we dit hebben geregeld voor vrouwen
op de werkvloer, om hen goed te beschermen. Is hij het met mij eens dat
we dat gewoon moeten regelen in dit land?
De heer Edgar Mulder (PVV):
Volledig. Sterker nog, ik wil dat niet alleen voor vrouwen regelen, maar
ook voor mannen.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Daar ben ik het helemaal mee eens. Ik ben blij dat u daar aandacht voor
heeft. Ik ben blij dat u aandacht heeft voor waar het hier eigenlijk om
draait. Ik denk namelijk dat we echt moeten oppassen dat we hier geen
karikatuur van maken.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Maar ik wil er geen karikatuur van maken. De mensen die met 26 genders
komen, maken een karikatuur van zichzelf. Het was alleen bedoeld om te
zeggen dat we de normale zaken al goed geregeld hebben in Nederland.
Vrouwen mogen niet worden lastiggevallen, mannen mogen niet worden
lastiggevallen. Al die dingen hebben we de afgelopen jaren volgens mij
al goed vastgelegd. Mijn vraag is: komt daar nog meer bij? Ik gaf een
voorbeeldje waarvan wij vinden dat het niet nodig is. Maar heel
concreet: geen geweld op de werkvloer. Iedereen die dat doet, moet
daarop worden aangesproken. Ik deed net in een interruptiedebatje
daarvoor nog het voorstel dat je ook als je foute tweets verstuurt,
daarop zou moeten worden aangesproken.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Ik neem aan dat de heer Mulder het met mij eens is dat het hierbij niet
gaat om de vraag of het mannen of vrouwen zijn, maar om de gedachte dat
er überhaupt geen geweld op de werkvloer mag zijn.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Ja, maar dat was mijn statement, hè? U kwam met vrouwen en ik zei: het
is voor vrouwen en mannen. U wilt het alleen voor vrouwen; ik wil het
voor iedereen op de werkvloer.
De voorzitter:
Dank u wel. Er is toch nog een interruptie, van de heer Ceulemans.
De heer Ceulemans (JA21):
Ja, voor alle zekerheid. Ik ben het met de heer Mulder eens. Het kabinet
zegt dat we met de huidige wet- en regelgeving eigenlijk al voldoen aan
het verdrag, dus dat dat niets nieuws oplevert. Ik wil in ieder geval
een motie indienen om te markeren: oké, garandeer ons dan dat dat
verdrag, wanneer het geratificeerd is, geen extra verplichtingen of
regels oplevert. Los daarvan is het volgende natuurlijk wel het geval.
Er staat letterlijk in: ook toekomstige wet- en regelgeving moet voldoen
aan de verplichtingen van het verdrag. Is de heer Mulder het met mij
eens dat met dit verdrag, ook als het op dit moment geen extra regeldruk
voor ondernemers zou betekenen, wel onze speelruimte in de toekomst
wordt ingeperkt? Wij hebben dan namelijk zelf minder te zeggen over de
regelgeving waar werkgevers bijvoorbeeld aan moeten voldoen.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Dat ben ik helemaal met u eens, maar nogmaals: daarom wil ik graag die
toezegging hebben. Als u het ziet zoals u het nu brengt, heeft die motie
ook geen zin, want u gaat er dan toch al van uit dat het einde oefening
is. Als we voldoende toezeggingen krijgen, denk ik dat we met die
toezeggingen in de hand later misschien toch iets kunnen regelen.
De heer Ceulemans (JA21):
Tot slot. Ik tel mijn zegeningen, dus als we met elkaar in een motie
kunnen bepalen dat we niet willen dat het tot nieuwe wet- en regelgeving
leidt waar ondernemers nu nog niet aan hoeven te voldoen, maar waar ze
straks wel aan moeten voldoen, is dat mooi meegenomen. Maar wij weten
natuurlijk niet met welke toekomstige wetten toekomstige kabinetten
überhaupt nog gaan komen. Linksom of rechtsom is het wel zo dat er met
het ratificeren van dit verdrag verplichtingen komen waar nieuwe wet- en
regelgeving aan moet voldoen, waar we op dit moment nog niet aan hoeven
te voldoen. Vindt de heer Mulder dat geen onwenselijke beperking van
onze eigen autonomie?
De heer Edgar Mulder (PVV):
Ja, maar eigenlijk vind ik alle internationale wetten wat dat betreft
een beperking, of ze nou uit Genève of uit Brussel komen.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Ik hoor de heer Mulder een heleboel zeggen over welke mensen er allemaal
niet zo belangrijk zijn op de werkvloer. Hij had het over als honden
verklede mensen. Ik vind het gewoon een grove manier om groepen te
beledigen. Dat is niet nodig, naar mijn idee, maar dat is een keuze van
de heer Mulder.
Ik ben wel benieuwd of hij … Zijn partij heb ik er vaak voor horen
pleiten dat het belangrijk is dat zzp'ers een goede positie krijgen en
dat zzp'ers dezelfde bescherming krijgen als werknemers. Die hebben ze
op dit moment niet, maar het ILO-verdrag geeft wel aan dat dat
belangrijk is. Dat geldt ook voor andere groepen.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Ja, dat is correct.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Dus als de wetgeving op dit moment niet toereikend is om die mensen
onder de bescherming van de arbowetgeving te brengen, wil de heer Mulder
ook dat die wordt aangepast? Dan gaat het niet alleen maar om de
regeldruk; nee, dan gaat het gewoon om het bieden van bescherming aan
werknemers.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Nee, dat is niet helemaal waar, want zzp'ers zijn natuurlijk niet
hetzelfde als werknemers. Zij kiezen ervoor om zzp'er te zijn, om
ondernemer te zijn. We willen ook niet dat er verplichte verzekeringen
worden voorgeschreven. Dat moet een keuze zijn. In mijn bijdrage heb ik
het niet alleen gehad over de Arbowet, maar ook over het Burgerlijk
Wetboek. Alle dingen die hierin staan, alle dingen waarover we vanavond
hebben gesproken — denk aan beledigen en intimideren — zijn gewoon
verboden. Dat is denk ik ook het hele punt met dit verdrag. Ik snap dat
dit verdrag werkt in een hoop landen waar zaken niet goed geregeld zijn,
maar in Nederland hebben we dit juist al heel goed geregeld. We willen
ook dat het goed geregeld blijft. Als dit verdrag verder niets toevoegt,
wil ik alleen nog weten of het extra regelgeving of verplichtingen met
zich meebrengt. Als dat wel het geval is, zouden we namelijk tegen dit
verdrag kunnen stemmen. Als het eigenlijk een herhaling van zetten is,
zouden we misschien wel voor kunnen stemmen.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Ik zou de heer Mulder dan ook willen vragen om er nog eens goed naar te
kijken, want op dit moment zal die stagiair, die vrijwilliger of die
zzp'er als hij slechter wordt behandeld, omdat hij niet onder de Arbowet
valt en daar toch rechten aan wil ontlenen, naar de civiele rechter
moeten. Dan is er geen Arbeidsinspectie die daarop handhaaft en dan zijn
er geen bepalingen die hem daarvoor beschermen. Vindt de heer Mulder nou
wel of niet dat die bescherming eigenlijk gewoon ook bestuursrechtelijk
moet gaan gelden voor deze groep?
De heer Edgar Mulder (PVV):
Nou nee, als het civielrechtelijk al goed geregeld is, dan hoeft dat van
mij niet speciaal te veranderen. Het is ook niet zo … Mevrouw Patijn
doet dat wel vaker: als iemand het niet met haar eens is, doet ze alsof
die de papieren niet goed gelezen heeft. Ga er nou eens van uit dat er
ook mensen zijn met een andere opvatting. Ik sta er gewoon anders in dan
GroenLinks-PvdA.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is nu het woord aan mevrouw Moinat van de Groep
Markuszower.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Dank, voorzitter. Vandaag bespreken we het Verdrag van Genève inzake het
uitbannen van geweld en intimidatie op de werkvloer, een reeds in 2019
gesloten verdrag dat nu ter ratificatie hier in de Kamer behandeld
wordt.
Het beschermen van werknemers tegen allerhande problemen klinkt mooi.
Eigenlijk is alles ook al opgenomen in onze nationale wetgeving, zo valt
te lezen. Conclusie: Nederland is een land waar dingen goed geregeld
zijn, waar werknemers beschermd worden en waar veel te verbeteren valt,
maar gelukkig niet op het gebied van de bescherming van werknemers. Toch
ligt dit verdrag hier, om wederom het zoveelste verdrag boven onze
nationale wetgeving te plaatsen, om wederom een instrument toe te voegen
dat er door de rechtspraak en anderen aan de haren bijgesleept kan
worden en om Nederland wederom een beetje verder vast te zetten met
bureaucratische rompslomp, exact hetgeen Nederland nou juist niet kan
gebruiken.
Voorzitter. Dan ga ik nog iets dieper in op de tekst en de inhoud van
het verdrag. Dat bevat bepalingen over effectief toegang hebben tot
genderresponsieve mechanismen. Echt, wie verzint dit soort teksten? In
de ochtend lekker bedrijfsuitjes bespreken, daarna heerlijk op kosten
van de belastingbetaler luxe lunchen in Zwitserland om het daarna te
gaan hebben over "genderresponsieve mechanismen". Ik vraag me soms echt
af in wat voor krankzinnigheid we als land en als Europa terechtgekomen
zijn.
Ondanks dat het in eerste instantie positief klinkt, zit achter dit
positieve laagje een tekst die het Nederlandse ondernemers moeilijk gaat
maken. Daarachter zit een dikke laag bureaucratische stof. Pesten als
strafbaar feit: welkom, zou ik zeggen, in de rubberentegelmaatschappij.
Misdragingen moeten we willen aanpakken als maatschappij, maar laten we
alsjeblieft niet overal de lange lat van de overheid overheen halen. Dan
is pesten nog een van de serieuzere onderwerpen uit het verdrag. Het
verdrag probeert ook dingen te reguleren over bedrijfsuitjes. Als u zich
dus afvraagt waar uw belastinggeld aan uitgegeven wordt: aan
overleggende ambtenaren in een Zwitsers luxe stadje die het hebben over
bedrijfsuitjes. Voor zover de overheid en haar kerntaken.
Voorzitter. Dit verdrag moeten we dus niet willen. Het is bovenal een
verspilling van tijd en belastinggeld, maar de waanzin houdt nog niet
helemaal op. Om te beginnen kent het verdrag de verplichting om
publiekscampagnes op te zetten over hetgeen in het verdrag is bepaald.
Oftewel: binnenkort op uw beeldbuis een ambtenaar die u gaat uitleggen
dat een bedrijfsuitje bovenal ook een gevaar kan zijn, dat een grapje
tegen vrouwelijke collega's uit den boze is, of dat er meer schuilt
achter de borrelpraat tijdens de vrijdagmiddagborrel. Als ik naar onze
eigen fractie kijk, is er niks zo goed als af en toe een goede grap
maken naar je collega, wat klaarblijkelijk toch wel erg problematisch
kan zijn, volgens dit verdrag.
Maar goed, alle gekheid op een stokje. Zijn we als land niet een beetje
de weg kwijt aan het raken met dit soort dingen? Helemaal onderaan het
verdrag vinden we de kers op de diversiteit-en-inclusietaart: er moeten
maatregelen genomen worden in de regels omtrent werk, gelijkheid én
migratie. Wat is dit voor waanzin? Wat staat er nu eigenlijk in artikel
11? Graag een reactie van de minister.
Alles samenvattend snap ik niet waarom het verdrag überhaupt gesloten
is. Ik zal mijn fractie dan ook adviseren tegen de ratificatie ervan te
stemmen.
Dank u wel.
De voorzitter:
U heeft een interruptie van de heer Neijenhuis.
De heer Neijenhuis (D66):
Vindt mevrouw Moinat dat de baas een werknemer een klap kan geven op een
bedrijfsuitje?
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Nee.
De heer Neijenhuis (D66):
Is het dan niet op zich best logisch dat je op het moment dat je
wetgeving aan het maken bent en verdragen aan het sluiten bent om ervoor
te zorgen dat geweld en intimidatie niet voorkomen, kijkt naar de vraag
waar die allemaal op van toepassing zouden kunnen zijn? Die zouden van
toepassing kunnen zijn op niet alleen de fysieke werkvloer van het
bedrijfskantoor, maar ook op dingen daarbuiten die wel degelijk met het
werk te maken hebben.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Ik zie het zo: als ik een klap krijg van mijn werkgever, dan doe ik daar
aangifte van. Volgens mij hebben we alles namelijk al geborgd in
nationale wet- en regelgeving. Voor ons hoeft daar dus niet een
ratificatie van een verdrag bij.
De heer Neijenhuis (D66):
Die conclusie hebben we hier in het debat op zich al getrokken. Alleen,
mevrouw Moinat maakt het punt dat het onzin is dat er überhaupt een
verdrag gemaakt is en dat er over bedrijfsuitjes gesproken wordt,
terwijl ik hier een hele duidelijke vraag stel. Als je bepaalde regels
met elkaar afspreekt over hoe je op het werk met elkaar om hoort te
gaan, dan geldt dat natuurlijk ook voor bedrijfsuitjes. Dat geldt ook
voor heel veel andere dingen, waarover goed is nagedacht in dat verdrag,
om ervoor te zorgen dat er geen mazen in de wet zijn waardoor de foute
lui er gewoon mee wegkomen als ze mensen opzadelen met geweld en
intimidatie. Ik vraag dus toch aan mevrouw Moinat: ziet u dat allemaal
als onzin of is het misschien toch best redelijk dat je, als je kijkt
hoe je geweld en intimidatie kunt voorkomen, ook iets verder kijkt dan
je neus lang is en kijkt waar dat allemaal op van toepassing zou kunnen
zijn?
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Ik kijk zeker verder dan mijn neus lang is. Volgens mij zijn deze
gedragingen die D66 noemt gewoon zeer strafrechtelijk vervolgbaar.
Volgens mij zijn die te allen tijde strafbaar, of die nou op een
bedrijfsuitje gebeuren of hier in de Kamer in de wandelgangen. Daar
heeft dit verdrag helemaal niks aan toe te voegen.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Van Houwelingen van Forum
voor Democratie.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dank u, voorzitter. We bespreken vandaag het Verdrag inzake het
uitbannen van geweld en intimidatie op de werkvloer. Vooropgesteld, FVD
keurt elke vorm van geweld natuurlijk af. Dat gezegd hebbende: dit
verdrag handelt niet alleen over fysiek geweld, maar ook over
psychologische schade en intimidatie. Vervolgens rijst natuurlijk de
vraag: wanneer is hier nu eigenlijk sprake van? In de arbowetgeving
wordt gesproken over psychosociale arbeidsbelasting, gedefinieerd als
"factoren in de arbeidssituatie die stress teweegbrengen". Deze
ontzettend brede definitie is bedoeld om een heel scala aan gedragingen
te onderwerpen aan het toeziend oog van de Arbeidsinspectie.
Voorzitter. Forum vraagt zich af of dit eigenlijk wel wenselijk is, ten
eerste omdat het nog meer druk op werkgevers legt. Ik noem
vertrouwenspersonen, gedragscodes, klachtenregelingen en
risico-inventarisaties. Het is alsof er tal van administratieve en
beleidsmatige verplichtingen nodig zijn om een vreedzame, prettige en
gezonde werksfeer te handhaven. Dit is sowieso belangrijk. Het komt
namelijk de productiviteit ten goede.
Ten tweede bedrukt het de werksfeer. Wanneer betreedt een grapje de
intimidatiesfeer? Het werd net ook al gezegd. Dit is een persoonlijke
kwestie. Aangezien het onmogelijk is om de gedachten van je toehoorders
te lezen, is het ook onmogelijk om te weten of je grapje als
intimiderend beschouwd zal worden. We zijn bang dat dit gaat leiden tot
een werkomgeving waar collega's een gewaagd grapje of een flirtactie
laten schieten uit angst voor consequenties en sancties. Werknemers
krijgen het gevoel dat zij op eieren moeten lopen. Dit bederft juist het
ervaren werkplezier en verhoogt daarmee de psychologische werkdruk. Het
werkt dus precies averechts.
Voorzitter. Ten derde werkt deze brede definitie willekeur en
cancelcultuur in de hand. Zo is het goed mogelijk dat de subjectivering
van strafbaar gedrag ertoe leidt dat iemand met terugwerkende kracht
wordt beschuldigd van het plegen van een intimiderende handeling —
intimidatie is immers een persoonlijke opvatting en mensen kunnen van
opvattingen veranderen — waardoor er juist een angstcultuur ontstaat,
namelijk een angstcultuur om gecanceld te worden. Graag horen wij van de
minister hoe hij reflecteert op deze drie gevolgen van het hanteren van
een subjectieve, brede, haast alomvattende definitie van "geweld en
intimidatie". Daarnaast horen wij graag hoe hij reflecteert op de rol
van het verdrag bij het in stand houden van deze definitie. Vindt hij
deze gevolgen problematisch? Zo nee, kan de minister uitleggen waarom de
gevolgen volgens hem niet problematisch zijn?
Voorzitter. FVD is tegen ratificatie van dit verdrag. FVD is dat ten
eerste omdat de vermeende voordelen die hieruit te verkrijgen zijn,
reeds verankerd zijn in Nederlandse wetgeving. Zo biedt het Wetboek van
Strafrecht tal van mogelijkheden om geweld en bedreiging tegen te gaan.
Zo is bedreiging reeds strafbaar: artikel 285. Mishandeling: artikel
300. Dwang: artikel 284. Seksuele misdrijven: artikel 242. Belaging en
stalking: artikel 285. Seksuele straatintimidatie sinds 1 juni 2004:
artikel 429. Ten slotte doxing sinds 1 januari 2024: artikel 285.
Daarbij bestendigt ratificatie de subjectivering van verboden gedag,
aangezien de toekomstige wetgeving ook moet voldoen aan de
verplichtingen en eisen zoals gesteld in dat verdrag. Er is daardoor
sprake van soevereiniteitsoverdracht aan de Internationale
Arbeidsorganisatie, de IAO.
Voorzitter, afsluitend. Forum draagt soevereiniteit, een lage regeldruk
en een gezonde werkomgeving hoog in het vaandel. Aangezien dit verdrag
hetzij op directe, hetzij op indirecte wijze op gespannen voet staat met
deze drie speerpunten, zullen wij niet akkoord gaan met de goedkeuring
ervan.
Dank u wel.
De heer Kisteman (VVD):
De heer Van Houwelingen sluit zijn spreektekst af door te zeggen dat
Forum voor minder regeldruk is. Begrijp ik hieruit dat de heer Van
Houwelingen dit echt ziet als meer regeldruk?
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dat is dus de vraag. Er zijn ook al veel vragen over gesteld aan de
minister. De vraag is in hoeverre dit verdrag wellicht tot meer
regelgeving leidt. Wij vinden zelfs de huidige arbowetgeving in een
aantal opzichten te ver gaan, omdat de subjectivering dusdanig ver wordt
doorgevoerd — ik heb al gezegd dat psychosociale belasting een probleem
kan zijn — dat je daarmee als Staat echt in dat bedrijf gaat zitten. Een
goede werksfeer maak je samen in het bedrijf. Daar heb je niet per se de
Staat voor nodig. Dat zal de VVD hopelijk aanspreken.
De heer Kisteman (VVD):
Daar ben ik het mee eens. Vorige week stemden wij over een door de SGP
en mij ingediende motie om met een kantoren-RI&E te komen, zodat
kantoren met een beperkt aantal werknemers, namelijk tot twintig,
uitgezonderd kunnen worden van de RI&E. Daar heeft Forum tegen
gestemd, terwijl die juist zou leiden tot minder regeldruk voor
ondernemers met het kantoor als werkvloer. Kan de heer Van Houwelingen
uitleggen waarom hij dan nu zegt voor minder regeldruk te zijn, maar in
de praktijk tegen moties stemt die voor regeldrukverlaging kunnen
zorgen?
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ik moet bekennen dat ik hierover enigszins overvraagd word. Ik heb de
tekst van die motie namelijk niet paraat. Zoals u weet, gaat het soms
ook over de overwegingen die in de motie staan. Ik ga de tekst erbij
pakken. Misschien kan ik in de tweede termijn een antwoord geven, maar
ik heb de exacte tekst nu niet paraat.
De heer Kisteman (VVD):
Als ik straks een motie indien om de RI&E te vereenvoudigen, met een
aantal verzamelmoties, zouden de heer Van Houwelingen en Forum dan wel
voor kunnen stemmen?
De heer Van Houwelingen (FVD):
Als het leidt tot minder bemoeizucht en regeldruk, dan zijn we daar in
principe voor, maar ik moet even de exacte tekst zien. Dat is hier nu
het probleem.
De voorzitter:
Dank u wel. We gaan schorsen tot 21.30 uur. Daarna gaan we verder met de
beantwoording door de minister.
De vergadering wordt van 21.05 uur tot 21.30 uur geschorst.
De voorzitter:
Het is 21.29 uur, maar ik zie dat iedereen weer aanwezig is. We kunnen
dus verdergaan met de beantwoording van de minister.
Minister Aartsen:
Dank, mevrouw de voorzitter. Dank aan de leden voor hun inbreng. Dank
aan de leden voor hun hoge interesse in dit ILO-verdrag, dit
International Labour Organizationverdrag, C190. Ik hoopte veel debatten
uitgebreid te voeren en zoals u zult snappen, stond dit debat bovenaan
het lijstje. Alle gekheid op een stokje: in de kern is het natuurlijk
goed dat we hier nog even fundamenteel over spreken. Uiteindelijk gaat
het natuurlijk wel over een belangrijk onderwerp, namelijk een veilige
werkplek. We verzanden zo ongetwijfeld in de Arbowet en de techniek. Ik
weet niet hoe het met u zit, maar ik besteed heel veel tijd van een dag
en van mijn leven op de werkvloer. Dat zal als Kamerlid ongetwijfeld
niet anders zijn. Het is dus ook heel fijn en heel prettig dat je je
veilig voelt, jezelf kunt zijn en je zonder angst, stress of andere
negatieve gevoelens op je werk kunt begeven. Sterker nog, dat is
noodzakelijk. Werk maakt een heel belangrijk onderdeel uit van je leven.
Ik denk dat het belangrijk is dat iedereen zich veilig moet kunnen
voelen en dat er goede waarborgen zijn. Een veilige werkplek is een
werkplek zonder geweld en intimidatie. Ik denk dat het daarom van belang
is dat we dit ILO-verdrag hebben, dat dat onderstreept. Het is een
steuntje in de rug voor alles wat Nederland al doet op het gebied van
het tegengaan van ongewenst gedrag.
Want ja, ongewenst gedrag is een groot probleem. We zien dat vorig jaar
bijna 17% van de medewerkers hiermee te maken heeft gehad. Dat zijn
alleen nog de cijfers, maar er zitten natuurlijk ook verhalen van mensen
achter. Het gaat over mensen die met stress, angst of schaamte naar hun
werk toe gaan. Dat mogen we natuurlijk nooit normaal vinden. Ik denk dat
we elkaar erin weten te vinden dat we dat allemaal willen tegengaan. De
vraag is natuurlijk hoe we dat tegengaan.
Dat brengt mij bij het debat dat net is gevoerd. Om het maar eens even
met een Brabants spreekwoord te zeggen: ik denk dat het goed is om heel
even de kerk weer een beetje terug in het midden van het dorp te zetten.
Ik heb hier in het debat vandaag namelijk toch een aantal sentimenten
gehoord. Aan de ene kant wordt er gezegd: dit is een belangrijk probleem
en we moeten dit tot drie cijfers achter de komma proberen dicht te
regelen. Ik snap die reflex. Tegelijkertijd moeten we beseffen dat dit
soort problemen — ik zal er dadelijk meer over zeggen — zich heel
moeilijk laten vatten in wetten, in codes, in regels, in papieren zaken.
Aan de andere kant heb ik in het debat toch ook veel gehoord dat dit
verdrag ongeveer de bijl aan de wortel van de Nederlandse soevereiniteit
zou zetten, alsof er, als we dit zouden doen, een hoop gekkigheid en
ellende over Nederland wordt uitgestort.
Voorzitter. Ik kan u melden: het is geen van tweeën. Ik ga proberen dat
een beetje terug te brengen naar proporties waarmee we met elkaar dit
probleem daadwerkelijk tegen kunnen gaan zonder aan de ene of de andere
kant door te schieten. Laat ik vooropstellen dat we het in Nederland
goed hebben geregeld op dit onderdeel. We hebben echt een aantal zaken
goed geregeld. Het kan altijd beter; we mogen nooit achterover leunen.
Maar het is niet zo dat er door dit verdrag heel veel dingen moeten
worden gedaan. Dat is niet nodig. Het is ook niet nodig om onze wet- en
regelgeving in Nederland aan te passen. We hebben de Arbowet. Ik zal zo
iets zeggen over de reikwijdte van die Arbowet. Die Arbowet zorgt ervoor
dat werkgevers de verantwoordelijkheid hebben over wat er op de
werkvloer gebeurt, dat zij daar aansprakelijk voor zijn en dat zij
verantwoordelijkheid dragen voor hoe de situatie is.
Los van die Arbowet en wat er op de werkvloer gebeurt, hebben we
natuurlijk nog veel meer. We hebben nog tal van andere wetten in
Nederland. We hebben überhaupt het arbeidsrecht dat werknemers in den
brede beschermt. We hebben wetten die beschermen op het gebied van
gelijke behandeling. We hebben het civiele recht in Nederland, waar je
te allen tijde naartoe kunt. Je wordt ook ondersteund als je daarnaartoe
gaat op het moment dat je vindt dat een andere inwoner van ons land iets
doet waarbij jij je niet fijn voelt en vindt dat er een grens over is
gegaan. En we hebben het strafrecht dat, ongeacht op welke plek je bent,
of je nou wel of niet op de werkvloer bent, geldt. Dat zegt dit verdrag
ook. Dit verdrag zegt niet: pas de Arbowet aan. Dit verdrag zegt: zorg
ervoor dat er voldoende nationale wetgeving is om de problemen die in
dit verdrag worden geadresseerd op een goede manier aan te pakken. Dat
doet dit verdrag. Dat doen wij op dit moment met bestaande wet- en
regelgeving ook al. Als het gaat om werknemers of om degenen die onder
het gezag en zeggenschap van een werkgever vallen, geldt de Arbowet. We
hebben daarnaast het arbeidsrecht, het civiel recht en het
strafrecht.
Voorzitter. Zijn wij dan gekke Henkie dat wij als enige land ter wereld
dit verdrag ratificeren? Nee. Inmiddels hebben 54 landen dit verdrag al
geratificeerd, waaronder een groot deel van de Europese landen. Zijn wij
dan gekke Henkie dat wij als enige land — de andere kant op —
ratificeren zonder de nationale wetgeving aan te passen? Nee. Landen als
Ierland, Duitsland en Noorwegen — dat zijn wel een beetje
Nederland-achtige landen — ratificeren dit ook zonder aanpassing van
wetgeving. Is dit kabinet nou het enige dat zegt "we doen dit zonder"?
Nee. We zien ook in het advies van de Raad van State dat hier geen
opmerkingen over worden gemaakt. Als er nou één organisatie in Nederland
is die bij wetgeving kijkt of we ons voldoende aan de internationale
afspraken houden, dan is dat toch wel de Raad van State. Die concludeert
niet dat Nederland iets geks doet door geen regels en wetten aan te
passen op basis van dit verdrag.
Voorzitter. Dat brengt mij bij het fundamentele punt: wie is er nou
verantwoordelijk voor een veilige werkvloer? Het eerlijke antwoord
daarop is, ook weer een beetje nuchter: dat zijn we natuurlijk met z'n
allen. We zijn er allemaal verantwoordelijk voor dat iedereen op een
veilige, prettige manier op een werkvloer kan zitten. Specifiek in de
arbowetgeving hebben we gezegd dat de werkgever daar de
verantwoordelijkheid voor draagt. Die heeft een zorgplicht. Die is ook
belangrijk. Daar hebben we ook wet- en regelgeving voor. In den brede is
dat verstandig. Maar we zijn natuurlijk met z'n allen verantwoordelijk
voor die veiligheid en die prettige werkomgeving.
Uiteindelijk is het niet zo dat dingen die in de samenleving gebeuren
als sneeuw voor de zon verdwijnen op de werkvloer omdat je toevallig op
je werk bent. Als we hufterigheid in het openbaar vervoer hebben, dan is
dat niet alleen tegen reizigers, maar ook tegenover de mensen die daar
werken. Als we überhaupt breed in de samenleving hufterigheid, geweld,
intimidatie of seksuele intimidatie hebben, dan houdt dat niet op bij de
grens van de werkvloer. Dat gaat natuurlijk over in elkaar. De
samenleving is onderdeel van de werkvloer, en de werkvloer is onderdeel
van de samenleving. Het is natuurlijk iets wat speelt in de hele
samenleving. Dat zorgt ook voor het volgende. Ik zal zo de stap zetten
naar regeldruk. Wij doen in dit huis oprecht ons best om met wetten,
handreikingen en gedragscodes de wereld een stukje beter te maken. Op
heel veel terreinen is het eerlijke en nuchtere verhaal dat de
samenleving toch ook zichzelf moet normeren en er zelf voor moet zorgen
dat we elkaar erop aanspreken als mensen over de grens gaan. Die
werkgever kan daarbij helpen. Wij helpen daar dan vervolgens die
werkgever weer bij. Die heeft ook een verantwoordelijkheid voor die
werkvloer. Uiteindelijk is het toch ook de samenleving in den brede die
primair op een goede manier moet zorgen voor het tegengaan van relatief
subjectieve dingen als intimidatie, grensoverschrijdend gedrag en
ongewenst gedrag.
De heer Ceulemans (JA21):
Volgens mij had de minister het in zijn inleidende blok over de
ratificatie hiervan en waarom dat een goede zaak zou zijn. Ik heb
eigenlijk een tweeledige vraag aan de minister: als er ten opzichte van
de huidige situatie nog stappen gezet moeten worden om de veiligheid van
werknemers op de werkvloer te verbeteren, waarom zouden we dat niet
gewoon zelf kunnen? Waarom hebben we daar dat verdrag voor nodig? Als er
wat deze minister betreft geen aanvullende stappen nodig zijn, waarom
wil hij dan toch dit verdrag ratificeren? Als een motie overbodig is,
zegt u: ik ontraad 'm. Als dit verdrag overbodig is, zegt u: ik ga het
ratificeren.
Minister Aartsen:
Dat is gelijk een mooi bruggetje naar deel twee van mijn intro. Ik kijk
even naar de voorzitter. Zij pakt eerst haar thee aan. Zal ik mijn intro
even afmaken? Ik denk dat ik daarin antwoord geef op de heer
Ceulemans.
Waarom doen we dit? Dat is eigenlijk de bredere kern. Allereerst, een
verdrag sluit je natuurlijk niet met jezelf. Het is een beetje gek als
je als land zegt: we zijn bezig met elkaar. Overigens zei mevrouw Patijn
terecht dat de ILO niet een soort organisatie is die uit de hoge hemel
is komen vallen. Het is een organisatie die is opgericht door vakbonden
en werkgeversorganisaties. Nederland sluit zich daar ook bij aan.
Volgens mij is het tripartiet overleg een mooie traditie, waarin
werkgevers, werknemers én de overheid samen naar de ILO-vergaderingen
gaan, maar dat terzijde. Je sluit een verdrag niet met jezelf; dat doe
je met z'n allen. Dat betekent dat als je als Nederland al voldoet aan
zo'n verdrag, niet kunt zeggen "dan sluiten we het maar niet". Juist
internationale samenwerking zorgt er ten eerste voor dat de andere
landen in de wereld zich ook aansluiten bij een verdrag. Ik denk dat er
heel veel landen in de wereld zijn waarin nog veel meer winst te boeken
is dan in Nederland, als het gaat om een veilige werkomgeving. Met deze
stap zorgen we ook voor een betere werkvloer op andere plekken in de
wereld. Ook zorgen we voor een gelijk speelveld. Ik denk dat dat juist
ook belangrijk is. Als Europa één ding heeft geleerd, is het dat
competitie op arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden zeer
onwenselijk is. Je krijgt dan een spiraal naar beneden. Wat Nederland
nou zo'n mooi land maakt, is dat we een spiraal omhoog krijgen als het
gaat om arbeidsomstandigheden. Dat zijn allemaal zaken die maken dat we
dit doen.
Wat voegt dit verdrag dan toe in Nederland? Voor Nederland is dit een
steun in de rug. Het zorgt er ook voor dat we te allen tijde scherp
blijven op wat hier gebeurt. Het is een belangrijk signaal dat Nederland
dit belangrijk vindt en het zorgt voor een gelijker speelveld op
internationaal niveau.
De heren Ceulemans, Van Houwelingen en Mulder vroegen mij nog hoe dit
verdrag gaat doorwerken in nationale wetgeving; is er dan ook sprake van
een soevereiniteitsoverdracht? Het antwoord daarop is: nee. Er is geen
directe werking van dit verdrag als het gaat om nationale wetgeving. We
sluiten hier gewoon aan bij wat we al hebben. Het ILO-verdrag zegt: zorg
er nou voor dat je wetgeving hebt die hierop toeziet. Mijn antwoord
zonet was dat we die hebben: arbowetgeving, arbeidsrecht,
gelijkebehandelingsrecht, civiel recht en strafrecht. Dat is dus al op
nationaal niveau geregeld. Daar hoeven we dus geen extra dingen voor te
doen. We voldoen op dit moment al aan de eisen van het verdrag. Dat
levert dan ook geen extra regeldruk op, zeg ik tegen de heer Mulder. Wat
er wel onderdeel van uitmaakt, is dat we iedere twee jaar vervolgens een
rapportage naar de ILO sturen. De ILO, dat zijn wij. Dat zijn onze eigen
FNV en VNO. Een comité van experts kijkt vervolgens naar aanbevelingen
op het moment dat zij vinden dat wij er niet aan voldoen. Die
aanbevelingen zijn niet bindend.
De heer Van Houwelingen (FVD):
De minister zegt dat dit verdrag geen directe werking heeft op onze
wetgeving, maar ik blijf toch met de vraag zitten: waarom sluiten we dit
verdrag? We zijn natuurlijk wel gebonden aan de principes waarmee we
akkoord gaan. Dus als wij over vier of vijf jaar als Kamer zouden
besluiten om onze wetgeving te wijzigen, dan moeten we natuurlijk
voldoen aan de uitgangspunten van dat verdrag. Als Kamer worden we daar
dus aan gebonden. Waarom zouden we dat doen?
Minister Aartsen:
Nogmaals, omdat het ervoor zorgt dat je te allen tijde een borging hebt
van een veilige werkomgeving. Dat is één. Ook zorgt het ervoor dat
andere landen waar daar geen sprake van is, zich ook hieraan
committeren. Dat is twee. Je zorgt voor een gelijk speelveld voor
Nederlandse ondernemers met andere landen, zodat je geen spiraal naar
beneden en geen competitie op arbeidsomstandigheden krijgt. Dat is drie.
Ook denk ik dat de heer Van Houwelingen dit verdrag toch echt iets te
zwaar aanzet, zwaarder dan het is. Dit verdrag zegt: zorg nou dat je
nationale regels hebt voor het tegengaan van geweld op de werkvloer. We
hebben nationale wetgeving waarin staat dat je bijvoorbeeld geen geweld
mag plegen tegen een ander, ongeacht of het nou op de werkvloer is of
niet. Dat hebben wij in Nederland al vastgelegd in de wet, in het
strafrecht — tenzij er voorstellen komen om dat soort dingen te
wijzigen, maar dat zie ik op de korte termijn niet gebeuren, dus is het
toch ook een beetje een hypothetische discussie.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ik probeer het te begrijpen. Door dit verdrag te ratificeren stuurt het
kabinet aan op een soort gelijkschakeling van een deel van het
arbeidsrecht, van de arbowetgeving, tussen alle verdragspartners. Dat
wordt als iets goeds gezien. Maar waarom zouden we dat willen? Waarom
zou Nederland dat willen uniformiseren voor de hele wereld? Waarom
willen we een gelijk speelveld? Dan kunnen we hetzelfde gaan zeggen over
het onderwijs, over alles. Dat is het hele probleem met de Europese
Unie. Het argument van een gelijk speelveld wordt altijd gehanteerd.
Forum voor Democratie — en ik hoop dat dat ook voor deze Kamer geldt —
wil zelf kunnen bepalen hoe wij onze arbowetgeving inrichten. We willen
niet gebonden zijn aan internationale regelgeving. Misschien mag ik dit
nog even kort aanvullen, voorzitter. Ik kan me er iets bij voorstellen
dat je verdragen sluit met landen op het gebied van defensie, want dat
is een internationale aangelegenheid. Maar waarom moeten we ons ook in
het arbeidsrecht vastpinnen op internationale regelgeving? Wat schieten
wij als Kamer en als Nederland daarmee op?
Minister Aartsen:
Volgens mij is dat gelijke speelveld van grote toegevoegde waarde. Ik
vind de vergelijking met het onderwijs mank gaan. Het onderwijs is een
nationale competentie en het is belangrijk dat dat ook zo blijft. Maar
kijk bijvoorbeeld naar het werken met gevaarlijke of giftige stoffen.
Het is niet zo dat een stof in Bangladesh niet giftig is, maar in
Nederland wel. De heer Van Houwelingen moet het toch met mij eens zijn
dat een stof in land a net zo giftig is als in land b? Het zou zeer
onverstandig zijn als wij in Nederland wetten maken waarin we zeggen dat
Nederlandse werknemers niet met zo'n giftige stof mogen werken omdat ze
daar schade van kunnen oplopen, maar we dat wel toestaan in andere
landen. Het gevolg daarvan zal zijn dat die producten vele malen
goedkoper worden dan de producten die door Nederlandse ondernemers
worden gemaakt. Dan heb je geen gelijk speelveld en schiet je jezelf als
Nederland in de voet. Dat lijkt mij onverstandig.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ja, tot slot, voorzitter. Daar kun je een heel debat over voeren. Dat ga
ik nu niet doen, maar stel dat je dat zou willen. Dan kun je
bijvoorbeeld bilaterale afspraken maken met een land die precies over
dat onderwerp gaan. Maar dat kunnen we sowieso niet meer, omdat we in de
Europese Unie zitten. Dit is dus een fictieve discussie. We pinnen ons
nu vast op dat verdrag. Dit is weer zo'n voorbeeld. We vinden dit echt
een heel groot probleem. We zien dit elke keer langskomen. Er komen elke
keer weer verdragen waardoor de soevereiniteit van deze Kamer wordt
uitgehold. Het kabinet vindt dat nooit een probleem. We kunnen de tent
hier straks wel sluiten, want alles gaat via internationale verdragen.
We zijn al heel ver, zeker binnen de Europese Unie.
De voorzitter:
Ja, ja, ja. De interrupties moeten korter, want ik wil hier echt om
23.00 uur stoppen. De minister heeft een heleboel vragen gekregen. Hij
is nog bezig met zijn inleiding, dus graag korte vragen en niet steeds
dezelfde vragen herhalen. Mevrouw Moinat ... O, wilt u nog wat
zeggen?
Minister Aartsen:
Ik hecht er toch waarde aan om te zeggen dat het beeld dat de heer Van
Houwelingen oproept feitelijk gezien gewoon onjuist is. Hij ziet echt
spoken ten aanzien van dit verdrag. Ik denk dat het goed is om op te
nemen dat er spoken worden gezien die er niet zijn.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
De minister brengt het mooi. Ik zou zeggen: misschien kunt u met uw
inleiding zelf in het campagnespotje meedoen. In de nota naar aanleiding
van het verslag staat dat het kabinet straks met een wetsvoorstel komt
om een gedragscode voor intern ongewenst gedrag verplicht te stellen
voor werkgevers. Kan de minister mij garanderen dat hij dat wetsvoorstel
niet naar de Kamer brengt, met dit verdrag in de hand?
Minister Aartsen:
Ja, want de afweging om dat wel of niet te doen, staat los van dit
verdrag.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
Minister Aartsen:
Voorzitter. Dat brengt mij bij het punt …
De voorzitter:
Heeft u blokjes?
Minister Aartsen:
Ja. Regeldruk, reikwijdte, sociale veiligheid en varia. Het kopje varia
is korter dit keer, dus dat biedt hoop.
Voorzitter. Er zijn aan de ene kant een hoop vragen gesteld over hoe we
heel veel concrete situaties gaan regelen en hoe het kabinet denkt
problemen te voorkomen en op te lossen. Aan de andere kant zijn er een
hoop vragen gesteld over de regeldruk. Dat dilemma schetst precies wat
er vaak gebeurt met regeldruk, vooral bij een onderwerp zoals dit. Als
er weer een incident plaatsvindt of als er wat gebeurt, dan is onze
eerste reflex altijd: laten we een wet, een gedragscode of een
klachtenregister maken en laten we heel specifiek vastleggen in de wet
hoe het moet worden geregeld. Ik begon mijn inleiding net door te zeggen
dat het uiteindelijk de verantwoordelijkheid is van ons allemaal. De
ambitie van dit kabinet, van deze coalitie, is om de regeldruk tegen te
gaan, om geen nieuwe onnodige regels toe te voegen en om 500 regels te
schrappen. Dat betekent ook dat we bij dit soort onderwerpen echt even
kritisch moeten kijken waar het nou echt, echt, echt noodzakelijk én
effectief is om nieuwe regels en wetten toe te voegen en waar dat niet
geval is. Anders kom je uiteindelijk namelijk in een regelreflex terecht
waar je volgens mij niet in wil zitten. Ik zei net al dat Nederland op
dit moment voldoet aan de wet- en regelgeving: we hebben de Arbowet al,
we hebben gelijkebehandelingswetgeving, we hebben het civiel recht en we
hebben het strafrecht. Wat mij betreft zijn er dus ook weinig tot geen
aanvullende regels of extra administratieve lasten nodig.
Het punt werd ook al gemaakt dat ongeveer 90% van de bedrijven minder
dan 25 medewerkers in dienst heeft. Dat zijn over het algemeen dus
gewoon kleine bedrijven, zoals restaurants, bakkers en
schildersbedrijven. Juist voor dit soort mkb-bedrijven zien we dat
nieuwe wet- en regelgeving gaat leiden tot een papieren werkelijkheid en
een papieren tijger in plaats van dat het daadwerkelijk iets toevoegt.
Dat is ook de reden waarom wij zeggen — mevrouw Van Ark zei dat terecht
en heel mooi — dat we ons willen richten op de praktijk en op wat echt
werkt. Ik denk dat je dan toch moet denken aan de publiekscampagnes die
we draaien, aan sectorale aanpakken, aan gesprekken en aan handreikingen
voor hoe je het als kleine werkgever goed kan organiseren als er wat aan
de hand is, in plaats van gelijk grijpen naar wettelijke
verankeringen.
Ik beraad mij op dit moment dus ook nog op hoe we omgaan met
bijvoorbeeld de wettelijke klachtenregeling en met andere adviezen die
we hebben gekregen, waaronder de gedragscode. Ik beraad mij op dit
moment samen met het kabinet op hoe we dat wegen ten opzichte van de
regeldruk, want je kunt niet allebei doen. Je kunt niet alles in wet- en
regelgeving proberen vast te leggen én de ambitie hebben om de regeldruk
te verlagen. Je zult daar toch een weging en een aflaat in moeten
maken.
De heer Neijenhuis (D66):
Het is uiteraard heel logisch dat het wordt gewogen. Als er een voorstel
naar ons toe komt, is dat ook een belangrijke weging die we hier in de
Kamer moeten maken. Ik wil daar wel even op doorvragen, want het zijn
volgens mij wel belangrijke punten: wanneer kunnen we verwachten dat die
weging is afgerond en wanneer kunnen we het dan eventueel weer hier in
de Kamer bespreken?
Minister Aartsen:
Ik zal zorgen dat dit wordt meegenomen in de brief voor het
commissiedebat over gezond en veilig werken. Ik weet uit mijn hoofd niet
wanneer dat debat is.
Voorzitter. Dan kom ik bij het blokje reikwijdte. Er zijn een aantal
vragen gesteld over wie nou wel en niet onder dit verdrag vallen en over
hoe het zit met de afbakening van de werkvloer, om het maar even zo te
noemen, met alle voorbeelden van dien. Ik ga niet op alle voorbeelden
specifiek in, want ook daarin heb je vaak te maken met
interpretatiekwesties. Daarnaast zegt de bestaande jurisprudentie hier
al het een en ander over. Het is misschien wel goed om in het algemeen
een aantal zaken te noemen.
De Arbowet geldt voor iedereen met een gezagsrelatie of met zeggenschap
van de werkgever over de gedragingen van de werknemer. Dat betekent dat
bijvoorbeeld vrijwilligers dus in veelvoorkomende gevallen onder de
reikwijdte van de Arbowet vallen. Ook in andere situaties zien we dat
bijvoorbeeld zzp'ers gedeeltelijk onder de Arbowet vallen. Dat hangt af
van of je meewerkend werkgever of meewerkend voorman bent; daar zit
overigens nog een hele discussie achter. We gaan ongetwijfeld over de
zzp'ers nog een bredere discussie voeren, over hoe dat zit en hoe zij
zich tot de arbowetgeving verhouden. We zien dat stagiaires dus
bijvoorbeeld ook onder de arbowetgeving vallen. In die situatie is
sprake van zeggenschap. Stagiaires worden dus in de wet ook gezien als
werknemers voor wie de werkgever verantwoordelijk is. Leerlingen vallen
onder de Arbowet. Werknemers van wie de arbeidsovereenkomst is
beëindigd, oud-werknemers die andere mensen pesten — dat voorbeeld werd
net genoemd — vallen inherent niet onder de Arbowet. Je kunt een
werkgever natuurlijk moeilijk verantwoordelijk houden voor het gedrag
van oud-werknemers. Ik verwees daarom naar de andere wettelijke kaders
dan de Arbowet. Naast de Arbowet heb je namelijk ook nog het civiele
recht waar je een beroep op kunt doen en je hebt het strafrecht waar je
een beroep op kunt doen in deze casussen. Je kunt hiervoor niet naar de
werkgever kijken, want die heeft geen zeggenschap over, in dit geval,
oud-werknemers. Dat geldt overigens ook voor werkzoekenden en
sollicitanten. Zij vallen niet onder de Arbowetgeving, maar het is
natuurlijk wel zo dat eenieder — dat geldt natuurlijk breder in de
aansprakelijkheid — moet zorgen voor een goede en veilige werkomgeving
als iemand bij hem of haar thuis, op de werkvloer of op kantoor is. Op
het moment dat iemand dan over de schreef gaat, is er natuurlijk wel een
zorgplicht. Dan zou je wel naar ander wettelijk instrumentarium kunnen
grijpen. Al met al is het dus zo dat mensen ook op een andere manier
worden beschermd, door middel van verschillende vormen van
wetgeving.
Mevrouw Patijn vroeg mij nog specifiek naar uitzendkrachten. Die vallen
ook onder de arbowetgeving, die hier ook duidelijk in is: zowel het
inlenende bedrijf als het uitzendbureau is verantwoordelijk voor de
veiligheid en de gezondheid van uitzendkrachten. De inlenende
opdrachtgever draagt primair de grootste verantwoordelijkheid en is dus
volgens de Arbowet verantwoordelijk voor de voorlichting van
uitzendkrachten ten aanzien van gezond en veilig werken. Ook moet de
inlenende opdrachtgever de RI&E delen met het uitzendbureau, dat
deze vervolgens weer moet delen met de uitzendkrachten en hen moet
informeren over de risico's van de inlenende opdrachtgever.
Dan waren er nog wat vragen gesteld over het woon-werkverkeer. Ook dit
is …
De voorzitter:
Er is eerst nog een vraag van mevrouw Patijn.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Woon-werkverkeer is volgens mij weer het andere
blokje, maar dat weet ik niet zeker. De minister geeft aan dat
sollicitanten er dan weer net niet onder zouden vallen. Hier is een wet
behandeld over discriminatie bij sollicitatie, die uiteindelijk is
verworpen. Dat is eigenlijk nergens geborgd. Is de minister niet van
mening dat dat op de een of andere manier beter geborgd zou moeten
worden, zeker gezien dit verdrag?
Minister Aartsen:
Nee, omdat er bij sollicitanten geen sprake is van een zeggenschaps- of
gezagsrelatie. Dan is het heel ingewikkeld om daar de arbowetgeving op
van toepassing te laten zijn.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Wat u nu zegt, is het 'm nou precies. De Arbowet beperkt zich tot de
gezagsrelatie. Dat is nou precies waarom wij zeggen: de werkingssfeer
van de Arbowet zou uitgebreid moeten worden, zodat deze groepen wel
degelijk dezelfde bescherming kunnen genieten op basis van de Arbowet.
Als alleen die nauwe definitie van "gezagsrelatie" geldt, kan dit soort
groepen niet onder de bescherming van de Arbowet vallen en kan dit soort
groepen de bescherming die in de Arbowet bedoeld is dus niet
genieten.
Minister Aartsen:
Die bescherming komt natuurlijk ook voort uit een arbeidsovereenkomst.
Daar worden natuurlijk ook op die manier weer handen en voeten aan
gegeven, dus het is heel ingewikkeld om daar dezelfde eisen aan te
stellen. Het opleggen van bijvoorbeeld een loonsanctie of een andere
vorm van sanctie als er twee werknemers tegenover elkaar staan, gaat
natuurlijk niet bij een sollicitant, want die heb je als werkgever niet
in dienst. Om sollicitanten tegen seksueel overschrijdend gedrag,
intimidatie en dergelijke in den brede te beschermen, hebben we toch ook
andere instrumenten, zoals het civiele recht en het strafrecht, die
eenieder tegen dit soort zaken beschermen. Sollicitanten verrichten
namelijk natuurlijk ook geen structurele werkzaamheden. De meeste
sollicitaties duren natuurlijk niet meer dan twee rondes.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Ik ga even terug naar wat de minister — ik wou "burgemeester" zeggen —
zegt.
Minister Aartsen:
Dan moet u nog een jaar of twintig wachten.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
O, ambities! Ik ga even terug naar wat de minister zegt over de
definitie van "werknemer" en de gezagsrelatie, want door die definitie
in de Arbowet geeft die Arbowet geen bescherming aan groepen die
misschien wel onder die Arbowet zouden moeten kunnen vallen. Dat gaat
dan met name over zzp'ers, maar dat gaat ook over sollicitanten. Het is
dus vanuit die Arbowet niet mogelijk om die extra bescherming te bieden
zolang die definitie van de gezagsrelatie zo cruciaal is. Is de minister
bereid om nog eens een keer goed te kijken of hij, ook in lijn met wat
in het verdrag staat, misschien toch wat breder naar die groepen moet
kijken en daar de Arbowet dus op moet herzien?
Minister Aartsen:
Dan moeten we even met een fileermesje, zeg maar, heel specifiek kijken
naar de oude wetgeving. Dat wil ik best een keer doen, hoor, met mevrouw
Patijn, want ik zeg heel eerlijk: ik zie dit probleem op het gebied van
zelfstandigen wel ontstaan. We hebben laatst ook de UBO-uitspraak van de
Hoge Raad gezien, waarin wordt gezegd dat er sprake kan zijn van
zij-aan-zijwerk, waarbij persoon A werknemer is en persoon B zzp'er is
en ze exact hetzelfde werk doen, terwijl ze een andere werkrelatie
hebben. Dat soort situaties zie ik wel. Daarbij zie ik wel een aantal
discrepanties met bijvoorbeeld de Arbowet. Waarom zou een glazenwasser
die werknemer is niet boven een hoogte van 7 meter mogen gaan en een
zzp'er wel? Die ruggen zijn identiek aan elkaar, dus het is gek dat dat
bij de een wel kan en bij de ander niet. Dat probleem zie ik. Ik vind de
kwestie echt lastig worden als het specifiek gaat om sollicitanten en
anderen, omdat daarbij geen sprake is van een structurele relatie en
niet van een gezagsrelatie. Dan is het ook een beetje de vraag waartegen
je sollicitanten dan beschermt onder de Arbowet. De Arbowet beschermt
werknemers tegen een hele hoop zaken: rusttijden, werken met gevaarlijke
stoffen, overwerk. Daar is natuurlijk geen sprake van. Ik zie bij
sollicitanten niet het probleem van overwerk of uitbuiting ontstaan. Dat
zijn natuurlijk zaken die zich bij sollicitanten niet voordoen, dus ik
denk dat de door mevrouw Patijn gezochte bescherming voor een groep
beter vormgegeven kan worden onder het civiel recht of het strafrecht
dan in de wet waarin zij dat zoekt.
Voorzitter. Mevrouw Patijn vroeg mij wanneer de zorgplicht op het gebied
van woon-werkverkeer onder de Arbeidsomstandighedenwet valt.
Woon-werkverkeer valt niet onder de werktijd en valt daarom in beginsel
niet onder de Arbowet. Daar staat tegenover dat als de werkgever het
vervoer zelf organiseert, dat weer wél onder de Arbowet valt. Hetzelfde
geldt bijvoorbeeld voor dienstreizen, waar ook een aantal vragen over
zijn gesteld. De bescherming is op dit moment goed geregeld. We passen
die dus niet aan. De bestaande jurisprudentie geeft al voldoende
richting: wanneer is dat wel of niet het geval? We zien voorbeelden die
wél onder de Arbowet vallen, bijvoorbeeld het door de werkgever
geregelde carpoolen van werk naar een woonlocatie; ook daar ging een
vraag van mevrouw Patijn over. Dat valt dus wél onder de arbowetgeving.
Ook reizen in een busje van bijvoorbeeld de aannemer valt onder de
arbowetgeving. Een voorbeeld dat niet onder de arbowetgeving valt omdat
het regulier woon-werkverkeer, is dat een thuiszorgmedewerker zelf naar
het werk rijdt of dat een callcentermedewerker naar een bushalte loopt.
Daar zit uiteindelijk het verschil. Maar nogmaals, er zitten ook
handreikingen in de jurisprudentie. Ik zou er ook voor willen waken dat
we dit soort specifieke zaken exact vastleggen in wetten, omdat die dan
wel heel erg smal gaan worden.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Toch even ... Ik neem even de callcentermedewerker die een avond werkt,
om 23.30 uur of 0.00 uur naar huis gaat, de laatste bus nog kan halen,
in haar eentje — ik ga even uit van een vrouw — over dat vrij verlaten
industrieterrein loopt en in haar eentje staat te wachten bij de
bushalte. Is dat niet precies wat het ILO-verdrag probeert aan te geven
als momenten waarop de bescherming geleverd zou moeten worden die wij en
misschien de minister zouden moeten willen bieden in de bescherming met
de wetgeving?
Minister Aartsen:
Nee, want als je dat soort zaken wettelijk gaat regelen, denk ik dat je
te ver doorschiet met de arbowetgeving, omdat dat in beginsel natuurlijk
woon-werkverkeer is. Dan kom ik bij het bredere civielrecht en het
bredere strafrecht, want als iemand zich onveilig voelt of als zich een
strafbaar feit voordoet, is het natuurlijk, of je nou werkgever bent of
niet, gewoon altijd je burgerplicht, een verplichting, om iemand bij te
staan met hulp en met ondersteuning. We moeten dus oppassen met alles
proberen te vatten onder het arborecht en de arbowetgeving, want anders
verschuift die verantwoordelijkheid uiteindelijk tot de vraag wanneer
die dan ophoudt. Houdt die op wanneer iemand in de bus zit, halverwege
de bus zit of thuis wordt gebracht? Daar zit natuurlijk ergens een grijs
gebied dat we met elkaar als wetgevers op een gegeven moment moeten
accepteren. We moeten zorgen dat je het op een andere manier goed
organiseert. Daarom valt ook het ene specifieke punt wel onder de
arbowetgeving en het andere niet. Het is natuurlijk niet zo dat mensen
vogelvrij zijn op het moment dat ze buiten de Arbowet vallen.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Maar dan zou iedere weldenkende werkgever of goedwillende werkgever —
daar zijn er best veel van — denken: ik zorg dat die
callcentermedewerker niet in die situatie terechtkomt dat hij of zij in
zijn eentje over dat industrieterrein moet lopen en in zijn eentje op
die bus moet wachten. Dus die regelt iets; die zorgt dat er taxi's
geregeld worden of dat soort zaken. Maar er zijn te veel werkgevers —
wij hebben dit voorbeeld niet voor niets genoemd — die misschien wel
ergens in India zitten en niet zo heel erg bezig zijn met dit deel en
niet nadenken over hoe ze zich daartoe verhouden. Bedrijven zijn
namelijk vaak heel internationaal geworden. Ze denken niet na over dat
er geld voor is en dat er mogelijkheden zijn om daar wat mee te doen.
Het ILO-verdrag richt zich volgens mij juist op dit soort situaties.
Hier zitten gaten in. Moet deze vrouw, als het een vrouw is, eerst iets
overkomen waar ze aangifte voor kan doen? Is het niet logisch om te
zeggen: "Preventie is belangrijk. Voorkom het nou en zorg dat het
bijvoorbeeld in die RI&E opgenomen wordt."
Minister Aartsen:
Nee, want dan ga je de verantwoordelijkheid te breed trekken. Het is
natuurlijk niet zo dat mensen, op het moment dat ze de fabriek of een
bedrijfslocatie uit stappen, in een soort niemandsland terechtkomen. We
hebben als samenleving breed de verantwoordelijkheid om de veiligheid op
straat te borgen. We hebben die verantwoordelijkheid ook als overheid.
Op het moment dat er verlichting is en op het moment dat mensen andere
mensen lastigvallen op het industrieterrein, zijn ook de politie, de
boa's, de gemeente en de burgemeester verantwoordelijk voor de
veiligheid daar op straat. Ja, de werkgever kan daarin ook een
belangrijke rol spelen. Ik zie overigens ook dat dat gebeurt. Ik herken
het beeld van mevrouw Patijn over Indiase en internationale werkgevers
niet. 90% van alle Nederlandse bedrijven heeft minder dan 25 medewerkers
in dienst — 90%. Dan heb ik het dus nog niet eens over de grote midden-
en kleinbedrijven van 50 of 100 mensen, maar echt om kleine bedrijfjes
met minder dan 25 medewerkers. Je kunt de verantwoordelijkheid van
werkgevers niet zo ver oprekken op basis van de wet. Ik zie namelijk dat
heel veel werkgevers het wél op een goede manier organiseren. Die zeggen
wel: ik zet je anders wel even thuis af, want het is donker vanavond en
er is wat gebeurd. Of: bel even als ik je kan helpen. Uiteindelijk is
dit ook een verantwoordelijkheid van de samenleving. Het is iets wat we
als samenleving breed moeten doen. Daarvoor hebben we mevrouw Hamer
aangesteld als Nationaal Coördinator, daarvoor hebben we een brede
aanpak en daarvoor hangen er bij mij in de hal op het ministerie grote
aanplakborden om grensoverschrijdend gedrag tegen te gaan. Het is
uiteindelijk dus ook een samenlevingsvraagstuk en niet alleen een
vraagstuk van een werkgever.
De voorzitter:
Ik ga even ingrijpen, want de vragen zijn best lang en de antwoorden
zijn ook lang, en het is inmiddels 22.05 uur. Een korte laatste vraag
dus, en dan hoor ik ook graag van de minister of we nog steeds in het
blokje reikwijdte zitten. Ja, hoor ik. Er komen hierna dus nog twee
blokjes.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Ik zal concluderen. Voor mij is het niet voldoende. Voor mij is heel
duidelijk dat mevrouw Hamer niet op het industrieterrein actief is om te
zorgen dat er daar geen dingen fout gaan. Naar mijn idee is het
ontzettend belangrijk dat we juist dit deel heel goed regelen.
Minister Aartsen:
Dat zijn we overigens met elkaar eens. De vraag is alleen met welk
middel we dat moeten gaan doen.
De heer Ceulemans (JA21):
Ik ben het inhoudelijk eens met wat de minister zegt, maar volgens mij
laat dit interruptiedebatje met mevrouw Patijn exact zien waar het
risico zit, en laat het ook exact zien wat ik bedoelde in mijn eerste
termijn. Door termen als "de wereld van werk" is dit zo breed
interpreteerbaar dat mevrouw Patijn nu al heel anders interpreteert wat
de verantwoordelijkheid van een werkgever is en waar die ophoudt, dan de
minister zelf. Rechters kunnen dat straks ook doen. Ziet de minister dus
niet in dat juist het interruptiedebatje exact laat zien waar het risico
van dit verdrag zit?
Minister Aartsen:
Nee, omdat alles wat we hier met elkaar wisselen als medewetgevers
onderdeel uitmaakt van de wetsgeschiedenis. Een toekomstige rechter zal
dus refereren aan dit interruptiedebatje en aan hoe dit is "verhandeld".
Ik ken een aantal situaties. Dat gebeurt echt. Uw woorden doen ertoe,
zeg ik tegen de heer Ceulemans, ook voor rechters. Die zullen
uiteindelijk in de bepaling bepalen hoe ze het interpreteren. Ik
refereer niet voor niets aan bestaande jurisprudentie. De voorbeelden
die ik noem, heb ik niet zelf bedacht. Daar hebben rechters zich over
uitgelaten. Dat alles bij elkaar zorgt ervoor dat de interpretatie op
die manier wordt geregeld. Laat ik hier namens de regering nogmaals
duidelijk zeggen dat wij niet zien dat wij extra nieuwe regels hoeven te
maken en dat dit verdrag daardoor ook niet gaat zorgen voor een
oprekking van die interpretatie.
De heer Ceulemans (JA21):
Het is op zich een hele eervolle gedachte dat rechters de notulen van
dit debat ooit gaan teruglezen.
Minister Aartsen:
Zeker! Dat is hun belangrijkste taak.
De heer Ceulemans (JA21):
Maar even los van wat hij in de notulen van dit debat leest, ziet de
rechter gewoon een verdrag liggen waarin het gaat over de wereld van
werk, wat natuurlijk voor heel veel interpretaties vatbaar is. Het gaat
niet alleen over de werkvloer, maar het gaat ook over de digitale
wereld, over contact met werknemers die zich buiten het bedrijf
bevinden, over op weg ergens naartoe, over onderweg. Ziet de minister
nou geen risico in zo'n definitie als "de wereld van werk", waar we nu
al van zien dat dat heel verschillend geïnterpreteerd wordt? Een rechter
kan dat straks ook gaan interpreteren. Een rechter kan straks gewoon dat
verdrag erbij pakken, zien dat het betrekking heeft op de wereld van
werk en bepalen dat het ook betrekking heeft op dit, dit en dit, wat
niet in de wetsgeschiedenis is teruggekomen.
Minister Aartsen:
Dan maakt de heer Ceulemans zijn eigen rol echt te klein, wat mij
betreft. Het is namelijk echt zo dat bij het maken van de wet de
wetsgeschiedenis en alles wat we hierover uitspreken van belang is. Er
zijn hele mooie boeken geschreven over hoe dat bijdraagt. Bij de
interpretatie van zo'n definitie als "de wereld van werk" zullen
rechters eerst kijken hoe de wetgever het heeft bedoeld. Dan kijken ze
dus naar de memorie van toelichting. Dan kijken ze naar de vragen die de
Kamer heeft gesteld en de antwoorden van het kabinet. Dan kijken ze naar
dit debat. Dan kijken ze naar bestaande jurisprudentie. Daarom verwijs
ik daar ook naar. Dat maakt hoe een rechter uiteindelijk zal oordelen.
Daarom is het belangrijk dat we dit debat hebben met elkaar.
De voorzitter:
Kort, afrondend.
De heer Ceulemans (JA21):
Ja, u heeft gelijk, voorzitter. Ik zal opschieten, maar dit was een van
mijn belangrijkste punten, dus even kort afrondend dan. Er zijn
natuurlijk nu al uit het blote hoofd duizend situaties te bedenken
waarover het in dit debat helemaal niet gegaan is en waarin het in de
hele wetsgeschiedenis niet gegaan is. Er kunnen gewoon zaken worden
aangespannen waarbij het de vraag is of iets wel of niet werkgerelateerd
is. Als de rechter dan terugvalt op een definitie van "de wereld van
werk", ongeacht wat hier allemaal besproken is, zijn er nog heel veel
situaties denkbaar waarin een rechter wel degelijk kan gaan
interpreteren puur op basis van die definitie waar het simpelweg eerder
niet over gegaan is.
Minister Aartsen:
Dan denk ik dat u de rol van de rechter niet voldoende gewicht toedicht.
Nogmaals, die zal zich baseren op bestaande jurisprudentie. De punten
die ik net aandroeg, heb ik niet zelf verzonnen. Dat is gebaseerd op
eerdere interpretaties. Ik geef heel duidelijk aan dat dit verdrag niet
gaat leiden tot nieuwe wet- en regelgeving en dus ook niet tot een
andere interpretatie van dat soort kwesties.
Om het blokje af te ronden: er zijn een nog een aantal vragen gesteld
over de interpretatie van andere bepalingen. Dan verwijs ik nogmaals
naar de bestaande Nederlandse wet- en regelgeving. Online werken valt op
dit moment al onder de reguliere Arbeidsomstandighedenwet, de Arbowet.
Migranten zijn op dit moment werknemers en worden zo ook beschouwd
vanuit de bescherming van de Arbowet. Hetzelfde geldt voor flexwerkers.
Woningen door een werkgever verstrekt vallen niet onder de Arbowet. In
voorkomende gevallen kunnen mensen wel terecht in het civiel recht en
het strafrecht in dit geval. Huiselijk geweld kan ook effecten hebben op
het werk, maar daarvoor verken ik op dit moment een handreiking voor
werkgevers. Volgens mij heb ik dan alles gezegd over de reikwijdte en de
interpretatiekwesties, voorzitter.
De voorzitter:
Dan gaan we naar het blokje sociale veiligheid.
Minister Aartsen:
Mevrouw Van Ark vroeg mij hoe wij bevorderen dat werknemers altijd
ergens anders terecht zouden kunnen voor laagdrempelige ondersteuning en
naar de rol van het Huis voor Klokkenluiders. Werkgevers zijn op dit
moment verplicht om te zorgen voor een veilige en gezonde werkplek. Hoe
zij dat doen, staat werkgevers zelf uiteraard vrij. Ik ondersteun
werkgevers hierin met bijvoorbeeld handreikingen, onder andere een
handreiking over de manier waarop ze dat met vertrouwenspersonen en
gedragscodes moeten doen. Die handreikingen stellen we altijd op met
partijen uit het veld zelf. Daarnaast komt de Regeringscommissaris
seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld nog dit jaar met
een advies over bijvoorbeeld het verstevigen van de onafhankelijkheid
van vertrouwenspersonen. Bij misstanden kan een werknemer altijd advies
vragen aan het Huis voor Klokkenluiders.
Mevrouw Patijn vroeg hoe het staat met het Nationaal Actieprogramma
Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld. Inmiddels
is er reeds veel van dit nationaal actieprogramma bereikt, zowel op het
gebied van een algemene cultuurverandering als op het gebied van het
bespreekbaar maken alsook op het gebied van zaken die op de werkvloer
spelen. Ik verwees net al naar de posters die bij mij op het ministerie
hangen. We zien bijvoorbeeld dat dit ook in de sectorale aanpak samen
met sociale partners zijn vruchten afwerpt. We zijn er echter nog niet
en daarom kijken we ook naar het nieuwe actieplan, bijvoorbeeld als het
gaat om de aanpak van geweld tegen vrouwen.
Voorzitter. De heer Neijenhuis en mevrouw Patijn vroegen mij nog wat
over meldingen. Welke drempels nemen we weg? Nogmaals, wij zorgen ervoor
dat er lagere drempels zijn. Dat benadrukken we ook richting werkgevers.
Zij zijn uiteindelijk verantwoordelijk. Regeringscommissaris Hamer heeft
hiervoor een handreiking gemaakt, waarmee werkgevers worden ondersteund
bij het goed en zorgvuldig afhandelen van deze meldingen. We hebben daar
ook al een sectorale aanpak voor lopen. Daarnaast ontwikkel ik nog een
e-learningprogramma voor leidinggevenden om hen laagdrempelig te helpen
om deze handreiking goed te doorleven. Dat zal volgend jaar beschikbaar
komen.
De heer Neijenhuis vroeg mij naar het in beeld brengen van wijdverspreid
geweld tegen en intimidatie van winkelpersoneel. Ik deel dat dat een
groot probleem is. Ik weet zelf als geen ander wat voor enorme impact
het kan hebben op een winkelier als dat plaatsvindt. Het is belangrijk
om te vermelden dat bijvoorbeeld de minister van Economische Zaken bezig
is met het Actieprogramma Veilig Ondernemen, waarmee ondernemers op
allerlei manieren worden ondersteund in het tegengaan van geweld,
agressie en intimidatie, zowel voor henzelf als voor de medewerkers in
deze situatie. Er wordt voor ondernemers en personeel een
handelingsperspectief bij geweld geboden met trainingen, opleidingen en
een toolbox. Daarnaast werkt JenV intensief samen met publiek-private
partners in het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing voor de
weerbaarheid van het bedrijfsleven. Ook zijn er specifieke
strafrechtelijke bepalingen die het mogelijk maken om criminaliteit
zoals geweld en winkeldiefstal aan te pakken.
De heer Kisteman vroeg of ik het met hem eens ben dat de meeste
ondernemers voldoen. Ja, de meeste ondernemers hebben het beste voor met
hun medewerkers. We zien dat we werkgevers kunnen helpen om de volgende
stappen ook te kunnen maken.
Mevrouw Van Ark vroeg mij welke stappen er nog nodig zijn om het verdrag
uiteindelijk ook in Caribisch Nederland te laten gelden. Op dit moment
bevat de arbowetgeving in Caribisch Nederland geen bepalingen over
psychosociale arbeidsbelasting, waar ongewenst gedrag onder valt. We
zijn op dit moment bezig met het vervangen van de huidige wetgeving. Dat
zal in 2030 het geval zijn. Het is de verwachting dat we de
psychosociale arbeidsbelasting daarin meenemen. Dan bezien we ook de
ratificatie van dit verdrag op Caribisch Nederland.
Voorzitter, ik neem even een slok water, want ik moet het gaan hebben
over inclusive, integrated and gender-based response. Gevraagd werd of
ik kan uitleggen wat dat is. Ook hier kies ik toch weer even voor een
wat nuchtere aanpak, want ik denk dat dat verstandig is, ook gelet op
het debat dat zojuist is gevoerd. Uiteindelijk betekent dit natuurlijk
gewoon dat je rekening houdt met de situatie die zich voordoet. Ik denk
dat ik niet per se wetenschappelijk onderzoek nodig heb of hoef aan te
halen om aan te geven dat we met elkaar wel kunnen concluderen dat
vrouwen vele malen vaker last hebben van seksuele intimidatie of
seksueel geweld. Daar zijn tal van voorbeelden van geweest in het
afgelopen jaar, met uitingen van vrouwen die de nacht terugeisen vanwege
de situaties die zich daarin voordoen. Er waren in deze Kamer debatten
over femicide. Als u wilt, kan ik daar nog wat meer informatie over
verstrekken, maar op basis van gezond boerenverstand kunnen we allemaal
concluderen dat vrouwen hier vele malen vaker last van hebben. Ja, er
zijn ongetwijfeld mannen die hier last van hebben. Zeker. En ja, er
zullen ook andere doelgroepen zijn. Volgens mij zijn we het echter met
elkaar eens dat vrouwen hier over het algemeen vele, vele, vele malen
vaker last van hebben. Dan is het ook niet gek dat je daar in de aanpak
een klein beetje aandacht aan besteedt. Het lijkt me een hele nuchtere
lijn dat we daar aandacht voor hebben, specifiek voor de situatie van
vrouwen op de werkvloer.
Voorzitter. Dat was het ten aanzien van sociale veiligheid.
De heer Ceulemans (JA21):
Het zou inderdaad heel erg logisch zijn om daar aandacht aan te geven
als het daadwerkelijk om dat soort zaken gaat. Maar mijn hele punt is
dat het extreem breed omschreven is. Ik citeer letterlijk: het betreft
dan "(...) de dreiging daarvan, hetzij incidenteel hetzij herhaaldelijk,
die gericht zijn op, of naar alle waarschijnlijk resulteren in fysieke,
psychologische, seksuele of economische schade". Van gendergerelateerd
geweld of van gendergerelateerde intimidatie is volgens het verdrag
sprake wanneer mensen op basis van hun geslacht of gender op zo'n manier
disproportioneel getroffen kunnen worden. Er staat bijvoorbeeld ook
"economische schade" in. Er is nogal een verschil tussen gewoon geweld
of seksuele intimidatie op de werkvloer en economische schade, zoals de
veronderstelde loonkloof, die wat ons betreft gewoon iets tussen
werkgevers en werknemers is, waar de overheid niks in te zoeken
heeft.
Minister Aartsen:
Ik zoek even naar een vraag.
De heer Ceulemans (JA21):
De vraag is of u dat met mij eens bent. Ik heb gevraagd wat u van die
definities vindt. U zegt: het is heel logisch dat er op vrouwen gefocust
wordt, want geweld is er veel vaker tegen vrouwen. Daar ben ik het
helemaal mee eens. Het is dus ook heel terecht als die aandacht daarnaar
uitgaat. Maar mijn punt is nou juist dat dit in het verdrag allemaal
veel breder omschreven is. Daar gaat het niet alleen over geweld, maar
bijvoorbeeld ook over gendergerelateerde economische schade. Op grond
daarvan kan ook betoogd worden dat dit verdrag bijvoorbeeld betrekking
heeft op een vrouw op de werkvloer die vindt dat ze ten onrechte minder
goed betaald wordt dan een mannelijke collega. Ziet de minister dat
risico ook, als het zo breed omschreven is?
Minister Aartsen:
Nee, ik zie twee dingen. De heer Ceulemans pakt één klein onderdeeltje
uit alle punten, zet daar de fietspomp op en maakt dat heel groot.
Volgens mij moeten we dat niet doen. Volgens mij moeten we het klein
maken en het gewoon nuchter bekijken. Dat zou de heer Ceulemans toch ook
moeten aanspreken. Als het gaat om ongelijke betaling, ben ik het met de
heer Ceulemans eens dat dat primair iets is tussen werkgever en
werknemer. Maar dat betekent niet dat het goed is om een vrouw minder te
betalen dan een man. Het is dus niet onlogisch dat je in een aanpak die
ervoor zorgt dat dit soort situaties worden tegengegaan opneemt dat je
dingen die je niet goed vindt ook probeert tegen te gaan. Ik heb net al
gezegd dat ik er geen voorstander van ben om dat vervolgens tot acht
cijfers achter de komma te gaan vastleggen in een wetsvoorstel met
rapportageverplichtingen et cetera. Als je beleid formuleert en een
verdrag maakt waarvan dit de doelstellingen zijn, vind je natuurlijk ook
dit soort zaken, waarbij Jantje meer geld betaald krijgt dan Marietje,
problematisch. Dat kan je dan niet kwalijk worden genomen. We kunnen met
elkaar toch wel vaststellen dat het niet goed is … Uw Kamerleden krijgen
toch ook allemaal evenveel betaald, ongeacht gender of geslacht?
De heer Ceulemans (JA21):
Dit is nou juist precies de kern, want die heeft niets met geweld en
intimidatie te maken. We hebben het hier vandaag over het ratificeren
van een verdrag tegen geweld en intimidatie op de werkvloer. Vervolgens
blijkt dat daar interpretaties en definities in staan die veel breder
zijn dan toegespitst op geweld en intimidatie, met een reikwijdte die
enorm voor interpretatie vatbaar is. Ik pak er niet zomaar iets uit. Ik
illustreer dit punt aan de hand van het feit dat het ook gaat over
gendergerelateerde economische schade, dus bijvoorbeeld ongelijke
betaling op de werkvloer. Ik vind het ook niet fraai als dit gebeurt,
maar het heeft niets met intimidatie of geweld te maken. Op het moment
dat dit alsnog onderdeel is van zo'n verdrag, toont het volgens mij aan
hoe groot het risico is dat dit verdrag heel vrijelijk geïnterpreteerd
gaat worden, met als gevolg dat werkgevers tot meer verplichtingen
worden gedwongen dan die ze nu hebben.
Minister Aartsen:
Ik ben dat niet eens met de heer Ceulemans. Dit verdrag gaat over een
veilige werkomgeving. Daarmee bedoelen we dat die vrij is van geweld en
intimidatie, maar bijvoorbeeld ook discriminatie of ongelijke
behandeling. Volgens mij kunnen we toch ook stellen dat het niet prettig
is om gediscrimineerd te worden op basis van of je vrouw of man bent.
Daar zijn we allemaal tegen. Sterker nog, het staat volgens mij in
artikel 1 van onze Grondwet. Het is dus niet gek dat je dat probeert
tegen te gaan. Er wordt verondersteld dat er extra verplichtingen zijn,
maar ik heb net al uitgelegd dat die er niet zijn. Het is heel gek om
aan te slaan op een of twee woorden in een definitie die er uiteindelijk
voor zorgt dat je bijvoorbeeld zaken tegengaat waar vrouwen vaker last
van hebben dan mannen. Volgens mij is het, nogmaals, niet gek om daar
iets aan te willen doen, of dat nou discriminatie of geweld is van
fysieke, seksuele of economische aard.
De voorzitter:
We zijn bij het blokje varia.
Minister Aartsen:
Ja. Mevrouw Moinat vroeg mij naar artikel 11, waarin staat dat we moeten
waarborgen dat alle vormen van geweld en intimidatie op de werkvloer
worden aangepakt. Werkgevers zijn verantwoordelijk. Wij ondersteunen hen
daar bijvoorbeeld met handreikingen bij.
De heer Van Houwelingen vroeg mij nog specifiek naar de definitie van
"psychosociale arbeidsbelasting": wat betekent dat? Dat ging volgens mij
over de discussie over hoe breed die definitie moet zijn. Ongewenste
omgangsvormen, psychische intimidatie of schade door psychisch geweld
vallen bijvoorbeeld onder "psychosociale arbeidsbelasting". Ik denk dat
dat ook goed is, want soms kan psychische schade of psychisch geweld
vele malen erger zijn dan fysieke schade of fysiek geweld.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Er moeten maatregelen worden opgenomen in regels omtrent werk,
gelijkheid én migratie. Dat valt onder artikel 11. Daar had ik specifiek
naar gevraagd en daar wil ik graag een reactie op.
Minister Aartsen:
Dan moet ik daar in de tweede termijn op terugkomen, want ik heb artikel
11 niet voor mijn neus liggen. Excuus. Ik kom daar in tweede termijn
uitgebreid op terug, specifiek op het puntje migratie, als ik mevrouw
Moinat goed begrijp.
Tot slot een aantal vragen over de Arbeidsinspectie. De Nederlandse
Arbeidsinspectie is de afgelopen jaren flink gegroeid. Dit was nodig
omdat de arbeidsmarkt flink is gegroeid en omdat we het aantal
geconstateerde misstanden zagen toenemen. In het jaarverslag dat vorige
week naar uw Kamer is gestuurd, staat dat de NLA in 2025 een aantal
indicatoren heeft gerealiseerd. Toezicht blijft daarbij uiteindelijk wel
het sluitstuk. We proberen natuurlijk vooral in te zetten op
afschrikking en preventie, maar de werkgever is en blijft daar primair
verantwoordelijk voor. Het is op dit moment lastig om de
Arbeidsinspectie verder te laten groeien, omdat we ook wat betreft een
aantal andere zaken een extra ambitie hebben, zoals de Wtta. Dan is het
lastig om die extra stappen te kunnen zetten.
Voorzitter, ik heb geprobeerd alle vragen netjes te beantwoorden.
De voorzitter:
Nu staat iedereen op.
Minister Aartsen:
Precies. Dat is meestal de cue dat ik dat niet heb gedaan. Bij voorbaat
excuus. We gaan een nieuwe poging wagen.
De heer Edgar Mulder (PVV):
De minister heeft, denk ik, wel gepoogd om een antwoord te geven op iets
wat voor mijn fractie belangrijk was. Ik vraag het toch nog een keer
heel duidelijk. De minister stelt vast dat rechters altijd naar alle
debatten kijken en al onze teksten nalezen. Als rechters Kamerleden al
belangrijk vinden, dan zullen ze zeker luisteren naar de minister. Ik
vraag nogmaals of de minister hier heel duidelijk en expliciet wil
zeggen dat er met het implementeren, met het aanvaarden van deze wet,
geen extra verplichtingen komen en dat de wetgeving qua Arbo en
Burgerlijk Wetboek niet verder gaat dan nu al vastgelegd is in de
Nederlandse wet.
Minister Aartsen:
Ja, dat kan ik onderschrijven. Op basis van dit verdrag zal dat niet
gebeuren. Het staat uw parlement altijd vrij om nieuwe wetten te maken,
maar dat is een nationale bevoegdheid. Op basis van het verdrag zal het
niet gebeuren.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Dank daarvoor. Dan nog één aansluitende vraag. De minister heeft
vanavond twee keer gezegd, naar aanleiding van dit verdrag, dat hij geen
voorstander is van een Nederlandse wet waarin alles tot zes cijfers
achter de komma geregeld is. Maar dan zegt hij erbij dat hij "geen
voorstander" is van die wet. Zou hij hier ook willen en durven zeggen
dat hij het niet mee gaat maken dat zo'n wet wordt ingediend?
Minister Aartsen:
Nee, want we zijn een minderheidskabinet. Als uw Kamer besluit om een
initiatiefwetsvoorstel aan te nemen om nieuwe wetten te maken, dan kan
ik daar moeilijk voor gaan liggen. Om nou te dreigen met het weigeren
van het contraseign, is wel heel nucleair.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Een derde nog en dan stop ik ermee. Dat is een leuk antwoord. Maar in
een eerder debat vanavond ging het over de arbeidseis. Toen zei de
minister zelf dat hij de grens ergens bij 2030 zou leggen, want hij
wilde zijn handen vrij hebben. Daar gaan wij ook over. Daar gaat de
minister dus ook niet over.
Minister Aartsen:
Zeker.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Maar het is het een of het ander, dus of dat antwoord van eerder
vanavond klopte niet, of dit antwoord klopt niet.
Minister Aartsen:
Allebei de antwoorden kloppen sowieso. Het kabinet heeft ambities als
het gaat om de arbeidseis. U snapt ook dat mijn bewegingsvrijheid wordt
bepaald door hoe de Kamer dat regelt. Volgens mij verschillen de heer
Mulder en ik op dit onderwerp niet van mening.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Volgens mij hebben we vandaag van de minister gehoord dat we niet
allerlei nieuwe wetgeving gaan implementeren, maar dat we kijken hoe we
dit in de praktijk goed gaan regelen. Heel veel vrouwen hebben
inderdaad, zoals de minister ook aangeeft, dagelijks te maken met
seksueel grensoverschrijdend gedrag op de werkvloer. In dat licht vraag
ik nog een keer hoe het straks verder gaat met de regeringscommissaris
die hiervoor is aangesteld, Mariëtte Hamer. Ik begrijp dat haar termijn
eind dit jaar eindigt. Kan de minister aangeven of we van plan zijn die
te verlengen? Is daar al duidelijkheid over? Ik vraag dit ook omdat we
vandaag een aantal keer gerefereerd hebben aan het werk dat deze
regeringscommissaris doet.
Minister Aartsen:
Ik kom daar in de tweede termijn even op terug, want ik meen dat we daar
Kamervragen over hebben beantwoord of dat we dat op zeer korte termijn
nog zullen doen, en dan bedoel ik zo'n korte termijn dat ik ze inmiddels
al gelezen heb. Ik wil niet de grens overgaan dat ik dat al per ongeluk
verklap, dus ik kom hier in tweede termijn op terug. Ik moet even
precies weten wat ik in die antwoorden heb geschreven, zodat ik het
juiste antwoord aan mevrouw Van Ark kan geven.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Het lijkt me best leuk als u alvast een spoiler geeft, maar we wachten
het even af.
Minister Aartsen:
Dan stuur ik vanavond nog de antwoorden op die vragen naar de Kamer toe.
Ik doe dat overigens samen met de minister van OCW. Laat me er in tweede
termijn even op terugkomen; dan weet ik zeker dat ik de juiste
antwoorden geef.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan mag mevrouw Van Ark naar voren komen voor haar inbreng
in de tweede termijn.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Mijn fractie hecht erg aan ratificatie van dit
belangrijke verdrag. Wij hechten ook erg aan internationaal het goede
voorbeeld geven. We constateren dat we het in Nederland eigenlijk al
best goed geregeld hebben, maar tegelijkertijd zien we dat landen om ons
heen het minder goed geregeld hebben. Ik denk dat het een heel goed
signaal is dat wij, als we aan andere landen vragen om de regelgeving
omhoog te zetten, diezelfde stap zetten en hier in Nederland kijken hoe
we dit in de praktijk, en dus niet alleen in de wet- en regelgeving,
beter kunnen regelen met elkaar. Wat dat betreft kijk ik uit naar
verdere stappen die we hier kunnen zetten, niet zozeer in de wet, maar
vooral in de praktijk.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Patijn, GroenLinks-PvdA.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Ik heb, als het klopt, één toezegging, min of meer,
gehoord van de minister, namelijk dat hij nog eens goed gaat kijken naar
de definitie en de gezagsverhouding, omdat hij daar misschien ook wel
iets in zag. Ik hoop daar dus nog een reactie op te krijgen.
Ik hoorde de minister niet meteen heel erg enthousiast over het
uitbreiden van de Arbeidsinspectie, maar kan hij nog een keer goed
uitleggen of de Arbeidsinspectie op dit moment wel handhaaft en zo ja,
op welke manier ze dat dan doet als het gaat over ongewenst gedrag en
agressie op de werkvloer? Wordt die handhaving effectief ingezet?
Dan heb ik nog twee moties, omdat ik toch nog niet helemaal blij was met
de antwoorden die ik gekregen heb.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat ILO-conventie 190 volgens artikel 2 werknemers en andere
personen in de wereld van werk beschermt, met inbegrip van werknemers,
zoals gedefinieerd door de nationale wetgeving en praktijk, alsook
werkende personen, ongeacht hun contractuele status, personen in
opleiding, met inbegrip van stagiairs en leerlingen, werknemers van wie
de arbeidsovereenkomst is beëindigd, vrijwilligers, werkzoekenden en
sollicitanten, en personen die het gezag, de taken of de
verantwoordelijkheden van een werkgever uitoefenen;
constaterende dat de Arbowet nog niet op al deze doelgroepen van
toepassing is;
verzoekt de regering verdere wetgeving uit te werken die de wet- en
regelgeving in lijn brengt met ILO-conventie 190, de Kamer rond de zomer
over de inhoud hiervan te informeren en wetgeving aan het einde van 2026
aan de Kamer aan te bieden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Patijn.
Zij krijgt nr. 7 (36684) (#1).
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Dan de tweede motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat ILO-conventie 190 volgens artikel 3 van toepassing is op
geweld en intimidatie in de arbeidssfeer tijdens, in verband met of als
gevolg van het werk, waar volgens het verdrag ook de werkplek, plaatsen
waar de werknemer wordt betaald, werkgerelateerde reizen, opleidingen,
evenementen of sociale activiteiten, werkgerelateerde communicatie, met
inbegrip van communicatie die mogelijk wordt gemaakt door informatie- en
communicatietechnologieën, de door de werkgever verstrekte accommodatie
en het woon-werkverkeer onder vallen;
constaterende dat de Arbowet nog niet op al deze plekken en momenten van
toepassing is;
verzoekt de regering verdere wetgeving uit te werken die de wet- en
regelgeving in lijn brengt met ILO-conventie 190, de Kamer rond de zomer
over de inhoud hiervan te informeren en wetgeving aan het einde van 2026
aan de Kamer aan te bieden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Patijn.
Zij krijgt nr. 8 (36684) (#2).
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan de heer Kisteman van de VVD.
De heer Kisteman (VVD):
Dank, voorzitter. Ik wil de minister danken voor zijn beantwoording. Het
is ook goed om te horen dat hij meerdere malen heeft aangegeven dat het
verdrag niet tot extra regeldruk gaat leiden. Ik heb, zoals ik in mijn
eerste termijn heb aangegeven, één motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat ondernemers veel onnodige regeldruk ervaren;
constaterende dat voor veel ondernemers de RI&E onnodig ingewikkeld
is geworden;
overwegende dat de Kamer meerdere moties van de leden Kisteman en Flach
over de RI&E heeft aangenomen;
verzoekt de regering om uiterlijk voor de zomer van dit jaar de Kamer te
informeren over concrete voorstellen voor modernisering en
vereenvoudiging van de (Aanvullende) RI&E-verplichtingen;
verzoekt de regering daarbij om de suggesties uit eerder genoemde moties
en relevante toezeggingen over de Aanvullende RI&E-verplichtingen
mee te nemen, met bijzondere aandacht voor regeldruk voor werkgevers, en
daarbij zowel de suggesties uit eerder aangenomen moties als relevante
en efficiënte alternatieven uit andere EU-lidstaten te betrekken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kisteman en Flach.
Zij krijgt nr. 9 (36684) (#3).
De heer Kisteman (VVD):
Daar wou ik het bij laten.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Neijenhuis van D66.
De heer Neijenhuis (D66):
Voorzitter. Dank voor de toezegging dat de minister voor het
commissiedebat terugkomt op de klachtenregeling en de gedragscode. Zo
had ik die toezegging volgens mij goed gehoord. Ik moet daar wel bij
zeggen: de eerste de beste postduivenvereniging heeft zulke zaken gewoon
goed op orde, en een goede werkgever dus eigenlijk ook. Het is dus
altijd goed om te bekijken hoe we dit op een goede manier in wetgeving
kunnen regelen en dat we geen overbodige regellast aan ondernemers
opleggen, maar dit is natuurlijk wel the bare minimum voor een goede
werkgever. Dat zou ik als partij ook wel willen uitstralen, als de
minister hierop terugkomt voor dat debat.
Ik had ook nog vragen gesteld over de mogelijkheid om dat per AMvB te
regelen. Dat was eerst wel een optie, maar dat zit er nu uiteindelijk
niet in. Hoe is dat nou eigenlijk precies gelopen? Ook ten aanzien van
die klachtenregeling en gedragscode is mijn vraag: waarom stonden die er
eerst wel in en waarom nu niet? Daar kwam ik nog niet helemaal uit in de
beantwoording van de minister.
Verder hebben we nog één motie, die ingaat op de problemen die we zien
bij de agressie in de winkelstraat en bij het personeel dat daarvoor
eigenlijk in de frontlinie staat. Daar gaat het heel vaak goed — heel
veel ondernemers hebben daar zelf ook mee te maken en komen daarom ook
echt daartegen in actie — maar daar gaat het heel vaak ook niet
goed.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat werknemers in de winkelstraat in het contact met de
klanten steeds vaker te maken krijgen met onacceptabel geweld, agressie
of intimidatie;
overwegende dat veel werkgevers hun verantwoordelijkheid pakken om hun
personeel goed te beschermen, maar er in sommige gevallen ook ruimte
voor verbetering is;
verzoekt de regering met werkgevers en werknemers een plan op te stellen
voor het voorkomen en aanpakken van agressie in winkels en daarnaast te
bezien of de normen voor het beschermen van werknemers effectief zijn en
goed gehandhaafd worden, bijvoorbeeld door in de RI&E aandacht te
hebben voor alleen staan in de winkel,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Neijenhuis en Patijn.
Zij krijgt nr. 10 (36684) (#4).
De heer Neijenhuis (D66):
Zij is dus ook getekend door collega Patijn van Progressief Nederland;
leuk om dat voor het eerst te kunnen zeggen in deze Kamer.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Ceulemans van JA21.
De heer Ceulemans (JA21):
Dank, voorzitter. Dank voor de antwoorden van de minister in de eerste
termijn, andermaal ook namens de SGP.
Het moge duidelijk zijn: wij zijn hier geen voorstander van. Dat is niet
omdat we de minister ervan verdenken dat hij werkgevers met extra regels
wil overladen, maar wel omdat wij vrezen dat het verdrag hier
uiteindelijk alsnog toe kan gaan leiden. Ondanks dat wij er geen
voorstander van zijn, kan ik ook tellen. Ik zie ook dat de meerderheid
daar anders in staat.
Om desondanks een waarborg te hebben voor de toekomst, dien ik de
volgende motie in.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de regering stelt dat de Nederlandse wet- en
regelgeving nu al voldoet aan het Verdrag inzake het uitbannen van
geweld en intimidatie op de werkvloer;
overwegende dat ondernemers nu al verplicht zijn agressie, geweld en
ongewenst gedrag in de RI&E op te nemen en dat hiervoor in sectoren
als zorg, onderwijs en horeca al uitgebreide aanpakken bestaan;
overwegende dat internationale afspraken in de praktijk vaker zijn
aangegrepen om nationale regeldruk voor ondernemers niet te verminderen
en dat open normen ruimte laten voor een rechterlijke interpretatie die
kan uitpakken in steeds zwaardere verplichtingen voor werkgevers;
verzoekt de regering te waarborgen dat implementatie en ratificatie van
dit verdrag niet zal leiden tot aanvullende wettelijke verplichtingen,
toezichtseisen of juridische druk voor ondernemers boven op het
bestaande nationale kader;
verzoekt de regering tevens te waarborgen dat dit verdrag niet zal
worden gebruikt als argument om bestaande nationale regeldruk voor
ondernemers niet te kunnen verminderen of vereenvoudigen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceulemans en Kisteman.
Zij krijgt nr. 11 (36684) (#5).
Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Mulder. Hij slaat zijn beurt over. Mevrouw Moinat gaat ook niet. Tot slot de heer Van Houwelingen van Forum voor Democratie.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dank u, voorzitter. Dank voor de beantwoording. Ik heb één motie. Ik
lees 'm voor.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat psychosociale arbeidsbelasting (PSA) in de Arbowet
wordt gedefinieerd als "de blootstelling aan factoren in de
arbeidssituatie die stress teweegbrengen", waarbij stress wordt
omschreven als "een toestand die als negatief ervaren lichamelijke,
psychische of sociale gevolgen heeft";
constaterende dat deze definitie elementen bevat die in hoge mate
subjectief van aard zijn — het gaat immers om wat een werknemer als
negatief ervaart — en dat daarmee de grens tussen aanvaardbaar en
onaanvaardbaar gedrag op de werkvloer afhankelijk is van de individuele
beleving van de betrokkene;
constaterende dat de definitie van "psychosociale arbeidsbelasting" het
juridische fundament vormt voor een reeks verplichtingen waaraan
werkgevers zich vervolgens moeten houden;
verzoekt de regering te onderzoeken op welke wijze de definitie van
"psychosociale arbeidsbelasting" in de Arbowet kan worden
geobjectiveerd, zodat het daarop gebaseerde beleid berust op kenbare,
meetbare en toetsbare normen, en de Kamer over de uitkomsten van dit
onderzoek te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.
Zij krijgt nr. 12 (36684) (#6).
Dank u wel. We schorsen tot 22.45 uur.
De vergadering wordt van 22.36 uur tot 22.47 uur geschorst.
De voorzitter:
De minister staat weer klaar, dus we gaan beginnen.
Minister Aartsen:
Dank u. Dank aan de Kamer voor de gestelde vragen en de moties. Mevrouw
Van Ark stelde een vraag over Regeringscommissaris Mariëtte Hamer. Het
Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en
seksueel geweld is een tijdelijk programma en staat tot eind 2026 onder
de regie van het ministerie van Sociale Zaken en het ministerie van
Onderwijs Cultuur en Wetenschap. De Regeringscommissaris is hieraan
gekoppeld. Haar termijn loopt dus ook af aan het einde van het jaar. De
aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld wordt
onderdeel van een nieuw nationaal actieplan: stop geweld tegen vrouwen.
Dit zal zijn onder de coördinatie van het ministerie van VWS. De
antwoorden op de Kamervragen die hierover zijn gesteld, zult u morgen of
overmorgen aantreffen.
Mevrouw Moinat vroeg mij naar artikel 11 en migratie. Artikel 11, lid a
moet zo worden gelezen dat arbeidsmigranten onderdeel zijn van de
beschermingsreikwijdte van dit verdrag. Zoals eerder gemeld, vallen
arbeidsmigranten op dit moment ook al onder de huidige arbobescherming.
Wat dat betreft verandert er dus niks ten opzichte van de huidige
situatie in de Nederlandse wetgeving.
Mevrouw Patijn vroeg mij nog of ik iets meer zou kunnen vertellen over
de Nederlandse Arbeidsinspectie en de handhaving wat betreft ongewenst
gedrag en agressie op de werkvloer. De Nederlandse Arbeidsinspectie
heeft een programma voor psychosociale arbeidsbelasting en hanteert
daarbij een risicogerichte aanpak. Inspecteurs pakken dus ook meldingen
over PSA's op. Zodoende wordt er gecontroleerd op ongewenst gedrag en
agressie op de werkvloer. Op grond van de Arbowet kijkt de
Arbeidsinspectie wel naar het beleid van het bedrijf. De
Arbeidsinspectie acteert dus niet op individuele gevallen als zodanig,
maar acteert natuurlijk wel bij een signaal of melding bij een bedrijf
of een sector.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Het beleid van dat bedrijf staat in de IR&E, toch?
Minister Aartsen:
Dat denk ik wel. Ja, dat is vastgesteld op basis van de arbowetgeving.
Dat was het? Oké. Het voelt als een strikvraag! Ik dacht: nu komt er
iets. Maar oké.
De heer Neijenhuis vroeg mij nog naar de klachtenregeling. Zoals ik al
eerder heb gezegd, heeft het vorige kabinet besloten om de gedragscode
en de klachtenregeling te onderzoeken. Op dit moment heroverweeg ik
beide elementen nog in een brede aanpak van regeldruk. Ik zal daar in de
brief richting het debat over gezond en veilig werken nog meer op
terugkomen.
Mevrouw Patijn vroeg mij nog naar de interpretatie van de Arbowet. In
het interruptiedebatje hadden we het ook over zzp'ers. Ik denk dat het
goed is dat we daar nog even wat verder op doorkauwen met elkaar, want
de discussie is wat nou wel en wat nou niet … We gaan nu heel diep het
Arbobesluit in. Ik heb me laten vertellen dat het om artikel 9.5 gaat,
over zij aan zij werken versus alleen werken. Volgens mij moeten we eens
een breder gesprek hebben over waar nou sprake van is. Als het namelijk
voor ons al niet duidelijk is, hoe kan het dan voor normale mensen
duidelijk zijn, zeg ik maar even. Het is dus verstandig om daar eens
over door te praten.
De voorzitter:
De moties.
Minister Aartsen:
De moties. Het dictum van de motie op stuk nr. 7, van mevrouw Patijn,
zou ik het oordeel "overbodig" moeten geven, omdat het standpunt van het
kabinet is dat dit verdrag al in lijn is met de bestaande wetgeving. Dat
is precies wat het dictum het kabinet verzoekt. Het dictum is dus
overbodig. Het gedeelte achter "overwegende" moet ik ontraden, want wij
kunnen ons daar niet in vinden.
De voorzitter:
Wat is dan het oordeel van de motie? Overbodig of ontraden?
Minister Aartsen:
Als ik zeg "overbodig" en de motie wordt niet aangehouden, dan is ze
toch automatisch ontraden, of niet? Nee?
De voorzitter:
Nee.
Minister Aartsen:
Volgens mij is het de bedoeling van mevrouw Patijn dat we daadwerkelijk
de wet gaan aanpassen. Dan moet ik 'm ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 7 wordt ontraden.
Minister Aartsen:
Hetzelfde geldt voor de motie op stuk nr. 8. Nogmaals, het verzoek aan
de regering is om wetgeving te maken en die in lijn te brengen met het
ILO-verdrag. Het standpunt van het kabinet is dat Nederlandse wetgeving
al in lijn is met het ILO-verdrag. Als ik de motie zo lees dat het lid
Patijn mij verzoekt om wetgeving te maken om die aan te passen, moet ik
deze ook ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 8: ontraden
Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 9, van de leden Kisteman en Flach, kan ik oordeel
Kamer geven. Ik informeer de Kamer voor de zomer over de stand van zaken
van de RI&E en de ARIE-regeling. Op dit moment zijn we met de
sociale partners bezig met knelpunten op het terrein van RI&E bij
het mkb. Ook de huidige ARIE-regeling — voor de kijkers thuis: dat is de
Aanvullende Risico-Inventarisatie en -Evaluatie — wordt op dit moment
geëvalueerd door het RIVM.
De heer Kisteman (VVD):
Arie was vroeger mijn bijnaam thuis, maar dat is weer iets heel
anders.
Minister Aartsen:
Dat maakt niet uit!
De heer Kisteman (VVD):
Kan het ook voor het commissiedebat, in plaats van voor de zomer?
Misschien bedoelt de minister hetzelfde. We hebben in juni het
commissiedebat Gezond en veilig werken. Zou dat kunnen? Denk er even
over na. Wij zouden het fijn vinden als het net voor het commissiedebat
kan, want dan kunnen we dat meenemen in het commissiedebat Gezond en
veilig werken.
Minister Aartsen:
Ik weet niet of het commissiedebat begin of eind juni is, maar we kunnen
er vast iets op verzinnen. Ik ga mijn uiterste best doen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 9: oordeel Kamer
Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 10 van de leden Patijn en Neijenhuis over het
aanpakken van agressie in winkels kan ik oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 10: oordeel Kamer.
Minister Aartsen:
Dan de motie op stuk nr. 11 van de heer Ceulemans en Kisteman. Ook die
kan ik aan het oordeel van de Kamer overlaten, met dien verstande dat
Nederland op dit moment voldoet aan het verdrag en dat ratificatie niet
leidt tot aanvullende wettelijke verplichtingen. Het kabinet heeft ook
geen ambitie om wetgeving te starten vanuit dit verdrag.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 11: oordeel Kamer. O, een vraag van meneer
Neijenhuis.
De heer Neijenhuis (D66):
We hebben een heel debat gehad over hoe je een verdrag al dan niet kan
interpreteren, maar we hebben hier ook een motie die misschien toch wat
moeilijk te interpreteren is. Ik vraag me toch wel een beetje af hoe de
minister daar dan naar kijkt. Het verzoek is om te waarborgen dat dit
verdrag niet zal worden gebruikt als argument om bestaande nationale
regeldruk voor ondernemers niet te kunnen verminderen of vereenvoudigen.
Kijk, als hier nou opeens een voorstel gedaan zou worden om de complete
Arbowet af te schaffen, dan is dat een vermindering van regeldruk voor
ondernemers, maar dan mag ik toch wel hopen — misschien is het zelfs
bijna een feitelijke constatering — dat dit verdrag zal worden gebruikt
om te zeggen: dat kan niet zomaar.
Minister Aartsen:
Dan krijg je allerlei hypothetische voorbeelden. Als wij morgen
besluiten dat geweld is toegestaan, dan kom je met meerdere wetten in
aanraking, waaronder denk ik ook deze. Volgens mij is het bredere punt
dat hier wordt onderstreept door de leden Ceulemans en Kisteman — een
moeilijke combinatie om uit te spreken, die twee; misschien moet ik hem
gewoon Arie noemen! — juist om ervoor te zorgen dat er vanuit dit
verdrag geen nieuwe wetten komen. Dat heb ik al eerder toegezegd. Wat
dat betreft kan ik die motie ook zo lezen. Het staat iedereen natuurlijk
vrij om argumenten te gebruiken. Het kabinet ziet in dit verdrag geen
reden om nieuwe wetgeving te starten.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 11: oordeel Kamer.
Minister Aartsen:
Dan de motie op stuk nr. 12 van de heer Van Houwelingen. Die moet ik
ontraden. De PSA-definitie van arbeidsrisico's wordt gebruikt om
ondernemers te helpen om hier beleid op te maken. Dit beleid vindt zijn
basis in de stand van de wetenschap en wordt ook getoetst door de
onafhankelijke arbeidsinspectie, de Nederlandse Arbeidsinspectie.
Dat waren de moties, voorzitter.
De voorzitter:
Sorry, ik ...
Minister Aartsen:
Ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 12: ontraden.
Dank u wel. lk dank de minister.
De algemene beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Over de moties wordt over twee weken gestemd, tenzij de Kamer nu
opspringt en zegt dat dat dinsdag al moet. Dat is niet het geval, dus
gaan we over twee weken stemmen over de moties én het wetsvoorstel.
Daarmee sluit ik de vergadering.
Sluiting
Sluiting 22.57 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden
ontleend. |
|---|