Antwoord op vragen van de leden Kröger en Kostic over het vonnis van de Raad van State op het tussen-LVB Schiphol
Antwoord schriftelijke vragen
Nummer: 2026D15456, datum: 2026-04-01, bijgewerkt: 2026-04-02 14:14, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: V.P.G. Karremans, minister van Infrastructuur en Waterstaat
Onderdeel van zaak 2026Z05441:
- Gericht aan: V.P.G. Karremans, minister van Infrastructuur en Waterstaat
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
AH 1503
Antwoord van minister Karremans (Infrastructuur en Waterstaat) (ontvangen 1 april 2026)
Vraag 1
Kunt u toelichten wat u precies bedoelde met de uitspraak “We moeten door.” in reactie op het vonnis van de Raad van State (RvS) op het tussen-LVB Schiphol? 1)
Antwoord 1
De uitspraak “We moeten door” onderstreept het belang van de
ontwerpwijziging van het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol (hierna:
LVB), die momenteel in het kader van de voorhangprocedure bij zowel de
Eerste als de Tweede Kamer ligt. Het is van groot belang om de
juridische basis van Schiphol op orde te brengen.
Vraag 2
Klopt het dat het nu voorliggende LVB, inhoudelijk en in de
aannames, grotendeels een voortzetting is van het vernietigde
tussen-LVB? Zo nee, waar baseert u dat precies op?
Antwoord 2
De in voorhang voorliggende LVB-wijziging is een integrale
wijziging van het LVB, inclusief onderzoek naar de milieu- en
natuureffecten van het besluit. Daarbij is ook getoetst op de
gelijkwaardigheidscriteria en hebben zowel Luchtverkeersleiding
Nederland (LVNL) als de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT)
toetsen uitgevoerd op respectievelijk de uitvoering vanuit LVNL en de
handhaving, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid vanuit ILT. Met de
ontwerp LVB-wijziging wordt het stelsel met de baangebruiksregels en de
uitbreiding van het stelsel met de handhavingspunten in het LVB
opgenomen. Het gaat hier dus om de integrale wijziging van het LVB
waarmee het anticiperend handhaven kan worden beëindigd. De milieu- en
natuurimpact van de ontwerpwijziging van het LVB wordt daarbij afgezet
tegen de situatie van het LVB 2008 en het maximale gebruik onder het
NNHS. Dit is enerzijds de (theoretische) situatie waarin het huidige
gebruik van de luchthaven passend is binnen de grenzen van het LVB 2008.
Anderzijds wordt de ontwerpwijziging van het LVB afgezet tegen het
continueren van het anticiperend handhaven. Deze situatie is identiek
aan de bovengrens van de voorgenomen activiteit.
In de referentiesituatie 2008, zoals opgenomen in de milieueffectrapportage (MER), zijn de huidige grenswaarden voor geluid zoals vastgelegd in het geldende LVB voor het etmaal (de Lden) in handhavingspunten maatgevend voor het aantal vliegtuigbewegingen dat op basis van het huidige (zichtjaar 2024) en het toekomstige (zichtjaar 2030) verkeersbeeld mogelijk is. Het inpasbaar jaarvolume is met de gestelde uitgangspunten voor zichtjaar 2024 vastgesteld op circa 294.000 vliegtuigbewegingen en voor zichtjaar 2030 op circa 335.000 vliegtuigbewegingen. Deze toename komt door vlootvernieuwing door de jaren heen. Dit is als uitgangspunt gekozen omdat deze situatie inzicht geeft in de milieueffecten die optreden in de (theoretische) situatie dat het huidige gebruik van de luchthaven passend dient te zijn binnen de grenzen van het LVB 2008.
De versnelde LVB-wijziging had tot doel om twee van de maatregelen die volgden uit de doorlopen balanced approach-procedure (beperking in aantal vliegtuigbewegingen op het etmaal en in de nacht) op korte termijn vast te leggen. Zowel de inhoud als het proces van de twee besluiten verschillen dus van elkaar.
Vraag 3
Erkent u dat de RvS met de recente uitspraak expliciet heeft
bepaald dat de gedoogsituatie van 500.000 vliegbewegingen met het Nieuwe
Normen- en Handhavingstelsel (NNHS), onrechtmatig als uitgangspunt is
genomen?
Antwoord 3
De Afdeling heeft in de uitspraak van 11 maart 2026 overwogen
dat in deze procedure de rechtmatigheid van het NNHS niet ter
beoordeling staat. De Afdeling heeft wel een oordeel gegeven of wordt
voldaan aan de gelijkwaardige bescherming ten opzichte van het eerste
LVB uit 2004. Voor de onderbouwing dat aan dit wettelijk vereiste is
voldaan, is in de toelichting bij de versnelde LVB-wijziging verwezen
naar een milieuonderzoek dat ten grondslag lag aan de niet vastgestelde
LVB-wijziging voor het NNHS. De Afdeling oordeelt dat, nu dit LVB NNHS
niet is vastgesteld, de verwijzing naar dat milieuonderzoek onvoldoende
onderbouwing is voor de gelijkwaardige bescherming. Aan de voorliggende
LVB-wijziging ligt wel een eigenstandig milieuonderzoek ten
grondslag.
Vraag 4
Welke gevolgen heeft de RvS-uitspraak voor het nu voorliggende
LVB, nu niet de milieuruimte van het LVB-2008 als uitgangspunt is
genomen, maar het Refahh, (500.000 vliegbewegingen + NNHS)? Op welke
juridische adviezen baseert u zich en kunt u die met de Kamer delen?
Antwoord 4
De uitspraak van de Afdeling heeft uitsluitend tot gevolg dat
het besluit van 6 mei 2025 tot wijziging van het LVB is vernietigd. Dit
betekent dat het LVB 2008 blijft gelden zonder dat er (wettelijk) een
maximumaantal vliegtuigbewegingen per gebruiksjaar voor het etmaal en de
nacht geldt. De Afdeling heeft geoordeeld dat onvoldoende is onderbouwd
dat het besluit van 6 mei 2025 tot wijziging van het LVB voldoet aan de
gelijkwaardigheidscriteria. Hieruit volgt dat elk LVB per saldo een
beschermingsniveau moet bieden dat (minimaal) gelijkwaardig moet zijn
aan het beschermingsniveau dat het eerste LVB bood. Ook is onvoldoende
aangetoond dat sprake is van de met het besluit beoogde verbetering van
het beschermingsniveau ten aanzien van het geldend wettelijk kader (LVB
2008). Het gaat hier om een motiveringsgebrek wegens het ontbreken van
een gelijkwaardigheidsonderbouwing. Voor de voorliggende wijziging van
het LVB is een milieueffectrapport (MER) opgesteld, inclusief
gelijkwaardigheidsonderbouwing. De Landsadvocaat heeft een procesadvies
uitgebracht over de gevolgen van de uitspraak. Bij procesadviezen is
actieve openbaarmaking echter niet aan de orde. De Staat heeft namelijk
het recht om zich voor bijstand en advies vertrouwelijk tot een advocaat
te wenden.
Vraag 5
Als de referentiesituatie het LVB-2008 moet zijn, zoals de
Afdeling besloot, wat zijn dan de gelijkwaardigheidscriteria waaraan het
nieuwe LVB moet voldoen?
Antwoord 5
In de MER, dat is opgesteld voor de voorgenomen integrale
wijziging van het LVB, wordt zowel getoetst aan de situatie in het LVB
2008 als aan de situatie onder het anticiperend handhaven en het NNHS,
zie ook de beantwoording van vraag 2. Beide situaties worden getoetst
aan gelijkwaardigheid, zijnde een toets op het beschermingsniveau dat
het voorliggende LVB moet bieden. Dit moet per saldo minimaal
gelijkwaardig zijn aan het beschermingsniveau dat het eerste LVB uit
2004 bood. De gelijkwaardigheidscriteria veranderen dus niet als gevolg
van de keuze van een referentiesituatie.
Vraag 6
Erkent u dat het LVB-2008 de referentie moet zijn? Op welke
juridische adviezen baseert u zich en kunt u die met de Kamer
delen?
Antwoord 6
Zie het antwoord op vraag 2. Uit de uitspraak van de Afdeling
bestuursrechtspraak volgt niet wat de juiste referentiesituatie is. Dat
vraagstuk lag ook niet voor in de zaak over de versnelde LVB-wijziging.
De juridische situatie rond Schiphol is complex met een vigerend LVB
2008, de jarenlange gedoogsituatie van het anticiperend handhaven en
verschillende rechterlijke uitspraken. Om recht te doen aan alle
invalshoeken zijn in het MER beide referenties inzichtelijk gemaakt en
zijn de alternatieven afgezet tegen deze referenties. Daarmee wordt
voorkomen dat bij een later oordeel over de juiste referentiesituatie er
gebreken kunnen bestaan als gevolg van een onjuiste referentie. Voor de
voorliggende integrale LVB-wijziging is in het MER getoetst aan de
situatie in het LVB 2008 en aan de situatie onder het anticiperend
handhaven en het NNHS.
Vraag 7
Als de referentiesituatie het LVB-2008 moet zijn, moet er dan
een nieuw milieurapport gemaakt worden met een nieuwe passende
beoordeling? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 7
Dit is niet aan de orde. Het MER is zowel getoetst aan de
situatie onder het LVB 2008 als aan de situatie onder het anticiperend
handhaven met het NNHS.
Voor de passende beoordeling geldt dat de referentiesituatie in lijn is met de passende beoordeling bij de natuurvergunning uit 2023. In deze passende beoordeling worden twee referentiesituaties gehanteerd, afhankelijk van het betreffende Natura 2000-gebied:
Voor Natura 2000-gebieden aangewezen vóór 2003 wordt uitgegaan van het Aanwijzingsbesluit 2000 (AB2000) met maximaal 460.000 vliegtuigbewegingen met handelsverkeer. Dit is een situatie voor de ingebruikname van de Polderbaan;
Voor Natura 2000-gebieden aangewezen na 2003 wordt uitgegaan van het LVB 2008 en behoort het gebruik van de Polderbaan tot de referentiesituatie. Daarbij geldt dat het gebruik is beperkt tot 480.000 vliegtuigbewegingen met handelsverkeer.
Vraag 8
Kan het nu voorliggende LVB worden aangepast met een gewijzigde
referentiesituatie (LVB-2008), zodat het niet ook sneuvelt bij een
toetsing door de RvS? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 8
Dit is niet aan de orde. Bij het opstellen van de MER is zowel
getoetst aan de situatie onder het LVB 2008 als aan de situatie onder
het anticiperend handhaven met het NNHS.
Vraag 9
Kunt u ingaan op de constatering van To70 van 2023, dat binnen
de milieuruimte van het nog steeds geldende LVB-2008 slechts 400.000 tot
410.000 vliegbewegingen mogelijk zouden zijn? 2) En dat dit aantal de
meest recente aanscherping is van eerdere schattingen van uw
voorganger(s) en van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT)?
Waarom is niet voor dit aantal gekozen als referentiesituatie?
Antwoord 9
Voor de aantallen in de (theoretische) referentiesituatie voor
het LVB 2008, zie ook het antwoord op vraag 2. Dit is echter wel als
uitgangspunt gekozen omdat deze situatie inzicht geeft in de
milieueffecten die optreden in de (theoretische) situatie dat het
huidige gebruik van de luchthaven passend dient te zijn binnen de
grenzen van het vigerend LVB.
Vraag 10
Waarom is voor het tussen-LVB gekozen voor een aantal
vliegbewegingen, in plaats van hinder, terwijl de wet en de
referentiesituatie hinder voorschrijven?
Antwoord 10
De balanced approach-procedure is doorlopen om tot maatregelen te komen die moeten leiden tot het bereiken van de vastgestelde doelstelling voor de bestrijding van geluidshinder. Het besluit van 6 mei 2025 tot versnelde wijziging van het LVB had als voornaamste doel om een van de resultaten van de balanced approach-procedure te verankeren. Met de wijziging werd het maximumaantal vliegtuigbewegingen op het etmaal en in de nacht vastgelegd respectievelijke gewijzigd. Deze twee maatregelen zijn onderdeel van het totale maatregelenpakket. Daarbij was het doel om in ieder geval de lagere capaciteit als slotstuk van de balanced approach-procedure te verankeren.
Vraag 11
Waarom is voor de 'balanced approach'-procedure ervoor gekozen
om de gedoogsituatie van het NNHS als uitgangspunt te nemen en niet het
toen nog geldende LVB-2008, terwijl de rechter inmiddels in de RBV-zaak
had bepaald dat die gedoogsituatie moest worden beëindigd en dus
illegaal was?
Antwoord 11
Voor de balanced approach-procedure is bij de start van de
procedure, eind 2022, een referentiescenario gemaakt met daarin de
verwachte situatie per november 2024. Voor die verwachte situatie op 1
november 2024 is uitgegaan van de maximaal toegestane aantallen onder de
toen toegestane operatie: het anticiperend handhaven op 500.000
vliegtuigbewegingen, waarvan 32.000 in de nacht. Ten opzichte van die
verwachte situatie is het geluidsdoel vastgesteld. Dat sluit ook aan bij
het latere arrest van de Hoge Raad1, waarin wordt geoordeeld
dat de toen voorgenomen experimenteerregeling in combinatie met het
stoppen met anticiperend handhaven leidde tot een afname in capaciteit
ten opzichte van het toegestane aantal vliegtuigbewegingen van
500.000.
Vraag 12
Kunt u ingaan op de uitspraak van de Afdeling dat voor het
handhaven van het wettige LVB 2008 geen 'balanced approach'-procedure
nodig is en dat dit alleen gold voor de experimenteerregeling?
Antwoord 12
De uitspraak van de Afdeling gaat niet in op de vraag wanneer
een balanced approach-procedure moet worden doorlopen. De Afdeling heeft
bij het schetsen van de context een feitelijke verwijzing opgenomen naar
de uitspraak van de Hoge Raad over het stoppen met anticiperend
handhaven en de experimenteerregeling, waarbij wel wordt ingegaan op het
doorlopen van een balanced approach procedure.
Vraag 13
Hoe komen we tot een nieuwe capaciteitsdeclaratie voor de
komende periodes, nu het tussen-LVB met 478.000 vliegbewegingen geen
wettige basis meer heeft? Geldt dan automatisch weer het LVB-2008 met
een capaciteitsdeclaratie gebaseerd op de milieuruimte van het
LVB-2008?
Antwoord 13
Door de vernietiging van de versnelde LVB-wijziging wordt teruggevallen op de gedoogsituatie van het anticiperend handhaven. Zoals in de brief van 31 oktober 2025 aan de Kamer is gemeld, gaat de huidige aanwijzing aan de ILT uit van maximaal 478.000 vliegtuigbewegingen per gebruiksjaar.2 De capaciteitsdeclaratie voor het komende zomerseizoen is reeds vastgesteld. Het kabinet streeft ernaar om de algehele wijziging van het LVB in werking te laten treden met ingang van 1 november 2026. In deze wijziging zal ook het maximumaantal voor het etmaal en in de nacht worden opgenomen. De capaciteitsdeclaratie voor het winterseizoen 2026/2027 wordt gebaseerd op de huidige gedoogsituatie en sluit aan bij de voorgenomen integrale wijziging van het LVB.
Vraag 14
Bent u het ermee eens dat een jaarvolume geluid of Lden’s geen
goede kwantificering voor hinderbeleving is? Hoe wordt voor een nieuw
besluit hinderbeleving betrokken en nieuw gedefinieerd om tot een
gelijkwaardige bescherming te komen? Hoe wordt dit betrokken bij het
vaststellen van aantallen ernstig gehinderden en het politieke doel om
te komen tot 20% minder ernstig gehinderden?
Antwoord 14
In het LVB wordt gekeken naar geluidsbelasting, dit wordt
uitgedrukt in Lden niveaus. Dit betreft een gemiddelde geluidsmaat
gedurende een jaar. Binnen deze contouren wordt gekeken het aantal
gehinderden en slaapverstoorden. Om een aanvullende hinderindicator vast
te leggen is een wetswijziging nodig; de Wet luchtvaart biedt hier op
dit moment geen grondslag voor. Hier wordt aan gewerkt in het kader van
het nieuwe stelsel vliegtuiggeluid. In dit stelsel wordt nagedacht over
een aanvullende hindernorm. Uw Kamer wordt later dit jaar uitvoeriger
geïnformeerd over de inhoudelijke keuzes in het nieuwe stelsel.
Vraag 15
Bent u het ermee eens dat het oordeel van de RvS de juridische
kaders opnieuw heeft vastgesteld en dat het volgen van deze kaders de
snelste weg naar een wettig LVB zal zijn?
Antwoord 15
Nee, de Afdeling heeft uitspraak gedaan in een procedure die is
gestart ten aanzien van het besluit van 6 mei 2025. De Afdeling
bestuursrechtspraak heeft geoordeeld dat dit besluit onvoldoende
gemotiveerd is, maar heeft geen uitspraak gedaan ten aanzien van de
juridische kader van de Wet luchtvaart of deze opnieuw vastgesteld. Met
de uitspraak van de Afdeling zal verder rekening worden gehouden
gedurende het verdere traject met betrekking tot dit LVB.
Vraag 16
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden voor het komende
CD Luchtvaart?
Antwoord 16
Ja.
1) Website Reformatorisch Dagblad, 13 maart 2026, 'Karremans na uitspraak over Schiphol: we moeten door' (www.rd.nl/a/1142007-karremans-na-uitspraak-over-schiphol-we-moeten-door)
2) Website Luchtvaart in de toekomst, 8 februari 2023
(https://www.luchtvaartindetoekomst.nl/site/binaries/site-content/collections/documents/2023/02/16/index/230208+Effecten+beeindigen+anticiperend+handhaven.pdf)
HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1061.↩︎
Kamerstukken II 2025/26, 29665 nr. 579.↩︎