Antwoord op vragen van het lid Ellian over de Arbeidstijdenwet en opschaling van de krijgsmacht
Antwoord schriftelijke vragen
Nummer: 2026D15714, datum: 2026-04-02, bijgewerkt: 2026-04-02 15:56, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: D.G. Boswijk, staatssecretaris van Defensie (Ooit CDA kamerlid)
Onderdeel van zaak 2026Z02307:
- Gericht aan: G.P. Tuinman, staatssecretaris van Defensie
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
AH 1520
Antwoord van staatssecretaris Boswijk (Defensie) (ontvangen 2 april 2026)
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025-2026, nr. 1277
1.
Bent u bekend met het feit dat Defensie bij realistische, meerdaagse en
geïntegreerde oefeningen gebruikmaakt van externe opleiders die
werkzaamheden verrichten die inhoudelijk gelijk zijn aan die van
defensiepersoneel, onder militair gezag plaatsvinden en direct
samenhangen met de operationele gereedheid van eenheden?
Defensie maakt bij opleidingen en oefeningen gebruik van externe opleidingscapaciteit van civiele partijen. Deze opleiders verrichten hun werkzaamheden op basis van civielrechtelijke overeenkomsten met hun werkgever. Zij vallen niet onder militair gezag en zijn geen defensiepersoneel.
2.
In hoeverre herkent u dat de onverkorte toepassing van de
Arbeidstijdenwet in deze situaties kan botsen met realisme, veiligheid
en continuïteit van de opleiding?
Defensie onderkent dat bij intensieve en meerdaagse opleidingen spanning kan ontstaan tussen de gewenste opleidingsrealiteit en de kaders van de Arbeidstijdenwet. Bij de inzet van externe opleiders berust de formele verantwoordelijkheid voor naleving van deze wet bij de betreffende werkgever. Defensie heeft een zorgplicht en moet erop toezien dat de ingehuurde medewerkers niet in strijd met toepasselijke wet- en regelgeving werkzaam zijn. Defensie maakt hierover vooraf duidelijke afspraken met de civiele werkgever en richt opdrachten zodanig in dat zowel operationele doelstellingen als geldende arbeidswetgeving worden gerespecteerd.
3.
Welke ruimte biedt artikel 2:4 van de Arbeidstijdenwet ruimte om de wet
geheel of gedeeltelijk buiten toepassing te verklaren wanneer toepassing
de uitvoering van wettelijke taken belemmert?
Artikel 2:4 van de Arbeidstijdenwet biedt de mogelijkheid om, onder voorwaarden, bepalingen uit de wet geheel of gedeeltelijk buiten toepassing te verklaren voor defensiepersoneel, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van wettelijke taken van Defensie.
4.
Hoe wordt deze bepaling momenteel toegepast ten aanzien van externe
opleiders die in een militair- operationele context
functioneren?
Deze bepaling is uitsluitend van toepassing op defensiepersoneel en wordt niet toegepast op extern ingehuurde opleiders. Voor deze laatste groep medewerkers blijft het civiele arbeidsrechtelijk kader, waaronder de Arbeidstijdenwet, volledig van kracht.
5.
Bent u bereid om te verkennen of een strikt afgebakende ministeriele
regeling op grond van artikel 2:4 ATW mogelijk en wenselijk is, die
uitsluitend ziet op aangewezen opleidingssituaties en externe opleiders
daarin tijdelijk functioneel gelijkstelt aan defensiepersoneel, met
passende waarborgen voor arbeidsomstandigheden, veiligheid en herstel?
Zo ja, kunt u de Kamer over de uitkomsten van deze verkenning zo snel
mogelijk informeren? Zo nee, waarom niet?
Het ligt in de rede dat uitzonderingsbepalingen binnen de Arbeidstijdenwet terughoudend worden toegepast en enkel van toepassing zijn op defensiepersoneel dat onder militair gezag valt. Voor extern ingehuurde opleiders geldt immers het civiele arbeidsrechtelijk kader. Wel herkennen we het vraagstuk. Daarom ben ik bereid met SZW hierover in gesprek te gaan. Ik zal uw Kamer over de uitkomsten informeren.