[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Antwoord op vragen van het lid Teunissen over de Genocidezaak van Zuid-Afrika tegen Israël bij het Internationaal Gerechtshof

Antwoord schriftelijke vragen

Nummer: 2026D15723, datum: 2026-04-02, bijgewerkt: 2026-04-02 15:58, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2026Z04647:

Preview document (🔗 origineel)


AH 1521

2026Z04647

Antwoord van minister Berendsen (Buitenlandse Zaken) (ontvangen 2 april 2026)

Vraag 1

Bent u bekend met de mogelijkheid voor staten om op grond van artikel 63 van het Statuut van het Internationaal Gerechtshof te interveniëren in de procedure die Zuid-Afrika heeft aangespannen tegen Israël inzake het Genocideverdrag?

Antwoord

Ja.

Vraag 2

Klopt het dat staten tot omstreeks 12 maart 2026 nog een interventieverklaring kunnen indienen in verband met de procesplanning van het Hof? Zo ja, beschouwt u dit als een relevant beslismoment voor Nederland?

Antwoord

Ja. De uiterste datum voor indiening van een verklaring tot interventie in deze zaak was 12 maart 2026. Nederland heeft een verklaring tot interventie ingediend op 11 maart 2026.

Vraag 3

Heeft de Nederlandse regering overwogen om gebruik te maken van het recht tot interventie in deze zaak? Zo ja, wanneer is deze afweging gemaakt en welke ministeries waren daarbij betrokken?

Antwoord

Ja, Nederland heeft een verklaring tot interventie ingediend. De uiterste deadline voor indiening van een verklaring tot interventie in deze was 12 maart 2026. In aanloop hiertoe is de afweging gemaakt een verklaring in te dienen. Het ministerie van Buitenlandse Zaken is verantwoordelijk voor het opstellen van dergelijke verklaringen tot interventie. Uw Kamer heeft een brief over dit onderwerp ontvangen op 17 maart 2026.1

Vraag 4

Welke juridische, diplomatieke en politieke overwegingen spelen een rol bij de beslissing om al dan niet te interveniëren?

Antwoord

Voor de beantwoording van deze vraag verwijst het kabinet naar de Kamerbrief over de Nederlandse verklaring tot interventie in de zaak Zuid-Afrika tegen Israël bij het Internationaal Gerechtshof van 17 maart 2026.2

Vraag 5

Deelt u de opvatting dat interventie op grond van artikel 63 primair betrekking heeft op de interpretatie van het Genocideverdrag en niet betekent dat een staat partij kiest in het onderliggende conflict? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijst het kabinet naar de Kamerbrief over de Nederlandse verklaring tot interventie in de zaak Zuid-Afrika tegen Israël bij het Internationaal Gerechtshof van 17 maart 2026.3

Vraag 6

Hoe verhoudt een eventueel besluit om niet te interveniëren zich tot: de verplichting van staten onder het Genocideverdrag om genocide te voorkomen; de Nederlandse inzet voor versterking van de internationale rechtsorde en de bijzondere positie van Nederland als gastland van internationale gerechtshoven?

Antwoord

Het indienen van de verklaring tot interventie is op zichzelf geen invulling van de verplichting tot voorkoming van genocide zoals opgenomen in het Genocideverdrag. Het kabinet beschouwt het van belang dat Nederland bijdraagt aan de consistente en uniforme uitleg van het internationaal recht. Interveniëren in een specifieke zaak kan daaraan bijdragen. Daarnaast acht het kabinet het van belang dat Nederland met deze interventie een bijdrage kan leveren aan een consistente uitleg van het Genocideverdrag, en zijn visie op de reikwijdte van relevante bepalingen kan geven.

Vraag 7

Welke EU-lidstaten hebben inmiddels een interventie ingediend of aangekondigd, en heeft hierover afstemming plaatsgevonden binnen de Europese Unie?

Antwoord

De lijst van staten die een verzoek tot interventie hebben ingediend is te vinden op de website van het Internationaal Gerechtshof. De volgende lidstaten van de Europese Unie hebben een verklaring tot interventie ingediend: België, Hongarije, Ierland, Nederland, en Spanje. Hierover heeft geen inhoudelijke afstemming plaatsgevonden binnen de Europese Unie. Dit laatste is ook niet gebruikelijk.

Vraag 8

Op welke wijze geeft Nederland momenteel invulling aan zijn verplichting om genocide te voorkomen in relatie tot de lopende procedure bij het Internationaal Gerechtshof?

Antwoord

Uit de lopende zaak tussen Zuid-Afrika en Israël vloeien op zichzelf geen verplichtingen tot voorkoming van genocide voort voor Nederland, aangezien Nederland geen partij is bij de zaak.

Vraag 9

Bent u bereid om deze vragen vóór 11 maart te beantwoorden?

Antwoord

De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.


  1. Kamerstuk 23 432 nr. 667↩︎

  2. Kamerstuk 23 432 nr. 667↩︎

  3. Kamerstuk 23 432 nr. 667↩︎