[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Memorie van toelichting

Wijziging van de Wet op het kindgebonden budget en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met het verhogen van het afbouwpercentage voor ouders met een toetsingsinkomen vanaf € 60.000

Memorie van toelichting

Nummer: 2026D15778, datum: 2026-04-01, bijgewerkt: 2026-04-02 19:13, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36923 -3 Wijziging van de Wet op het kindgebonden budget en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met het verhogen van het afbouwpercentage voor ouders met een toetsingsinkomen vanaf € 60.000 .

Onderdeel van zaak 2026Z06992:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Memorie van toelichting

Wijziging van de Wet op het kindgebonden budget en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met het verhogen van het afbouwpercentage voor ouders met een toetsingsinkomen vanaf € 60.000

Inhoudsopgave

I Algemeen 2

1. Inleiding 2

2. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel 2

2.1 Voorgestelde aanpassingen 6

2.2 Doelen 6

2.3 Beleidsinstrument 7

2.4 Nagestreefde doeltreffendheid 7

2.5 Nagestreefde doelmatigheid 8

2.6 Financiële gevolgen voor de maatschappelijke sector 8

2.7 Overwogen alternatieven 8

2.7.1 Eén afbouwpercentage, steilere afbouw 8

2.7.2. Motie Flach/Van der Lee 8

3. Wijziging Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 9

4 Verhouding tot hoger recht 10

4.1 Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM 10

4.2 Artikelen 26 en 27 VN-kinderrechtenverdrag 11

5. Inkomenseffecten 11

6. Financiële gevolgen voor het Rijk 12

7. Caribisch Nederland 12

8. Regeldrukeffecten, waaronder gevolgen voor de burger 12

9. Toetsing en consultatie 14

10. Evaluatie 15

11. Overgangsrecht en inwerkingtreding 15

II Artikelsgewijze toelichting 16


I. Algemeen deel

  1. Inleiding

Tijdens de voorjaarsbesluitvorming 2025 heeft het kabinet een aantal keuzes gemaakt om tegenvallers op te vangen en investeringen te doen, onder meer is de bezuiniging op de kinderopvang voor werkenden teruggedraaid. In het kader van de bredere budgettaire opgave is besloten om het kindgebonden budget gerichter te maken.1 Het kindgebonden budget is een tegemoetkoming van de overheid in de kosten van kinderen voor lagere en middeninkomens. Doel is het bevorderen van de ontplooiingskansen van kinderen en het voorkomen van kinderarmoede. De afgelopen jaren hebben intensiveringen en koopkracht-maatregelen eraan bijgedragen dat de kindbedragen van het kindgebonden budget fors zijn verhoogd. De meest recente verhogingen dateren uit 2025.2 De verhogingen van het kindgebonden budget droegen bij aan de koopkrachtondersteuning voor gezinnen met kinderen en verlaagden de kinderarmoede. Tegelijkertijd ontvangen door die verhogingen ook steeds meer gezinnen die minder aangewezen zijn op deze tegemoetkoming kindgebonden budget. Dat is niet doelmatig. Vanwege de budgettaire opgave van de SZW-begroting wordt het kindgebonden budget weer meer gericht op de oorspronkelijke doelgroep: de lage en middeninkomens. Om dit te bereiken wordt het afbouwpercentage verhoogd voor het toetsingsinkomen vanaf € 60.000 (prijspeil 2024) voor zowel alleenstaanden als toeslagpartners. Dit betekent dat vanaf het toetsingsinkomen van € 60.000 (prijspeil 2024) de aanspraak op kindgebonden budget sneller afbouwt.

Deze toelichting wordt gegeven mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, die beleidsverantwoordelijk is voor de beslagvrije voet.

2. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel

Om het kindgebonden budget gerichter te maken wordt het afbouwpercentage verhoogd vanaf het toetsingsinkomen van € 60.000 (prijspeil 2024).3 Vanaf dit nieuwe afbouwpunt wordt het afbouwpercentage in twee stappen verhoogd met 4,30 procentpunt naar 12,35% in 2027 en naar 12,80% in 2028. Deze snellere afbouw geldt voor paren als ook voor alleenstaande ouders.

Een hoger afbouwpercentage voor het toetsingsinkomen vanaf € 60.000 (prijspeil 2024) zorgt ervoor dat gezinnen met hogere inkomens vanaf 1 januari 2027 een lager bedrag aan kindgebonden budget ontvangen of het recht op kindgebonden budget verliezen. Het hogere afbouwpercentage heeft daarnaast invloed op de marginale druk. De marginale druk geeft aan welk deel van de toename in het bruto-inkomen verloren gaat aan extra belastingen en verlies aan inkomensafhankelijke regelingen zoals het kindgebonden budget. Het hogere afbouwpercentage zorgt ervoor dat voor werkenden met een inkomen vanaf € 60.000 de marginale druk vanaf 2027 stijgt met 4,3 procentpunt. Voor de huishoudens die door de snellere afbouw aanspraak op het kindgebonden budget verliezen, daalt de marginale druk in 2027 en 2028. Gezinnen met een toetsingsinkomen vanaf € 60.000 (prijspeil 2024) komen naast het kindgebonden budget doorgaans alleen nog in aanmerking voor kinderopvangtoeslag; zij hebben daardoor een lagere marginale druk dan gezinnen met een lager inkomen, die ook te maken hebben met de inkomensafhankelijke afbouw van de zorg- en/of huurtoeslag.

In de onderstaande grafieken wordt geïllustreerd wat de introductie van een tweede afbouwpunt in combinatie met een hoger afbouwpercentage structureel betekent voor ouders met een toetsingsinkomen vanaf € 60.000 (prijspeil 2024). Hierbij is het effect op de afbouw van het kindgebonden budget geschetst voor zowel een alleenstaande ouder met twee kinderen (grafiek 1) als een echtpaar met twee kinderen (grafiek 2). Voor alle huishoudens met hogere inkomens zal het recht op kindgebonden budget voortaan eerder volledig zijn afgebouwd. De effecten voor alleenstaanden en paren met één of drie kind(eren) worden in de grafieken drie tot en met zes geïllustreerd.

De grafieken tonen de situatie in lopende prijzen, dat wil zeggen de situatie in 2030. De afbouwgrens in 2030 is geijkt op € 60.000 en geïndexeerd met de voorspelde cumulatieve tabelcorrectiefactor (tcf) voor de periode 2025 t/m 2030. Vandaar dat het tweede afbouwpunt in de grafieken bij een hoger inkomen ligt dan € 60.000.

Grafiek 1: Wet op het kindgebonden budget (WKB) voor alleenstaande ouder met twee kinderen in 2030 zonder (basispad) en met tweede afbouwpunt (variant) bij een toetsingsinkomen vanaf € 60.000 (ter illustratie in lopende prijzen)

Grafiek 2: WKB voor paar met twee kinderen in 2030 zonder (basispad) en met tweede afbouwpunt (variant) bij een inkomen vanaf € 60.000 (ter illustratie in lopende prijzen)

Aanvullend is ook het effect op de inkomensafbouw geschetst voor zowel een alleenstaande ouder (grafiek 3 en 4) als een paar met één of drie kinderen (grafiek 5 en 6).

Grafiek 3: WKB voor alleenstaande ouder met één kind in 2030 zonder (basispad) en met tweede afbouwpunt (variant van voorliggend wetsvoorstel) bij een inkomen vanaf € 60.000 (ter illustratie in lopende prijzen)

Grafiek 4: WKB voor alleenstaande ouder met drie kinderen in 2030 zonder (basispad) en met tweede afbouwpunt (variant van voorliggend wetsvoorstel) bij een inkomen vanaf € 60.000 (ter illustratie in lopende prijzen)

Grafiek 5: WKB voor een paar met één kind in 2030 zonder (basispad) en met tweede afbouwpunt (variant van voorliggend wetsvoorstel) bij een inkomen vanaf € 60.000 (ter illustratie in lopende prijzen)

Grafiek 6: WKB voor een paar met drie kinderen in 2030 zonder (basispad) en met tweede afbouwpunt (variant van voorliggend wetsvoorstel) bij een inkomen vanaf € 60.000 (ter illustratie in lopende prijzen)

2.1. Voorgestelde aanpassingen

Met dit wetsvoorstel stelt het kabinet twee aanpassingen van het kindgebonden budget voor. Deze aanpassingen worden toegepast na doorvoering van de beleidsmatige aanpassingen die volgen uit het Belastingplan 20254 en de reguliere indexering, met 1 januari 2027 als beoogde inwerkingtredingsdatum. Het gaat om de volgende aanpassingen:

  1. Het introduceren van een tweede afbouwpunt voor ouders van het (gezamenlijk) toetsingsinkomen vanaf € 60.000,- (prijspeil 2024);

  2. Een verhoging van het afbouwpercentage vanaf dit tweede afbouwpunt geleidelijk oplopend van 8,05% naar 12,35% in 2027 naar 12,80% in 2028.

De bovenstaande aanpassingen in het kindgebonden budget vinden plaats nadat het tweede afbouwpunt vanaf een toetsingsinkomen van € 60.000,- (prijspeil 2024) is geïndexeerd met de tcf en nadat de afbouwpercentages van het kindgebonden budget in de jaren 2025 en 2026 beleidsmatig zijn aangepast.5 In tabel 1 is dit terug te zien dat het eerste inkomensafbouwpercentage ook structureel van toepassing blijft. Voor toetsingsinkomen tot

€ 60.000,- (prijspeil 2024).

Indexering gebeurt jaarlijks, op basis van artikel 3, eerste lid, van de wet. Van deze indexering doet de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid mededeling in de Staatscourant. Een en ander is in tabel 1 schematisch weergegeven. Daarbij is voor de verwachte indexatie van de wet in de periode 2026 tot en met 2028 gebruik gemaakt van de (voorlopige) prognoses uit de Macro Economische Verkenning 2025 van het CPB.

Tabel 1: Overzicht (voorlopige) inkomensafbouwpunten en afbouwpercentages WKB in de periode 2025 t/m 2028 (in lopende prijzen)

WKB-parameters 2025 2026 2027 2028
1e Inkomensafbouwgrens alleenstaanden 28.406 29.736 30.887 31.999
1e Inkomensafbouwgrens paren 37.545 39.141 40.528 41.862
1e Inkomensafbouwpercentage 7,10% 7,60% 8,05% 8,50%
2e Inkomensafbouwpunt alleenstaanden - - 64.044 65.518
2e Inkomensafbouwpunt paren - - 64.044 65.518
2e Inkomensafbouwpercentage - - 12,35% 12,80%

Tabel 1 toont de (voorlopige) ontwikkeling van de inkomensafbouwpunten- en percentages, naar de beoogde bedragen per 2028 als gevolg van de reguliere indexering, de geleidelijke oploop van het bestaande afbouwpercentage uit de wetswijziging intensivering van het kindgebonden budget in verband met koopkrachtondersteuning in 2025 en de beleidsmatige mutaties die onderdeel uitmaken van het onderhavige wetsvoorstel.

Het is de verwachting dat als gevolg van dit wetsvoorstel structureel ongeveer 340.000 ouders met een toetsingsinkomen vanaf € 60.000 (prijspeil 2024) gemiddeld op jaarbasis circa € 670,- minder aan kindgebonden budget ontvangen. Verder is het de verwachting dat als gevolg van het hogere afbouwpercentage structureel circa 114.000 ouders het recht op kindgebonden budget volledig verliezen. Deze groep huishoudens verliest jaarlijks gemiddeld naar verwachting circa € 675 aan kindgebonden budget. Het overgrote deel van de ouders die door de maatregelen getroffen worden zijn paren.

2.2 Doelen

Ter dekking van de per saldo tegenvaller op de SZW-begroting heeft het kabinet in het voorjaar 2025 besloten een aanpassing te doen aan het kindgebonden budget.6 De maatregel levert vanaf 2027 een structurele besparing op van circa € 300 miljoen op jaarbasis.

Deze budgettaire opgave heeft geleid tot invulling van de beleidsmatige wens om het kindgebonden budget gerichter te maken. De afgelopen jaren zijn de kindbedragen fors verhoogd. De meest recente verhogingen dateren uit 2025 waarbij de kindbedragen over de jaren 2025 tot en met 2028 stapsgewijs verhoogd worden. Door die verhogingen is het kindgebonden budget bij een steeds hoger inkomen volledig afgebouwd. Hierdoor ontvangen steeds meer gezinnen met een hoger inkomen recht op kindgebonden budget, ondanks zij minder aangewezen zijn op deze tegemoetkoming.

Bij gebrek aan een eenduidige definitie van wat een middeninkomen is, dat is tenslotte een politieke term, zijn referentiekaders gebruikt zoals de Nibud-normen en de kostendekkendheid van de kindregelingen die door het CBS en in het kader van de periodieke beleidsevaluaties worden berekend. Daarnaast kan, ondanks het gebrek aan een eenduidige definitie, aangenomen worden dat een huishouden met een (gezamenlijk) toetsingsinkomen boven de € 100.000 als een huishouden met een hoog, zij het hoger, inkomen beschouwd worden.

Onderstaande grafiek illustreert de ontwikkeling van het kindgebonden budget over de tijd. In 2021 was het kindgebonden budget voor een paar met twee kinderen volledig afgebouwd bij een toetsingsinkomen van circa € 55.000. In 2025 is dat opgelopen tot bijna € 110.000. Bij alleenstaande ouders (vanwege de alleenstaande ouderkop) en bij meer en oudere kinderen is het kindgebonden budget bij een nog hoger inkomen pas afgebouwd.7 Deze ontwikkeling is aanleiding geweest om tijdens de voorjaarsbesluitvorming 2025 te kiezen om het kindgebonden budget weer meer te richten op de lage en middeninkomens.

Ontwikkeling WKB voor paar met twee kinderen in de periode 2021-2025

2.3. Beleidsinstrument

De kindbedragen in het kindgebonden budget zijn in de afgelopen jaren meermaals verhoogd, waardoor een substantieel deel van het kindgebonden budget inmiddels ook terechtkomt bij huishoudens die vanuit financieel oogpunt minder aangewezen zijn op deze tegemoetkoming. Dat maakt het kindgebonden budget niet doelmatig. Met dit wetsvoorstel wordt het kindgebonden budget meer gericht op de oorspronkelijke doelgroep, de lage inkomens en (lage) middeninkomens, door de introductie van een snellere afbouw vanaf het tweede afbouwpunt op

€ 60.000 met een afbouwpercentage dat geleidelijk oploopt naar cumulatief 12,80% per 2028.

2.4. Nagestreefde doeltreffendheid

Het doel van het tweede afbouwpercentage is om een tegenvaller op de SZW-begroting te dekken waarmee tegelijkertijd aan de beleidswens tegemoet wordt gekomen om het kindgebonden budget weer meer te richten op de oorspronkelijke doelgroep: de lage en middeninkomens. Het aandeel kinderen onder de armoedegrens wijzigt niet door dit wetsvoorstel. De doeltreffendheid van het kindgebonden budget wijzigt niet, omdat de opbouw van de kindbedragen ongewijzigd blijft: het totale bedrag aan kindgebonden budget dat een huishouden ontvangt, blijft afhangen van het aantal kinderen en hun leeftijd, het huishoudtype, de hoogte van het inkomen en het eventueel aanwezig vermogen.

2.5 Nagestreefde doelmatigheid

Door bij hogere inkomens het kindgebonden budget sneller af te bouwen wordt het kindgebonden budget doelmatiger, meer gericht op de lagere en middeninkomens. Dit levert een besparing op van € 300 miljoen op de Wkb-uitgaven. Hierdoor wordt overheidsgeld efficiënter besteed.

2.6. Financiële gevolgen voor de maatschappelijke sector (begunstigden)
Per saldo daalt het aantal huishoudens met recht op kindgebonden budget. Door de introductie van een snellere afbouw van het kindgebonden budget bij een toetsingsinkomen vanaf € 60.000 met een afbouwpercentage dat cumulatief geleidelijk oploopt naar 12,80% per 2028 wordt het kindgebonden budget gerichter, waardoor huishoudens met een relatief hoger inkomen geen of minder recht (meer) hebben op kindgebonden budget.

Tabel 2: Impact maatregelen onderhavige wetsvoorstel op de omvang van de WKB-populatie

2027 2028 2029 2030
Aantal huishoudens totaal -113.000 -107.000 -109.000 -114.000

2.7. Overwogen alternatieven

2.7.1 Steilere afbouw

Het kabinet heeft ook gekeken naar het steiler laten afbouwen van het afbouwpercentage in plaats van een tweede afbouwpercentage. Deze optie kent echter te veel negatieve effecten om als redelijk alternatief te kunnen dienen. In de eerste plaats zorgt het voor een ongewenste cumulatie met de reeds voorgenomen verhoging van het bestaande afbouwpercentage uit het Belastingplan 2025. Een generiek steilere afbouw vanaf het bestaande afbouwpunt zorgt daarnaast voor een sterkere samenloop met de inkomensafhankelijke afbouw van de huurtoeslag en de zorgtoeslag. Tezamen zou dit zorgen voor een hogere marginale belastingdruk voor een grotere groep huishoudens. Ook pakt deze optie negatief uit voor huishoudens met een beperktere draagkracht doordat terugvorderingen zowel in aantal als omvang voor deze groep zouden toenemen.

2.7.2 Motie Flach/van der Lee

Het kabinet heeft in de keuze voor de vormgeving van het tweede afbouwpunt ook de motie Flach c.s.8 uitvoerig gewogen. Via deze motie is het kabinet opgeroepen om te onderzoeken of er mogelijkheden zijn om het extra afbouwpunt te verschuiven naar een hoger toetsingsinkomen dan

€ 60.000 (prijspeil 2024). Dit met als doel om te voorkomen dat (hogere) middeninkomens er als gevolg van de maatregel op achteruit gaan.

In het kader van deze motie zijn diverse varianten overwogen. Te weten het verhogen van het tweede afbouwpunt in combinatie met het verhogen van het afbouwpercentage en/of het verder verlagen van de vermogensgrenzen in het kindgebonden budget.9 Zie onderstaand de varianten die hiervoor in beeld zijn gebracht, alle onderstaande varianten zijn structureel budgetneutraal vormgegeven:

Tabel 3: Varianten motie Flach c.s. - verhogen afbouwpunt tweede in combinatie met een hoger afbouwpercentage

Afbouwgrens tweede afbouwpunt (in prijzen ’24) Afbouwpercentage tweede afbouwpunt (marginaal)
€ 60.000 (basispad) 12,80%
€ 65.000 14,65%
€ 70.000 17,90%
€ 75.000 24,60%
€ 80.000 46,00%

Tabel 4: Varianten motie Flach c.s. - verhogen tweede afbouwpunt in combinatie met een verdere verlaging van de vermogensgrenzen in het kindgebonden budget

Tweede afbouwpunt (in prijzen ’24) Vermogensgrenzen – basispad (structureel, in prijzen ’24) Verdere verlaging vermogensgrenzen (in prijzen ‘24) Vermogensgrenzen - variant (structureel, in prijzen ’24)
alleenstaand paar alleenstaand paar
€ 60.000 (basispad) € 112.972 € 150.059 n.v.t. € 112.972 € 150.059
€ 65.000 € 112.972 € 150.059 - € 30.000 € 82.972 € 120.059
€ 70.000 € 112.972 € 150.059 - € 44.800 € 68.172 € 105.259
€ 75.000 € 112.972 € 150.059 - € 51.500 € 61.472 € 98.559
€ 80.000 € 112.972 € 150.059 - € 57.500 € 55.472 € 92.559

Een hoger afbouwpunt, en daarmee een hoger afbouwpercentage zorgt snel voor een aanzienlijk hogere marginale druk voor de groep met een inkomen boven het tweede afbouwpunt. Bij een afbouwpunt van € 80.000 bereikt de afbouw 46%, waardoor huishoudens (i.c.m. de afbouw van de arbeidskorting en het toptarief) uit kunnen komen op een marginaal tarief boven de 100%.

Het kabinet vindt een verdere verlaging van de vermogensgrenzen ook niet wenselijk, omdat dit kan leiden tot meer hoge terugvorderingen doordat het hele recht op de toeslag vervalt. Parallel aan dit wetsvoorstel is een ander wetsvoorstel in voorbereiding dat effect heeft op het kindgebonden budget: het wetsvoorstel vereenvoudiging partnerbegrip toeslagen, met eveneens een beoogde inwerkingtredingsdatum op 1 januari 2027. 10 Dat voorstel wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) waarmee een aantal belangrijke knelpunten opgelost worden. Een van de knelpunten is het criterium samengestelde gezinnen waardoor mensen onbedoeld toeslagpartner van elkaar worden. Als gevolg daarvan ontvangen alleenstaande ouders geen alleenstaande ouderkop. Om aan hun feitelijke leefsituatie tegemoet te komen, ontvangen zij bij inwerkingtreding alsnog alleenstaande ouderkop. Deze wetswijziging wordt onder andere gedekt door een verlaging van de vermogensgrens van het kindgebonden budget. Een verdere verlaging van de vermogensgrenzen zorgt voor een aanzienlijk strengere norm voor vermogen dan voor inkomen in het kindgebonden budget. Hierdoor kunnen huishoudens met een laag inkomen en een vermogen dat (op de peildatum) boven de vermogensgrens ligt geen kindgebonden budget krijgen, terwijl huishoudens met een hoog inkomen en een laag vermogen wel kindgebonden budget ontvangen. De groep met een hoog inkomen heeft echter op de langere termijn juist een hogere draagkracht.

In de huidige situatie heeft een alleenstaande ouder met drie kinderen tot een inkomen van circa

€ 180.000 en een paar met drie kinderen van ongeveer € 150.000 in 2030 recht op kindgebonden budget. Als een verhoging van het afbouwpunt naar € 70.000 zou worden gedekt met een verlaging van de vermogensgrenzen dan zouden de vermogensgrenzen uitkomen op circa € 70.000 voor alleenstaanden en € 105.000 voor paren, dit zijn lagere bedragen dan het inkomen waarop nog recht op kindgebonden budget kan bestaan.

Daarnaast komt de vermogensgrens van het kindgebonden budget bij een verdere verlaging dichter bij de vermogensgrens in de huurtoeslag te liggen, wat het risico vergroot dat huishoudens beide vermogensgrenzen overschrijden en een terugvordering krijgen op zowel de huurtoeslag als het kindgebonden budget. Bij een aantal varianten komt de vermogensgrens uit onder het heffingsvrij vermogen in box 3, hetgeen onwenselijk is.

De gekozen oplossing, een tweede afbouwpunt vanaf € 60.000 (prijspeil 2024), acht de regering daarom de meest evenwichtige oplossing voor het bereiken van de doelen, waarbij de marginale druk voor de huishoudens beperkt oploopt.

3. Wijziging Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

De beslagvrije voet beoogt te waarborgen dat een schuldenaar bij beslag of verrekening kan blijven voorzien in de noodzakelijke kosten van bestaan. Om te voorkomen dat alleenstaande ouders en gehuwden11 met een of meer kinderen door het extra afbouwpercentage op het kindgebonden budget een lagere beslagvrije voet ontvangen, wordt voorgesteld deze extra afbouw gespiegeld over te nemen in de berekening van de beslagvrije voet overeenkomstig artikel 475da van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).

Daartoe wordt de extra afname van het recht op kindgebonden budget, zoals die volgt uit het voorgestelde artikel 2a van de WKB in de formule voor de berekeningswijze van de beslagvrije voet, opgenomen in artikel 475da, tweede lid, onderdelen b en d, Rv, waardoor de beslagvrije voet voor deze specifieke huishoudens niet lager uitvalt. Om dit te bereiken worden twee onderdelen aan de formule toegevoegd, namelijk m, dat staat voor het extra afbouwpunt in het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 2a, WKB. Dit wordt vanaf 2024 tot en met 2027 geïndexeerd met de tcf. Daarnaast wordt in de formule de letter n toegevoegd, dat staat voor het extra afbouwpercentage genoemd in artikel 2a, WKB. Deze aanpak waarborgt dat de beslagvrije voet steeds in overeenstemming blijft met de jaarlijkse indexatie van het toetsingsinkomen en de toekomstige aanpassingen aan het extra afbouwpercentage volgt.

4. Verhouding tot hoger recht

4.1 Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM

Op grond van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP EVRM) en artikel 17 van het EU-Handvest van de grondrechten (EU-Handvest) heeft iedereen recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Het kindgebonden budget kan als eigendomsrecht, zoals beschermd door artikel 1 EP EVRM en artikel 17 EU-Handvest, aangemerkt worden. In dat kader moet worden beoordeeld of de inmenging in het eigendomsrecht/kindgebonden budget gerechtvaardigd is door het te onderwerpen aan de toets van artikel 1 van het EP EVRM en artikel 17 van het EU-Handvest.12

Inmenging in het eigendomsrecht kan bestaan uit ontneming of regulering. De grens daartussen bakent het EHRM niet scherp af. In veel gevallen laat het EHRM de vraag of het ontneming dan wel regulering betreft rusten. Regulering kan neerkomen op ontneming wanneer geen zinvol gebruik van de eigendom/eigendomsbestanddelen resteert. De ontneming van eigendom kan rechtens zijn (onteigening), maar ook feitelijk. Naarmate een inmenging verder strekt zullen aan de rechtvaardiging hogere eisen worden gesteld. Voor de vraag of van een inmenging sprake is, hanteert het EHRM een kernrechtbenadering: wordt een uitkeringsaanspraak ontzegd of gereduceerd op een zodanige wijze dat het wezen («the essence») van het uitkeringsrecht wordt aangetast, dan komt dit neer op een inbreuk op het eigendomsrecht.13

Het EHRM laat aan de verdragsstaten, afhankelijk van het recht in kwestie, bij de beperking een beoordelingsmarge, de «margin of appreciation». Bij een inmenging in het recht op eigendom wordt voor de vraag of daarbij sprake is van een legitiem doel in het kader van het algemeen belang gewoonlijk een zeer ruime beoordelingsmarge gelaten aan de verdragsstaten, in het bijzonder bij sociale doelstellingen en het benoemen van de middelen om die doelstelling(en) te bereiken. Zolang dat beleid niet evident onredelijk is en de wijzigingen geen onevenredig zware last (“an individual and excessive burden”) voor de belanghebbende vormen, is er geen sprake van schending van het verdragsrecht. Voor het treffen van een «fair balance» bij de inmenging op het recht op eigendom wordt de verdragsstaten eveneens een beoordelingsmarge gelaten. Daarvoor is van belang dat de wettelijke maatregel niet een kennelijk onredelijk doel dient en dat een legitieme doelstelling in het kader van het algemeen belang is aangevoerd. Omdat daarin door het EHRM een grote mate van beleidsvrijheid wordt gelaten aan de verdragsstaten, met name bij het realiseren van sociale doelstellingen, komt de nadruk onvermijdelijk te liggen op de vraag of een eerlijk en rechtvaardig evenwicht («fair balance») is getroffen tussen het te bereiken doel en het gekozen middel.14

Volgens de regering moet geen verdere financiële ondersteuning worden geboden dan noodzakelijk en gerechtvaardigd is. In het kader van de noodzaak om alle publieke middelen zo efficiënt mogelijk in te zetten, is het niet wenselijk en niet rechtvaardig om ouders met kinderen in de hogere inkomensgroepen, een relatief hogere tegemoetkoming in de kosten voor kinderen te blijven verstrekken. Het wetsvoorstel is dan ook noodzakelijk en staat in evenredige verhouding tot het doel. Dit doel moet worden aangemerkt als een legitiem doel. Het betreft een uitkering binnen het kader van de sociale zekerheid, waarbij de regering een grote beoordelingsvrijheid heeft. Daarnaast speelt mee dat het kindgebonden budget betaald wordt uit de algemene middelen; het efficiënt inzetten van deze middelen is in het algemeen belang. Er bestaat een ‘fair balance’ tussen de hoogte van het kindgebonden budget en de tegemoetkoming in de kosten van de kinderen bij de verschillende inkomensgroepen.15 Daarnaast is van belang dat de Dienst Toeslagen de verlaging van het kindgebonden budget geruime tijd van te voren zal bekendmaken zodat ouders in de hogere inkomensgroepen hierop kunnen anticiperen. Van een ‘individual and excessive burden’ is dan ook geen sprake. Er bestaat geen alternatief of een minder ingrijpende maatregel dan dit wetsvoorstel om hetzelfde resultaat te kunnen bereiken. Bovendien geeft het eigendomsrecht geen recht op een uitkering van een bepaalde hoogte en zal bij de invoering van dit wetsvoorstel geen afbreuk worden gedaan aan de essentie van het kindgebonden budget.16 De introductie van een hoger afbouwpercentage vanaf een toetsingsinkomen van € 60.000 (prijspeil 2024) raakt niet aan de essentie van het kindgebonden budget dat beoogt om ouders met een lager of (lage) middeninkomen te ondersteunen in de kosten van kinderen. Er wordt vanuit gegaan dat de getroffen hoogste inkomensgroepen die minder of geen aanspraak meer op kindgebonden budget kunnen maken, de kosten van hun kinderen zelfstandig kunnen dragen.

Aan de hand van het voorgaande kan worden gesteld dat de beperking van het mogelijke eigendomsrecht respectievelijk de verlaging of verlies van het kindgebonden budget in dit wetsvoorstel de toets doorstaat en verenigbaar is met artikel 1 van het EP EVRM.17 Hetzelfde geldt voor artikel 17 van het EU Handvest.

4.2 Artikelen 26 en 27 VN-kinderrechtenverdrag

Dat een ouder of ouders met een inkomen vanaf € 60.000 de primaire levensbehoeften van kinderen zelfstandig kunnen dragen is ook van belang bij een toets aan het VN-kinderrechtenverdrag. De artikelen 26 en 27 van dat verdrag beschermen de aanspraak op sociale voorzieningen en een toereikende levensstandaard.18 Die toereikende levensstandaard omvat in ieder geval voeding, kleding en huisvesting.19 Het wetsvoorstel tast deze norm niet aan.

5. Inkomenseffecten

De inkomenseffecten van de maatregelen uit deze wetswijziging zijn zichtbaar in tabel 5, waarin enkel ontvangers van het kindgebonden budget zijn meegenomen.

Tabel 5: Inkomenseffecten voor WKB-ontvangers

Inkomenseffect Aantal huishoudens met effect Totaal aantal huishoudens
Alle huishoudens -0,8% 480.00020 8.130.000
Inkomensgroep
1e (<=106% wml) - 0 1.630.000
2e (106-172% wml) - 0 1.630.000
3e (172-256% wml) -0,3% 70.000 1.630.000
4e (256-378% wml) -0,9% 290.000 1.630.000
5e (>378% wml) -1,1% 120.000 1.630.000
Inkomensbron
Werkenden -0,8% 470.000 5.300.000
Uitkeringsgerechtigden -0,4% 10.000 590.000
Gepensioneerden - 0 2.160.000
Huishoudtype
Tweeverdieners -0,8% 430.000 4.000.000
Alleenstaanden -0,8% 30.000 3.860.000
Alleenverdieners -0,6% 10.000 270.000
Kinderen
Met kinderen -0,8% 480.000 1.780.000
Zonder kinderen - 0 4.230.000

Tabel 6 laat het geïsoleerde effect zien van de wetswijziging voor de (kinder-)armoedecijfers. De maatregel heeft geen effect op deze cijfers.

Tabel 6. Geïsoleerde effect WKB-maatregelen uit deze wetswijziging op personen en kinderen in armoede

Effect personen in armoede (%-punt) Effect kinderen in armoede (%-punt)
Maatregelen WKB uit deze wetswijziging 0,0% 0,0%

6. Financiële gevolgen voor het Rijk

De introductie van een snellere afbouw van het kindgebonden budget vanaf het tweede afbouwpunt vanaf 2027 leidt tot een structurele opbrengst van circa € 300 miljoen op jaarbasis. Deze opbrengst is via de 1e suppletoire begroting 2025 verwerkt in de SZW-begroting 2026.

Tabel 7: Budgettaire effecten (bedragen in constante prijzen 2024)

Bedragen in € mln. 202621 2027 2028 2029 2030 Struc.
WKB -25 -304 -291 -296 -300 -300

7. Caribisch Nederland

Het kabinet wil de bestaanszekerheid en de voorzieningen in Caribisch Nederland verbeteren. Dat doen we samen met Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Volgens het principe van ‘comply or explain’ wordt Caribisch Nederland bij nieuwe wet- en regelgeving meegenomen, tenzij er redenen zijn om dat niet te doen. Caribisch Nederland kent geen kindgebonden budget. Daarmee heeft de in dit wetsvoorstel voorgestelde maatregel geen betrekking op Caribisch Nederland. De mogelijkheid om een inkomensafhankelijke kindregeling in Caribisch Nederland te introduceren wordt thans verkend.

8. Regeldrukeffecten, waaronder gevolgen voor burgers

Adviescollege toetsing regeldruk

In de versie van het wetsvoorstel dat aan de Raad van State voorgelegd is, stond dat het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) geen mandaat had om zich over dit voorstel uit te laten. Die aanname was onjuist en is gerepareerd in het huidige wetsvoorstel.

Het College heeft in oktober 2025 naar het wetsvoorstel gekeken en geadviseerd om het voorstel niet in te dienen. Volgens het ATR werd in het wetsvoorstel onvoldoende toegelicht dat met het verhogen van het afbouwpercentage het kindgebonden budget doelmatiger wordt, en hoe zich dat verhoudt tot de beoogde bezuiniging. Daarnaast stelde het ATR voor om omwille van de eenvoud één afbouwpad te overwegen met een generiek hoger afbouwpercentage in plaats van twee afbouwpercentages zoals nu in het wetsvoorstel staat. Tot slot werd geadviseerd om een doenvermogentoets uit te voeren, als ook de regeldruk te berekenen.

De adviezen van het ATR zijn opgevolgd en verwerkt. Zo zijn in paragraaf 2.1 de doelen van het wetsvoorstel uitgebreider toegelicht en is meer duidelijkheid gegeven over hoe de noodzaak om te bezuinigen samenvalt met de beleidswens om het kindgebonden budget weer meer op de oorspronkelijke doelgroep te richten en daarmee doelmatiger te maken. Het voorstel van het ATR om één afbouwpad te hanteren dat steiler afbouwt mee te wegen, was niet opgenomen in de overwegingen omdat de negatieve gevolgen voor de hele populatie van de wet op het kindgebonden budget evident zijn. Waarom die optie geen soelaas biedt wordt toegelicht in paragraaf 2.7.1. Op grond van het advies is verder de motivatie met betrekking tot regeldruk voor de ouders en de effecten op hun doenvermogen uitgebreid.

Naar aanleiding van de wijzigingen op grond van hun advies, heeft het ATR in maart 2026 een aanvullende zienswijze uitgebracht. Het college constateert daarbij dat de onderbouwing van het voorstel op alle punten sterk verbeterd is. Het heeft geen aanvullende opmerkingen meer.

Doenvermogen ouders

Dat een tweede afbouwpercentage geïntroduceerd wordt betekent dat ouders met een toetsingsinkomen van boven € 60.000 (prijspeil 2024) of minder kindgebonden budget ontvangen, of hun aanspraak geheel verliezen. In totaal zal de groep ouders met aanspraak op kindgebonden budget met ongeveer 10 % afnemen. Het gaat daarbij om de hoogste inkomens met een inkomen aan het einde van het huidige afbouwpad en die door recente verhogingen van het kindgebonden budget aanspraak hebben gekregen op kindgebonden budget.

Deze belanghebbenden hoeven hiervoor geen extra handeling te verrichten. De wijziging van de kindbedragen wordt automatisch berekend en in december verwerkt in de voorschotbeschikkingen. Dit vergt niets van het doenvermogen van ouders. In de systematiek van toeslagen is het de verantwoordelijkheid van de rechthebbende om zelf inkomenswijzigingen door te geven, waardoor het voorschot van toeslagen kan worden aangepast en/of een terugvordering in de voorschotfase kan ontstaan. Het doorgeven van wijzigingen in het inkomen vraagt wel wat van het doenvermogen van de belanghebbende, maar dit wetsvoorstel heeft op dat vlak geen gevolgen. De Dienst Toeslagen zal zich inspannen om hier duidelijk over te communiceren om zoveel mogelijk terugvorderingen te voorkomen. De wijziging in de aanspraak wordt tijdig onder de aandacht gebracht, en zijn onderdeel van lopende voorlichtingcampagnes. Op de website van Dienst Toeslagen wordt toegelicht wanneer er wel of geen recht op kindgebonden budget bestaat.

Met het voorgestelde hogere afbouwpercentage neemt wel de impact toe van inkomens-veranderingen, waardoor het belang toeneemt dat mensen voldoende in staat zijn om hun verplichtingen na te komen. Behalve de hiervoor genoemde voorlichting, ziet het kabinet geen mogelijkheden om in dit wetsvoorstel aanvullende maatregelen te nemen om het gemakkelijker te maken voor mensen. Zolang het kindgebonden budget inkomensafhankelijk is en uitgaat van het actuele inkomen, zijn mensen gehouden hun inkomenswijzigingen door te geven om de rechtmatigheid van alle toekenningen te kunnen verzekeren. Er is dus een vergaande vereenvoudiging van de wetgeving nodig om daar een betekenisvolle verandering in te kunnen doorvoeren. Het minder complex maken van het kindgebonden budget is het onderwerp van andere trajecten zoals ‘toekomst kindregeling’, de voorgenomen één-kindregeling22 en hervorming toeslagenstelsel, maar dat ligt buiten de scope van dit wetsvoorstel.

Regeldrukeffecten

De wetswijziging heeft zeer beperkte gevolgen voor de administratieve lasten voor burgers. Deze lasten zijn berekend op grond van het Handboek Meting Regeldrukkosten.23

Als ouders in december de eerste voorschotbeschikking ontvangen waarmee het nieuwe kindbedrag gecommuniceerd wordt, zal de respons het hoogst zijn. Verwacht wordt dat naar aanleiding van het nieuwe afbouwpercentage er 40.500 keer wordt gebeld met de BelastingTelefoon, waarbij de gemiddelde gesprekstijd ongeveer 10 minuten is, en voor de kennisname van het nieuwe kindbedrag 2 minuten gerekend wordt. Bij elkaar genomen leidt dit tot een beperkte incidentele regeldrukverzwaring voor burgers. Uitgaande van een uurtarief van € 17 zijn de kosten voor de ouder op grond handelingen die 12 minuten aan tijd kosten, in totaal € 3.40 euro kwijt voor het inwinnen van aanvullende informatie. De kosten van de totale verwachte regeldruk voor 40.500 telefonische contacten is € 137.700. Hierbij is geen rekening gehouden met eventuele terugbetalingen (zoals door het niet tijdig doorgeven van wijzigingen in het inkomen) of eventueel ingediende bezwaren. Die zullen met de bestaande capaciteit opgevangen kunnen worden.

Tegenover deze incidentele regeldruk staat een structurele afname van regeldruk doordat de kring van rechthebbenden op kindgebonden budget kleiner wordt. Voor iedereen die na de introductie van het hogere afbouwpercentage voor hogere inkomens het recht op kindgebonden budget verliest, vervallen immers ook alle informatieverplichtingen.

De aanpassing van de formule van de beslagvrije voet in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt uitsluitend toegepast indien en voor zover het toetsingsinkomen leidt tot de extra afname van het recht op kindgebonden budget, zoals beschreven in artikel 2a van de Wet op het kindgebonden budget. Voor huishoudens met een inkomen lager dan € 60.000 (prijspeil 2024), waarbij geen extra versnelde afbouw van het kindgebonden budget plaatsvindt, blijft de berekening van de beslagvrije voet ongewijzigd.

Deze wijziging is voorgelegd aan partijen die beslagleggen of een verrekening toepassen. Deze partijen zien geen bijzondere complexiteit in deze wijziging. De regeldruk zal niet toenemen en er worden geen extra kosten gemaakt door uitvoeringspartijen. Er moeten alleen een aantal normwaarden worden toegevoegd en de rekenregel moet worden aangepast. De Belastingdienst/Dienst Toeslagen heeft met een impactanalyse onderzocht wat voor impact deze wijziging zal hebben op hun uitvoeringspraktijk. In hun oordeel hebben ze aangegeven dat deze wijziging uitvoerbaar is. Burgers hoeven zelf geen actie te ondernemen.

9. Toetsing en consultatie

Dienst Toeslagen

De Dienst Toeslagen heeft een uitvoeringstoets uitgevoerd op het onderhavige wetsvoorstel. De voorgestelde wetswijziging is uitvoerbaar, mits wordt geaccepteerd dat er een vergrote kans is op (hoge) terugvorderingen door een steilere afbouw. Dat staat haaks op de doelstelling van Dienst Toeslagen. De overgang gaan burgers merken, maar daarna worden geen grote effecten verwacht. De verwachting is dat de populatie die terugvorderingen ontvangt na twee jaar kleiner is, maar dat de hoogte van de terugvordering wel hoger kan zijn gezien de hogere inkomensgevoeligheid.

Het wetsvoorstel heeft verder geen effect op handhaafbaarheid en fraudebestendigheid. De nodige systeemaanpassingen kunnen tijdig uitgevoerd worden en het risico op procesverstoringen is klein.

Sociale Verzekeringsbank (SVB)

Het recht op en de hoogte van het kindgebonden budget is voor de SVB van belang in geval van samenloop met een buitenlandse gezinsuitkering van dezelfde aard. De SVB voert in dat geval de anticumulatiebepalingen uit Verordening (EG) nr. 883/200424 uit waarbij de SVB na anticumulatie naast de kinderbijslag, het kindgebonden budget uitbetaalt.

De SVB verwacht geen tot zeer beperkte impact van dit wetsvoorstel op de uitvoering van de SVB en daarmee uitvoerbaar. Een uitvoeringstoets is niet noodzakelijk. De SVB verwijst daarvoor naar de uitvoeringstoets met betrekking tot wijzigingen van de kindbedragen in de wet van het kindgebonden budget van 12 september 2023, waarin staat beschreven hoe die wijzigingen doorwerken naar de uitvoering van de SVB. Het wetsvoorstel over de snellere afbouw vanaf het tweede afbouwpunt in de Wet op het kindgebonden budget leidt tot een afname van de doelgroep van het kindgebonden budget. Daarmee is de impact voor de SVB dat er mogelijk aan minder ouders een aanvullende gezinsbijslag hoeft te worden betaald. Het leidt niet tot meer werk en er zijn geen aanpassingen in de processen of informatievoorziening nodig.

Internetconsultatie

Het wetsvoorstel is daarnaast gepubliceerd voor internetconsultatie. De internetconsultatie liep van 6 oktober 2025 tot en met 6 november 2025 en heeft in totaal 18 reacties opgeleverd, waaronder van het Nationaal Fonds Kinderhulp.

De helft van de particulieren die gereageerd heeft kan zich vinden in het wetsvoorstel omdat het de groepen blijft steunen die het meest aangewezen zijn op het kindgebonden budget. Men is wel kritisch op het feit dat het afbouwpad vanaf € 60.000 aan toetsingsinkomen de alleenstaande ouder onevenredig benadeelt. Het merendeel van de ouders die minder of geen kindgebonden budget ontvangen door dit wetsvoorstel zijn echter paren, zij bereiken relatief eerder een huishoudinkomen van € 60.000. Het grootste deel van de alleenstaanden heeft een inkomen onder de € 60.000. Hun aanspraak wijzigt niet. Daarnaast ontvangen alle alleenstaande ouders, ongeacht de hoogte van hun inkomen, de alleenstaande ouderkop waarmee zij al een hogere tegemoetkoming ontvangen dan paren. Mensen geven ook aan dat door het nieuwe steilere afbouwpercentage meer werken minder loont. Dat geldt echter alleen voor werkenden die kindgebonden budget ontvangen met een inkomen vanaf € 60.000. De marginale druk daalt juist voor huishoudens die geen recht meer hebben op kindgebonden budget door deze aanpassing. Voor deze groep gaat meer werken meer lonen. Ook vragen enkele particulieren om aandacht te besteden aan het feit dat een hoger belastbaar inkomen weinig zegt over het besteedbare inkomen, zeker gezien de kosten voor levensonderhoud, woonlasten en kinderen steeds hoger worden. Het kabinet is zich bewust van de lasten die veel gezinnen moeten dragen. Alle alternatieven afgewogen, blijft het kabinet bij het standpunt dat de keuze voor een nieuw afbouwpunt op een verzamelinkomen van € 60.000 de meest afgewogen keuze is tussen moeten bezuinigen, doelmatigheid, het niet laten oplopen van de kinderarmoede en werken lonend te laten zijn. Het Nationaal Fonds Kinderhulp vraagt eveneens aandacht voor de verborgen armoede die achter hogere bruto-inkomens schuil kan gaan. Uitzonderlijk hoge woonlasten, oplopende schulden, zorgbehoefte of mantelzorg maken dat ook voor de hogere inkomens het verlies het van kindgebonden budget precair kan zijn en negatief uitwerkt op de kinderen. Zij adviseren daarom om kinderen uit gezinnen net boven de € 60.000- grens te monitoren en zicht te krijgen op regionale kostenverschillen, gezinssamenstelling en schuldenlast. Tevens stelt het Nationaal Fonds Kinderhulp dat de toets aan het VN-Kinderrechtenverdrag te formalistisch is uitgevoerd. Volgens hen ontbreekt een kinderrechtenimpactanalyse en aandacht voor leefwereld-indicaties zoals sociale participatie, toegang tot schoolspullen en verjaardagscadeaus. Ze adviseren om dit expliciet mee te nemen in evaluaties en monitoring. Het kabinet heeft aandacht voor deze onderwerpen en bestaanszekerheid opgenomen in haar hoofdlijnenakkoord. De kindregelingen, waaronder de kostendekkendheid, worden periodiek geëvalueerd en daarnaast wordt in opdracht maar ook ongevraagd onderzoek gedaan en data verzameld over de genoemde onderwerpen. Zo brengt het CBS in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) periodiek kwantitatieve informatie over schuldenproblematiek in Nederland in beeld en heeft de Kinderombudsman net het rapport uitgebracht dat omschrijft wat kinderen in armoede de afgelopen tien jaar verteld hebben over hun leven en welzijn.2526 Tot slot waarschuwt het Nationaal Fonds Kinderhulp voor de risico’s op terugvorderingen en problematische schulden. Het pleit voor een nauwgezettere manier om de actuele inkomens te monitoren om terugvorderingen te voorkomen. Het terugdringen van terugvorderingen is een belangrijke prioriteit binnen het huidige toeslagenstelsel.27 Er zijn de afgelopen jaren verschillende maatregelen uitgevoerd om aan dit doel bij te dragen, waaronder het wijzigen van aanvragen op basis van afwijkingen in kinderopvang- en inkomensgegevens, een voorzichtigere inkomensindexatie en een verkenning van een voorzichtig voorschot. Daarnaast worden verschillende wetsvoorstellen voorbereid die een positieve bijdrage leveren aan het terugdringen van de problemen door toeslagen. Deze maatregelen, in combinatie met publiekscampagnes als ‘check, pas aan en door' dragen bij aan het terugdringen van terugvorderingen.

Overige reacties die pleiten voor verduidelijking zijn verwerkt in de toelichting bij de betreffende maatregel.

10. Evaluatie

Het beleid gericht op de tegemoetkoming van ouders wordt eens in de vier tot zeven jaar periodiek geëvalueerd.28 De meest recente evaluatie is in januari 2026 naar de Kamer gestuurd. De huidige aanpassingen van het kindgebonden budget zullen onderdeel uitmaken van een daarop volgende evaluatie die de periode vanaf 2024 zal bestrijken. Daarbij zal de vraag naar de doeltreffendheid en doelmatigheid aan de orde komen.

11. Overgangsrecht en inwerkingtreding

Bij de totstandkoming van dit wetsvoorstel is aandacht besteedt aan de noodzaak van overgangsrecht. Het wetsvoorstel zorgt niet voor een grote inkomensterugval en het kindgebonden budget wordt geleidelijk afgebouwd waardoor er overgang plaatsvindt. En er wordt verwacht dat de hogere inkomensgroepen die minder tot geen kindgebonden budget gaan ontvangen, in staat zijn om de kosten van primaire levensbehoeften voor hun kinderen zelfstandig te dragen. Bovendien worden er voorlichtingscampagnes gehouden. Het wetsvoorstel veroorzaakt zodoende geen onaanvaardbare gevolgen. Om voorgaande redenen is er geen overgangsrecht in het wetsvoorstel opgenomen. Bij inwerkingtreding gaat de wijziging dus gelden voor alle mensen die op dat moment al een kindgebonden budget ontvangen en alle nieuwe instroom in het kindgebonden budget.

De regering beoogt de aanpassingen van de wet in werking te laten treden met ingang van 1 januari 2027. Daarmee wordt voldaan aan het kabinetsbeleid voor vaste verandermomenten voor regelgeving, zoals vastgelegd in aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Bij een voortvarend wetgevingsproces wordt ook voldaan aan de minimuminvoeringstermijn van 2 maanden.

II. ARTIKELSGEWIJS DEEL

Artikel I Wijziging van de Wet op het kindgebonden budget

Artikel I, onderdeel A

Eerste onderdeel

In artikel 2, tweede lid, is een redactionele wijziging doorgevoerd. Met ingang van 1 januari 2024 zijn de bedragen van kindgebonden budget voor het eerste kind en alle daaropvolgende kinderen gelijkgetrokken.29 Artikel 2, tweede lid, maakt echter in de tekst nog steeds onderscheid tussen het eerste kind en de daaropvolgende kinderen.

Tweede onderdeel

Door de wijziging in het eerste onderdeel, wordt artikel 2, twaalfde lid, gewijzigd.

Artikel I, onderdeel B

Dit artikel 2a voegt een verhoging van het afbouwpercentage toe voor de alleenstaande ouder hetzij de ouder en zijn partner met een toetsingsinkomen vanaf € 60.000 op basis van het prijspeil van 1 januari 2024. Volgens het huidige artikel 3, vijfde lid, onderdeel b, van de Wet op het kindgebonden budget wordt het maximale bedrag aan kindgebonden budget bij inkomens boven het drempelinkomen verminderd met 8,05% (dat is het afbouwpercentage dat geldt in 2027) van het verschil tussen het toetsingsinkomen en het drempelinkomen. Het drempelinkomen is daarbij verschillend voor alleenstaande ouders en voor ouders met een partner die kinderen hebben.

Voor inkomens boven de € 60.000 (prijspeil 2024) wordt daar met artikel 2a nog een extra 4,3 procentpunt aan toegevoegd waardoor het afbouwpercentage voor het inkomen boven die € 60.000 uitkomt op 12,35% van het verschil tussen het toetsingsinkomen en dit extra afbouwpunt van € 60.000. Met ingang van 1 januari 2028 komt het percentage hoger uit, op 12,80%. Het extra afbouwpunt is gelijk voor alleenstaande ouders en ouders met een partner die kinderen hebben. Hogere inkomens zullen hierdoor een snellere afbouw van het kindgebonden budget hebben.

Artikel I, onderdeel C

Op 1 januari van elk kalenderjaar worden de kindgebonden bedragen geïndexeerd, overeenkomstig de tcf. Het bedrag in artikel 2a zal net als de bedragen in de artikelen 1, vierde lid, 2, tweede, vierde tot en met zesde en achtste lid, van de wet jaarlijks worden gewijzigd overeenkomstig de tcf, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Dit onderdeel voegt artikel 2a (nieuw) daarom toe aan artikel 3, eerste en derde lid, van de wet.

Artikel II Indexering en verhoging bedragen

Eerste onderdeel

Op 1 januari van elk kalenderjaar worden de kindgebonden bedragen geïndexeerd, overeenkomstig de tcf. Dat is geregeld in artikel 3 van de wet. Dit artikel regelt dat het bedrag van € 2.500 op het moment van inwerkingtreding éérst wordt geïndexeerd op grond van artikel 3, eerste tot en met het vierde lid, van de wet. Daarna wordt het bedrag verhoogd op grond van artikel 3, zevende lid. Daarbij kan de toevoeging ‘voor het jaar 2025’ vervallen. Vanaf dat moment wordt jaarlijks het actuele bedrag in de plaats gesteld van het in artikel 2, tweede lid, genoemde bedrag. Dat is geregeld in artikel 3, derde lid, van de wet.

Tweede onderdeel

In de voorjaarsnota 2025 is een extra afbouwpunt afgesproken bij een toetsingsinkomen vanaf

€ 60.000 op basis van het prijspeil van 1 januari 2024. In de jaren tot aan de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel wordt dit bedrag nog enkele keren geïndexeerd waardoor op datum inwerkingtreding een ander en hoger bedrag zal gelden dan de € 60.000 uit het genoemde peiljaar. Dit artikel regelt dat het bedrag van het extra knikpunt op het moment van inwerkingtreding éérst wordt geïndexeerd. Daarbij kan de toevoeging ‘op basis van het prijspeil van 1 januari 2024’ vervallen. Vanaf dat moment wordt jaarlijks het actuele bedrag in de plaats gesteld van het in artikel 2a genoemde bedrag, zoals ook het geval is in het eerste onderdeel van dit artikel.

Artikel III Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

Met dit artikel wordt de snellere afbouw van het kindgebonden budget voor huishoudens met een toetsingsinkomen vanaf € 60.000 (prijspeil 2024) gecompenseerd in de beslagvrije voet. Daartoe wordt het hogere afbouwpercentage vanaf het genoemde toetsingsinkomen, zoals opgenomen in artikel 2a van de wet, in de rekenformule van artikel 475da, tweede lid, onderdelen b en d, Rv verwerkt.

Met de opname van de letter M in het eerste deel van de formule wordt bereikt dat voor het huishoudinkomen, aangeduid met de letter C, tot aan het extra afbouwpunt M, wordt gerekend met het reguliere afbouwpercentage (K). De opname van de letter N in het tweede deel van de formule zorgt ervoor dat voor het deel van het huishoudinkomen (C), dat boven het extra afbouwpunt M uitkomt, wordt gerekend met het reguliere afbouwpercentage (K) verhoogd met het extra afbouwpercentage (N). Beide delen van de formule opgeteld vormen samen het totale bedrag aan kindgebonden budget compensatie in de beslagvrije voet.

De Minister van Werk en Participatie,

A.A. Aartsen


  1. TK 2024/25, 36725, nr. 1.↩︎

  2. Wijziging van de Wet op het kindgebonden budget tot intensivering van het kindgebonden budget in verband met koopkrachtondersteuning in 2025 (Kamerstukken II, 2024/25, 36606).↩︎

  3. Prijspeil 2024 houdt in dat het gepresenteerde bedrag voor het tweede knikpunt ad. € 60.000 nog elk jaar vanaf 2024 tot en met 2027 geïndexeerd zal worden met de tcf alvorens het tweede knikpunt per 2027 inwerking treedt. De definitieve hoogte van het tweede knikpunt per 2027 is nog niet bekend omdat de tcf voor 2027 pas in de zomer van 2026 bekend wordt.↩︎

  4. Wijziging van de Wet op het kindgebonden budget tot intensivering van het kindgebonden budget in verband met de koopkrachtondersteuning (Belastingplan 2025), (Kamerstukken II 2024/25, 36606, nr. 3) en de Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2025), Kamerstukken II 2024/25, 36603.↩︎

  5. Kamerstukken II 2024/25, 36606, nr. 3. Met deze wet is eind 2024 geregeld dat het afbouwpercentage vanaf het huidige afbouwpad geleidelijk wordt verhoogd van 6,75% in 2024 oplopend naar 8,50% per 2028 als onderdeel van het koopkrachtpakket uit 2024.↩︎

  6. Voorjaarsnota 2025, Kamerstukken II 2024/25, 36725, nr. 1 p. 4.↩︎

  7. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Rijksbegroting 2024 (Kamerstukken II 2023/24, 36410 XV, p. 190).↩︎

  8. Kamerstukken II, 2024/25, 36725, nr. 23↩︎

  9. Bedoeld wordt de rendementsgrondslag van artikel 1, vierde lid, Wkb.↩︎

  10. Wetsvoorstel Vereenvoudiging partnerbegrip toeslagen. Nog niet aangeboden aan de Tweede Kamer.↩︎

  11. In artikel 475 da rv wordt gesproken over ‘gehuwden’ hiermee wordt hetzelfde bedoeld als in de WKB waarin wordt gesproken over ‘ouders met partner’↩︎

  12. EHRM: Da Conceição Mateus and Santos Januário v. Portugal (dec.), 2013: 22; Koufaki and Adedy v. Greece (dec.), 2013, §§ 46; Mihaies v. Romania, 44232/11↩︎

  13. Kamerstukken II, 2012/13, 33 400 XV, nr. 7 (voorlichting van de Raad van State).Vrij vertaald: de (rechts)grondslag van uitkering wordt geweld aangedaan, vergelijk EHRM, Wieczorek t. Polen, arrest van 8 december 2009, nr. 18176/05, § 57. Zie ook EHRM, Valkov e.a. t. Bulgarije, arrest van 25 oktober 2011, nrs. 2033/04, 19125/04, 19475/04, 19490/04, 19495/04, 19497/04, 24729/04, 171/05 en 2041/05, § 91 en 97 en EHRM (GK), Kotov t. Rusland, arrest van 3 april 2012, nr. 54522/00, § 132.↩︎

  14. Kamerstukken II, 2012/13, 33 400 XV, nr. 7 (voorlichting van de Raad van State).↩︎

  15. Centrale Raad van Beroep, 12 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4180↩︎

  16. Centrale Raad van Beroep, 4 maart 2016, ECLI:CRVB:2016:916, § 4.3.↩︎

  17. Centrale Raad van Beroep, 12 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4180↩︎

  18. Nederland heeft een voorbehoud bij artikel 26 IVRK gemaakt in de zin dat minderjarigen geen zelfstandige aanspraak op sociale voorzieningen hebben.↩︎

  19. Centrale Raad van Beroep, 29 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT3468.↩︎

  20. Deze doorrekening van de inkomenseffecten is gemaakt met het microsimulatiemodel Mimosi. Op basis van dit model heeft de maatregel effect op 480.000 huishoudens tegenover 454.000 huishoudens in de budgettaire raming van het ministerie van SZW. In de budgettaire raming worden de resultaten uit Mimosi namelijk aanvullend geijkt op basis van realisatiedata, daarom wordt bij de budgettaire raming uitgegaan van een lager aantal huishoudens.↩︎

  21. In verband met de voorschotsystematiek van de toeslagen doen er zich op kasbasis reeds in 2026 budgettaire effecten voor. Het betreft hier de voorschotbetaling voor januari 2027 die reeds in december 2026 wordt uitgekeerd.↩︎

  22. Coalitieakkoord D66, VVD en CDA, Aan de slag, Bouwen aan een beter Nederland, p. 45.↩︎

  23. Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, Handboek Meting Regeldrukkosten, verise 2.1, 29 november 2023.↩︎

  24. Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PBeU 2004, L 166).↩︎

  25. CBS dashboard ‘Schuldenproblematiek in beeld’.↩︎

  26. Kinderombudsman, Opgroeien in onzekerheid, 24 september 2025, KOM006/2025.↩︎

  27. Kamerstukken II, 2024/25, 36708, nr. 8.↩︎

  28. Kamerstukken II 2019/20, 30982, nr. 46.↩︎

  29. Kamerstukken II 2023/24, 36431, nr. 3, p. 3↩︎