Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over Fiche: Mededeling EU Anti-Racism Strategy 2026-2030 (Kamerstuk 22112-4285)
Inbreng verslag schriftelijk overleg
Nummer: 2026D16011, datum: 2026-04-03, bijgewerkt: 2026-04-03 16:34, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: A. Kisteman, voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken (VVD)
- Mede ondertekenaar: J.P. van der Haas, adjunct-griffier
Onderdeel van zaak 2026Z04602:
- Volgcommissie: vaste commissie voor Europese Zaken
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-04-02 14:00 ā Inbreng geleverd. (Besluit)
- 2026-03-19 11:50 ā Inbrengdatum voor het stellen van vragen t.b.v. een schriftelijk overleg vaststellen op 2 april 2026 te 14.00 uur. (Besluit)
- 2026-03-19 11:45 ā Ter informatie. (Besluit)
- 2026-03-10 16:05 ā Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-03-10 16:05: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-03-19 11:45: Procedurevergadering (Procedurevergadering), vaste commissie voor Europese Zaken
- 2026-03-19 11:50: Procedurevergadering Binnenlandse Zaken (aanvang direct aansluitend aan de constituerende vergadering) (Procedurevergadering), vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- 2026-04-02 14:00: Fiche: Mededeling EU Anti-Racism Strategy 2026-2030 (22112-4285) (Inbreng schriftelijk overleg), vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
Preview document (š origineel)
| 22112 | Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie |
Inbreng verslag van een schriftelijk overleg
Vastgesteld 3 april 2026
Binnen de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken hebben onderstaande fracties de behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de brief inzake het kabinetsstandpunt ten aanzien van de Mededeling EU Anti-Racism Strategy 2026-2030 (Kamerstuk 22112-4285).
De voorzitter van de commissie,
Kisteman
De adjunct-griffier van de commissie,
Van der Haas
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie 2
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie 3
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie 4
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie 4
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie 5
II Antwoord / reactie van de minister
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het BNC-fiche. Deze leden zijn van mening dat discriminatie bij uitstek een probleem is dat landsgrenzen overstijgt. Een effectieve aanpak, gericht op het uitroeien van discriminatie en scheppen van gelijke kansen voor iedereen, zal zowel in nationaal als Europees beleid moeten worden vormgegeven. Derhalve zijn zij enthousiast over de aangekondigde EU Anti-Racism Strategy 2026-2030. Zij wensen de regering enkele vragen te stellen.
Nederlandse positie t.a.v. het voorstel
Beoordeling + inzet
De leden van de D66-fractie merken op dat de plannen zich met name richten op handhaving, definiƫring en verankering. Deze leden kunnen zich vinden in het belang van deze aandachtspunten. Toch merken zij op dat een groot deel van de discriminatie waar Nederlanders en Europeanen mee te maken hebben niet in beeld is doordat er om uiteenlopende redenen geen melding van wordt gemaakt. Hoe kijkt de minister naar de toegankelijkheid van het doen van meldingen van discriminatie, en wat moet er gebeuren om de meldingsbereid te vergroten? Welke kansen ziet hij voor Europees beleid? Welke lessen trekt hij uit het Nederlandse beleid rond antidiscriminatievoorzieningen en het conceptwetsvoorstel ter versterking daarvan, dat inmiddels in consultatie is gebracht?
Deze leden lezen dat de minister schrijft over overwegingen om tot een wetgevingsinitiatief te komen ter harmonisatie van definities van online haatmisdrijven. Zij merken in dat kader op dat de Europese Commissie heeft voorgesteld om haatmisdrijven aan te merken als āEurocrimeā, EU-misdrijf. Hoe beoordeelt de minister dit voorstel?
Overig
De leden van de D66-fractie zijn van mening dat er bij het aanpakken van discriminatie aandacht dient te zijn voor de grondoorzaken daarvan, waaronder het koloniale- en slavernijverleden. Deze leden denken dat Nederland door vooralsnog als enige lidstaat excuses te maken voor het slavernijverleden en aan te geven dat daarop geen punt maar een komma zou volgen, een gidsrol in Europa kan vervullen. Zij zijn verheugd om te lezen dat de minister het belang van onderwijs en cultuur onderschrijft bij de aanpak van discriminatie en racisme. Kan de minister uiteenzetten op welke manier momenteel op Europees niveau wordt ingezet op herstel van de brede doorwerking van het koloniale en slavernijverleden, bijvoorbeeld via onderwijs en cultuur? Ziet hij ruimte voor Nederland om een initiƫrende rol aan te nemen in het pleiten voor intensiever Europees beleid, gericht op herstel van de doorwerking van het koloniale en slavernijverleden?
Deze leden merken tot slot op dat de Europese Anti-Discrimination Directive sinds 2008 op de plank ligt doordat enkele lidstaten in de Europese Raad het voorstel tegen lijken te houden. Deze leden zijn groot voorstander van dit voorstel, dat veel kan betekenen in de strijd tegen discriminatie. Deelt de minister de mening dat het wenselijk is dat het voorstel spoedig het daglicht ziet? Kan de minister uiteenzetten hoe hij voornemens is zich ervoor in te spannen dat het voorstel voorbij de besluitvorming van de Europese Raad komt?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het Fiche: Mededeling EU Anti-Racism Strategy 2026ā2030. Deze leden vinden dat racisme en discriminatie hard moeten worden aangepakt, en dat iedereen in Nederland vrij en veilig zichzelf moet kunnen zijn. Zij steunen het doel van de strategie en de inzet van het kabinet, maar hebben hierbij nog wel enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie staan achter de insteek van de Europese Commissie (hierna: de Commissie) om in te zetten op betere toepassing van bestaande regels in plaats van nieuwe bindende wetgeving. Deze leden vinden dat antiracismebeleid en -wetgeving vooral nationaal geregeld moeten worden. Tegen deze achtergrond vragen zij hoe de minister de huidige handhaving van antidiscriminatiewetgeving in Nederland beoordeelt. Waar ziet hij ruimte voor verbetering?
Wanneer discriminatie niet effectief wordt geadresseerd, kunnen voorstellen tot versterking van sancties worden gedaan, zo lezen deze leden. Zij vragen welke sancties dit (mogelijk) kunnen zijn. Ook lezen zij dat wordt overwogen om de definitie van online haatmisdrijven te harmoniseren en zij vragen hoe de minister hierin staat.
In het kader van een voorstel voor een Raadsaanbeveling voor het tegengaan van uitsluiting van kwetsbare personen op de woningmarkt, vragen de leden van de VVD-fractie in hoeverre hier in Nederland al beleid voor is.
Met betrekking tot de arbeidsmarkt onderschrijven de leden van de VVD-fractie het belang van een divers personeelsbestand en gelijke kansen op de arbeidsmarkt. In hoeverre is er binnen de Europese samenwerking aandacht voor het tegengaan van concrete vormen van arbeidsdiscriminatie, zoals zwangerschapsdiscriminatie? Wanneer wordt verwacht dat de concrete maatregelen voor de plannen (Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024-2030, Plan van Aanpak online discriminatie en Versterkte aanpak veiligheid LHBTIQ+) rond zijn?
De leden van de VVD-fractie lezen dat onderwijs, kunst en cultuur volgens de minister een belangrijke bevorderende rol kunnen spelen in het verstevigen van sociale gelijkheid. Deze leden vragen de minister om nader toe te lichten wat deze rol volgens hem concreet inhoudt en welke taken en verantwoordelijkheden de minister daarbij ziet voor onderwijsinstellingen en culturele organisaties.
De leden van de VVD-fractie vinden het goed dat de minister het belang van geharmoniseerde definities in het online domein benadrukt en vragen naar de status van de uitvoering van de motie Michon-Derkzen (Kamerstuk 29754, nr. 758). Wat is al gedaan en wat moet er nog gebeuren?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de Commissie onderzoek wil doen naar de rol van sociale media in het vormen van de houding van jongeren. Deze leden vragen hoe wordt voorkomen dat dit leidt tot nieuwe beleidslijnen of aanvullende regelgeving, in plaats van tot concrete verbetering in de aanpak van online discriminatie. Zij vragen daarbij hoe wordt ingezet op effectieve handhaving en het aanspreken van platforms op hun verantwoordelijkheid, en welke concrete resultaten dit tot nu toe heeft opgeleverd. Hoe beoordeelt de minister de effectiviteit van de Digitaledienstenverordening (DSA)?
Tot slot lezen deze leden over vrijwillige gedragscodes. Zij vragen de minister wat de verwachting is met betrekking tot de effectiviteit van deze gedragscodes als deze vrijwillig zijn.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
Inleiding
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met grote belangstelling kennis genomen van de EU Anti-Racism Strategy 2026-2030. Racisme, discriminatie, antisemitisme en antiziganisme ondergraven de in de Grondwet en mensenrechtenverdragen vastgelegde uitgangspunten van eerbiediging van de menselijke waardigheid en gelijkheid. Deze leden juichen het van harte toe dat in deze strategie expliciet aandacht wordt geschonken aan de afzonderlijke discriminatiegronden, zoals antisemitisme, moslimdiscriminatie en antiziganisme. Ook de extra aandacht voor de aanpak van institutioneel racisme, het beter handhaven van antidiscriminatiewetgeving, het versterken van de sociale gelijkheid en cohesie, het uitbouwen van belangrijke partnerschappen en het innemen van een voorbeeldfunctie kan op de volledige steun van deze leden rekenen. Het komt er naar hun oordeel natuurlijk wel op aan om deze uitgangspunten concreet te verwezenlijken. Daarom hebben zij nog diverse vragen en opmerkingen.
Nederlandse positie ten aanzien van het voorstel
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat op alle terreinen die de EU-antiracismestrategie 2026ā2030 beslaat reeds beleidsinzet plaatsvindt op het gebied van preventie, signalering, monitoring en sanctionering ten aanzien van verschillende discriminatiegronden. Kan worden voorzien in een precies overzicht per afzonderlijke Commissieaanbeveling welk(e) preventieve en/of repressieve doel(en) de minister zich stelt, waaruit de beleidsinzet concreet bestaat en op welke termijn de inzet gerealiseerd dient te zijn? Ten aanzien van het versterken van de sociale gelijkheid en cohesie, en het uitbouwen van belangrijke partnerschappen zijn deze leden benieuwd met welke maatschappelijke partners al dan niet structureel samengewerkt wordt. Zijn er, alles overziend, hiaten in de aanpak te ontwaren in de Nederlandse aanpak?
Deze leden zijn benieuwd hoe in EU-verband zal worden samengewerkt in het bieden van een optimaal beschermingsniveau tegen racisme, discriminatie, antisemitisme en antiziganisme en hoe verzekerd wordt dat individuele EU-lidstaten elkaars goede voorbeelden kunnen overnemen. Hoe wordt met het oog hierop de voortgang van de implementatie van deze strategie gemonitord en gestimuleerd?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het BNC-fiche en hebben daarbij enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie geloven dat, naast een taak voor overheden, ook voor de samenleving een grote rol en verantwoordelijkheid is weggelegd om racisme te bestrijden. Deze leden vragen in hoeverre dit terugkomt in de bestaande en voorgenomen Europese inzet ten aanzien van racismebestrijding.
De leden van de CDA-fractie constateren dat veel van de door de Commissie aangedragen handvatten goed aansluiten bij bestaande Nederlandse beleidsinzet. Deze leden vragen wat precies het verschil is tussen het huidige Nederlandse beleid en hetgeen dat voortkomt uit deze EU-strategie. Tevens zijn zij benieuwd of de minister verwacht dat hij nadere stappen zal moeten zetten naar aanleiding van de mededeling en, zo ja, welke dat zijn.
De leden van de CDA-fractie hebben behoefte aan een nadere specificatie van de bevoegdheid van de EU ten aanzien van het voorstel. Deze leden begrijpen dat discriminatie steeds vaker plaatsvindt op online platforms en dat Europese samenwerking noodzakelijk is om dat effectief aan te pakken. Zij constateren daarnaast ook dat er in de mededeling geen regelgeving aangekondigd wordt. Zij vragen waar wat de minister betreft de grens van de bevoegdheid van de EU ligt op dit onderwerp.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het BNC-fiche inzake de Mededeling EU Anti-Racism Strategy 2026-2030. Deze leden maken zich zorgen over de wijze waarop ogenschijnlijk niet-bindende Europese maatregelen in de praktijk kunnen uitgroeien tot indirecte beleidsdruk en feitelijke sturing van nationaal beleid. Zij hebben hierover de volgende vragen.
Algemeen
De leden van de JA21-fractie vragen waarom de minister in het fiche in overwegend positieve termen spreekt over deze strategie, terwijl het hier gaat om een nieuwe poging van de Commissie om via zachte sturing invloed uit te oefenen op typisch nationale beleidsterreinen zoals onderwijs, zorg, huisvesting, sport en cultuur.
Deze leden lezen dat de strategie formeel niet bindend is, maar dat tegelijk sprake kan zijn van indirecte beleidsdruk en feitelijke EU-sturing. Zij vragen hoe de minister enerzijds kan benadrukken dat de strategie niet bindend is, maar anderzijds accepteert dat de Commissie via monitoring, vergelijking tussen lidstaten en nationale actieplannen alsnog druk kan opbouwen om nationaal beleid te wijzigen. Is dit niet precies de bekende methode van eerst soft law en daarna hard law?
Zij vragen voorts of de minister kan bevestigen dat de voorliggende antiracismestrategie niet mag leiden tot nieuwe bevoegdheden voor de Commissie, noch direct, noch indirect via monitoring, richtsnoeren, benchmarks of subsidievoorwaarden.
Zij vragen daarnaast of de minister erkent dat een strategie die officieel niet bindend is, maar wel de opmaat kan vormen naar strengere sancties, aangescherpte slachtofferrechten, harmonisatie van definities en eventuele nieuwe wetgeving, in feite functioneert als een politiek voorportaal voor verdere bevoegdheidsuitbreiding.
Institutioneel en structureel racisme
De leden van de JA21-fractie vragen of de minister erkent dat begrippen als institutioneel racisme, structureel racisme en intersectionaliteit geen neutrale juridische begrippen zijn, maar sterk ideologisch geladen concepten uit een activistisch politiek kader. Deze leden vragen waarom Nederland zou moeten meebewegen in pogingen om dergelijke begrippen beleidsmatig te verankeren.
Deze leden vragen de minister ronduit of hij bereid is zich te verzetten tegen elke gezamenlijke Europese definitie van institutioneel of structureel racisme. Acht de minister het aanvaardbaar dat de Commissie via zulke definities impliciet een politiek oordeel velt over nationale instituties, uitvoeringsorganisaties en overheidsbeleid in lidstaten?
Zij vragen tevens of de minister erkent dat hier niet slechts sprake is van discriminatiebestrijding, maar van een veel bredere ideologische agenda waarin diversiteit, inclusie, bewustwordingscampagnes, gedragsbeĆÆnvloeding en ideologische sturing steeds vaker in beleidsvorm worden gegoten. Waarom kiest de minister er niet voor deze agenda explicieter af te wijzen?
Nationale beleidsruimte en actieplannen
De leden van de JA21-fractie vragen of de minister kan toezeggen dat Nederland zich zal verzetten tegen iedere koppeling tussen nationale actieplannen en Europese monitoring, ranking, rapportages of financiƫle voorwaarden. Waarom zou Nederland zich langs een Europese meetlat moeten laten leggen op een terrein dat primair nationaal is?
Deze leden vragen daarnaast hoe de minister aankijkt tegen nationale actieplannen als instrument, nu uit de stukken blijkt dat deze in de praktijk kunnen uitgroeien tot een middel voor indirecte sturing door de Commissie.
Zij vragen verder of de minister bereid is in Brussel expliciet uit te dragen dat Nederland geen voorstander is van Europese aansturing van nationaal diversiteits-, inclusie- en antidiscriminatiebeleid en geen behoefte heeft aan een Unie van Gelijkheid als politiek project wanneer dat in de praktijk neerkomt op ideologische uniformering, bemoeizucht en beperking van het vrije debat.
Vrijheid van meningsuiting, hate speech en hate crime
De leden van de JA21-fractie constateren dat de Commissie inzet op verdere aandacht voor online hate speech, hate crime en harmonisatie van definities van online hate crime. Deze leden vragen of de minister helder uiteen kan zetten waarom Nederland zich niet zou moeten laten meeslepen in een model waarin steeds vagere en verder oprekbare begrippen worden gebruikt om uitingen strafrechtelijk of bestuurlijk te problematiseren.
Zij vragen de minister expliciet of hij bereid is zich te verzetten tegen Europese harmonisatie van definities van hate speech en hate crime, juist omdat zulke begrippen in de praktijk elastisch en politiek rekbaar blijken. Kan de minister bevestigen dat scherpe, confronterende of impopulaire politieke meningsuiting in een vrije samenleving beschermd moet blijven?
Zij wijzen erop dat in het Verenigd Koninkrijk het debat over non-crime hate incidents heeft laten zien hoe snel zulke categorieƫn kunnen uitlopen op politiƫle registratie van niet-strafbare uitingen, met zorgen over een chilling effect op de vrijheid van meningsuiting en mogelijke gevolgen bij screenings en antecedentenchecks. Zij vragen of de minister kan bevestigen dat Nederland die kant niet op moet willen.
Zij vragen hoe het de minister voorkomt dat onder verwijzing naar online haat ook legale meningsuiting, religiekritiek, systeemkritiek, migratiekritiek, satire en andere scherpe politieke uitingen steeds verder uit het publieke debat worden gedrukt via platformbeleid, gedragscodes en druk vanuit de Commissie. Acht de minister dit risico reƫel, mede gezien de nadruk in de stukken op DSA-handhaving, vrijwillige gedragscodes en de aanpak van schadelijke maar legale content?
Zij vragen bovendien of de minister erkent dat opvattingen over vrijheid van meningsuiting, religiekritiek, systeemkritiek, satire, discriminatie en racisme in belangrijke mate cultureel, historisch en juridisch bepaald zijn en daarom sterk verschillen tussen de lidstaten. Juist daarom vragen zij of vergaande Europese harmonisatie van begrippen als hate speech, hate crime, structureel racisme en institutioneel racisme niet onwenselijk is. Zij vragen zich verder af of de EU, als zij diversiteit werkelijk serieus neemt, dan niet juist zou moeten erkennen dat deze verschillen tussen lidstaten bestaan en gerespecteerd moeten worden.
Digitalisering, toezicht en gelijkheidsgegevens
De leden van de JA21-fractie vragen hoe de minister waarborgt dat de DSA, de AI-verordening en antidiscriminatieregels niet samen een Europees censuur- en toezichtcomplex gaan vormen, waarin platforms, algoritmen en gebruikers steeds intensiever worden gemonitord op politiek en maatschappelijk gevoelige uitingen.
Deze leden vragen verder hoe de minister aankijkt tegen de ontwikkeling van gelijkheidsgegevens, monitoringinstrumenten en vergelijkende rapportages. Welke waarborgen ziet de minister tegen een steeds verdergaande bureaucratische classificatie van burgers, groepen en instellingen langs identitaire lijnen?
Zij vragen daarnaast of de minister wil voorkomen dat de EU lidstaten richting steeds meer dataverzameling en categorisering duwt in het kader van diversiteits- en inclusiebeleid.
Financiering en indirecte druk
De leden van de JA21-fractie constateren dat de voorliggende strategie nadrukkelijk de link legt met financieringsinstrumenten zoals het Citizens, Equality, Rights and Values-programma (CERV) en dat in het fiche zelfs wordt genoemd dat EU-financiering afhankelijker kan worden gemaakt van de bescherming van grondrechten door lidstaten. Deze leden vragen of de minister het aanvaardbaar acht dat de EU via subsidierelaties en begrotingsdruk ideologische beleidsvoorkeuren afdwingt.
Zij vragen tevens of de minister bereid is zich principieel te verzetten tegen het conditioneren van Europese middelen aan antiracisme- of inclusiebeleid volgens Brusselse definities.
Impact assessment en rode lijnen
De leden van de JA21-fractie vragen waarom voor deze strategie geen impact assessment is opgesteld, terwijl de stukken zelf wijzen op mogelijke gevolgen voor wetgeving, handhaving, uitvoeringslasten, monitoring, gegevensverzameling en financieringsvoorwaarden. Moet juist het ontbreken van zoān impact assessment de minister er niet toe brengen zich extra terughoudend en kritisch op te stellen?
Deze leden verzoeken de minister ten slotte om per element van deze strategie aan te geven waar Nederland daadwerkelijk een streep trekt, dus niet in algemene bewoordingen over nationale beleidsruimte, maar concreet op de punten definities, online speech, actieplannen, monitoring, gelijkheidsgegevens, workshops, subsidievoorwaarden, harmonisatie van sancties en mogelijke nieuwe wetgeving.
Inzet minister
De leden van de JA21-fractie vragen welke concrete processuele en politieke stappen de minister zal zetten om te voorkomen dat deze niet-bindende strategie alsnog uitgroeit tot bindende sturing vanuit de EU. Deze leden vragen zich af of de minister in de Raad expliciet bezwaar gaat maken tegen harmonisatie van definities, tegen koppeling van nationale actieplannen aan monitoring en financiering, en tegen iedere uitwerking die de vrijheid van meningsuiting raakt? Zij vragen zich af of de minister kan toezeggen dat Nederland zich op deze punten niet zal beperken tot kritische kanttekeningen, maar daadwerkelijk een streep zal trekken.
II Antwoord / reactie van de minister