Hoger beroep Klimaatzaak Greenpeace Bonaire
Brief regering
Nummer: 2026D17226, datum: 2026-04-10, bijgewerkt: 2026-04-10 16:27, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei (Ooit D66 kamerlid)
Onderdeel van zaak 2026Z07681:
- Volgcommissie: vaste commissie voor Koninkrijksrelaties
- Volgcommissie: vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei
- 2026-04-21 17:00: Procedurevergadering Klimaat en Groene Groei (Procedurevergadering), vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei
Preview document (🔗 origineel)
Geachte Voorzitter,
Op 28 januari 2026 heeft de rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in de door Greenpeace Nederland aangespannen procedure tegen de Nederlandse Staat over klimaatverandering op Bonaire.1 De rechtbank oordeelt dat de tot op heden getroffen maatregelen, zowel voor klimaatmitigatie in Europees Nederland als voor klimaatadaptatie van Bonaire, onvoldoende zijn en dat nadere stappen moeten worden gezet.
Met deze brief informeer ik uw Kamer, mede namens de minister van Infrastructuur en Waterstaat en de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, dat het kabinet op basis van een zeer zorgvuldige weging tot de conclusie is gekomen dat er zwaarwegende (juridische) redenen zijn voor het laten toetsen van de uitspraak door het gerechtshof Den Haag. Hieronder licht ik, namens het kabinet, dit besluit toe.
Zorgen inwoners en inzet kabinet
De uitspraak van 28 januari jl. is een belangrijke uitspraak voor de inwoners van Caribisch Nederland en voor de inwoners van Bonaire in het bijzonder. Het kabinet hecht er sterk aan om uit te spreken dat zij oog heeft voor de zorgen die de inwoners van Caribisch Nederland hebben over klimaatverandering en deze uiterst serieus neemt. Dit vertaalt zich in het handelen van dit kabinet, zowel op het gebied van mitigatie als adaptatie.
Het kabinet staat pal voor een voortvarende transitie naar een schoon, weerbaar en energie-onafhankelijk Nederland. Daarbij is het van groot belang om de transitie eerlijk en inclusief vorm te geven, niet in de laatste plaats voor de inwoners van Caribisch Nederland. Ook vanuit de overtuiging dat dit de beste manier is om onze gezamenlijke economische kracht te behouden. Daarom treft het kabinet de komende periode voorbereidingen voor de benodigde aanpassingen van beleid, zoals op 27 maart jl. is aangekondigd.2 Zo zet het kabinet onder andere in op het oplossen van netcongestie, de opschaling van duurzame energie en vergroening van de industrie en het ondersteunen van huishoudens bij het verduurzamen van hun woning. Deze maatregelen zorgen voor een reductie van CO2-emissies waarmee klimaatverandering wordt afgeremd. Ook heeft het kabinet in het coalitieakkoord afgesproken om in het voorjaar van 2027, indien nodig, nationaal geborgde maatregelen te treffen.
Op het gebied van adaptatie zet het kabinet in op het vaststellen van een klimaatadaptatieplan om ervoor te zorgen dat Caribisch Nederland klimaatbestendig is, nu en in de toekomst. Het kabinet streeft ernaar om nog dit jaar de Nationale Klimaatadaptatiestrategie vast te stellen, waarin nadrukkelijk aandacht is voor Caribisch Nederland. Ook zet dit kabinet de tweede fase van het Natuur- en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland voort, zoals reeds aangegeven in het coalitieakkoord.
Hoger beroep
Ten aanzien van hoger beroep is het kabinet na een zeer zorgvuldige afweging tot de conclusie gekomen dat er zwaarwegende (juridische) redenen zijn voor het laten toetsen van de uitspraak door het gerechtshof Den Haag. Het kabinet heeft bijvoorbeeld bedenkingen bij het door de rechtbank gehanteerde juridisch kader en de verplichtingen die de rechtbank afleidt uit besluiten van VN-klimaatconferenties (COP-besluiten). Ook de overweging van de rechtbank dat emissies van internationale lucht- en zeevaart bij het vaststellen van de nationale emissiereductiedoelen moeten worden meegenomen, sluit naar de overtuiging van het kabinet niet aan bij de internationale aanpak, waarin deze emissies worden gereguleerd via gespecialiseerde VN-organisaties (ICAO en IMO). Gelet op de beroepstermijn van drie maanden maakt het kabinet nu de beslissing tot het instellen van hoger beroep kenbaar. Hierna zal het kabinet de precieze gronden van het hoger beroep bepalen en uitwerken.
De uitspraak van de rechtbank is uitvoerbaar bij voorraad. Dit betekent dat het kabinet de bevelen uit het vonnis direct moet uitvoeren, ook als hoger beroep wordt ingesteld. Vanzelfsprekend houdt het kabinet zich aan gerechtelijke uitspraken en werkt zij aan de uitvoering daarvan. Wel ziet het kabinet aanleiding om bij het gerechtshof een verzoek in te dienen tot schorsing van de verplichting om het mitigatiebevel direct uit te voeren. Dit bevel houdt in dat in nationale regelgeving absolute emissiereductiedoelen voor de gehele economie moeten worden opgenomen. Uit de uitspraak volgt dat daarbij emissies van internationale lucht- en zeevaart moeten worden betrokken. Dat over deze emissies in de procedure bij de rechtbank tussen partijen geen discussie heeft plaatsgevonden is reden voor dit schorsingsverzoek. Als dit schorsingsverzoek wordt toegewezen, kan met de uitvoering van dit specifieke bevel worden gewacht tot het gerechtshof in hoger beroep uitspraak heeft gedaan.
De Kamer wordt uiterlijk met Prinsjesdag 2026 nader geïnformeerd over de stand van zaken van de uitvoering van de uitspraak van de rechtbank.
Stientje van Veldhoven - van der Meer
Minister van Klimaat en Groene Groei
Kamerstukken II 2025/26, 32813, nr. 1552.↩︎
Kamerstukken II 2025/26, 32813, nr. 1556.↩︎